Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2015-2016
Kamerstuk 34300-XIII nr. 2

Gepubliceerd op 15 september 2015 15:16



34 300 XIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) en het Diergezondheidsfonds (F) voor het jaar 2016

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave

A.

Artikelsgewijze toelichting bij het begrotingswetsvoorstel

3

B.

Begrotingstoelichting

4

1.

Leeswijzer

4

2.

Het Beleid

7

2.1

De Beleidsagenda

7

2.1.1

Overzichtstabel bedrijfslevenbeleid en topsectoren

21

2.1.2

Belangrijkste mutaties ontwerpbegroting 2016

23

2.1.3

Meerjarenplanning Beleidsdoorlichtingen

26

2.1.4

Overzicht van risicoregelingen

28

2.2.

De Beleidsartikelen

36

 

11 Goed functionerende economie en markten

36

 

12 Een sterk innovatievermogen

44

 

13 Een excellent ondernemingsklimaat

59

 

14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

73

 

16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

90

 

17 Groen onderwijs van hoge kwaliteit

107

 

18 Natuur en regio

115

 

19 Toekomstfonds

128

2.3.

De niet-beleidsartikelen

134

 

40 Apparaat

134

 

41 Nominaal en onvoorzien

138

3.

De agentschappen

139

3.1

Aansluiting raming begroting agentschappen met financiering door moederdepartement EZ

139

3.2

Agentschap Telecom (AT)

141

3.3

Dienst ICT Uitvoering (DICTU)

146

3.4

Dienst Landelijk Gebied (DLG)

150

3.5

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)

152

3.6

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl)

158

4.

Begroting Diergezondheidsfonds

164

4.1

Beleidsartikel 1 Bewaking en bestrijding van dierziekten en voorkomen en verminderen van welzijnsproblemen

165

5.

Bijlagen

174

5.1

Bijlage ZBO’s en RWT’s

174

5.2

Verdiepingsbijlage bij de begrotingsartikelen

181

5.3

Verdiepingsbijlage bij het Diergezondheidsfonds

189

5.4

Moties en toezeggingen

190

5.5

Europese geldstromen

217

5.6

Subsidieoverzicht

224

5.7

Evaluatie- en overig onderzoek

238

5.8

Lijst van afkortingen

244

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.

Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaten voor het jaar 2016 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaat/begrotingsstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en de lasten, het saldo van de baten en de lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de in de staat opgenomen baten-lastenagentschappen voor het onderhavige jaar vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de agentschappen.

Wetsartikel 3

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaat van het Diergezondheidsfonds voor het jaar 2016 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2016 vastgesteld. Het in de begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikel wordt in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenoemde begrotingstoelichting).

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

B. BEGROTINGSTOELICHTING

1. LEESWIJZER

De leeswijzer gaat in op de volgende onderwerpen:

  • 1. Begrotingsstructuur;

  • 2. Prestatiegegevens;

  • 3. Groeiparagraaf;

  • 4. Verwerking motie Schouw en motie Hachchi c.s.

1. Begrotingsstructuur

Beleidsagenda

De beleidsagenda begint met een beschrijving van het economisch beeld. Als bijzondere prioriteit wordt vervolgens een paragraaf gewijd aan het EU-voorzitterschap. De andere beleidsprioriteiten worden uitgewerkt langs drie lijnen: vernieuwen, verduurzamen en verbinden. Achter de beleidsagenda is een overzichtstabel (overzichtsconstructie) opgenomen die inzicht geeft in de Rijksmiddelen die worden ingezet voor het Bedrijfslevenbeleid en de Topsectoren. Voorts zijn achter de beleidsagenda de belangrijkste begrotingswijzigingen vermeld na de Voorjaarsnota 2015. Ook is conform de toezegging aan de Kamer een tabel opgenomen met een specificatie van de beschikbare middelen voor de Overheidsdienst Groningen. Tenslotte is een overzicht opgenomen met de meerjarenplanning van de beleidsdoorlichtingen en een overzicht met de garanties.

Beleidsartikelen

Aansluitend op de beleidsagenda volgt de toelichting op de beleidsartikelen. Per beleidsartikel is een algemene doelstelling en een beschrijving van de rol en verantwoordelijkheid van de bewindspersonen opgenomen. Voor elk beleidsartikel zijn de belangrijkste beleidswijzigingen apart opgenomen onder het kopje «beleidswijzigingen». De financiële instrumenten zijn voorzien van een korte toelichting. Waar mogelijk wordt, voor een meer inhoudelijke en gedetailleerde beleidstoelichting, verwezen naar de relevante beleidsnota’s of brieven die naar de Tweede Kamer zijn gestuurd.

In de budgettaire tabellen van de beleidsartikelen zijn de financiële instrumenten onderverdeeld naar de volgende categorieën: subsidies, opdrachten, garanties, leningen, bekostiging, bijdrage aan agentschappen, bijdrage aan ZBO’s/RWT’s, bijdrage aan (inter)nationale organisaties en bijdragen aan medeoverheden. Deze onderverdeling komt ook terug in de structuur van het beleidsartikel.

Begrotingsreserves

Een interne begrotingsreserve mag met toestemming van de Minister van Financiën ten laste van een begrotingsartikel worden aangehouden (artikel 5, lid 4 Comptabiliteitswet). De begrotingsreserves zijn bestemd voor een concreet doel en kunnen alleen voor dat doel worden gebruikt. De begrotingsreserves op de EZ-begroting worden ingezet voor de volgende doelen:

  • Als borg voor de afgegeven garantstellingen (Borgstelling MKB-kredieten, Garantie Ondernemingsfinanciering, Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering, garantieregeling Geothermie en Borgstellingsfaciliteit voor de landbouw). Uit deze begrotingsreserves kan een eventuele mismatch in de tijd tussen (premie-)inkomsten en uitgaven (verliesdeclaraties) worden opgevangen.

  • De uitfinanciering (op kasbasis) van reeds aangegane verplichtingen (reserve voor duurzame energie en de reserves voor landbouw en visserij). Via de reserves blijven de middelen beschikbaar voor het specifieke doel tot het moment van uitbetaling.

  • Het terugbetalen van financiële correcties van de Europese Commissie (begrotingsreserve voor apurement).

  • Garantstelling EZ voor het in gebreke blijven van groene onderwijsinstellingen die gebruik maken van de regeling schatkistbankieren (begrotingsreserve schatkistbankieren Groen Onderwijs).

In de betreffende beleidsartikelen (13, 14, 16 en 17) van deze begroting worden de bovengenoemde begrotingsreserves apart toegelicht (conform artikel 5, lid 5 Comptabiliteitswet). Als opvolging van de motie Geurts (TK, 34 000 XIII, nr. 64) worden de geraamde wijzigingen gedurende het begrotingsjaar in de 1e en 2e suppletoire begroting inzichtelijk gemaakt.

Overzicht maatregelen ten behoeve van het Energieakkoord

Conform de motie Leegte (TK, 2014–2015, 30 196 nr. 278) is in beleidsartikel 14 (Een doelmatige en duurzame energievoorziening) een totaaloverzicht opgenomen van alle maatregelen van alle ministeries ten behoeve van het energieakkoord.

Overzichtstabel agentschappen

In het hoofdstuk «De agentschappen» is een overzichtstabel agentschappen opgenomen. In deze tabel is de aansluiting te maken tussen de «opbrengst moederdepartement» zoals opgenomen in de agentschapsparagrafen en de «bijdrage aan agentschappen» zoals opgenomen in de begrotingsartikelen. Eventuele resterende verschillen zijn toegelicht.

2. Prestatiegegevens

In de beleidsartikelen wordt onder de algemene doelstelling aangegeven waar de Minister van EZ voor verantwoordelijk is. Indien voor deze doelstellingen een directe relatie gelegd kan worden tussen het gevoerde beleid en de gewenste (maatschappelijke) uitkomst, zijn prestatie-indicatoren opgenomen. De voorwaarde voor het opnemen van een indicator is een (doen) uitvoerende rol van de Minister. Bij de doelstellingen waarbij EZ een belangrijke bijdrage kan leveren door de juiste randvoorwaarden te creëren en het resultaat afhankelijk is van externe factoren, is het niet of beperkt mogelijk om prestatie-indicatoren op te nemen en wordt volstaan met kengetallen over ontwikkelingen op het betreffende beleidsterrein. Daarnaast zijn, waar mogelijk, prestatie-indicatoren en kengetallen opgenomen op instrumentniveau, die inzicht geven in het bereiken van specifieke resultaten. De op te nemen prestatie-indicatoren en kengetallen in de beleidsartikelen zijn bij het opstellen van de ontwerpbegroting 2016 heroverwogen en waar nodig aangepast. De Kamer is hierover per brief geïnformeerd (TK, 34 000 XIII, nr. 152).

3. Groeiparagraaf

In deze Ontwerpbegroting is net als vorig jaar de begroting van het Diergezondheidsfonds (DGF) integraal opgenomen. De begrotingsstaat voor het jaar 2016 van het DGF is terug te vinden in het wetsdeel en in de artikelsgewijze toelichting bij het begrotingswetsvoorstel is het wetsartikel 3 toegevoegd. Onder de artikelsgewijze toelichting bij de begrotingsartikelen is de toelichting op de DGF-begroting als een apart onderdeel opgenomen. Het DGF blijft daarmee als apart begrotingshoofdstuk bestaan, maar de afzonderlijke presentatie is met ingang van de begroting 2015 komen te vervallen.

Met nota van wijziging op de begroting 2015 is het Toekomstfonds ingesteld. In de ontwerpbegroting 2016 is dit fonds apart zichtbaar op het nieuwe artikel 19. Dit Toekomstfonds bestaat onder meer uit het Innovatiefonds dat in de ontwerpbegroting 2015 onderdeel uitmaakte van artikel 12.

4. Verwerking motie Schouw en motie Hachchi c.s.

Motie Schouw

In juni 2011 is de motie Schouw c.s. ingediend en aangenomen (TK, 2010–2011, 21 501-20, nr. 537). Deze motie beoogt de landenspecifieke aanbevelingen van de Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma’s een eigenstandige plaats te geven in de departementale begrotingen. Voor de beleidsterreinen van EZ is één specifieke aanbevelingen gedaan. Het gaat voor EZ om investeringen in onderzoek en ontwikkeling. Dit is toegelicht in beleidsartikel 12 (Een sterk innovatievermogen).

Motie Hachchi c.s.

Ter uitvoering van de motie Hachchi c.s. (TK, 33 000 IV, nr. 28) brengen departementen in kaart welke uitgaven zij doen in Caribisch Nederland, uitgesplitst per instrument. Hiervoor geldt een ondergrens van € 1 mln. De totale uitgaven van EZ voor Caribisch Nederland in 2016 bedragen € 12 mln. Deze uitgaven zijn verdeeld over de beleidsartikelen 11, 13, 14, 18. De uitgaven voor de beleidsartikelen 11 en 13 zijn lager dan de ondergrens van € 1 mln en worden derhalve niet opgenomen in de budgettaire tabellen. De uitgaven op beleidsartikel 14 voor energiekosten Caribisch Nederland en beleidsartikel 18 voor Natuurprojecten Caribisch Nederland zijn apart opgenomen in de budgettaire tabellen.

Sinds 10 oktober 2010 is Nederland verantwoordelijk voor de veterinaire gezondheidszorg in Caribisch Nederland (Bonaire, St Eustatius en Saba). Het DGF heeft vooralsnog geen betrekking op de veehouders in dit gebied.

2. HET BELEID

2.1 De Beleidsagenda

Inleiding

Nederland bereikt in 2015 voor het eerst weer het bbp-niveau van voor de economische crisis. De economie is door een diep dal gegaan. Na de crisis volgde een langzaam maar zeker herstel dat sinds dit jaar breed wordt gedragen. Daarmee wordt 2016 een jaar om vooruit te kijken; een jaar waarin voor het kabinet de beleidsfocus verschuift van het accommoderen van herstel naar het mogelijk maken van duurzame groei van de maatschappelijke welvaart in meest ruime zin.

In 2016 werkt het Ministerie van Economische Zaken (EZ) verder aan het versterken van onze economische kracht met een breed pakket aan maatregelen, gericht op de uitdagingen van vandaag en morgen. Dit doet het in samenwerking met maatschappelijke organisaties, het bedrijfsleven, kennis- en onderwijsinstellingen, medeoverheden, en met de Europese en andere internationale partners.

Het EU-voorzitterschap van Nederland in de eerste helft van 2016 biedt de mogelijkheid om onderwerpen als de interne markt voor producten en diensten en betere regelgeving verder te brengen en het verdienvermogen van Nederland en Europa te vergroten. Naast het Nederlands EU-voorzitterschap zullen in deze beleidsagenda de andere prioriteiten van EZ voor 2016 worden toegelicht. Dit gebeurt langs de drie lijnen vernieuwen, verduurzamen en verbinden. Vernieuwen, omdat ruimte voor innovatie en vernieuwing in brede zin cruciaal is voor economische groei. Verduurzamen, omdat groei niet ten koste mag gaan van onze toekomstige welvaart in brede zin. Verbinden, omdat goed beleid alleen in constructieve dialoog en samenwerking met stakeholders tot stand komt.

Figuur 1: In 2015 wordt het bbp-niveau van voor de crisis bereikt

Figuur 1: In 2015 wordt het bbp-niveau van voor de crisis bereikt

Bron: CPB (MEV 2016)

Van herstel naar groei

Nadat de economie zeven achtereenvolgende kwartalen van krimp had laten zien, groeit de Nederlandse economie sinds medio 2013 weer. Beleid was er de afgelopen jaren op gericht om orde op zaken te stellen en waar mogelijk het prille herstel te accommoderen. Nu het herstel van de economie doorzet, is het tijd om ruimte te bieden aan duurzame groei van de economie en welvaart.

Het herstel tekent zich steeds duidelijker af en is in toenemende mate voelbaar. Volgens de recente ramingen van het CPB zal de bbp-groei versnellen van 1,0% in 2014 naar 2,0% in 2015 en 2,4% volgend jaar. De binnenlandse bestedingen drijven deze groeiversnelling. Consumenten en ondernemers krijgen steeds meer vertrouwen. Sinds een aantal maanden is het consumentenvertrouwen voor het eerst sinds 2007 weer positief; het ondernemersvertrouwen is dat al sinds het begin van 2014. In 2015 stijgen voor het eerst sinds 2011 zowel de investeringen als de consumptie. De uitvoer laat al sinds 2010 positieve groeicijfers zien en blijft de grootste bijdrage leveren aan de groei van de Nederlandse economie. Het aantrekkende herstel in onze buurlanden en de onconventionele stimuleringsmaatregelen van de Europese Centrale Bank dragen hieraan bij.

De Nederlandse verbondenheid met het buitenland brengt ook een aantal neerwaartse risico’s met zich mee. Onzekere internationale ontwikkelingen zoals een stijgende olieprijs of eurokoers of een toename van geopolitieke spanningen kunnen een drukkend effect op de economische groei hebben.

Op de arbeidsmarkt tekent zich het begin van herstel af. Het jaar 2014 werd gekenmerkt door een omslag in de ontwikkeling van het aantal banen. In het eerste kwartaal van 2014 nam het aantal banen nog met 20 duizend af, maar in de daaropvolgende kwartalen werden per saldo 98 duizend banen gecreëerd. In 2015 zal het aantal werklozen volgens het CPB met 40 duizend dalen en in 2016 met nog eens 15 duizend. De werkloosheid is met een niveau van 6,8% (juli 2015) echter nog steeds hoog.

Het sectorale beeld laat zien dat de uitvoer al langer aantrekt en nu ook de binnenlandse bestedingen volgen. Exportgerichte sectoren zoals de agrosector lieten al langer een positieve ontwikkeling zien. Vorig jaar bestendigde Nederland de positie van de tweede agro-exporteur in de wereld. De Russische boycot op landbouwproducten is opgevangen door het benutten van kansen op nieuwe afzetmarkten. In de loop van vorig jaar zijn door de aantrekkende binnenlandse bestedingen ook de nationaal georiënteerde sectoren zoals de bouw en de detailhandel weer positieve groeicijfers gaan schrijven.

Het gaat economisch beter, maar het kabinet blijft ambitieus. De structurele groei (groei geschoond voor korte termijn conjuncturele schommelingen) bedraagt volgens het CPB tussen 2013 en 2017 gemiddeld 1,3% per jaar. Groei van het arbeidsaanbod levert hier als gevolg van demografische ontwikkelingen een ten opzichte van het verleden beperkte bijdrage van 0,3%-punt aan. Er zijn mogelijkheden om de groei van het arbeidsaanbod te verhogen, bijvoorbeeld met meer gewerkte uren per persoon of meer participatie van ouderen en mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, maar het participatieniveau in Nederland is al relatief hoog.1 Onze economische groei zal dus vooral moeten komen uit een verdere groei van de arbeidsproductiviteit. Op dit terrein ligt dan ook de grote uitdaging. Reeds in de jaren voor de crisis, tussen 2000 en 2008, was de gemiddelde jaarlijkse groei van de arbeidsproductiviteit in Nederland 1,3%, terwijl de Verenigde Staten in die jaren een gemiddelde groei van 1,7% liet zien. In de decennia daarvoor lag de arbeidsproductiviteitsontwikkeling nog op een vergelijkbaar of hoger niveau dan in de Verenigde Staten.

In Roads to Recovery schetst het CPB een scenario waarin de structurele arbeidsproductiviteit van Nederland met 1¾% groeit in de periode 2016–2023. De toenemende arbeidsdeelname voegt in dit scenario ¼%-punt toe aan de structurele groei, waardoor de structurele groei gemiddeld uit komt op 2% per jaar. Een hogere structurele groei is dus mogelijk, maar dan is het wel zaak om onverminderd te werken aan het groeivermogen van de economie. Innovatie en duurzaamheid zijn daarbij sleutelbegrippen.

Tabel 1: Kerngegevens Nederlandse economie. Procentuele mutatie, tenzij anders vermeld.
 

2013

2014

2015

2016

Bruto binnenlands product

– 0,5

1,0

2,0

2,4

Consumptie huishoudens

– 1,4

0,0

1,6

1,9

Overheidsconsumptie

0,1

0,3

– 0,4

0,8

Bruto investeringen bedrijvensector (exclusief woningen en voorraden)

– 2,5

4,9

10,0

6,6

Uitvoer van goederen en diensten

2,1

4,0

3,7

5,1

Invoer van goederen en diensten

0,9

4,0

4,1

5,7

Consumentenprijsindex (HICP)

2,6

0,3

0,5

1,1

Koopkracht, mediaan alle huishoudens

– 1,3

1,3

0,7

1,4

Werkloze beroepsbevolking (niveau in duizend personen)

647

660

620

605

Werkloze beroepsbevolking (internationale definitie)

7,3

7,4

6,9

6,7

Bron: CPB (MEV 2016)

Nederlands EU-voorzitterschap

Het Nederlandse EU-voorzitterschap is het komende begrotingsjaar een belangrijke prioriteit. Het verdienvermogen van Nederland wordt in belangrijke mate bepaald in Europa. Niet voor niets heeft het merendeel van de beleidsterreinen waarmee EZ zich bezighoudt op de een of andere manier met Europa te maken. Het voorzitterschap vormt een uitgelezen kans om prioriteiten van Nederland in Europa onder de aandacht te brengen en samen met andere lidstaten stappen te zetten om het duurzame verdienvermogen van Europa en Nederland te versterken.

De «Strategische agenda voor de Unie in tijden van verandering», zoals vastgesteld door de Europese Raad in juni 2014 en de wetgevingsagenda van de Europese Commissie zijn leidend voor de Nederlandse invulling van het voorzitterschap. Het kabinet zal zich voor wat betreft themavoering in de voorbereiding en uitvoering van het voorzitterschap richten op de hoofddoelstellingen in de strategische agenda, met bijzondere aandacht voor innovatieve groei en banen. Belangrijke accenten zijn het versterken van de interne markt en het verbeteren van de Europese regelgeving.

Een goed functionerende interne markt versterkt het aanpassingsvermogen van de individuele Europese economieën, een goed investerings- en vestigingsklimaat en de stabiliteit van de EMU. Het kabinet signaleert vooral kansen op het gebied van diensten, digitale markt en energie. Het versterken van de interne markt is in de eerste plaats mogelijk door bestaande wet- en regelgeving spoedig en volledig te implementeren. Ten tweede moeten structurele hervormingen in de lidstaten bijdragen aan de verbetering van het investeringsklimaat en het concurrentievermogen van de lidstaten. Dit is essentieel voor het aantrekken van private investeringen. Het Europees semester is het belangrijkste instrument op Europees niveau voor het bevorderen van structurele hervormingen in de lidstaten van de EU. Daarnaast zal het Europees Fonds voor Strategische Investeringen (EFSI) een extra impuls geven aan investeringen in de EU. Ten derde kunnen lidstaten zelf al veel doen om de interne markt beter te laten functioneren. Zo neemt Nederland met gelijkgestemde lidstaten deel aan het Frontrunners-initiatief op het gebied van de digitale interne markt en werkt Nederland al 10 jaar samen met landen in de regio aan een betere integratie van de energiemarkt in Noord-West Europa. Nederland zal het EU-voorzitterschap benutten om lidstaten te stimuleren meer samenwerkingsmogelijkheden te benutten.

Het verbeteren van de kwaliteit van de regelgeving geeft ruimte voor ondernemerschap en vernieuwing. Het kabinet stelt vereenvoudiging van regels en toekomstbestendigheid van regelgeving centraal, onder andere via een voortzetting van het Europees (REFIT-)programma voor betere regelgeving. Het kabinet zet zich in het bijzonder in voor vereenvoudiging van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB), interne marktregelgeving die digital proof is en een Europees visserijbeleid dat ruimte biedt voor innovaties in en verduurzaming van de sector. Ook zal bij de evaluatie van de Vogel- en Habitatrichtlijnen (de zogenaamde fitness check) aandacht uitgaan naar gesignaleerde knelpunten en mogelijkheden om te komen tot een meer flexibele en dynamische invulling van de Europese regels, uitgaande van de Europese natuurdoelen. Ook zet het kabinet in op een betere balans tussen octrooirecht en kwekersrecht, die ruimte biedt aan voldoende diversiteit van gewassen, concurrentie bij kwekers en telers en keuzevrijheid voor consumenten.

Onderwerpen in Raden van Ministers

Tijdens het eerste half jaar van 2016 wordt een substantiële hoeveelheid dossiers onder Nederlands voorzitterschap in de verschillende Raden van Ministers behandeld:

  • Landbouw- en Visserijraad: vereenvoudiging van het GLB en de verordening technische maatregelen voor de visserij zijn prioritaire dossiers. Hierbij wordt ingezet op meer mogelijkheden voor innovatie, vermindering van administratieve lasten en een veilige en milieuverantwoorde voedselproductie.

  • Milieuraad: fitness check van de Vogel en Habitatrichtlijnen.

  • Energieraad: verbeteren van regionale samenwerking tussen lidstaten. Hiermee kunnen betekenisvolle stappen worden gezet naar voltooiing van de interne energiemarkt.

  • Raad voor Concurrentievermogen: betere regelgeving en interne markt (diensten en digitaal) zijn de belangrijkste dossiers.

  • Telecomraad: nieuwe regelgeving op het gebied van telecom, media en internet staat centraal. Dit vormt ook een belangrijke pijler binnen het Digital Single Market (DSM) pakket van de Europese Commissie.

Vernieuwen

Het kabinet streeft ernaar om het structurele groeivermogen van Nederland te vergroten. Het proces van vernieuwing en innovatie levert hier een belangrijke bijdrage aan: oude technologieën, kennis, concepten en verdienmodellen maken plaats voor productievere, nieuwe vondsten. Maatschappelijke uitdagingen zoals verduurzaming en vergrijzing vragen om een innovatief ondernemersklimaat waarin ambitieuze ondernemers in staat worden gesteld nieuwe technologieën en verdienmodellen te ontwikkelen en toe te passen.

Nederland heeft een uitstekende uitgangspositie, zoals internationale ranglijsten steevast bevestigen. Het Nederlandse ondernemingsklimaat behoort sinds 2007 tot de top-10 volgens de Global Competitiveness Index van het World Economic Forum, in de laatste editie (2014) nam Nederland op de ranglijst een achtste plaats in. Nederland heeft verder een uitstekende uitgangspositie op het gebied van innovatie en bezet in de Global Innovation Index 2014 een 5e plaats (met een eervolle 2e plaats op het subonderdeel ICT, na Korea). Volgens het meest recente Information Technology rapport van het World Economic Forum is informatietechnologie doorgedrongen in alle aspecten van de Nederlandse maatschappij. Nergens hebben zo veel huishoudens een computer (1e positie) en mobiel netwerkbereik (1e positie). Ook scoort Nederland hoog waar het gaat om veiligheid van internetservers (2e positie), overheidsdiensten die online beschikbaar zijn (5e positie) en de bedrijven die online transacties uitvoeren met klanten (4e positie).

Nederland staat er in de verschillende ranglijsten dus goed voor. Maar een goede uitgangspositie biedt geen garanties, daarvoor gaan de ontwikkelingen in de wereld te snel. Het is daarom van belang om te blijven werken aan een klimaat waarin ondernemers kunnen floreren. Dat vergt randvoorwaarden die op orde zijn en die Nederland, ook met sterke innovatieve clusters, kunnen onderscheiden van andere landen. Een excellente kennis- en financieringsinfrastructuur en een helder regelgevend kader dat innovatieve verdienmodellen mogelijk maakt, zijn hierin de cruciale elementen.

Beleidsprioriteiten 2016

De eerste twee jaar van deze kabinetsperiode heeft EZ stevig ingezet om het ondernemersklimaat in den brede te versterken. Hierbij wordt met het bedrijfsleven en kennisinstellingen opgetrokken om vorm te geven aan het economisch beleid. Deze inzet, vervat in onder andere het bedrijvenbeleid, het Techniekpact en het beleid op het terrein van Groen Onderwijs, wordt in 2016 onverminderd voortgezet. Zo worden onder de Topsectorenaanpak, op basis van de nieuwe Kennis-en Innovatieagenda voor de jaren 2016–2019, nieuwe Kennis-en Innovatiecontracten afgesloten voor de periode 2016–2017. Ook de acties uit het Techniekpact, die voor een betere aansluiting van het onderwijs op de technische arbeidsmarkt zorgen, worden vanaf 2016 geactualiseerd. Tevens zet EZ in 2016 het programma Start Up Delta op volle kracht voort met tastbare resultaten. Met de uitbouw van ontmoetings- en informatieportalen en verdere uitrol van een internationaal mentorennetwerk wordt Nederland internationaal geprofileerd als dé Europese vestigingsplaats voor startende innovatieve bedrijven.

Om Nederland ook te profileren als dé bestemming voor zakelijk en recreatief toerisme, steunt EZ het Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen bij de implementatie van de Holland Branding & Marketing Visie in de periode 2016–2019: «Supporting the known, introducing the new

Digitalisering

Het tempo van vernieuwing en de uitrol van nieuwe technologieën versnelt. Investeringen in Informatie- en communicatietechnologie (ICT) en de slimme benutting daarvan levert in toenemende mate een bijdrage aan onze economische groei. Door het slim combineren van ICT, logistiek en dienstverlening worden productieprocessen in de industrie en de land- en tuinbouw steeds innovatiever. Machines onderling, producten en productiemiddelen raken meer en meer verbonden door middel van sensoren en door toepassing van het zogenaamde internet of things. Ook de ontwikkeling van big data, ofwel de analyse van steeds grotere hoeveelheden informatie, biedt grote mogelijkheden voor innovatieve verdienmodellen.

Het kabinet wil hier ruim baan aan geven. In 2016 steunt het kabinet de uitvoering van de door een coalitie van bedrijven, kennisinstellingen en overheden opgestelde Actieagenda Smart Industry, die ten doel heeft te komen tot een betere benutting van ICT in de (maak)industrie. Voortvloeiend hieruit stelt EZ in 2016 innovatiefinanciering op revolverende basis beschikbaar voor het realiseren van field labs: praktijkomgevingen waarin bedrijven, kennisinstellingen en andere stakeholders gezamenlijk werken aan en leren van de kansen van toenemende digitalisering in de maakindustrie.

Om het bedrijfsleven en burgers optimaal te laten profiteren van de kansen die big data biedt zal het gebruik van open data worden gefaciliteerd en zullen regels omtrent intellectueel eigendom worden gemoderniseerd. Het kabinet zet ook stappen op het terrein van privacybescherming. De kennisbasis op het gebied van digitale veiligheid wordt verbreed en er komt een keurmerk veilig internet voor het MKB. Dit maakt ondernemers minder kwetsbaar voor digitale inbraken en versterkt het consumentenvertrouwen in e-commerce. Het kabinet bespoedigt in 2016 de ontwikkeling van het internet of things door in te zetten op een verdere versterking van de cybersecurity, mede door implementatie van veilige internetstandaarden.

Digitalisering van de economie is ook van grote invloed op de markten voor brief- en pakketpost. In 2016 start EZ met een nieuwe evaluatie van de universele postdienst waar zal worden gekeken naar veranderde consumentenbehoeften en hoe de universele postdienst kan en moet worden geborgd.

Digitalisering kan ook de dienstverlening door overheidsdiensten verbeteren. Het kabinet wil de voorhoedepositie in digitale dienstverlening verder versterken. Daartoe zijn in de Generieke Digitale Infrastructuur (GDI) voorzieningen getroffen waarmee identificatie en authenticatie, informatievoorziening en gegevensuitwisseling door en tussen overheidsorganisaties digitaal worden ondersteund. De inzet is een bruikbare, robuuste en veilige digitale infrastructuur, door en voor alle overheidspartijen. Het kabinet heeft de Digicommissaris aangesteld om gebruik en innovatie van de voorzieningen van de Generieke Digitale Infrastructuur aan te jagen, zodat deze blijven aansluiten bij de verwachtingen en behoeften van overheidsdienstverleners, burgers en bedrijven.

Fiscaal innovatie-instrumentarium

Met de WBSO, RDA en Innovatiebox beschikt Nederland over een sterk en compleet pakket van fiscale maatregelen om R&D-activiteiten van alle bedrijven in Nederland te stimuleren: de R&D-loonkosten worden verlaagd via de WBSO, de overige R&D-kosten en -investeringen via de RDA en de innovatiewinsten via de Innovatiebox. Om het instrumentarium efficiënter en eenvoudiger te maken zullen de WBSO en RDA met ingang van 2016 worden samengevoegd tot één geïntegreerde regeling die wordt verrekend via de loonheffing. Bij de vormgeving en het budget van de geïntegreerde regeling is rekening gehouden met het financiële nadeel dat het bedrijfsleven zou kunnen ondervinden van de samenvoeging. Daarnaast wordt € 100 mln in 2016 en € 115 mln vanaf 2017 aan de geïntegreerde regeling toegevoegd om de gevolgen van de taakstelling «boetes marktwerking NMa» uit het regeerakkoord terug te draaien. Deze middelen zijn gebruikt om de parameters aan te passen, met een focus op innovatief MKB dat wil doorgroeien.

Toegang tot financiering

Het MKB heeft financiering nodig om nieuwe ideeën te realiseren en op de markt te brengen. EZ schenkt in 2016 in het bedrijvenbeleid opnieuw veel aandacht aan de transitie naar een meer divers financieringslandschap dat bedrijven in staat stelt groeikansen te benutten. Zo steunt EZ de verdere ontwikkeling van de markt voor risicodragend vermogen en financieringsvormen zoals kredietunies en crowdfunding. EZ ondersteunt marktpartijen bij het oprichten van een fonds voor achtergestelde leningen en geeft een extra impuls aan cofinanciering met business angels. In 2016 werkt EZ met de financieringswijzer verder aan betere inzichtelijkheid en herkenbaarheid van de instrumenten die toegang tot financiering verbeteren.

Het onderzoeksdeel van het Toekomstfonds levert in 2016 risicodragende financiering voor onderzoeksfaciliteiten en voor thema’s die de schakel vormen tussen onderzoek en valorisatie, om nieuwe producten, diensten en maatschappelijke innovaties mogelijk te maken en een bijdrage te leveren aan oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken. Zo helpt de Thematische Technology Transfer onderzoekers met de vertaling van kennis en technologieën naar de maatschappij, waaronder het bedrijfsleven. Proof of Concept faciliteert de uitvoering van een haalbaarheidssituatie naar commercieel potentieel gevolgd door een lening.

Met het Nederlands Investerings Agentschap (NIA) biedt het kabinet ondersteuning en expertise om in Nederland investeringen voor elkaar te krijgen met steun vanuit het Europees Fonds voor Strategische Investeringen (EFSI). Met EFSI beoogt de Europese Commissie voor € 315 mld aan nieuwe investeringen in de EU mogelijk te maken. Extra investeringen betekenen concrete kansen voor ondernemers om nieuwe producten en diensten te ontwikkelen, te financieren en op de markt te brengen.

