Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2016-2017
Kamerstuk 34555 nr. 5

Gepubliceerd op 26 oktober 2016 16:30

Gerelateerde informatie


Toon alle stukken in dossier



34 555 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten tot uitfasering van het pensioen in eigen beheer en het treffen van enkele fiscale maatregelen inzake oudedagsvoorzieningen (Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen)

Nr. 5 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 26 oktober 2016

Inhoudsopgave

1. Inleiding

2

2. Pensioen in eigen beheer, afschaffing en gefaciliteerde beëindiging

2

2.1. Uitfasering

3

2.2. Beëindiging PEB

6

2.3. Afkoop

8

2.4. Oudedagsverplichting

13

2.5. De positie van de partner

16

2.6. Overige aspecten

21

2.6.1. Informatieplicht

21

2.6.2. Afkoop reeds ingegane pensioenen

22

3. Overige wijzigingen op pensioengebied

23

3.1. 100%-grens en daarvan afgeleide grenzen

24

3.2. Doorwerkvereiste

26

4. Budgettaire aspecten

26

4.1. Uitfasering pensioen in eigen beheer

26

4.2. Overige pensioenmaatregelen

29

5. Overig

29

6. Commentaar organisaties

31

6.1. NOB

31

6.2. RB

42

6.3. KPS

45

1. Inleiding

Het kabinet heeft met interesse kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van de VVD, de PvdA, de SP, het CDA, de PVV, D66 en de ChristenUnie en het lid van de fractie van 50PLUS.

Hierna wordt bij de beantwoording van de vragen zo veel mogelijk de volgorde van het verslag aangehouden, met dien verstande dat gelijkluidende of in elkaars verlengde liggende vragen tezamen zijn beantwoord.

De leden van de fracties van de VVD, de PvdA, het CDA en de ChristenUnie hebben gevraagd integraal te reageren op de commentaren van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB), het Register Belastingadviseurs (RB), de SRA en de Kring van pensioenspecialisten (KPS) op het onderhavige wetsvoorstel. Andere leden hebben gevraagd om op een bepaald onderdeel van deze commentaren te reageren. Waar naar een reactie op een specifiek onderdeel van het commentaar wordt gevraagd wordt daarop ingegaan bij het betreffende onderwerp. De overige onderdelen van deze commentaren worden, voor zover al niet elders in deze nota aan de orde geweest, van een reactie voorzien aan het slot van deze nota.

2. Pensioen in eigen beheer, afschaffing en gefaciliteerde beëindiging

De leden van de fractie van de PVV vragen of de voorgestelde regeling niet te ruimhartig is, waarom er een disconto op de grondslag van de heffing wordt verleend, hoeveel belastingopbrengsten met dat disconto zijn gemoeid en waarom niet wordt volstaan met afstempelen en vervolgens zonder korting op de grondslag afkopen. Het handhaven van het pensioen in eigen beheer (PEB) is zowel voor de dga als voor de Belastingdienst eigenlijk geen reële optie. De nadelen voor beide partijen zijn uitgebreid geschetst in de memorie van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel. Uitfasering van het PEB, bij voorkeur met een afkoop van het reeds opgebouwde pensioen, is dan de meest voor de hand liggende optie. De korting lijkt wellicht ruimhartig maar is wel een stimulans voor de dga om het reeds opgebouwde pensioen daadwerkelijk af te kopen. Alleen afstempelen, zonder dat bij de afkoop een korting op de grondslag wordt verleend, is niet voldoende. Het budgettaire effect van de uitfasering zoals deze in het wetsvoorstel is vormgegeven is overigens positief. Zonder de korting zou het aantal dga’s, dat daadwerkelijk tot afkoop over kan gaan, namelijk zeer beperkt zijn en het is maar zeer de vraag of er op de pensioeningangsdatum voldoende liquide middelen zijn om het op papier opgebouwde pensioen tot uitkering te laten komen. De vraag van deze leden naar de derving als gevolg van het afstempelen is beantwoord in paragraaf 4.1.

De leden van de fractie van het CDA vragen waarom er ook in 2020 en 2021 nog een positief effect op het EMU-saldo is. Daarnaast vragen deze leden hoe de contant gemaakte reeks een positieve opbrengst van € 65 miljoen heeft. Verder vragen zij hoeveel er bespaard wordt doordat er geen PEB meer kan worden opgebouwd. De leden van de fractie van de PVV vragen daarnaast waarom deze ruimhartige regeling voor een zeer beperkte groep mensen de belastingbetaler structureel ruim € 200 miljoen kost. Zij vragen of dit niet budgettair neutraal kan.

Naast de budgettaire effecten van de afkoop van het PEB zijn er de effecten van het niet meer fiscaal gefaciliteerd (verder) kunnen opbouwen van een PEB. Dit betekent dat de aftrek hiervan in de vennootschapsbelasting (vpb) verdwijnt en dat er in de toekomst geen belastingheffing meer over fiscaal gefaciliteerd pensioen in eigen beheer plaatsvindt. Dat wordt bedoeld met het naar voren halen van toekomstige ontvangsten. Dit heeft allereerst vanaf 2018 een positief EMU-saldo-relevant effect van € 0,2 miljard hogere vpb-ontvangsten (zie regel 2 van tabel 1 in de memorie van toelichting). Opgeteld bij de verwachte hogere box 2-opbrengsten als gevolg van het wegvallen van de dividendklem en verhoogde solvabiliteit van bv’s, leidt dit ertoe dat er ook vanaf 2020 nog een positief saldo op de kasontvangsten resteert. In de jaren daarna neemt de derving van ontvangsten uit de loonheffing op pensioenuitkeringen steeds meer toe omdat de totale som aan PEB-uitkeringen veel lager is geworden als gevolg van de afkoop in 2017–2019 én het vanaf 2017 niet meer verder kunnen opbouwen van een PEB. In de structurele situatie is het PEB dat in de periode 2017–2019 niet is afgekocht helemaal uitgekeerd (hetzij als PEB-uitkering hetzij als uitkering uit de nieuwe oudedagsverplichting). Op termijn is de derving van inkomsten uit de loonheffing op de pensioenuitkeringen van dga’s groter dan de extra inkomsten uit de vpb en box-2. Het effect van het naar voren halen van belastingen wordt versterkt door de afkoopregeling in 2017–2019, waardoor in deze jaren sprake is van extra hoge ontvangsten uit de loonheffing.

Voor het inkomstenkader is de contante waarde van de langjarige EMU-saldo-effecten relevant. Bij de berekening van de contante waarde wordt de toekomstige belastingderving uit pensioenuitkeringen verdisconteerd met extra belastingontvangsten in de beginfase als gevolg van de afkoop, het niet meer toestaan van de aftrek in de vpb en de hogere dividenduitkeringen. De contante waarde bedraagt € 62 miljoen. Een deel van dit positieve effect betreft pensioenvoorzieningen die nu onder water staan. Dga’s met een pensioenvoorziening die onder water staat maken op dit moment wel gebruik van de belastingaftrek, maar de pensioenuitkering zou mogelijk nooit (volledig) tot uitbetaling komen omdat het bedrijf bijvoorbeeld failliet gaat of ook nog onder water staat op het moment dat het PEB tot uitkering zou moeten komen. Die toekomstige belastingderving wordt door het afschaffen van het PEB voorkomen.

2.1. Uitfasering

De leden van de fractie van de SP vragen of de periode van drie jaar waarin de fiscaal gefaciliteerde afkoop mogelijk is ertoe zal leiden dat meer dga’s van deze mogelijkheid gebruik zullen maken en of het kabinet een beeld heeft van het aantal dga’s dat gebruik zal maken van de afkoopmogelijkheid. Verder vragen deze leden of er veel gevallen zullen voorkomen waarbij een periode van drie jaar alsnog te weinig is om tot afkoop over te gaan. Deze leden vragen voorts om een voorbeeld van een dga die de termijn van drie jaar nodig heeft om tot afkoop over te gaan. De periode van drie jaar waarin het PEB fiscaal gefaciliteerd kan worden afgekocht biedt dga’s die in 2017 hun PEB niet kunnen of willen afkopen de mogelijkheid dit alsnog te doen in 2018 of 2019 als daartoe dan wel de mogelijkheid of wens bestaat. In die zin is te verwachten dat minder dga’s hun PEB zullen afkopen als alleen in 2017 gebruik zou kunnen worden gemaakt van de faciliteit. Het kan bijvoorbeeld zijn dat een dga in 2017 zijn PEB niet kan afkopen vanwege de financiële situatie van de bv. Als deze financiële situatie verbetert, is het mogelijk dat de dga in 2019 zijn PEB wel kan afkopen. Er zullen echter altijd gevallen resteren waarbij dga’s ook binnen de verlengde termijn van drie jaar hun PEB niet kunnen of willen afkopen. Hiervoor kunnen verschillende redenen zijn. Er kunnen gedurende de drie jaar onvoldoende liquiditeiten zijn om het PEB af te kopen. Het kan ook zijn dat er geen behoefte bestaat om het PEB af te stempelen en af te kopen in een situatie waarin er wel voldoende middelen zijn om de verschuldigde belasting te betalen. Bij de berekening van de budgettaire gevolgen van de uitfasering van het PEB is met de mogelijkheid dat dga’s hun PEB niet kunnen of willen afkopen rekening gehouden. Er is verondersteld dat circa 36% van de dga’s met een PEB gebruik gaat maken van de afkoopmogelijkheid, waarvan ruim 2/3e in 2017.

De leden van de fracties van de SP, het CDA, D66 en de PvdA en het lid van de fractie van 50PLUS vragen waar het kabinet de verwachting op baseert dat 36% van de dga’s het PEB zal afkopen en dat 24% van de dga’s het PEB zal omzetten in een oudedagsverplichting. Verder vragen de leden van de fractie van het CDA in hoeverre hiervoor onderzoek is gedaan onder dga’s of adviseurs en welk percentage van de totale voorziening afgekocht zal worden. Verder vragen de leden van de fractie van de Pvda wat de resterende 40% van de dga’s zal doen. In de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel is uitgebreid uiteengezet waarom een PEB in de loop van de tijd steeds minder aantrekkelijk is geworden. Daarbij zijn er de steeds groter wordende verschillen tussen de fiscale en de commerciële waardering van de pensioenverplichting, mede ten gevolge van de lage rentestand die relevant is voor de commerciële waardering terwijl voor de fiscale waardering een vaste rekenrente van (ten minste) 4% dient te worden gehanteerd. Door de dalende markrente en de daardoor gestegen commerciële waarde kregen veel dga’s te maken met een zogenoemde dividendklem. Steeds meer dga’s hebben daarom de verdere opbouw van hun PEB stopgezet. De huidige verplichtingen als gevolg van het reeds opgebouwde PEB blijven echter op de balans staan en daarmee blijft ook de noodzaak bestaan voor de dga om jaarlijks kosten te maken in verband met de ingewikkelde waarderings- en berekeningssystematiek ten behoeve van de juiste waardering van de pensioenverplichting. Om de afkoop voor dga’s aantrekkelijk te maken, wordt het mogelijk gemaakt om eerst de commerciële waarde af te stempelen naar de fiscale waarde, zonder dat daarover loonheffing en revisierente verschuldigd zijn. Vervolgens wordt nog een korting op de belastinggrondslag geboden wanneer een dga wil afkopen. Met de afkoop kunnen dga’s vermogen vrijspelen dat nu vastzit in de onderneming. Het kabinet verwacht, mede op basis van gesprekken met vertegenwoordigers van de doelgroep, dat een grote groep dga’s met een PEB een voorkeur zal hebben voor de afkoopregeling, dit naar aanleiding van de vraag van de leden van de fractie van het CDA, waarom het kabinet van mening is dat afkoop aantrekkelijker is dan omzetting in de oudedagsverplichting.

Bij het vaststellen van het te verwachten gebruik is er rekening mee gehouden dat een deel (28%) van de dga’s met een PEB onvoldoende liquide middelen heeft om een afkoop te realiseren omdat hun pensioenverplichting onder water staat. Verondersteld is dat zij gebruik willen maken van de mogelijkheid om het PEB om te zetten in een oudedagsverplichting. Ook is er rekening mee gehouden dat een deel van de dga’s niet van de afkoopregeling gebruik kan maken omdat hun partner niet meewerkt. Ten slotte zal een deel van de dga’s het PEB niet willen afkopen of omzetten in een oudedagsverplichting omdat zij het pensioen regulier willen afwikkelen. Niet iedere dga met een PEB zal dus gebruik willen of kunnen maken van de mogelijkheid tot afkoop. Bij het bepalen van de te verwachten gebruikspercentages is niet specifiek rekening gehouden met de grootte van de voorziening, de verwachte percentages gelden daardoor zowel voor de aantallen als voor de totale fiscale waarde. De beslissing om af te kopen is een individuele. Bij dga’s met een kleine voorziening zal de overweging vooral liggen in het feit dat zij daarmee de beheerskosten kunnen verlagen, bij dga’s met een grote voorziening zal de pensioenuitkering vaker in de derde en vierde schijf vallen waardoor afkoop voor deze dga’s relatief gunstiger is. Alles afwegend is verondersteld dat 36% van de dga’s hun PEB afkoopt, dat 24% van de dga’s het PEB omzet in een oudedagsverplichting en dat de overige dga’s (40%) hun PEB regulier zullen afwikkelen.

Het ligt overigens niet in de rede, dit naar aanleiding van een vraag van de SRA, om bij een eventueel tegenvallend gebruik van de uitfasering van het PEB de korting te verhogen.

De leden van de fractie van de SP willen graag een duidelijke uitwerking van voorbeelden zien van de gevolgen voor diverse dga’s voor de balans en liquiditeit. Bij afkoop zullen de dga’s over de fiscale waarde van het PEB loonbelasting verschuldigd zijn. De te betalen loonbelasting gaat ten koste van de liquiditeit. Het nettodeel van de afkoop kan door de dga weer als kapitaal in de bv worden ingebracht waardoor het eigen vermogen van de bv stijgt en de solvabiliteit van de bv toeneemt. Het uitwerken van gedetailleerde voorbeelden vereist veel veronderstellingen met betrekking tot de gedane toezeggingen qua type pensioenregeling (eindloon- of middelloon) ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen, pensioeningangsdatum, het te verwachten rendement van de bv, alsmede de te gebruiken sterftetabel. Enkele voorbeelden kunnen onmogelijk recht doen aan de diversiteit van alle dga’s met een PEB, hun voorkeuren en hun specifieke situatie, dit mede in reactie op het rekenvoorbeeld van de NOB. Afkoop van het PEB, het omzetten in een oudedagsverplichting dan wel de keuze het PEB regulier af te wikkelen betreft een vrijwillige keuze van de dga. Deze maakt zijn afweging op basis van zijn wensen en financiële mogelijkheden. Het is daarom niet mogelijk om voorbeelden te geven waarin met alle aspecten rekening is gehouden.

De leden van de fracties van de SP, de PvdA en de VVD vragen hoe ondernemers met een bv voor 1 januari 2017 worden geïnformeerd over voorliggend wetsvoorstel en de consequenties in de praktijk. Aan het wetsvoorstel is sinds december 2012, tijdens de behandeling van het Belastingplan 2013 in de Eerste Kamer, een lang traject voorafgegaan. Uiteindelijk is een schets van het wetsvoorstel met de brief van 1 juli 20161 bekendgemaakt. De discussie loopt in de praktijk dus al heel lang en sinds 1 juli 2016 zijn al veel vragen over dit onderwerp aan de Belastingdienst gesteld. Daarnaast worden de ondernemers eind 2016 op de hoogte gebracht door middel van een loonbrief, waarin de hoofdlijnen van het wetsvoorstel worden uiteengezet. Verder zal de Belastingdienst aandacht aan het wetsvoorstel besteden op de intermediairdagen die in november en december door het gehele land worden verzorgd en zal op de site van de Belastingdienst een zogenoemde webcast beschikbaar komen. Op deze wijze kunnen partijen zoveel mogelijk van de actuele stand van zaken op de hoogte worden gehouden.

De leden van de fractie van D66 vragen naar de gevolgen van het uitfaseren voor de bedrijfsvoering van de onderneming omdat de oudedagsvoorziening niet meer via de onderneming kan worden opgebouwd. Zij stellen dat geld aan het bedrijf moet worden onttrokken om in de oudedagvoorziening te voorzien. Verder vragen deze leden of de dga’s voldoende tijd hebben om daarop in te spelen. Het is juist dat het onderhavige wetsvoorstel ertoe leidt dat – los van de mogelijkheid om de reeds opgebouwde verplichting fiscaal af te stempelen en om te zetten in een oudedagsverplichting – de onderneming, ingeval vanuit de onderneming een oudedagvoorziening wordt opgebouwd, het geld aan de onderneming moet worden onttrokken. Het blijkt echter dat op dit moment in een groot deel van de gevallen de opgebouwde verplichting niet kan worden waargemaakt maar wel voor problemen zorgt die uitgebreid in de memorie van toelichting zijn beschreven. Dit heeft ertoe geleid dat veel bv’s al zijn gestopt met de (verdere) opbouw van het PEB. Het is daarom reëel te veronderstellen dat een opbouw van een PEB binnen de onderneming niet altijd leidt tot een zekere oudedagsvoorziening. Een externe opbouw gaat inderdaad gepaard met het onttrekken van gelden uit de onderneming maar leidt wel tot een meer zekere oudedagsvoorziening. Naar mijn mening hebben de bedrijven voldoende tijd om daarop in te spelen. Bedrijven die nu «onder water» staan krijgen met de in dit wetsvoorstel geboden mogelijkheden mogelijk weer financiële ruimte om extern een zekere oudedagsvoorziening op te bouwen.

De leden van de fractie van D66 vragen of er voldoende capaciteit in de adviessector is om de dga’s, die hier behoefte aan hebben, van advies te voorzien, zodat zij met voldoende informatie een keuze kunnen maken. Naar mijn mening zijn er voldoende adviseurs en accountants om met betrekking tot het wetsvoorstel een deugdelijk advies te geven.

De leden van de fractie van D66 vragen voorts of de Belastingdienst voldoende capaciteit heeft om de te verwachten toestroom van dossiers in 2017 te verwerken. Zoals ook beschreven in de uitvoeringstoets zal de Belastingdienst tijdelijk wat extra capaciteit moeten inzetten maar verwacht met hen en de huidige bezetting de te verwachten toestroom van dossiers in 2017 te kunnen verwerken.

2.2. Beëindiging PEB

De leden van de fractie van de VVD vragen wanneer en waarom een dga zal kiezen voor het bevriezen van een bestaande PEB-aanspraak en in welke situaties dat gunstig zou kunnen zijn. Het bevriezen zal niet in alle gevallen een bewuste keuze zijn. Bevriezen zal zich bijvoorbeeld voordoen wanneer de dga geen akkoord van zijn partner krijgt om het bestaande PEB af te stempelen en daarna af te kopen of om te zetten in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting. Verder kan het voor dga’s die voldoende vermogen in hun bv hebben waaruit de toegezegde pensioenuitkeringen kunnen worden gedaan, aantrekkelijk zijn om het pensioen op de pensioeningangsdatum tot uitkering te laten komen. De periodieke uitkeringen kunnen dan vanwege de progressiviteit in het tarief onder een lager tarief in de loonbelasting/inkomstenbelasting vallen dan wanneer een groot bedrag in één keer wordt ontvangen. Het is dus een individuele afweging en zoals in de memorie van toelichting ook beschreven afhankelijk van veel verschillende factoren in hoeverre het bevriezen van het PEB «gunstig» voor de dga is.

De leden van de fractie van het CDA vragen of de dga in het kader van het afschaffen van het PEB zijn PEB civielrechtelijk stop moet zetten en wat de fiscale gevolgen zijn wanneer dit stopzetten vóór 1 januari 2017 respectievelijk na die datum gebeurt. Deze leden maken zich in dat kader zorgen over het korte tijdvak dat tussen de stemming over het wetsvoorstel in de Eerste Kamer en de datum van inwerkingtreding zit. Ook de leden van de fractie van de VVD hebben gevraagd naar de gevolgen voor de bv indien de pensioenopbouw per ongeluk na 1 januari 2017 wordt voortgezet. De dga moet ervoor zorg dragen dat vanaf 1 januari 2017 het PEB niet verder wordt opgebouwd. Voor een gedegen afweging op de vraag wat de dga en zijn partner met het PEB willen doen, bevriezen of afstempelen met tegelijkertijd afkopen dan wel omzetten in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting, is ook na 1 januari 2017 voldoende tijd. De verdere opbouw kan worden stopgezet met een eenvoudig (bevestigend) besluit in een voor 1 januari 2017 te houden aandeelhoudersvergadering. De partner heeft hierbij geen vetomogelijkheid. De dga is bij deze aandeelhoudersvergadering aanwezig in de hoedanigheid van bestuurder, werkgever en aandeelhouder. Hierbij is voor de dga in zijn hoedanigheid als werknemer geen rol weggelegd. Wel zal de bv een dergelijk besluit aan de deelnemer van de pensioenregeling (lees: de dga) bekend moeten maken. Over het stoppen van de verdere opbouw zullen waarschijnlijk veel dga’s nu al nadenken, al dan niet op advies van hun belasting- en pensioenadviseurs. Het stopzetten van de verdere opbouw van het PEB heeft in 2016 geen fiscale gevolgen. Over dat jaar zijn de wettelijke bepalingen van toepassing zoals die tot en met 31 december 2016 luiden.

Aan het in 2017 voortzetten van de pensioenopbouw in eigen beheer kunnen wel fiscale gevolgen worden verbonden, zoals het volledig in de heffing betrekking van de gehele aanspraak, tenzij gebruik wordt gemaakt van de in artikel 18 van de Wet LB 1964 opgenomen splitsingsmogelijkheid. Gelet op het vervallen van de fiscale facilitering is echter de verwachting dat de opbouw van het PEB tijdig wordt gestopt. Ook bij eerdere aanpassingen van het fiscale stelsel heeft dit niet tot problemen geleid.