Toekomstbestendige wet- en regelgeving en minder regeldruk

EZ zet in 2016 verder in op het voor ondernemers makkelijker en simpeler te maken om te ondernemen. Toekomstbestendige wet- en regelgeving, die aansluit bij de economische en maatschappelijke dynamiek en waarin aandacht is voor het op een adequate manier borgen van publieke belangen, moet innovatie en groei bevorderen en niet afremmen. Om kansen te bieden aan nieuwe product-markt-combinaties, ook in het brede agrocomplex en de circulaire en biobased economie, werkt het kabinet in 2016 aan een wendbaar en toekomstbestendig reguleringskader en het wegnemen van concrete belemmeringen.

Het kabinet blijft ook in 2016 inzetten op de doelstelling om de regeldruk voor bedrijven, burgers en professionals in de periode 2012–2017 met € 2,5 mld te verminderen. Om voor ondernemers de vermindering merkbaar te maken zet het kabinet in op de maatwerkaanpak. In een aantal (top)sectoren, zoals de bouw, logistiek, chemie en agro en food sector inventariseert het kabinet met het bedrijfsleven knelpunten om deze gezamenlijk op te lossen.

Doorlichting van beleid

EZ werkt op een systematische manier aan het meten en leren van beleid. In 2014 en 2015 zijn daartoe beleidsdoorlichtingen gestart of afgerond die samen de gehele begroting van EZ afdekken. De begrotingsartikelen 14 (Energie), 12/13 (Innovatie en ondernemerschap), 16 (Interdepartementaal beleidsonderzoek Agrocomplex) en 17 (Groen onderwijs) zijn al aan de Kamer aangeboden. De begrotingsartikelen 11 (Goed werkende markten) en 18 (Natuur en regio) volgen in het najaar van 2015. In de beleidsdoorlichtingen wordt teruggeblikt op de ontwikkeling van het beleid in de afgelopen jaren, dat gekenmerkt is door brede heroverwegingen, samenvoeging van EZ en LNV, en, met ingang van deze kabinetsperiode, beleidsvernieuwing en -intensivering. De lessen uit deze beleidsdoorlichtingen zullen in 2016 verder worden vertaald naar het beleidsinstrumentarium van EZ met het doel om dit nog effectiever, consistenter en doelmatiger te maken.

Verduurzamen

EZ staat voor een duurzame economische ontwikkeling. In de topsectorenaanpak richten bedrijven, kennisinstellingen en overheden zich op oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen. De groeiende wereldbevolking en stijgende welvaart betekenen een toenemende vraag naar voedsel, energie, schoon drinkwater en grondstoffen waarvoor het Nederlands bedrijfsleven oplossingen kan bieden. Met Dutch solutions for Global challenges draagt Nederland bij aan een houdbare economische ontwikkeling wereldwijd. Tegelijkertijd wordt hiermee de internationale positie van Nederland versterkt.

De inzet op verduurzaming komt op verschillende beleidsterreinen tot uiting. In het agrovoedselcomplex staat het samengaan van voedselzekerheid en ecologische houdbaarheid centraal. De Meststoffenwet en de programmatische aanpak stikstof (PAS) dragen bij aan een sterkere natuur en geven ruimte aan economische ontwikkelingen, waaronder een duurzame veehouderij. Met oplossingen in het kader van climate-smart agriculture kunnen Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen wereldwijd bijdragen aan meer voedselzekerheid en minder uitstoot van broeikasgassen.

De transitie naar een schone, betaalbare en betrouwbare energiehuishouding is essentieel voor duurzame economische groei. De komende jaren zal de mondiale energievraag blijven stijgen terwijl het aanbod zich concentreert in een beperkt aantal landen en regio’s die politiek of economisch soms instabiel zijn. Het is belangrijk dat Europa hiervan minder afhankelijk wordt. Daarvoor dient de energie-efficiëntie te worden verbeterd, aan meer hernieuwbare energieproductie te worden gewerkt en te worden ingezet op een concurrerende energiemarkt die zijn grondstoffen betrekt uit verschillende bronnen en regio’s. De klimaatconferentie van de Verenigde Naties in 2015 in Parijs beoogt met internationaal overeengekomen klimaatdoelen een gemeenschappelijke uitvalsbasis te bieden voor het Europese en nationale beleid gericht op groene groei en (energie)verduurzaming.

Beleidsprioriteiten 2016

Energieverduurzaming

De verduurzaming van onze energievoorziening krijgt een forse impuls met grootschalige uitrol via tendering van kavels van wind op zee in de periode 2015–2019. De eerste kavels betreffen het gebied Borssele. De wijze van tenderen biedt flexibiliteit voor het ontwerp van het windpark terwijl de markt ontlast wordt met betrekking tot het zekerstellen van de benodigde vergunningen. De tenders stimuleren bovendien kostenreductie, doordat de maximale tenderbedragen jaarlijks naar beneden gaan. Het wetsvoorstel STROOM wijst TenneT aan als netbeheerder op zee (beoogde inwerkingtreding 2016). Met deze acties geeft het kabinet invulling aan een aantal belangrijke afspraken uit het Energieakkoord.

Meer dan de helft van de energie die we in Nederland verbruiken is voor warmtevoorziening. Daarom is het verduurzamen van de warmtehuishouding cruciaal om de transitie naar een volledig duurzame energievoorziening in 2050 te realiseren en minder afhankelijk te raken van gaswinning en -import. In 2016 wordt gewerkt aan de acties uit de Warmtevisie en wordt bezien welke aanpassingen in het marktmodel dienstbaar kunnen zijn aan verdere verduurzaming. De Warmtewet zal worden geëvalueerd en in samenhang met overige onderdelen van het marktmodel worden herzien.

Het kabinet gaat de komende jaren stimuleren dat Nederlandse huizen en bedrijven minder door gas en meer door duurzame warmte en restwarmte worden verwarmd.

Zo kan energie worden bespaard en CO2-uitstoot worden teruggedrongen.

In december 2015 zal het kabinet het Energierapport uitbrengen met een integrale en strategische visie op de energievoorziening in Nederland. Dit is het startpunt van een maatschappelijke dialoog, waarop in de paragraaf Verbinden nader wordt ingegaan. Uit de dialoog volgt in het najaar van 2016 een beleidsagenda. Tegelijkertijd daarmee zal de evaluatie van het Energieakkoord (samen met de Nationale Energieverkenning 2016) worden gepubliceerd.

Omgevingssensitiviteit bij gaswinning

Bij mijnbouwwinning (gas, olie en geothermie) staat veiligheid voorop. Dat vergt zorgvuldige besluitvorming. Het kabinet wil fors investeren om op open wijze en in samenspraak met alle betrokkenen, mijnbouwtrajecten zorgvuldig vorm te geven, met aandacht voor gevoeligheden, onzekerheden en een evenredige verdeling van baten en lasten in de regio. Het kabinet wil de decentrale overheden actief bij deze aanpak betrekken. De Mijnbouwwet- en regelgeving wordt hierop aangepast.

Vanwege het aardbevingsrisico in Groningen heeft het kabinet in 2015 de gasproductie uit het Groningenveld beperkt. Verschillende onderzoeks- en adviestrajecten lopen om beter zicht te krijgen op de aardbevingsproblematiek en te treffen maatregelen en het kabinet kan op basis daarvan eind 2015 nog aanvullend besluiten over de toegestane gasproductie in 2016. In het najaar van 2016 besluit EZ of en hoe het kan instemmen met het winningsplan uit het Groningenveld voor de jaren 2017 en verder, dat de Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. vóór 1 juli 2016 indient.

Zorgvuldige besluitvorming is ook van groot belang bij besluiten over gaswinning in het Waddengebied. In 2016 besluit EZ over een aangevraagde winningsvergunning voor het gebied nabij Terschelling. Mocht deze concessie verleend worden, dan zullen in het vervolgtraject de gevolgen voor natuur en toerisme nadrukkelijk worden meegenomen met acht op de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet. Overigens mogen bij nieuwe boringen geen mijnbouwplatforms in de Waddenzee zelf staan maar wordt vanaf het vaste land geboord. Bodemdaling in de Waddenzee wordt nauwgezet gemeten en zo nodig wordt de gaswinning stopgezet («winning met de hand aan de kraan»).

Commerciële opsporing en winning van schaliegas is de komende vijf jaar in Nederland niet aan de orde. Bestaande vergunningen voor de opsporing van schaliegas worden niet verlengd. Het kabinet besluit eind 2015 of schaliegaswinning voor Nederland nog als optie in beeld blijft. Als dat zo is, dan zullen eventuele onderzoeksboringen naar de aanwezigheid van schaliegas in de Nederlandse bodem in opdracht van de overheid, en niet van bedrijven, plaatsvinden. Die onderzoeksboringen zullen dan tevens gericht zijn op de mogelijkheden voor geothermie.

Verduurzaming in het agrocomplex

Het Nederlandse agrocomplex is internationaal toonaangevend met zijn inzet op verduurzaming. Voor een toekomstbestendige mondiale, Europese en nationale voedselvoorziening is een geactualiseerde samenhangende beleidsinzet nodig. Het kabinet zal met een reactie komen op het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) «Naar een Voedselbeleid» die ook een agenderend karakter zal hebben. In 2016 zal een vervolg worden gegeven aan de voedselagenda en de daarin vermelde acties en activiteiten. De aandacht gaat daarbij in het bijzonder uit naar klimaat-neutrale glastuinbouw, duurzame innovaties in het brede agrocomplex, duurzame veehouderij, dierenwelzijn en evenwicht op de mestmarkt. Het kabinet dient een wetsvoorstel in waarmee fosfaatrechten voor de melkveehouderij worden geïntroduceerd. Dit is nodig om te voorkomen dat Nederland de derogatie in het kader van de Nitraatrichtlijn verliest. Door het wetsvoorstel wordt de totale fosfaatproductie in de melkveehouderij begrensd maar blijft ontwikkeling van bedrijven – binnen de bestaande randvoorwaarden ten aanzien van diergezondheid, dierenwelzijn en milieu – mogelijk. Ook de aanpak voor antibioticaresistentie en de bestrijding van ziekten die worden overgebracht van dier op mens (One Health-benadering) maken hiervan onderdeel uit. In deze benadering werken marktpartijen samen met kennisinstellingen en de gezondheidszorg. Bij de maatschappelijke opgave om op duurzame en diervriendelijke wijze voedsel te produceren wordt het bedrijfsleven gestimuleerd om nieuwe producten met meer toegevoegde waarde te vermarkten, zoals het rondeelstal-ei en scharrelvlees. Het kabinet wil bedrijven in staat stellen gezamenlijke duurzame afspraken te maken. EZ zet in 2016 de agenderende en faciliterende rol voort, zowel met het garantstellingsinstrumentarium (garantie marktintroductie duurzame innovaties, agroborgstellingsregelingen) alsook met het wegnemen van belemmeringen voor ketensamenwerking. Hiertoe wordt ook ingezet op het verbeteren van het gelijke speelveld binnen de EU. Met bedrijfsleven en maatschappelijke partners worden in 2016 maatregelen uitgewerkt waarmee het gewenste ambitieniveau van 80 procent weidegang voor melkvee en een toekomstbestendige varkensketen in 2020 worden gerealiseerd.

Het kabinet draagt de verantwoordelijkheid voor toezicht en handhaving van regels ter borging van publieke belangen. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) ziet toe op de naleving van de regelgeving op het gebied van onder andere voedselveiligheid, dierenwelzijn, natuur en visserij. In het Toezichtkader voor de NVWA, dat in het najaar naar de Tweede Kamer wordt gestuurd, wordt op hoofdlijnen aangegeven wat het kabinet van het toezicht en de handhaving door de NVWA verwacht: professioneel en integer handelen, doortastendheid, snel en slagvaardig optreden. Het kader is richtinggevend voor een aangescherpt (interventie-)beleid van de NVWA. Daarnaast is met het kabinetsstandpunt «Herinrichting keuring en toezicht in de dierlijke, plantaardige en biologische sectoren» de lijn vastgesteld dat de uitvoering van keuring- en toezichtstaken teruggebracht wordt naar het publieke domein. Met het toezicht en de keuring op deze terreinen worden belangrijke publieke belangen gediend. De borging van volksgezondheid en voedselveiligheid dient niet voor discussie vatbaar te zijn. Dit is reeds aangegeven in de kabinetsreactie op het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid over risico’s in de vleesketen.

Groene groei

Met het groene groeibeleid benadrukt het kabinet de ambitie om de Nederlandse concurrentiekracht en het verdienvermogen te versterken met innovaties die het verbruik en de afhankelijkheid van schaarse fossiele energie en grondstoffen doen verminderen en het milieu ontlasten. Uitdaging daarbij is om met slimme marktprikkels en stimulerende wet- en regelgeving een gunstig voorwaardenscheppend klimaat te creëren voor innovatieve groene producten, processen en concepten. Daarbij is het van belang om ons internationaal, zowel binnen Europa als daarbuiten, sterk te blijven maken voor een gelijk speelveld voor ons bedrijfsleven en onze goede uitgangspositie te versterken. Nu al zijn veel Nederlandse bedrijven betrokken bij de bouw van windmolens in binnen- en buitenland en zit er belangrijke innovatieve Nederlandse technologie in wereldwijd geproduceerde zonnepanelen. Om efficiënter om te gaan met CO2, energie, grondstoffen, water en bodem gaat EZ in 2016 sterker inzetten op onderzoek en innovatie voor duurzame alternatieven voor schaarse grondstoffen, energieopwekking en recyclingtechnologieën. EZ werkt samen met partijen om een twintigtal ketens bij elkaar te brengen, te onderzoeken welke efficiëntiedoelstellingen haalbaar zijn en welke bijdragen de diverse partijen hieraan kunnen leveren. Er wordt verder ingezet op aanpassing van de lineaire Europese regelgeving en, in het verlengde daarvan, onze eigen regelgeving en de wijze waarop onze inspecties en medeoverheden hiermee omgaan. Het kabinet zet in 2016 daartoe zijn probleemoplossende programma «Ruimte in regels voor groene groei» en de Green Deal-aanpak voort.

Verbinden

Van oudsher kent de Nederlandse samenleving veel ruimte voor maatschappelijk initiatief in het (semi)publieke domein, bijvoorbeeld bij het leveren van maatschappelijke diensten door stichtingen en verenigingen. Toenemende welvaart, opleidingsgraad, mondigheid en toegang tot sociale media hebben de inzet van burgers voor de publieke zaak voorzien van een nieuwe impuls. Door ruimte te geven aan initiatieven uit de maatschappij en door private en publieke partijen meer te betrekken bij beleidsvorming en -uitvoering kan de overheid belangen beter afwegen, wordt het draagvlak onder beleid verbreed en de effectiviteit ervan vergroot. Het handelingsrepertoire van de overheid wordt aangevuld door zijn agenderende, ondersteunende en faciliterende rol als netwerkpartner, ook als schakel in regionale, Europese en internationale samenwerkingsverbanden. De overheid behoudt daarbij stelselverantwoordelijkheid en bewaakt de balans tussen de brede welvaart en gevestigde belangen, met een gebalanceerd stelsel van zelfregulering, toezicht en prikkels.

Beleidsprioriteiten 2016

Voedselagenda

Het kabinet zal met een reactie komen op het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) «Naar een Voedselbeleid» die ook een agenderend karakter zal hebben. In 2016 zal een vervolg worden gegeven aan de voedselagenda en de daarin vermelde acties en activiteiten. Het doel is te komen tot een breed gedragen voedselagenda met ambitieuze maatschappelijk-gedragen doelen. Het doel is te komen tot een breed gedragen voedselagenda met ambitieuze maatschappelijk-gedragen doelen.

Rijksnatuurvisie

De Rijksnatuurvisie «Natuurlijk Verder» is tot stand gekomen door te peilen hoe burgers, maatschappelijke organisaties, bedrijven, experts en overheden denken over natuur en hoe zij daar mee om willen gaan. De Natuurvisie schetst als perspectief een natuur die door en met de samenleving versterkt wordt. Een meer duurzame benutting van natuurlijke hulpbronnen en de natuurlijke omgeving vraagt zowel om overheidszorg voor basiscondities, als om maatschappelijke betrokkenheid. Voor dit laatste is het van belang dat de externe effecten op de natuurlijke leefomgeving meewegen in beslissingen; in het bijzonder bij het benutten van de goederen en diensten die de natuur voortbrengt. EZ verkent met sectoren hoe natuurinclusief ondernemen te stimuleren, zodat wat goed is voor de natuur ook economisch aantrekkelijk is. Een voorbeeld hierbij in 2016 is het positioneren van Nationale Parken als sterk merk. Een ander voorbeeld is het opschalen van tijdelijke natuur op voorheen braakliggende bouwgronden en bedrijventerreinen. Ook in de maatschappelijke uitvoeringsagenda kiest EZ voor de samenwerking met maatschappelijke organisaties, provincies en andere overheden. Bijvoorbeeld via het samenwerkingsverband dat zich ten doel stelt om 200.000 hectare subsidievrije natuur te realiseren, en door met partijen te werken aan het bij de tijd houden van de juridische en bestuurlijke kaders (zoals de inzet bij de fitness check van de Vogel- en Habitatrichtlijn). Volgend op de mainportontwikkeling Rotterdam/Tweede Maasvlakte – een gezamenlijk project van rijk en medeoverheden – waarbij natuur- en milieuorganisaties in de adviesrol bij het ontwerpproces werden betrokken, wordt ook in 2016 in de regio’s gewerkt aan breed gedragen versterking van de combinatie tussen verdienvermogen en ecologie.

Energiedialoog

Het Energierapport dat eind 2015 zal worden uitgebracht bevat specifieke thema’s en dilemma’s die relevant zijn richting een volledig duurzame energievoorziening in 2050. Gegeven de complexiteit van het energievraagstuk hecht het kabinet sterk aan externe inbreng. Burgers, bedrijven, andere overheden en maatschappelijke organisaties worden uitgenodigd aan een Energiedialoog deel te nemen en hun kennis en kunde in te brengen voor de energietransitie. Uit de dialoog volgt in het najaar van 2016 een beleidsagenda.

Samenwerking MKB-stimulering

EZ zoekt in innovatieprogramma’s de samenwerking met de regio’s en Europa. EZ en de provincies kanaliseren innovatiegelden in de MKB-innovatiestimuleringsregeling topsectoren (MIT-regeling). Ook in de informatiedienstverlening en het ontsluiten van kansen in een internationale omgeving voor het MKB werkt het Rijk samen met de provincies en het MKB. Zo wordt het (innovatieve) MKB beter ondersteund en kunnen kansrijke bedrijven en innovaties uit de regio doorgroeien naar een nationaal of internationaal niveau.

Retailagenda

EZ werkt met alle stakeholders van de retailsector – gemeenten, provincies, vastgoed, vakbonden, financiers, MKB Nederland en de sector zelf – aan de uitvoering van de 20 afspraken die in de Retailagenda zijn gemaakt. Zo werken we aan vitale winkelgebieden en het versterken van de verdienkracht in de sector.

Nieuw handelingsperspectief en instrumentarium

Bij beleidsvoering vanuit het systeemperspectief, met een rol voor de overheid als netwerkpartner, past een herbezinning op de daar bij passende beleidsvoering. Daarbij is een geactualiseerd en realistisch beeld nodig van de wijze waarop mensen op een bepaalde maatregel of interventie reageren. Het traditionele uitgangspunt dat mensen relevante voor- en nadelen bewust en rationeel afwegen bij het maken van beslissingen maakt plaats voor het besef dat er omstandigheden zijn waarin mensen zich anders gedragen. Het toepassen van gedragskennis in de analyse, ontwikkeling, uitvoering en toezicht van beleid maakt het mogelijk effectiever en efficiënter beleid te formuleren. Ook biedt het toepassen van gedragsinzichten in sommige situaties de mogelijkheid minder dwingende manieren van sturing toe te passen.

Als concrete invulling van de toezeggingen in de kabinetsreactie op adviesrapporten van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli), Raad voor Maatschappelijk Ontwikkeling (RMO) en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) over de benutting van gedragswetenschappelijke kennis in beleid wordt momenteel verkend hoe gebruik kan worden gemaakt van gedragseconomische en sociaalpsychologische inzichten bij het vormen en uitvoeren van kabinetsbeleid. Er lopen pilotprojecten over het toepassen van gedragswetenschappelijke inzichten in beleid. Binnen EZ betreffen die het tegengaan van voedselverspilling in de horeca en huishoudens en het bevorderen van energie-efficiëntie in de industrie.

Tot slot

2016 wordt een jaar om weer vooruit te kijken; een jaar waarin de beleidsfocus verschuift van herstel naar groei. EZ blijft zich onverminderd inspannen voor een duurzaam, ondernemend Nederland, met een sterke internationale concurrentiepositie. Het doet dat niet alleen, maar in verbinding met de samenleving. In de overtuiging dat alleen in samenwerking tussen overheid, onderwijs, wetenschap, bedrijfsleven en burgers de uitdagingen van morgen kunnen worden omgezet in de kansen van vandaag.

2.1.1 Overzichtstabel bedrijfslevenbeleid en topsectoren

De tabel bevat een meerjarig overzicht van de middelen die in 2015–2020 beschikbaar zijn binnen de begrotingen van een aantal departementen voor het bedrijvenbeleid en de topsectoren. De indeling van de tabel geeft inzicht in de samenhang tussen de verschillende onderdelen. Voor een groot deel betreft dit het innovatiebeleid, dat uit een generieke pijler en een specifieke pijler bestaat. Het generieke beleid ondersteunt innovatie voor alle bedrijven, binnen en buiten de Topsectoren (tabel A1 en A2). Ook de bijdrage van Buitenlandse Zaken (A3) is generiek van aard. De kern van het specifieke beleid is publiek-private samenwerking (PPS, tabel B1 en B2). Door een intensievere samenwerking tussen de excellente Nederlandse publieke kennisinfrastructuur en de bedrijven vindt de kennis beter zijn weg in innovatieve producten. PPS wordt gestimuleerd met de TKI Toeslag en de MIT. Internationale PPS wordt mogelijk gemaakt dankzij EU cofinanciering (B2), daarnaast door de Innovatie Attachés en technologiemissies. In 2015 en 2016 komt via het onderzoeksdeel van het Toekomstfonds in totaal € 100 mln beschikbaar voor hoogwaardige onderzoeksfaciliteiten en (publiek – private samenwerking op) specifieke thema’s. Opbrengsten uit deze investeringen vloeien terug in het fonds. Onderdeel C bevat de instrumenten voor aansluiting van onderwijs op de arbeidsmarkt en tot slot bestaat onderdeel D uit verschillende specifieke bijdragen van departementen aan voor hun relevante topsectoren.

In de tabel is ook aangegeven op welk begrotingsartikel de middelen op de departementale begrotingen staan. Daar zijn de hier getoonde reeksen vaak niet één op één terug te vinden, omdat hier alleen de middelen zijn getoond die samenhangen met het bedrijfslevenbeleid en topsectoren. Een afnemend deel van de middelen is reeds belegd met uitgaven voor lopende programma’s. De verantwoording over dit budget vindt plaats via de reguliere begrotingscyclus via de desbetreffende departementale begrotingen. De reeksen voor NWO en Creatief liggen vast in de BIS (2013–2016). Een deel van het geld van het regionaal investeringsfonds MBO gaat ook naar publiek-private samenwerkingsverbanden buiten de topsectoren

Overzichtstabel bedrijfslevenbeleid en topsectoren

(kasbedragen x € 1 mln)

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Departement

Artikel

I Generiek

               
                 

A1. Ondernemerschap en innovatie

182

109

117

124

105

117

   

• Innovatiefonds MKB+

182

109

117

124

105

117

EZ

19

                 

A2. Fiscale maatregelen

1.040

1.151

1.128

1.128

1.128

1.128

   

Research & Development Aftrek (RDA)

238

             

• Aftrek speur- en ontwikkelingswerk (WBSO)

8

8

8

8

8

8

EZ/FIN

12, belastingplan

• Afdracht speur- en ontwikkelingswerk (WBSO)1

794

1.143

1.120

1.120

1.120

1.120

EZ/FIN

12, belastingplan

                 

A3. Internationaal

341

367

538

208

189

175

   

• Internationaal ondernemen en ontwikkelingssamenwerking

191

217

220

208

189

175

BH/OS

1,2,3

• Dutch Good Growth Fund

(DGGF)

150

150

318

   

BH/OS

1

                 

II Specifiek voor topsectoren

               
                 

B1. Kennis en innovatie

551

551

541

539

537

537

   

• NWO2

275

275

275

275

275

275

OCW/EZ

16

• STW

20

26

26

26

25

25

EZ

12

• KNAW

19

19

19

19

19

19

OCW

16

• Toegepast onderzoek (TO2: TNO, DLO, Marin, ECN, NLR, Deltares)3

193

187

177

175

174

174

EZ

12, 14, 16

• Profilering kennisinfrastructuur

44

44

44

44

44

44

OCW

16

                 

B2. Innovatie en PPS

271

239

193

202

211

221

   

• TKI Toeslag

51

75

94

106

114

119

EZ

12

• MKB Innovatiestimuleringsregeling Topsectoren4

46

34

31

29

28

35

EZ

12

• Europese Cofinanciering, afloop FES en innovatieprogramma’s

124

80

68

67

69

67

EZ

12

– Investeringen in fundamenteel en toegepast onderzoek5

50

50

EZ

19

                 

C. Onderwijs en arbeidsmarkt

66

52

35

0

0

0

   

• Professionele masters

7

7

7

0

0

0

OCW

6

• Centra voor Innovatief Vakmanschap

5

3

3

0

0

0

OCW/EZ

4

• Stimuleren beta en technologie

12

0

0

0

0

0

OCW

6

• Centers of Expertise

17

17

0

0

0

0

OCW

6

• Regionaal investeringsfonds MBO

25

25

25

0

0

0

OCW

4

                 

D. Specifieke bijdragen departementen

231

235

225

205

203

175

   

• VWS: Life Sciences & Health/zorg

67

71

54

46

48

48

VWS

1, 2, 4, kader Zorg

• EZ: Energie-innovatie (excl.

ECN)

111

102

105

96

93

88

EZ

14

• I&M: Logistiek

8

20

24

21

20

20

I&M

divers H-XII, IF en DF

• I&M: Water6

23

23

23

23

23

 

I&M

divers H-XII, IF en DF

• OCW: Creatief

11

11

11

11

11

11

OCW

14

• Defensie

11

8

8

8

8

8

DEF

6

                 

Totaal

2.682

2.704

2.777

2.406

2.373

2.353

   
X Noot
1

De bedragen per 2016 hebben betrekking op de geïntegreerde WBSO en RDA. De geïntegreerde regeling gaat onder de naam WBSO verder.

X Noot
2

Inclusief reeks van opgeteld € 50 mln zoals vermeld in TK, 27 406 nr. 198. Reeks inclusief middelen op de aanvullende post op de rijksbegroting.

X Noot
3

Inclusief budget voor lange termijn kennisbasis. Dit zal naast topsectoren eveneens worden ingezet voor maatschappelijke thema’s en wettelijke onderzoekstaken.

X Noot
4

Dit betreft alleen de Rijksmiddelen.

X Noot
5

Deze bedragen worden breder dan alleen topsectoren ingezet.

X Noot
6

Deze reeks is tot en met 2019 gegarandeerd. Voor 2020 en volgende jaren is een nieuw besluit nodig

2.1.2 Belangrijkste mutaties ontwerpbegroting 2016
UITGAVEN (x € 1.000)
 

Art.

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand Ontwerpbegroting 2015

 

4.932.315

4.816.830

4.778.368

4.976.489

5.526.494

 

Mutaties Voorjaarsnota 2015

 

250.679

44.662

7.772

– 6.882

– 4.945

 

Stand Voorjaarsnota 2015

 

5.182.994

4.861.492

4.786.140

4.969.607

5.521.549

 
               

Nieuwe mutaties:

             

BTW-compensatie STW en TNO

12

 

20.000

20.000

20.000

20.000

 

ICT-beleid

13

 

3.500

       

Horizontale schuif ETS-middelen

14

– 20.045

 

20.045

     

Lagere uitgaven MEP

14

– 13.400

– 7.900

– 10.900

– 5.300

– 5.600

 

Duurzame energie voor Caribisch Nederland

14

3.700

4.700

– 3.000

2.600

2.300

 

Temporisering uitgaven Green Deal

14

2.450

– 2.450

       

Intensivering onderwijstranches 2015 en 2016

17

1.174

3.736

3.738

3.686

3.645

 

Sterke regio’s

18

 

5.700

– 1.100

– 2.400

– 1.100

 

Overboeking van Provinciefonds (ANLB)

18

9.000

         

Kasschuif DVI

19

– 95.000

15.000

15.000

15.000

13.000

 

Innovatiekrediet

19

1.180

– 6.680

3.100

– 200

– 1.200

 

Herverdeling eenheidsprijzen kantoren

40

7.732

5.597

644

195

 

Overige

 

– 988

– 318

4.716

– 3.063

– 1.838

 
               

Stand Ontwerpbegroting 2016

 

5.071.065

4.904.512

4.843.336

5.000.574

5.550.951

6.226.508

Artikel 12

BTW-compensatie STW en TNO

Als gevolg van jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie krijgen de kennisinstellingen Stichting Technische Wetenschappen (STW) en TNO te maken met een beperking op het recht van aftrek van BTW op inkoopkosten. Ter compensatie wordt het budget met ingang van 2016 met € 20 mln verhoogd waarvan € 17 mln per jaar voor TNO en € 3 mln voor de STW.

Artikel 13

ICT-beleid

Deze verhoging is bestemd voor de kosten die samenhangen met de ontwikkeling en implementatie van Generieke Digitale Infrastructuur (GDI). De GDI bestaat uit standaarden, producten en voorzieningen die gezamenlijk gebruikt worden door meerdere overheden, vele publieke organisaties en in een aantal gevallen ook door private partijen.

Artikel 14

Horizontale schuif ETS-middelen

Conform afspraak blijven de middelen die in enig jaar overblijven voor Emission Trade Scheme (ETS) beschikbaar voor latere jaren. Met deze horizontale verschuiving worden de resterende middelen van 2014 die bij Voorjaarsnota reeds waren toegevoegd aan 2015 doorgeschoven naar 2017.

Lagere uitgaven MEP

In de MEP- en SDE raming 2014 is sprake van lagere uitgaven. Deze meevallers worden ingezet voor financiële tegenvallers knelpunten in de begroting van EZ. Lagere uitgaven op de MEP hebben geen consequenties voor het doelbereik duurzame energie in 2020 (14%) of 2023 (16%).

Duurzame Energie voor Caribisch Nederland

Deze middelen worden ingezet voor investeringen in duurzame energie (zon, wind) op de bovenwindse eilanden en de verplaatsing van de powerplant op Saba.

Temporisering uitgaven Green Deal

Voor de uitfinanciering van reeds aangegane verplichtingen in het kader van Green Deal is deze kasschuif noodzakelijk.

Artikel 17

Intensivering onderwijstranches 2015 en 2016

Vanuit de begroting van OCW worden de intensiveringsgelden die betrekking hebben op groen onderwijs overgeheveld naar de EZ-begroting.

Artikel 18

Sterke regio’s

De betalingen aan de Sterke Regio’s vinden versneld plaats. Deze middelen hebben betrekking op de uitfinanciering van in het verleden aangegane verplichtingen in het kader van het oplossen van knelpunten en benutten van gebiedsgerichte kansen gericht op versterking van het Nederlandse vestigingsklimaat en gebiedsprojecten die een bijdrage hebben gekregen uit het Nota Ruimte-budget van EZ.

Overboeking van Provinciefonds (ANLB)

Voor de transitieperiode Agrarisch Natuur & Landschapsbeheer (2014–2016) zijn in het kader van het Natuurpact afspraken gemaakt over de financiering van de kosten. De totale bijdrage van provincies bedraagt naar huidig inzicht € 24 miljoen. Voor 2015 gaat het om een bijdrage van € 9 mln. De provincies zijn overeengekomen om het bedrag in mindering te brengen op de decentralisatie-uitkering Natuur, die al in een eerder stadium vanuit EZ is overgeheveld naar de begroting van het Provinciefonds.

Artikel 19

Kasschuif DVI

Als onderdeel van het aanvullend actieplan MKB-financiering (TK, 32 637, nr. 147) is de begroting 2015 verhoogd met € 100 mln ten behoeve van het Dutch Venture Initiative (DVI). Via deze mutatie wordt het kasbudget aangepast aan het verwachte uitfinancieringspatroon. Deze reeks loopt tot en met 2028.

Innovatiekrediet

De beschikbare middelen voor de Innovatiekredieten worden meerjarig in lijn gebracht met de verwachte uitgaven.

Artikel 40

Herverdeling eenheidsprijzen kantoren

Met de herziening van het rijkshuisvestingsstelsel per 1-1-2016 worden de huren van de kantoorpanden geharmoniseerd naar de nieuwe vaste huren voor: Den Haag, overig Randstad en overig Nederland. De reeks laat een aflopend beeld zien door krimp.

ONTVANGSTEN (x € 1.000)
 

Art.