De leden van de fractie van D66 vragen naar de indexering van bevroren PEB-aanspraken na 1 januari 2017. De pensioenaanspraak in eigen beheer, waarvoor overeenkomstig hetgeen hiervoor beschreven op 1 januari 2017 de verdere opbouw is stopgezet, zal worden geïndexeerd wanneer dit in de pensioenovereenkomst is afgesproken.

De leden van de fractie van D66 vragen waarom het pensioen dat dga’s hebben opgebouwd bij externe verzekeraars vóór 1 januari 2017 aan de eigen bv moet worden overgedragen. Ook de leden van de fractie van de VVD vragen hiernaar. Verder vragen de leden van de fractie van D66 wat de consequenties zijn als de termijn voor een dergelijke overdracht gelijk getrokken zou worden met de termijn voor het uitfaseren van het PEB. De leden van de fractie van de VVD vragen in gelijke zin naar de voor- en nadelen als een extern verzekerd pensioen ook na 31 december 2016 nog kan worden teruggehaald naar eigen beheer en wanneer daaraan behoefte zou bestaan. De leden van de fractie van de SP vragen een reactie op de stelling van het RB dat aanspraken die in eigen beheer zijn opgebouwd en zijn herverzekerd bij een professionele verzekeraar ook na 1 januari 2017 kunnen worden teruggehaald naar eigen beheer. Ook de NOB heeft hierover een vraag gesteld.

Voor alle duidelijkheid wil ik vooropstellen dat de dga niet verplicht is om vóór 1 januari 2017 het pensioen dat bij een externe verzekeraar is opgebouwd, naar de eigen bv over te dragen. In het wetsvoorstel wordt bepaald dat vanaf 1 januari 2017 een zogenoemd eigenbeheerlichaam geen toegelaten verzekeraar meer is voor de opbouw van een fiscaal gefaciliteerd pensioen. Hieruit volgt dat vanaf 1 januari 2017 geen nieuwe pensioenaanspraken meer kunnen worden opgebouwd in eigen beheer. Voor op 31 december 2016 reeds opgebouwde pensioenaanspraken in eigen beheer blijft op grond van het in het wetsvoorstel opgenomen overgangsrecht een eigenbeheerlichaam wel een toegelaten verzekeraar. Voor deze bij een eigenbeheerlichaam opgebouwde op 31 december 2016 bestaande aanspraken is het ook vanaf 1 januari 2017 mogelijk deze over te brengen naar een ander eigenbeheerlichaam. Pensioenaanspraken die vóór 1 januari 2017 bij een externe verzekeraar zijn ondergebracht, en die derhalve op 31 december 2016 niet bij een eigenbeheerlichaam zijn verzekerd, vallen niet onder dit overgangsrecht. Voor dergelijke pensioenaanspraken zijn eigenbeheerlichamen vanaf 1 januari 2017 dan ook geen toegelaten verzekeraar meer. Hieruit volgt dan ook dat op 31 december 2016 extern (her)verzekerde pensioenaanspraken vanaf 1 januari 2017 niet meer kunnen worden overgedragen naar een eigen beheerlichaam. Het toestaan van de overdracht na 31 december 2016 van een extern (her)verzekerd pensioen naar een eigenbeheerlichaam, bijvoorbeeld tot en met 2019, past niet bij de strekking van het wetsvoorstel dat er juist op is gericht om de pensioenopbouw in eigen beheer uit te faseren. Daarbij acht het kabinet het niet wenselijk te stimuleren dat een bij een externe verzekeraar gewaarborgde oudedagsvoorziening wordt beëindigd. Hierbij wil ik overigens nog opmerken dat als het verzoek door de externe verzekeraar tot overdracht naar het eigenbeheerlichaam vóór 1 januari 2017 is ontvangen, maar de administratieve afhandeling daarvan pas daarna plaatsvindt, dit wordt aangemerkt als een (toegestane) overdracht in 2016.

Een reden waarom een dga een extern verzekerd pensioen zou willen overdragen naar een eigenbeheerlichaam zou kunnen zijn dat een eigenbeheerlichaam hiermee de benodigde financiële middelen verkrijgt om het PEB in 2017 te kunnen afkopen. Indien dit het geval is, bestaat tot en met 31 december 2016 de mogelijkheid om het extern verzekerde pensioen over te dragen naar een eigenbeheerlichaam. Indien het extern verzekerde pensioen in 2016 niet wordt overgedragen naar een eigenbeheerlichaam en de dga het PEB wel wil beëindigen in 2017, 2018 of 2019, maar hier niet de benodigde middelen voor heeft, dan bevat het wetsvoorstel de mogelijkheid om het PEB om te zetten in een zogenoemde oudedagsverplichting. In dat geval kan het PEB worden beëindigd zonder dat meteen belastingheffing plaatsvindt. Het kabinet ziet, gezien het voorgaande, geen aanleiding om de termijn waarbinnen een extern verzekerd pensioen kan worden overgedragen naar eigen beheer, te verlengen. Dit ook in reactie op het oordeel van het lid van de fractie van 50PLUS dat de thans gegeven termijn voor die overdracht te kort is en dat het voor de hand zou liggen de overdrachtsmogelijkheid te laten bestaan tot bijvoorbeeld 31 december 2017.

2.3. Afkoop

De leden van de fractie van de VVD vragen waarom voor het berekenen van de korting bij afkoop aangesloten wordt bij de datum van 31 december 2015. Verder vragen deze leden welke andere mogelijkheden er zijn om anticipatie-effecten te voorkomen en waarom niet gekozen is voor een tegenbewijsregeling. Deze leden vragen in dit kader waarom niet gekozen is voor 31 december 2016, waarbij dan voorwaarden worden gesteld aan het bedrag dat in 2016 nog kan worden opgebouwd in het PEB. De leden van de fractie van het CDA vragen of het beperken van de korting tot de fiscale balanswaarde per 31 december 2015 niet onnodig ingewikkeld is, bijvoorbeeld in gevallen waarin in 2016 niet meer gedoteerd is. Tevens vragen deze leden of ook alternatieven zijn overwogen, zoals het alleen beperken van de grondslag indien de dotatie in 2016 een bepaald percentage meer bedraagt dan de dotatie in 2015. De NOB vraagt of er ook sprake is van een anticipatie-effect als in 2016 bijvoorbeeld louter een verhoging van de reserve eigen beheer door actuariële oprenting heeft plaatsgevonden of dat een relatief jonge dga in 2016 is gestart met het opbouwen van een PEB. In het wetsvoorstel is opgenomen dat bij afkoop van een PEB in 2017, 2018 of 2019 (na fiscaal geruisloze afstempeling tot de fiscale waarde van de tegenover de pensioenaanspraak staande verplichting) een korting op de grondslag voor de loonbelasting wordt verleend. Deze korting wordt, om anticipatie-effecten te voorkomen, maximaal berekend over de fiscale balanswaarde van de tegenover de afgekochte aanspraak staande verplichting op de eindbalans van het in 2015 geëindigde boekjaar van het lichaam waar het PEB is ondergebracht. Bij een gebroken boekjaar wordt de korting derhalve berekend over de fiscale balanswaarde op de eindbalans van het boekjaar dat eindigt in 2015 en niet op die van 31 december 2015, dit in reactie op een vraag van de leden van de fractie van het CDA hierover. Wanneer in 2016 alleen door de actuariële oprenting een verhoging van de reserve heeft plaatsgevonden, is er geen sprake van een anticipatie-effect. Voorbeelden van anticipatie-effecten zijn (fors) hogere dotaties aan het PEB in 2016 of zelfs het voor het eerst opbouwen hiervan, zoals in het voorbeeld van de relatief jonge dga dat de NOB noemt, waarbij het dan zeer aannemelijk is dat de (hogere) dotaties zijn gedaan met het oog op het behalen van een fiscaal voordeel. Het fiscale voordeel zou er dan uit bestaan dat de dotatie in 2016 voor de volledige (commerciële) waarde in mindering komt bij het bepalen van het fiscale loon, terwijl de aanspraak in 2017 vervolgens kan worden afgekocht voor de (lagere) fiscale waarde van de hier tegenover staande verplichting met ook nog een korting op deze grondslag. Het kabinet acht dit een reëel risico en heeft daarom in het wetsvoorstel bepaald dat de maximale korting die bij afkoop van een PEB in 2017 (of 2018 of 2019) van toepassing is, berekend wordt over de fiscale balanswaarde ultimo 2015. Dit heb ik in mijn eerder aangehaalde brief van 1 juli 2016 ook reeds aangegeven. Uiteraard zijn er ook andere mogelijkheden denkbaar om dergelijke anticipatie-effecten te voorkomen. Zo zou de maximale korting berekend kunnen worden over de fiscale balanswaarde ultimo (boekjaar) 2016, voor zover de dotatie in 2016 zakelijk is of een bepaalde marge ten opzichte van eerdere jaren niet overschrijdt. Ook een tegenbewijsmogelijkheid waarbij de korting over de fiscale waarde ultimo 2015 wordt berekend, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat de dotatie in 2016 zakelijk is geweest, is overwogen. Uiteindelijk is echter niet voor deze varianten gekozen, omdat deze (veel) complexer zouden zijn voor de uitvoering, bijvoorbeeld omdat dan veel discussie te verwachten is over de vraag in hoeverre een dotatie in 2016 al dan niet zakelijk is en de hiervoor genoemde anticipatie daar bovendien niet mee wordt voorkomen. Een hogere dotatie in 2016 is immers per definitie niet onzakelijk, maar dat neemt niet weg dat de dotatie tegelijkertijd niet zou zijn gedaan zonder genoemd fiscaal voordeel. Ook het alleen beperken van de grondslag indien de dotatie in 2016 een bepaald percentage meer bedraagt dan de dotatie in 2015, brengt meer uitvoeringslasten mee dan de in het wetsvoorstel opgenomen regeling en voorkomt evenmin de genoemde anticipatie. Het kabinet geeft dan ook de voorkeur aan de thans opgenomen regeling voor het bepalen van de korting op de grondslag. Naar de mening van het kabinet is dit een eenvoudige regeling die het berekenen van de maximale korting niet onnodig ingewikkeld maakt. Er wordt namelijk aangesloten bij de fiscale balanswaarde op de eindbalans van het boekjaar dat eindigt in 2015. Dit is een vaststaand bedrag dat uit de eindbalans van 2015 is af te leiden. Een separate vaststelling of berekening is derhalve niet vereist.

De leden van verschillende fracties hebben vragen gesteld naar de mogelijkheden om slechts een deel van het PEB af te kopen dan wel het PEB in gedeelten af te kopen. In dat verband vragen de leden van de fractie van de VVD welke mogelijkheden dga’s hebben die slechts de middelen hebben om een deel van het PEB af te kopen. De leden van de fractie van het CDA vragen of het mogelijk is om een deel van de PEB-aanspraak af te kopen en een deel om te zetten in een oudedagsverplichting. De leden van de fractie van de VVD vragen waarom niet is gekeken naar de mogelijkheid om een deel in 2017 en een deel in 2018 of in 2019 af te kopen en wat de voor- en nadelen hiervan zijn. De leden van de fractie van het CDA vragen of de dga een keuze moet maken tussen de verschillende jaren met de verschillende kortingspercentages of dat hij de afkoop over de jaren kan spreiden. Het wetsvoorstel bevat de mogelijkheid om in 2017, 2018 of 2019 een PEB fiscaal gefaciliteerd af te kopen. De fiscale facilitering bestaat eruit dat het PEB eerst fiscaal geruisloos kan worden afgestempeld naar de fiscale balanswaarde van de tegenover de aanspraak staande verplichting en dat bij afkoop van deze fiscale balanswaarde een korting op de grondslag wordt verleend. Hierbij gelden in de jaren 2017, 2018 en 2019 verschillende kortingpercentages. Deze mogelijkheid om het PEB fiscaal gefaciliteerd af te kopen bestaat alleen als het volledige PEB in één keer wordt afgekocht. Het doel van het wetsvoorstel is namelijk de uitfasering van het PEB. Met de in het wetsvoorstel opgenomen fiscale faciliteiten wil het kabinet zoveel mogelijk dga’s de mogelijkheid bieden van hun PEB en de daarmee samenhangende knelpunten af te komen. Als het PEB gedeeltelijk zou mogen worden afgekocht en gedeeltelijk zou mogen blijven bestaan, wordt de gewenste uitfasering van het PEB en de daarmee gewenste vereenvoudiging in de uitvoeringspraktijk, niet bereikt. Een dga moet dan ook een keuze maken of hij zijn PEB volledig wil afkopen en zo ja, in welk jaar hij dat dan wil doen. Een gespreide afkoop over de verschillende jaren is daardoor niet mogelijk. Bij een gespreide afkoopmogelijkheid bestaat steeds het risico dat uiteindelijk niet geheel wordt afgekocht en dat ook na 2019 een deel van het PEB blijft bestaan. Ook zou een gespreide afkoop de regeling gecompliceerder maken voor de uitvoering. Voor een dga die niet de middelen heeft om het volledige PEB af te kopen, maar die zijn PEB wel wil beëindigen, bevat het wetsvoorstel de mogelijkheid om zijn volledige PEB in één keer fiscaal geruisloos om te zetten in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting. Naar aanleiding van een vraag van de leden van de fractie van het CDA over de mogelijkheid om de oudedagsverplichting in gedeelten af te kopen, merk ik op dat een oudedagsverplichting gedurende de periode 2017 tot en met 2019 alsnog (met korting en zonder heffing van revisierente) kan worden afgekocht, maar alleen in haar geheel. Een gedeeltelijke afkoop vanuit de oudedagsverplichting zou overigens leiden tot een budgettaire derving.

De leden van de fractie van de VVD vragen waarom bij afkoop niet mag worden afgerekend over de fiscale (balans)waarde met een maximum van het daadwerkelijk aanwezige vermogen en wat de voor- en nadelen van een dergelijke mogelijkheid zijn. Ook de leden van de fractie van het CDA vragen hiernaar. Verder vragen zij in hoeverre het klopt dat de schatkist hierdoor niet wordt benadeeld, omdat geld dat er niet is ook in de toekomst niet kan worden uitgekeerd, en hierover dus ook geen loonbelasting betaald zou gaan worden. Voor zowel de afkoop als de omzetting in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting is de fiscale balanswaarde van de tegenover de af te kopen pensioenaanspraak staande verplichting het uitgangspunt. Deze fiscale balanswaarde is een fiscaal relevante waarde, namelijk de waarde waarvoor in het verleden fiscaal een aftrek is genoten in de vpb. Overigens is het aansluiten bij deze fiscale balanswaarde al een (forse) fiscale tegemoetkoming, aangezien hierdoor – in afwijking van de hoofdregel die geldt voor de afkoop van met toepassing van de omkeerregel opgebouwd pensioen – het verschil tussen de waarde in het economische verkeer en de fiscale balanswaarde van het PEB niet in de afkoop betrokken hoeft te worden. Daarbij is in het wetsvoorstel ook nog voorzien in een korting op deze fiscale balanswaarde bij afkoop. Naar de mening van het kabinet wordt hiermee een voldoende aantrekkelijke mogelijkheid geboden aan een dga om zijn PEB te beëindigen door middel van afkoop. Indien de dga deze mogelijkheid desondanks niet heeft, kan het PEB worden beëindigd door na de afstempeling de fiscale waarde om te zetten in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting. Het kabinet is dan ook niet voornemens een verdergaande fiscale faciliteit voor afkoop van een PEB te bieden, bijvoorbeeld door toe te staan dat bij afkoop niet de gehele fiscale balanswaarde wordt belast, maar alleen het daadwerkelijk aanwezige vermogen. Dat zou namelijk betekenen dat alleen dit deel wordt belast in de loonbelasting en dat het resterende deel van de fiscale balanswaarde vrijvalt en een in de winst voor de vpb op te nemen voordeel is. Dit zou de facto neerkomen op het gedeeltelijk toepassen van de afzienvariant. Mede in antwoord op de vragen van de leden van de fractie van de SP en zoals ik ook in mijn eerder aangehaalde brief van 1 juli 2016 heb aangegeven wil ik hier nogmaals benadrukken dat ik een dergelijke afzienvariant onwenselijk acht. De risico’s van een buitenlandlek en de daarmee gemoeide mogelijke budgettaire derving zijn daarvoor te groot. Ik deel dan ook niet de in het door de leden van de fractie van de SP aangehaalde artikel verwoorde stelling dat het financiële belang wel meevalt en dat deze variant op termijn geld zou opleveren. Het artikel gaat namelijk voorbij aan de verdeling van heffingsrechten die Nederland in zijn belastingverdragen heeft afgesproken. De conserverende aanslagen die in het artikel worden geopperd zijn niet effectief.

De leden van de fractie van de VVD vragen in hoeverre in de berekeningen rekening is gehouden met de afbouw van de heffingskortingen. In de berekeningen is bij het bepalen van het gemiddelde afkooptarief hiermee rekening gehouden.

De leden van de fractie van de VVD vragen in hoeverre afkoop ook gevolgen kan hebben voor de premies sociale verzekeringen en voor de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet en tot welke naheffing dit kan leiden. De gevolgen voor de premie voor de volksverzekeringen zijn meegenomen in de berekeningen. De afkoop heeft geen gevolgen voor de premies voor de werknemersverzekeringen, omdat deze niet worden geheven over loon uit vroegere dienstbetrekking. Er kan inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet verschuldigd zijn voor zover het maximumbijdrageloon van (in 2016) € 52.763 zonder de afkoop nog niet wordt bereikt. Deze wordt niet nageheven, maar ten tijde van de afkoop betaald.

De leden van de fractie van de VVD vragen in hoeverre afkoop van het pensioen leidt tot een verdere vermindering van het oorspronkelijke pensioenvermogen. Indien met het oorspronkelijke pensioenvermogen gedoeld wordt op het pensioen dat in eigen beheer is opgebouwd, dan leidt afkoop van dit PEB ertoe dat de daarmee gemoeide middelen niet meer specifiek bestemd zijn als pensioenvermogen. De dga is vrij in de aanwending van de bij de afkoop vrijkomende middelen. Hij kan deze gebruiken om op een andere wijze een oudedagsvoorziening op te bouwen, maar hij kan er ook een andere bestemming aan geven. Voor de hoogte van een extern opgebouwd pensioenvermogen heeft afkoop van een PEB uiteraard geen gevolgen.

De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet iets kan zeggen over de invloed en de gevolgen van de vermogensrendementsheffing na afkoop van het PEB. Bij het fiscaal gefaciliteerd afkopen van het PEB ontvangt de dga van de bv een afkoopsom ter grootte van de waarde van de pensioenverplichting op de balans voor de heffing van de vpb minus de verschuldigde loonheffing over deze waarde na de korting. De dga kan zelf bepalen wat hij met deze ontvangen afkoopsom doet. Hij kan dit bedrag als kapitaal terugstorten in de bv, teruglenen aan de bv, op een spaarrekening zetten, consumeren of anderszins aanwenden. Indien dit bedrag op de waardepeildatum voor de heffing van box 3 geheel of gedeeltelijk als bezitting van de dga kan worden aangemerkt die meetelt voor de rendementsgrondslag van box 3 (en voor zover hiertegenover geen voor de heffing van box 3 meetellende schulden staan), wordt over dit bedrag box 3-heffing geheven, voor zover boven het heffingvrije vermogen wordt uitgekomen. Indien het bedrag niet als een dergelijke bezitting kan worden aangemerkt, zijn er geen box 3-gevolgen.

De leden van de fracties van de PvdA en de SP vragen hoe de percentages voor de korting op de grondslag tot stand zijn gekomen waarbij de leden van de fractie van de PvdA meer in het bijzonder vragen naar het percentage van 34,5. Bij de vaststelling van de hoogte van de korting is gezocht naar percentages die het voor de dga aantrekkelijk maken om het PEB af te kopen en daarmee de problemen die zich voordoen met het PEB op te lossen. Bij het initiële percentage van 20 werd aangesloten bij eerdere afkoopregelingen. Uit signalen van het veld bleek echter dat een dergelijk percentage voor het merendeel van de dga’s onvoldoende mogelijkheden bood om daadwerkelijk tot afkoop over te gaan. Met dat percentage van 20 zou het beoogde doel, het beëindigen van het PEB, niet worden gerealiseerd. Vanuit die positie is ervoor gekozen om het kortingspercentage te verhogen tot de in het wetsvoorstel voorziene percentages. Daarbij is gekozen voor een in de tijd aflopend percentage om het voor de dga aantrekkelijk te maken zo snel mogelijk tot afkoop over te gaan. Tegelijkertijd moet het kortingspercentage passen binnen de budgettaire mogelijkheden. Binnen deze doelstellingen acht het kabinet deze kortingpercentages redelijk. De leden van de fractie van het CDA vragen hoe de percentages van 34,5, 25 en 19,5 zich verhouden tot de eerder voorgestelde korting van 20% en hoe deze percentages budgetneutraal kunnen zijn en welke parameters daarbij zijn gehanteerd. Allereerst wordt opgemerkt dat budgetneutraliteit een uitgangspunt was bij de eerdere «zoektocht» naar een alternatief voor het PEB. Alternatieven zoals de oudedagsbestemmingreserve en het oudedagssparen in eigen beheer dienden aan een aantal voorwaarden te voldoen, waaronder budgetneutraliteit. Bij het uitfaseren van het PEB zijn de budgettaire gevolgen uiteraard van belang maar niet langer doorslaggevend geweest. Per saldo leiden afkoop en afschaffen van het PEB zoals dat thans is vormgegeven in het wetsvoorstel tot € 2,1 miljard EMU-saldo relevante opbrengsten in 2017, € 1,0 miljard in 2018 en € 0,9 miljard in 2019. In de structurele situatie is er sprake van een derving van € 0,2 miljard. In contantewaardetermen is het jaarlijkse effect met € 62 miljoen licht positief. Dit betreft het relevante effect op het inkomstenkader.

Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt of met de afkoopmogelijkheid van het PEB geen sprake is van een bevoordeling van een beperkte groep belastingplichtigen en indien inderdaad sprake is van een bevoordeling, hoe deze te rechtvaardigen is. De in de memorie van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel geschetste problemen zijn van dien aard dat het PEB eigenlijk onhoudbaar is geworden. Dat rechtvaardigt naar de mening van het kabinet een regeling die de dga in staat stelt zijn reeds opgebouwde pensioen op een voor de dga haalbare wijze te beëindigen. Met name deze fiscaal aantrekkelijke afkoopmogelijkheid moet ervoor zorgen dat een dga ook daadwerkelijk «schoon schip» kan maken. De eerder genoemde problemen doen zich specifiek voor bij het PEB en niet bij pensioenen die extern zijn ondergebracht.

Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt of in geval van afkoop van het pensioen het gevaar ontstaat dat de dga niet gaat zorgen voor een adequate voorziening voor de oude dag. Ook de KPS adviseert om de dga’s een adequaat pensioen op te laten bouwen, zodat deze groep niet gaat behoren tot de zogenoemde «witte vlek». Voorts vraagt het lid van de fractie van 50PLUS hoe gewaarborgd kan worden dat de oorspronkelijke doelstelling van een voldoende vermogen op de pensioenleeftijd niet te veel buiten beeld raakt en hoe gegarandeerd kan worden dat bij de keuze voor afkoop van het pensioen een zorgvuldige afweging plaatsvindt en goede afspraken worden gemaakt, óók in het belang van de (ex)-partner en eventuele nabestaanden. Het kabinet onderschrijft in zijn algemeenheid het belang van een adequate voorziening van de oude dag. Dit geldt ook voor de dga. De dga heeft op dit moment daarbij de keuze om gebruik te maken van het PEB of gebruik te maken van de mogelijkheid een externe pensioenopbouw. Het kabinet is van mening dat bij een (opgebouwd) PEB in veel gevallen geen sprake meer is van een adequate voorziening voor de oude dag. Zoals in het algemeen deel van de memorie van toelichting is aangegeven blijkt in de praktijk dat veel bv’s onvoldoende middelen bezitten tegenover de in eigen beheer gehouden pensioenverplichting en deze dreigen dan ook niet aan deze verplichting te kunnen voldoen. Een opgebouwd PEB biedt daarom geen zekerheid dat op de pensioeningangsdatum een adequate oudedagsvoorziening bestaat. Het kabinet is dan ook van mening dat een dga beter op andere wijze kan zorgen voor een adequate oudedagsvoorziening. In mijn eerder genoemde brief van 1 juli 2016 heb ik aangegeven welke mogelijkheden daar onder meer voor bestaan. Zo kunnen de bij afkoop vrijkomende middelen aangewend worden voor de aankoop van een oudedagsvoorziening bij een externe verzekeraar. Dit is echter niet noodzakelijk. Ook de bv zelf en het daarin opgebouwde vermogen kunnen dienen ter financiering van de oude dag. De in het wetsvoorstel opgenomen mogelijkheid een opgebouwd PEB te beëindigen en de daarmee samenhangende knelpunten voor de dga weg te nemen, geeft de dga meer flexibiliteit om desgewenst op een voor hem passende wijze te voorzien in een financiering voor de oude dag. Hierbij is het uiteraard van belang dat een dga, voordat hij tot afkoop overgaat, de consequenties hiervan overziet en een zorgvuldige afweging maakt over wat voor zijn situatie het beste is. Daarbij dienen ook de belangen van de (gewezen) partner die een (afgeleid) recht heeft op het PEB voldoende te worden gewogen. In het wetsvoorstel is dan ook bepaald dat een PEB alleen kan worden afgekocht als de (gewezen) partner hier schriftelijk mee instemt. Deze schriftelijke instemming dient te blijken uit de ondertekening door de partner van het informatieformulier dat bij afkoop (of omzetting) van een PEB naar de Belastingdienst moet worden gestuurd. Hiermee wordt gewaarborgd dat de rechten van de (gewezen) partner niet aangetast kunnen worden zonder diens medeweten. Tot slot kunnen de dga en zijn partner zich bij genoemde afwegingen en het maken van goede afspraken, zowel wat betreft de situatie van de dga als diens (gewezen) partner, desgewenst laten voorlichten over de verschillende aspecten door een adviseur.

2.4. Oudedagsverplichting

De leden van de fractie van de VVD vragen in hoeverre een omzetting in een oudedagsverplichting met de huidige rekenrente interessant is. De omzetting in een oudedagsverplichting biedt de dga de mogelijkheid om zijn PEB te beëindigen en langs die weg de problemen zoals de waarderingsverschillen, dividendklem en de administratieve lasten op te lossen zonder dat (nu al) liquide middelen aan de bv behoeven te worden onttrokken. Dit maakt een omzetting in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting los van de stand van de huidige rekenrente interessant voor een dga.

De leden van de fractie van de VVD vragen of het klopt dat door de koppeling aan het U-rendement de oudedagsverplichting op pensioeningangsdatum flink lager kan uitkomen dan hetgeen straks wordt omgezet in een oudedagsverplichting. Of de aanspraak daadwerkelijk (flink) lager uitkomt op het moment dat deze tot uitkering komt laat zich moeilijk voorspellen. Daarvoor is de ontwikkeling van het U-rendement te ongewis.

De vraag van de leden van de fracties van de VVD en van het CDA of ook een reeds ingegaan PEB vanaf 2017 kan worden omgezet in een oudedagsverplichting kan ik bevestigend beantwoorden.

De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet bereid is om voor de uitkeringen uit een oudedagsverplichting meer flexibiliteit te bieden door het ook mogelijk te maken de uit te keren bedragen te laten verschillen in omvang. De NOB stelt een vergelijkbare vraag. De oudedagsverplichting is onderdeel van het overgangsrecht op weg naar het volledig afschaffen van het PEB en zal voornamelijk worden toegepast door dga’s die wel hun PEB willen beëindigen maar onvoldoende liquide middelen hebben om het PEB daadwerkelijk af te kopen. Het is geen nieuwe vorm van pensioenopbouw. Het past ook niet in de met de uitfasering van het PEB beoogde vereenvoudigingslag om in de uitkeringsfase van deze oudedagsvoorziening flexibele mogelijkheden in de omvang van de uitkeringen te bieden. Een dergelijke wijziging van het voorgestelde uitkeringspatroon zorgt voor meer administratieve lasten bij de bv en voor meer uitvoeringslasten bij de Belastingdienst. Flexibiliteit zoals door deze leden wordt bepleit kan worden gerealiseerd door, indien de liquiditeit van de bv dat mogelijk maakt, de aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting aan te wenden ter verkrijging van een lijfrenteproduct. Dit lijfrenteproduct biedt de gevraagde flexibiliteit voor de verzekerde zonder dat bijvoorbeeld de uitvoeringslasten van de Belastingdienst toenemen.

De leden van de fracties van de VVD en het CDA vragen hoe de oudedagsverplichting onder de belastingverdragen wordt behandeld. De leden van de fractie van de VVD vragen aan welk land het heffingsrecht toevalt en hoe dit loopt bij de afkoopregeling. Verder vragen zij in welke belastingverdragen het heffingsrecht over de afkoopsom onder voorwaarden wordt toegewezen aan Nederland. Met de oudedagsverplichting heeft de dga een opgebouwde aanspraak op uitkeringen die bestemd zijn om te voorzien in de verzorgingsbehoefte bij zijn oude dag. De oudedagsverplichting valt daarmee onder het pensioenartikel van de Nederlandse belastingverdragen. Als de dga niet meer in Nederland woont, hangt het van het toepasselijke belastingverdrag af of het heffingsrecht over de reguliere uitkeringen aan Nederland toevalt. Het huidige Nederlandse verdragsbeleid is erop gericht om voor dergelijke uitkeringen een (gedeeltelijke) bronstaatheffing overeen te komen, maar veel verdragen bevatten hiervoor nog een woonstaatheffing.2

De heffingsbevoegheid over afkoop (en daarmee over de afkoopregeling) wijkt in de Nederlandse belastingverdragen veelal af van de heffingsbevoegdheid bij reguliere (pensioen)uitkeringen: deze komt vaker toe aan de bronstaat waar het pensioen is opgebouwd (en fiscaal is gefaciliteerd). Bij afkoop kan namelijk direct worden beschikt over gelden die vanwege de pensioenbestemming fiscaal zijn gefacilieerd. De leden van de fractie van de VVD vragen voorts naar landen waarmee problemen ontstaan en hoe dit wordt opgelost. Hierover merk ik op dat Nederland met 18 landen een verdrag heeft waarin nog een volledige woonstaatheffing geldt voor pensioenen en soortgelijke beloningen.3 In die gevallen kan Nederland echter bij afkoop de verleende fiscale faciliteit (aftrek voor de premies) voor het pensioen terugnemen via het systeem van de conserverende aanslag bij pensioen (bij een afkoop binnen 10 jaar na emigratie). Dit zal ook gelden als gebruik wordt gemaakt van de voorgestelde afkoopregeling bij een dga die op dat moment minder dan 10 jaar geleden is geëmigreerd. Bij de overige belastingverdragen heeft Nederland in principe het heffingsrecht over de gehele afkoopsom (dus niet alleen over de afgetrokken premies, maar ook over de waardeaangroei).

De leden van de fractie van het CDA constateren dat de naam van de spaarvariant is gewijzigd van oudedagssparen in eigen beheer naar oudedagsverplichting en vragen wat er in de vormgeving gewijzigd is ten opzichte van de spaarvariant. Ik denk dat hier sprake is van een misverstand. De spaarvariant zoals ik die in mijn brief van 17 december 20154 en in het verslag van het schriftelijk overleg van 16 maart 20165 heb beschreven, was niet gelijk aan het oudedagssparen in eigen beheer (OSEB). Het OSEB was een van de oplossingsmogelijkheden (alternatieven) voor het PEB die in aanloop naar onderhavig wetsvoorstel de revue hebben gepasseerd en waarin sprake zou zijn geweest van verdere opbouw door dotaties én oprenting.6 De spaarvariant zoals die in de hiervoor aangehaalde stukken is genoemd, was inhoudelijk gelijk aan de oudedagsverplichting zoals die nu in het wetsvoorstel is voorzien. Voor de term «oudedagsverplichting» in plaats van «spaarvariant» is gekozen om juist duidelijk te maken dat het niet gaat om een spaarpotje dat nog verder kan worden opgebouwd door er – vergelijkbaar met een spaarrekening – op in te leggen.

De leden van de fractie van het CDA vragen naar het rentepercentage dat voor de oprenting van de oudedagsverplichting zal gelden. Bij de bepaling van de marktrente waarmee de oudedagsverplichting wordt opgerent, zal worden aangesloten bij het U-rendement zoals dat maandelijks bekend wordt gemaakt door het Verbond van Verzekeraars. Om pieken en dalen in de ontwikkeling van het U-rendement te voorkomen, geeft het kabinet er de voorkeur aan om voor de oprenting in enig jaar gebruik te maken van het gemiddelde U-rendement van het voorafgaande jaar. Dat percentage zal jaarlijks bij ministeriële regeling worden vastgesteld. Het percentage dat in 2017 van toepassing zal zijn, kan pas medio december worden vastgesteld. Ik streef ernaar – dit mede naar aanleiding van de vraag van de leden van de fractie van de VVD – om rond het wetgevingsoverleg uw Kamer het concept van de uitvoeringsregeling, met uitzondering van het percentage dat in 2017 van toepassing zal zijn, te doen toekomen.

De leden van de fractie van het CDA stellen enige vragen over het fiscaal geruisloos omzetten van de oudedagsverplichting in een lijfrente. Zij vragen welke bepalingen in de Wet IB 2001 de fiscaal geruisloze omzetting mogelijk maken en op welke wijze dit werkt. Ook het RB vraagt om te verduidelijken hoe artikel 3.125, eerste lid, van de Wet IB 2001 in deze context moet worden gelezen. Voor de fiscaal geruisloze omzetting van een oudedagsverplichting in een lijfrente wordt in onderhavig wetsvoorstel een nieuwe bepaling opgenomen in artikel 38p, eerste lid, van de Wet LB 1964. Hierin wordt geregeld dat de aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting fiscaal geruisloos kan worden aangewend ter verkrijging van een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125 van de Wet IB 2001 of een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in artikel 3.126a van de Wet IB 2001. Het aan te kopen derdepijlerproduct dient dus te voldoen aan de daarvoor geldende bepalingen. Dit betekent voor een lijfrente onder meer dat de dga de verzekeringnemer van de oudedagslijfrente moet zijn. De bv kan niet kwalificeren als verzekeringnemer. In de praktijk zal de bv de waarde van de aanspraak ingevolge de oudedagsverplichting bij een verzekeraar of een andere toegestane aanbieder moeten afstorten ten behoeve van de verkrijging van een lijfrente, waarbij de dga de verzekeringnemer van deze lijfrente is. De bv kan niet eerst het geld naar de dga storten, aangezien dat zou kwalificeren als afkoop van de oudedagsverplichting.

De leden van de fractie van D66 vragen naar de fiscale gevolgen van de omzetting van een oudedagsverplichting in een lijfrenteproduct en hoe aantrekkelijk deze mogelijkheid is in vergelijking met de afkoopmogelijkheid waarbij een korting op de belastinggrondslag wordt gegeven. Deze leden vragen hiervoor enige voorbeeldberekeningen te geven. De omzetting van een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting in een lijfrenteproduct kan fiscaal geruisloos gebeuren. Daaraan zijn geen fiscale gevolgen verbonden. Over de uitkeringen van dat lijfrenteproduct is, net zoals over de uitkeringen vanuit een oudedagsverplichting, loonheffing verschuldigd. De aantrekkelijkheid van de mogelijkheid om een lijfrenteproduct te verwerven is afhankelijk van de hoogte van de oudedagsverplichting op dat moment en de vormgeving van het lijfrenteproduct dat de professionele verzekeraar of de bank voor het bedrag in kwestie gaat aanbieden. Het gaat in ieder geval om een heel andere situatie dan die zich voordoet wanneer voor de afkoopmogelijkheid wordt gekozen. Beide alternatieven zijn daarom niet met elkaar te vergelijken. Het is daarom ook niet mogelijk om hiervoor voorbeeldberekeningen te geven.

Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt of het kabinet het met hem eens is dat ondanks de wenselijkheid van de nu te treffen regeling het pensioendenken wel min of meer uit het systeem wordt gehaald. In een oudedagsverplichting is namelijk geen sprake meer van een eind- of middelloonpensioen, maar van een soort spaarpot. Dit lid vraagt hoe het kabinet aankijkt tegen de mogelijkheid dat veel minder gespaard zal kunnen worden voor het pensioen. De vragen van het lid van de fractie van 50PLUS gaan naar mijn mening ten onrechte uit van de veronderstelling dat met de oudedagsverplichting een vorm van oudedagsvoorziening wordt beoogd die gelijk is aan een pensioen in de tweede pijler. Dat is immers niet het geval. Het doel van dit wetsvoorstel is om een einde te maken aan de problemen zoals die nu bestaan bij het PEB. Het verdient daarbij de uitdrukkelijke voorkeur om dat te doen door de dga in staat te stellen zijn reeds opgebouwde PEB op een fiscaal vriendelijke wijze af te kopen. Omdat dat voor een deel van de dga’s niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat onvoldoende liquide middelen aanwezig zijn, wordt die dga’s de mogelijkheid geboden om dat opgebouwde pensioen na het fiscaal geruisloos afstempelen tot de fiscale balanswaarde, om te zetten in een oudedagsverplichting. Met de oudedagsverplichting wordt een reservering gevormd die op elk moment kan worden aangewend om extern een lijfrenteproduct te bedingen of om vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd van de dga gedurende 20 jaar in gelijke delen aan de dga te worden uitgekeerd. In dat geval is inderdaad geen sprake van een eind- of middelloonpensioen; dat is ook niet het karakter van een oudedagsverplichting. Dat neemt niet weg dat de dga daarnaast nog steeds de mogelijkheden heeft om oudedagsvoorziening op te bouwen. Hij zal een dergelijke voorziening echter extern moeten onderbrengen, bijvoorbeeld met behulp van het bedrag van de oudedagsverplichting zoals hiervoor geschetst.

2.5. De positie van de partner

De leden van de fractie van de PvdA vragen of er vuistregels kunnen worden opgesteld hoe tot een redelijke verdeling van lusten en lasten tussen partners kan worden gekomen. De leden van de fractie van het CDA stellen dat de partner bij afkoop van het PEB er in beginsel sterk op achteruitgaat en informeren naar de berekening van de compensatie die aan de partner van een dga zou kunnen worden gegeven. Zij vragen daarvoor om een rekenvoorbeeld. Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt of de bescherming van de partner voldoende is uitgewerkt en vraagt in dit verband om een reactie op de overwegingen van de fiscalist S. Schilder op het kennisplatform «Taxlive.nl», waar deze stelt dat de wetgever aan de adviespraktijk geen handvatten en geen «routeplan» geeft hoe om te gaan met de zorg- en informatieplicht van de dga naar zijn (gewezen) partner. De verdeling van vermogensrechten tussen partners is van veel individuele omstandigheden afhankelijk. Hierbij valt te denken aan het vermogen dat er naast de pensioenaanspraken bij de partners voorhanden is, de leeftijd van de partners en een eventueel hoger leeftijdsverschil, de duur van het huwelijk of het partnerschap, of er gezamenlijke kinderen zijn en hoe de zorg voor de kinderen onderling is verdeeld waardoor mogelijk minder eigen inkomen gegenereerd kan worden. Daardoor is het niet mogelijk om voor de onderlinge verdeling algemeen geldende vuistregels of een rekenvoorbeeld te geven. De factoren die de leden van de fractie van het CDA voor een rekenvoorbeeld in hun vraag ter beschikking stellen, zijn te beperkt en houden geen rekening met de individuele omstandigheden die bij de onderlinge verdeling een rol spelen. Om die reden deel ik ook niet de stelling van de leden van de fractie van het CDA dat de partner van een dga bij afkoop van het PEB er altijd sterk op achteruitgaat. De berekening van de compensatie zal een kwestie van maatwerk zijn, waarvoor een algemeen rekenvoorbeeld niet geschikt is. Vanuit dezelfde overwegingen kan de wetgever ook geen handvatten of een «routeplan» geven. Zoals al eerder in dit verslag aangegeven is hier wellicht een rol voor de adviseurs van de dga en diens partner weggelegd.

De leden van de fractie van het CDA vragen of de rechten van de partner met het tekenen van een formulier wel voldoende zijn gewaarborgd. Volgens het voorgestelde artikel 38n, vierde lid, van de Wet LB 1964 kan een dga met een (gewezen) partner het in eigen beheer opgebouwde pensioen alleen afkopen of omzetten in een oudedagsverplichting indien de partner daar schriftelijk mee instemt. Voorafgaand aan de afkoop of omzetting in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting zal de dga met de partner afspraken moeten maken over de door de dga beoogde beëindiging van het in eigen beheer gehouden pensioen. Voor het afstempelen van de pensioenaanspraak, gevolgd door afkoop of omzetting in een oudedagsverplichting, is de instemming van de partner een uitdrukkelijke voorwaarde. Met deze wettelijke voorwaarde is de positie van de partner naar de mening van het kabinet voldoende gewaarborgd.

Door het informatieformulier door beiden te laten ondertekenen geven de dga en de partner aan de Belastingdienst te kennen dat is voldaan aan de wettelijke voorwaarde van instemming van de partner met het afstempelen van de pensioenaanspraak, gevolgd door een afkoop of een omzetting in een oudedagsverplichting.

De leden van de fractie van het CDA wijzen op de vermelding van het kabinet dat de partner geen belang heeft bij het weigeren van toestemming tot wijziging van het PEB als sprake is van goede afspraken of compensatie. Deze leden vragen wat voor afspraken of compensatie het kabinet voor ogen heeft. Daarbij willen deze leden ook weten of er voor de partner nog andere voordelen zijn behalve de mogelijkheid tot dividenduitkeringen en de mogelijkheid tot afstorten bij een professionele verzekeraar. Deze leden willen verder weten, wie de partner in geval van afkoop moet compenseren, de dga of de bv. Zoals hiervoor al toegelicht, zijn de verdeling en daarmee ook de te maken afspraken alsmede de compensatie van de partner afhankelijk van de individuele omstandigheden bij partners. Afhankelijk van de individuele omstandigheden en de vermogenspositie van de dga en diens partner, kan het voor de partner ook voordelig zijn om bijvoorbeeld het deel van de afkoopsom dat in het kader van de onderlinge verdeling en de compensatie aan hem wordt toebedeeld, zelf als vermogen te beleggen om daaruit een eigen oudedagsvoorziening op te bouwen. Welke oplossing voor een partner het meest voordelig is, verschilt per individuele situatie. Het is de taak van de partners zelf en hun adviseurs om dit te bepalen. De plicht om de partner te compenseren ligt overigens bij de dga en niet bij de bv. Het gaat namelijk om de opgebouwde pensioenaanspraken van de dga en hij ontvangt het daar tegenover staande kapitaal.