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand Ontwerpbegroting 2015

 

10.170.057

10.130.624

9.907.661

10.094.541

10.586.726

 

Mutaties Voorjaarsnota 2015

 

– 1.188.628

– 1.405.455

– 1.220.455

– 924.634

– 969.680

 

Stand Voorjaarsnota 2015

 

8.981.429

8.725.169

8.687.206

9.169.907

9.617.046

 
               

Nieuwe mutaties:

             

Bijstelling aardgasbaten

14

– 950.000

– 1.700.000

– 1.950.000

– 1.950.000

– 1.600.000

 

Landbouwheffingen

16

– 242.999

– 242.999

– 242.999

– 242.999

– 242.999

 

Overige

 

2.530

1.300

1.300

0

0

 

Stand Ontwerpbegroting 2016

 

7.790.960

6.783.470

6.495.507

6.976.908

7.774.047

8.296.171

Bijstelling aardgasbaten

De raming van de aardgasbaten is in lijn met de uitgangspunten die het CPB heeft gebruikt bij het opstellen van de MEV. Om de veiligheid van bewoners in het gaswinningsgebied in Groningen te vergroten, heeft het kabinet in juli 2015 besloten de gaswinning in Groningen terug te brengen naar het niveau dat nodig is om de leveringszekerheid te garanderen. In 2015 is dit 30 mld m3, dat wordt aangevuld met 3 mld m3 die eenmalig beschikbaar is uit de berging Norg. In de jaren 2016–2020 wordt uitgegaan van een Groningen productie van 33 miljard kubieke meter per jaar. Daarnaast zijn ook de actuele, sterk gedaalde, gasprijzen verwerkt in de raming. Deze twee factoren verklaren een afname in de gasbaten in latere jaren. In de raming is nog geen rekening gehouden met een besluit van het kabinet over de toekomst van de gaswinning uit het Groningen gasveld, dat eind dit jaar wordt genomen.

Landbouwheffingen

Op basis van de verordening EU (nr. 2007/436/EG,Euratom) is het niet meer noodzakelijk dat invoerrechten en landbouwheffingen afzonderlijk worden verantwoord. Met ingang van 2015 worden de ontvangen landbouwheffingen op de begroting van het Ministerie van Financiën geraamd en verantwoord.

Overheidsdienst Groningen/energie

In de hieronder opgenomen tabel is weergegeven welke bedragen in de begroting beschikbaar zijn voor de Overheidsdienst Groningen/energie.

Bedragen x € 1 mln
 

Artikel

2015

2016

2017

2018

2019

1 – Overheidsdienst Groningen

40

7,0

19,0

19,0

19,0

19,0

waarvan: 1-a) Organisatie

 

4,0

12,0

12,0

12,0

12,0

waarvan: 1-b) Onderzoek (o.a. NPR, woningmarkt

 

3,0

7,0

7,0

7,0

7,0

2 – Onderzoek (seismografisch en geologisch)

14

6,0

10,0

10,0

8,0

6,0

3 – Versterking energiedirecties

40

2,0

4,0

4,0

4,0

4,0

4 – Uitbreiding SodM

40

1,0

2,0

2,0

2,0

2,0

af: retributies SodM (ontvangsten)

     

– 0,8

– 0,8

– 0,8

Totaal beschikbaar

 

16

35

34

32

30

Na de opbouwfase in 2015, werkt de Nationaal Coördinator Groningen de komende jaren voortvarend aan de realisatie van het programma Aardbevingsbestendig en Kansrijk Groningen. In samenwerking met de regionale partners, zet hij zijn mensen (€ 12 mln budget in 2016) en werkbudget (€ 7 mln in 2016) strategisch in. Daarmee verbetert de aanpak merkbaar voor Groningers: door het oplossen van complexe situaties en het zichtbaar bouwen aan kansen voor de regio.

Daarnaast zijn er middelen beschikbaar voor seismologisch en geologisch onderzoek.

De uitdagingen op het beleidsterrein energie zijn groot en variëren van de uitwerking van het Energieakkoord en het realiseren van vele tientallen grote energieprojecten in Nederland tot de discussie over de toekomst van de gaswinning naar aanleiding van de aardbevingen in Groningen en het Europese debat over een Energie Unie. Om deze uitdagingen goed op te pakken is een versterking van de energiedirecties onvermijdelijk.

Voor extra capaciteit ter versterking van het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) zijn extra middelen (€ 1,2 mln) ter beschikking gesteld.

2.1.3 Meerjarenplanning Beleidsdoorlichtingen

Artikel

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Geheel artikel?

11

Goed functionerende economie en markten

 

X

         

Ja

12

Een sterk innovatievermogen

 

X

       

X

Ja

13

Een excellent ondernemingsklimaat

 

X

       

X

Ja

14

Een doelmatige en duurzame energievoorziening

X

         

X

Ja

16

Concurrerende, duurzame en veilige agro-, visserij- en voedselketens

 

X

     

X

 

Ja

17

Groen onderwijs van hoge kwaliteit

X

       

X

 

Ja

18

Natuur en regio

 

X

         

Ja

19

Toekomstfonds

           

X

Ja

Toelichting

De beleidsdoorlichting van artikel 11 is eind 2014 gestart. Er zijn onafhankelijke deskundigen bij betrokken. De doorlichting zal voor een deel intern EZ uitgevoerd worden en gebaseerd worden op bestaand evaluatiemateriaal. Er wordt in principe geen aanvullend evaluatieonderzoek uitgevoerd. Wel zal er een beperkte opdracht worden verstrekt aan een extern bureau dat zal bezien in hoeverre de verschillende beleidsinstrumenten van artikel 11 in hun onderlinge samenhang bijdragen aan de centrale doelstelling van artikel 11. De 20% besparingsvariant wordt ook meegenomen in de doorlichting van artikel 11.

De beleidsdoorlichtingen van artikel 12 en 13 zijn gezamenlijk uitgevoerd en op 13 mei 2015 aan de Tweede Kamer aangeboden (TK, 30 991, nr. 23).

De laatste beleidsdoorlichting van artikel 14 (energie) is op 19 december 2014 naar de Tweede Kamer gestuurd (TK, 30 991, nr. 17). Dit betrof een ex-post beleidsdoorlichting over de periode 2007–2012. De volgende beleidsdoorlichting zal logischerwijs dan de periode 2013–2018 beslaan en in 2019/2020 worden uitgevoerd.

Het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) agro-, visserij-, en voedselketens is afgerond. Het IBO is geïntegreerd met de geplande beleidsdoorlichting van artikel 16. Het IBO is 26 juni 2015 met de kabinetsreactie aan de Tweede Kamer aangeboden (TK, 30 991, nr. 25).

De beleidsdoorlichting van artikel 17 is op 2 juni 2014 aan de Tweede Kamer aangeboden (TK, 30 991, nr. 11).

De beleidsdoorlichting van artikel 18 is in 2015 van start gegaan. Er is een onafhankelijke deskundige bij betrokken. De 20% bezuinigings- en intensiveringsvarianten worden hierin meegenomen. De planning is om in 2015 de doorlichting van artikel 18 af te ronden en aan de Tweede Kamer aan te bieden.

Voor het meest recente overzicht van de realisatie van beleidsdoorlichtingen, klik op deze link

http://www.rijksbegroting.nl/node/231

Voor een verdere onderbouwing van de meerjarenprogrammering zie de bijlage «Evaluatie- en overig onderzoek» (bijlage 5.7).

2.1.4 Overzicht van risicoregelingen
Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitstaande garanties 2014

Geraamd te verlenen 20151

Geraamd te vervallen 2015

Uitstaande garanties 2015

Geraamd te verlenen 2016

Geraamd te vervallen 2016

Uitstaande garanties 2016

Garantieplafond 2016

Totaal plafond

Artikel 13 Een excellent ondernemings-klimaat

BMKB

1.911.429

425.000

622.493

1.713.936

765.000

326.047

2.152.889

765.000

 
 

Garantie Ondernemingsfinanciering

644.334

200.000

97.334

747.000

400.000

257.000

890.000

400.000

 
 

Groeifaciliteit2

95.027

115.000

5.827

204.200

85.000

7.256

281.944

85.000

 
 

Microkredieten3

13.000

0

 

13.000

0

0

13.000

 

13.000

 

Garantie Scheepsnieuwbouw

10.880

104.000

0

114.880

400.000

4.000

510.880

400.000

 
 

MKB financiering4

0

400.000

0

400.000

0

0

400.000

 

400.000

                     

Artikel 14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Aardwarmte

49.292

31.324

7.225

73.391

93.050

27.616

138.825

93.050

 
                     

Artikel 16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Garanties voor investeringen en werkkapitaal landbouwondernemingen (Garantieregelingen Landbouw en Garantieregeling Marktintroductie Innovatie)

343.781

35.000

70.000

308.781

55.000

60.000

303.781

120.214

 

Artikel 18 Natuur en regio

Garantie voor natuurgebieden en landschappen

415.146

0

15.456

399.690

0

15.631

384.059

 

399.690

 

Totaal

3.482.889

1.310.324

818.335

3.974.878

1.798.050

697.550

5.075.378

1.863.264

812.690

X Noot
1

Betreft een inschatting van de te verlenen garanties per juli 2015.

X Noot
2

Het achtergestelde leningenfonds van het NLII zal ook gebruik maken van de Groeifaciliteit. In 2016 wordt bezien met welke omvang het garantieplafond van de Groeifaciliteit opgehoogd dient te worden om dit te accommoderen. Er is vanuit het Aanvullend Actieplan MKB-financiering € 500 mln garantieruimte beschikbaar. Deze ruimte is vooralsnog niet opgenomen in bovenstaand overzicht.

X Noot
3

In de loop van 2015 wordt duidelijk of een garantie nodig is voor de aanvullende funding van Qredits (€ 100 mln garantieruimte beschikbaar vanuit het Aanvullend Actieplan MKB-financiering). Vooralsnog is deze verlening niet opgenomen in deze tabel.

X Noot
4

Naar verwachting zal er in 2015 voor € 400 mln aan garanties worden verstrekt voor alternatieve aanbieders van MKB-financiering. Bij het opstellen van de ontwerpbegroting waren er nog geen garantieovereenkomsten afgesloten waardoor geen inschatting gemaakt kan worden van de omvang van te vervallen garanties in 2015 en 2016.

Overzicht uitgaven en ontvangsten garanties (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitgaven 2014

Ontvangsten 2014

Saldo 2014

Uitgaven 2015

Ontvangsten 2015

Saldo 2015

Uitgaven 2016

Ontvangsten 2016

Saldo 2016

Artikel 13 Een excellent ondernemingsklimaat

BMKB

97.779

30.389

– 67.390

71.000

25.000

– 46.000

42.594

29.000

– 13.594

 

Garantie Ondernemingsfinanciering

17.875

9.380

– 8.495

11.842

13.000

1.158

11.842

13.000

1.158

 

Groeifaciliteit

2.168

2.436

268

8.616

8.000

– 616

9.365

8.000

– 1.365

 

Microkredieten

0

0

0

0

0

0

0

0

0

 

Garantie Scheepsnieuwbouwfinanciering

0

46

46

3.679

4.000

321

3.679

4.000

321

 

MKB financiering1

0

0

0

0

0

0

0

0

0

                     

Artikel 14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Aardwarmte

0

2.184

2.184

0

0

0

0

0

0

                     

Artikel 16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Garanties voor investeringen en werkkapitaal landbouwondernemingen (Garantieregelingen Landbouw en Garantieregeling Marktintroductie Innovatie)

23.691

2.004

– 21.687

19.555

2.000

– 17.555

16.546

1.800

– 14.746

                     

Artikel 18 Natuur en regio

Garantie voor natuurgebieden en landschappen

0

0

0

0

0

0

0

0

0

 

Totaal

141.513

46.439

– 95.074

114.692

52.000

– 62.692

84.026

55.800

– 28.226

X Noot
1

Er zijn bij het opstellen van de ontwerpbegroting 2016 nog geen garanties verstrekt voor alternatieve aanbieders van MKB-financiering, waardoor nog geen inschatting van ontvangsten en uitgaven gemaakt kan worden.

Artikel 13 Een excellent ondernemingsklimaat

Borgstelling MKB-kredieten (BMKB)

De BMKB biedt banken een borgstelling voor leningen aan midden- en kleinbedrijven (≤ 250 werknemers) voor zover deze bedrijven onvoldoende zekerheden kunnen bieden aan de bank. Het knelpunt dat met de BMKB wordt bestreden is het verschijnsel dat in de kern gezond MKB – met voldoende zicht op rentabiliteit en continuïteit – niet of onvoldoende in een kredietbehoefte kan voorzien door een tekort aan zekerheden (onderpand).

De gemiddelde eenmalige premie die voor het borgstellingskrediet wordt betaald is 3,6%. De premie is afhankelijk van de looptijd van het bedrijfsborgstellingskrediet. De premie is niet kostendekkend. Op de begroting is structureel € 8,5 mln beschikbaar ter afdekking van de schades die niet door premie-ontvangsten worden gedekt.

Aangezien de inkomstenstroom uit provisies en fees vooruitlopen op de uitgaven en de uitgaven een conjunctuurgevoelig karakter hebben (in tijden van krimp en recessie hogere verliezen) is een interne begrotingsreserve gevormd, zodat deze kan worden ingezet om fluctuaties in ontvangsten en uitgaven ten opzichte van het in de begroting opgenomen bedrag op te vangen.

Momenteel loopt een pilot met openstelling van de BMKB voor niet-banken. Partijen die hiervan gebruik willen maken dienen een accreditatieproces te doorlopen. Een adviescommissie met onafhankelijke experts beoordeelt de aanvragen.

Een werkgroep heeft onderzoek gedaan daar de additionaliteit en kostendekkendheid van de BMKB. Dit rapport is in 2015 opgeleverd. De horizonbepaling voor de BMKB is juli 2017.

Het gebruik van de BMKB fluctueert sterk met de conjunctuur. Momenteel is sprake van onderbenutting, maar de verwachting is dat als de economie in de komende jaren aantrekt ook de benutting van dit instrument toeneemt. Daarom is het garantieplafond voor 2016 ongewijzigd.

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

De GO-regeling is bestemd voor ondernemers die financiering willen aantrekken bij banken en is gericht op (middel)grote ondernemingen met substantiële activiteiten in Nederland en met bevredigende rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven. De GO regeling biedt banken de mogelijkheid om nieuwe bankleningen te verstrekken en/of bankgaranties af te geven van minimaal € 1,5 mln en maximaal € 50 mln (tot ultimo 2015 € 150 mln) met een garantie van 50% door de overheid. De overheid deelt mee in de opbrengsten uit zekerheden. De GO is door het huidige kabinet structureel gemaakt met een jaarlijks garantieplafond van € 400 mln.

Het kredietbeheer ligt primair bij de bank. De bank heeft geen ander belang bij de betaling van rente en aflossing dan de overheid. Naast de 50% garantie van de overheid draagt de bank namelijk zelf eveneens 50% risico. RVO beoordeelt de kredietaanvragen en wijziging van kredieten. Daarnaast is een kredietcommissie met externe deskundigen geïnstalleerd, die de kredietvoorstellen eveneens beoordeelt. De Commissie toetst – additioneel aan RVO – het risico van het betreffende voorstel en bij fiattering wordt de premie bepaald op basis van het te lopen risico.

De premie bestaat in hoofdzaak uit de provisie op de rentemarge voor het debiteurenrisico van de bank onder aftrek van 0,25% die de bank voor haar beheersactiviteiten mag behouden. Andere bronnen van inkomsten zijn bijvoorbeeld afsluitprovisies en fees die ten gunste van bank en overheid komen. Uitgangspunt is dat de GO-regeling kostendekkend is. Een eventueel verschil tussen premieontvangsten, schades en uitvoeringskosten in enig jaar worden afgestort dan wel onttrokken aan de interne begrotingsreserve.

De horizonbepaling voor de GO wordt verlengd naar juli 2020. In 2014 is de eerste evaluatie afgerond. Het gebruik van de GO fluctueert sterk met de conjunctuur. De verwachting is dat als de economie in de komende jaren aantrekt, ook de benutting van dit instrument toeneemt. Daarom is het garantieplafond voor 2016 ongewijzigd.

Groeifaciliteit

De regeling Groeifaciliteit helpt bedrijven bij het aantrekken van risicodragend vermogen door garanties te geven op achtergestelde leningen verstrekt door banken en op aandelen verstrekt door participatiemaatschappijen aan ondernemingen. De Groeifaciliteit kan ondernemingen in een groeifase, bij bedrijfsovernames en bij herstructureringen helpen bij het aantrekken van risicokapitaal.

Alleen deelnemende financiers kunnen een garantieaanvraag bij de overheid indienen. De maximumgarantie van de overheid is 50%, wat bij participaties neerkomt op maximaal € 12,5 mln en bij bancaire achtergestelde leningen op maximaal € 2,5 mln.

Financiers betalen om de garantie te verwerven in ieder geval een eenmalige premie van 1% van het garantiebedrag vooraf en vervolgens een premie over het uitstaande garantiebedrag. Voor participaties is voorzichtigheidshalve uitgegaan van 3% per jaar en voor achtergestelde leningen 2,5%. Het uitgangspunt is dat de Groeifaciliteit hiermee kostendekkend is. Deze jaarlijkse premie kan gedurende de looptijd van de garantiemaatregel worden herzien en zo nodig naar boven worden bijgesteld om ervoor te zorgen dat de premies de kosten van de regeling blijven dekken. Een eventueel verschil tussen premieontvangsten, schades en uitvoeringskosten in enig jaar wordt met ingang van 2014 afgestort in de interne begrotingsreserve.

De horizonbepaling voor de Groeifaciliteit wordt verlengd naar juli 2020. De laatste evaluatie is uitgevoerd in 2012. De eerstvolgende evaluatie zal in 2019 worden uitgevoerd.

Het gebruik van de Groeifaciliteit fluctueert sterk met de conjunctuur. De verwachting is dat als de economie in de komende jaren aantrekt ook de benutting van dit instrument toeneemt. Daarom is het garantieplafond voor 2016 ongewijzigd.

Op dit moment is de verwachting de Groeifaciliteit de meest effectieve manier is om achtergestelde leningen fondsen voor het MKB te stimuleren. In 2016 wordt op basis van de dan beschikbare informatie bezien met welke omvang het budget van de Groeifaciliteit meerjarig moet worden opgehoogd om deze fondsen, voor het NLII, te accommoderen. Deze verhoging wordt gedekt uit het garantiebudget van € 500 mln dat in het Aanvullend actieplan MKB-financiering beschikbaar is gesteld voor achtergestelde leningenfondsen.

Garantie Scheepsnieuwbouwfinanciering

De garantieregeling Scheepsnieuwbouwfinanciering (GSF) biedt banken van in Nederland gevestigde scheepswerven de mogelijkheid om een garantie te verkrijgen op de financiering van de bouwfase van nieuwe schepen. De bank is de aanvrager van de staatsgarantie op de financieringsvraag, die door een scheepswerf aan de bank is voorgelegd. De maximale garantie, die de Staat kan verstrekken bedraagt 80% van de gecontracteerde bouwsom. Bij het verlenen van de financiering worden de gebruikelijke bancaire spelregels in acht genomen, waarbij het risico tussen bank en staat paritair (20/80) verdeeld is. Deze garantieregeling creëert een level playing field voor de Nederlandse scheepswerven in Europa voor de productie van nieuwe schepen. Andere Europese landen kennen voor hun nationale scheepsbouwproductiesector vergelijkbare nationale regelingen. De range van schepen waarop de regeling van toepassing is, ligt op een bouwsom per schip van € 3 mln tot € 100 mln. Voor de regeling is een plafond ingesteld van jaarlijks € 1 mld dat per 2015 is verlaagd naar € 400 mln, waarbij één scheepswerf(groep) maximaal 30% van dit plafond mag benutten.

Het verstrekken van een garantie kan eerst plaatsvinden nadat de betrokken bankier zelf de bereidheid heeft om voor ten minste 20% een eigen risico te aanvaarden op de betreffende werf. Daarnaast adviseert een onafhankelijke kredietcommissie over de aanvraag voor een staatsgarantie.

Via een analyse van de markt is nagegaan welke faillissementen zich in Nederland hebben voorgedaan bij relevante scheepswerven en wat de gevolgen zijn voor de positie van het onderhanden werk (schepen).Uit de analyse van een periode van 15 jaar bleek dat er nagenoeg geen schade was ontstaan. Dit heeft geleid tot de inschatting dat de kans dat de borgtocht daadwerkelijk zal worden ingeroepen minimaal is. Op basis daarvan is het risico gewaardeerd op 1%. Uitgaande van het jaarlijks garantieplafond van € 400 mln en het risico op inroepen van 1% wordt het uit te keren bedrag geraamd op € 4 mln gemiddeld per jaar. De provisie die de staat over de garantie zal ontvangen bedraagt gemiddeld 1,5%. Om eventuele schades in de eerste jaren op te vangen is een interne begrotingsreserve ingesteld. Ultimo 2014 bevat deze reserve € 10 mln. Ultimo 2014 bedroeg het bedrag aan gefiatteerde garantieaanvragen € 11 mln.

De horizonbepaling voor de Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering is 1 november 2017.

Het plafond voor de Garantieregeling Scheepsnieuwbouw is met ingang van 2015 verlaagd van € 1 mld naar € 400 mln.

MKB-financiering

In het aanvullend actieplan MKB-financiering van 8 juli 2014 heeft het kabinet aangekondigd een garantiebedrag van € 400 mln ter beschikking te stellen om de funding van nieuwe aanbieders van MKB-financiering mogelijk te maken. Naast alle andere initiatieven en plannen is er behoefte aan nieuwe financiers en nieuwe financieringsmogelijkheden voor het verstrekken van vreemd vermogen aan het mkb. Het vinden van funding voor deze nieuwe mogelijkheden is echter, bij gebrek aan voldoende track-record van dergelijke financiers, lastig. Met het Aanvullend Actieplan MKB-financiering is er daarom voor goede initiatieven ruimte beschikbaar om die funding te vereenvoudigen met behulp van een overheidsgarantie. Een overheidsgarantie zal kostendekkend moeten zijn en geen staatssteun mogen inhouden. Op 30 oktober 2014 is in de Staatscourant een oproep gepubliceerd om voorstellen in te dienen om in aanmerking te komen voor een garantie uit het genoemde budget. In de periode tot mei 2015 zijn deze voorstellen grondig beoordeeld door een commissie van externe experts. Deze beoordeling heeft ertoe geleid dat 8 partijen uitgekozen zijn om de onderhandelingen over een garantie-overeenkomst mee te starten. Deze onderhandelingen kunnen nog geruime tijd vergen, onder meer omdat vastgesteld moet worden of sprake is van Staatssteun. Omdat bij het opstellen van de begroting nog geen garantieovereenkomsten zijn gesloten konden daarom in het bovenstaande garantieoverzicht derhalve geen raming van ontvangsten en uitgaven worden opgenomen.

Artikel 14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Aardwarmte

Aardwarmte wordt gezien als een kosteneffectieve duurzame energiebron met potentie. Het draagt bij aan het halen van de duurzame energiedoelstelling van Nederland. Binnen de SDE+ is het één van de gunstigste opties. Aardwarmte is tevens een belangrijke optie voor het halen van de energie- en klimaatdoelen van EZ en de glastuinbouw. Het in het energieakkoord en de beleidsbrief tuinbouw aangekondigde versnellingsplan aardwarmte, is in 2014 verschenen.

Het doel van de garantieregeling aardwarmte is het afdekken van het geologisch risico dat het boren van de putten voor de toepassing van aardwarmte, niet succesvol is. Het gaat om het risico dat de volgens het plan aangeboorde aardlaag minder warm water productie oplevert en/of water van lagere temperatuur oplevert dan op basis van een gedegen geologisch vooronderzoek verwacht werd.

Het ontbreken van een (betaalbare) verzekering is nog steeds een belangrijk knelpunt voor de toepassing van aardwarmte. Door dit risico af te dekken wordt de toepassing van aardwarmte gestimuleerd. De garantieregeling dekt het risico dat een boring niet in een goede watervoerende laag uitkomt, waardoor het vermogen dat vooraf verwacht werd, niet wordt behaald. In dat geval wordt voor een deel van de gemaakte kosten een subsidie uitgekeerd, gerelateerd naar de mate waarin de aardwarmteboring mislukt is.

Er wordt een premie van 7% gevraagd.

De garantie wordt uitgekeerd wanneer projecten (deels) mislukken Met de garantiestelling worden projecten uitgelokt met een relatief klein risico (eis 90% slaagkans). Het verwacht vermogen dat aan de bodem onttrokken wordt (dit is het vermogen dat bij de aanvraag is opgegeven) is maximaal het vermogen dat met 90% zekerheid aan de ondergrond kan worden onttrokken (op basis van een locatiespecifiek geologisch onderzoek dat moet zijn opgesteld door een ISO 9001 gecertificeerde onderneming)

EZ maakt een garantieplafond en het maximaal te garanderen bedrag per boring bekend. EZ neemt binnen acht weken na de indiendatum een besluit op de aanvraag. De aanvrager moet binnen zes maanden na goedkeuring van de aanvraag starten met het boorproject. Na de aanvang van de aardwarmteboring heeft de aanvrager een jaar voor de voltooiing. Het aardwarmteproject moet binnen twee jaar leiden tot toepassing van aardwarmte in Nederland.

De premieontvangsten worden gestort in de interne begrotingsreserve. Eventuele schade-uitkeringen komen ten laste van deze reserve. In 2016 wordt deze regeling geëvalueerd.

Artikel 16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Garanties voor investeringen en werkkapitaal landbouwondernemingen (Garantieregeling Landbouw en GMI). Het plafond voor deze garantstelingen tezamen is € 120 mln.

Garantieregeling Landbouw (GL)

De garantieregeling heeft als doel de ontwikkeling van de land- en tuinbouw te bevorderen. Een garantstelling landbouw en aquacultuur wordt alleen afgegeven voor leningen ten behoeve van investeringen. De totale garantstelling van een onderneming kan maximaal 80% van € 2,5 mln bedragen. De lening onder garantstelling is maximaal 2/3 van de benodigde investering, waardoor de garantie maximaal 53,6% van de benodigde financiering bedraagt.

De GL kent drie varianten:

  • Garantstelling Landbouw: Maximale garantstelling 80% van € 0,6 mln.

  • Garantstelling Landbouw Jonge Landbouwers: Maximale garantstelling 80% van € 1,2 mln. Lening ten behoeve van bedrijfsovername. De ondernemer mag maximaal 39 jaar oud zijn.

  • Garantstelling Landbouw Plus: Maximale garantstelling 80% van € 2,5 mln. De investeringen die in aanmerking komen zijn Groen Label Kassen (GLK) en Duurzame stallen die voldoen aan de maatlat duurzame veehouderij (MDV). De Garantstelling Landbouw plus ziet ook toe op achtergestelde leningen.

De premie bedraagt 3% van het te lenen bedrag, te betalen door de ondernemer. De premie wordt gebruikt om verliesdeclaraties te betalen. De regeling is niet volledig kostendekkend. Daarom stort EZ jaarlijks aanvullend € 3 mln in een interne begrotingsreserve. Het geld uit de begrotingsreserve wordt gebruikt om verliesdeclaraties te betalen. De premie en de storting door EZ komen overeen met het gemiddelde nettoverlies per jaar over de afgelopen twintig jaar.

De afgelopen jaren was het gemiddelde beroep op de GL relatief laag als gevolg van de economische crisis. Naar verwachting zal er bij een aantrekkende economie weer meer behoefte aan garantiekredieten voor investeringen zijn. In december 2013 is de regeling opnieuw goedgekeurd als steunmaatregel door de Europese Commissie. In 2018 zal deze garantieregeling geëvalueerd worden.

Garantieregeling Marktintroductie Innovatie (GMI)

Er is een knelpunt geconstateerd in de marktintroductiefase van risicovolle grensverleggende innovaties. De bedrijven, die als eerste prototypen in de praktijk op het vlak van dierenwelzijn en milieu op praktijkschaal willen toepassen, worden vaak geconfronteerd met grote financiële risico’s. Daardoor komt dit soort duurzame investeringen slechts beperkt van de grond. Een garantstelling door het Rijk stimuleert de investeringen op het vlak van verduurzaming en marktvernieuwing.

De deelsectoren die het aangaat betreffen: melkveehouderij, varkenshouderij, pluimveehouderij, glastuinbouw, en opengrondstuinbouw. De garantstelling wordt momenteel voor een te publiceren regelingstekst uitgewerkt met het oog op openstelling in de tweede helft van 2015. De genoemde bedragen hieronder zijn indicatief.

De totale garantstelling van een onderneming kan maximaal 80% van € 2,5 mln bedragen.

Naar verwachting zullen 25 initiatieven een garantstelling van gemiddeld € 1,5 mln ontvangen. Het totaal risico bedraagt € 37,5 mln maximaal op jaarbasis, en maximaal € 225 mln over de hele POP3-periode tot en met 2020.

De ondernemers betalen premie om voor de garantstelling in aanmerking te komen, maar de regeling is niet volledig kostendekkend. Het verwachte risico voor de Staat is jaarlijks iets meer dan € 3,5 mln (waarvan € 1,0 mln EU-middelen uit POP en € 2,5 mln nationaal). Dit bedrag zal jaarlijks aan de begrotingsreserve toegevoegd worden. Bij 3% provisie betalen de ondernemers ongeveer € 1,5 mln aan premie. De premie wordt gebruikt om verliesdeclaraties te betalen. Daarmee is de totale buffer jaarlijks € 5 mln. In 2013 heeft een verkenning naar deze garantieregeling plaatsgevonden.

Artikel 18 Natuur en regio

Garantie voor natuurgebieden en landschappen

Het betreft het garant staan voor de leningen die aangetrokken zijn via het Groenfonds voor het realiseren van de EHS-gronden. Deze gronden zijn opgegaan in het Natuur Netwerk Nederland.

Overzicht uitstaande leningen per ultimo 2014
Bedrag x € 1.000

Artikel

Omschrijving

Uitstaande lening 2014

Looptijd

lening

Rente

percentage

Wijze van

aflossing

Artikel 13

Een excellent ondernemingsklimaat

Microkrediet Nederland

46.966

tot en met 2029

1,2%

vanaf 2024

Artikel 14

Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Energieonderzoek Centrum Nederland

25.260

tot en met 2023

5,5%

vanaf 2018

Artikel 14

Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Pallas

11.393

tot en met 2018

1,5%

uiterlijk 2019

Artikel 16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Wageningen Universiteit

39.152

tot en met 2027

4,5%

jaarlijks

Artikel 16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Wageningen Universiteit

29.137

tot en met 2027

4,5%

jaarlijks

Artikel 16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Wageningen Universiteit

15.068

tot en met 2029

5,2%

jaarlijks

Artikel 16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Wageningen Universiteit

3.142

tot en met 2030

5,0%

jaarlijks

Deze leningen zijn verstrekt in de context van de genoemde beleidsartikelen.

2.2. De Beleidsartikelen

11 Goed functionerende economie en markten

Algemene doelstelling

Het scheppen van voorwaarden voor een goed functionerende economie en goed functionerende markten, waaronder de markt voor elektronische communicatie.

Goed functionerende markten dragen in belangrijke mate bij aan de economische groei en innovatie. In een goed functionerende markt reageren vraag en aanbod effectief op elkaar. Consumenten en bedrijven profiteren daarvan. Op goed functionerende markten ontstaat een optimale prijs – kwaliteitverhouding van goederen en diensten en hebben gebruikers keuzevrijheid. Het slim benutten van en zorgdragen voor hoogwaardige elektronische communicatie netwerken en digitale infrastructuren waar de Nederlandse samenleving op kan bouwen én vertrouwen draagt bij aan het economisch groeivermogen en een goed functionerende economie.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is op grond van de Telecommunicatiewet verantwoordelijk voor het stellen van regels voor vaste en mobiele communicatienetwerken. Daarnaast ziet de Minister van EZ het als een taak eventuele belemmeringen voor het goed functioneren van markten te verminderen of weg te nemen en heeft een systeemverantwoordelijkheid voor de statistische informatievoorziening van rijkswege. Hieruit vloeien de volgende verantwoordelijkheden voort:

Stimuleren

  • Het stimuleren van een goede balans tussen de belangen van bedrijven en consumenten met generiek consumentenbeleid waarbij de Wet handhaving consumentenbescherming centraal staat;

Financieren

  • Het bijdragen aan het goed functioneren van markten door het financieren van TenderNed (het elektronisch aanbestedingssysteem) en diverse organisaties op het gebied van metrologie, normalisatie, accreditatie en markttoezicht;

  • Het financieren van een deel van de exploitatie van het Agentschap Telecom en het verrichten van uitgaven voor opdrachten inzake beleidsvoorbereiding en evaluaties voor frequentiebeleid en veiligheid;

  • Het financieren van het CBS om het van overheidswege verrichten van statistisch onderzoek ten behoeve van praktijk, beleid en wetenschap en het openbaar maken van de op grond van zodanig onderzoek samengestelde statistieken mogelijk te maken;

(Doen) uitvoeren

  • Het tegengaan van mededingingsbeperkende gedragingen met de Mededingingswet en mededingingsbeleid in alle sectoren van de Nederlandse economie;

  • Het reguleren van de postmarkt met de Postwet 2009 waardoor een toegankelijke en betaalbare basisvoorziening voor de post is gewaarborgd (universele postdienst);

  • Het opstellen van verkeersregels voor het gebruik van de ether, door afspraken te maken in internationaal verband voor harmonisatie en door – in geval van schaarste – te bepalen op welke wijze het spectrum wordt verdeeld;

  • Het inzetten op het realiseren van hoogwaardige en innovatieve breedbandige mobiele communicatie en omroeptoepassingen door verruiming van gebruiksmogelijkheden van het spectrum en door de uitgifte van beschikbare frequentieruimte;

Regisseren

  • Het bevorderen van goed functionerende markten door het scheppen van randvoorwaarden via wet- en regelgeving;

  • Het scheppen van voorwaarden waarbinnen concurrentie kan plaatsvinden door middel van de Waarborgwet, de Winkeltijdenwet, de Aanbestedingswet, de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie en de Metrologiewet;

  • Het op basis van de middellange termijnvisie op de ontwikkeling van telecommunicatie, media en Internet in 2016 verder moderniseren van de regelgeving om deze te kunnen laten meegroeien met de ontwikkelingen in de markt en de behoeftes in de samenleving.