Er zijn door verschillende fracties vragen gesteld over schenkbelastingaspecten in relatie tot het feit dat de aandelen van het eigenbeheerlichaam in andere handen kunnen zijn dan van de dga alsmede in relatie tot de partner. De leden van de fractie van het CDA vragen of mogelijk sprake kan zijn van schenkbelasting indien sprake is van een waardestijging bij een andere aandeelhouder dan de pensioengerechtigde. Zo vragen deze leden of een nietsvermoedende aandeelhouder geconfronteerd kan worden met schenkbelasting door een overeenkomst die wordt gesloten tussen de bv en een (gewezen) bestuurder van de bv. Een andere vraag die deze leden in dit verband stellen, is of sprake kan zijn van bevoordeling als twee broers ieder 50% van de aandelen hebben in een bv waarin zij PEB opbouwen en ze dit pensioen omzetten in een oudedagsverplichting en of in deze situatie schenkbelasting verschuldigd is. Een tweede situatie waarvoor zij dezelfde vragen hebben – kan sprake zijn van bevoordeling en is schenkbelasting verschuldigd – betreft een vader en een zoon die aandeelhouders zijn van een bv waarin zij beiden PEB opbouwen en dit pensioen omzetten in een oudedagsverplichting.

Voor een belastbare schenking gelden als uitgangspunten dat sprake moet zijn van een verarming bij de schenker, een verrijking bij de begiftigde én een bevoordelingsbedoeling bij de schenker. De NOB wijst hier in zijn commentaar terecht op. Deze uitgangspunten zien we ook terug in de jurisprudentie. In het overgrote deel van de gevallen met een PEB is de dga met pensioenaanspraken voor 100% aandeelhouder van het eigenbeheerlichaam. Bij die 100% aandeelhouder zal geen sprake zijn van een schenking bij het prijsgeven van het verschil tussen de commerciële waarde en de fiscale waarde van de pensioenaanspraken en de afkoop of omzetting in een oudedagsverplichting. De eventuele waardestijging van de aandelen komt immers voor 100% ten goede aan de dga zelf.

Indien de dga met pensioenaanspraken niet de enige aandeelhouder van het eigenbeheerlichaam is, zullen de andere aandeelhouders in de regel de andere dga’s of familieleden zijn. Het is haast ondenkbaar dat sprake is van een nietsvermoedende aandeelhouder die geconfronteerd kan worden met schenkbelasting doordat een overeenkomst wordt gesloten tussen de dga en de bv over de afkoop van pensioenaanspraken. Ook als dat wel het geval zou zijn, zou deze aandeelhouder per saldo (na aftrek van de schenkbelasting) overigens nog steeds een voordeel genieten, dus het zou voor hem in ieder geval een aangename verrassing zijn.

Als de dga niet de enige aandeelhouder van het eigenbeheerlichaam is maar er ook andere aandeelhouders zijn, kan bij het prijsgeven van pensioenaanspraken en als gevolg van de daaruit volgende waardestijging van de aandelen, sprake zijn van een bevoordeling van de andere aandeelhouders door de dga tenzij die andere aandeelhouders de dga hiervoor compenseren. Over deze waardestijging van de aandelen zal schenkbelasting verschuldigd kunnen zijn. Het doet daarbij niet ter zake dat die andere aandeelhouder op zich buiten de overeenkomst staat tussen de bv en de dga. Bepalend is of de dga voldoende gecompenseerd wordt voor het voordeel dat die andere aandeelhouders genieten door de waardestijging van de aandelen. Als hij voor bijvoorbeeld 40% wordt gecompenseerd, kan voor de resterende 60% van de waardestijging van de aandelen sprake zijn van een schenking aan de (mede-) aandeelhouders. Als twee broers ieder 50% van de aandelen hebben in een bv waarin zij eenzelfde PEB opbouwen en beiden dit pensioen omzetten in een oudedagsverplichting zal niet alleen de waardestijging van de aandelen bezien moeten worden maar ook de opoffering die daarvoor door de broers afzonderlijk wordt gedaan door de afstempeling. Indien hun situatie ongeveer gelijk is, zal niet snel sprake zijn van een schenking.

In de situatie dat een vader en een zoon beiden aandeelhouders van het eigenbeheerlichaam zijn en ze beiden hun pensioenaanspraken afstempelen en omzetten in een oudedagsverplichting, kan de hieruit voortvloeiende waardestijging van de aandelen van het eigenbeheerlichaam naar verwachting een bevoordeling van de zoon inhouden, aangezien enerzijds de waardestijging van de aandelen in ogenschouw moet worden genomen en anderzijds de opoffering door de afstempeling. Dit is afhankelijk van de omvang van het verschil tussen de fiscale en de commerciële waarde van de pensioenaanspraken van vader respectievelijk zoon. Een voorbeeld kan dit verduidelijken. Stel dat de zoon een voorziening heeft die fiscaal op 200 en commercieel op 500 wordt gewaardeerd en de voorziening van de vader op (fiscaal) 800 respectievelijk (commercieel) 2000 wordt gewaardeerd. Als de vader bewust afziet van compensatie zal sprake zijn van een bevoordeling aan de zoon van de vader waarover schenkbelasting is verschuldigd. Bij een gelijke verdeling hebben beiden 750 waardestijging. De de waardestijging van de aandelen bij de zoon van 750 is voor 300 als het ware van hemzelf afkomstig is en voor 450 als het ware afkomstig van de vader. In dit geval bedraagt de bevoordeling van de zoon door de vader 450. Ik wil benadrukken dat alleen de waardestijging van de aandelen kan worden belast met schenkbelasting.

De leden van de fractie van het CDA vragen wanneer de dga het informatieformulier bij de Belastingdienst dient aan te leveren. Zoals in de memorie van toelichting op het wetsvoorstel is vermeld, zal in een algemene maatregel van bestuur (AmvB) worden opgenomen dat het informatieformulier binnen een maand na de afkoop of de omzetting in een oudedagsverplichting bij de Belastingdienst moet worden ingediend. Wanneer bijvoorbeeld een PEB-aanspraak na instemming van de partner op 13 maart 2017 deels is prijsgegeven en de fiscale waarde op dat moment is afgekocht dan wel omgezet in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting, dient het informatieformulier uiterlijk op 13 april 2017 door de Belastingdienst te zijn ontvangen.

Het is verheugend dat de leden van de fractie van het CDA de opvatting van het kabinet delen dat het niet de bedoeling is om de vrijval in de pensioen-bv onbelast aan een ander te kunnen doen toekomen. De leden van de fractie van het CDA stellen de vraag of (gewezen) partners die goede afspraken maken of voor passende compensatie zorgen, te maken kunnen krijgen met schenkbelasting. Ook de leden van de fractie van de VVD hebben hierover enkele vragen. Daarbij vragen de leden van beide fracties of het kabinet kan aangeven in welke gevallen sprake zal zijn van een belastbare schenking, of daarvan voorbeelden gegeven kunnen worden en of ook sprake is van een schenking als de partner voordeel heeft bij de afkoop. Een andere vraag van de leden van de fractie van het CDA is wanneer over compensatie voor lagere toekomstige pensioenopbouw schenkbelasting is verschuldigd. Voorts willen deze leden weten of sprake kan zijn van een belastbare schenking van de partner aan de dga als partners geen goede afspraken maken en niet voor passende compensatie zorgen en of sprake kan zijn van een schenking als de partner en/of de dga geen inzicht heeft in de financiële gevolgen van de afkoop of omzetting van het PEB. De leden van de fractie van de VVD vragen of er een expliciete bepaling kan worden opgenomen in de Successiewet 1956 (SW 1956) dat afkoop van het PEB nimmer kwalificeert als een schenking aan de partner en zo nee, waarom niet en zo ja, of het kabinet dit bij nota van wijziging gaat regelen.

Cruciaal voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een schenking is of de dga voor passende compensatie aan zijn partner zorgt. Als de dga voor passende compensatie zorgt voor het verlies aan pensioenaanspraken door de partner, zal er geen bevoordeling zijn en dan is er geen sprake van een schenking. Indien daarentegen de dga niet voor passende compensatie zorgt, kan sprake zijn van een belastbare schenking van de partner aan de dga. Dit is afhankelijk van de feiten en omstandigheden. Voor een belastbare schenking gelden de al eerder genoemde drie uitgangspunten, namelijk dat sprake moet zijn van een verarming bij de schenker, een verrijking bij de begiftigde én een bevoordelingsbedoeling bij de schenker. Het door de echtgenoten gekozen huwelijksvermogensrecht speelt een rol. Indien de partners in algehele gemeenschap van goederen zijn getrouwd, is er geen sprake van een belastbare schenking. Dit kan anders liggen indien sprake is van afspraken in het zicht van echtscheiding. Ook dan hoeft er overigens geen schenking te zijn als de partner afziet van pensioenrechten. Het gaat erom dat er ook in dat geval sprake is van een passende compensatie voor het verlies aan rechten door de partner. Bij anderen dan in algehele gemeenschap van goederen getrouwde gehuwden, kan sprake zijn van een belaste schenking als de (gewezen) partner afziet van passende compensatie voor het verlies aan rechten.

Fiscaal geruisloze afstempeling en afkoop of omzetting mag alleen met schriftelijke instemming van zowel de dga als zijn (gewezen) partner. In de praktijk zal men een beroep doen op een adviseur om geïnformeerd te worden over de consequenties, het betreft immers een lastige materie. Daarbij ga ik ervan uit dat partijen goed worden voorgelicht door hun adviseur over de financiële gevolgen van afstempeling, afkoop of omzetting met inbegrip van eventuele gevolgen in de sfeer van de schenkbelasting. Het is dan ook moeilijk voorstelbaar dat de dga of zijn (gewezen) partner geen inzicht heeft in de financiële gevolgen van de voorgestelde regeling voor afkoop of omzetting van het PEB.

Door de leden van de fractie van het CDA wordt gevraagd aan wat voor passende compensatie de in koude uitsluiting gehuwde dga zou kunnen denken. Koude uitsluiting wil zeggen dat de gehuwden hebben gekozen voor een vorm van huwelijkse voorwaarden waarbij iedere vorm van gemeenschap van goederen is uitgesloten. Zoals ik in de memorie van toelichting heb opgemerkt, heeft de beëindiging van het PEB voordelen en kan dat daarmee dus ook een belang voor de partner hebben. Zo maakt bijvoorbeeld het vervallen van de dividendklem dividenduitkeringen weer mogelijk waardoor het gezinsinkomen verhoogd kan worden. Daarnaast kunnen, net als bij een scheiding, afspraken worden gemaakt om bijvoorbeeld het aan de partner toekomende deel van de waarde van het pensioen bij een professionele verzekeraar onder te brengen. Verder kan de partner compensatie eisen via bijvoorbeeld aanvullende huwelijkse voorwaarden.

Hoewel het wetstechnisch mogelijk is om in de SW 1956 een expliciete bepaling op te nemen dat afkoop van het PEB nimmer kwalificeert als een schenking aan de partner ben ik daar geen voorstander van gelet op de precedentwerking die daarvan kan uitgaan. Zo’n bepaling roept de vraag op waarom in dit geval geen sprake is van een schenking terwijl dat in andere gevallen wel zo is, bijvoorbeeld bij verkoop van aandelen aan de partner voor een waarde lager dan de waarde in het economische verkeer. Daarnaast ben ik van oordeel dat de dga en zijn partner voldoende alternatieven tot hun beschikking hebben zodat geen sprake hoeft te zijn van een schenking. Zo is er geen sprake van schenking als de dga voor passende compensatie aan zijn partner zorgt of – als er geen sprake is van passende compensatie aan zijn partner – ze in algehele huwelijksgemeenschap zijn getrouwd. Ook indien men niet in algehele huwelijksgemeenschap is getrouwd, kan men goede afspraken maken dan wel een passende compensatie overeenkomen voor het verlies aan rechten door de partner.

De leden van de fractie van het CDA vragen of de artikelen 6.3, eerste lid, onderdeel d, en 3.102, derde lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) van toepassing zijn op de compensatie die door de dga aan de partner wordt gegeven en de compensatie zodoende voor de partner belast is in de inkomstenbelasting. De genoemde artikelen hebben betrekking op de persoonsgebonden aftrek voor onderhoudsverplichtingen. Hieronder vallen ook bedragen ter zake van de verplichting tot verrekening van onder meer pensioenrechten waarvan de betaalde premies als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen, alsmede om belastbare periodieke uitkeringen, waaronder ook hetgeen valt wat in het kader van (echt)scheiding wordt ontvangen ter zake van het recht op verrekening van pensioenrechten. In het kader van het afschaffen van het PEB is geen sprake van een scheiding en daarom zijn de genoemde bepalingen niet van toepassing. Er is geen sprake van een belastbaar feit voor de inkomstenbelasting. De eventuele vergoeding die een dga aan diens partner betaalt als compensatie in het kader van het uitfaseren van het PEB, speelt zich volledig af in de vermogenssfeer en vormt daarmee geen belastbaar feit voor de inkomstenbelasting.

De leden van de fractie van het CDA informeren naar de gevolgen van een eventuele scheiding van de dga en de partner na omzetting van het PEB in een oudedagsverplichting. Zij vragen of de oudedagsverplichting dan verdeeld wordt en of de partner voldoende gecompenseerd is voor het verlies van het eerdere recht op een deel van het PEB. Ook vragen zij of de dga of de bv de partner moet compenseren en hoe de compensatie kan worden berekend. De vraag of bij scheiding sprake is van een onderlinge verdeling van de oudedagsverplichting is afhankelijk van de afspraken die de partners maken bij het omzetten van het PEB in een oudedagsverplichting over hoe te handelen bij een eventuele toekomstige scheiding. Of de partner daarbij voldoende gecompenseerd wordt voor het verlies van het eerdere recht op een deel van het PEB, zal zich op het moment van scheiding niet meer voordoen, daarover hebben de partners op het moment van omzetten afspraken gemaakt. Zijn partners bij de omzetting in een oudedagsverplichting overeengekomen dat in geval van een scheiding een verdeling plaats moet vinden, zal dat bij scheiding conform deze afspraak verlopen. Ook hierbij ligt de verplichting om te compenseren, zoals al eerder in deze nota aangegeven, bij de dga en niet bij de bv.

De leden van de fractie van het CDA vragen of in huwelijkse voorwaarden compensatie voor pensioen gedurende het huwelijk kan worden opgenomen en of het klopt dat dga’s die in hun huwelijkse voorwaarden de verevening van pensioenen hebben uitgesloten toch toestemming aan de partner moeten vragen. Huwelijkse voorwaarden hebben tot doel de vermogensrechtelijke gevolgen van een huwelijk te regelen. Het PEB dat wordt afgekocht of wordt omgezet in een oudedagsverplichting valt niet langer onder de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding omdat niet langer sprake is van een pensioen in de zin van die wet. In de huwelijkse voorwaarden kunnen afspraken worden gemaakt over de vermogensverdeling waarmee de partner van de dga kan worden gecompenseerd voor het verlies van pensioenrechten. Het is juist dat dga’s die in hun huwelijkse voorwaarden de verevening van pensioenrechten hebben uitgesloten toestemming van de partner nodig hebben voor het afkopen of omzetten van hun opgebouwde PEB-aanspraken. Hier is voor gekozen omdat het beperken van het instemmingvereiste tot partners die recht hebben op een deel van de pensioenaanspraak, tot een aanzienlijke toename van de uitvoeringslasten zou leiden. Daar komt bij dat in het algemeen te verwachten is dat een partner die geen belang heeft bij het PEB, niet zal weigeren in te stemmen met de beëindiging daarvan.

2.6. Overige aspecten

2.6.1. Informatieplicht

De vraag van de leden van de fractie van het CDA of de partner van een reeds overleden dga ook het PEB kan afkopen, kan bevestigend worden beantwoord.

De leden van de fractie van de VVD vragen hoe complex en tijdrovend de in het wetsvoorstel opgenomen informatieplicht is. Volgens het wetsvoorstel dient een dga die ervoor kiest zijn PEB fiscaal geruisloos gedeeltelijk prijs te geven en het in samenhang daarmee af te kopen dan wel om te zetten in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting, voor het verkrijgen van de fiscale faciliteit bepaalde informatie aan te leveren bij de Belastingdienst. Met deze informatieplicht krijgt de Belastingdienst inzicht in de exacte bedragen die gemoeid zijn met de afstempeling en vervolgens de afkoop of omzetting. Verder kan op deze wijze aan de Belastingdienst kenbaar worden gemaakt dat de partner of gewezen partner heeft ingestemd met een wijziging van het PEB. Het gaat hierbij om informatie die van belang is om te bepalen of aan de voorwaarden voor toepassing van de fiscale faciliteit wordt voldaan. Het kabinet ziet in dit kader geen aanleiding om te overleggen met dga’s welke informatie hiervoor benodigd is. Dit in reactie op de betreffende vraag van de leden van de fractie van D66. De informatie die moet worden aangeleverd, zal bij de dga bekend zijn op het moment dat besloten wordt tot afkoop van het PEB dan wel omzetting van het PEB in een oudedagsverplichting. Het gaat dus niet om nieuwe informatie. Vervolgens dienen de gevraagde gegevens binnen een maand na de afkoop dan wel omzetting bij de Belastingdienst aangeleverd te worden. Hiervoor komt een formulier op de site van de Belastingdienst dat moet worden ingevuld en vervolgens moet worden uitgeprint en opgestuurd naar de Belastingdienst. Aangezien het gaat om informatie die al aanwezig moet zijn op het moment van de afkoop dan wel het omzetten, zal het invullen van het formulier geen complexe of tijdrovende handeling vormen.

De leden van de fractie van de VVD vragen, in het licht van de door de dga te verstrekken informatie bij afkoop van het PEB, wanneer de AmvB waarin de informatieplicht wordt geregeld, bekend wordt. Ook de leden van de fractie van de SP vragen daarnaar. De leden van de fractie van het CDA vragen of het kabinet het concept van de AmvB aan de Kamer kan doen toekomen. Ik begrijp de wens van deze leden om zo snel mogelijk duidelijkheid te bieden over de verplichtingen die van toepassing zullen zijn rond de beëindiging van het PEB. Ik streef ernaar om rond het wetgevingsoverleg uw Kamer het concept van de AmvB te doen toekomen.

2.6.2. Afkoop reeds ingegane pensioenen

De leden van de fractie van de VVD vragen of voor diegenen waarvan het pensioen reeds is ingegaan er niets hoeft te veranderen. Verder vragen deze leden wanneer het voor reeds ingegane pensioenen wel gunstig kan zijn om af te kopen dan wel over te gaan naar een oudedagsverplichting. De leden van de fractie van het CDA vragen naar de mogelijke redenen van de partner van een dga van wie het PEB reeds wordt uitgekeerd, om wel of niet in te stemmen met afkoop van het pensioen. In het wetsvoorstel is opgenomen dat vanaf 1 januari 2017 geen opbouw meer kan plaatsvinden van een PEB. Verder bevat het wetsvoorstel voor een reeds opgebouwd PEB de mogelijkheid dit fiscaal gefaciliteerd te beëindigen. Deze beëindiging is echter niet verplicht. Voor een dga waarvan het PEB reeds tot uitkering komt, hoeft derhalve niets te veranderen. Hij kan ervoor kiezen de uitkeringen gewoon door te laten lopen. Hij kan er op grond van het wetsvoorstel ook voor kiezen de nog resterende PEB-aanspraak fiscaal geruisloos af te stempelen naar de fiscale balanswaarde en deze in samenhang daarmee af te kopen of om te zetten in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting. Een voordeel van beëindiging van de resterende PEB-aanspraak op een van deze wijzen kan bijvoorbeeld zijn dat geen kosten meer hoeven te worden gemaakt voor de (ingewikkelde) jaarlijkse actuariële berekening van de resterende pensioenaanspraak. Verder kan het voordeel van afkoop – naast de korting op de grondslag – zijn dat de dga meer flexibiliteit krijgt in de aanwending van zijn pensioenvermogen. Het in een keer kunnen beschikken over een (groot) geldbedrag bij afkoop kan een partner van een dga van wie het PEB reeds wordt uitgekeerd een voordeel vinden en reden om in te stemmen met afkoop. Er zullen echter ook partners zijn die dit een nadeel vinden en liever de ingegane maandelijkse pensioenuitkeringen willen voortzetten. Hierbij zal ook de eventuele compensatie die de partner kan bedingen een rol spelen.

De leden van de fractie van het CDA vragen of ook reeds ingegane pensioenen kunnen worden omgezet in een oudedagsverplichting en indien dit mogelijk is wat dan de looptijd van de oudedagsverplichting is. Het is mogelijk om bij een PEB die reeds tot uitkering komt de resterende pensioenaanspraak in eigen beheer fiscaal geruisloos af te stempelen tot de fiscale balanswaarde van de tegenover deze aanspraak staande verplichting en deze in samenhang daarmee om te zetten in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting. Ervan uitgaande dat de dga in dat geval de AOW-gerechtigde leeftijd reeds heeft bereikt, moet de eerste termijn direct na omzetting in de aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting worden uitgekeerd. De duur van de uitkeringstermijn wordt vervolgens bepaald door de (standaard)periode van 20 jaar te verminderen met het aantal jaren tussen het tijdstip van uitkeren van de eerste termijn en het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.

3. Overige wijzigingen op pensioengebied

De leden van de fractie van de VVD stellen een aantal vragen over het verschil in franchise tussen eindloonregelingen en middelloonregelingen. De leden van de fractie van de VVD verwijzen hierbij naar de vereenvoudigingsvoorstellen die zijn aangedragen tijdens de externe consultatie van begin dit jaar. Ik wil graag vooropstellen dat bij de veronderstelde opbouwmethode de in de wet opgenomen inbouwmethode en de in de praktijk gehanteerde franchisemethode tot eenzelfde pensioenresultaat leiden, mits bij eindloonregelingen wordt gerekend met een franchisefactor voor het eindloonstelsel (100/66,28) en bij middelloonregelingen met een franchisefactor voor het middelloonstelsel (100/75). De franchisefactor moet namelijk dusdanig worden bepaald dat 100% van het AOW-bedrag wordt ingebouwd bij een tijdsevenredig in 40 dienstjaren op te bouwen pensioen van 75% van het gemiddelde pensioengevend loon of 66,28% van het laatstverdiende pensioengevend loon. Het toestaan van het gebruik van de middelloonfranchise voor eindloonregelingen betekent een verruiming van het fiscale kader voor eindloonregelingen, hetgeen forse budgettaire effecten zou hebben. Voor een dergelijke aanpassing ziet het kabinet geen aanleiding. Wel is het kabinet voornemens het voorstel van het Verbond van Verzekeraars7 nader te bezien. Dit voorstel ziet op de samenloop van de middelloon- en eindloonfranchise in één pensioenregeling. Voor deze situatie is in het door de leden van de fractie van de VVD aangehaalde beleidsbesluit8 een tijdelijke goedkeuring opgenomen voor de situatie van een pensioenregeling die een combinatie is van een ouderdomspensioen volgens het middelloon- of beschikbarepremiestelsel en een op risicobasis verzekerd partner- of wezenpensioen volgens het eindloonstelsel (combinatieregelingen). Voor dergelijke combinatieregelingen is tijdelijk goedgekeurd dat voor de berekening van de franchise voor het partner- en wezenpensioen volgens het eindloonstelsel, rekening mag worden gehouden met de (lagere) middelloonfranchise. Hiervoor geldt de voorwaarde dat rekening moet worden gehouden met ten hoogste het pensioengevend loon op het moment van overlijden van de werknemer. Ik ben voornemens om nader te onderzoeken of deze regeling permanent kan worden gemaakt.

De leden van de fractie van het CDA vragen het kabinet of zij ermee bekend is dat door de beëindiging van de arbeidsovereenkomst veel werknemers niet op 67-jarige leeftijd (pensioenrichtleeftijd) maar op de AOW-gerechtigde leeftijd met pensioen gaan en dat hierdoor feitelijk bijna nooit sprake is van een shoprecht. Deze leden vragen het wettelijk shoprecht aan te passen. Het is het kabinet bekend dat in veel CAO’s wordt afgesproken dat de arbeidsovereenkomst eindigt bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. Het signaal dat verzekeraars veelal weigeren mee te werken aan een waardeoverdracht als de deelnemer zijn pensioen eerder, of later, dan de overeengekomen pensioeningangsdatum wil laten ingaan, is niet bekend. De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal dit bespreken met het Verbond van Verzekeraars en uw Kamer over de uitkomsten informeren.

3.1. 100%-grens en daarvan afgeleide grenzen

De leden van de fractie van het CDA vragen om voor verschillende pensioenregelingen te berekenen hoeveel premie een werkgever en werknemer tezamen fiscaal gefaciliteerd maximaal mogen inleggen voor een 24-jarige werknemer die € 40.000 verdient, een normaal carrièrepatroon heeft en in een fonds zit met een gemiddelde levensverwachting. Zij vragen deze fiscaal maximale premie-inleg te berekenen voor een eindloonregeling, een middelloonregeling, een beschikbarepremieregeling op basis van de 4%-staffel en een beschikbarepremieregeling op basis van de 3%-staffel. Pensioenfondsen hanteren voor eindloon- of middelloonregelingen een doorsneepremie. De premie en de pensioenopbouw in procenten van het pensioengevend loon zijn dan voor alle deelnemers gelijk. De omvang van de doorsneepremie is per pensioenfonds verschillend. Hierdoor is het niet mogelijk om de pensioenpremie te berekenen die voor een 24-jarige deelnemer met een eindloon- of middelloonpensioen betaald zou moeten worden aan een niet nader aangeduid pensioenfonds. De voor deze eindloon- of middelloonaanspraken aan het pensioenfonds of de verzekeringsmaatschappij te betalen pensioenpremie is fiscaal niet begrensd. Voor eindloon- of middelloonregelingen gelden er namelijk fiscale regels voor de omvang van de pensioenaanspraken.

Beschikbarepremieregelingen worden wel fiscaal begrensd op de premie. De uitgangspunten voor de hierna genoemde premiebedragen bij beschikbarepremieregelingen zijn:

  • pensioengevend loon: € 40.000

  • AOW-franchise

    • beschikbarepremieregeling: € 12.953

  • pensioengrondslag

    • beschikbarepremieregeling: € 27.047

  • leeftijd

    • werknemer (man): 24 jaar

    • partner (vrouw): 21 jaar

  • premiestaffel beschikbarepremieregeling:

    • 4%-staffel: besluit 17 december 2014, nr. BLKB2014/2132M, bijlage I, tabel 1, kolom III (OP en direct ingaand opgebouwd PP)

    • 3%-staffel: besluit 17 december 2014, nr. BLKB2014/2132M, bijlage IV, tabel 1, kolom III (OP en direct ingaand opgebouwd PP)

  • premie beschikbarepremieregeling:

    • 4%-staffel: 5,3% pensioengrondslag

    • 3%-staffel: 9,0% pensioengrondslag

Op basis van deze veronderstellingen mag in een beschikbarepremieregeling op basis van de 4%-staffel fiscaal maximaal € 1.433 premie worden ingelegd. Op basis van de 3%-staffel mag fiscaal maximaal € 2.434 premie worden ingelegd. Indien de pensioenregeling van deze werknemer gebaseerd zou zijn op een beschikbarepremieregeling met een premie op basis van bijlage V van het zogenoemde staffelbesluit9, zou de premie voor de beschikbarepremieregeling gelijk mogen zijn aan de door de pensioenuitvoerder gehanteerde kostprijs van een fiscaal maximaal nominaal middelloonpensioen. Bij gebruik van bijlage V van het staffelbesluit hoeft er ten aanzien van de in te leggen premie dus geen verschil te bestaan tussen een middelloon- en een beschikbarepremieregeling.

De leden van de fractie van het CDA vragen voorts of het kabinet het nog verantwoord vindt om de 4%-staffel gegeven de huidige rentestand te handhaven en of het niet meer in de rede zou liggen om een 2%-staffel te publiceren. Tot slot vragen zij hoe een dergelijk besluit eruit zou komen te zien. Het wettelijke fiscale kader beweegt niet mee met de huidige rentestand, maar is gebaseerd op het gemiddeld te verwachten langetermijnrendement dat te behalen is met het opgebouwde kapitaal in beschikbarepremieregelingen. Op de lange termijn lijkt een 4%-rendement niet onrealistisch. Als sociale partners echter van mening zijn dat een 4%-staffel onvoldoende is, dan is het mogelijk om op basis van het staffelbesluit gebruik te maken van een 3%-staffel of een staffel gebaseerd op de kostprijs van een fiscaal maximaal middelloonpensioen. In dat geval geldt op bepaalde toetsmomenten een aanvullende uitkeringsbegrenzing, zodat niet meer kan worden opgebouwd in een beschikbarepremieregeling dan mogelijk zou zijn geweest binnen een fiscaal zuivere middelloonregeling. Volledigheidshalve vermeld ik hierbij – mede in antwoord op vragen van de NOB – dat de in dit wetsvoorstel opgenomen afschaffing van de 100%-toets ook geldt voor beschikbarepremieregelingen waarbij gebruik wordt gemaakt van de 3%-staffel of de staffel gebaseerd op de kostprijs van een fiscaal maximaal middelloonpensioen.

Een 2%-staffel is momenteel niet opgenomen in het staffelbesluit. Indien de kostprijs van een (fictieve) middelloonregeling bij de betreffende pensioenuitvoerder uitgaat van een 2%-rekenrente, dan kan wel gebruik worden gemaakt van bijlage V van het staffelbesluit. Een dergelijke 2%-staffel zou er op basis van de veronderstellingen die in deze bijlage zijn opgenomen als volgt uitzien:

Leeftijdsklassen tot 67 jaar

Percentage van de pensioengrondslag

(opbouw gericht op 1,875% per dienstjaar bij middelloonstelsel)

 

OP

OP en uitgesteld

opgebouwd PP

OP en direct

ingaand

opgebouwd PP

OP en direct

ingaand

bereikbaar PP

15 tot en met 19

10,5

13,0

14,5

14,8

20 tot en met 24

11,2

14,0

15,5

16,1

25 tot en met 29

12,4

15,5

17,1

17,9

30 tot en met 34

13,7

17,1

18,8

19,5

35 tot en met 39

15,2

18,9

20,7

21,4

40 tot en met 44

16,8

21,0

22,8

23,6

45 tot en met 49

18,6

23,3

25,1

26,0

50 tot en met 54

20,8

25,9

27,6

28,6

55 tot en met 59

23,2

29,0

30,5

31,5

60 tot en met 64

26,2

32,9

33,8

34,5

65 tot en met 66

28,7

36,1

36,4

36,5

3.2. Doorwerkvereiste

De leden van de fractie van het CDA vragen of het kabinet bereid is per direct een goedkeurend besluit te nemen zodat verzekeraars in het vooruitzicht van de afschaffing van het doorwerkvereiste geen doorwerkverklaring meer hoeven aan te vragen. Met het voorstel tot afschaffen van het doorwerkvereiste wordt tegemoetgekomen aan een wens vanuit de sector. Het is naar de mening van het kabinet niet noodzakelijk om deze maatregel per direct in werking te laten treden. Aan deze maatregel zijn bovendien budgettaire effecten verbonden, die met ingang van 1 januari 2017 zijn ingepast in het inkomstenkader zoals gepresenteerd in de Miljoenennota 2017.

De leden van de fractie van D66 vragen waarom ervoor is gekozen om het doorwerkvereiste niet te schrappen voor prepensioenregelingen. Met een prepensioenregeling, die alleen nog geldt voor onder het overgangsrecht van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT- en prepensioenregelingen en introductie levensloopregeling (Wet VPL) vallende werknemers, wordt voorzien in een loonvervangende uitkering bij pensionering voor de pensioengerechtigde leeftijd. Hierin verschilt prepensioen van ouderdomspensioen. Daardoor speelt harmonisering van de pensioeningangsdatum en de AOW-gerechtigde leeftijd geen rol. Uitgangspunt bij een prepensioenregeling is immers dat de pensioeningangsdatum en de AOW-gerechtigde leeftijd juist niet aan elkaar gelijk zijn. Daarom is in het onderhavige wetsvoorstel niet voorzien in het afschaffen van het doorwerkvereiste voor prepensioenregelingen.

4. Budgettaire aspecten

4.1. Uitfasering pensioen in eigen beheer

De leden van de fractie van het CDA hebben grote twijfels bij de geraamde opbrengsten van € 2,1 miljard. Zij vragen naar de veronderstellingen die hierbij zijn gebruikt en of er geen sprake is van «wensramen» en waar de veronderstelling op gebaseerd is dat 2/3 van de dga’s in 2017 afkoopt. Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt hoe hard de inschatting is en in hoeverre deze niet te optimistisch is omdat volgens dit lid de gemiddelde PEB-voorziening rond de € 500.000 bedraagt. Dit lid ziet graag een aanvullende beschouwing, onderbouwing en toelichting. Bij de berekening van de opbrengst is uitgegaan van de fiscale waarde van het PEB van € 31 miljard, gemiddeld is de fiscale balanswaarde dan ongeveer € 220.000. Dit bedrag is relevant voor de te betalen loonbelasting bij afkoop. Het gemiddeld bedrag dat aan loonbelasting betaald zal worden is derhalve lager dan verondersteld wordt door de leden van de fractie van 50PLUS. Zoals eerder in deze nota is opgemerkt is in de raming verondersteld dat circa 36% van de dga’s met een PEB van die afkoopmogelijkheid gebruik gaat maken, waardoor in totaal in de periode 2017–2019 ruim € 3 miljard aan loonbelasting wordt ontvangen vanwege de afkoop van het PEB. Ruim 2/3 van dat bedrag wordt naar verwacht in 2017 ontvangen. Verondersteld is namelijk dat het grootste deel van de dga’s die afkopen dit doen in 2017 vanwege de korting van 34,5% op de grondslag voor de heffing van de loonbelasting en premie volksverzekeringen. Dit leidt in 2017 tot € 2,1 miljard aan ontvangsten loonbelasting en premie volksverzekeringen.

Omdat de nodige veronderstellingen dienden te worden gemaakt over het verwachte gebruik, de gemiddelde pensioenopbouw, de mate waarin dga’s onder water staan, verschillen in gedrag door dga’s die reeds in de pensioenuitkeringsfase zitten versus die in opbouwfase verkeren, is de raming van de kaseffecten in 2017, 2018 en 2019 met grote onzekerheid omgeven. Het kabinet denkt met deze raming de meest realistische inschatting te hebben gemaakt. Het CPB heeft de raming overgenomen, waarbij het CPB tevens duidt op de grote onzekerheid die inherent is aan het feit dat veel veronderstellingen moeten worden gemaakt (zie ook pagina 19 van de Macro Economische Verkenning 2017 (MEV 2017)).10

De leden van de fractie van het CDA vragen naar het meest actuele overzicht van de hoeveelheid pensioenkapitaal in eigen beheer zowel voor de commerciële waarde als voor de fiscale waarde. Ook de NOB vraagt of er recentere cijfers kunnen worden gegeven. Berekeningen met betrekking tot het PEB zijn gebaseerd op gegevens over 2009 omdat met ingang van 2010 de gegevens over PEB niet meer als zelfstandige post op de aangifte staan. Meer recente gegevens zijn dan ook niet beschikbaar.

De leden van de fractie van het CDA vragen welke rekenkundige relatie er volgens de raming van het kabinet bestaat tussen de hoogte van het kortingspercentage en het kapitaal dat afgekocht gaat worden. Bij de berekeningen is aangenomen dat een hoger kortingspercentage tot een hoger gebruik zal leiden. Dit is niet specifiek met een rekenkundige regel vastgelegd.

De leden van de fractie van de PVV vragen hoe groot de claim is die door het afstempelen verloren gaat. De leden van de fractie van het CDA vragen op welke wijze de kwijtschelding van de revisierente van 20% is meegenomen in de budgettaire aspecten. Doordat naar verwachting 60% van de dga’s het PEB gaat afkopen dan wel het PEB omzetten in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting zal een potentiële loonbelastingclaim van ongeveer € 24 miljard worden afgestempeld. Hierbij zij aangetekend dat over dit bedrag geen aftrek heeft plaatsgevonden in de vpb en met het vervallen van deze claim zal voor dit bedrag ook geen aftrek in vpb meer worden toegestaan. Aangezien er in de huidige situatie geen sprake is van ontvangsten uit de revisierente simpelweg omdat in de huidige situatie het niet aantrekkelijk is om een PEB af te kopen, is er ook geen sprake van derving als gevolg van de vrijstelling van revisierente.

De leden van de fractie van het CDA vragen of het kabinet de reeks «loon-inkomstenbelasting» in tabel 1 in het algemeen deel van de memorie van toelichting nader kan specificeren in: de reguliere stroom pensioenuitkering (basispad), de autonome kosten van de korting in de betreffende jaren en het veronderstelde gedragseffect. In de berekening is uitgegaan van het basispad waarin het PEB onverkort wordt gehandhaafd. Dga’s blijven opbouwen en de pensioenen komen na verloop van tijd tot reguliere uitkering. In de hiervoor genoemde tabel 1 is het effect opgenomen van de totale maatregel. Daarin zijn alle effecten opgenomen met betrekking tot de loonbelasting, maar ook de effecten in de vennootschapbelasting alsmede de uitkeringen in box 2. Als geen korting wordt verleend bij de afkoop zullen dga» s niet geneigd zijn om af te kopen. Het verlenen van de korting en gebruik ervan is derhalve onlosmakelijk met elkaar verbonden waardoor het autonome effect en het gedragseffect niet van elkaar te scheiden zijn.

Daarnaast vragen deze leden naar de budgettaire gevolgen voor het geval dat er geen korting van toepassing zou zijn, maar de opbouw van het PEB wel wordt afgeschaft en afstempeling naar de fiscale balanswaarde wordt toegepast. Een dergelijke berekening is niet voorhanden. In het huidige wetsvoorstel en de daarbij gehanteerde actuariële berekeningen is het afstempelen onlosmakelijk verbonden met afkoop of het omzetten in een oudedagsverplichting. Welke veronderstelling en welke grondslagen liggen ten grondslag aan het extra dividend (opbrengst box 2), zo vragen de leden van de fractie van het CDA. Het afschaffen van het PEB, de afkoopmogelijkheid en het na afstempeling kunnen omzetten van het PEB in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting, verhogen de winst en de solvabiliteit van de gemiddelde bv. In voorkomende gevallen worden bv’s mogelijk geheel of gedeeltelijk bevrijd van een dividendklem. In de berekening is opgenomen dat daardoor meer dividend zal worden uitgekeerd door de gemiddelde dga.

De leden van de fractie van het CDA vragen of in de berekeningen ook rekening gehouden is met het feit dat dga’s weliswaar geen pensioen meer op kunnen bouwen in hun bv, maar nog wel fiscaal gefaciliteerd via een lijfrente een oudedagsvoorziening op kunnen bouwen. Verder vragen deze leden in hoeverre ook extra loonbelastingopbrengst is geraamd, omdat dga’s, die geen pensioen in eigen beheer meer kunnen opbouwen, volgens deze leden hun gebruikelijk loon moeten verhogen ter compensatie. In de berekeningen is geabstraheerd van extra opbouw van opbouw van oudedagsvoorzieningen via een extern fiscaal gefaciliteerd pensioen zoals lijfrente (dat zorgt voor lagere belastingontvangsten) net zoals er, omgekeerd, is geabstraheerd van een hoger fiscaal loon van dga’s als gevolg van de gebruikelijkloonregeling (dat zorgt voor hogere belastingopbrengsten). Verondersteld is dat deze min of meer tegen elkaar wegvallen.

De leden van de fractie van het CDA vragen naar de besteding van de opbrengst van € 2,1 miljard opbrengst in 2017. Het relevante effect van de PEB-maatregel op het inkomstenkader is de contante waarde van de meerjarige kaseffecten en bedraagt € 62 miljoen structureel vanaf 2017. Deze opbrengst is ingezet voor het sluiten van het inkomstenkader. Het kaseffect van € 2,1 miljard in 2017 komt dus vrijwel geheel ten goede aan het EMU-saldo 2017.

De leden van de fractie van het CDA vragen naar de omvang van de aftrekpost (beperktere grondslag door aftrek van het PEB) die in de vpb verdwijnt. Deze aftrekpost vermindert naar verwachting jaarlijks met ongeveer € 950 miljoen.

De leden van de fractie van het CDA vragen op welke wijze het budgettaire belang van het vervallen van de aftrekpost wordt teruggegeven aan de doelgroep van het PEB, dga’s en dus met name het mkb. De relevante opbrengst voor het inkomstenkader van het afschaffen van het PEB en de mogelijkheid tot een fiscaal gefaciliteerde afkoop bedraagt € 62 miljoen structureel vanaf 2017. Deze opbrengst wordt ingezet voor het sluiten van het inkomstenkader.

Een van de voorstellen in het pakket Belastingplan 2017 betreft een verlenging van de eerste tariefschijf van de vpb. Deze maatregel is mede ingegeven vanwege het afschaffen van de mogelijkheid om PEB op te bouwen voor dga’s. De schijfverlenging maakt het opbouwen van netto-vermogen in de bv aantrekkelijker.

Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt of het gebruik van de mogelijkheid voor afstempeling en afkoop of omzetting niet beperkt wordt door de expliciete goedkeuring die de partner hiervoor moet geven. De voorwaarde dat de partner of gewezen partner van de dga schriftelijk moet instemmen met beëindiging van het PEB door afkoop dan wel omzetting ervan in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting is in het wetsvoorstel opgenomen ter bescherming van de positie van de partner. Hiermee wordt zeker gesteld dat de partner zich bewust is van de afstempeling van de pensioenaanspraak gevolgd door afkoop dan wel omzetting ervan. Zoals in de memorie van toelichting is aangegeven zal een partner geen belang hebben bij het weigeren van toestemming als er sprake is van goede afspraken dan wel een passende compensatie voor het verlies aan rechten. Er zullen echter gevallen voorkomen waarbij de partner niet instemt en het PEB niet kan worden beëindigd. In die gevallen wordt de mogelijkheid om het PEB te beëindigen inderdaad beperkt door de vereiste expliciete goedkeuring van de partner hiervoor. Het kabinet vindt deze beperking van de keuzemogelijkheid echter minder zwaar wegen dan de bescherming van de positie van de partner.

4.2. Overige pensioenmaatregelen

De leden van de fractie van het CDA vragen om opheldering over de dekking voor de budgettaire derving als gevolg van het afschaffen van het doorwerkvereiste. Het pakket Belastingplan 2017 bestaat uit verschillende wetsvoorstellen, waarbij sprake is van budgettaire samenhang. De budgettaire effecten van de maatregelen zoals voorzien in het onderhavige wetsvoorstel, waaronder begrepen de budgettaire effecten die betrekking hebben op het afschaffen van het doorwerkvereiste, zijn daar onderdeel van. Het saldo aan opbrengsten en dervingen van de verschillende wetsvoorstellen in het pakket Belastingplan 2017 is ingepast in het inkomstenkader zoals gepresenteerd in de Miljoenennota 2017.