Beleidswijzigingen

Een wetsvoorstel ter verhoging van de wettelijke maxima van de ACM-boetes is in het voorjaar van 2015 ingediend bij de Tweede Kamer. Doelstelling van dit wetsvoorstel is het vergroten van de afschrikkende werking van de ACM-boetes en daarmee van de effectiviteit van het markttoezicht dat de ACM uitoefent, onder meer op het gebied van mededinging, consumentenbescherming en de regulering van de sectoren post en telecom. Naar verwachting treedt de wet in de loop van 2016 in werking.

Op 26 mei 2015 heeft de Eerste Kamer het wetsvoorstel tot modernisering en flexibilisering van de universele postdienst aangenomen. Met dit wetsvoorstel worden de eisen aan de universele postdienst meer in lijn gebracht met de snel veranderende behoeften van gebruikers, onder meer door het aanpassen van de eisen voor postvestigingen en brievenbussen en door enkele UPD-eisen niet langer op het niveau van de wet neer te leggen maar in een algemene maatregel van bestuur (het Postbesluit 2009). Inwerkingtreding zal gelijktijdig plaatsvinden met de inwerkingtreding van het aangepaste Postbesluit 2009, dat voor de zomer van 2015 voor advies naar de Raad van State is gestuurd. Als gevolg van inwerkingtreding van het wetsvoorstel krijgt de verlener van de universele postdienst meer ruimte om het aantal postvestigingen en brievenbussen te verminderen en zal gedurende de komende jaren per locatie worden bezien of locaties van postvestigingen en brievenbussen kunnen worden heroverwogen.

In 2015 wordt bij de Tweede Kamer het wetsvoorstel tot wijziging van de Aanbestedingswet 2012 ter implementatie van een drietal aanbestedingsrichtlijnen ingediend. Daardoor krijgen aanbestedende diensten meer flexibiliteit bij aanbesteden. Daarnaast wordt een nieuw aanbestedingsregime voor het verlenen van concessieopdrachten ingevoerd. De wet treedt naar verwachting in werking op 18 april 2016.

Mede naar aanleiding van de lessen uit een overnamepoging van KPN in 2013 is de Tweede Kamer in 2014 geïnformeerd over een beleidsvoornemen om de Minister van Economische Zaken extra bevoegdheden te geven indien een partij overwegende zeggenschap wil verwerven in een telecommunicatiebedrijf dat beschikt over vitale infrastructuur. In de 2e helft van 2016 zal een wetsvoorstel daartoe voor behandeling worden voorgelegd aan de Tweede Kamer.

De planning is dat de Verzamelwet met diverse wijzigingen van de Telecommunicatiewet rond de zomer van 2015 aan de Tweede Kamer wordt aangeboden. In 2016 zal naar verwachting de parlementaire behandeling kunnen worden afgerond en het wetsvoorstel in werking treden.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

VERPLICHTINGEN

195.559

199.167

182.901

179.153

171.354

171.362

171.359

UITGAVEN

197.270

198.864

184.122

177.036

170.337

170.345

170.342

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

96%

       
               

Subsidies

356

900

100

1.100

1.080

   

Digitalisering regionale radio

356

900

100

1.100

1.080

   
               

Opdrachten

6.593

8.803

7.894

7.118

6.940

8.023

8.020

Onderzoek en Opdrachten

2.833

2.318

1.458

1.458

1.458

1.458

1.458

PIANOo/TenderNed

689

943

         

Beleidsvoorbereiding en evaluaties Frequenties en Veiligheid

3.071

5.542

6.436

5.660

5.482

6.565

6.562

               

Bijdragen aan agentschappen

16.075

19.117

15.524

15.023

14.594

14.599

14.599

Agentschap Telecom

10.735

11.526

9.539

9.044

8.615

8.620

8.620

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland

351

758

         

DICTU

4.989

6.833

5.985

5.979

5.979

5.979

5.979

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

170.667

165.508

156.690

149.610

143.556

143.556

143.556

Metrologie

14.319

14.246

13.573

12.949

12.247

12.247

12.247

Raad voor Accreditatie

262

105

142

129

127

127

127

ACM

695

402

375

375

377

377

377

CBS

155.391

150.755

142.600

136.157

130.805

130.805

130.805

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

3.579

4.536

3.914

4.185

4.167

4.167

4.167

Nederlands Normalisatie Instituut (NEN)

1.480

1.040

1.206

1.184

1.060

1.060

1.060

Internationale organisaties

2.043

3.425

2.637

2.930

3.036

3.036

3.036

Raad van deskundigen voor de nationale meetstandaarden

56

71

71

71

71

71

71

               

ONTVANGSTEN

58.853

37.165

59.934

30.900

30.900

30.900

30.900

Ontvangsten ACM

963

           

High Trust

34.441

31.300

31.300

30.200

30.200

30.200

30.200

Diverse ontvangsten

23.449

5.865

28.634

700

700

700

700

Budgetflexibiliteit

Subsidies: Het bedrag dat geraamd is in 2016 voor deze subsidie vloeit voort uit een verplichting die in het verleden is aangegaan; deze is dus 100% juridisch verplicht.

Opdrachten: Het geraamde bedrag voor uitgaven uit hoofde van opdrachten is voor 24% juridisch verplicht. Het betreft met name geraamde kosten voor de uitoefening van het toezicht op de post voorziening op de BES eilanden, geraamde kosten voor de Commissie van Aanbestedingsexperts en kosten in het kader van de uitvoering van de Wet informatie uitwisseling Ondergrondse Netten (WION).

Bijdragen aan agentschappen: Het budget betreft de uitfinanciering van opdrachten 2016 aan Agentschappen en is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s: Van de totaal voor 2016 geraamde uitgaven voor artikel 11 is circa € 157 mln bestemd voor bijdragen aan ZBO’s/RWT’s. Hiervan is 100% niet flexibel inzetbaar in 2016 als gevolg van overeenkomsten met betrokken organisaties.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties: Over de contributies aan (inter)nationale organisaties zijn meerjarige afspraken gemaakt, de bedragen zijn voor 88% juridisch verplicht.

Toelichting op de financiële instrumenten

Subsidies

Digitalisering regionale radio

Dit betreft de uitfinanciering van de in 2011 afgegeven subsidiebeschikking aan de Stichting Regionale Omroep Overleg en Samenwerking. Dit zal worden aangewend voor investeringen in digitale radio voor regionaal publieke omroepen.

Een indicatie voor het succes van de introductie van digitale radio is de penetratiegraad van digitale radio-ontvangers in huishoudens. Dit wordt gemonitord in de jaarlijkse uitgave «De Digitale Economie» van het CBS. Belangrijke indicator voor dit succes is het percentage huishoudens dat over een DAB+ ontvanger beschikt en daarmee toegang heeft tot digitale radio. Als dit in meer dan 50% van de huishoudens het geval is, ligt het in de rede om de analoge FM op termijn af te schakelen.

Opdrachten

Onderzoek en opdrachten

Dit betreft onderzoeksopdrachten die dienen ter ondersteuning van het beleid op het gebied van onder andere het marktordeningsbeleid, mededingingsbeleid, consumentenbeleid, aanbestedingsbeleid, Europese zaken en strategie.

PIANOo en TenderNed (aanbestedingsbeleid)

De op 1 april 2013 in werking getreden Aanbestedingswet 2012 beoogt een eenduidig en helder regelgevend kader te geven van de voorwaarden waaronder aanbestedende diensten hun opdrachten voor concurrentie moeten openstellen.

Een belangrijk element in het aanbestedingsbeleid vormt TenderNed. TenderNed is het elektronische aanbestedingssysteem, waardoor alle openbare (overheids)opdrachten op één centrale plaats te vinden zijn. TenderNed levert een belangrijke bijdrage aan de professionalisering van de overheidsinkoop, verbetering van naleving van de aanbestedingsregels en vermindering van de administratieve lasten voor ondernemers. Ondernemers kunnen dankzij de verplichting voor aanbestedende diensten om op TenderNed te publiceren alle openbare (overheids-)opdrachten vinden op één centrale plaats.

Beleidsvoorbereiding en evaluaties Frequenties en Veiligheid

  • De begrote bedragen zijn voor opdrachten met betrekking tot de volgende onderwerpen ten aanzien van frequenties: De (heruitgifte) van frequenties voor publieke en commerciële radio. De huidige vergunningen voor commerciële radio lopen op 1 september 2017 af. In 2016 zal verder uitvoering worden gegeven aan het medio 2015 genomen besluit over de (her)uitgifte van de vergunningen voor de analoge radio via de AM en de FM en voor digitale radio via TDAB.

  • De (heruitgifte) van frequenties voor publieke en commerciële televisie. Begin 2017 lopen de huidige DVBT-vergunningen (digitale ethertelevisie) van Digitenne (KPN) en de Publieke Omroep in het UHF-spectrum af. In 2016 zal verder uitvoering worden gegeven aan het in het najaar van 2015 te nemen besluit over de (her)uitgifte van de vergunningen voor DVBT en de herbestemming van de 700 MHz-band. Dit deel van het UHF-spectrum krijgt vanaf 2020 de bestemming mobiele communicatie.

  • De in 2015 verlengde vergunningen voor de 2 GHz band lopen af op 1 januari 2021. De Europese Unie zal de 700 MHz band gaan herbestemmen voor mobiele communicatie. Vanaf 2020 dient de 700 MHz voor mobiel breedband beschikbaar te zijn in lidstaten. Het uitgiftebeleid voor de frequenties in deze banden krijgt vanaf 2016 zijn uitwerking.

Kengetal

2011

2012

2013

2014

Ambitie 2020

Concurrentie markt mobiele telefonie (HHI-index)

3.721

3.740

3.7001

n.n.b.

dalend

Bron: TNO

         
X Noot
1

de waarde wijkt af van de in de begroting van EZ 2014 opgenomen waarde omdat deze betrekking had op het derde kwartaal van 2013

Toelichting

De Herfindahl-Hirschman Index (HHI) geeft een indicatie van de marktconcentratie, die afhankelijk is van enerzijds het aantal partijen in de markt (hoe meer partijen, des te lager de HHI) en anderzijds de marktaandelen van deze partijen (hoe groter het marktaandeel van de marktleiders, des te hoger de HHI). Bij dalingen van de HHI kan dus gesproken worden van toegenomen concurrentie. De betreffende HHI kijkt alleen naar de markt op netwerkniveau, dat wil zeggen dat het alleen naar de marktaandelen kijkt van partijen met een eigen netwerk. In de markt voor mobiele telefonie zijn echter ook partijen aanwezig die zelf diensten aanbieden, maar dat doen via de netwerken van de drie grote aanbieders. Het streven is dat door uitgifte van frequenties voor nieuwe mobiele toepassingen ook nieuwe partijen de markt kunnen betreden. Met de veiling voor frequenties voor nieuwe generatie mobiele telecommunicatie is er een nieuwe netwerkaanbieder bij gekomen. Naarmate deze netwerkaanbieder marktaandeel gaat verwerven en vergroten zal de HHI-waarde kunnen dalen.

De begrote bedragen zijn daarnaast voor opdrachten met betrekking tot de continuïteit van netwerken internetveiligheid en cybersecurity:

  • Het verhogen van internetveiligheid onder meer in samenwerking met het Platform Internetveiligheid. Betreft onderwerpen als aanpak van botnets, het verbeteren van de intrinsieke veiligheid van software, standaardisatie van privacyvoorwaarden en de veiligheid van mobiele toepassingen.

  • De doorontwikkeling en exploitatie van de portal veiliginternetten.nl. Deze portal is er op gericht om eindgebruikers (in het bijzonder individuele gebruikers, MKB en ZZP-ers) bewust te maken van een veilig internetgebruik en hen voor te lichten over en tools te bieden voor veilig internetten en veilig online zakendoen.

  • Bijdragen aan onderzoeks- en innovatieprojecten gerelateerd aan de Nationale Cybersecurity Research Agenda.

  • Het vergroten van de weerbaarheid van de samenleving door het Agentschap Telecom te ondersteunen in het onderzoek naar telekwetsbaarheid, risico’s voor de samenleving en het kenbaar maken van mogelijke oplossingen.

Bijdragen aan agentschappen

Agentschap Telecom

Agentschap Telecom draagt onder meer zorg voor de toelating tot het spectrum en ziet toe op het juiste gebruik daarvan. De begrote bedragen hebben betrekking op deze taken. De voornaamste uitvoeringstaken zijn voorlichting in het kader van het antennebeleid, juridische procedures en een bijdrage voor werkzaamheden in het kader van vergunningvrije toepassingen. De toezichtstaken hebben betrekking op onder meer toezicht ondergrondse netten (WION), bevoegd aftappen en dataretentie.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Metrologie

Met de Metrologiewet worden nationale meetstandaarden beschikbaar gesteld, die de basis vormen van een internationaal herleidbare metrologische infrastructuur. Het gebruik van gecontroleerde meetinstrumenten bij het leveren van goederen draagt onder andere bij aan eerlijke handel en consumentenbescherming.

VSL B.V. ontwikkelt, beheert en onderhoudt de nationale meetstandaarden. Verispect B.V. houdt toezicht op de Metrologiewet en de Waarborgwet. In beide gevallen gaat het om een overeenkomst voor onbepaalde tijd. In 2015 is een wetsvoorstel ingediend bij het parlement waardoor het toezicht op de Metrologiewet en Waarborgwet in 2016 wordt ondergebracht bij Agentschap Telecom.

Raad voor Accreditatie

De Raad voor Accreditatie (RvA) is een ZBO dat controleert of een keuringsinstantie, certificeringsinstantie, inspectie-instantie of een laboratorium aan de accreditatienormen voldoet. De taken van de Raad voor Accreditatie zijn vastgelegd in de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie. De RvA ontvangt jaarlijks een bijdrage van de Staat voor de kosten die de RvA maakt in het kader van Europese en internationale activiteiten die relevant zijn voor de accreditatie sector als geheel. In de tweede helft van 2015 zal worden gestart met een externe evaluatie van de RvA, die in de loop van 2016 moet zijn afgerond.

Autoriteit Consument en Markt (ACM)

Sinds 1 april 2013 is de uitoefening van het markttoezicht op de niet-financiële markten opgedragen aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM). De ACM is belast met wettelijke taken op het gebied van het generieke mededingingstoezicht (Mededingingswet), generieke consumentenbescherming (Wet handhaving consumentenbescherming) en het sectorspecifieke markttoezicht in de sectoren energie, telecommunicatie, post en vervoer.

De apparaatsuitgaven van de ACM zijn geraamd op artikel 40, voor zover de kosten van de ACM niet worden doorbelast naar marktorganisaties die onder het ACM-toezicht vallen. Het bedrag geraamd op artikel 11 betreft de geraamde kosten van de leden van het bestuur van de ACM.

In 2015 wordt de eerste evaluatie van de ZBO ACM uitgevoerd. In het evaluatieonderzoek zullen conclusies worden getrokken over het functioneren van de ZBO ACM. In 2016 zal uitvoering worden gegeven aan eventuele aanbevelingen ter verbetering van het functioneren van de ZBO ACM.

Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)

CBS publiceert als onafhankelijk kennisinstituut betrouwbare en samenhangende feitelijke informatie, gericht op het bieden van inzicht in actuele ontwikkelingen van economie en samenleving. Deze informatie omvat vele maatschappelijke aspecten, van macro-economische indicatoren als economische groei en consumentenprijzen, tot de inkomenssituatie van personen en huishoudens. Producten van CBS omvatten onder andere ruim 500 nieuwsberichten per jaar en 3.400 datasets met 14 miljard cellen die als open data beschikbaar worden gesteld. CBS-producten worden intensief benut door een breed palet van gebruikers voor onder meer het opstellen en evalueren van beleid en voor het signaleren van maatschappelijke trends. CBS staat voor de opgave verder in te spelen op de groeiende vraag naar statistische informatie, de toegankelijkheid van gegevens verder te vergroten, de kwaliteit te handhaven, en tegelijkertijd te bezuinigen.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties:

Nederlands Normalisatie Instituut (NEN)

Het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) ontvangt een bijdrage van de Staat voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden die voortvloeien uit de Europese verordening voor normalisatie (Verordening (EU) Nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012) en de Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen die over het geven van informatie over normen gaat. Tevens is de bijdrage bedoeld voor het informeren van Nederlandse belanghebbenden over initiatieven van de Europese en mondiale normalisatie-instellingen. Daarnaast gebruikt het NEN de bijdrage voor een deel van de contributies die het NEN is verschuldigd aan de Europese en mondiale normalisatie-instellingen en voor de controle op actualiteit van verwijzingen naar normen in regelgeving en kennisgeving aan ministeries indien verwezen wordt naar ingetrokken normen. Begin 2015 is de externe evaluatie van de subsidie aan NEN aan de Tweede Kamer aangeboden (2014–2015, 34 000 XIII, nr. 148)

Internationale organisaties

Dit betreft bijdragen aan:

  • Universal Postal Union (UPU): In het najaar van 2016 zal het vierjaarlijkse UPU Congres plaatsvinden, waarin afspraken worden gemaakt voor de periode 2017–2021. In 2016 zal worden gewerkt aan de voorbereidingen voor het Congres.

  • European Conference of Postal and Telecommunications Administrations (CEPT): De inzet in de ITU en UPU wordt regionaal voorbereid, voor landen in Europa is daarvoor CEPT het aangewezen kanaal. Daarnaast zal in CEPT verder worden gewerkt aan regionale afspraken over nummers en frequentieverdelingen en aan (technische) mandaten van de Europese Commissie. De rapporten die CEPT opstelt aan de hand van deze mandaten vormen een belangrijke input voor besluiten in het Radio Spectrum Comité van de EU. EZ draagt jaarlijks bij aan de kosten van ERO (het permanente ondersteunende bureau van CEPT in Kopenhagen).

  • Internationale organisaties Metrologie. Het gaat om bijdragen op het gebied van metrologie die vastliggen in internationale verdragen (Organisation Internationale de Métrologie Légale (OIML), WELMEC, Bureau International des Poids et Mesures (BIPM)).

  • Nederland betaalt als lid van de International Telecommunications Union (ITU) lidmaatschap. Binnen de ITU worden internationale afspraken gemaakt over wereldwijde toewijzing van radiofrequenties aan categorieën van diensten en over de toewijzing van (schaarse) ruimteposities aan satellietsystemen.

  • EZ doneert jaarlijks een bedrag aan het secretariaat van het Internet Governance Forum (IGF). Dit forum is een uitvloeisel van het VN-top World Summit on Information Society in 2005.

  • Nederland heeft een stoel in het overheidsadviescomité binnen The Internet Corporation for Assigned Names and Numbers/Governmental Advisory Committee (ICANN/GAC). EZ financiert samen met Brazilië en Noorwegen het secretariaat van dit comité met als doel de slagkracht van overheden binnen ICANN te vergroten. Vanaf 2016 wordt deze financiering afgebouwd.

Raad van deskundigen voor de nationale meetstandaarden

Het geraamde bedrag betreft vergoedingen voor de leden van de op grond van de Metrologiewet verplicht ingestelde adviesraad, kosten secretariaat en vergaderkosten. De Raad is een technisch specialistisch adviescollege als bedoeld in de Kaderwet adviescolleges. De Raad oefent toezicht uit op de verwezenlijking en het beheer van onze nationale meetstandaarden en geeft gevraagd en ongevraagd advies over meetstandaarden en grootheden.

Toelichting op de ontvangsten

High Trust

Betreft raming van ontvangsten van boetes die toezichthouders van EZ opleggen en waar – in het kader van het zogenaamde High Trust-beleid – een meerjarige raming voor wordt aangehouden. Verreweg het grootste deel van de ontvangsten betreft boetes die opgelegd worden door de ACM.

Diverse ontvangsten

Betreft ramingen voor ontvangsten uit hoofde van het beleid inzake Telecommunicatie.

Budgettair belang fiscale maatregelen

Bedragen x € 1 mln
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

BTW-vrijstelling Post

102

98

94

89

86

82

78

Een toelichting op deze fiscale regeling is opgenomen in de internetbijlage 12 bij de Miljoenennota (Toelichting op de belastinguitgaven).

12 Een sterk innovatievermogen

Algemene doelstelling

Een sterker innovatievermogen van de Nederlandse economie.

  • De ambitie is de positie van Nederland in het Innovation Union Scoreboard te verbeteren naar de groep van innovatieleiders. Nederland neemt nu de vijfde plaats in en is daarmee de hoogst scorende innovatievolger.

  • In het kader van de Europa 2020-strategie stelt Nederland zich ten doel dat in 2020 2,5% van het bruto binnenlands product aan onderzoek en ontwikkeling (R&D) wordt uitgegeven.

  • Bovendien is het een ambitie van het bedrijvenbeleid dat publieke en private partijen in 2020 voor tenminste € 800 mln participeren in Topconsortia voor Kennis en Innovatie, waarvan tenminste 40% gefinancierd wordt door het bedrijfsleven.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Economische Zaken is Rijksbreed verantwoordelijk voor versterking van het innovatievermogen, in het bijzonder gericht op het bedrijfsleven, om te komen tot:

  • nieuwe of sterk verbeterde producten, processen of diensten;

  • administratieve, organisatorische of marketinginnovatie.

Samen met de bewindspersonen van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is de Minister van Economische Zaken verantwoordelijk voor het coördineren en borgen van de publieke kennisinfrastructuur voor toegepast en fundamenteel onderzoek.

Vanuit deze verantwoordelijkheden heeft de Minister een stimulerende en regisserende rol:

Stimuleren

  • Het stimuleren van extra investeringen in R&D en innovatie in generieke zin en specifiek ten aanzien van topsectoren, door alle bedrijven, inclusief het MKB.

  • Het stimuleren van privaat-publieke samenwerking tussen kennisinstellingen en bedrijven, zoals in de topconsortia voor kennis en innovatie (TKI).

  • Het stimuleren van Europese en internationale samenwerking op het gebied van innovatie en samen met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het stimuleren van Europese en internationale samenwerking op het gebied van R&D.

Regisseren

  • De kabinetsbrede regie van het topsectorenbeleid en de invulling van de kennis- en innovatiecontracten.

  • Het regisseren van een effectief stelsel voor kennisbescherming en -benutting.

  • Het regisseren van het Nederlandse lucht- en ruimtevaartbeleid.

Voorts heeft de Minister een financierende en faciliterende rol bij het versterken van de innovatiekracht via het Toekomstfonds, zoals beschreven in artikel 19.

In het kader van motie Schouw (TK 21 501-20, nr. 537) worden de landenspecifieke aanbevelingen voor Nederland in de departementale begrotingen opgenomen. De Europese Commissie heeft in 2015 Nederland voor onderzoek en innovatie het volgende aanbevolen:

«Overheidsuitgaven verschuiven naar de ondersteuning van investeringen in onderzoek en ontwikkeling (O&O) en werken aan randvoorwaarden voor de verbetering van particuliere O&O-uitgaven, teneinde de neerwaartse trend in de publieke O&O-uitgaven te keren en het potentieel voor economische groei te vergroten.» Hoewel de innovatiekracht van Nederland nog altijd goed is1, is het van belang om investeringen op een hoger peil te brengen om groei op lange termijn te versterken om de doelstelling in 2020 2,5% van het BBP te besteden aan onderzoek en innovatie in zicht te houden. Het kabinet stimuleert private uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling via fiscale maatregelen die bewezen effectief zijn zoals de WBSO en de topsectorenaanpak. Met het oog op de toekomst, is het van belang om verdere mogelijkheden te benutten om zowel de publieke als private bestedingen aan onderzoek en innovatie op een hoger peil te brengen. Zo zal worden bezien in hoeverre private partijen nog meer geprikkeld kunnen worden om deel te nemen aan langjarige (meer risicovolle) PPS-programma’s. Daarnaast wordt bezien in hoeverre het fiscale ondernemerschaps-instrumentarium effectiever kan worden gericht op onder andere het bereiken van meer maatschappelijk rendement in termen van innovatie, productiviteitsgroei, ondernemersklimaat en werkgelegenheid. Verder kan het goed benutten van de additionele financieringsmogelijkheden van het Europees Fonds voor Strategische Investeringen leiden tot meer investeringen in onderzoek en innovatie. Tenslotte draagt het Toekomstfonds (artikel 19) bij aan intensivering van publieke en private uitgaven aan R&D.

Indicator

Referentiewaarde1

Peildatum

Raming 2016

Streefwaarde

Planning

Bron

R&D-uitgaven als % van het BBP2

1,98%

2013

2,0%

2,5%

2020

CBS

– waarvan private sector

1,10%

2013

1,1%

n.v.t.

 

CBS

– waarvan publieke sector

0,88%

2013

0,9%

n.v.t.

 

CBS

X Noot
1

In de meest recente R&D-cijfers van het CBS, gepubliceerd in mei 2015, heeft een methodiekverandering plaatsgevonden ten opzichte van de cijfers die in de begroting voor 2015 en het jaarverslag over 2014 zijn gepresenteerd. Diverse organisaties die eerder tot de bedrijvensector werden gerekend zijn nu als private non-profitorganisaties aangemerkt en daarmee bij de researchinstellingen ondergebracht. Het CBS publiceert geen aparte gegevens over de R&D-uitgaven in de private non-profitorganisaties. Daarom zijn deze in de onderhavige tabel meegenomen in de categorie R&D-uitgaven in de publieke sector, hoewel ze feitelijk beschouwd onder de R&D-uitgaven in de private sector vallen.

X Noot
2

De getoonde uitsplitsing van R&D-uitgaven naar publieke en private sector heeft betrekking op de sector waarbinnen het onderzoek wordt uitgevoerd, niet op de financieringsbron

Kengetallen: Innovatieprestaties van Nederland

Kengetal

2010

2011

2012

2013

2014

Innovation Union Scoreboard: positie Nederland in de EU

8e

7e

5e

6e

5e

Bron: Europese Commissie (Innovation Union Scoreboard 2015)

         

Toelichting

Op 7 mei 2015 heeft de Europese Commissie de nieuwe editie van het Innovation Union Scoreboard gepubliceerd. Deze ranglijst geeft de innovatiekracht van de 28 EU-landen weer op basis van 25 indicatoren. Nederland steeg een plaats – van 6 naar 5 – en werd daarmee leider van een groep «innovatievolgers». Dit kwam enerzijds doordat de score van Luxemburg (vorig jaar nummer 5) daalde, anderzijds steeg de score van Nederland met 0,3% iets sterker dan die van het EU-gemiddelde (0,2%) en kwam daarmee dichterbij de groep innovatieleiders. De stap naar de groep leiders is echter nog een grote. Om tot die groep te behoren moet een land tenminste 20% boven het EU-gemiddelde presteren. Binnen die groep zagen Zweden, Finland en Duitsland hun prestatie afnemen, alleen Denemarken boekte groei. Kijkend naar de ontwikkeling van de 25 onderliggende indicatoren resulteert voor Nederland een gemengd beeld wat betreft de innovatieprestatie. Sterke punten zijn onderzoekkwaliteit, octrooiaanvragen, PPS en innovatieomzet. Relatief zwak zijn bedrijfsinvesteringen in R&D en beschikbaarheid van risicokapitaal. Een uitgebreidere toelichting wordt opgenomen in de Monitor Bedrijvenbeleid 2015.

Voor de kengetallen over het aantal aangevraagde octrooien en handelsmerken, het aandeel innoverende bedrijven en de mate van samenwerking met publieke kennisinstellingen wordt verwezen naar de Monitor Bedrijvenbeleid die elk jaar in het najaar verschijnt.

Beleidswijzigingen

Samenvoeging WBSO/RDA

Het kabinet is voornemens de WBSO en de Research- & Development Aftrek (RDA) per 2016 samen te voegen tot één fiscale S&O-regeling, waarbij het financiële voordeel wordt verrekend met de loonheffing. Dit voornemen staat nader toegelicht in het Belastingplan 2016. Door de WBSO en de RDA te integreren, wil het kabinet de effectiviteit van deze regelingen verbeteren en de aanvraagprocedure voor bedrijven vereenvoudigen. De integratie leidt naar verwachting ook tot een vereenvoudiging van de werkprocessen van de Belastingdienst.

Voortzetting samenwerking Rijk/regio in de MKB innovatiestimulering Topsectoren (MIT)

De samenwerking met provincies op MIT die in 2015 ten volle is gestart wordt in 2015, het eerste uitvoeringsjaar, zorgvuldig gemonitord en geanalyseerd. Mede op basis daarvan wordt de uitvoering in 2016 waar nodig verbeterd en wordt de samenwerking met de provincies zo mogelijk verder uitgebreid.

InnovatiePrestatieContracten (IPC)

Met de toedeling van middelen op basis van het amendement Van Veen/Vos zal de IPC-regeling – net als in 2015 – ook in 2016 met een budget van € 3 mln worden opengesteld. Innovatieprestatiecontracten (IPC) is een subsidie voor samenwerkende MKB-bedrijven in dezelfde regio, keten of branche die een meerjarig innovatietraject uitvoeren. De generieke IPC-regeling liep eerder van 2007–2013 en werd in 2010 positief geëvalueerd. In 2014 maakte de IPC-regeling specifiek voor topsectoren deel uit van de MIT-regeling.

Unitair octrooi

Naar verwachting zal in 2016 het nieuwe Europese octrooisysteem in werking treden, waarmee het voor personen, bedrijven of instellingen, gemakkelijker en goedkoper wordt om uitvindingen binnen Europa te beschermen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

VERPLICHTINGEN

656.850

592.947

488.218

475.366

470.568

471.324

510.251

UITGAVEN

695.721

572.543

528.564

509.118

494.663

502.001

511.530

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

88%

       
               

Leningen1

72.107

           

Innovatiefonds (IF): innovatiekrediet

43.282

           

IF: risicokapitaal

13.430

           

IF: Dutch Venture Initiative/Fund of Funds/Vroege fase/informal Investors

12.395

           

IF: Rom’s

3.000

           
               

Subsidies

49.598

93.870

57.645

55.260

50.076

49.353

55.782

MKB Innovatiestimulering Topsectoren (MIT)

16.398

45.662

34.022

31.103

29.153

28.289

34.718

Eurostars

7.299

10.555

13.098

15.502

18.226

18.376

18.376

Lucht- en Ruimtevaart

7.317

26.224

4.874

4.302

1.798

1.798

1.798

Overig

18.584

11.429

5.651

4.353

899

890

890

               

Opdrachten

1.151

1.240

1.493

1.246

1.219

1.228

1.228

Onderzoek en opdrachten

1.151

1.240

1.493

1.246

1.219

1.228

1.228

               

Bijdragen aan agentschappen

65.706

61.823

56.727

54.145

50.859

50.871

50.726

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland

65.462

61.185

56.444

53.862

50.576

50.588

50.588

Agentschap Telecom

244

638

283

283

283

283

138

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

138.851

121.747

134.750

129.131

127.019

127.019

127.019

TNO

138.851

121.747

134.750

129.131

127.019

127.019

127.019

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

368.312

293.863

277.949

269.336

265.490

273.530

276.775

Toeslag Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI-toeslag)

58.011

51.346

75.364

94.196

106.340

113.598

118.598

Internationaal Innoveren

4.539

14.039

23.679

33.707

39.724

39.724

39.724

Topsectoren overig

171.756

119.499

68.613

45.264

35.237

36.018

34.118

Marin, Deltares, NLR

43.028

44.407

32.344

30.983

30.081

30.081

30.081

Ruimtevaart (ESA)

90.154

64.061

76.776

64.013

52.935

52.936

53.081

Overig

824

511

1.173

1.173

1.173

1.173

1.173

               

ONTVANGSTEN

61.491

44.013

45.449

48.946

50.242

52.437

49.593

Luchtvaartkredietregeling

2.523

3.800

5.777

9.695

12.203

14.125

11.281

Technische Ontwikkelingsprojecten (TOP)

860

3.000

2.000

500

     

Rijksoctrooiwet

35.182

31.212

32.512

32.512

31.212

31.212

31.212

Innovatiekredieten

8.685

           

Seed

3.209

           

Fund of Funds

103

           

Ontvangsten ROM’s

2.999

           

Eurostars

248

2.413

3.572

4.651

5.239

5.512

5.512

Diverse ontvangsten

7.660

3.588

1.588

1.588

1.588

1.588

1.588

X Noot
1

Met de nota van wijziging op de Ontwerpbegroting 2015 is het onderdeel Leningen (Innovatiefonds) onderdeel geworden van artikel 19 Toekomstfonds.