5. Overig

De leden van de fractie van de PvdA hebben enkele vragen over de premievrije voortgezette opbouw bij arbeidsongeschiktheid. Deze leden vragen hoe logisch het is dat mensen aanvullend arbeidsongeschiktheidspensioen kunnen opbouwen terwijl de AOW-uitkering en het aanvullende pensioen al zijn ingegaan en wat de kosten hiervan zijn voor de pensioenuitvoerders en de overheidsfinanciën. Voorts vragen deze leden waarom mensen met een WIA-uitkering over een kortere periode premievrij pensioen kunnen opbouwen dan mensen met een aanvullend arbeidsongeschiktheidspensioen. Tot slot vragen deze leden of de opbouwperiode gelijk kan worden getrokken, zodat premievrij kan worden voortgezet tot de AOW-gerechtigde leeftijd of de pensioenrichtleeftijd. Bij de beantwoording van deze vragen wordt ervan uitgegaan dat deze leden bedoeld hebben te vragen hoe logisch het is dat mensen premievrij ouderdomspensioen kunnen opbouwen terwijl de AOW-uitkering en het aanvullende arbeidsongeschiktheidspensioen al zijn ingegaan. Bij arbeidsongeschiktheid biedt in veel gevallen de pensioenuitvoerder een premievrije voortgezette pensioenopbouw aan. Deze premievrije voortzetting kan plaatsvinden zolang loongerelateerde uitkeringen worden ontvangen. De loongerelateerde uitkering is doorgaans een WIA-uitkering en eventueel een aanvullend arbeidsongeschiktheidspensioen. Als een deelnemer enkel een WIA-uitkering ontvangt en geen aanvullend arbeidsongeschiktheidspensioen, stopt de premievrije voortzetting bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd, aangezien de WIA-uitkering dan wordt beëindigd. Wordt daarnaast echter een aanvullend arbeidsongeschiktheidspensioen ontvangen tot de pensioenrichtleeftijd, dan mag de premievrije opbouw worden voortgezet. In de pensioenregeling kan echter evengoed worden afgesproken dat de premievrije opbouw stopt bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. Het is aan sociale partners om hiervoor bij de inrichting van de pensioenregeling te kiezen. Het is niet bekend wat het budgettair beslag is van de premievrije opbouw tussen de AOW-gerechtigde leeftijd en de pensioenrichtleeftijd. Naar verwachting zullen deze kosten echter relatief gering zijn, aangezien de meeste pensioenfondsen een pensioeningangsdatum hebben die overeenkomt met de AOW-gerechtigde leeftijd. Het kabinet ziet dan ook geen aanleiding om de opbouwtermijnen gelijk te trekken.

De leden van de fractie van het CDA vragen of het kabinet kan aangeven waarom het ervoor heeft gekozen om de zogenoemde fiscale oudedagsreserve (FOR) te behouden. In bijlage 2 bij mijn brief van 17 december 201511 heb ik aangegeven dat afhankelijk van de te kiezen oplossingsrichting voor het PEB uitstraling naar de FOR ook in beeld lijkt te kunnen komen. Daarenboven verwijs ik naar het verslag van een algemeen overleg d.d. 3 mei 201612 waar ik heb aangegeven het onderwerp (de oplossingsrichting voor PEB) nu even niet te verbreden, maar wel goede nota te nemen van het feit dat het hierna niet klaar is. Het heeft mijn voorkeur eerst de discussie over het PEB te voeren.

De leden van de fractie van het CDA vragen of het kabinet ook heeft overwogen om de ingewikkelde overgangsbepalingen van de 80c-wetgeving en de stamrecht-bv’s in het kader van het PEB te herzien. De NOB vraagt of er een speciale faciliteit gaat komen voor niet-loonstamrechten. Het wetsvoorstel ziet alleen op het uitfaseren van PEB. Uitfaseren van loonstamrechten of inbrengstamrechten (de zogenaamde stakingslijfrente) is niet overwogen.

De leden van de fractie van het CDA vragen hoe moet worden omgegaan met de verschillen tussen commerciële en fiscale waardering bij andere oudedagsvoorzieningen binnen de bv. Deze leden wijzen bijvoorbeeld op zuivere of ingegane niet-afgekochte stamrechten, zuivere of ingegane stakingswinst- en FOR-lijfrenten op de balans van de bv. Ook vragen deze leden of deze verschillen in waardering in stand moeten blijven. Of zich bij deze andere oudedagsvoorzieningen verschillen voordoen tussen de fiscale en de commerciële waardering hangt af van de door partijen bij het sluiten van de stamrecht- of lijfrentecontracten gehanteerde uitgangspunten. Als is uitgegaan van rekengrondslagen die afwijken van de fiscale waarderingsregels leidt dit tot waarderingsverschillen. Deze verschillen kunnen worden weggenomen door de verplichting af te storten bij een professionele uitvoerder. Het kabinet is van mening dat hier geen aangepaste regeling voor nodig is.

Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt om een analyse van de fiscale facilitering van oudedagsvoorzieningen voor ondernemers en dga’s. Voor ondernemers en dga’s staan enige specifieke vormen van oudedagsvoorzieningen ter beschikking en enige generieke. Specifiek voor ondernemers is de FOR. Deze reserve wordt fiscaal gefaciliteerd doordat de dotaties aan deze reserve ten laste gaan van de winst. Op het moment dat de ondernemer de reserve aan wil wenden als oudedagsvoorziening kan deze worden afgestort in een lijfrenteproduct. Voor de dga staat op dit moment de mogelijkheid open van pensioenopbouw in eigen beheer. De dotaties door de bv aan deze reserve zijn aftrekbaar van de brutowinst en behoren niet tot het belastbare loon en eventuele inhouding van een werknemersbijdrage op het loon van de dga leidt tot een verlaging van het belastbare loon. Kwetsbaarheid van beide voorzieningen liggen in de ondernemersrisico’s en de liquiditeitspositie op pensioeningangsdatum. Een oudedagsvoorziening die voor iedereen openstaat is een lijfrenteproduct in de derde pijler. Voor de dga bestaat er na de aanvaarding van het wetsvoorstel tot uitfasering van het PEB bovendien nog altijd de mogelijkheid open van pensioenopbouw in de tweede pijler bij een verzekeringsmaatschappij.

Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt op welke wijze oneigenlijk gebruik van de voorgestelde regeling voor de uitfasering van het PEB wordt voorkomen. Oneigenlijk gebruik van de voorgestelde uitfasering van het PEB wordt naar de mening van het kabinet voorkomen door enerzijds de korting bij de afkoop te geven over maximaal de fiscale balanswaarde van het PEB op de eindbalans van het boekjaar dat eindigt in 2015. Daarnaast is een bepaling opgenomen waarmee de bovenmatige opbouw of inhaal van eerdere jaren in 2016 wordt ontmoedigd.

6. Commentaar organisaties

In deze paragraaf worden de vragen van de verschillende organisaties (NOB en RB en KPS) beantwoord voor zover deze nog niet elders in deze nota aan de orde zijn gekomen in de hiervoor opgenomen beantwoording.

6.1. NOB

De NOB en de KPS constateren dat de dga momenteel niet onder de werkingssfeer van de Pensioenwet valt en dat de dga ook geen tweedepijlerpensioen kan opbouwen bij een premiepensioeninstelling, een algemeen pensioenfonds of een bank. Bij de totstandkoming van de Pensioenwet is ervoor gekozen om de dga buiten de Pensioenwet te plaatsen, omdat de dga de bescherming die de Pensioenwet biedt aan werknemers niet nodig heeft. De belangrijkste reden hiervoor is dat een dga een werknemer is die de feitelijke macht heeft in een onderneming en daarmee beschouwd kan worden als eigenaar. Zijn hoedanigheid van werknemer is daarbij van ondergeschikt belang. Omdat de dga momenteel niet onder de werkingssfeer van de Pensioenwet valt, is het voor een dga ook niet mogelijk om pensioen op te bouwen bij een premiepensioeninstelling of een algemeen pensioenfonds.

Met betrekking tot het uitvoeren van tweedepijlerpensioenregelingen door banken merk ik op dat de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ter uitvoering van de motie De Vries op dit moment onderzoekt in hoeverre banksparen kan bijdragen aan een beter pensioenresultaat.13 De resultaten van dit onderzoek zullen voor het einde van het jaar aan uw Kamer worden aangeboden.

De NOB vraagt zich af of het PEB dat is ondergebracht bij een pensioenstichting ook kan worden afgekocht met dezelfde korting van 34,5 procent. Indien het pensioen van de dga is ondergebracht bij een pensioenstichting die kwalificeert als een verzekeraar als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen d of e, van de Wet LB 1964 is het mogelijk om het pensioen met toepassing van de korting op de afkoopwaarde af te kopen of om te zetten in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting.

De NOB vraagt aandacht voor de situatie dat het PEB extern is ondergebracht bij een andere vennootschap dan de vennootschap waar de werknemer in dienst is. Volgens de NOB is in een dergelijke situatie bij de werkgever-bv vaak sprake van een «actiefpost indexatie», omdat deze bv bij de premiebetaling aan de pensioen-bv niet de volledige premielast mocht nemen. De NOB vraagt of een afkoop (of omzetting een oudedagsverplichting) erin resulteert dat de werkgever-bv direct de last inzake de indexatie op dat moment mag nemen, waarbij de «actiefpost indexatie» dus vervalt.

In een dergelijke situatie zal, na afkoop of omzetting in een oudedagsverplichting, de indexatie zich in de toekomst niet meer voor kunnen doen. Deze actiefpost valt bij de werkgever-bv derhalve direct ten laste van het resultaat vrij.

De NOB vraagt in te gaan op de situatie waarin zich bij extern PEB een aanvullende reserve op de balans van de pensioen-bv bevindt, die ziet op de betaalde premies voor indexatie. De door de pensioen-bv tegen de ontvangst van premies van werkgever-bv overgenomen verplichting om het pensioen te indexeren, maakt deel uit van de pensioenverplichting van de pensioen-bv. Omdat het wetsvoorstel voor de afkoop of omzetting in een oudedagsverplichting uitgaat van de fiscale balanswaarde van de pensioenverplichting, maakt de indexatieverplichting deel uit van de te hanteren afkoop- of omzettingswaarde. De wijze van onderbrengen van de pensioentoezegging (intern dan wel extern PEB) leidt tot een afwijkende fiscale waarde. Bij extern PEB is immers op de fiscale balans een hoger bedrag gereserveerd dan bij intern PEB. Daarnaast valt bij extern PEB bij de werkgever bv, zoals hiervoor reeds geantwoord, de actiefpost «indexatie» op hetzelfde moment vrij.

De NOB vraagt of, ingeval dat het PEB niet in één bv, maar in meerdere bv’s is ondergebracht, het PEB per bv kan worden afgekocht. Het antwoord op deze vraag is afhankelijk van de pensioentoezegging. Indien sprake is van één pensioentoezegging, waarbij het pensioen in verschillende bv’s is ondergebracht, moet de afkoop (of omzetting in een oudedagsverplichting) in alle vennootschappen tegelijk worden toegepast. Dit is echter anders indien sprake is van twee of meer afzonderlijke toezeggingen. Bijvoorbeeld: de dga is enige jaren werkzaam geweest in bv A, waar hij een pensioen heeft opgebouwd. Na zijn uitdiensttreding is zijn pensioenaanspraak premievrij achtergebleven bij bv A. Nadien is hij in dienst getreden bij bv B, alwaar hij ook 100%-aandeelhouder is. Ook deze bv heeft hem een pensioentoezegging gedaan. In een dergelijke situatie kan de dga ervoor kiezen alleen zijn pensioenaanspraken in bv A af te kopen en zijn pensioenaanspraak in bv B premievrij te laten staan. Het staat hem in dat geval dus vrij om (een van) beide pensioenaanspraken af te kopen of niet.

De NOB geeft aan dat het in de praktijk kan en zal voorkomen dat een dga kiest voor afkoop, waarbij de bv alleen de verschuldigde loon-/inkomstenbelasting uitkeert dan wel afdraagt en het restant schuldig blijft aan de dga. De dga heeft dan nog een vordering op de bv. Stel dat in die situatie de bv op enig moment niet meer in staat is om deze schuld aan de dga af te lossen. De NOB vraagt of dit leidt tot een (aftrekbaar) verlies in het kader van de terbeschikkingstellingsregeling (TBS) voor de dga in box 1. Dit is afhankelijk van de vermogenspositie van de bv en de overige feiten en omstandigheden bij het ontstaan van de schuld aan de dga. In het besluit BLKB 2014/286M14 is in onderdeel 6.2 aangegeven dat bij de waardering op de TBS-openingsbalans een vermogensbestanddeel te boek gesteld moet worden voor de waarde in het economische verkeer. Indien bij het ontstaan van de vordering op de bv al voorzienbaar is dat deze gezien de financiële positie van de bv niet (volledig) kan worden voldaan, dan heeft dit ook invloed op de waarde van de vordering op de TBS-openingsbalans. Indien de vordering van de dga gezien de vermogenspositie van de bv op de TBS-openingsbalans op nihil gewaardeerd moet worden, zal dit ook in de toekomst niet tot een TBS-verlies voor de dga kunnen leiden. Daarnaast zal voor het aan de dga schuldig gebleven bedrag op datzelfde moment dat wil zeggen op het tijdstip van ontstaan van de vordering, moeten worden beoordeeld of sprake is van een «bodemlozeputlening» of van een onzakelijke lening (zie onderdeel 13.2 van genoemd besluit). In een dergelijk geval kan immers ook geen afwaarderingsverlies in aanmerking genomen worden als de debiteur niet meer aan zijn verplichting kan voldoen.

De NOB vraagt of een bv akkoord moet gaan met een afkoop door de dga of dat de dga een eenzijdig recht heeft het PEB af te kopen. Als de afkoop geweigerd kan worden door de bv, vraagt de NOB of het wenselijk is om voor deze situaties een oplossing te bieden zodat ook deze dga’s een reële mogelijkheid krijgen om af te kopen. Deze bv is als verzekeraar van het PEB niet verplicht aan een dergelijk verzoek mee te werken. Het kabinet acht het ook niet wenselijk om een dergelijke verplichting in het wetsvoorstel op te nemen. Als de bv als verzekeraar van mening is dat het niet past binnen een verantwoorde bedrijfsvoering om mee te werken aan een afkoop, bijvoorbeeld omdat dan teveel liquiditeiten aan de bv zouden worden onttrokken, dan moet de bv de mogelijkheid hebben om het verzoek tot afkoop te weigeren. Dit geldt overigens ook ingeval een langstlevende partner van een overleden dga het PEB wenst af te kopen.

De NOB vraagt of de grondslagvrijstelling bij de afkoopmogelijkheid expliciet in de Wet IB 2001 moet worden opgenomen. Ook vraagt de NOB of er in de aangifte inkomstenbelasting een mogelijkheid komt om de korting aan te geven. Aangezien de grondslagvermindering met de korting bij afkoop in de loonbelastingsfeer wordt gegeven, werkt dat door in de inkomstenbelasting. Er staat dan het gekorte bedrag in de jaaropgaaf van de dga, dat de dga dient over te nemen in zijn aangifte inkomstenbelasting.

De NOB vraagt naar de inhoudingsplicht als het pensioen wordt afgekocht. Bv’s die nog niet in de uitkeringsfase zitten, zouden zich naar de mening van de NOB in geval van inhoudingsplicht moeten aanmelden voor de eenmalige inhouding en afdracht van de loonbelasting en zich daarna weer moeten afmelden. Dit leidt volgens de NOB zowel voor de Belastingdienst als de bv’s tot additionele administratieve lasten. De NOB vraagt daarom of de administratieve lasten beperkt kunnen worden door de inhoudingsplicht achterwege te laten voor situaties waar de uitkeringsfase nog niet is gestart. Voor deze situaties zou het aanvragen van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting of de ingevolge artikel 38n van de Wet LB 1964 vereiste informatieverstrekking naar de mening van de NOB soelaas kunnen bieden. Voor de bv's waarvoor het opgebouwde PEB wordt afgekocht leidt het in de loonbelasting moeten betrekken van de afkoop niet tot additionele administratieve lasten. Op het moment van ingaan van het pensioen zou de bv immers ook moeten worden aangemeld als inhoudingsplichtige, waarna gedurende langere tijd (in plaats van eenmalig zoals bij de afkoop) aangifte loonheffingen gedaan moeten worden. Bij het einde van de inhoudingsplicht (vanwege overlijden van alle pensioengerechtigden dan wel waardeoverdracht naar een andere verzekeraar) moet de bv ook weer afgemeld worden. Ik ben van mening dat er zelfs sprake is van minder administratieve lasten, gezien het feit dat nu slechts eenmaal aangifte hoeft te worden gedaan (bij tijdige aan- en afmelding) ten opzichte van de langere periode vanaf het ingaan van het pensioen.

De NOB vindt de wettekst van het voorgestelde artikel 38n, tweede lid, van de Wet LB 1964 onduidelijk en stelt een aanpassing voor waarmee wordt toegevoegd dat «een deel van de aanspraak kan worden vrijgegeven, mits de volledige resterende aanspraak (= na afstempeling) wordt afgekocht of omgezet». Voor de woordkeuze in het in het wetsvoorstel voorgestelde artikel 38n, tweede lid, van de Wet LB 1964 is gekozen, omdat het altijd om één aanspraak gaat die de dga op basis van de pensioenovereenkomst met de bv jegens de bv heeft. Wanneer deze aanspraak deels is prijsgegeven ter hoogte van het verschil tussen de waarde in het economische verkeer en de fiscale balanswaarde gaat het nog steeds om één aanspraak. Deze dient geheel te worden afgekocht dan wel omgezet in een oudedagsverplichting om in aanmerking te komen voor de faciliteiten omtrent het uitfaseren van het PEB. Het kabinet ziet derhalve geen aanleiding om hier de wettekst aan te passen.

De vraag van de NOB of onder opbouw zoals vermeld in het voorgestelde artikel 38q van de Wet LB 1964 niet de hogere reserve eigen beheer valt die in 2016 kan ontstaan door het terughalen van een verzekerd deel van het PEB naar de bv, kan bevestigend beantwoord worden.

De NOB vraagt hoe met de voorgestelde korting op de afkoopwaarde wordt omgegaan in de situatie dat het PEB in 2016 wordt overgedragen van de ene naar de andere bv. Bij een overdracht van een PEB in 2016 van het ene eigenbeheerlichaam naar een ander eigenbeheerlichaam mag voor de berekening van de maximale korting op de grondslag bij afkoop van het PEB worden uitgegaan van de fiscale balanswaarde van het PEB op de eindbalans van het eigenbeheerlichaam waar deze was ondergebracht in het boekjaar dat eindigde in 2015. In een dergelijke situatie brengt doel en strekking van de wet mee dat de fiscale balanswaarde van het PEB zoals dat per ultimo 2015 in de overdragende bv te boek stond voor de berekening van de maximale grondslag voor de korting van toepassing is.

De NOB vraagt om een bevestiging dat de commerciële en de fiscale waarde van een oudedagsverplichting gelijk zijn aan elkaar. Ik ga ervan uit, zoals ook in eerdere brieven aan uw Kamer medegedeeld, dat er hoogstwaarschijnlijk geen sprake zal zijn van verschillen in de waardering van de oudedagsverplichting voor commerciële en voor fiscale doeleinden. Over deze vraag is op ambtelijk niveau overleg geweest met de Raad voor de Jaarverslaggeving (RJ). Hierbij is gebleken dat voor een dergelijke gelijke waardering facilitering vanuit de RJ nodig is. De RJ heeft aangegeven hier in principe positief tegenover te staan. Een definitief positief besluit van de RJ volgt als de ministeriële regeling waarin de oprenting van de oudedagsverplichting wordt bepaald bekend is.

De NOB vraagt te bevestigen dat het mogelijk is een oudedagsverplichting over te dragen van de ene naar de andere bv, bijvoorbeeld in het kader van een reorganisatie. Dat kan ik bevestigen. Voor een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting is op grond van het in het wetsvoorstel opgenomen overgangsrecht een eigenbeheerlichaam een toegelaten aanbieder en mag ook overdracht ervan plaatsvinden van het ene naar het andere eigenbeheerlichaam.

Met betrekking tot het voorgestelde artikel 38p, tweede lid, onderdeel b, van de Wet LB 1964, vraagt de NOB of de termijnen die na het overlijden van de dga zullen ingaan aan dezelfde eisen moeten voldoen als de termijnen die de dga – in leven zijnde – zelf had ontvangen. De NOB vraagt in het bijzonder of daarbij ook een periode van twintig jaar geldt. Zoals volgt uit de eerste volzin van het voorgestelde artikel 38p, tweede lid, van de Wet LB 1964 is dat laatste inderdaad het geval. Indien de termijnen reeds waren ingegaan toen de dga overleed, geldt hetgeen in het voorgestelde artikel 38p, derde lid, van de Wet LB 1964 is geregeld.

De NOB vraagt een reactie op zijn suggestie om mogelijk te maken dat de keuze over de toekomst van het bestaande PEB in de loop van 2017 kan worden genomen en terugwerkt naar 1 januari 2017. De leden van het RB stellen voor om voor de afkoopwaarde aan te sluiten bij de waarde van de pensioenverplichting op 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het pensioen wordt afgekocht eventueel verminderd met de reeds in dat jaar uitgekeerde termijnen. In het wetsvoorstel wordt de mogelijkheid geboden een op 31 december 2016 bestaand PEB fiscaal gefaciliteerd af te kopen in 2017, 2018 of 2019. Op het moment dat wordt afgekocht dient de afkoopwaarde van het PEB te worden bepaald. Voor deze afkoopwaarde is de fiscale balanswaarde van de tegenover de PEB-aanspraak staande verplichting aan het eind van het boekjaar voorafgaand aan het moment van afkoop het uitgangspunt. Als in de loop van een boekjaar wordt afgekocht is bepaald dat deze waarde vermeerderd moet worden met de actuariële oprenting vanaf het einde van dat boekjaar tot het moment van afkoop. De suggestie van de NOB en het RB zou betekenen dat deze oprenting gedurende het jaar niet meegenomen wordt in de afkoopwaarde die in de belastingheffing bij afkoop wordt betrokken. De actuariële oprenting is verplicht op grond van de bepalingen van de Wet Vpb 1969 en leidt tot een verhoging van de verplichting die bij het eigenbeheerlichaam op de fiscale balans wordt opgenomen vanwege de toegezegde pensioenaanspraak in eigen beheer. Deze oprenting is een (negatief) voordeel bij de bepaling van de winst voor de vpb bij het eigenbeheerlichaam. Indien de suggestie van de NOB en het RB zou worden gevolgd is onduidelijk wat met dit deel van de op de fiscale balans opgenomen PEB-verplichting zou moeten gebeuren, aangezien het geen onderdeel is van de afkoopwaarde. Een mogelijkheid zou zijn dat deze oprenting als een (klein) stukje PEB-verplichting op de fiscale balans blijft staan. Dit acht het kabinet zeer onwenselijk, aangezien het doel van het wetsvoorstel is het PEB uit te faseren. Een andere optie zou zijn dat dit resterende stukje PEB vrijvalt in de winst en op die wijze wordt belast. Het kabinet ziet echter geen rechtvaardiging waarom dit stukje PEB bij afkoop fiscaal anders behandeld zou moeten worden dan de resterende PEB-aanspraak die wordt afgekocht. Bovendien is de uitkomst van dit voorstel dat over een klein stukje PEB de afzienvariant wordt toegepast. Hiervoor is al eerder in dit verslag toegelicht waarom het afzien beleidsmatig niet wenselijk is. Gezien het voorgaande zal het kabinet dan ook de door de NOB en het RB gedane suggestie niet overnemen.

De NOB vraagt of een partner/niet-erfgenaam aangewezen kan worden als begunstigde van de oudedagsverplichting bij overlijden van de gerechtigde. In het wetsvoorstel is bepaald dat bij overlijden van de gerechtigde tot de aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting deze aanspraak overgaat op de erfgenamen. Het is derhalve niet mogelijk een partner/niet-erfgenaam aan te wijzen als begunstigde. Indien de gerechtigde wil dat de aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting overgaat naar zijn partner bij overlijden dan is dat mogelijk door deze partner erfgenaam te maken.

De NOB vraagt of de aanspraak van een ex-partner op een deel van het ouderdomspensioen en/of partnerpensioen kwalificeert als een afzonderlijke pensioenaanspraak, welke aanspraak vervolgens afgekocht of omgezet kan worden. Het antwoord op deze vraag is afhankelijk van de afspraken tussen de dga en de ex-partner. Indien geen conversie heeft plaats gevonden, maar de pensioenaanspraken zijn verevend, dan heeft de ex-partner een afhankelijk recht op de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken. Zeker als deze aanspraken nog steeds zijn ondergebracht in de bv, waarin ook de dga zijn aanspraken heeft staan. In dat geval is geen sprake van zelfstandige aanspraken en zullen de dga en zijn ex-partner dus goede afspraken moeten maken.

In de situatie dat sprake is van geconverteerde aanspraken ligt dit anders. Zowel de dga als de ex-partner hebben elk een zelfstandig pensioenrecht. Zij kunnen dan onafhankelijk van elkaar beslissen of zij hun aanspraken willen afkopen, omzetten in een oudedagsverplichting, dan wel premievrij laten staan.

De NOB vraagt naar de opbouwmogelijkheden voor het nabestaandenpensioen na een afkoop dan wel omzetting in een oudedagsverplichting. De NOB wil weten of deze opbouwmogelijkheden beperkt worden, zodat in deze situaties altijd een relatief laag partnerpensioen zal ontstaan. De opbouwmogelijkheden worden niet beperkt, zeker niet in de situatie dat het partnerpensioen elders is verzekerd. Als het opgebouwde pensioen is afgekocht dan wel omgezet in een aanspraak in een oudedagsverplichting kan voor de toekomst een partnerpensioen worden verzekerd bij een professionele verzekeraar. Daarnaast bestaat uiteraard de mogelijkheid om een nabestaandenlijfrente op te bouwen in de derde pijler.

De NOB vraagt of de ex-partner van de dga ook akkoord moet gaan met een afkoop of omzetting van het PEB in de situatie dat de pensioenaanspraak van de ex-partner is afgestort bij een verzekeringsmaatschappij. De instemming van de ex-partner met een afkoop of omzetting in een oudedagsverplichting is niet noodzakelijk indien sprake is van een volledig eigen pensioenaanspraak van de ex-partner die is afgestort bij een verzekeringsmaatschappij. Dit zal het geval zijn indien het na echtscheiding of verbreken van de partnerrelatie aan de ex-partner toekomende recht op uitbetaling van een deel van de ouderdomspensioenuitkeringen en het bijzonder partnerpensioen door middel van conversie zijn omgezet in een eigen recht op pensioen van de ex-partner dat is afgestort bij een verzekeringsmaatschappij. In dat geval is de ex-partner voor het eigen pensioen geen belanghebbende meer voor het in eigen beheer verzekerde pensioen van de dga en is de instemming van de ex-partner niet verplicht. In de situatie dat geen sprake is van een volledig bij een professionele verzekeraar ondergebracht eigen recht op pensioen van de ex-partner, is instemming van de ex-partner met een afkoop of omzetting in een oudedagsverplichting wel verplicht.

Het bevreemdt de NOB dat in het wetsvoorstel andere regels gelden voor het deel van de opgebouwde pensioenaanspraak dat is ondergebracht bij een verzekeraar. Volgens de NOB maakt dit deel van de pensioenaanspraak civielrechtelijk deel uit van de pensioenovereenkomst in eigen beheer. In de door de NOB beschreven situatie is voor het bij de verzekeringsmaatschappij verzekerde deel van het opgebouwde pensioen geen sprake van een pensioenverplichting in eigen beheer. Ook het RB vraagt hiernaar. Voor het elders verzekerde deel van de pensioenaanspraak rusten geen verplichtingen meer op de bv. Voor zover het opgebouwde pensioen is verzekerd bij de verzekeringsmaatschappij kan de bv ook geen pensioenvoorziening meer op de balans opnemen. Door het betalen van de pensioenpremies aan de verzekeringsmaatschappij heeft de bv zich voor dat deel bevrijd van de uit de pensioenovereenkomst voortvloeiende verplichtingen. Voor het elders verzekerde deel van de pensioenaanspraak hoeft de bv in de toekomst ook geen uitgaven meer te doen.

Het wetsvoorstel beoogt een oplossing te bieden voor de knelpunten die zijn verbonden aan in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraken. Deze knelpunten zijn niet van toepassing voor de bij een verzekeringsmaatschappij verzekerde pensioenaanspraken. Dit onderscheid rechtvaardigt het verschil in behandeling van dit elders verzekerde pensioen ten opzichte van het in eigen beheer gehouden pensioen.

De NOB vraagt wat de gevolgen zijn van het afkopen van het in eigen beheer gehouden pensioen voor de fiscale duiding van het elders verzekerde deel van de opgebouwde pensioenaanspraak. Het wetsvoorstel voorziet erin dat artikel 19b van de Wet LB 1964 buiten toepassing blijft bij het afkopen of omzetten in een oudedagsverplichting van het op 31 december 2016 bij een eigenbeheerlichaam verzekerde deel van het pensioen. Voor de op 31 december 2016 bij een verzekeringsmaatschappij verzekerde pensioenaanspraken vindt er geen wijziging in de fiscale duiding plaats.

De NOB vraagt wat de fiscale waarde van de pensioenverplichting is indien voor het bepalen van de omvang van de pensioenverplichting van de bv het elders verzekerde pensioenkapitaal wordt verwerkt door middel van de herleidingsmethode. Ook het RB vraagt hiernaar. Voor de afkoop en de omzetting in een oudedagsverplichting wordt uitgegaan van de voor de toepassing van de Wet Vpb 1969 in aanmerking te nemen waarde. De voor de balanswaardering van de pensioenverplichting toe te passen herleiding van het elders verzekerde pensioenkapitaal naar pensioenuitkeringen dient plaats te vinden met inachtneming van de fiscale balanswaarderingsregels voor pensioenverplichtingen. Hieruit volgt dat de herleidingsmethode ook voor het vaststellen van de fiscale balanswaarde voor de uitfasering van het in eigen beheer gehouden deel van de pensioenaanspraak dient te worden toegepast met inachtneming van de fiscale balanswaarderingsregels voor pensioenverplichtingen.

De NOB vraagt ook hoe na een eerdere afkoop van het in eigen beheer gehouden deel van het pensioen, op pensioeningangsdatum de hoogte van de met het verzekerde kapitaal te verkrijgen ouderdomspensioenuitkeringen wordt bepaald. Volgens het wetsvoorstel kan met ingang van 1 januari 2017 geen fiscaal gefaciliteerde pensioenopbouw in eigen beheer meer plaatsvinden. Ook kan vanaf genoemde datum geen elders verzekerd pensioen naar eigen beheer worden overgedragen. Daarom zal in de situatie van een gedeeltelijk in eigen beheer gehouden pensioen en een elders verzekerd pensioenkapitaal in de pensioenovereenkomst geregeld moeten worden dat met ingang van 1 januari 2017 geen overdracht van elders verzekerd pensioen naar eigen beheer meer kan plaatsvinden.

In de door de NOB beschreven situatie van een onbepaald elders verzekerd deel, zal de pensioenovereenkomst zo aangepast moeten worden dat de dga voor het elders verzekerde deel van het pensioen alleen aanspraak heeft op het pensioen dat door de professionele verzekeraar voor het opgebouwde pensioenkapitaal wordt uitgekeerd. Partijen zullen moeten uitsluiten dat de bv vanaf 1 januari 2017 nog gehouden is om het extern verzekerde deel van het pensioen aan te vullen met een in eigen beheer gehouden pensioen. Een en ander kan bijvoorbeeld worden geregeld door het op 31 december 2016 elders verzekerde deel van het opgebouwde pensioen om te zetten in een bij een toegelaten pensioenverzekeraar verzekerd pensioen op basis van een kapitaalovereenkomst waarvoor de werkgever geen premies meer is verschuldigd. Op pensioeningangsdatum kan de dga voor het opgebouwde pensioenkapitaal volgens de dan geldende tarieven een pensioenuitkering aankopen bij een professionele verzekeringsmaatschappij.

De NOB vraagt ook of het na afkoop of omzetting in een oudedagsverplichting van het in eigen beheer verzekerde deel van het pensioen mogelijk is dat de dga de pensioenopbouw voortzet in de op 31 december 2016 bestaande extern verzekerde kapitaalpolis. Vanaf 1 januari 2017 gelden voor de nieuwe pensioenopbouw van de dga dezelfde regels als voor de pensioenopbouw van «gewone» werknemers. Indien de pensioenovereenkomst en de bestaande extern verzekerde kapitaalpolis voldoen aan de daarvoor geldende fiscale pensioenregels kan de pensioenopbouw in 2017 op de bestaande pensioenpolis bij de externe verzekeraar worden voortgezet.

De NOB vraagt of bekend is op welke wijze verzekeraars om zullen gaan met polissen waarin de pensioenrechten van de dga gedeeltelijk extern zijn verzekerd. De NOB vraagt of het mogelijk is dat verzekeraars besluiten verdere premiebetaling en/of opbouw in de extern verzekerde delen van het PEB niet verder toe te staan naar aanleiding van het wetsvoorstel. Het is namelijk, aldus de NOB, voor de verzekeringsmaatschappij volledig onduidelijk of het betreffende resterende contract binnen alle fiscale grenzen blijft, terwijl er ook geen pensioenovereenkomst aan ten grondslag ligt. Verzekeraars kunnen alleen handelen overeenkomstig de overeengekomen voorwaarden van de verzekeringsovereenkomst. Afhankelijk van deze overeenkomst kan de bv in overleg met de dga besluiten de kapitaalovereenkomst ongewijzigd voort te zetten. Daarvoor zal een aanpassing van de pensioentoezegging door de bv nodig zijn in die zin dat de toekomstige opbouw van het in eigen beheer opgebouwde pensioen wordt stopgezet en het extern verzekerde deel wordt voortgezet als een kapitaal- of premieovereenkomst. Afhankelijk van de soort kapitaal- of premieovereenkomst zullen wellicht tenaamstellingen moeten worden aangepast. Een en ander is echter zeer feitelijk en hangt af van hetgeen partijen overeen zijn gekomen. Ik merk hierbij op dat het mij onwaarschijnlijk voorkomt dat het extern verzekerde deel na stopzetten van het in eigen beheer opgebouwde deel fiscale grenzen zou kunnen overschrijden. De bv zal hier evenwel de benodigde informatie over kunnen verstrekken aan de verzekeraar.

De NOB merkt op dat afkopen ook mogelijk is voor ingegane pensioenen. De NOB vraagt of het daarnaast ook mogelijk is om ingegane pensioenen om te zetten in een oudedagsverplichting. De NOB verzoekt daarbij in te gaan op de volgende situaties:

  • bij een dga die nu 70 jaar is (en dus al vijf jaar pensioen ontvangt);

  • bij een dga die nu 70 jaar is, waarbij het pensioen op 60-jarige leeftijd is ingegaan;

  • bij een dga die nu 88 jaar is (en dus al 23 jaar pensioen ontvangt);

  • bij een dga die nu 58 jaar is (en het pensioen vervroegd heeft laten ingaan).

Ook reeds ingegane pensioenuitkeringen kunnen worden omgezet in een oudedagsverplichting. Daartoe moet de dga eerst het verschil tussen de commerciële waarde en de fiscale waarde van de aanspraak op de nog resterende pensioenuitkeringen prijsgeven en op datzelfde moment de fiscale balanswaarde omzetten in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting. Voor een dga die op dat moment al de leeftijd van 70 jaar heeft bereikt moet de oudedagsverplichting aansluitend op de pensioenuitkeringen voor 1\15e deel ingaan.15 Na oprenting van de eindstand gaat het volgende jaar 1/14e deel in enzovoorts. Deze reeks van op jaarbasis 15 uitkeringen geldt zowel voor de 70-jarige dga die de uitkeringen in heeft laten gaan op 65 jaar als voor de 70-jarige dga die de pensioenuitkeringen op 60 jaar in liet gaan. Voor de dga die de leeftijd van 88 jaar heeft bereikt en al 23 jaar na de AOW-leeftijd pensioenuitkeringen ontvangt, kan de resterende oudedagsverplichting in één bedrag worden uitgekeerd. De dga die op de leeftijd van 58 jaar de pensioenuitkeringen in heeft laten gaan en besluit om de fiscale waarde na prijsgeven om te zetten in een oudedagsverplichting, moet wachten tot hij de leeftijd van 5 jaren voorafgaande aan de AOW heeft bereikt om de oudedagsverplichting tot uitkering te laten komen. Hij kan er echter ook voor kiezen om de oudedagsverplichting af te storten in een derdepijlerproduct en zo gebruik te maken van het daarbij horende wettelijke regime.

De NOB vraagt of de bv, ingeval tot afkoop wordt overgegaan, medische waarborgen zou moeten vragen. De Wet op de medische keuringen staat niet toe vragen te stellen over de gezondheidstoestand in geval van een pensioenovereenkomst als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet, dan wel een pensioenregeling ten aanzien waarvan artikel 3 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling toepassing heeft gevonden of de pensioenregeling waaraan deelneming verplicht is op grond van de Wet op het notarisambt. Deze wetgeving is niet van toepassing op de pensioentoezegging die een bv heeft gedaan aan haar dga.

De NOB vraagt of ik kan bevestigen dat, indien na afstempeling, afkoop of omzetting in een oudedagsverplichting sprake is van een belaste schenking, en de aandeelhouder(s) van de betreffende bv alsdan een informele kapitaalstorting doet(doen), die leidt tot een hogere verkrijgingsprijs in de sfeer van het aanmerkelijk belang. Dit is niet het geval, bij een belaste schenking wordt de verkrijgingprijs voor het aanmerkelijk belang niet verhoogd.

Naar de mening van de NOB leidt afkoop door een minderheidsaandeelhouder niet per se tot een schenking aan de overige aandeelhouders van dezelfde bv aangezien deze minderheidsaandeelhouder veelal geen bevoordelingsbedoeling zal hebben. Ook in een situatie dat er meer aandeelhouders zijn (met eventueel ook meerdere PEB’s) zal de ene aandeelhouder de ander niet willen bevoordelen, waardoor er naar de mening van de NOB ook geen sprake van een schenking zal zijn. De NOB vraagt of ik deze zienswijze kan bevestigen. Met de NOB deel ik de zienswijze dat niet in alle gevallen van afkoop sprake zal zijn van een schenking omdat inderdaad niet altijd zal zijn voldaan aan de drie uitgangspunten voor een belastbare schenking (verarming, verrijking én een bevoordelingsbedoeling). Tegelijkertijd wijs ik erop dat zeker waar sprake is van verwante aandeelhouders een bevoordelingbedoeling bij de schenker doorgaans waarschijnlijk is. In de praktijk zal een en ander sterk afhankelijk zijn van de feiten en omstandigheden.

De NOB meent dat het voorgestelde artikel 10a.18, derde lid, van de Wet IB 2001 en artikel II van het wetsvoorstel die, kort gezegd, bepalen dat de verkrijgingsprijs van de aandelen en winstbewijzen (voor de aanmerkelijkbelangheffing) niet wordt verhoogd bij de toepassing van het voorgestelde artikel 38n, tweede lid, van de Wet LB 1964, buiten toepassing moeten blijven als sprake is van een (belaste) schenking. Hetzelfde zou volgens de NOB moeten gelden voor het voorgestelde artikel 34e, derde lid, van de Wet Vpb 1969 en artikel VIII van het wetsvoorstel die naar de mening van de NOB iets soortgelijks bepalen voor de vpb.

Deze mening van de NOB deel ik niet. Met artikel 10a.18, derde lid, van de Wet IB 2001 wordt voor de duidelijkheid expliciet geregeld dat het prijsgeven, bedoeld in artikel 38n, tweede lid, van de Wet LB 1964 van een gedeelte van een in eigen beheer opgebouwde pensioenaanspraak niet leidt tot een verhoging van de verkrijgingsprijs van de aanmerkelijkbelangaandelen. Met artikel 34e, derde lid, van de Wet Vpb 1969 wordt voor de duidelijkheid expliciet geregeld dat de toepassing van genoemd artikel 38n, tweede lid, fiscaal geruisloos loopt voor de vpb. Het deel van het door het pensioenlichaam behaalde winst dat door het prijsgeven van een deel van de pensioenaanspraken niet meer nodig is om aan de pensioenverplichtingen te voldoen leidt dus niet tot een (additionele) aftrekpost voor de vpb en wordt bij uitdeling of vervreemding van de aandelen in de aanmerkelijkbelangheffing betrokken. Dit wordt naar mijn mening niet anders indien die winsten door het prijsgeven van pensioenaanspraken en via een (belaste) schenking toekomen aan een andere aanmerkelijkbelanghouder (in het pensioenlichaam) dan degene die de pensioenaanspraken heeft prijsgegeven. Ook dan dienen de winsten naar mijn mening bij die andere aandeelhouder bij uitdeling of vervreemding in de aanmerkelijkbelangheffing te worden betrokken. Aangezien het prijsgeven van de pensioenaanspraken bij de (gewezen) werknemer niet in de heffing wordt betrokken, is er naar mijn mening ook geen aanleiding om ter zake van de (belaste) schenking een informele kapitaalstorting in aanmerking te nemen. Aan het verzoek van de NOB om genoemde bepalingen buiten toepassing te laten in situaties waarin de afkoop leidt tot een (belaste) schenking, zal ik dan ook niet tegemoetkomen.

Voor de volledigheid merk ik nog wel op dat de korting die op basis van het voorgestelde artikel 38o van de Wet LB 1964 wordt verleend op de fiscaal in aanmerking te nemen grondslag bij de afkoop tegen de fiscale balanswaarde van een PEB, geen gevolgen heeft voor de aanmerkelijkbelangheffing. Alsdan vallen immers de fiscale verplichting en de afkoopsom tegen elkaar weg.

De NOB vraagt of een pensioengerechtigde verarmt als hij de pensioenaanspraak afkoopt in de situatie dat duidelijk is dat het pensioenlichaam onvoldoende vermogen heeft om het pensioen levenslang uit te keren. In de situatie waarin een (gewezen) werknemer met toepassing van artikel 38n, tweede lid, van de Wet LB 1964 een deel van zijn pensioenaanspraken prijsgeeft en voor 100% zeker is dat het pensioenlichaam onvoldoende vermogen heeft en ook in de toekomst onvoldoende winsten zal maken om ook maar iets van die prijsgegeven pensioenaanspraken uit te keren, zal die (gewezen) werknemer niet verarmen door dat prijsgeven en zal bij een andere aandeelhouder in dat pensioenlichaam ook geen verrijking plaatsvinden in de vorm van een waardestijging van de aandelen. Laatstgenoemde aandelen zullen in deze situatie een waarde van nihil hebben en houden. Van een schenking is dan geen sprake. In het algemeen zal echter geen zekerheid bestaan over de toekomstige situatie.

De NOB vraagt van welke waarde moet worden uitgegaan in het geval sprake is van een schenking. Voor de schenkbelasting wordt uitgegaan van de waarde in het economische verkeer. Deze waarde wordt gesteld op het bedrag dat bij een derde, bijvoorbeeld een verzekeraar, zou moeten worden gestort. Dit is dus de waarde die verzekeraars zouden hanteren bij het berekenen van de koopsom bij overdracht van de pensioenverplichting. Daarnaast wordt door de Belastingdienst ook het rekenmodel van de benaderde marktwaarde (BMW) gebruikt. De einduitkomst van dat rekenmodel is een benadering van de koopsom die bij een onafhankelijke verzekeringsmaatschappij gestort zou moeten worden om de pensioenverplichting onder te brengen.