Budgetflexibiliteit

Subsidies: De beleidsbudgetten worden per jaar gepubliceerd. Van het beschikbare bedrag in 2016 is 57% juridisch verplicht. Het betreft onder andere uitfinanciering van tot en met 2015 aangegane verplichtingen. Het budget van de regeling MKB Innovatiestimulering Topsectoren (totaal € 34 mln) is voor € 16,7 mln nog niet juridisch verplicht. Van het totale budget subsidies heeft 3% betrekking op de rente luchtvaartkredietregeling. Dit budget is bestuurlijk gebonden.

Opdrachten: Van het opdrachtenbudget is 63% juridisch verplicht. Het betreft de uitfinanciering van in voorgaande jaren aangegane verplichtingen.

Bijdragen aan agentschappen: Het budget betreft de financiering van het opdrachtenpakket 2016 aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en Agentschap Telecom en is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen ZBO’s/RWT’s: Het budget betreft de uitfinanciering van de verplichting 2016 aan TNO. Het budget is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties: Van dit bedrag is 86% juridisch verplicht. Dit betreft vooral de bijdragen aan de TO2-instituten, Stichting Technische Wetenschappen, verschillende Technologische Topinstituten en de uitfinanciering van verschillende innovatieprogramma’s. € 27,8 mln van het budget van de TKI-toeslagregeling is nog niet juridisch verplicht. Dit betreft circa 10% van het totale budget voor (inter)nationale organisaties. De juridische verplichting hiervan zal naar verwachting in 2016 worden aangegaan.

Toelichting op de financiële instrumenten

Het innovatiebeleid heeft twee sporen: het generieke spoor en het specifieke spoor. Het generieke spoor bestaat uit het fiscale innovatie-instrumentarium (WBSO, RDA, innovatiebox), het Innovatiefonds MKB+ (onderdeel van het Dutch Venture Initiative) en Eurostars. De generieke instrumenten beogen – tegen geringe uitvoeringskosten – bedrijven in de volle breedte van de economie aan te zetten tot innovatie.

Het specifieke spoor heeft betrekking op de topsectorenaanpak. De kern van het specifieke beleid is publiek-private samenwerking (PPS). Een essentieel onderdeel daarvan zijn de innovatiecontracten. Daarin formuleren bedrijven, kennisinstellingen en overheden, samen de «gouden driehoek», op het gebied van innovatie en kennis de agenda’s en de programma’s, waarbij ook de inzet van middelen van de betrokken partijen is bepaald. Door een intensievere samenwerking tussen de excellente Nederlandse publieke kennisinfrastructuur en bedrijven vindt de kennis beter zijn weg richting innovatieve producten en oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen. Vanuit budgettaire optiek zijn hier de bijdragen aan de toegepaste kennisinstellingen (TNO, DLO, Deltares, Marin, ECN en NLR), de TKI-toeslag en de MIT van belang.

In figuur 1 wordt een verdeling van middelen naar generieke en specifieke instrumenten getoond. Daaruit blijkt dat 90 procent van het totale budget voor innovatie-instrumenten toegankelijk is voor alle innovatieve bedrijven. In figuur 1 zijn bijdragen aan kennisinstellingen niet meegenomen, omdat die deels onder andere begrotingsartikelen vallen. De innovatiebox is niet meegenomen, aangezien de middelen daarvoor niet binnen dit begrotingsartikel vallen. Bij de specifieke instrumenten zijn de budgetten voor TKI-toeslag, MIT, JTI’s en Eurekaclusters meegeteld.

Figuur 1: budget innovatie-instrumenten 2015 verdeeld naar generiek en specifiek

Figuur 1: budget innovatie-instrumenten 2015 verdeeld naar generiek en specifiek

Een andere manier om naar de samenhang van middelen voor innovatiebevordering bij bedrijven te kijken, is door onderscheid te maken naar grootteklasse van de ontvangende ondernemingen. Het MKB (bedrijven met minder dan 250 werkzame personen) is in termen van uitgevoerde R&D met 41% bijna net zo belangrijk als het grootbedrijf met 59% (zie figuur 2b, bron: CBS, ICT, Kennis en economie 2015). In vergelijking hiermee, toont figuur 2a dat het MKB een relatief ruim aandeel (65%) van de innovatiemiddelen ten gunste van bedrijven ontvangt. In figuur 2a zijn de middelen voor de TKI-toeslag en de toegepaste kennisinstellingen niet meegenomen, omdat deze niet rechtstreeks aan bedrijven beschikbaar gesteld worden.

Een goede verbinding met de initiatieven van de EU en andere landen is integraal onderdeel van het Nederlandse innovatiebeleid. Essentieel is de band tussen de topsectoren en de EU-programma’s op het terrein van kennis en innovatie. Het topsectorenbeleid maakt bovendien gericht werk van bilaterale contacten en economische diplomatie.

De uitgaven aan onderzoek en innovatie van alle departementen gezamenlijk worden door het Rathenau Instituut jaarlijks berekend en openbaar gemaakt in de publicatie Totale Investeringen in Wetenschap en Innovatie (TWIN).

Subsidies

MKB Innovatiestimulering Topsectoren (MIT)

De instrumenten onder MIT bestaan uit innovatieadviesprojecten, haalbaarheidsprojecten, R&D- samenwerkingsprojecten, en vouchers. Daarnaast kunnen TKI’s binnen het MIT subsidie aanvragen voor netwerkactiviteiten en innovatiemakelaars voor het MKB. De doelstellingen van de MIT zijn:

  • 1. Zoveel mogelijk MKB ondernemers aan te laten sluiten bij de topsectoren. De streefwaarde wordt uitgedrukt in aantallen deelnemers aan de MIT.

  • 2. Innovatieve MKB bedrijven zoveel mogelijk te laten samenwerken bij onderzoek en innovatie, zowel met elkaar als met kennisinstellingen. Dit doel zal getoetst worden in een evaluatie, die naar verwachting in 2017 wordt afgerond. Daarnaast zal op termijn worden nagegaan waar de diverse projecten toe hebben geleid in termen van bijvoorbeeld vervolgonderzoek en ontwikkelen van nieuwe producten.

Voor 2016 wordt door EZ een budget beschikbaar gesteld van € 35,5 mln waarin tevens de ophoging als gevolg van het amendement Van Veen/Vos is verwerkt. Middels cofinanciering van de regio zal dit bedrag ook in 2016 verder worden vergroot, maar de exacte omvang hiervan is nog niet bekend.

De samenwerking met de regio’s is in 2015 verder uitgebouwd, daarbij geruggesteund door onder meer de motie Mulder2. Deze samenwerking wordt in dat eerste uitvoeringsjaar zorgvuldig gemonitord en geanalyseerd. Mede op basis daarvan wordt de uitvoering in 2016 waar nodig verbeterd en wordt de samenwerking met de regio’s zo mogelijk verder uitgebreid.

Het aantal deelnemers in 2016 aan MIT zal naar verwachting ongeveer gelijk zijn als het aantal in 2015.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Streefwaarde 2016

Bron

Aantal bedrijven dat deelneemt aan MIT1

662

2014

1.7002

RVO.nl

Omvang private R&D-uitgaven ondersteund met MIT (x € 1 mln)

€ 61

2014

€ 81,5

RVO.nl

X Noot
1

Ter beperking van de administratieve lasten voor de TKI’s worden de activiteiten netwerkbijeenkomsten en innovatiemakelaars niet meer meegenomen in de berekening van het aantal bedrijven.

X Noot
2

Dit aantal is gebaseerd op subsidiebudget van € 50,5 mln – (evenals in 2015) waarvan € 35,5 mln afkomstig van EZ (waarvan € 15 mln ingezet als cofinanciering voor decentrale uitvoering) en € 15 mln afkomstig vanuit provincies – en de gehanteerde subsidiepercentages.

Toelichting

Het aantal bedrijven dat deelneemt en daarmee de realisatiewaarde en streefwaarde, is rechtstreeks afhankelijk van de hoogte van het budget en van het budget per instrumenten. Dat kan per jaar verschillen. Naar verwachting zullen er met € 50,5 mln circa 1.700 bedrijven kunnen deelnemen.

Eurostars

Eurostars is een internationaal programma dat 34 deelnemende landen en de EU gezamenlijk financieren. De regeling Eurostars is met name gericht op het hightech MKB en ondersteunt bedrijven en kennisinstellingen die met buitenlandse partijen in Europa willen samenwerken in projecten die gericht zijn op marktgericht technologisch onderzoek en ontwikkeling. Dankzij deelname aan Eurostars-projecten krijgen Nederlandse bedrijven en organisaties toegang tot de kennis en R&D-resultaten van buitenlandse bedrijven en organisaties.

Eurostars II is in 2014 gestart om vervolg te geven aan het Eurostars I-programma van de periode 2007–2013. Voor het totale beleidsbudget van Eurostars II is bijna een verdrievoudiging voorzien voor de komende zeven jaar ten opzichte van Eurostars I. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan de grote belangstelling vanuit bedrijven en kennisinstellingen. Met de brief van 28 mei 2015 (TK, 32 637, nr. 183) is de Kamer geïnformeerd over de resultaten van Nederlandse deelnemers aan de eerste calls van Eurostars-2.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Streefwaarde

Planning

Bron

Aantal Nederlandse deelnemers aan Eurostars

20

2014

50

2016

RVO.nl

– waarvan bedrijven

13

 

40

   

– waarvan hightech MKB (%)

100%

 

85%

   

Door Eurostars ondersteunde private R&D-uitgaven van Nederlandse deelnemers (x € 1 mln)

7

2014

20

2016

RVO.nl

Toelichting

De referentiewaarden in bovenstaande tabel hebben betrekking op alle projecten die in 2014 gerealiseerd werden. Wat het aantal deelnemers betreft tonen bovenstaande cijfers de organisaties die in 2014 succesvol aan een call hebben deelgenomen. De omvang van de ondersteunde private R&D-uitgaven is de som van de door Nederlandse deelnemers opgegeven subsidiabele kosten op het moment van commitering, verminderd met het subsidiebedrag.

De EU stelt in totaal € 287 mln beschikbaar voor het Eurostars-II-programma tijdens de looptijd van H2020. Bovengenoemde streefwaarden zijn gebaseerd op de Nederlandse financiering voor Eurostars inclusief de EU-bijdrage, die bestaat uit maximaal een derde van het bedrag dat nationale overheden aan financiering voor Eurostars-projecten toekennen.

Lucht- en Ruimtevaart

Deze post heeft betrekking op de uitfinanciering van het specifieke luchtvaartbeleid (de luchtvaartkredietregeling en het Nationaal Programma Luchtvaart).

Opdrachten

Onderzoek en opdrachten

Uit dit budget worden beleidsonderzoek, verplichte evaluaties van beleidsinstrumenten en beleidsdoorlichtingen gefinancierd.

Bijdragen aan agentschappen

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl)

De uitvoering van de meeste van de innovatie-instrumenten, zoals WBSO, Eurostars, ondersteuning van het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (Horizon 2020), MKB Innovatiestimulering Topsectoren en TKI Toeslag, wordt verzorgd door RVO.nl. Dit betreft activiteiten als beoordeling van aanvragen, bedrijfscontroles, voorlichting over de instrumenten en het terugontvangen van kredieten. Daarnaast heeft RVO.nl ook andere taken:

  • Het netwerk van Innovatie Attachés is een onderdeel van RVO.nl en bevordert de samenwerking van Nederlandse bedrijven, kennisinstellingen en overheidsorganisaties met het buitenland met als doel het innovatievermogen van Nederland te versterken. Daarbij concentreert het zich op de internationalisering van de innovatiecontracten van de topsectoren en speelt het in op nieuwe technologische ontwikkelingen die voor de Nederlandse kenniseconomie en de hele innovatieketen van belang zijn.

  • Een goed functionerend stelsel van intellectuele eigendomsrechten is een belangrijke voorwaarde voor een innoverende en dynamische kenniseconomie en voor het versterken van de innovatiekracht van bedrijven. Essentieel daarbij is het vinden van de juiste balans tussen enerzijds kennisbescherming en anderzijds de verspreiding en benutting van kennis. Octrooicentrum Nederland, onderdeel van RVO.nl, is belast met het uitvoeren van taken die bij of op grond van wetten of verdragen zijn opgedragen zoals bijvoorbeeld de verlening en registratie van octrooien, de inning van taksen, de vertegenwoordiging van Nederland in Europese en mondiale organisaties en de uitvoering van andere wettelijke taken onder de Rijksoctrooiwet 1995 evenals de nakoming van Europese en internationale verplichtingen. Voor het stimuleren en het toegankelijk maken van het gebruik van het octrooisysteem en van de kennis die in octrooidatabanken is opgeslagen, geeft Octrooicentrum Nederland voorlichting en advies aan bedrijven, kennisinstellingen, overheden en uitvinders.

Agentschap Telecom

De uitvoering, het toezicht en de handhaving van de bepalingen van de Wet ruimtevaartactiviteiten wordt verzorgd door Agentschap Telecom. Het gaat om werkzaamheden die voortkomen uit aanvragen voor een ruimtevaartvergunning, registreren van ruimtevoorwerpen, deelname aan internationale gremia, adviseren en voorlichting geven over ruimtevaartactiviteiten.

Het wettelijke toezicht heeft betrekking op de afgifte van ruimtevaartvergunningen.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

TNO

TNO (Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek) werkt samen met vijf andere instituten in de federatie Toegepaste Onderzoek Organisaties (TO2). EZ investeert samen met enkele andere ministeries in deze instituten, omdat hier onafhankelijk onderzoek in Nederland plaatsvindt dat kansen kan creëren voor innovatie en economische groei en dat een bijdrage levert aan de publieke kennis op terreinen van maatschappelijk belang.

TNO bestrijkt een breed onderzoeksgebied op het terrein van meerdere topsectoren, met name HTSM, energie en agri&food. Daarnaast ontwikkelt het kennis op een aantal maatschappelijke thema’s, met name defensie, maatschappelijke veiligheid, leefomgeving, en arbeid & gezondheid.

Het budget voor TNO is vanaf 2016 verhoogd met € 17 mln, dit in verband met de gevolgen van jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie met betrekking tot de BTW.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Toeslag Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI-toeslag)

In 2013 zijn de Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s) gestart met het bundelen en stroomlijnen van de onderzoeksprogrammering in de gehele kennisketen. Mede om de werkwijze van de TKI’s te vereenvoudigen hebben in 2013 alle belanghebbenden, waaronder de topteams, afspraken gemaakt over de programmering van fundamenteel en toegepast onderzoek en bijbehorende modellen voor intellectueel eigendom. In 2014 is begonnen met de verdere vereenvoudiging en uniformiteit van de werking van de TKI’s en is tevens de TKI-toeslag vereenvoudigd. In 2015 is de TKI-toeslagregeling verder vereenvoudigd en geflexibiliseerd door meer ANBI (Algemeen nut beogende instellingen)-bijdragen toe te staan. In 2016 zal de TKI-regeling zo ontwikkeld zijn dat het een stevige bijdrage levert aan privaat-publieke samenwerking bij kennis en innovatie.

De TKI-regeling stimuleert privaat-publieke samenwerkingsprogramma’s in lijn met de onderzoeksagenda’s van de topsectoren en de maatschappelijke uitdagingen. De TKI’s zijn daarbij programmerend en regisserend.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2016

Streefwaarde

Planning

Bron

Omvang middelen PPS-programma’s TKI (x € 1 mln)

780

2014

750

800

2020

TKI (bewerking RVO)

– waarvan private middelen (%)

44% (340)

2014

40%

40%

2020

TKI (bewerking RVO)

Toelichting

De indicator -omvang van middelen in privaat-publieke samenwerkingsprogramma’s- is een schatting op basis van de door TKI’s opgegeven private middelen in PPS («grondslag»). In 2014 hebben private partijen voor € 340 mln cash bijgedragen aan privaat-publieke samenwerkingsprojecten op basis waarvan de TKI’s toeslag hebben aangevraagd.

Op basis van eerdere programma’s bedraagt het private deel van de financiering 44% van het totaal. Daarmee komt de geschatte totale PPS-projectomvang waarvoor TKI-toeslag is aangevraagd in 2014 op € 780 mln. Doordat steeds meer informatie beschikbaar komt over de verhouding tussen private en publieke middelen binnen PPS projecten, kan deze indicator steeds beter geschat worden.

Horizon 2020/Internationaal Innoveren

Horizon 2020 (H2020, looptijd 2014–2020), het Europese financieringsprogramma voor onderzoek en innovatie, is de opvolger van het Zevende Kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling (KP7). Horizon 2020 omvat programma’s die in KP7 zaten, de innovatie gerelateerde onderdelen die in de vorige periode waren ondergebracht in het Concurrentiekracht en Innovatie Programma (CIP) en het Europees Instituut voor Innovatie en Technologie (EIT).

Het doel van H2020 is de wetenschappelijke en technologische basis van Europa te versterken, evenals de concurrentiekracht van het Europese bedrijfsleven. Daarnaast is ontwikkeling en benutting van kennis voor het oplossen van maatschappelijke uitdagingen een belangrijk uitgangspunt.

Het budget van H2020 is in het meerjarig financieel kader vastgesteld op € 70,2 mld constante prijzen en is hiermee mondiaal het grootste grensoverschrijdende programma voor onderzoek en innovatie. De verdeling van de middelen vindt plaats op basis van competitie waarbij objectieve criteria worden gehanteerd en de beste voorstellen worden gehonoreerd.

Net als in 2015 gaat voor EZ de aandacht uit naar het verbinden van H2020 met het nationale innovatiebeleid, in het bijzonder de topsectoren, het op peil houden van de deelname van Nederlandse partijen en het vergroten van de bedrijfsdeelname (vooral het MKB). Daarnaast wordt ook nadrukkelijk aansluiting gezocht met de structuurfondsen. De RVO.nl stimuleert in opdracht van EZ en andere departementen Nederlandse deelname aan H2020.

De geraamde reeks voor internationaal innoveren is gereserveerd voor de rijkscofinanciering op Nederlandse deelname in de EU-programma’s Eureka en Joint Technology Initiatives.

Indicator

Referentiewaarde1

Peildatum

Streefwaarde2

Planning

Bron

Aantal Nederlandse deelnemers aan KP7/ H2020

493

2014

1.350

2016

RVO/EC

– waarvan bedrijven

337

 

900

   

Omvang KP7/H2020-middelen voor Nederlandse deelnemers (retour in mln euro)

€ 659

2014

3

2016

RVO/EC

– waarvan bedrijven (%)

26,5%

 

25%

   

Retourpercentage voor Nederland (%)

7,6%

2014

7%

2016

RVO/EC

X Noot
1

De referentiewaardes betreffen de voorlopige cijfers van H2020 uit 2014 (peildatum 30 juli 2015; in deze cijfers is ook een klein deel van 2015 opgenomen).

X Noot
2

De streefwaarden voor 2016 betreffen cumulatieve cijfers van H2020 (2014–2016)

X Noot
3

Bij het opmaken van de begroting was nog niet bekend welk deel van de Europese H2020-middelen beschikbaar komt voor calls, waardoor deze streefwaarde nog niet kon worden vastgesteld.

Toelichting

De referentiewaardes in de bovenstaande tabel betreffen de voorlopige cijfers van H2020 uit 2014 (peildatum 30 juli 2015). De cijfers worden mogelijk aangepast wanneer de definitieve cijfers over dit jaar bekend zijn. De cijfers geven een beeld van de resultaten uit het eerste jaar bij een nieuwe structuur en opzet van Europese onderzoeks- en innovatiefinancieringsprogramma H2020.

De streefwaarden in de tabel zijn cumulatieve ramingen van deelname tot en met 2016 die gebaseerd zijn op basis van voorlopige cijfers H2020 uit 2014.

Naar verwachting zal de concurrentie met andere lidstaten in H2020 toenemen omdat ook de Midden- en Oost-Europese «nieuwe» landen kwalitatief beter worden in onderzoek en innovatie. Uit de voorlopige H2020 cijfers uit 2014 blijkt dat het aantal ingediende voorstellen dan ook is toegenomen en de gemiddelde slaagkans voor deelname omlaag is gegaan.

Voor 2016 is het streven om 7,0% retourpercentage – door Nederlandse participanten te behalen – te realiseren van het bedrag dat de Europese Commissie in calls beschikbaar stelt voor 2016. Dit bedrag is nog niet bekend. Het streven is voorts dat bedrijven een aandeel van 25% hebben in de H2020 middelen voor Nederlandse deelnemers, in lijn met de doelstellingen van H2020.

Toegepaste Onderzoek organisaties (TO2)

TO2 bestaat uit zes instituten. Naast TNO (Nederlandse organisatie voor Toegepast-Natuurwetenschappelijk Onderzoek) (zie «bijdragen aan ZBO’s/RWT’s») zijn dit:

  • Deltares (Delta Research): instituut op het gebied van deltatechnologie. Deltares levert bijdragen aan innovatieve oplossingen voor water-, ondergrond- en deltavraagstukken die het leven in delta’s, kust- en riviergebieden veilig, schoon en duurzaam maken.

  • MARIN (Maritiem Research Instituut Nederland): instituut op het gebied van hydromechanisch en nautisch onderzoek.

  • NLR (Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium): instituut op het gebied van militaire (ten behoeve van het Ministerie van Defensie) en civiele luchtvaart (ten behoeve van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu).

  • ECN (Energieonderzoek Centrum Nederland) en DLO (Dienst Landbouwkundig Onderzoek): deze instituten worden toegelicht in respectievelijk artikel 14 en 16.

De TO2 instituten verrichten onderzoek op de uitwerking van de agenda’s van de topsectoren uit het bedrijfslevenbeleid. Hiervoor zijn nadere spelregels afgesproken (TK, 28 753 nr. 30) die in publiekprivate samenwerkingsverbanden in topsectoren maatgevend zullen zijn. Daarnaast verrichten de TO2-instituten onderzoek in het kader van maatschappelijke thema’s zoals leefomgeving, maatschappelijke veiligheid, arbeid en gezondheid en voor onderzoek ten behoeve van (wettelijke) taken van de overheid.

Met de Kabinetsvisie op toegepast onderzoek (TK, 32 637 nr. 68) is een aantal beleidsmaatregelen aangekondigd. De belangrijkste actiepunten voor 2016 inzake toegepast onderzoek zijn:

Verdere uitwerking geven aan de rol die de instituten spelen in de innovatiecontracten en in het bijzonder de Topconsortia voor Kennis en Innovatie.

Een scherpere balans tussen een sterke publieke kennisbasis en het flexibel inspelen op en nader invullen van de vraag uit de topsectoren.

De uitvoering van een uniforme evaluatie voor alle zes TO2 instituten.

De uitwerking van een uniform juridisch kader voor alle zes TO2 instituten.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Streefwaarde

Planning

Bron

Klanttevredenheid Deltares

7,91

2014

8,0

2016

Deltares

Klanttevredenheid Marin

9,0

2014

8,0

2016

Marin

Klanttevredenheid NLR

8,7

2014

8,0

2016

NLR

Klanttevredenheid TNO

8,3

2014

8,0

2016

TNO

X Noot
1

De wijze waarop Deltares over 2014 klanttevredenheid heeft gemeten verschilt met de manier waarop de andere TO2 instituten dat gedaan hebben en is daarom niet vergelijkbaar. Met ingang van 2015 meten alle TO2 instituten klanttevredenheid op dezelfde manier.

NB: Klanttevredenheid ECN is opgenomen in EZ begrotingsartikel 14. Klanttevredenheid ECN is 8,6.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Streefwaarde

Planning

Bron

Kennisbenutting Deltares

>80%

2016

Deltares

Kennisbenutting Marin

>80%

2016

Marin

Kennisbenutting NLR

>80%

2016

NLR

Kennisbenutting TNO

>80%

2016

TNO

NB1: Kennisbenutting DLO en ECN zijn opgenomen in de EZ begrotingsartikelen 14 en 16. Kennisbenutting van door EZ gefinancierd agro onderzoek is 85% (waaronder veel onderzoek uitgevoerd door DLO).

NB2: Over 2015 wordt voor het eerst kennisbenutting op een uniforme wijze gemeten. De referentiewaarde zal worden gebaseerd op die meting.

Toelichting

In 2015 zijn alle TO2 instituten overgegaan op een nieuwe, uniforme methode voor het meten van klanttevredenheid en kennisbenutting. De scores in bovenstaande tabellen geven de gerealiseerde waarden van klanttevredenheid en kennisbenutting voor al het onderzoek dat de TO2 in opdracht uitvoeren (het betreft dus zowel PPS onderzoek, als onderzoek in opdracht van private klanten als onderzoek in opdracht van de publieke sector, tenzij anders vermeld). Over 2014 is een uniforme meting van klanttevredenheid uitgevoerd, daarop is de referentiewaarde voor klanttevredenheid gebaseerd. In 2015 zal voor het eerst ook kennisbenutting uniform worden gemeten, dat zal de basis vormen voor de referentiewaarde van kennisbenutting. Over deze indicatoren wordt nader gerapporteerd in de monitor Bedrijfslevenbeleid. In de Visie op het toegepaste onderzoek (TK 2012–13, 32 637 nr. 68) is aangegeven dat het kabinet de instituten in de toekomst op kwaliteit en maatschappelijke impact van het onderzoek wil beoordelen. Daartoe wordt in 2015 een uniform evaluatie- en monitoringskader ontwikkeld waarmee de instituten in 2017 geëvalueerd worden. Tevens wordt in 2015 een eerste meting uitgevoerd.

Topsectoren overig

Stichting voor de Technische Wetenschappen (STW, onderdeel van NWO) financiert technisch wetenschappelijk onderzoek aan Nederlandse universiteiten en instituten. Met de bijdrage van EZ worden de Perspectiefprogramma’s gefinancierd, die worden ingezet voor innovatiecontracten van topsectoren. Voor de bijdrage aan STW is structureel circa € 20 mln per jaar beschikbaar.

De perspectiefprogramma’s van STW worden inhoudelijk ingebed in de innovatiecontracten van de topsectoren. Dat gebeurt door de onderzoeksvoorstellen behalve op excellentie en utilisatie ook te toetsen op de mate waarin voorstellen passen in onderzoekroadmaps van topsectoren.

Deze post bevat daarnaast de middelen die gereserveerd zijn voor de afbouw van een aantal FES-projecten. Ook de afbouw van de voormalige Innovatieprogramma’s, waaronder Point One, wordt hier geraamd. Tot slot worden enkele kleine posten met betrekking tot het huidige topsectorenbeleid onder deze post verantwoord.

Ruimtevaart (ESA)

De financiële bijdrage aan Ruimtevaart bestaat uit verplichte programma’s (contributie) van European Space Agency (ESA) en uit gerichte inschrijving op optionele programma’s van ESA. De ingeschreven middelen worden via open competitie in contracten uitgezet bij Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen (Geo Return systeem). Daarnaast kent het Ruimtevaartbeleid een (beperkt) flankerend beleid waarin onder andere wetenschappelijke instrumenten ontwikkeld worden en de interactie met ESTEC. In dit beleid worden ook de middelen verantwoord voor de EZ-bijdrage om het TROPOMI-instrument te bouwen. Bovendien wordt in 2015 verder vorm en inhoud gegeven aan beleid om te bevorderen dat nieuwe diensten worden ontwikkeld op basis van satellietdata, die beschikbaar komen via de nieuwe Copernicus aardobservatiesatellieten van de EU en ESA en het satellietdataportaal van het Netherlands Space Office (NSO). Uitvoering van dit beleid is neergelegd bij het NSO. In 2015 en 2016 wordt gewerkt aan de voorbereiding van de ESA-Ministersconferentie, die naar verwachting eind 2016 zal plaatsvinden in Zwitserland.

Om de ambities van Nederland op het gebied van ruimtevaart financieel op peil te houden is vanaf 2018 € 13 mln door het Kabinet gereserveerd op Aanvullende post van de Rijksbegroting. Het betreft de middelen die in het Regeerakkoord beschikbaar zijn gesteld voor fundamenteel onderzoek (maatregel D 32).

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Streefwaarde

Planning

Bron

Aantal Nederlandse bedrijven dat deelneemt aan ruimtevaartprogramma’s ESA (1)

n.n.b.

2015

125

2016

ESA

Ruimtevaart geo-return/retour (%) (2)

1,09

2011

1

2016

ESA

Toelichting

  • 1) In het hier weergegeven getal zijn alle contracten van Nederlandse bedrijven met ESA opgenomen, ook de contracten die niet direct aan ruimtevaartprogramma’s zijn gekoppeld, maar gerelateerd zijn aan de vestiging van ESTEC in Nederland. Verschillende divisies van een bedrijf worden als afzonderlijke contractanten meegeteld. Er is geen referentiewaarde opgenomen omdat ESA in 2015 is gestart met een nieuwe, opgeschoonde database waardoor de waarde substantieel lager zal uitvallen, dan de cumulatieve waarden tot en met 2014. Bedrijven waarmee al enige tijd geen contracten zijn afgesloten zullen niet in het nieuwe databestand worden opgenomen. Het betreft een cumulatief getal op basis van databestanden van ESA vanaf 1 januari 2015.

  • 2) De prestatie-indicator «ruimtevaart geo-return/retour (%)» betreft research- en leveringsopdrachten van ESA aan de Nederlandse industrie en kennisinstellingen. Deze opdrachten komen voort uit de Nederlandse contributies aan diverse ruimtevaartprogramma’s van ESA. Daarbij wordt door ESA een retour van 0,9 (90%) van de bijdragen van lidstaten aan deze programma’s gegarandeerd. Een hogere retour dan 1 betekent dat Nederlandse bedrijven extra succesvol zijn bij het werven van ESA-orders, maar ook dat Nederland uit eigen middelen mogelijk moet compenseren aan lidstaten met een lagere retour dan 1; vandaar de streefwaarde van 1.

Budgettair belang fiscale maatregelen

Bedragen x € 1 mln
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Aftrek speur- en ontwikkelingswerk (WBSO)1

8

8

8

8

8

8

8

Afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO) 1

780

794

1.143

1.120

1.120

1.120

1.120

Research & Development Aftrek (RDA)

255

238

0

0

0

0

0

X Noot
1

De bedragen per 2016 hebben betrekking op de geïntegreerde WBSO en RDA. De geïntegreerde regeling gaat onder de naam WBSO verder.

S&O-afdrachtvermindering (WBSO)

De WBSO is de verzamelnaam voor de faciliteit afdrachtsvermindering speur- en ontwikkelingswerk (S&O) in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen en de S&O-aftrek in de Wet inkomstenbelasting. De WBSO is gericht op het stimuleren van Speur- en Ontwikkelingswerk (S&O) door het bedrijfsleven, door het verlagen van de aan S&O-gerelateerde kosten. De WBSO richt zich nu alleen op de loonkosten van S&O-medewerkers. Door de integratie met de RDA, zal de WBSO zich ook richten op de overige aan S&O-gerelateerde kosten en uitgaven. De RDA is thans vormgegeven als aftrekpost voor de winstbelasting (vennootschapsbelasting of inkomstenbelasting).

Parameters WBSO 2016

 

Tarief eerste schijf

32%

Tarief eerste schijf starters

40%

Loongrens eerste schijf

€ 350.000

Tarief tweede schijf

16%

Kengetallen

2010

2011

2012

2013

2014

Aantal bedrijven dat gebruik maakt van WBSO1

19.450

20.530

22.220

22.640

22.974

Door WBSO ondersteunde private R&D-uitgaven (S&O-loon, x € 1 mln)

3.377

3.571

3.854

3.917

3.997

Aantal bedrijven dat gebruik maakt van RDA2

n.v.t

n.v.t.

13.860

16.160

16.622

Door RDA ondersteunde private R&D uitgaven

(x € 1 mln)

n.v.t.

n.v.t

2.035

2.530

2.587

Bron: RVO

         
X Noot
1

Hier wordt bedoeld: ondernemingen, kennisinstellingen en zelfstandig ondernemers met een S&O-verklaring.

X Noot
2

Hier wordt bedoeld: ondernemingen en zelfstandig ondernemers met een RDA-beschikking.

Toelichting

Het aantal WBSO-gebruikers is in 2014 ten opzichte van 2013 met 1,5% gegroeid tot 22.974. Daarvan behoorde 97% tot het MKB. Van het toegekende budget ging 76% naar het MKB. Het aantal toegekende S&O-arbeidsjaren is met 2,2% gegroeid tot 83.468 S&O-arbeidsjaren. Aldus ondersteunde de WBSO circa € 3,4 mld van de S&O-loonuitgaven van bedrijven.

De RDA is in 2012 geïntroduceerd. Het aantal RDA-gebruikers is in 2014 is ten opzichte van 2013 met 3,1% gegroeid tot 16.622. Daarvan behoorde 98% tot het MKB. Van het toegekende RDA-bedrag ging 45% naar het MKB. De door RDA ondersteunde private R&D-uitgaven bedragen circa € 2,6 mld, 2,3% meer dan in 2013.

13 Een excellent ondernemingsklimaat

Algemene doelstelling

Bedrijven zijn de motor achter economische groei. De overheid zet zich in om de juiste voorwaarden voor een excellent ondernemersklimaat te creëren, zodat bedrijven kunnen investeren en groeien. Bijzondere aandacht gaat daarbij uit naar de concurrentiekracht van negen topsectoren en naar groene groei.

Om deze doelstelling te bereiken zet de Minister van Economische Zaken financiële instrumenten in, zoals borgstellingen en garanties. De financiële instrumenten verbeteren de toegang tot financiering voor het Nederlandse bedrijfsleven.

Daarnaast maakt de Minister van Economische Zaken gebruik van niet-financiële instrumenten, zoals het terugdringen van onnodige regeldruk en het verbeteren van (digitale) dienstverlening aan bedrijven. Onder deze doelstelling valt ook het opschalen van ICT toepassingen om maatschappelijke en economische uitdagingen op te lossen, bijvoorbeeld met de ICT-doorbraakprojecten. Via onder andere het interdepartementaal programma Biobased Economy, de Green Deal aanpak en het aanpassen van belemmerende regelgeving wordt bijgedragen aan groene economische groei.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Economische Zaken is vanuit een stimulerende rol verantwoordelijk voor het scheppen van randvoorwaarden voor een excellent ondernemingsklimaat door:

Stimuleren

  • Het stimuleren van een ambitieuze en duurzame ondernemerschapscultuur.

  • Het stimuleren van de start en (internationale) doorgroei van bedrijven.

  • Het stimuleren van de implementatie en het gebruik van generieke digitale voorzieningen door alle overheidsorganisaties om de dienstverlening aan ondernemers te verbeteren, zoals eHerkenning, het digitaal Ondernemersplein, het Ondernemingsdossier en Standard Business Reporting.

  • Het stimuleren van het gebruik en kennis van ICT door het midden- en kleinbedrijf, in de topsectoren, de industrie en in sectoren als de detailhandel, logistiek, agro en het onderwijs door het in publiek-private samenwerking uitvoeren van de actieagenda Smart Industry, het Retailpact en de ICT-doorbraakprojecten.

  • De stimulering, coördinatie en facilitering van de transitie naar een biobased economy.

  • Het bevorderen van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen.

Regisseren/faciliteren

  • Het ondersteunen van de toegang tot (risico)kapitaal voor bedrijven en de transitie op de kapitaalmarkt met voldoende ruimte voor alternatieve vormen van financiering.

  • Inzetten op verdere investeringen in Nederland onder meer via het Nederlands Investerings Agentschap (NIA) en via het private initiatief van institutionele beleggers in de vorm van de Nederlandse Investeringsinstelling (NLII).

  • Het versterken van het startup ecosysteem onder de overkoepelende term StartupDelta.

  • Het verbeteren van de dienstverlening aan de ondernemers door de Kamer van Koophandel, onder andere door middel van Ondernemerspleinen.

  • De kabinetsbrede coördinatie van het topsectorenbeleid.

  • Het versterken van de bijdrage van ICT-innovatie aan de economie, onder meer door het vernieuwen van de kennis- en innovatieagenda 2016–2017 (Roadmap ICT voor de topsectoren), een topsectorenplan big data en een Human Capital agenda ICT.

  • De coördinatie en het faciliteren van het kabinetsbrede regeldrukverminderingsprogramma «Goed Geregeld, een verantwoorde vermindering van regeldruk 2012–2017». In dit programma zijn de vakministers verantwoordelijk voor de regeldrukvermindering op hun beleidsterrein. De Minister van Economische Zaken coördineert de aanpak voor bedrijven, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de aanpak voor burgers en professionals, evenals het lokaal toezicht.

  • Faciliteren van het Nederlandse bedrijfsleven in hun duurzame grondstoffenvoorzieningszekerheid zoals in de grondstoffennotitie.

  • De coördinatie van het Groene Groei-traject en de Green Deal aanpak.

  • Het waarborgen van een internationaal level playing field.

  • Een betere aansluiting tussen het onderwijs en de arbeidsmarkt.

  • Het verbeteren van de match tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt voor technisch personeel (Techniekpact).

Uitgangspunt is de juiste randvoorwaarden te creëren en ondernemers de ruimte te geven voor vernieuwing en groei. In dialoog met bedrijven, maatschappelijke organisaties en medeoverheden worden kansen benut en knelpunten opgelost. De Minister van EZ is gesprekspartner en aanspreekpunt voor het bedrijfsleven, sectoren, branches en individuele bedrijven. De overheid is terughoudend met ingrijpen in het bedrijfsleven, maar er kan soms een rol zijn in geval van externe effecten, informatie-asymmetrie of verstorend gedrag van (internationale) overheden. Hiervoor zet de Minister zowel financiële instrumenten in, zoals garanties en subsidies aan bedrijven en instellingen, als niet financiële instrumenten.

1 – Global Competitiveness Index

2011

2012

2013

2014

2015

Ambitie

Positie van Nederland

7e

5e

8e

8e

n.n.b.

Top-5 in 2020

Bron: World Economic Forum (Global Competitiveness Report, 2013–2014)

           
             

2 – Aandeel snelle groeiers1

2007/2010

2008/2011

2009/2012

2010/2013

2011/2014

 

Nederland

3,7%

3,7%

4,0%

3,2%

3,1%

 

Bron: CBS

           
X Noot
1

Het CBS heeft voor de berekening van snelle groeiers in 2015 een methodische verbetering doorgevoerd waardoor bedrijven beter over de tijd te volgen zijn. Gebruikte cijfers in de begroting 2015 zijn daarmee achterhaald. Cijfers over snelle groeiers zijn inclusief bedrijven waarbij de groei, in elk geval voor een deel, is toe te schrijven aan een overname van een ander bedrijf. Indien alle bedrijven die in een onderhavige periode een overname deden buiten beschouwing worden gelaten, dan ligt het aantal snelle groeiers tussen de 0,3 en 0,5 procentpunt lager.

Toelichting

  • 1. Het Nederlandse ondernemingsklimaat behoort sinds 2007 tot de top-10 volgens de Global Competitiveness Index van het World Economic Forum. Tussen 2009 en 2012 is Nederland gestegen van de 10e naar de 5e plek. In 2014 heeft Nederland een achtste plaats op de ranglijst behaald. Dit onderschrijft de noodzaak van goede financieringsmogelijkheden voor ondernemers, blijvende investeringen in onderwijs en onderzoek, vermindering van regeldruk en stimulering van innovatie.

  • 2. Een bedrijf wordt een snelle groeier genoemd wanneer de werkgelegenheid over een periode van 3 jaar met meer dan 72,8% toeneemt (20% per jaar). 3,1% van de bedrijven met meer dan 10 werknemers over de periode 2011–2014 kan op basis van deze definitie worden geclassificeerd als een snelle groeier. Dat aandeel ligt op een vergelijkbaar niveau als de voorgaande periode (2010–2013), maar lager dan de 3 periodes daarvoor.

Beleidswijzigingen

Actieplan MKB-financiering

Uit hoofde van het aanvullend Actieplan MKB-financiering wordt in 2015 onder meer een fundinggarantie voor nieuwe aanbieders van MKB financiering, de aanvullende funding van Qredits, de verhoging van de bijdragen aan DVI, het structureel maken van Vroege fase financiering en een aantal flankerende maatregelen geregeld. De garantie voor nieuwe aanbieders van achtergestelde leningen zal waarschijnlijk in 2016 starten en verder gebruik maken van de Groeifaciliteit. In 2016 blijft EZ inzetten op goede investeringen in Nederland, ook vanuit Europese fondsen en sluit daarbij aan op de organisatiecapaciteit van onder meer NIA.

Motorenonderhoud JSF

Het Ministerie van Economische Zaken overweegt om, naast het Ministerie van Defensie en de provincie Noord Brabant, een deel van de investering voor de F-35 motorenonderhoudsfaciliteit te financieren. In het najaar van 2015 zal een definitief besluit worden genomen. De verwerking van de bijdrage zal plaatsvinden bij Voorjaarsnota 2016.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

VERPLICHTINGEN

757.490

2.470.444

1.836.610

1.829.759

1.826.524

1.830.023

1.830.397

Waarvan garantieverplichtingen

516.609

2.264.501

1.650.000

1.650.000

1.650.000

1.650.000

1.650.000

UITGAVEN

404.941

302.595

265.666

249.925

243.026

246.787

247.681

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

90%

       
               

Garanties

153.377

95.137

67.480

62.480

62.480

62.480

62.480

BMKB

97.779

71.000

42.594

37.594

37.594

37.594

37.594

Begrotingsreserve BMKB

26.555

           

Groeifaciliteit

2.168

8.616

9.365

9.365

9.365

9.365

9.365

Garantie Ondernemings-financiering (GO)

17.875

11.842

11.842

11.842

11.842

11.842

11.842

Garantieregeling scheepsnieuwbouwfinanciering

0

3.679

3.679

3.679

3.679

3.679

3.679

Begrotingsreserve MKB Financiering

9.000

           
               

Subsidies

30.567

39.187

21.486

13.158

9.913

13.673

14.573

Bevorderen ondernemerschap

8.254

24.832

10.709

6.448

7.248

11.258

12.158

Interdepartementaal Programma Biobased Economy

3.509

1.589

2.884

2.384

250

   

Microkrediet

506

           

Uitfinanciering subsidies

18.298

12.766

7.893

4.326

2.415

2.415

2.415

               

Opdrachten

24.104

15.283

21.456

22.198

21.434

21.434

21.434

Onderzoek & ontwikkeling

2.640

1.526

1.019

1.037

910

910

910

ICT-beleid

20.001

11.537

18.111

16.770

16.068

16.068

16.068

Beleidsvoorbereiding en evaluaties

459

14

120

2.120

2.120

2.120

2.120

Regiegroep Regeldruk / ACTAL

1.004

2.206

2.206

2.271

2.336

2.336

2.336

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

17.034

14.148

12.319

11.991

11.991

11.991

11.991

NBTC

10.152

8.490

8.469

8.469

8.469

8.469

8.469

UNWTO

291

240

240

240

240

240

240

Bijdragen aan instituten

6.591

5.418

3.610

3.282

3.282

3.282

3.282

               

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

150.288

107.741

117.606

115.527

114.716

114.715

114.709

Kamer van Koophandel / Ondernemerspleinen

150.288

107.741

117.606

115.527

114.716

114.715

114.709

               

Bijdragen aan agentschappen

29.573

31.099

25.319

24.571

22.492

22.494

22.494

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland

25.906

28.889

23.109

22.361

20.282

20.284

20.284

DICTU

22

0

Logius

3.645

2.210

2.210

2.210

2.210

2.210

2.210

               

ONTVANGSTEN

55.967

78.831

61.952

57.932

59.669

62.071

65.385

BMKB

30.389

25.000

29.000

29.000

29.000

29.000

29.000

Begrotingsreserve BMKB

 

25.406

5.000

       

Groeifaciliteit

2.436

8.000

8.000

8.000

8.000

8.000

8.000

Garantie Ondernemingsfinan-ciering (GO)

9.380

13.000

13.000

13.000

13.000

13.000

13.000

Begrotingsreserve GO

9.612

           

Borgstelling Scheepsnieuwbouw

46

4.000

4.000

4.000

4.000

4.000

4.000

Joint Strike Fighter

988

1.204

1.843

2.823

4.560

6.962

10.276

Diverse ontvangsten

3.116

2.221

1.109

1.109

1.109

1.109

1.109

Budgetflexibiliteit

Garanties: Het budget voor de verschillende garanties is voor 100% juridisch verplicht. Het budget is nodig om de verwachte schades te kunnen betalen op garanties die eerder zijn aangegaan.

Subsidies: De beleidsbudgetten worden per jaar gepubliceerd. Van het beschikbare bedrag 2016 is 62% juridisch verplicht. Het betreft uitfinanciering van tot en met 2015 aangegane verplichtingen. Het beschikbare budget voor het Aanvullend actieplan MKB-financiering (€ 6 mln) is nog niet juridisch verplicht. Dit betreft 28% van het totale budget voor subsidies. De juridische verplichting hiervan zal naar verwachting in 2016 worden aangegaan.

Opdrachten: Van het opdrachtenbudget is 66% juridisch verplicht. Het betreft de uitfinanciering van in voorgaande jaren aangegane verplichtingen.

Bijdragen aan agentschappen: Het budget betreft de financiering van het opdrachtenpakket 2016 aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) en is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s: De bijdrage aan de Kamer van Koophandel (inclusief de bijdrage voor het Nieuwe Handelsregister) is voor 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties: Van dit bedrag is 3% juridisch verplicht en is 84% bestuurlijk gebonden. Dit betreft onder andere de bijdragen aan het Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen en de World Tourism Organization (UNWTO).

Toelichting op de financiële instrumenten

Ter versterking van de financiering van het bedrijfsleven en in het bijzonder het MKB beschikt EZ over een aantal instrumenten: met name de hierna opgenomen garanties en de in het Toekomstfonds opgenomen instrumenten ten aanzien van risicodragend vermogen. Om de transitie naar een meer divers financieringslandschap mogelijk te maken zijn deze instrumenten aangevuld of voor een deel aangepast. In het kader van het aanvullend actieplan MKB-financiering zijn daarnaast een aantal primair tijdelijke maatregelen genomen. Een belangrijk deel wordt in 2015 uitgevoerd. Dat betreft de fundinggarantie voor nieuwe aanbieders van MKB -financiering, de aanvullende funding van Qredits, de verhoging van de bijdragen aan DVI, het structureel maken van Vroege fase financiering en een aantal flankerende maatregelen. Van enkele maatregelen is de inschatting dat deze over de jaargrens heen zal lopen. Zo zal de garantie voor nieuwe aanbieders van achtergestelde leningen waarschijnlijk in 2016 en verder gebruik maken van de Groeifaciliteit. In 2016 blijft EZ inzetten op goede investeringen in Nederland, ook vanuit Europese fondsen en sluit daarbij aan op de organisatiecapaciteit van onder meer de NIA.

Garanties

Borgstelling MKB-kredieten (BMKB)

De BMKB is bedoeld voor bedrijven die te weinig zekerheden (onderpand) kunnen bieden aan een kredietverstrekker. De kredietverstrekker vindt het risico dat het bedrijf zijn lening niet kan terugbetalen dan vaak te hoog. Via de BMKB staat de overheid borg voor het deel van de lening waar het bedrijf geen onderpand voor heeft. De kredietverstrekker kan voor dat deel dus terugvallen op de overheid.

De feitelijke benutting hangt af van de kredietbehoefte van het bedrijfsleven en is daarmee sterk afhankelijk van de ontwikkeling van de conjunctuur. Maximale benutting van de regeling is daarmee geen doel op zich. De mate van benutting wordt wel in het oog gehouden om te bezien of de regeling nog aansluit bij de behoefte van de markt. Deze informatie wordt halfjaarlijks in een rapportage verstrekt aan de Tweede Kamer. Als in 2016 de economie, zoals voorspeld, verder aantrekt, is de verwachting dat in 2016 ook de benutting van de BMKB weer toeneemt. Om inzicht te krijgen in de uitgaven van de BMKB is in de budgettaire tabel een splitsing gemaakt tussen de werkelijke schadebetalingen en stortingen in de interne begrotingsreserve BMKB.

Kengetal

2010

2011

2012

2013

2014

Verstrekte garanties BMKB, x € 1 mln

742

909

486

344

372

Totaal aantal verstrekte garanties

3.701

4.325

2.640

1.983

1.949

Bron: RVO.nl

         

Groeifaciliteit

De Groeifaciliteit richt zich op buffervermogen – zoals eigen vermogen van participatiemaatschappijen en achtergestelde leningen door banken – en is vooral gericht op de start-, groei- en expansiefase van een bedrijf. Versterking van het buffervermogen wint aan belang doordat bij bancaire financiering van bedrijven grotere buffers worden gevraagd. Achtergestelde leningen en aandelenkapitaal verstrekt door participatiemaatschappijen vallen tot maximaal € 25 mln onder de garantieregeling. Een bank kan een garantiefinanciering verstrekken tot maximaal € 5 mln in de vorm van achtergestelde leningen. De garantie van de overheid bedraagt 50%. De Groeifaciliteit is kostendekkend opgezet.

De feitelijke benutting van de regeling hangt onder meer af van investerings- en overnameplannen van het bedrijfsleven, en is nauw verbonden met de ontwikkeling van de conjunctuur. De mate van gebruik van deze regeling wordt halfjaarlijks in een rapportage verstrekt aan de Tweede Kamer.

Op dit moment is de verwachting de Groeifaciliteit de meest effectieve manier is om achtergestelde leningen fondsen voor het MKB te stimuleren. In 2016 wordt op basis van de dan beschikbare informatie bezien met welke omvang het budget van de Groeifaciliteit meerjarig moet worden opgehoogd om deze fondsen, voor het NLII, te accommoderen. Deze verhoging wordt gedekt uit het garantiebudget van € 500 mln dat in het Aanvullend actieplan MKB-financiering beschikbaar is gesteld voor achtergestelde leningenfondsen.

Kengetal

2010

2011

2012

2013

2014

Verstrekte garanties Groeifaciliteit, x € 1 mln

25

12

13

8

32

Totaal aantal verstrekte garanties

32

17

21

16

20

Bron: RVO.nl

         

Garantie Ondernemingsfinanciering

De GO-regeling is ingevoerd ten tijde van de kredietcrisis en gericht op middelgrote en grote bedrijven. Via deze regeling krijgen banken een garantie van 50% van de overheid, zodat nieuwe bankleningen en/of bankgaranties kunnen worden verstrekt. In het geval van bankgaranties zijn ook schadeverzekeraars toegelaten tot de regeling. De GO-regeling is net als de Groeifaciliteit kostendekkend, met als opzet dat banken/schadeverzekeraars er slechts gebruik van maken indien zij vanwege het risicoprofiel niet zelfstandig of onvoldoende in staat zijn in de kern gezonde bedrijven te financieren. Het gebruik volgt sterk de conjuncturele ontwikkeling. In het regeerakkoord van het huidige kabinet is afgesproken om de GO-regeling structureel te maken met een garantieplafond van € 400 mln.

Kengetal

2010

2011

2012

2013

2014

Verstrekte garanties GO, x € 1 mln

413

261

103

103

82

Totaal aantal verstrekte garanties

104

62

53

51

39

Bron: RVO.nl

         

Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfinanciering

In navolging van andere EU-landen is een garantieregeling geïntroduceerd die het bankkrediet aan de scheepsbouwer garandeert gedurende de periode van de bouw van het schip. Met de GSF kunnen banken 80% Staatsgarantie krijgen op de financiering van de bouw van een schip. Op basis van de beperkte benutting van de regeling sinds de start in 2013 is het jaarlijks garantieplafond per 2015, in overeenstemming met het garantiekader, teruggebracht tot € 400 mln. Dit is ook het voorgestelde plafond voor 2016. Met stakeholders (onder andere maritieme sector en betrokken banken) is in de afgelopen periode onderzocht wat de oorzaken van het geringe gebruik zijn en wordt nog bezien of en hoe aanpassing van de regeling gewenst en mogelijk is. De regeling die een looptijd heeft van vijf jaar wordt voorlopig voortgezet.

Kengetal

2013

2014

Verstrekte garanties Scheepsnieuwbouw, x € 1 mln

44

0

Totaal aantal verstrekte garanties

6

0

Bron: RVO.nl

   

MKB-financiering

In het aanvullend actieplan MKB-financiering van 8 juli 2014 heeft het kabinet aangekondigd een garantiebedrag van € 400 mln ter beschikking te stellen om de funding van nieuwe aanbieders van MKB-financiering mogelijk te maken. Naast alle andere initiatieven en plannen is er behoefte aan nieuwe financiers en nieuwe financieringsmogelijkheden voor het verstrekken van vreemd vermogen aan het MKB. Het vinden van funding voor deze nieuwe mogelijkheden is echter, bij gebrek aan voldoende track-record van dergelijke financiers, lastig. Met het Aanvullend Actieplan MKB-financiering is er daarom voor goede initiatieven ruimte beschikbaar om die funding te vereenvoudigen met behulp van een overheidsgarantie. Een overheidsgarantie zal kostendekkend moeten zijn en geen staatssteun mogen inhouden. Na een oproep voor voorstellen eind 2014 zijn 8 partijen uitgekozen, waarmee de onderhandelingen over een garantie-overeenkomst zullen worden gestart.

Er zijn nog geen uitgaven gerealiseerd, alleen een storting in de interne begrotingsreserve MKB financiering.

Subsidies

Bevorderen Ondernemerschap

Dit budget wordt gebruikt voor diverse instrumenten die als doel hebben het ondernemingsklimaat te verbeteren. Het budget wordt gebruikt voor het realiseren van de nieuwe beleidsambities, zoals Techniekpact en Ambitieus Ondernemerschap. In het Aanvullend Actieplan MKB-financiering zijn middelen uitgetrokken voor ketenfinanciering, verbeteren kredietinformatie, het verhogen van de ambitie en verbetering groeivaardigheden in het kleinbedrijf en het stroomlijnen en toegankelijker maken van het financieringsinstrumentarium. Verder is het budget gebruikt voor (uitvoerings)bekostiging van de jaarlijkse Transparantie Benchmark, programma’s voor kapitaalmarkt, zelfstandigenregeling, innovatiegericht inkopen, topsectoren en de programmakosten voor corporate governance.

Microfinanciering

Voor kleine bedrijven en startende ondernemers is het zogenaamde microfinancieringsbeleid ontwikkeld. Qredits (stichting Microfinanciering Nederland) biedt sinds 2009 microkredieten aan in heel Nederland tot maximaal € 50.000. EZ heeft hier financieel aan bijgedragen door het verstrekken van een (achtergestelde) lening en een garantstelling op de lening van de BNG aan Qredits.

Naast het krediet is coaching een belangrijk onderdeel van het microfinancieringsbeleid. Qredits heeft hiervoor de afgelopen jaren met steun van EZ onder andere een vrijwillige coachpool opgezet.

Sinds eind 2013 verstrekt Qredits ook zogenaamde MKB-kredieten tussen de € 50.000 en € 150.000. Om dit mogelijk te maken heeft het kabinet in 2013 € 30 mln uitgetrokken voor de vervolgfinanciering van Qredits (stimuleringspakket, september 2013). De grens van het MKB krediet is eind 2014 opgetrokken tot € 250.000. Mede gezien de groeiende behoefte aan werkkapitaal is het de verwachting dat Qredits vanaf het najaar 2015 hier ook een financieringsproduct beschikbaar voor heeft, de zogenoemde werkkapitaalkredieten.

Het kabinet heeft € 100 mln. garantieruimte beschikbaar, mocht voor het verstrekken van nieuwe funding aan Qredits een overheidsgarantie nodig zijn. De verwachting is dat hiermee minimaal € 100 mln nieuwe financiering in de markt mogelijk wordt gemaakt.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2016

Bron

Aantal verstrekte kredieten (Micro- en MKB-krediet)

610

2009

2.250

Qredits

De verwachting is dat Qredits in 2016 1.400 microkredieten en 250 MKB-kredieten en 600 werkkapitaal kredieten verstrekt en dus totaal 2.250 kredieten aan kleine en startende ondernemers. Bij de start van het microfinancieringsbeleid (en Qredits) in 2009 is een streefwaarde voor 2016 gesteld om 2.500 kredieten te verstrekken. De verwachting is dat deze niet geheel gehaald wordt, maar wel bij benadering.

Biobased Economy (BBE)

Binnen de topsectorenaanpak is biobased economy een cross-sectoraal thema voor met name de sectoren Energie, Chemie en Agrifood. Voor de uitvoering van het innovatiecontract BBE is het Topconsortium voor Kennis- en Innovatie (TKI) BBE opgericht. Voor de komende 12 jaar heeft de TKI BBE de onderzoekagenda 2015–2027 ontwikkeld, samen met DLO, TNO, NWO, ECN en VNO en ruim 180 al eerder bij de TKI betrokken bedrijven. Bedrijven hebben zich via een letter of intent bereid verklaard in totaal € 270 mln bij te dragen.

De regio’s in Nederland zijn voortvarend aan de slag met biobased economy. Zes actieve regionale clusters, ieder met zijn eigen specialisatie, hebben in totaal € 50 mln per jaar gereserveerd in specifieke biobased investeringsfondsen.

Alles bijeen zijn, in de diverse regio’s, zeker 700 bedrijven betrokken en is de afgelopen drie jaar meer dan € 1,5 mld geïnvesteerd, waarvan € 1,1 mld in bio-energieprojecten.

Met het project «Ruimte in regels» worden belemmeringen in wet- en regelgeving onderzocht die bedrijven ervaren bij het doen van innovatieve investeringen. EZ zoekt samen met ondernemers naar oplossingen om investeringen mogelijk te maken of sneller en effectiever te kunnen doen.

Het kabinet zet de Green Deal aanpak voort met als doel groene groei te versnellen door de creativiteit en dynamiek in de samenleving te benutten. Green Deals bieden bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden een laagdrempelige mogelijkheid om samen met de overheid te werken aan groene groei. Centrale gedachte is dat de overheid initiatieven faciliteert en versnelt door het wegnemen van knelpunten op het vlak van wet- en regelgeving, netwerkvorming, innovatie en marktprikkels. Een overzicht van de Green Deals is te vinden op www.ondernemendgroen.nl/Greendeals en in de loop van 2015 ook op www.greendeals.nl. In 2016 komen de resultaten beschikbaar van de externe effectmeting. De aanpak zal verder verbreed worden naar andere maatschappelijke domeinen, zoals gezondheid en zal internationaal onder de aandacht worden gebracht van andere EU lidstaten en de Europese Commissie.

In nauwe samenwerking met het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) wordt gewerkt aan het aanpakken van kwetsbaarheden rond grondstoffenvoorzieningszekerheid door de innovatieve kracht van de circulaire economie in te zetten. De kennisbasis om kwetsbaarheden en circulaire kansen inzichtelijk te krijgen dient verder te worden versterkt. Een belangrijke basis zal de Monitor Materiaalstromen Plus zijn die in 2016 waar mogelijk wordt geïmplementeerd. Deze monitor vormt de basis waarop andere bronnen en analyses worden gebouwd.

Uitfinanciering subsidies

De volgende regelingen zijn inmiddels beëindigd en betreffen alleen nog uitfinanciering: Valorisatie/SKE, Innovatieve scheepsbouw en Besluit Subsidie Regionale Investeringsprojecten.

Opdrachten

Onderzoek & ontwikkeling

Uit dit budget worden beleidsonderzoek, verplichte evaluaties van beleidsinstrumenten en beleidsdoorlichtingen gefinancierd.

ICT-beleid

Voorzien wordt dat de komende decennia een vergaande digitalisering van economische en productieprocessen zal plaatsvinden. Om de Nederlandse economie hierop voor te bereiden heeft de Minister van Economische Zaken een boegbeeld ICT aangesteld die samen met de wetenschap en industrie aan de slag gaat om de economie te helpen met de inbedding van deze productieprocessen.

Voor toepassingen van (over)morgen (onder andere zorg, duurzame energie) en voor economische ontwikkeling en voor talentontwikkeling, is een sterke kennis- en innovatiebasis op ICT-gebied belangrijk. De technologie en de toepassingen ontwikkelen zich immers razendsnel, bijvoorbeeld op het gebied van big data, sensoren en cyber security. Het doel van de nieuwe Roadmap ICT voor Topsectoren (2016–2019) is dat die ICT-innovatiekansen kunnen worden benut, waarbij de overheid faciliteert dat bedrijven samenwerken met kennisinstellingen, zoals universiteiten, NWO en TNO.

Belangrijke acties op het ICT-domein zijn:

Smart Industry

Met FME, VNO NCW, TNO en de Kamer van Koophandel is het Actieplan Smart Industry opgesteld met acties gericht op het verzilveren van bestaande kennis, het versnellen in fieldlabs, versterken van Research&Development en expliciete aandacht voor human capital.

ICT doorbraakprojecten

EZ werkt aan een tiental ICT-doorbraakprojecten die gericht zijn op het opschalen van ICT-toepassingen in een aantal topsectoren, zoals zorg, onderwijs en detailhandel. Het doel is om de belemmeringen voor het gebruik van ICT weg te nemen en de ICT kennis te vergroten.

Skills

Digitale vaardigheden van de (toekomstige) beroepsbevolking zijn van toenemend belang om te zorgen voor economische groei en innovatief vermogen. Het kabinet werkt met het bedrijfsleven en maatschappelijke partners aan het publiek-private programma Digivaardig en aan een Human Capital Actieagenda ICT-innovatie. Met de Human Capital Agenda ICT-innovatie wil EZ een bijdrage leveren aan voldoende ICT’ers en werknemers met de gevraagde ICT- en innovatievaardigheden (toekomstgerichte, flexibele en duurzame skills), zodat zij nu en in de toekomst goed kunnen omgaan met nieuwe, snel veranderende technologieën.

ICT onderzoek

De Nederlandse ICT infrastructuur is van hoog niveau. Om de ICT onderzoekinfrastructuur op niveau te houden zijn aanvullende innovatie-investeringen nodig. Voor de periode 2017 tot en met 2019 dragen EZ en OCW daarom samen € 12 mln bij. De structureel benodigde financiering zal volgens EZ en OCW moeten worden geregeld door de hoger onderwijs instellingen.

Digitale overheid

Het kabinet heeft de ambitie dat ondernemers en burgers in 2017 hun zaken met de overheid digitaal kunnen afhandelen, waarbij zij gebruik kunnen maken van een aantal generieke voorzieningen. Een informatieportaal (ondernemersplein.nl), een inlogvoorziening (eHerkenning/eID), een voorziening om digitaal zaken te doen met de overheid (Ondernemingsdossier), een Berichtenbox en standaarden voor informatie-uitwisseling (zoals Standard Business Reporting en e-factureren) zijn onderdeel van de Generieke Digitale Infrastructuur,waarmee ondernemers steeds meer zaken «24 uur per dag, 7 dagen per week» kunnen regelen met de overheid. Dat leidt tot meer gemak en tijdsbesparing voor zowel ondernemers als de overheid.

Ondernemingsdossier

Het Ondernemingsdossier is het generieke platform waarmee ondernemers digitaal zaken doen met de overheid. De focus ligt hierbij op MKB-ondernemers die vaak met de overheid te maken hebben. Zes nieuwe branches zijn actief, zodat inmiddels in totaal tien branches aangesloten zijn. Inmiddels is met de uitrol via brancheorganisaties en verschillende overheden zoals gemeenten een solide basis gelegd om het Ondernemingsdossier verder uit te rollen.

Vermindering regeldruk

Met het kabinetsbrede programma «Goed Geregeld: een verantwoorde vermindering van de regeldruk 2012–2017» zet het kabinet in op de vermindering van regeldruk voor bedrijven, burgers en professionals. De aanpak bestaat uit zes samenhangende actielijnen:

  • 1. Minder regeldruk door transparantie van wet- en regelgeving.

  • 2. Structurele verlaging van de regeldruk met € 2,5 mld.

  • 3. Minder regeldruk door betere (digitale) dienstverlening.

  • 4. Minder stapeling, slimmer toezicht.

  • 5. Merkbare vermindering regeldruk in regeldichte domeinen.

  • 6. Minder regeldruk door bestuurlijke samenwerking (gemeenten en Europa).

In de aansluitende tabel is de doelstelling en raming 2016 van de kwantitatieve doelstelling van € 2,5 mld in kaart gebracht. Naar verwachting zal de realisatie eind 2016 op € 2,2 mld uitkomen.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2016

Streefwaarde

Planning

Bron

Netto verlaging regeldruk (cumulatief)

€ 1,153 mld

2014

€ 2,2 mld

€ 2,5 mld

2017

EZ

Gezien het steeds sneller wordende tempo van innovatie is het van belang om als overheid wendbaar te blijven, onder andere door wet -en regelgeving aan te passen aan de veranderende economische en maatschappelijke dynamiek. Daarom is een aanpak gestart waarbij ten eerste een aantal concrete casussen zijn bekeken waar wet en regelgeving innovatie belemmert. Daarnaast is gekeken hoe wet- en regelgeving in algemene zin toekomstbestendiger kan worden gemaakt, onder andere door het toepassen van concepten als doelregulering, Right to Challenge en experimenteerruimte.

Maatwerkaanpak

Het kabinet zet niet alleen in op een kwantitatieve reductie van regeldruk. Binnen de maatwerkaanpak regeldichte domeinen is het kabinet met ondernemers in dialoog om te achterhalen waar regels in de praktijk leiden tot ergernissen of onnodige regeldruk. In 2016 zullen voor de meeste maatwerksectoren, waaronder logistiek, bouw, agrofood, winkelambacht en de chemie actieplannen in uitvoering zijn en concrete resultaten kunnen worden bereikt.

Slimmer toezicht

Om een impuls te geven aan «beter, slimmer en efficiënter toezicht» is EZ met andere departementen, inspecties en bedrijfsleven via zogenaamde toezichttafels in sectoren op zoek naar mogelijkheden om de naleving van regels te verbeteren en maatschappelijke risico’s te beperken.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen (NBTC) en de United Nations World Tourism Organization (UNWTO)

EZ zal voor de periode 2016–2019 een meerjarig contract met het NBTC afsluiten om het inkomend toerisme te bevorderen. EZ stelt in deze periode budget beschikbaar voor de internationale branding en marketing van Nederland en internationale congreswerving. Het budget wordt ingezet op de belangrijkste toeristische herkomstmarkten en doelgroepen. De strategie is erop gericht om internationale bezoekers te spreiden in tijd en ruimte.

UNWTO

Er wordt bijgedragen in de overheadkosten van het secretariaat van de UNWTO.

Bijdragen aan instituten

Betreft een verzamelpost van verschillende kleine bijdragen aan diverse instituten, ten behoeve van het programma-onderzoek op het terrein van MKB en ondernemerschap, het kenniscentrum MVO Nederland en de Koning-Willem I prijs.

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

De Kamer van Koophandel voert vijf wettelijke taken uit in het kader van ondernemerschapsbeleid: houden van het handelsregister, inrichten en beheren van Ondernemerspleinen – zowel digitaal als fysiek, geven van inlichtingen en voorlichting aan ondernemers onder meer via online informatie, stimuleren van innovatie via advies en voorlichting, en regio specifieke activiteiten bijvoorbeeld door middel van regionale onderzoeken, overleggen en samenwerkingsvormen. Hiervoor krijgt de Kamer van Koophandel een rijksbijdrage, daarnaast genereert de Kamer van Koophandel eigen inkomsten uit verkoop van eigen producten en diensten. Jaarlijks wordt een activiteitenplan opgesteld. Bij het opstellen ervan spelen de Centrale Raad en de Regionale Raden met daarin onder meer ondernemers een adviserende rol. Hoe de Kamer van Koophandel presteert wordt gemonitord door middel van prestatie-indicatoren zoals bereik en de tevredenheid van ondernemers over de dienstverlening van de Kamer van Koophandel. De Kamer van Koophandel heeft vorig jaar een versnelde digitaliseringsstrategie gekozen, deze krijgt in 2016 verder vorm.

Daarnaast zal naar verwachting begin 2016 de Wijziging van de Handelsregisterwet 2007 aan de Tweede Kamer aangeboden worden. Het wetsvoorstel beoogt ter versterking van de rechtszekerheid in het economisch verkeer, de kwaliteit van het handelsregister te vergroten en de slagvaardigheid van de Kamer van Koophandel bij de uitvoering van de handelsregistertaak te verbeteren. Het handelsregister maakt als basisregistratie onderdeel uit van de Generieke Digitale Infrastructuur (GDI).

Verder wordt gewerkt aan de verdere ontwikkeling van de regionale ondernemerspleinen, het digitale ondernemersplein en het vergroten van bereik en klantwaardering. Daartoe is in 2015 ingezet op het plaatsen van meer content op het digitale ondernemersplein en de realisatie van een Engelstalige versie. In 2016 zal het digitale ondernemersplein zich verder ontwikkelen, onder andere door de ondernemer persoonlijker van dienst te zijn en hem gerichter informatie aan te bieden. De informatiebehoefte bij ondernemers is hierbij leidend.

Het digitale ondernemersplein zal faciliteren dat de content gemakkelijk door andere overheidsorganisaties op hun kanalen kan worden hergebruikt.

Bijdrage aan agentschappen

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl)

Deze middelen zijn grotendeels voor de uitvoering van de garantie-instrumenten, zoals BMKB, Groeifaciliteit, Garantie Ondernemingsfinanciering en de Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering, uitvoering van de IND zelfstandigen- en BBH-regeling. Dit betreft activiteiten als beoordeling van aanvragen, voorlichting over de instrumenten, terugontvangen van kredieten, etc.

Logius

De bijdrage aan Logius bestaat uit een bijdrage aan het programma (Bureau)Forum Standaardisatie.

Industrieel participatiebeleid

Het doel van het industrieel participatiebeleid (IP-beleid) is om bij een gebrek aan een open en gelijke internationale defensiemarkt de Nederlandse defensie- en veiligheid gerelateerde bedrijven te ondersteunen bij het verkrijgen van een gelijkwaardige positie op de defensiemarkt. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de overheidstaken op het gebied van veiligheid van Nederland; zowel in directe zin als door deelname aan internationale samenwerkingsprogramma’s. Het beleid is erop gericht om bij de aanschaf van defensiematerieel bij buitenlandse bedrijven door het Ministerie van Defensie de Nederlandse industrie en kennisinstellingen zo goed mogelijk te betrekken.

Het IP-beleid houdt in dat bij aanbestedingen van defensiematerieel per geval wordt bekeken of er industriële participatie (IP) zal worden geëist. De basis hiervoor is de Defensie Industrie Strategie (DIS) waarin prioritaire technologiegebieden zijn vastgesteld. De inhoud en omvang van de IP wordt per geval afgesproken. Verwacht wordt dat de omvang gemiddeld circa 60% van de opdrachtwaarde van Defensie zal zijn.

De indicator «gerealiseerde invulling IP-verplichtingen» geeft het bedrag weer dat door buitenlandse partijen bij Nederlandse bedrijven besteed wordt als invulling van IP-afspraken. De streefwaarde voor de gerealiseerde invulling voor 2016 is gesteld op € 350 mln.

Indicator

Referentie- waarde

Peil- datum

Raming 2016

Bron

Gerealiseerde invulling compensatie / IP-verplichting (5 jaars gemiddelde)

€ 383 mln

2014

€ 350 mln

EZ

Ontvangsten

De posten Begrotingsreserve BMKB en GO hebben betrekking op de geraamde onttrekkingen uit de begrotingsreserves ter dekking van de geraamde uitgaven op de ingeroepen garanties.

De post «Joint Strike Fighter» betreft de geraamde afdrachten van de Nederlandse industrie aan de Staat op basis van in de Medefinancieringsovereenkomst JSF (MFO) overeengekomen afdrachtregeling over de Nederlandse industrie-inkomsten ten gevolge van uitgevoerde productie- en instandhoudingsopdrachten voor het F-35 project (JSF).

In de budgettaire tabel zijn onder het kopje «ontvangsten» de interne begrotingsreserves van de BMKB en GO expliciet vermeldt om een splitsing te duiden tussen de provisie ontvangsten en onttrekkingen in de interne begrotingsreserves.

Interne begrotingsreserves

Er zijn interne begrotingsreserves voor de BMKB, de regeling Garantie Ondernemingsfinanciering (GO), de Groeifaciliteit (GF), de Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfinanciering (GSF) en de garanties voor nieuwe aanbieders van MKB-financiering. De GO, GF, GSF en de garanties voor alternatieve aanbieders van MKB-financiering betreffen kostendekkende regelingen, waarvan de te realiseren premie-ontvangsten toereikend zijn voor het afdekken van eventuele verliesdeclaraties. De interne begrotingsreserves zijn ervoor bedoeld inkomsten uit premies en uitgaven voor schades, die over de jaren kunnen fluctueren, te verevenen.

In onderstaande tabel zijn de saldi van de begrotingsreserves per 31 december 2014 weergegeven.

Stand interne begrotingsreserves per 31 december 2014 (x € 1.000)

 

Interne begrotingsreserve Borgstelling MKB-kredieten (BMKB)

66.555

Interne begrotingsreserve Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

55.009

Interne begrotingsreserve Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering

10.044

Interne begrotingsreserve Groeifaciliteit

5.000

Interne begrotingsreserve garantie MKB-faciliteiten

9.000

Budgettair belang fiscale maatregelen

Bedragen x € 1 mln
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Zelfstandigenaftrek

1.782

1.822

1.843

1.875

1.906

1.936

1.968

Extra zelfstandigenaftrek starters

109

111

113

115

117

119

121

Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid

2

2

2

2

2

2

2

FOR, niet omgezet in lijfrente

49

49

48

48

48

48

49

Meewerkaftrek

7

7

7

6

6

6

6

Stakingsaftrek

16

15

14

14

13

12

12

Doorschuiving stakingswinst

232

245

250

262

275

289

303

Bedrijfsopvolgingsfaciliteit in successiewet

250

250

250

250

250

250

250

Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

371

395

402

414

427

440

453

Willekeurige afschrijving starters

8

8

8

8

8

8

9

Persoonsgebonden aftrekpost durfkapitaal

4

3

3

2

1

0

0

Verlaagd BTW-tarief Logiesverstrekking (incl. kamperen)

594

606

616

626

637

648

659

Verlaagd BTW-tarief Voedingsmiddelen horeca

1.674

1.700

1.724

1.749

1.774

1.800

1.826

BTW Kleine ondernemersregeling

130

139

147

156

166

176

186

Verlaagd accijnstarief kleine brouwerijen

1

2

2

2

2

2

2

Vrijstelling overdrachtsbelasting bedrijfsoverdracht in familiesfeer

16

16

16

17

17

17

18

Een toelichting op deze fiscale regelingen is opgenomen in de internetbijlage 12 bij de Miljoenennota (Toelichting op de belastinguitgaven).

14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Algemene doelstelling

Een internationaal concurrerende energievoorziening die betrouwbaar, veilig en duurzaam is.

Om deze doelstelling te bereiken zet EZ financiële instrumenten in zoals subsidies en garanties, maar ook niet-financiële instrumenten zoals het stroomlijnen van energieregelgeving om de werking van de energiemarkt te verbeteren, de regeldruk te verminderen en efficiënter toezicht mogelijk te maken.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is op grond van de Elektriciteitswet en de Gaswet verantwoordelijk voor het energiebeleid. Hieruit vloeien de volgende verantwoordelijkheden voort:

Financieren

  • Het voeren van het financieel instrumentarium op de beleidsterreinen hernieuwbare energie, energiebesparing en innovatieve energietechnologieën.

(Doen)Uitvoeren

  • Het vergroten van het aandeel hernieuwbare energie (conform afspraken Energieakkoord: 14% in 2020 en 16% in 2023).

  • Het vergroten van het aandeel energiebesparing (conform afspraken Energieakkoord: besparing met gemiddeld 1,5% per jaar en 100 PJ in 2020).

Regisseren

  • Het regisseren van de realisatie van grote energie-infrastructuur projecten die onder de rijkscoördinatieregeling vallen; dit betekent als projectminister, samen met de Minister van Infrastructuur en Milieu, verantwoordelijk voor de ruimtelijke inpassing van projecten en voor de coördinatie van benodigde projecten.

  • Het stimuleren van een goed werkende Europese energiemarkt met een adequate infrastructuur.

  • Het creëren van randvoorwaarden waardoor de energievoorziening internationaal kan concurreren en het verdienpotentieel van de energiesector ten volle wordt benut.

  • Het creëren van randvoorwaarden voor een doelmatige en verantwoorde winning van onze bodemschatten.

  • Het stimuleren van de transitie naar een duurzame en betrouwbare energievoorziening.

  • Het bieden van mogelijkheden aan lokale energieprojecten.

  • Het coördineren van het energiebesparingsbeleid via de verschillende vakministers en het stimuleren van energiebesparing in de industrie en energiesectoren.

  • Het stimuleren van de ontwikkeling en gebruik van innovatieve energietechnologieën.

  • Het stimuleren van de verdergaande reductie van CO2– uitstoot van energiebedrijven en industrie.

Kengetal HHI en C3

De C3 is het gezamenlijk marktaandeel van de drie grootste leveranciers. De mate van concentratie op de kleinverbruikersmarkt voor elektriciteit en gas vormt een indicatie voor de concurrentie op die markten. Een indicator hiervoor is de Herfindahl-Hirschman Index (HHI). Een markt met een HHI onder de 1.800 punten wordt gezien als een competitieve markt en een markt met een index tussen de 1.800 en 8.000 punten wordt gezien als een geconcentreerde markt.

Kengetal

2011

2012

2013

2014

Ambitie 2016

1. Concentratiegraad in de retailsector elektriciteit

– HHI

2.465

2.338

2.276

2.230

Stabiliseren tussen 1.800–2.500

– C3

85%

83%

81%

81%

Daling/lager

2. Concentratiegraad in de retailsector gas

– HHI

2.344

2.258

2.204

2.171

Stabiliseren tussen 1.800–2.500

– C3

83%

81%

79%

79%

Daling/lager

Bron: ACM

         

Kengetal

2011

2012

2013

2014

Elektriciteitsstoring in minuten per jaar

23 min

27 min

23 min

20 min

Bron: Netbeheer Nederland

       

Toelichting

Het aantal storingsminuten per huishouden per jaar geeft een indicatie van de leveringszekerheid van elektriciteit. Het aantal en de duur van de stroomstoringen was in 2014 historisch laag. Een huishouden had in 2014 gemiddeld 20 minuten geen stroom als gevolg van een storing. In 2015 heeft een stroomstoring bij Diemen grote maatschappelijke effecten gehad voor in het noorden van de Randstad. Naar verwachting zal als gevolg hiervan het aantal storingsminuten in 2015 stijgen.

Beleidswijzigingen

Groningen

Met de besluiten over het winningsplafond, de bestuurlijke akkoorden van begin 2014 en begin 2015 en het instellen van een Nationaal Coördinator Groningen (NCG) wordt gewerkt aan herstel van vertrouwen in Groningen. Vertrouwen dat noodzakelijk is om in de toekomst veilig en met draagvlak gas te kunnen winnen in Groningen. Daarmee hangen ook investeringen samen. Specifiek gaat het om de Overheidsdienst Groningen, de onderzoeksgroep energie en de versterking van het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM).

STROOM

Het voorstel voor een Elektriciteits- en gaswet (STROOM) is op 4 mei 2015 ingediend bij de Tweede Kamer. Het streven is het wetsvoorstel per 1 januari 2016 in werking te kunnen laten treden, zodat in 2016 en de jaren daarna belangrijke stappen gezet kunnen worden in de uitvoering van het Energieakkoord. Met name voor de doelstelling voor windenergie op zee is tijdige inwerkingtreding van STROOM cruciaal.

Om tijdige inwerkingtreding van STROOM te kunnen realiseren is ervoor gekozen delen van het wetsvoorstel beleidsneutraal over te nemen uit bestaande wetten. Het voornemen is in 2016 een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer in te dienen om de resterende wenselijke wijzigingen door te voeren in de elektriciteits- en gasregelgeving. Met name de regelgeving omtrent levering, consument en de codes van ACM zijn aan herziening toe. Met stroomlijning, optimalisering en modernisering van het resterende deel is de elektriciteits- en gasregelgeving klaar voor de toekomst met minder regeldruk voor bedrijven en de overheid.

Wind op Zee

Conform de afspraken in het Energieakkoord wordt in 2016 de nieuwe aanpak voor de uitrol van wind op zee voortgezet. De wet windenergie op zee, die op 1 juli 2015 in werking is getreden, is hiervoor een belangrijke randvoorwaarde. De eerste tender voor het gebied Borssele zal eind 2015 worden opengesteld en wordt in de eerste helft van 2016 afgerond. De voorbereidingen voor de tender van het tweede park in het gebied Borssele worden in 2016 afgerond, in het bijzonder door het vaststellen van het kavelbesluit voor dit tweede park. De tender voor het tweede kavel in Borssele wordt opengesteld in de tweede helft van 2016 en sluit voor het einde van het jaar. In 2016 wordt bovendien het inpassingsplan voor het transmissiesysteem voor het gebied Borssele vastgesteld.

Energierapport

In december 2015 zal het kabinet het Energierapport met een integrale en strategische visie op de energievoorziening in Nederland uitbrengen. Het Energierapport bevat tevens specifieke thema’s en dilemma’s die relevant zijn richting een volledig duurzame energievoorziening in 2050. Deze zullen in 2016 tijdens een Energiedialoog met de samenleving aan de orde moeten komen. Gegeven de complexiteit van het energievraagstuk hecht het kabinet sterk aan externe inbreng. Burgers, bedrijven, andere overheden en maatschappelijke organisaties worden uitgenodigd aan de dialoog deel te nemen en hun kennis en kunde in te brengen voor de energietransitie. Uit de dialoog volgt in het najaar van 2016 een beleidsagenda. Tegelijkertijd zal de evaluatie van het Energieakkoord worden gepubliceerd.

Europa

De transitie naar een duurzame energievoorziening en naar een CO2-arme economie met 80–95% CO2-reductie in 2050 is de samenbindende koers voor Nederland en voor Europa. Een goed werkende interne markt voor energie is wat Nederland betreft het belangrijkste middel om de transitie naar een CO2-arme economie te faciliteren en tegelijkertijd de leveringszekerheid en de betaalbaarheid te borgen en daarmee de concurrentiekracht van de Unie te vergroten onder andere door versterking van de regionale samenwerking, zowel in het kader van het Penta-overleg als in versterking van de bilaterale samenwerking met Duitsland en België. Nederland is de eerste helft van 2016 voorzitter van de Europese Unie. In dat kader organiseert EZ op energiegebied twee grote evenementen: een Informele Energieraad en een ambtelijke bijeenkomst Energie.

Schaliegas

Het kabinet heeft besloten dat deze kabinetsperiode geen boringen naar schaliegas zullen plaatsvinden. In het Energierapport 2015 zal het kabinet een integrale visie op een duurzame energievoorziening geven. Indien daaruit blijkt dat het wenselijk is om de winning van schaliegas in Nederland als optie niet uit te sluiten, zal het kabinet participeren in breed, langjarig wetenschappelijk onderzoek in Europees verband met alleen ruimte voor boringen met een wetenschappelijk doel. De keuze die in het Energierapport over schaliegas wordt gemaakt, zal begin 2016 worden verankerd en ruimtelijk worden uitgewerkt in de structuurvisie Ondergrond. Gelet op het belang van een integrale afweging wordt geen aparte structuurvisie Schaliegas meer opgesteld. Commerciële opsporing en winning van schaliegas is de komende vijf jaar niet aan de orde. De bestaande vergunningen gericht op de opsporing van schaliegas worden dan ook niet verlengd. Nieuwe aanvragen zullen worden afgewezen. Deze aanpak biedt de gelegenheid om decentrale overheden actief te betrekken bij de besluitvorming, conform de kabinetsreactie op het rapport «Aardbevingsrisico’s in Groningen» van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) (TK, 33 529, nr. 143).

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

VERPLICHTINGEN

2.646.202

5.421.291

5.442.919

371.626

328.886

325.891

327.891

Waarvan garantieverplichtingen

526

31.324

93.050

       

UITGAVEN

1.441.886

1.626.999

1.830.326

1.967.843

2.207.333

2.787.041

3.453.489

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

97%

       
               

Subsidies

1.181.789

1.390.584

1.604.948

1.735.467

1.993.971

2.578.074

3.244.974

Topsector Energie

34.925

67.862

55.840

53.688

44.090

41.490

36.490

Energie-innovatie (Innovatie Agenda Energie)

27.383

7.882

2.377

2.368

2.368

2.368

2.368

Green Deal

918

4.296

16.354

       

Energieakkoord

666

35.464

48.089

53.089

49.000

49.000

49.000

MEP

432.032

364.987

278.022

187.847

54.991

47.025

40.025

SDE/SDE +

235.116

802.709

1.119.215

1.337.857

1.762.331

2.358.000

3.036.900

Interne begrotingsreserve duurzame energie

369.356

           

Compensatie Energie-intensieve bedrijven (ETS)

56.956

61.000

61.000

83.045

62.000

61.000

61.000

CCS

4.905

18.705

8.040

6.362

8.080

8.080

8.080

Hoge Flux Reactor

7.250

7.250

8.111

8.111

8.111

8.111

8.111

Elektrisch rijden

2.184

1.123

         

Caribisch Nederland

6.807

17.357

7.900

3.100

3.000

3.000

3.000

Overige subsidies

3.292

1.949

         
               

Garanties

9.206

1.000

         

Interne begrotingsreserve Aardwarmte

9.206

1.000

         
               

Opdrachten

28.108

24.579

25.686

17.301

11.137

9.137

9.137

O&O bodembeheer

3.843

6.272

10.768

10.768

8.768

6.768

6.768

Joint implementation

768

1.837

314

209

     

Straling

9.257

23

20

46

46

46

46

Pallas

10.004

13.538

12.034

4.011

     

Onderzoek en opdrachten

4.236

2.909

2.550

2.267

2.323

2.323

2.323

               

Bijdragen aan agentschappen

47.281

41.197

41.106

40.986

34.784

32.389

32.389

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland

41.949

39.512

39.424

39.310

33.111

30.716

30.716

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

692

681

678

672

669

669

669

Kern Fysische Dienst

3.690

0

0

0

0

0

0

KNMI

950

1.004

1.004

1.004

1.004

1.004

1.004

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

110.603

113.116

113.116

113.116

113.116

113.116

113.116

Doorsluis COVA heffing

107.594

111.000

111.000

111.000

111.000

111.000

111.000

TNO Bodembeheer

3.009

2.116

2.116

2.116

2.116

2.116

2.116

               

Bijdragen aan mede-overheden

     

28.000

28.000

28.000

28.000

Uitkoop

     

28.000

28.000

28.000

28.000

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

64.899

56.523

45.470

32.973

26.325

26.325

25.873

ECN/NRG

57.903

55.867

44.487

31.936

25.288

25.288

24.836

Interne begrotingsreserve risicopremie lening ECN/NRG

6.600

           

Diverse instituten

396

656

983

1.037

1.037

1.037

1.037

               

ONTVANGSTEN

10.801.567

7.305.411

6.386.411

6.170.411

6.659.761

7.470.761

7.993.761

COVA

107.594

111.000

111.000

111.000

111.000

111.000

111.000

SDE+

173.619

320.000

494.000

678.000

1.074.000

1.730.000

2.308.000

Interne begrotingsreserve duurzame energie

 

20.000

77.000

77.000

73.000

78.000

73.000

Aardgasbaten

10.505.291

6.850.000

5.700.000

5.300.000

5.400.000

5.550.000

5.500.000

Ontvangsten zoutwinning

2.474

1.761

1.761

1.761

1.761

1.761

1.761

Diverse ontvangsten

12.589

2.650

2.650

2.650

     

Budgetflexibiliteit

Subsidies: Van het totale subsidiebudget is 97% juridisch verplicht. Dit percentage is hoog als gevolg van uitfinanciering van tot en met 2015 aangegane verplichtingen, met name langlopende uitbetalingen op reeds afgegeven beschikkingen in het kader van de MEP/SDE en verplichtingen die in 2011, 2012, 2013, 2014 en 2015 zijn aangegaan voor de SDE+.

Opdrachten: Van het opdrachtenbudget is 80% juridisch verplicht. Het betreft uitfinanciering van in voorgaande jaren afgegeven beschikkingen, met name in het kader van Joint Implementation en Pallas.

Bijdragen aan agentschappen: Het budget betreft de financiering van de opdracht 2016 aan RVO.nl, NVWA en het KNMI en is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s: Op dit onderdeel is geen sprake van budgetflexibiliteit. Het betreft met name de doorsluis van de COVA-heffing op aardolieproducten, bedoeld voor het dekken van de kosten van het aanhouden van voorraden. Dit is gebaseerd op nationale en internationale wetgeving.

Bijdragen (inter)nationale organisaties: Van het beschikbare budget voor (inter)nationale organisaties is 99% juridisch verplicht. De bijdrage aan ECN betreft een al langlopende gevestigde en op overeenkomsten gebaseerde subsidierelatie ten behoeve van energieonderzoek. Dit betekent dat er op dit onderdeel sprake is van enige budgetflexibiliteit, zij het beperkt op de korte termijn.

Toelichting op de financiële instrumenten

Subsidies

Topsector Energie

De Topsector Energie richt zich op de verduurzaming van de energievoorziening en de versterking van de toegevoegde waarde van de energiesector voor de Nederlandse economie. In samenwerking tussen de overheid, het bedrijfsleven en kennisinstellingen is ervoor gekozen om daarbij de focus te leggen op windenergie op zee, zonne-energie, bio-energie, energiebesparing in de industrie en de gebouwde omgeving, gas, en intelligente netten. In 2015 zijn de innovatiecontracten herzien en geaccordeerd door de Minister van EZ. Deze innovatiecontracten bevatten de gezamenlijke onderzoeks- en innovatieagenda van bedrijven en kennisinstellingen, waarmee aansluiting van onderzoek op de behoeften vanuit de markt wordt gewaarborgd. De Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s) voeren deze agenda uit. EZ stimuleert en ondersteunt de topsector energie met reguliere innovatie-middelen en een speciaal voor innovatie afgezonderd deel van de SDE+ middelen.

Het Topteam Energie ziet toe op het onderzoeks- en innovatieportfolio van de TKI’s en stuurt zo nodig bij. In 2016 zullen drie TKI’s fuseren tot een nieuwe overkoepelende TKI. Dit is het sluitstuk van de versterkte samenwerking tussen de TKI ’s die zich richten op energiebesparing in de gebouwde omgeving, zonne-energie en intelligente netten. Daarnaast is er in 2016 veel aandacht voor de verdere uitwerking van systeemintegratie en de cross-overs tussen de verschillende topsectoren en thema’s. Het thema systeemintegratie richt zich op inpassing van energie uit hernieuwbare bronnen in het energiesysteem, met specifieke aandacht voor cross-overs tussen elektriciteit, gas en warmte.

Energie-innovatie (Innovatie Agenda Energie)

De Innovatie Agenda Energie is afgerond in 2015. Dit betreft de uitfinanciering van een groot aantal specifieke innovatieprogramma’s die in de periode 2008–2011 zijn opgestart met een eenmalige impuls vanuit het Fonds Economische Structuurversterking (FES). De uitkomsten uit de Innovatie Agenda Energie worden zoveel mogelijke meegenomen binnen de Topsector Energie.

Kengetal

2011

2012

2013

2014

2015

Ambitie 2016

Aantal deelnemende bedrijven bij TKI1

Bron: RvO

n.v.t.

3012

486

612

n.n.b.

700

Kwaliteit van het Nederlandse energieonderzoek gemeten als retourpercentage van het Achtste EU kaderprogramma thema energie3

7,4%

7,0%

6,8%

6,6%

n.n.b.

7,0%

X Noot
1

In september 2012 zijn de TKI ’s opgericht. Daardoor is er geen waarde beschikbaar voor 2011.

X Noot
2

De oorspronkelijke waarde van 333 is bijgesteld naar 301. Oorzaken hiervoor waren: het terugtrekken van bedrijven uit samenwerkingsprojecten en goedgekeurde projecten die uiteindelijk niet zijn doorgegaan of waarvan de aanvraag is ingetrokken.

X Noot
3

De cijfers betreffen cumulatieve cijfers vanaf de start van het zevende kaderprogramma in 2007.

Green Deal

De Green Deal aanpak is sinds 2011 een onderdeel van het groene groei beleid van het kabinet. Ook in het Energieakkoord zijn de Green Deals als één van de instrumenten genoemd in het streven om tot een volledig duurzame energiehuishouding te komen. De onderwerpen van deze energie deals zijn zeer divers, variërend van energiebesparing tot elektrisch vervoer. Aangezien het initiatieven uit de samenleving zijn, is er op voorhand geen inzicht mogelijk in welk type energiedeals er in 2016 zullen worden afgesloten. De deals hebben veelal een looptijd van drie jaar en zijn volop in uitvoering. Een aantal deals is in 2015 beëindigd. Sinds 2011 zijn er 105 Green Deals afgesloten met als (deel) thema energie. Een compleet overzicht van Green Deals is te vinden op: http://www.greendeals.nl.

Energieakkoord

De Demonstratieregeling Energie-innovatie (DEI) komt voort uit het Energieakkoord en is gericht op versnelling van de commercialisering van energie-innovaties voor de export. De regeling draagt bij aan de ambitie om de economische waarde van de schone energie-technologieketen in 2020 te verviervoudigen ten opzichte van 2010. De regeling is in 2014 gestart. In 2015 zijn twee tenders uitgevoerd, waarvoor in totaal € 34 mln aan subsidiebudget beschikbaar was. In 2016 zal het subsidiebudget stijgen tot € 44 mln.

Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie (MEP) / Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE)

Dit betreft de uitfinanciering van verplichtingen die in het verleden in het kader van de Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie (MEP) en Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE) zijn aangegaan. MEP-subsidie is verleend aan elektriciteitsproducenten met wind- en zon-energie, waterkracht en biomassa. Projecten ontvangen MEP-subsidie tot aan het einde van de subsidietermijn. De MEP-subsidie geldt voor een periode van tien jaar. Aan het eind van de looptijd wordt de definitieve subsidie vastgesteld.

De SDE-regeling is de opvolger van de MEP. De SDE is een exploitatiesubsidie die het verschil vergoedt tussen de kostprijs van hernieuwbare energie en de marktprijs (de onrendabele top) voor projecten op het gebied van hernieuwbaar gas en hernieuwbare elektriciteit. De regeling is daarmee breder dan de MEP. Met ingang van 2011 is de SDE omgevormd en aangepast tot de SDE+.

Stimulering Duurzame Energieproductie+ (SDE+)

In het Energieakkoord voor duurzame energie is afgesproken dat Nederland in 2020 een aandeel van 14% hernieuwbare energieproductie heeft. Verder is afgesproken dat dit aandeel in 2023 16% zal zijn. Het belangrijkste instrument dat het kabinet heeft om dit te realiseren is de SDE+. De SDE+ richt zich op de opties hernieuwbare elektriciteit, groen gas en hernieuwbare warmte en subsidieert het verschil tussen de kostprijs van hernieuwbare energie en de marktprijs, de zogenaamde onrendabele top. Doordat in de SDE+ goedkopere projecten voorrang hebben bij het verkrijgen van subsidie en er concurrentie is tussen verschillende vormen van hernieuwbare energie, zal op de meest kosteneffectieve wijze de productie van hernieuwbare energie worden gestimuleerd. De totale uitgaven zijn afhankelijk van de beschikbare projecten en de ontwikkeling van de energieprijs. Voor 2016 is voor de tender wind op zee een verplichtingenbedrag van € 5 mld opgenomen. Daarnaast zal in het najaar van 2015 de Tweede Kamer worden geïnformeerd over het bedrag dat voor de reguliere SDE+ in 2016 gepubliceerd zal worden.

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Streefwaarde

Planning

Bron

Duurzame energieproductie

4,5%

2013

16%

2023

CBS

Compensatie indirecte kosten ETS elektriciteitsgrootverbruikers

Door de introductie van het Europese Emissiehandelssysteem (ETS) wordt de CO2-prijs door de elektriciteitsproducenten aan de elektriciteitsgrootgebruikers doorberekend. Elektriciteitsgrootgebruikers die internationaal concurreren kunnen in veel gevallen die CO2-kosten (ook wel indirecte kosten genoemd) niet doorberekenen omdat de concurrenten buiten de EU die kosten niet hebben. Naast verstoring van het gelijke speelveld leidt dit tot een CO2-weglek risico (het verplaatsen van bedrijven met veel directe of indirecte CO2 uitstoot naar landen waar de uitstoot van CO2 geen prijs heeft). Voor de compensatie van de indirecte kosten in het kader van het ETS is in 2016 een bedrag beschikbaar van € 61 mln op de EZ begroting. Dit budget neemt de komende jaren af in verband met het niveau van de CO2– prijs.

Afvang en opslag van CO2

Om op de lange termijn te komen tot een volledig duurzame energievoorziening zal afvang, gebruik en opslag van CO2 (CCS) onvermijdelijk zijn. CCS kan worden toegepast bij de industrie en ook bij gas- en kolencentrales. De rijksoverheid heeft het initiatief genomen voor een lange termijn visie over CCS. De visie CCS is een bouwsteen voor het Energierapport 2015. De relevante acties uit deze visie CCS zullen in 2016 in gang worden gezet. De rijksoverheid heeft reeds eerder toegezegd € 150 mln aan cofinanciering bij te dragen aan het grootschalige CCS demonstratieproject ROAD. Het gaat hierbij om het afvangen van CO2 bij de nieuwe E.ON kolencentrale op de Maasvlakte die vervolgens buiten de kust in een leeg gasveld wordt opgeslagen. Begin 2016 zal er door de initiatiefnemers een definitief investeringsbesluit worden genomen.

Hoge Flux Reactor (HFR)

De HFR in Petten is eigendom van de Europese Commissie en wordt geëxploiteerd door de Nucleair Research and consultancy Group (NRG). De exploitatie van de HFR wordt ondersteund door een reeks aanvullende onderzoeksprogramma’s. De voor de HFR opgenomen middelen betreft de Nederlandse bijdrage aan het «aanvullend programma» van het Joint Research Centre van de Europese Commissie, dat in de HFR wordt uitgevoerd. Het voornaamste doel van het aanvullend onderzoeksprogramma van de HFR, is een constante en betrouwbare neutronenflux voor experimentele doeleinden te leveren.

Elektrisch rijden

Het project Elektrisch Rijden is onderdeel van het Energieakkoord voor duurzame groei. Uiterlijk 1 januari 2016 ligt er een nieuw beleidsplan dat volwaardig invulling geeft aan de voorzetting van het programma Elektrisch Vervoer en aansluit bij de plannen van het Formule E-team. Dit plan is tot stand gekomen onder meer op basis van de Actie-agenda Brandstoffenvisie die het kader vormt voor het Elektrisch Vervoerbeleid. Het beleidsplan heeft als focus het verzilveren van het verdienpotentieel, het adequaat faciliteren van het totale innovatiesysteem en de inpassing van de verdergaande elektrificering van mobiliteit in het energiesysteem. Het beleidsplan houdt de uitrol van voertuigen op een pad richting het doel van 2035 dat alle nieuwe personenauto’s in staat moeten zijn tot zero-emissie rijden. De uitwerking vindt vooral plaats door gebruik te maken van bestaande beleids- en ondersteuningsinstrumenten. Nederland probeert haar positie in de kopgroep van de uitrol van voertuigen en laadinfrastructuur te behouden en zich te blijven profileren als een interessante plek om innovaties te testen en te demonstreren. Dit vereist gunstige randvoorwaarden.

Caribisch Nederland

Per 1 januari 2014 is het Gemeenschappelijk Energie Bedrijf (GEBE) van de bovenwindse eilanden ontvlochten en opgesplitst in drie bedrijven voor ieder van de eilanden één. Op Saba en St. Eustatius ontstonden de verzelfstandigde bedrijven Saba Electric Company (SEC) en Statia Utility Company (STUCO). Al vóór de ontvlechting van GEBE zijn beslag kreeg was duidelijk dat SEC en STUCO hun tarieven fors zouden moeten verhogen om een sluitende begroting te hebben, want de impliciete subsidie van St. Maarten aan Saba en St. Eustatius verdween door de ontvlechting.

De kosten van energievoorzieining op de eilanden van Caribisch Nederland zijn relatief hoog. De beperkte schaalgrootte, het insulair karakter alsook de sociaal-economische omstandgheden zijn van dien aard dat de netwerkkosten op de eilanden substantieel hoger zijn dan in Europees Nederland. Een forse verhoging van de tarieven werd zowel door de Eilandbesturen als door het Ministerie van Economische Zaken onwenselijk geacht. Mede daarom zal de Elektriciteits en Drinkwaterwet BES ruimte bieden de hoge netwerkkosten (tijdelijk) te subsidiëren, de subsidie wordt over een periode van tien jaar afgebouwd. Door de subsidie voor de netwerkkosten zullen de netwerktarieven voor elektriciteit op de eilanden ongeveer even hoog zijn als in Europees Nederland.

Daarnaast wordt ingezet op kostprijsverlaging door introductie van duurzame energie (zon, wind) en verplaatsing en modernisering van de elektriciteitscentrale Saba. In 2014 is begonnen met de verplaatsing van de elektriciteitscentrale op Saba. In 2015 zijn aanbestedingen gehouden op Saba en St. Eustatius voor grootschalige parken met zonne-energie. De subsidies worden gespreid over de jaren beschikbaar gesteld, naarmate de werkzaamheden vorderen. Naar verwachting worden de werkzaamheden in 2016 afgerond.

Overige subsidies

Dit betreft de uitfinanciering van verplichtingen van reeds beëindigde subsidieregelingen. Dit betreft met name de uitfinanciering van het Besluit Subsidies Investeringen Kennisinfrastructuur (BSIK), transitiemanagement en duurzame warmte.

Garanties

Aardwarmte

Aardwarmte of Geothermie betreft het winnen van warmte uit diepe aardlagen. Het potentieel van aardwarmte is 11 petajoule (PJ) in 2020. Het ontbreken van een (betaalbare) verzekering is een belangrijk knelpunt voor de toepassing van aardwarmte. De garantieregeling aardwarmte heeft als doel het afdekken van het risico dat het boren van putten voor de toepassing van aardwarmte niet succesvol is. De overheid dekt dit risico af door middel van het uitgeven van garanties aan marktpartijen die hiervoor een premie betalen.

In 2015 is de garantieregeling opnieuw opengesteld. Ook in 2016 is openstelling van de regeling wenselijk, aangezien de verzekeringsmarkt het geologisch risico nog niet afdekt en voor financiering van de projecten een garantstelling vereist is.

Opdrachten

O&O bodembeheer

Dit betreft opdrachten ten behoeve van de Mijnraad en de Technische commissie bodembeweging (Tcbb).

Joint implementation

De Joint Implementation aankoopprogramma’s die gericht waren op het aankopen van CO2– rechten voor het door Nederland nakomen van de Kyoto-doelstelling zijn afgesloten. Voor een aantal van de in de programma’s gesteunde projecten lopen nog financiële verplichtingen en voor één project loopt nog een juridisch traject.

Pallas

Het kabinet en de provincie Noord-Holland investeren elk maximaal € 40 mln in het project Pallas met als doel de realisatie van een nieuwe onderzoeksreactor in Petten. Deze bijdrage in de periode 2013–2017 is bedoeld voor het ontwerp, de aanbesteding en de vergunningprocedure van de reactor. Voor de realisatie van de onderzoeksreactor is in 2013 de onafhankelijke Stichting Voorbereiding Pallas-reactor opgericht. In 2016 verwacht de stichting het ontwerp van de onderzoeksreactor te kunnen aanbesteden, een start te maken met het aanvragen van de nodige vergunningen en de strategie voor het verwerven van de benodigde financiering uit te werken op basis van een geactualiseerde business case. Uitgangspunt van het kabinet is dat de bouw en exploitatie van de reactor met privaat en risicodragend kapitaal wordt gefinancierd, waarbij de gemaakte kosten voor ontwerp, aanbesteding en vergunningprocedure moeten worden terugbetaald.

Onderzoek en opdrachten

Dit betreft kleinere onderzoeksopdrachten- veelal met een looptijd van minder dan één jaar- die dienen ter ondersteuning van het energiebeleid en die veelal gericht zijn op beantwoording van één specifieke vraag (al dan niet op verzoek van de Tweede Kamer).

Bijdrage aan agentschappen

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl)

Dit betreft vooral de kosten van uitvoering door RVO.nl van energiesubsidieregelingen, waaronder de Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie (MEP) en Stimulering Duurzame Energieproductie(+) (SDE(+)). Voor een klein deel heeft het betrekking op voorbereidende en ondersteunende werkzaamheden van RVO.nl op het gebied van het energiebeleid.

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)

NVWA voert het toezicht uit op de naleving van de Wet Implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie. De werkzaamheden van NVWA in dat kader betreffen het uitvoeren van inspecties en producttesten, internationale contacten en samenwerking, interventies bij niet-naleving, het volgen van marktontwikkelingen en het geven van voorlichting. De vergoeding betreft de kosten van de werkzaamheden, alsmede de kosten van aanschaf van te testen apparatuur.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Doorsluis Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA) heffing

Het crisisbeleid op het gebied van de olievoorzieningszekerheid dient verstoringen in de olieaanvoer op te vangen. Door de Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA) en het oliebedrijfsleven worden in opdracht van EZ strategische olievoorraden aangehouden in lijn met hetgeen hierover geregeld is in de Wet voorraadvorming aardolieproducten (Wva) 2012. De uitgavenreeks op de EZ-begroting betreft de doorsluis van de ontvangen voorraadheffingen naar de COVA. De voorraadheffing is een heffing ingesteld op aan accijns van minerale oliën onderworpen aardolieproducten. De heffing bedraagt momenteel € 8,– per 1.000 liter benzine en diesel en wordt door de Minister van Financiën geheven en ingevorderd door de Belastingdienst. De Minister van EZ keert de opbrengst van heffing uit aan de stichting COVA ter dekking van de operationele kosten en financieringslasten van de COVA. Per 1 april 2013 is de Wva 2012 van kracht geworden en in lijn met de bepalingen in de nieuwe Wva 2012 is een verhoging van de voorraadheffing doorgevoerd. In deze wet is onder andere de EU Richtlijn 2009/119/EU over strategische aardolievoorraden geïmplementeerd.

Bijdrage TNO-AGE

Dit betreft een bijdrage aan TNO-AGE voor de adviestaak voortvloeiend uit de Mijnbouwwet en Mijnbouwregeling. De adviserende taak ligt op het vlak van het opsporen en winnen van delfstoffen (olie, gas en steenzout) en aardwarmte en het opslaan van stoffen in de (diepe) ondergrond van Nederland.

Bijdragen aan medeoverheden

Verkabelingregeling

Het Rijk maakt het vanaf 2017 mogelijk om 140 kilometer aan bestaande hoogspanningslijnen van 50, 110 en 150 kV, die in de buurt van woningen staan, gedeeltelijk onder de grond te brengen (verkabelen). De verkabeling gaat alleen door als de gemeente een bijdrage wil leveren. Gemeenten dragen niet langer alle kosten, maar slechts 25%. Netbeheerder TenneT mag de overige 75% van de transportkosten van elektriciteit doorberekenen aan klanten.

De regeling heeft een looptijd van vijftien jaar. Waar ondergrondse hoogspanningslijnen niet mogelijk zijn of financieel niet wenselijk, kunnen bewoners met een woning recht onder een hoogspanningsverbinding worden uitgekocht (TK, 31 574, nr. 29; TK, 34 199).

Uitkoopregeling

Woningen die direct onder de hoogspanningslijnen staan van 220 en 380 kV verbindingen en 110 en 150 kV buiten de bevolkingskernen, komen in aanmerking voor uitkoop. Het Rijk stelt vanaf 2017 geld beschikbaar voor een vrijwillige uitkoopregeling onder de voorwaarde dat de betrokken gemeenten besluiten tot verwijderen van de woonfunctie. De regeling wordt samen met de betrokken gemeenten uitgewerkt en heeft een looptijd van vijf jaar (TK, 31 574, nr. 29).

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Energie Onderzoekcentrum Nederland (ECN)/Nuclear Research and consultancy Group (NRG)

ECN ontwikkelt hoogwaardige kennis en technologie voor een efficiënte en duurzame energievoorziening en brengt deze naar de markt. Het onderzoeksprogramma van ECN wordt in overleg met de Topsector Energie vormgegeven. Daarnaast ondersteunt ECN de ontwikkeling en uitvoering van energiebeleid. Voor NRG betreft het onderzoeksactiviteiten op het gebied van de nucleaire veiligheid, radioactief afval en stralingsbescherming. Centraal daarbij staat de ontwikkeling van kennis, producten en processen voor veilige toepassing van nucleaire technologie voor energie, milieu en gezondheid. In de Visie op het toegepaste onderzoek is aangegeven dat het kabinet de TO2-instituten in de toekomst op kwaliteit en maatschappelijke impact van het onderzoek wil beoordelen. Voor 2016 maakt EZ hier voor zover mogelijk al concrete prestatieafspraken over met ECN, naar aanleiding van de prestatiemeting in het najaar van 2015.

Indicator: klanttevredenheid en kennisbenutting

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Streefwaarde

Planning

Bron

Klanttevredenheid ECN

8,6

2014

8,0

2016

ECN

Kennisbenutting ECN

>80%

2016

ECN

Toelichting

In 2015 zijn alle TO2 instituten overgegaan op een nieuwe, uniforme methode voor het meten van klanttevredenheid en kennisbenutting. De scores in bovenstaande tabellen geven de gerealiseerde waarden van klanttevredenheid en kennisbenutting voor al het onderzoek dat de TO2 in opdracht uitvoeren (het betreft dus zowel Publiek-private samenwerking (PPS) onderzoek, als onderzoek in opdracht van private klanten als onderzoek in opdracht van de publieke sector, tenzij anders vermeld). Over 2014 is al wel een uniforme meting van klanttevredenheid uitgevoerd, daarop is de referentiewaarde voor klanttevredenheid gebaseerd. In 2015 zal voor het eerst ook kennisbenutting uniform worden gemeten, dat zal de basis vormen voor de referentiewaarde van kennisbenutting. Over deze indicatoren wordt nader gerapporteerd in de monitor Bedrijfslevenbeleid. In de Visie op het toegepaste onderzoek (TK, 2012–13, 32 637 nr. 68) is aangegeven dat het kabinet de instituten in de toekomst op kwaliteit en maatschappelijke impact van het onderzoek wil beoordelen. Daartoe wordt in 2015 een uniform evaluatie- en monitoringskader ontwikkeld waarmee de instituten in 2017 geëvalueerd worden. Tevens wordt in 2015 een eerste meting uitgevoerd.

Diverse instituten

Nederland participeert in een aantal internationale organisaties of programma’s, die zich bezig houden met voorzieningszekerheid. Het gaat dan om het International Energy Agency (IEA), het Energy Charter Treaty (ECT), het International Energy Forum, het Gas Exporting Countries Forum (GECF) en het Nederlands Polair Programma (NPP). Daarnaast is Nederland samen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken en een aantal bedrijven partner in het Clingendael International Energy Programme (CIEP).

In het Pentalateraal Energieforum wordt in 2016 gewerkt aan de implementatie van het vastgestelde programma in de politieke verklaring van juni 2015. Dit betreft drie werkterreinen:

marktintegratie, leveringszekerheid en flexibiliteit. Op het terrein van marktintegratie zullen de resultaten van het «flow based-marktkoppelingssysteem» worden gemonitord en zal dit systeem waar mogelijk in samenwerking met netbeheerders, beurzen en toezichthouders verder worden verbeterd. Het systeem van flow based marktkoppeling is in mei 2015 van start gegaan. Hiermee wordt de beschikbare capaciteit van de netwerken nog efficiënter benut dan voorheen. Op het terrein van leveringszekerheid zal worden bezien welke verbeteringen mogelijk zijn in de regionale leveringszekerheidsanalyse die in 2017 opnieuw door de netwerkbeheerders (TSO’s) in de pentalaterale regio zal worden uitgevoerd. Daarnaast zullen er afspraken gemaakt worden over grensoverschrijdende deelname aan capaciteitsmechanismen in de Noordwest-Europese regio en over het beperken van marktverstorende grensoverschrijdende effecten van deze mechanismen. Tot slot zullen in een nieuwe werkgroep afspraken worden gemaakt gericht op toename van flexibiliteit in het energiesysteem. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om het creëren van efficiëntere balanceringsmarkten, de ontwikkeling van vraagzijderespons en de bevordering van mogelijkheden voor de opslag van elektriciteit. Daarnaast zal gewerkt worden aan versterkte operationele samenwerking tussen TSO’s in de Noordwest-Europese regio ter bevordering van leveringszekerheid en flexibiliteit.

Toelichting op de ontvangsten

COVA

Betreft ontvangsten uit hoofde van de voorraadheffing COVA, zoals toegelicht bij de uitgavenpost «Doorsluis COVA heffing».

SDE+

De uitgaven van de SDE+ subsidie worden gefinancierd via een opslag op de energierekening. Deze opslag is in 2013 ingevoerd.

Aardgasbaten

Het kabinet heeft besloten om de gaswinning uit het Groningenveld voor 2015 terug te brengen tot 30 miljard m3. De landelijk gasnetbeheerder, Gas Transport Services, heeft immers aangegeven dat uit oogpunt van leveringszekerheid in een koud jaar een volume van 33 miljard m3 gaswinning uit het Groningenveld noodzakelijk is (zie bijlage 2, Kamerstukken II 2014/15, 33 529, nr. 96). Aangezien de gasopslag Norg aan het eind van 2014 is uitgebreid en daardoor een tijd buiten gebruik is geweest wegens werkzaamheden, is er in 2015 de eenmalige mogelijkheid om 3 miljard m3 meer gas uit Norg te betrekken. In lijn met het besluit over 2015 is voor de berekening van de gasbaten voor de jaren 2016–2020 voor het Groningenveld voorlopig uitgegaan van het niveau dat noodzakelijk is voor de leveringszekerheid (33 mld m3). Er loopt inmiddels een tweetal onderzoeken naar respectievelijk een verantwoord niveau van gaswinning en omkering van het systeem van gaslevering om eind 2015 tot een goed besluit te kunnen komen over de gaswinning in 2016 en de jaren daarna (TK 33 529 nr. 174). De raming van de aardgasbaten voor 2015 en verder is gebaseerd op het meest recente scenario van het CPB uit de Macro Economische Verkenning (MEV).

Verwachting 2015–2016

2015

2016

Productie aardgas totaal (in Groningen equivalenten)

55

55

Euro/dollarkoers

1,11

1,09

Olieprijs (dollar/vat)

57,7

60,0

Beursprijs van TTF-gas (eurocent/ m3)

21

20

Kengetallen

2011

2012

2013

2014

1. Gewonnen volume aardgas kleine velden (in Nm3)1

Bron: TNO

28 mld Nm3

26 mld Nm3

26 mld Nm3

24 mld Nm3

2. Aantal boringen exploratie onshore en offshore

Bron: TNO

18

162

9

21

3. Aantal boringen productie onshore en offshore

Bron: TNO

39

193

18

32

4. Productie aardgas totaal (in Nm3)1

Bron: TNO

74 mld Nm3

74 mld Nm3

80 mld Nm3

66 mld Nm3

5. Euro/dollarkoers

Bron: CBS/CPB

1,39

1,284

1,33

1,33

6. Olieprijs (dollar/vat) Bron: CBS/CPB

111,3

111,7

108,7

101,4

7. Beursprijs van TTF-gas (eurocent/ m3)

Bron: APX Endex

22,95

24,05

26,0

21,3

X Noot
1

De reeks wijkt af van de in de Rijksbegroting 2015 opgenomen waarden. Er is voor gekozen om de waarden op te nemen in Nm3 in plaats van Sm3 omdat Nm3 beter aansluit bij de eenheid waarin de productie van het Groninger gas wordt uitgedrukt; de «Groningen equivalenten».

X Noot
2

De waarde wijkt af van de in de Rijksbegroting 2014 opgenomen waarde. Uit een in februari 2014 ontvangen TNO-rapportage blijkt dat een correctie, in de tabel van 2012, van 1 is doorgevoerd in verband met een indeling in de verkeerde categorie.

X Noot
3

De waarde wijkt af van de in de Rijksbegroting 2014 opgenomen waarde. Uit een in februari 2014 ontvangen TNO rapportage blijkt dat een correctie, in de tabel van 2012, van 10 is doorgevoerd in verband met een rekenfout.

X Noot
4

De waarde van de euro/dollarkoers wijkt af van de in de Rijksbegroting opgenomen waarde. Deze waarde was gebaseerd op een raming van het CBS/CPB.

X Noot
5

De waarden van 2011 en 2012 wijken af van de in de Rijksbegroting 2014 opgenomen waarden. Dit is veroorzaakt door het in het verleden toepassen van een onjuiste correctiefactor.

  • 1 t/m 4 In het kader van voorzieningszekerheid is het van belang dat het aardgas dat zich bevindt in de Nederlandse kleine velden ook wordt gewonnen. Dit omvat zowel het produceren van reeds ontdekte velden (kengetal 1,3 en 4) als het exploreren van nieuwe velden (kengetal 2). EZ stelt de randvoorwaarden middels een concurrerend mijnbouwklimaat, marktpartijen nemen de productie en exploratie voor hun rekening. Kengetal 1 geeft de totale hoeveelheid gewonnen gas uit kleine velden (onshore en offshore). Kengetal 4 geeft de totale aardgasproductie in Nederland weer in standaard m3, dus aardgas gewonnen uit kleine velden en het Groningerveld.

  • 5 t/m 7 De bepalende factoren voor de geraamde aardgasbaten zijn de aardgasprijs en het volume van de verkopen. De aardgasprijs is gerelateerd aan enerzijds de prijs van olie in dollars in combinatie met de euro/dollar-koers en anderzijds aan de prijs van gas die onafhankelijk van de olieprijs op de markt tot stand komt op onder andere gasbeurzen.

Interne begrotingsreserves

De interne begrotingsreserve voor duurzame energie is bestemd voor onbesteed gebleven middelen als gevolg van vertraging bij projecten waaraan reeds subsidie is toegekend en reeds verplichte projecten die niet tot uitvoering komen en door andere projecten moeten worden vervangen met het oog op het bereiken van de doelstelling. Via de reserve blijven de middelen beschikbaar tot het moment dat ze alsnog zullen worden uitbetaald. De interne begrotingsreserve voor de garantieregeling Aardwarmte is bedoeld om het budget voor deze regeling meerjarig in te kunnen zetten en een eventuele mismatch in de tijd tussen inkomsten en uitgaven op te vangen. Om gebruik te kunnen maken van de garantieregeling Aardwarmte betalen marktpartijen een premie aan de uitvoerder van de regeling (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) die wordt gestort in de interne begrotingsreserve.

Stand interne begrotingsreserve per 31 december 2014 (x € 1.000)

 

Interne begrotingsreserve duurzame energie

594.363

Interne begrotingsreserve Aardwarmte

20.037

Interne begrotingsreserve ECN verstrekte leningen

6.600

Budgettair belang fiscale maatregelen

Bedragen x € 1 mln
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Energie-investeringsaftrek (EIA)

124

106

101

101

101

101

101

Lokaal opgewekte duurzame energie

0

0

1

1

2

3

5

Met de energie-investeringsaftrek (EIA) stimuleert EZ investeringen in energiebesparing in of bij bedrijfsgebouwen, processen en transportmiddelen, duurzame energie en energie-advies. De EIA maakt het mogelijk om een extra fiscale aftrek te genieten op de gedane investeringen die leiden tot energiebesparing. Ten opzichte van het historisch verbruik of het gemiddeld gangbare energiegebruik bij nieuwbouw moeten investeringen in energiebesparing per jaar per geïnvesteerde euro een bepaalde hoeveelheid energie besparen. Alleen de nieuwste typen bedrijfsmiddelen komen hierdoor in aanmerking. De EIA stimuleert zo de marktintroductie van een nieuwe generatie efficiënte bedrijfsmiddelen. Om meer middelen beschikbaar te houden voor investeringen in energiebesparing en energie-efficiëntieverbetering in het bedrijfsleven, is in het Energieakkoord voor duurzame groei opgenomen dat de EIA-regeling zoveel mogelijk wordt gericht op investeringen in energiebesparing. Sinds 2014 komen projecten die een SDE+ subsidie krijgen niet meer in aanmerking voor de EIA. Daarom zijn sinds 2014 in de SDE+-regeling iets hogere basisbedragen vastgesteld, omdat het voordeel van de EIA niet meer wordt meegerekend.

Overzicht maatregelen ten behoeve van het Energieakkoord

Conform de motie Leegte (TK, 2014–2015, 30 196 nr. 278) is onderstaand een totaaloverzicht opgenomen van alle maatregelen van alle ministeries ten behoeve van het Energieakkoord. De maatregelen zijn gegroepeerd op basis van de doelstelling uit het Energieakkoord waaraan de maatregelen het meest direct bijdragen. Veel maatregelen dragen echter bij aan meerdere doelen.

In de begrotingen van Infrastructuur en Milieu en van Wonen en Rijksdienst zijn verwijzingen naar dit totaaloverzicht opgenomen. De betreffende maatregelen die op deze begrotingen staan zijn in onderstaand overzicht opgenomen. Achter de maatregelen in dit overzicht wordt aangegeven op welke begroting en beleidsartikel de maatregelen feitelijk staan.

De budgettaire gevolgen van het Energieakkoord zijn als bijlage bij de aanbiedingsbrief van het Energieakkoord gevoegd (TK, 30 196, nr. 202). Hierin zijn ook de fiscale maatregelen vermeld die onderdeel vormen van het Energieakkoord. De budgettaire gevolgen van deze aanpassingen zijn niet veranderd ten opzichte van het afsluiten van het Energieakkoord. Deze aanpassingen zijn derhalve niet meegenomen in dit overzicht en worden ook niet apart vermeld in de begroting van Financiën (IX).

Uitgaven x € 1.000
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

ENERGIEBESPARING

           

MJA3 / MEE (EZ, art.14)

3.551

2.377

2.238

2.238

2.238

2.238

EIA (EZ, art.14)

106.000

101.000

101.000

101.000

101.000

101.000

Compensatie indirecte kosten ETS (EZ, art. 14)

61.000

61.000

83.045

62.000

61.000

61.000

Demo Schoon en Zuinig (EZ, art. 16)

1.035

Innovatieagenda Energie (EZ, art.16)

1.213

1.629

1.628

2.908

2.908

2.908

Marktintroductie energie innovaties (MEI) (EZ, art. 16)

5.636

3.689

1.289

4.735

5.539

5.539

Investeringsregeling Energiebesparing (IRE) / Investeringsregeling Milieuvriendelijke Maatregelen (IMM) (EZ, art. 16)

1.918

3.710

4.819

4.900

4.900

4.900

Wet Milieubeheer energiebesparing (IenM, art. 19)

3.050

425

425

Openbare verlichting decentrale overheden (IenM, art. 19)

35

Revolverend fonds: Energiebespaarfonds (NEF) (WenR, art. 2)

25.000

(Voorlopig) Energielabel (WenR, art. 2)

9.300

Subsidieregeling STEP (WenR, art. 2)

195.000

200.000

VNG: ondersteuningsstructuur energieke samenleving (WenR, art. 2)

5.000

5.000

Revolverend fonds; leningen VvE’s (WenR, art. 2)

35.000

Revolverend fonds; leningen verhuurders (WenR, art. 2)

72.800

             

HERNIEUWBARE ENERGIE

           

MEP (EZ, art. 14)

364.987

278.022

187.487

54.991

47.025

40.025

SDE/SDE+ (EZ, art.14)

802.709

1.119.215

1.337.857

1.762.331

2.358.000

3.036.900

Storting in Interne begrotingsreserve duurzame energie (EZ, art. 14)

           

Garantieregeling aardwarmte (EZ, art. 14)

1.000

Storting in Interne begrotingsreserve

Garantieregeling aardwarmte (EZ, art. 14)

           
             

ENERGIE-INNOVATIE

           

Topsector Energie (EZ, art.14)

25.623

11.000

30.088

30.770

31.490

31.490

Demonstratieregeling Energie-innovaties (EZ, art. 14)

34.000

44.000

49.000

49.000

49.000

49.000

Innovatiemiddelen SDE+ (EZ, art. 14)

42.239

44.840

23.600

13.320

10.000

5.000

             

MOBILITEIT

           

Elektrisch rijden (EZ, art. 14)

1.123

Lean and Green Personal Mobility (IenM, art. 14)

600

Meerjaren bewustwording champagne «Hopper» (IenM, art. 14)

50

35

Organisatiekosten Green Deal Autodelen (IenM, art. 14)

60

Campagne veilige, zuinige, stille banden op spanning (IenM, art. 19)

200

             

OVERIGE

           

Bijdrage RVO uitvoeringslasten Energieakkoord (EZ, art. 14)

5.200

5.200

5.200

Uitvoering revolverend fonds (RVO) (WenR, art. 2)

400

400

400

400

400

Ondersteunende activiteiten t.b.v. Energieakkoord (WenR, art. 2)

2.219

7.535

7.069

6.749

6.450

6.445

Uitvoering STEP (RVO) (WenR, art. 2)

750

300

200

3.500

370

16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Algemene doelstelling

EZ streeft naar internationaal toonaangevende, concurrerende, sociaal verantwoorde, veilige, en dier- en milieuvriendelijke agro-, visserij- en voedselketens.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is verantwoordelijk voor:

Stimuleren

  • Het versterken van de positie van de Nederlandse agro-, visserij- en voedselketens en het stimuleren van groene economische groei via energie- en klimaatbeleid voor de landbouw en de voedings- en genotmiddelen industrie.

  • Het stimuleren van een adequate en duurzame voedselvoorziening/voedselzekerheid, voedselkwaliteit op Europees en mondiaal niveau evenals het bijdragen aan het Europese en internationale landbouw- en visserijbeleid.

  • Het stimuleren van marktgedreven verduurzaming van de veehouderij door de ontwikkeling van onderscheidende duurzame marktconcepten, nieuwe vormen van ketensamenwerking en nieuwe marktstrategieën.

Regisseren

  • Het borgen van voedselveiligheid. Producenten en partijen uit de voedselketen zijn primair verantwoordelijk voor hun producten en productiewijze. Zij opereren op basis van normen en kaders die de overheid stelt en die goeddeels hun grondslag vinden in internationale, vooral Europese regelgeving. De Minister van VWS is verantwoordelijk voor wetgeving voor voedselveiligheid, met uitzondering van wetgeving voor het slachten van dieren en het keuren en uitsnijden van vlees, waar de Minister van EZ verantwoordelijk voor is.

  • Het zeker stellen van goede gewasbescherming, evenals het borgen van plant- en diergezondheid en dierenwelzijn.

Uitvoeren

  • Het uitvoeren van een effectief mestbeleid ter realisatie van de doelstellingen uit de Europese Nitraatrichtlijn (91/676/EEG).

  • Het uitvoeren van adequaat veterinair en fytosanitair beleid.

  • De controle op en handhaving van de regels voor de veiligheid van voedsel in de primaire productie en slachterijfase.

  • Het handhaven van de regelgeving op gebied van dier- en plantgezondheid, zorgvuldig gebruik van antibiotica en dierenwelzijn.

  • Het uitvoeren van kennisontwikkeling en financieren van innovatie ten behoeve van het groene domein.

  • Het uitvoeren van een gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid.

Bij het verder vormgeven van het Europees Landbouwbeleid voor de periode 2014–2020 heeft de Minister de rol om de Nederlandse inbreng goed tot zijn recht te laten komen. Vereenvoudiging is hierbij een belangrijk onderwerp van discussie. In de Beleidsagenda en bijlage Europese geldstromen wordt hier nader op ingegaan.

Beleidswijzigingen

Op de volgende speerpunten en beleidswijzigingen wordt ingezet in 2016:

  • Vanaf 1 januari 2015 wordt de sectorbijdrage aan het Diergezondheidsfonds (DGF) door middel van heffingen op grond van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwwd) door EZ geïnd. Op basis van de huidige Gwwd staat een heffing voor 3 jaar vast. Beoogd wordt om onder andere de heffingssystematiek voor zowel de reguliere- als de crisiskosten in de Gwwd meer flexibel te maken, zodat beter ingespeeld kan worden op actuele ontwikkelingen. De meer flexibele systematiek zal zo spoedig mogelijk, naar verwachting met ingang van 1 januari 2018, toegepast worden.

  • Het kabinet komt met een reactie op het WRR-Advies «Naar een voedselbeleid». In 2016 geeft het kabinet een vervolg aan de voedselagenda en de daarin vermelde acties en activiteiten. Naar aanleiding van het onderzoek naar de risico’s in de vleesketen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid zal keuring en toezicht en de aanpak van fraude verder vorm worden gegeven door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) (TK, 2013–2014, 26 991, nr. 418).

  • De uitvoering van de beleidsbrief dierenwelzijn van 4 oktober 2013 (TK, 2013–2014, 28 286, nr. 651) die toeziet op de verbetering van dierenwelzijn, onder andere door het uitfaseren van ingrepen bij landbouwhuisdieren, het stimuleren van een maatschappelijk geaccepteerde fokkerij, het tegengaan van impulsaankopen en welke dieren gehouden mogen worden. De huisdierenlijst voor zoogdiersoorten is in 2015 van kracht geworden. Deze lijst wordt in 2016 nader ingevuld. Op basis van de ervaringen zal gekeken worden naar een huisdierenlijst vogels, reptielen en amfibieën.

  • In nauw overleg met de partners van het Convenant Weidegang worden maatregelen uitgewerkt waarmee het gewenste ambitieniveau van 80% weidegang voor melkvee in 2020 wordt gerealiseerd.

  • Het Platform Varkensketen geeft in samenwerking met EZ en andere betrokken partijen uitvoering aan de Innovatie- en uitvoeringsagenda van de toekomstvisie Recept voor Duurzaam Varkensvlees. Doel is een hoogwaardig, duurzaam producerende en toekomstbestendige Nederlandse varkensketen in 2020 die maatschappelijk wordt gewaardeerd.

  • Parlementaire behandeling van het wijzigingsvoorstel van de Wet dieren houdende bepalingen betreffende de regulering van aantallen productiedieren in relatie tot de volksgezondheid. Hiermee krijgen de provincies de mogelijkheid om vanuit een oogpunt van volksgezondheid de omvang van de veehouderij in een aangewezen gebied te reguleren.

  • In 2014 zijn de WOT’s Besmettelijke Dierziekten, Voedselveiligheid en Genetische bronnen geëvalueerd. In 2015 worden de WOT’s Visserijonderzoek en Economische Informatievoorziening geëvalueerd. Voor de WOT Besmettelijke Dierziekten is inmiddels een nieuwe uitvoeringsovereenkomst opgesteld. Op basis van de evaluaties zal voor de andere vier geëvalueerde WOT’s in 2015 en 2016 eveneens nieuwe uitvoeringsovereenkomsten worden opgesteld. In 2016 zal als laatste het WOT-programma Natuur en Milieu worden geëvalueerd.

Beleidsinformatie

Kengetal

2011

2012

2013

2014

1. Maatschappelijke appreciatiescore

Bron:TNS/NIPO

Geen meting

7,5

7,6

Geen meting

2. Mate van vertrouwen consumenten in voedsel

Bron:NVWA monitor

3,4

Geen meting

3,2

Geen meting

3. Export van agrarische producten uit Nederland (bedragen x miljoen)

       

Duitsland

18.613

19.731

20.758

Nog niet bekend

België

7.483

7.811

8.425

Verenigd Koninkrijk

6.970

7.431

7.838

Frankrijk

7.154

7.204

7.434

Italië

3.736

3.703

3.742

 

Overige landen