De NOB vraagt of schenkingsaspecten voorkomen zouden kunnen worden in de situatie dat de dga en het eigenbeheerlichaam vóór afkoop van de pensioenaanspraken een overeenkomst aangaan met als strekking dat de dga alleen tot afkoop wil overgaan indien de bv daar een vergoeding tegenover zet, bijvoorbeeld de helft van het voordeel voor de bv. Zoals in het vorenstaande is vermeld, kan schenkbelasting uitsluitend aan de orde komen in relatie tot andere aandeelhouders van het eigenbeheerlichaam of in relatie tot de partner. Bij een passende compensatie (ter zake van de waardestijging van de aandelen in dat lichaam dan wel aan de partner) is geen sprake van een schenking.

De NOB vraagt of ik kan bevestigen dat, indien de dga thans niet 100% van de aandelen bezit in het eigenbeheerlichaam, de dga de dreiging van schenkbelasting of uitdeling kan vermijden door nog vóór 1 januari 2017 dan wel vóór het moment van afkoop of omzetting in een oudedagsverplichting, de aandelen van het eigenbeheerlichaam te verwerven die de pensioenregeling van die dga uitvoert of moet gaan uitvoeren. In het verlengde hiervan stelt de NOB de vraag of een schenking zou kunnen worden vermeden als de dga met de andere aandeelhouders (schriftelijk) afspreekt dat (later) een aanvullend dividend op zijn aandelen wordt uitgekeerd in verband met het verschil tussen de afkoopwaarde en de hogere commerciële waarde van de pensioenverplichting. Het antwoord op de eerste vraag luidt ontkennend, ook dan kan er sprake zijn van een belaste schenking, afhankelijk van de feiten en omstandigheden. Voor de tweede vraag is relevant of de dga voldoende wordt gecompenseerd voor het prijsgeven van zijn pensioenaanspraken. Uiteindelijk is bepalend of is voldaan aan de al eerder genoemde drie uitgangspunten voor een belastbare schenking (verarming, verrijking en bevoordelingsbedoeling). In de praktijk zal ook hier een en ander sterk afhankelijk zijn van de feiten en omstandigheden.

De NOB vraagt of, bij het berekenen van de waarde van een eventuele schenking, rekening gehouden kan worden met de gezondheidstoestand van de dga. Hierop is geen eenduidig antwoord te geven. Ook in dergelijke gevallen zal de waarde in het economische verkeer bepaald moeten worden op het bedrag dat bij een verzekeraar voor deze aanspraken zou moeten worden gestort. Een verzekeraar zal deze koopsom in bijzondere situaties berekenen met een verhoogde sterftetafel, rekening houdend met een eventueel nabestaandenpensioen. Het RB ziet graag een handreiking voor de praktijk. Zoals aangegeven is een dergelijke handreiking niet te geven.

De NOB vraagt te bevestigen of, als de pensioengerechtigde niet meer in Nederland woont op het moment dat hij besluit af te kopen of om te zetten in een oudedagsverplichting en voorts de woonplaatsfictie niet meer aan de orde is, er in het geheel geen schenkbelasting kan worden geheven. Ik kan bevestigen dat schenkbelasting alleen kan worden geheven indien de schenker op het moment van de schenking zijn woonplaats in Nederland heeft dan wel de woonplaatsfictie van artikel 3 van de SW 1956 van toepassing is.

De NOB vraagt of de korting wel effect sorteert in situaties waarin de dga in het buitenland woont, waarbij aandacht wordt gevraagd voor dga’s die in België, Duitsland, Frankrijk of Spanje wonen. Daarbij vraagt de NOB of deze landen wellicht uitgaan van een totaal andere grondslag dan Nederland. Naar ik begrijp doelt de NOB met de «korting» op de «fiscale balanswaarde» die in de loonbelasting wordt betrokken. Deze korting zal voor dga’s die in Nederland (buitenlands) belastingplichtig zijn voor de verschuldigde loonbelasting – net als bij binnenlands belastingplichtigen – in beginsel effect sorteren (voor zover het heffingsrecht op grond van het belastingverdrag aan Nederland toevalt). De korting kan verder relevant zijn bij het invorderen van de conserverende aanslag bij afkoop, omdat in dit wetsvoorstel is geregeld dat hierbij kort gezegd kwijtschelding van de conserverende aanslag wordt verleend als dit nodig is om te voorkomen dat de verschuldigde belasting en revisierente samen hoger zijn dan de belasting en revisierente die de dga in de binnenlandse situatie zou moeten betalen. Dit geldt dus ook voor dga’s die in de door de NOB genoemde landen wonen. De korting geldt voor de Nederlandse belastinggrondslag en niet voor de belastinggrondslag van de door de NOB genoemde landen. De korting kan daardoor dus een van de elementen zijn op grond waarvan de buitenlandse belastinggrondslag kan verschillen met de Nederlandse en dit kan effect hebben op de wijze waarop dubbele belasting wordt voorkomen. Hierbij kunnen echter meer elementen een rol spelen afhankelijk van het lokale (belasting)recht, zoals eventuele bijzondere regels voor oudedagsvoorzieningen.

De NOB vraagt of er nog meer fiscale vereenvoudigingen in het pensioenlandschap te verwachten zijn. Vereenvoudiging is een belangrijke doelstelling van dit kabinet. In het onderhavige wetsvoorstel wordt reeds een aantal vereenvoudigingen voorgesteld, die overigens ook van toepassing zijn op het PEB. Daarnaast ben ik voornemens om de komende periode een aantal andere suggesties nader te onderzoeken, zoals bijvoorbeeld het eerder in dit verslag genoemde voorstel om de tijdelijke goedkeuring voor de situatie van een pensioenregeling die een combinatie is van een ouderdomspensioen volgens het middelloon- of beschikbare premiestelsel en een op risicobasis verzekerd partner- of wezenpensioen volgens het eindloonstelsel (combinatieregelingen) permanent te maken.

6.2. RB

Het RB vraagt of een al ingegaan arbeidsongeschiktheidspensioen ook kan worden omgezet in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting. Een arbeidsongeschiktheidspensioen dat wordt uitgekeerd door een eigenbeheerlichaam valt ook onder het in het wetsvoorstel opgenomen overgangsrecht. Een dergelijk pensioen in eigen beheer kan derhalve ook fiscaal geruisloos worden omgezet in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting na eventuele afstempeling ervan tot de fiscale balanswaarde van de tegenover deze aanspraak staande verplichting. Vraag is echter wel waarom hiervoor gekozen zou worden. Het arbeidsongeschiktheidspensioen wordt uitgekeerd, omdat de betreffende werknemer arbeidsongeschikt is. De betreffende werknemer zal deze uitkering derhalve nodig hebben om in zijn levensonderhoud te voorzien. Bovendien mag ervan worden uitgegaan dat het uitkerende eigenbeheerlichaam aan zijn verplichting tot uitkering hiervan kan voldoen. Het ligt dan ook niet voor de hand om een dergelijke pensioenaanspraak om te zetten in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting die niet eerder dan vijf jaar voor de AOW-gerechtigde leeftijd tot uitkering mag komen.

Het RB vraagt wat het moment van afkoop is. De bepaling van dat moment sluit aan bij het huidige recht. In beginsel is het civielrechtelijke tijdstip bepalend. Dit is het tussen de bv en de dga voor de afkoop overeengekomen moment. Uiteraard moet op dat moment ook de (eventuele) partner hebben ingestemd. Daarnaast is uit fiscaal oogpunt bijvoorbeeld ook sprake van een afkoop wanneer blijkt dat door een (verkapte) dividenduitkering de waarde in het economische verkeer van de PEB-aanspraak is aangetast. Indien een dergelijke (verkapte) dividenduitkering vóór 1 januari 2017 plaatsvindt, gelden de huidige zware fiscale consequenties.

Het RB meent dat het in strijd is met het gelijkheidsbeginsel dat de korting op de grondslag wordt berekend over de fiscale balanswaarde van de eindbalans van het boekjaar dat eindigt in 2015. Deze leden stellen daarom voor om de korting op de grondslag bij afkoop in alle gevallen te verlenen over de fiscale balanswaarde op 31 december 2015. In het wetsvoorstel is ervoor gekozen bij de bepaling van de maximale korting uit te gaan van de fiscale balanswaarde van de eindbalans van het boekjaar dat eindigt in 2015 en derhalve bij een afwijkend boekjaar niet van de fiscale balanswaarde op 31 december 2015. Hier is voor gekozen om de administratieve lasten zoveel mogelijk te beperken. Daardoor hoeft bij een afwijkend boekjaar namelijk geen tussentijdse balans te worden opgemaakt om te bepalen wat de fiscale balanswaarde voor de berekening van de maximale korting is. Volgens het kabinet is hierbij geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel, aangezien vennootschappen met een gebroken boekjaar en met een boekjaar gelijk aan het kalenderjaar geen gelijke gevallen zijn. Het kabinet is gezien het voorgaande niet voornemens de peildatum voor de maximale korting bij afkoop op dit punt aan te passen.

Het RB geeft er de voorkeur aan om de in artikel 38n, tweede lid, van de Wet LB 1964 opgenomen bepaling dat de oudedagsverplichting geen tot het loon behorende aanspraak is, op te nemen in artikel 11 van de Wet LB 1964. In het wetsvoorstel wordt voorgesteld het PEB uit te faseren. Dit houdt in dat vanaf 1 januari 2017 geen nieuwe aanspraken meer kunnen worden opgebouwd. Voor reeds opgebouwde aanspraken is overgangsrecht opgenomen. Hierin wordt onder meer bepaald dat een bestaand PEB fiscaal geruisloos kan worden omgezet in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting. Bij de oudedagsverplichting gaat het derhalve om overgangsrecht. In het wetsvoorstel is ervoor gekozen om alle voorwaarden omtrent de oudedagsverplichting op te nemen in het overgangsrecht. Dat de oudedagsverplichting geen tot het loon behorende aanspraak is, staat daarom ook in het overgangsrecht en zal niet worden opgenomen in artikel 11 van de Wet LB 1964.

Het RB vraagt of de oudedagsverplichting een juridisch recht is of slechts een fiscale reserve en informeert naar de manier waarop de oudedagsverplichting op de jaarrekening komt te staan. De oudedagsverplichting is vormgegeven als een juridisch afdwingbaar recht van de dga jegens het eigenbeheerlichaam. Dit sluit namelijk aan bij het PEB, dat aan de oudedagsverplichting vooraf is gegaan. Ook een PEB biedt de dga een juridisch recht. Overigens is er juist om die reden gekozen voor het begrip «oudedagsverplichting» vanuit de positie van het eigenbeheerlichaam en voor het begrip «aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting» vanuit de dga gezien. De oudedagsverplichting dient dus in de jaarrekening van het eigenbeheerlichaam te worden vermeld.

Het RB stelt dat een oudedagsverplichting strikt genomen op grond van artikel 38n, tweede lid, van de Wet LB 1964 niet mogelijk is, omdat deze bepaling verwijst naar artikel 38n, eerste lid, van de Wet LB 1964, waarin het gaat om een «aanspraak ingevolge een pensioenregeling», waar een «aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting» volgens het RB niet onder gesubsumeerd kan worden. Het is onduidelijk wat het RB hier bedoelt. In het voorgestelde artikel 38n, eerste lid, van de Wet LB 1964 gaat het om de bestaande PEB-aanspraken. Op grond van het voorgestelde artikel 38n, tweede lid, van de Wet LB 1964 kunnen deze aanspraken worden afgekocht dan wel omgezet in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting. In het voorgestelde artikel 38o van de Wet LB 1964 wordt de oudedagsverplichting slechts nader uitgewerkt. Het kabinet is dan ook van mening dat de wettekst op dat punt duidelijk is en geen aanpassing behoeft.

Het RB vraagt wat de invloed is op de hoogte van de fiscale balanswaarde van de opbouw van een PEB bij een concernlichaam (extern eigen beheer). Met name vraagt het RB of rekening gehouden moet worden met het bedrag voor onder andere de na-indexatie en het vooroverlijdensrisico. De bv die optreedt als pensioenverzekeraar (pensioen-bv) heeft de pensioenverplichting tegen de ontvangst van premies overgenomen van de werkgever-bv. De verzekering van het vooroverlijdensrisico en de verplichting om het pensioen te indexeren, maken deel uit van de pensioenverplichting van de pensioen-bv. Omdat het wetsvoorstel voor de afkoop of omzetting in een oudedagsverplichting uitgaat van de fiscale balanswaarde van de pensioenverplichting, maken het risico van vooroverlijden en de indexatieverplichting deel uit van de te hanteren afkoop- of omzettingswaarde. De wijze van onderbrengen van de pensioentoezegging (intern dan wel extern eigen beheer) leidt tot een afwijkende fiscale balanswaarde en daarmee tot een afwijkende afkoopwaarde. Bij extern eigen beheer is immers op de fiscale balans een hoger bedrag gereserveerd dan bij intern eigen beheer situaties. Daarnaast valt bij extern eigen beheer bij de werkgever-bv de actiefpost «indexatie» gelijktijdig vrij.

Het RB vraagt welke actuariële waardering moet worden toegepast voor de berekening van de fiscale balanswaarde. Het RB wil met name weten of dat de koopsommethode of de premiekoopsommethode is. Volgens het voorgestelde artikel 38n, derde lid van de Wet LB 1964 wordt onder de in aanmerking te nemen fiscale balanswaarde verstaan de voor de toepassing van de Wet Vpb 1969 in aanmerking te nemen waarde. Voor de toepassing van de Wet Vpb 1969 zijn zowel de koopsommethode als de premiekoopsommethode toegestaan. Welke methode wordt toegepast is afhankelijk van de wijze van financiering van het PEB gedurende de afgelopen periode.

In het kader van de informatieverplichting die de dga als (gewezen) werknemer richting de Belastingdienst heeft vraagt het RB of het logisch is om de gevraagde informatie door de werknemer te laten verstrekken terwijl toch de werkgever, hier dus het eigenbeheerlichaam, degene is die over de informatie beschikt en die verder ook degene is die als inhoudingsplichtige voor de loonbelasting onder het toepassingsbereik van de Wet LB 1964 valt. De informatie die de dga aan de Belastingdienst moet verstrekken, namelijk ondermeer de waarde in het economische verkeer van het PEB, de fiscale balanswaarde daarvan op het moment van prijsgeven alsmede de fiscale balanswaarde van het PEB aan het begin en aan het einde van het boekjaar dat in 2015 eindigt, heeft de dga zelf nodig om tot een goed besluit te kunnen komen. De werkgever zal deze informatie daarom altijd moeten verstrekken om de dga als (gewezen) werknemer alsmede diens partner inzicht te geven wat het bedrag zal zijn dat hij gaat prijsgeven en wat hij vervolgens kan afkopen dan wel omzetten in een oudedagsverplichting. Ook het eigenbeheerlichaam heeft een belang bij het verstrekken van deze informatie. Het komt tenslotte af van een veel hogere commerciële verplichting voor het PEB, wanneer de dga een deel van die aanspraak prijsgeeft. Daardoor verbetert de economische positie van het eigenbeheerlichaam en wordt het misschien weer mogelijk om bijvoorbeeld een financiering bij een bank aan te trekken. Aangezien deze wederzijdse voordelen en belangen ziet het kabinet hier geen probleem om de informatieplicht aan de (gewezen) werknemer op te leggen.

Het RB vraagt om een nadere toelichting op het voorgestelde artikel 38q van de Wet LB 1964. Het RB gaat ervan uit dat het bovenmatige deel van de opbouw in 2016 niet kan worden afgekocht en zodoende niet zal worden voldaan aan de eis van artikel 38n, tweede lid, van de Wet LB 1964, dat de hele aanspraak moet worden afgekocht. Het RB geeft in overweging om het voorgestelde artikel 38q Wet LB 1964 niet te introduceren.

Artikel 38q van de Wet LB 1964 is bedoeld voor gevallen waar in het zicht van de fiscale faciliteit van het uitfaseren van het PEB in 2016 een bovenmatige opbouw van het PEB plaatsvindt. In dit kader is als bovenmatig een opbouw bestempeld die meer dan 125% hoger is dan de opbouw in 2015. Als de opbouw in 2016 deze grens overschrijdt, bestaat voor dat deel uiteraard de mogelijkheid om dit ook af te kopen. Deze afkoop vindt dan echter plaats tegen de waarde in het economische verkeer. Het kabinet is van mening dat artikel 38q van de Wet LB 1964 een wenselijke bepaling is om een dergelijke bovenmatige opbouw tegen te gaan.

Het RB geeft aan dat in het wetsvoorstel in artikel 8, zevende lid, van de Wet Vpb 1969 een volzin is toegevoegd op grond waarvan de mogelijkheid wordt geschrapt een kostenegalisatiereserve of voorziening te vormen bij een stellig voornemen om een pensioen toe te kennen. Uit de voorgestelde wetteksten blijkt volgens het RB niet dat voorzien is in overgangsrecht. Het RB verneemt dan ook graag of een voor 31 december 2016 gevormde kostenegalisatiereserve bij een stellig voornemen tot het toekennen van pensioen per 1 januari 2017 verplicht moet vrijvallen, dan wel dat deze in 2017 of volgende jaren nog steeds kan worden omgezet in een (extern verzekerd) pensioen. Nu met ingang van 2017 de bv geen toegelaten verzekeraar meer is voor het vormen van een pensioenvoorziening is het ook niet meer mogelijk een kostenegalisatiereserve voor een PEB te vormen. Een voor 31 december 2016 gevormde kostenegalisatiereserve zal dan ook uiterlijk ultimo 2016 moeten worden omgezet in een pensioentoezegging. Deze toezegging kan vervolgens, zonder verdere dotaties in latere jaren, premievrij bij de bv blijven staan, dan wel worden overgedragen naar een professionele verzekeraar. Voor zover een op 31 december 2016 bestaande kostenegalisatiereserve voor het toekennen van pensioen nog niet is omgezet in een pensioentoezegging, zal die uiterlijk aan het einde van het boekjaar, eindigend in 2017, moeten vrijvallen in het resultaat van de bv.

6.3. KPS

De KPS doet een aantal aanbevelingen waarvan een deel reeds elders in deze nota van een reactie zijn voorzien. De nog niet eerder besproken aanbevelingen houden kort gezegd het volgende in:

  • een mogelijkheid om in een nieuwe box 4 vermogen voor de oude dag en de toekomstige zorg belastingvrij te kunnen opbouwen;

  • toekomstig pensioenopbouw in eigen beheer mogelijk te maken, zonder complexe rekenregels;

  • het risico van arbeidsongeschiktheid en nabestaandenpensioen buiten de bv te brengen.

Er bestaan voldoende mogelijkheden om fiscaal gefaciliteerd een oudedagsvoorziening op te bouwen, namelijk verschillende mogelijkheden in de lijfrentesfeer alsmede een vrijstelling voor de nettolijfrente in box 3. Een nieuwe box 4 zal daar niets aan toevoegen.

De suggestie van de KPS om toekomstig pensioenopbouw voor de dga wel nog toe te laten in eigen beheer strookt niet met onderhavig wetsvoorstel dat er juist op gericht is om de huidige situatie van PEB af te schaffen. De invulling daarvan zoals door de KPS wordt voorgesteld lijkt op het al eerder door mij aan uw Kamer voorgestelde «oudedagssparen in eigen beheer» (OSEB). Deze oplossingsrichting had niet de voorkeur van uw Kamer. Daarbij heeft de overweging een rol gespeeld dat ook het OSEB nog een eigenbeheersituatie zal zijn, waarin de dga geen zekerheid heeft dat op het moment van ingaan van de oudedagsvoorziening voor de uitkeringen voldoende vermogen in de bv voorhanden is. Uit dat oogpunt ligt een nieuwe vorm van opbouw in eigen beheer niet voor de hand.

De suggestie om het risico van arbeidsongeschiktheid en nabestaandenpensioen buiten de bv onder te brengen kan ik alleen maar ondersteunen. Daarom is juist het onderhavige wetsvoorstel ingediend.

De Staatssecretaris van Financiën, E.D. Wiebes


X Noot
1

Kamerstukken II 2015/16, 34 302, nr. 122.

X Noot
2

Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2011, Kamerstukken II 2010/11, 25 087, nr. 7.

X Noot
3

Het gaat hierbij om de belastingverdragen (met daarbij het jaar van ondertekening): de Filippijnen (1989), Frankrijk (1973), Ierland (1969), Israël (1973), voormalig Joegoslavië (1982), Korea (1979), Luxemburg (1968), Maleisië (1988), Marokko (1977), Nigeria (1991), Oostenrijk (1970), Singapore (1971), Slowakije (1974), Spanje (1971), Suriname (1975), Thailand (1975), Tsjechië (1974), Turkije (1986).

X Noot
4

Kamerstukken II 2015/16 34 302, nr. 108, bijlage 2, paragraaf I, onder 2.

X Noot
5

Kamerstukken II 2015/16 34 302, nr. 113.

X Noot
6

Zie bijvoorbeeld Kamerstukken I 2014/15, 33 752, AA.

X Noot
8

Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 6 november 2015, BLKB2015/830M (Stcrt. 2015, 40404), onderdeel 11.4.

X Noot
9

Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 17 december 2014, nr. BLKB2014/2132M (Stcrt. 2014, 36872), bijlage IV (3%-staffel) en bijlage V (staffel gebaseerd op de kostprijs van een fiscaal maximaal middelloonpensioen).

X Noot
10

Kamerstukken II 2016/17, 34 550, nr. 2, bijlage (blg-782955).

X Noot
11

Kamerstukken II 2015/16, 34 302, nr. 108, blz. 21.

X Noot
12

Kamerstukken II 2015/16, 34 302, nr. 117, blz. 17.

X Noot
13

Kamerstukken II 2015/16, 34 255, nr. 16.

X Noot
14

Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 21 februari 2014, BLKB2015/286M (Stcrt. 2014, 6643), onderdeel 6.2.

X Noot
15

Hierbij wordt verondersteld dat de AOW-gerechtigde leeftijd de 65-jarige leeftijd is.


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl