Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2013-2014
Kamerstuk 33930-XIII nr. 1

Gepubliceerd op 21 mei 2014



33 930 XIII Jaarverslag en slotwet Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie 2013

Nr. 1 JAARVERSLAG MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE (XIII) 2013

Aangeboden 21 mei 2014

Gerealiseerde verplichtingen van EZ verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln)

Gerealiseerde verplichtingen van EZ verdeeld over de 				  beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln)

Gerealiseerde uitgaven van EZ verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln)

Gerealiseerde uitgaven van EZ verdeeld over de 				  beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln)

Gerealiseerde ontvangsten van EZ verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln)

Gerealiseerde ontvangsten van EZ verdeeld over de 				  beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln)

INHOUDSOPGAVE

A.

ALGEMEEN

5

1.1

Aanbieding en dechargeverlening

5

1.2.

Leeswijzer

9

     

B.

HET BELEIDSVERSLAG

11

1.3.1

De beleidsprioriteiten

11

1.3.2

De beleidsartikelen

20

 

11

Goed functionerende economie en markten

20

 

12

Een sterk innovatievermogen

28

 

13

Een excellent ondernemingsklimaat

39

 

14

Een doelmatige en duurzame energievoorziening

53

 

16

Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

69

 

17

Groen onderwijs van hoge kwaliteit

86

 

18

Natuur en regio

94

1.3.3

De niet-beleidsartikelen

106

 

40

Apparaat

106

 

41

Nominaal en Onvoorzien

 

1.3.4

De Bedrijfsvoeringsparagraaf

110

     

C.

JAARREKENING

112

1.4.1

Departementale verantwoordingsstaat

112

1.4.2

Samenvattende verantwoordingsstaat inzake agentschappen

113

1.4.3

Toelichting bij de samenvattende verantwoordingsstaat inzake agentschappen

114

 

Aansluiting realisatie agentschappen met financiering door moederdepartement

114

 

Agentschap NL (AgNL)

116

 

Agentschap Telecom (AT)

124

 

Dienst ICT Uitvoering (DICTU)

132

 

Dienst Landelijk Gebied (DLG)

137

 

Dienst Regelingen (DR)

143

 

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)

150

1.4.4

Saldibalans EZ per 31 december 2013

159

1.4.5

Topinkomens

170

     

D.

BIJLAGEN

172

 

1.

Bijlage Zelfstandige Bestuursorganen (ZBO's) en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (RWT's)

172

 

2.

Bijlage afgerond evaluatie- en overig onderzoek 2013

184

 

3.

Europese geldstromen

192

 

4.

Overzicht niet-financiële informatie over inschakeling van externe adviseurs en tijdelijk personeel (bijlage externe inhuur)

201

 

5.

Lijst van afkortingen

203

A. ALGEMEEN

1.1 AANBIEDING EN DECHARGEVERLENING

AAN de voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Hierbij bied ik, mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken, het departementale jaarverslag van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) over het jaar 2013 aan.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Economische Zaken decharge te verlenen over het in het jaar 2013 gevoerde financiële beheer.

Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Rekenkamer met betrekking tot:

  • a. het gevoerde financieel beheer en materieel beheer;

  • b. de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;

  • c. de financiële informatie in het jaarverslag;

  • d. de betrokken saldibalans;

  • e. de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

  • f. de in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

  • a. het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2013;

  • b. het voorstel van de slotwet dat met het onderhavige jaarverslag samenhangt;

  • c. het rapport van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot het onderzoek van de centrale administratie van ’s Rijks schatkist en van het Financieel jaarverslag van het Rijk;

  • d. de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2013 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2013, alsmede met betrekking tot de Saldibalans van het Rijk over 2013 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, tweede lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, derde lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

1.2. LEESWIJZER

De leeswijzer gaat in op de volgende onderwerpen:

  • 1. Opbouw jaarverslag;

  • 2. Ondergrens toelichtingen;

  • 3. Controlenormen financiële en niet-financiële gegevens;

  • 4. Groeiparagraaf.

1. Opbouw jaarverslag

Het jaarverslag bevat een beleidsverslag, een jaarrekening en een aantal bijlagen. Deze bevatten informatie over de in 2013 gerealiseerde beleidsresultaten en de budgettaire realisatiegegevens van het Ministerie van Economische Zaken (EZ).

In het onderdeel beleidsprioriteiten van het beleidsverslag wordt verantwoording afgelegd over de volgende actielijnen:

  • Inzetten op de top, Nederland internationaal sterk positioneren en ruimte bieden aan innovatief ondernemerschap;

  • Bevorderen van duurzame welvaart, met oog voor mens en natuur;

  • Werken aan duurzame productie en ketens in land- en tuinbouw en visserij;

  • Werken aan een toekomstbestendige energievoorziening.

De beleidsartikelen in dit jaarverslag hebben dezelfde opzet als de begroting 2013. Dit betekent dat de beleidsartikelen conform de Rijksbegrotingsvoorschriften van «Verantwoord Begroten» zijn opgesteld. Elk beleidsartikel bevat een paragraaf beleidsconclusies waarin voor de belangrijkste instrumenten een oordeel wordt gegeven over de uitvoering van het beleid in het afgelopen jaar.

De jaarrekening bestaat uit de departementale verantwoordingsstaat, de samenvattende verantwoordingsstaat inzake de agentschappen, de jaarverantwoordingen van de agentschappen en de saldibalans.

2. Ondergrens toelichtingen

Voor wat betreft het toelichten van significante verschillen in de uitgaven, ontvangsten en verplichtingen in de realisatie versus de vastgestelde begroting 2013 wordt een ondergrens van € 3 mln gehanteerd. In sommige gevallen, waar politiek relevant, worden ook posten toegelicht beneden deze ondergrens.

De opgenomen realisatiegegevens in de tabellen «budgettaire gevolgen van beleid» gaan, net als in de vorige jaarverslagen, terug tot het jaar t-3 (2010). Dit in afwijking van het RBV-model 3.22d waarin de realisatie teruggaat tot het jaar t-4 (2009).

3. Controlenormen financiële en niet-financiële gegevens

Het jaarverslag bevat zowel financiële als niet-financiële gegevens (kengetallen en indicatoren). Deze gegevens zijn aan verschillende controlenormen onderhevig. De controle van financiële informatie is gebaseerd op normen zoals deze voortvloeien uit de Comptabiliteitswet 2001 en de Rijksbegrotingsvoorschriften 2014 (RBV). De controle van beleidsinformatie en informatie over de bedrijfsvoering is gebaseerd op normen zoals deze voortvloeien uit de RBV. Ter borging van de betrouwbaarheid van de informatie inzake de prestatiegegevens in de begroting en het jaarverslag, heeft de Auditdienst Rijk (ADR) net als in voorgaande jaren een audit uitgevoerd.

4. Groeiparagraaf

Dit jaarverslag is, net als de begroting 2013, voor het eerst volledig opgesteld volgens de voorschriften van «Verantwoord Begroten». In de bijlage met afgerond evaluatie en overig onderzoek is voor de afgeronde evaluaties een korte samenvatting van de resultaten opgenomen. Dit is conform de toezegging van de Minister in het Wetgevingsoverleg op 12 juni 2013 over het jaarverslag 2012 (TK, 33 605 XIII, nr. 13).

In de begroting 2013 is reeds aangegeven hoe de motie Schouw c.s. (TK, 2010–2011, 21 501, nr. 537) is verwerkt. De voor het beleidsterrein van EZ meest relevante aanbeveling van de Raad was:

«Innovatie, investeringen in particulier onderzoek en ontwikkeling en nauwere banden tussen de wetenschapswereld en het bedrijfsleven te stimuleren, alsook industriële vernieuwing te bevorderen door middel van passende prikkels in het kader van het bedrijfslevenbeleid, en daarbij de toegankelijkheid voor niet tot de topsectoren behorende ondernemingen te waarborgen en het fundamenteel onderzoek veilig te stellen.»

Deze aanbeveling heeft een plaats gekregen in het beleidsartikel 12 (Een sterk innovatievermogen).

B. HET BELEIDSVERSLAG

1.3.1 DE BELEIDSPRIORITEITEN

Het Ministerie van Economische Zaken (EZ) staat voor een duurzaam, ondernemend Nederland. Na een korte beschouwing over de stand van de economie, worden hieronder de acties van EZ in 2013 beknopt uiteengezet. Voor meer gedetailleerde informatie wordt verwezen naar de beleidsartikelen.

Stand van de Economie

De Nederlandse economie klimt voorzichtig uit het dal. Hoewel het bbp in 2013 als geheel met 0,8 procent daalde, is de economie in de laatste drie kwartalen iets gegroeid en nam het groeitempo in het laatste kwartaal toe. Het kwakkelen van de economie kan hoofdzakelijk worden teruggevoerd op de ingezakte binnenlandse vraag. Banken, huishoudens en de overheid brengen hun balansen op orde. Vooral de sectoren die gericht zijn op het binnenland hadden last van de zwakke vraag, zoals de bouw, de detailhandel en de horeca. De werkloosheid liep met bijna 100 duizend personen fors op tot 628 duizend (7,0%) in december 2013.

Ondanks de matige economische groei is Nederland nog steeds één van de meest welvarende en concurrerende landen ter wereld. Onze economie heeft in veel opzichten een goede uitgangspositie. Zo heeft Nederland innovatief vermogen en een kwalitatief goede beroepsbevolking met een hoog opleidingsniveau. Ook de infrastructuur vormt één van de sterke fundamenten onder de Nederlandse economie.

Het is belangrijk om deze uitgangspositie te behouden en te versterken en in te spelen op veranderingen, waardoor Nederland optimaal kan profiteren als de wereldeconomie verder aantrekt. Daarom voert het kabinet belangrijke hervormingen door op het gebied van de woningmarkt, de arbeidsmarkt, de pensioenen en de zorg en zet het in op innovatie, onderwijs en vergroening van de economie.

Inzetten op de top, Nederland internationaal sterk positioneren en ruimte bieden aan innovatief ondernemerschap

Het kabinet zorgt er met het bedrijfslevenbeleid voor dat ondernemers de ruimte krijgen om te ondernemen, innoveren, te investeren en te exporteren. Samenwerking in de gouden driehoek van bedrijven, overheid en kennisinstellingen is daarbij van groot belang.

Het kabinet verbetert de toegang tot financiering en de publieke dienstverlening. Daarbij passen geen onnodige regels en bureaucratie. In 2013 is de regeldruk met € 500 mln verlaagd. Ook wordt de toegang tot mobiel internet en het vertrouwen in ICT geborgd. Om aan de top te blijven, heeft het kabinet eind 2013 haar visie op telecommunicatie, media en internet aan de Tweede Kamer gestuurd. Doel is om houvast te geven voor de strategische vraagstukken van de interneteconomie: behoud van concurrentiekracht, vrijheid en betrouwbaarheid in deze dynamische, internationale en convergerende markt.

Generieke regelingen gericht op ondernemers met ambitie vormen het hart van het bedrijvenbeleid. Het Midden- en Kleinbedrijf (MKB) is van groot belang voor de Nederlandse economie en werkgelegenheid. Daarnaast heeft het kabinet speciale aandacht voor negen topsectoren, waaronder Agro & Food, Tuinbouw en Uitgangsmaterialen en Energie, om deze toekomstbestendig te maken en houden.

Deze aanpak is versterkt in de regio, onder andere door inzet van de Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO)-middelen en in het buitenland, via circa 25 gezamenlijk vormgegeven bedrijvenmissies, waaronder een reis naar Indonesië met meer dan 100 bedrijven. Met Duitsland wordt samengewerkt om belemmeringen voor ondernemers weg te nemen, met nadruk op de grensregio.

Het kabinet zet zich in voor een sterke Europese groeiagenda, onder meer door te zorgen dat bedrijven en kennisinstellingen optimaal gebruik kunnen maken van de EU-innovatiegelden, door de kosten voor een Europees octrooi te verlagen, de interne markt te versterken, de regeldruk te verlagen en meer ruimte te creëren voor het MKB.

EZ heeft verschillende generieke en specifieke regelingen in het leven geroepen om ervoor te zorgen dat ondernemers toegang hebben tot financiering, kunnen innoveren en investeren in Research and Development (R&D). Vóór de zomer 2013 is de Visie op het toegepast onderzoek aan de Tweede Kamer gestuurd, waarin onder andere de positionering wordt aangescherpt om ongewenste concurrentie met private partijen te voorkomen. In het kader van het in mei 2013 afgesloten Techniekpact (voor goed technisch geschoold personeel) heeft de topsector chemie 50 beurzen uitgereikt. EZ heeft de noodzakelijke voorbereidingen getroffen voor het in 2014 gelanceerde digitale Ondernemersplein, waar alle vragen van ondernemers worden beantwoord: Ondernemersplein.nl.

Bevorderen van duurzame welvaart, met oog voor mens en natuur

Welvaart en welzijn in Nederland gaan verder dan een uitmuntend ondernemingsklimaat. Een aantrekkelijke leefomgeving, voldoende bescherming voor consumenten en een duurzame economische ontwikkeling en een brede verantwoordelijkheid voor de wereld om ons heen zijn alle van belang. Het kabinet streeft naar groene groei, om ook de toekomstige welvaart te vergroten.

Ook heeft het kabinet tot en met 2013 159 Green deals gesloten met bedrijven, lagere overheden en maatschappelijke organisaties, om duurzame projecten te stimuleren. Daarvan waren 30 deals gericht op het versterken van de biodiversiteit en het behoud van natuurlijke hulpbronnen.

Een vitale natuur en leefomgeving is een belangrijke factor voor de kwaliteit van leven en het vestigingsklimaat. In 2013 zijn 87 Natura2000-gebieden aangewezen, waarmee het totaal aantal beschermde gebieden op 145 komt. Ook is het wetsvoorstel Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) aangeboden, die medio 2014 in werking zal treden. De provincies worden via de decentralisatie verantwoordelijk voor de realisatie en het beheer van het Natuurnetwerk Nederland. In 2013 is de decentralisatie ver gevorderd, waarbij afspraken zijn gemaakt over de overdracht van budgetten, de overdracht van gronden en de decentralisatie van een gedeelte van de Dienst Landelijk Gebied (DLG). Met de Natuurtop en 24uurnatuur op 22 juni 2013 is de start van het nieuwe gedecentraliseerde natuurbeleid gemarkeerd. De nieuwe Natuurvisie is voorbereid, die in 2014 aan de Kamer wordt aangeboden.

Bij duurzame welvaart hoort ook bescherming van en vertrouwen door consumenten. De fusie-organisatie Autoriteit Consument en Markt, met als doelstelling het bevorderen van goed functionerende markten, ordelijke en transparante marktprocessen en een zorgvuldige behandeling van consumenten, is op 1 april 2013 van start gegaan. De Stroomlijningswet ACM, de implementatiewet Richtlijn Consumenten en de wet op pandbeleningen zijn in hetzelfde jaar door de Tweede Kamer unaniem aanvaard.

Werken aan duurzame productie en ketens in land-, tuinbouw en visserij

Een duurzame landbouwproductie draagt bij aan de welvaart van Nederland. Tijdens de recessie bleef de agrarische sector onverminderd groeien. EZ zet zich onder andere samen met de topsectoren in voor een duurzame land- en tuinbouwsector, ook in Europees en mondiaal verband. Nederland heeft zich bijvoorbeeld actief ingezet voor markttoegang op veterinair en fytosanitair terrein. Op basis van de onderwijswetgeving werkte EZ ook intensief aan het Groen Onderwijs, op MBO, HBO en hoger niveau.

In 2013 is gestart met de implementatie van het nieuwe duurzamere Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). De toeslagen onder directe betalingen (in werking in 2015) zullen zo geleidelijk mogelijk overgaan naar een gelijke hectarepremie voor alle bedrijven in 2019, zonder gekoppelde steun.

Met klimaatslimme landbouw, waarvoor Nederlandse kennis en kunde wereldwijd wordt ingezet, kan de landbouwproductie duurzaam verhoogd worden, de weerbaarheid tegen klimaatverandering wordt verhoogd en de uitstoot van CO2 verlaagd. In december 2013 heeft Nederland hierover een conferentie georganiseerd in Johannesburg, in samenwerking met onder andere de Wereldbank, FAO en Zuid-Afrika. Als voorbeeldprojecten heeft EZ bovendien met de Clinton Foundation en de Alliance for a Green Revolution in Africa (AGRA) overeenkomsten gesloten om klimaatslimme landbouw in samenwerking met Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen in de praktijk te brengen.

In 2020 moet de transitie zijn gemaakt naar een toekomstbestendige, maatschappelijk gewaardeerde veehouderij. Hiertoe stimuleert EZ integraal duurzame stallen en ook maatregelen om de schaalgrootte in te perken, waar nodig voor bijvoorbeeld de volksgezondheid. Daarnaast staan in de Uitvoeringsagenda Natuurlijk Kapitaal concrete actiepunten voor biodiversiteit, onder andere het aanpakken van plastic in zee en duurzame productie van biomassa. Ook is het stelsel van verplichte mestverwerking voorbereid, dat sinds 1 januari 2014 van kracht is en onderdeel vormt van het Nederlandse vijfde actieprogramma Nitraatrichtlijn 2014–2017.

De overheid en de voedselproductieketen vlees en zuivel hebben de Taskforce Voedselvertrouwen in het leven geroepen om de fraude in de voedselproductie aan te pakken. Eind 2013 is het verbeterplan NVWA aan de Tweede Kamer gestuurd.

EZ heeft zich tevens ingezet voor dierenwelzijn, onder andere door meer aandacht te genereren voor het uitfaseren van ingrepen bij landbouwhuisdieren, en de juiste omgang met proefdieren. De vermindering van het antibioticagebruik in de veehouderij is in dit kader van groot belang. De gegevens over 2013 zijn nog niet beschikbaar, maar tussen 2009 en 2012 is al een afname met 49% geconstateerd.

Daarnaast zet het kabinet zich in voor een concurrerende visserijketen die de natuur ontziet met gezonde producten. Over de herziening van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) vond in 2013 besluitvorming plaats, waarbij naar een goede combinatie is gestreefd tussen duurzaamheid en toekomstperspectief voor de visserijsector.

EZ en VWS hebben de opheffing van de product- en bedrijfsschappen en de overgang van publieke taken in 2013 voorbereid. EZ zal diverse nieuwe werkzaamheden uitvoeren, onder andere bij de invoer van landbouwproducten en taken op het gebied van marktordening en dierenwelzijn. Ook heeft EZ de fusie gerealiseerd van het voormalige Agentschap NL en Dienst Regelingen tot de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, per 1 januari 2014.

Werken aan een toekomstbestendige energievoorziening

De energiesector is een belangrijke economische randvoorwaarde die groei, banen en inkomsten oplevert. In het SER-Energieakkoord hebben verschillende overheden, werkgevers, werknemers, milieu-organisaties, energiebedrijven en andere organisaties de basis gelegd voor een breed gedragen, robuust en toekomstbestendig energiebeleid.

Het kabinet heeft een aandeel duurzame energie van 16% in 2023 ten doel gesteld. De tijdelijke subsidieregeling voor de aanschaf van zonnepanelen is volledig benut en inmiddels gesloten. In 2013 was veel belangstelling voor de Regeling Stimulering Duurzame Energie+ (SDE+). Bij de topsector energie is in 2013 de onderzoeks- en innovatieagenda verder toegespitst op kostprijsverlaging van technologie die nodig is voor het behalen van de doelen voor hernieuwbare energie uit het Energieakkoord.

De rol die gas kan spelen bij het flexibeler maken en balanceren van de energievoorziening («systeemfunctie van gas») heeft grote aandacht, onder andere gas als tijdelijke opslag van overtollige elektriciteit van wind en zon («power2gas»).

Bij het gebruik van radioactieve materialen staat veiligheid vanzelfsprekend voorop. In 2013 is een groot deel van de aanbevelingen uit de eerste serie stresstestrapporten geïmplementeerd (de aansluitingstijd van de mobiele dieselaggregaat op het terrein van Borssele is bijvoorbeeld aanzienlijk verkort).

In 2013 is uitvoering gegeven aan de herziening van de Elektriciteit- en Gaswet. Ook is de Warmtewet per 1 januari 2014 in werking getreden.

De rijkscoördinatieregeling is van groot belang voor het realiseren van grote energieprojecten, waaronder investeringen in betrouwbare en betaalbare elektriciteit- en gasnetten die cruciaal zijn voor de energievoorziening. In 2013 is de 380kV hoogspanningsverbinding Randstad 380kV Zuidring in gebruik genomen.

Per 1 april 2013 is de nieuwe wet Voorraadvorming Aardolieproducten (Wva 2012) in werking getreden, een implementatie van een Europese Richtlijn die onder andere gaat over de aanleg van strategische olievoorraden.

Effectief energiebeleid is per definitie internationaal beleid. In 2013 heeft EZ met name aandacht besteed aan het versterken van de regionale marktintegratie en de samenwerking op het gebied van leveringszekerheid, zowel in pentalateraal verband als in de bilaterale energiesamenwerking met Duitsland.

Slottekst

In 2013 is veel bereikt, zoals hierboven uiteengezet. Maar het werk is nog niet afgerond. Het Ministerie van Economische Zaken zet zich dan ook in 2014 onverminderd in voor een duurzaam, ondernemend Nederland.

Realisatie beleidsdoorlichtingen

Artikel

Realisatie

Toelichting

 

2011

2012

2013

 

11 Goed functionerende economie en markten

       

12 Een sterk innovatievermogen

       

13 Een excellent ondernemingsklimaat

       

14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

   

De beleidsdoorlichting van artikel 14 kent vertraging door de inspanningen rond het energieakkoord. Naar verwachting wordt de beleidsdoorlichting in het voorjaar 2014 naar de Ministerraad verzonden en zal uiterlijk voor het zomerreces helemaal afgerond en naar de Tweede Kamer gestuurd worden.

16 Concurrerende, duurzame en veilige agro-, visserij- en voedselketens

       

17 Groen onderwijs van hoge kwaliteit

   

De beleidsdoorlichting is in een ver gevorderd stadium en zal in het voorjaar van 2014 worden afgerond.

18 Natuur en regio

       

Overzicht garanties

Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitstaande garanties 2012

Verleende garanties 2013

Vervallen garanties 2013

Uitstaande garanties 2013

Garantieplafond 2013

Totaal plafond

Artikel 13 Een excellent ondernemersklimaat

BMKB

2.449.442

343.816

525.291

2.267.967

1.000.000

 

Garantie Ondernemersfinanciering

841.101

66.008

219.170

687.939

300.000

 

Groeifinancieringsfaciliteit

70.719

9.279

6.192

73.806

84.343

 

Microkredieten

13.000

0

0

13.000

 

13.000

Garantie Scheepsnieuwbouw

0

44.081

0

44.081

999.668

 

Artikel 14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Geothermie

32.164

43.342

9.214

66.292

43.865

 

ETS-compensatie

0

4.000

0

4.000

 

4.000

Artikel 16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Garanties voor investeringen en werkkapitaal landbouwondernemingen

438.977

36.315

80.770

394.522

135.000

 

Regeling nieuwe agrarische schadeverzekeringen

0

1.392

732

660

 

60.750

Artikel 18 Natuur en regio

Garantie voor natuurgebieden en landschappen

449.070

0

15.901

433.169

 

449.070

 

Totaal

4.294.473

548.233

857.270

3.985.436

2.563.208

526.820

Overzicht uitgaven en ontvangsten garanties (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitgaven 2012

Ontvangsten 2012

Saldo 2012

Uitgaven 2013

Ontvangsten 2013

Saldo 2013

Artikel 13 Een excellent ondernemersklimaat

BMKB

96.302

23.644

– 72.658

102.422

21.544

– 80.878

Garantie Ondernemersfinanciering

16.209

13.309

– 2.900

8.176

10.160

1.984

Groeifinancieringsfaciliteit

2.270

2.154

– 116

2.360

2.047

– 313

Microkredieten

0

0

0

0

0

0

Garantie Scheepsnieuwbouw

0

0

0

0

44

44

Artikel 14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Geothermie

0

0

0

526

526

0

ETS-compensatie

0

0

0

0

0

0

Artikel 16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Garanties voor investeringen en werkkapitaal landbouwondernemingen

8.377

1.657

– 6.720

24.118

1.165

– 22.953

Regeling nieuwe agrarische schadeverzekeringen

0

0

0

0

0

0

Artikel 18 Natuur en regio

Garantie voor natuurgebieden en landschappen

0

0

0

0

0

0

 

Totaal

123.158

40.764

– 82.394

137.602

35.486

– 102.116

Artikel 13 Een excellent ondernemersklimaat

BMKB

De BMKB is bedoeld voor bedrijven die te weinig zekerheden (onderpand) kunnen bieden aan een bank. De bank vindt het risico dat het bedrijf zijn lening niet kan terugbetalen dan vaak te hoog. Via de BMKB staat de overheid borg voor het deel van de lening waar het bedrijf geen onderpand voor heeft. De bank kan voor dat deel dus terugvallen op de overheid. Op grond van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen kunnen financiers kredieten die zij verstrekken aan MKB-ondernemers onder de werking van de regeling brengen. Hierdoor stelt de Staat zich voor 90% borg ten behoeve van de financier voor de terugbetaling van deze kredieten (de zogenaamde bedrijfsborgstellingskredieten). Eén van de voorwaarden die de regeling hieraan stelt, is dat de financier gelijktijdig met het verstrekken van een bedrijfsborgstellingskrediet, aan de MKB-ondernemer een ander krediet verstrekt, waarvoor deze borgstelling van de Staat niet geldt. Als hoofdregel geldt dat het bedrijfsborgstellingskrediet ten minste even groot moet zijn als het daarmee gelijktijdig afgesloten andere krediet. Het laatstgenoemde krediet bedraagt daarmee ten minste 100% van het bedrijfsborgstellingskrediet (verhouding 1:1). Voor starters en het innovatieve MKB gelden andere verhoudingen. Om de kredietverlening te stimuleren is per 1 november 2013 het maximum van het borgstellingskrediet verhoogd van € 1 mln naar € 1,5 mln en geldt voor bestaande bedrijven met een borgsstellingskrediet tot maximaal € 0,2 mln de ruimere startersfaciliteit.

Garantie Ondernemersfinanciering (GO)

Met het instrument GO kunnen banken een 50% Staatsgarantie krijgen op (middel)grote leningen vanaf € 1,5 mln. Door de verstrekking van een Staatsgarantie wordt het risico voor de bank op de ondernemingsfinanciering gereduceerd. Dit vergroot de mogelijkheden om te voorzien in de financieringsbehoefte bij het Nederlandse bedrijfsleven. Ter stimulering van de kredietverlening aan het bedrijfsleven zijn de voorwaarden voor de GO-regeling tijdelijk verruimd. In 2013 is het maximum van de garantie verhoogd van € 25 mln naar € 75 mln en is de GO, naast de al bestaande mogelijkheid om bankgaranties onder de GO te brengen, ook opengesteld voor alternatieve aanbieders van garanties aan bedrijven.

Groeifinancieringsfaciliteit

Met de Groeifinancieringsfaciliteit worden bedrijven geholpen bij het aantrekken van risicodragend vermogen door een 50% Staatsgarantie te verstrekken op achtergestelde leningen van banken (ten hoogste € 5 mln) en op aandelen van participatiemaatschappijen (ten hoogste € 25 mln). De Groeifinancieringsfaciliteit kan ondernemingen in een groeifase, bij bedrijfsovernames en bij herstructureringen helpen bij het aantrekken van risicokapitaal.

Microkredieten

Dit betreft een eenmalige garantie van 80% die is verstrekt aan de Bank Nederlandse Gemeenten (BNG) op een lening van € 15 mln ten behoeve van de funding van de Stichting Qredits voor het verstrekken van microkredieten.

Garantie Scheepsnieuwbouw

Met de Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfinanciering kunnen banken 80% Staatsgarantie krijgen op de nieuwbouwfinanciering van een schip. Hierdoor wordt het risico voor de bank op de te verstrekken bouwfinanciering of voorfinanciering gereduceerd. Dit vergroot de kans voor Nederlandse scheepswerven om financiering aan te trekken. De sector kan door deze regeling beter concurreren met buitenlandse werven die van soortgelijke garantieregelingen gebruik kunnen maken.

Artikel 14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Geothermie

De garantieregeling voor het boren naar aardwarmte steunt ondernemers die geologische risico’s van het boren naar aardwarmte willen afdekken.

ETS-compensatie

De subsidieregeling Indirecte emissiekosten ETS (Emissions Trading Scheme) compenseert bedrijven die hogere elektriciteitskosten hebben door emissiehandel, hieruit is een éénmalige garantie verstrekt voor Aldel.

Artikel 16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Garanties voor investeringen en werkkapitaal landbouwondernemingen

Op basis van de garantstellingsregeling voor investeringen in landbouwondernemingen en werkkapitaal worden garantstellingen verleend aan banken waarmee innovatieve en duurzame investeringen in de landbouw en visserij worden gefaciliteerd.

Regeling nieuwe agrarische schadeverzekeringen

De regeling nieuwe agrarische schadeverzekeringen bestaat uit een verzekering tegen schade aan gewassen in de fruitteeltsector als gevolg van extreme vorst en schade aan gewassen in de agrarische sector als gevolg van zware regenval. Verzekeraars die verzekeringen aanbieden voor dergelijke schades kunnen een beroep doen op de regeling.

Artikel 18 Natuur en regio

Garantie voor natuurgebieden en landschappen

Het betreft het garant staan voor de leningen die aangetrokken zijn via het Groenfonds voor het realiseren van de EHS-gronden. Deze gronden zijn thans opgaan in het Natuur Netwerk Nederland.

1.3.2 DE BELEIDSARTIKELEN

11 Goed functionerende economie en markten

Algemene doelstelling

Het scheppen van voorwaarden voor een goed functionerende economie en goed functionerende markten, waaronder de markt voor elektronische communicatie.

Goed functionerende markten dragen in belangrijke mate bij aan de economische groei en innovatie. In een goed functionerende markt reageren vraag en aanbod effectief op elkaar. Consumenten en bedrijven profiteren daarvan. Op goed functionerende markten ontstaat een optimale prijs- kwaliteit verhouding van goederen en diensten en hebben gebruikers keuzevrijheid.

Rol en verantwoordelijkheid

In een vooral regisserende rol bevordert de Minister van EZ het goed functioneren van markten door het scheppen van randvoorwaarden via wet- en regelgeving. EZ gaat mededingingsbeperkende gedragingen tegen met de Mededingingswet en schept de voorwaarden waarbinnen concurrentie kan plaatsvinden met onder meer de Waarborgwet, de Winkeltijdenwet, de Aanbestedingswet 2012 en de Metrologiewet. De Aanbestedingswet 2012, welke op 1 april 2013 in werking is getreden, schetst een eenduidig en helder regelgevend kader van de voorwaarden waaronder aanbestedende diensten hun opdrachten voor concurrentie moeten openstellen. Daarnaast bevordert de Minister een goede balans tussen de belangen van bedrijven en consumenten met generiek consumentenbeleid. Ook draagt de Minister bij aan het goed functioneren van markten door het financieren van TenderNed (het elektronisch aanbestedingssysteem) en de markttoezichthouder (ACM). Tot slot levert de Minister in dat kader een financiële bijdrage aan diverse organisaties op het gebied van metrologie, aan het Nederlands Normalisatie-instituut en aan de Raad voor Accreditatie.

EZ heeft op grond van de Telecommunicatiewet de taak om regels te stellen voor vaste en mobiele communicatienetwerken. Dit onder andere door verkeersregels op te stellen voor het gebruik van de ether, door afspraken te maken in internationaal verband voor harmonisatie en door – in geval van schaarste – te bepalen op welke wijze het spectrum wordt verdeeld. Door verruiming van de gebruiksmogelijkheden van het spectrum en door de uitgifte van beschikbare frequentieruimte worden hoogwaardige en innovatieve breedbandige mobiele communicatie en omroeptoepassingen gerealiseerd. EZ financiert daartoe een deel van de exploitatie van het Agentschap Telecom en verricht uitgaven voor opdrachten inzake beleidsvoorbereiding en evaluaties voor frequentiebeleid en veiligheid.

Met de Postwet wordt de postmarkt gereguleerd en een toegankelijke en betaalbare basisvoorziening voor de post gewaarborgd (universele postdienst).

De Minister van EZ heeft een systeemverantwoordelijkheid voor de statistische informatievoorziening van rijkswege. Ingevolge de Wet op het Centraal Bureau voor de Statistiek (Staatsblad 2003, 516), heeft het ZBO CBS tot taak het van overheidswege verrichten van statistisch onderzoek ten behoeve van praktijk, beleid en wetenschap en het openbaar maken van de op grond van zodanig onderzoek samengestelde statistieken en is het CBS op nationaal niveau belast met de productie van communautaire statistieken. EZ financiert het CBS daartoe.

Beleidsconclusies

ACM

Per 1 april 2013 is de Autoriteit Consument en Markt (ACM) van start gegaan. Deze nieuwe toezichthouder is ontstaan door samenvoeging van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa), de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA) en de Consumentenautoriteit. Deze stap resulteert in een toename van de efficiëntie van het toezicht. De Stroomlijningswet ACM zal naar verwachting in de loop van 2014 in werking kunnen treden en voor een verdere efficiëntie in het toezicht zorgen.

Frequenties en Veiligheid

In 2013 is een aantal belangrijke producten gerealiseerd op het beleidsterrein van telecommunicatie. De visie op telecommunicatie, media en internet en de visie op e – privacy zijn naar de Tweede Kamer gestuurd, er is een brief over consumentenzaken naar de Tweede Kamer gestuurd (w.o. over overstapservice consumenten en transparantie mobiele telefonie), er is een belangrijke bijdrage geleverd aan de Nationale Cybersecurity Strategie 2 en de Nationale Cyber Security Research Agenda en de vergunningen voor de nog braakliggende kavels voor analoge en digitale radio zijn verleend. Ook is een nieuw wetsvoorstel voor wijziging van de cookiebepaling opgesteld. Door deze aanpassing hoeft de internetter geen toestemming meer te verlenen voor cookies die geen of nauwelijks gevolgen hebben voor de privacy.

Postwet

Op 1 januari 2013 is de wijziging van de Postwet 2009 in werking getreden, daarmee zijn de bevoegdheden van de ACM op het gebied van informatievordering en het opleggen van boetes aangescherpt. Daarnaast heeft de parlementaire behandeling plaatsgevonden van het wetsvoorstel waarmee het toezicht op de postmarkt wordt aangevuld met een aanmerkelijke marktmacht instrumentarium. Dit instrumentarium geeft de ACM vergaande bevoegdheden om aan een postvervoerbedrijf met aanmerkelijke marktmacht specifieke verplichtingen op te leggen, opdat mededingingproblemen zoveel mogelijk kunnen worden voorkomen. In dit zelfde wetsvoorstel is ook een vermindering van het aantal verplichte bezorg- en ophaaldagen binnen de universele postdienst opgenomen. De maatregel uit het wetsvoorstel is op 1 januari 2014 in werking getreden.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000

Realisatie

Oorspronkelijk Vastgestelde begroting

Verschil

 

2010

2011

2012

2013

2013

 

VERPLICHTINGEN

233.079

231.522

228.384

214.441

218.334

– 3.893

UITGAVEN

231.311

232.766

233.701

216.199

220.068

– 3.869

             

Subsidies

     

797

1.700

– 903

Digitalisering regionale radio

     

797

1.700

– 903

Opdrachten

5.485

9.005

14.884

8.071

12.897

– 4.826

Onderzoek en Opdrachten

2.913

2.948

2.603

2.883

2.816

67

PIANOo/TenderNed

2.572

6.057

7.022

1.572

5.851

– 4.279

Beleidsvoorbereiding en evaluaties Frequenties en Veiligheid

   

5.259

3.616

4.230

– 614

Bijdragen aan agentschappen

11.971

11.262

10.984

14.510

11.116

3.394

Agentschap Telecom

11.732

11.000

10.984

10.921

11.116

– 195

Agentschap NL

239

262

 

365

 

365

Agentschap DICTU

     

3.224

 

3.224

Bijdrage aan ZBO’S/RWT’s

210.630

209.926

205.019

190.090

190.463

– 373

Metrologie

14.112

14.923

15.171

14.969

14.337

632

Raad voor Accreditatie

1.485

432

93

162

213

– 51

ACM (NMa/OPTA)

2.764

2.895

2.901

1.333

3.135

– 1.802

CBS

192.269

191.676

186.854

173.626

172.778

848

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

3.225

2.573

2.814

2.731

3.892

– 1.161

Nederlands Normalisatie Instituut (NEN)

868

565

898

790

1.136

– 346

Internationale organisaties

2.293

1.982

1.916

1.941

2.696

– 755

Raad van deskundige voor de nationale meetstandaarden

64

26

   

60

– 60

             

ONTVANGSTEN

60.795

78.464

82.680

3.846.784

52.265

3.794.519

Ontvangsten ACM

10.069

3.345

 

1.074

 

1.074

High Trust

22.369

21.443

32.060

16.655

31.300

– 14.645

Diverse ontvangsten

28.357

53.676

50.620

3.829.055

20.965

3.808.090

Toelichting op de verplichtingen

De lagere realisatie van de verplichtingen hangt met name samen met de lagere uitgaven. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar het daarover gestelde bij de uitgaven.

Toelichting op de uitgaven

Subsidies

Digitalisering regionale radio

De voorbereidingen voor de bouw van een netwerk voor regionale digitale etherradio zijn in 2013 voortgezet. De verwachting is dat de regionale radiostations medio 2014 hiervoor een inkoopprocedure zullen starten. Het digitale radionetwerk van de landelijke commerciële radiostations was conform de planning – met een grotere dekking dan volgens de vergunningsvoorwaarden vereist – gereed, waardoor digitale radio op 1 september 2013 van start kon gaan. De landelijke publieke omroep (NPO) beschikt reeds over een netwerk en heeft de dekking hiervan eind 2013/begin 2014 uitgebreid.

Een indicatie voor het succes van de introductie van digitale radio is de penetratiegraad van digitale radio ontvangers in huishoudens. Dit wordt gemonitord in de jaarlijkse uitgave De Digitale Economie van het CBS.

Indicator

Referentie waarde

Peil datum

Raming 2013

Realisatie begin 2013

Bron

Penetratiegraad van digitale radio-ontvangers in huishoudens

<1%

2012

>5%

3,9 %

CBS1

X Noot
1

Bron: uitgave «ICT, kennis en economie 2013» (paragraaf 3.3.2, pagina 76) van het CBS.

Opdrachten

De lagere uitgaven hangen met name samen met:

  • Het feit dat de opdrachten van Tenderned grotendeels door het agentschap DICTU zijn uitgevoerd (€ 2,4 mln). De realisatie is daarom verantwoord onder de categorie bijdragen aan agentschappen.

  • Uitgaven aan werkzaamheden PIANOo/Tenderned voor het programma aanbestedingen voor overheidsopdrachtgevers, die geraamd zijn op dit artikel, zijn verantwoord bij de apparaatskosten op artikel 40 (€ 1,3 mln).

PIANOo en TenderNed (aanbestedingsbeleid)

Na het in werking treden van de Aanbestedingswet op 1 april 2013 zijn alle openbare (overheids) opdrachten op TenderNed te vinden. De inschrijfmodule en het bedrijfsregister van TenderNed zullen resulteren in een vermindering van de lastendruk voor ondernemers. In 2015 zal, in het kader van de evaluatie van de Aanbestedingswet 2012, onderzoek worden gedaan naar onder andere de lastendruk van de effecten van de maatregelen genomen in de Aanbestedingswet 2012, één van die maatregelen is TenderNed. Bij de behandeling van de EZ – begroting voor 2014 heeft de Tweede Kamer de regering bij motie verzocht onderzoek te doen naar de kosten die door TenderNed worden gemaakt, het budget van TenderNed te verlagen tot het bedrag dat strikt nodig is voor de uitvoering van de wettelijke taken en de daarmee samenhangende onderdelen van het basissysteem en met het vrijkomende bedrag initiatieven te ondersteunen die het aanbestedingsproces voor ondernemers vereenvoudigen met voorlichting. De Minister van EZ zal de Tweede Kamer voor de zomer informeren over de uitkomsten van het onderzoek.

Beleidsvoorbereiding en evaluaties Frequenties en Veiligheid

  • De huidige UMTS (2.1 GHz) vergunningen lopen in 2017 af. De Minister heeft in antwoord op Kamervragen over de planning van de komende veiling van de 2.1 GHz vergunningen gezegd dat hij de resultaten van de evaluatie van de multibandveiling afwacht voordat hij het verdeelbeleid van de 2.1 GHz vergunningen bekend maakt. In 2013 zijn de voorbereidingen op de evaluatie van de multibandveiling gestart.

  • Ter voorbereiding op een besluit over de omroepbanden is in 2013 is in het kader van de visie op telecom, media en internet gekeken naar de technische ontwikkelingen en ontwikkelingen binnen de omroepmarkt ook internationaal.

  • In 2013 is het platform Digital Radio+ van start gegaan. Digital Radio+ is een gezamenlijk initiatief van de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) en de landelijke commerciële radiostations. Het platform zal ondermeer de publieksvoorlichting van digitale etherradio gaan coördineren. In 2014 zal een publiekscampagne gelanceerd worden (zie www.digitalradio.nl). Het Ministerie van EZ is betrokken bij het platform via een financiële bijdrage.

  • Naar aanleiding van de marktconsultatie werd in 2013 een wijziging van het Nationaal Frequentieplan voorbereid die uitgifte van het spectrum in de 3,5 GHz – frequentieband mogelijk maakt. Deze uitgifte start in 2014. Gelet op de geringe belangstelling voor dit deel van het spectrum is er geen schaarste te verwachten en zullen frequentierechten op volgorde van binnenkomst worden verleend voor een periode van vijf jaar.

  • De behandeling van de richtlijn voor radio- en randapparatuur (R&TTE) in Raad en Europees Parlement (EP) is in 2013 later aangevangen dan oorspronkelijk verwacht. De richtlijn beschrijft de essentiële (veiligheids)eisen waaraan genoemde apparatuur moet voldoen om op de Europese markt gebracht te mogen worden. Een besluit van Raad en EP wordt in de eerste helft van 2014 verwacht. Daarna kan implementatie in nationale regelgeving plaatsvinden.

  • Voor het behoefte – onderbouwingsplan (BOP) van het Ministerie van Defensie is meer tijd nodig geweest. De integrale aanpassing van het Nationaal Frequentieplan (NFP) heeft hierdoor circa een half jaar vertraging opgelopen.

  • De juridische procedures naar aanleiding van genomen besluiten ten aanzien van uitgifte van vergunningen (waaronder de multibandveiling van de 800/900/1800 MHz – frequenties) worden in 2014 voortgezet.

Kengetal

2009

2010

2011

2012

2013

Ambitie 2020

Concurrentie markt mobiele telefonie (HHI-index)

3.874

3.802

3.721

3.740

3.6501

dalend

Bron: TNO

X Noot
1

betreft de waarde tot en met het 2e kwartaal 2013

De Herfindahl-Hirschman Index (HHI) geeft een indicatie van de marktconcentratie, die afhankelijk is van enerzijds het aantal partijen in de markt (hoe meer partijen, des te lager de HHI) en anderzijds de marktaandelen van deze partijen (hoe groter het marktaandeel van de marktleiders, des te hoger de HHI).

Het kengetal uit de Begroting 2014 voor 2012 had betrekking op het derde kwartaal 2012. Het gewijzigde kengetal betreft de definitieve waarde.

Indicator

Referentie waarde

Peil datum

Raming 2013

Realisatie 2013

Bron

Het aantal vergunningscategorieën ten behoeve van het gebruik van frequentiebanden

47

1 januari 2009

Dalend 2012 was 42

42

Agentschap Telecom

De doelstelling is om het aantal vergunningscategorieën voor het gebruik van frequentiebanden met 10% terug te brengen (van 47 naar 42) in een periode van vijf jaar. Hierdoor worden de gebruiksmogelijkheden van frequenties verruimd en wordt aangesloten bij veranderende marktomstandigheden en technologische ontwikkelingen. De doelstelling om het aantal vergunningcategorieën met 10% terug te brengen tot 42 categorieën in 2013 is gerealiseerd per 1 januari 2013.

Met ingang van 1 oktober 2013 is sprake van betaalbare en gelijkwaardige toegang tot openbare telefonie voor doven en slechthorenden. Door het via KPN leveren van tekst- en bemiddelingsdiensten is voldaan aan de vereisten uit de Europese Richtlijnen inzake de universele dienst en eindgebruikerrechten.

Cybersecurity

De (internationale) ontwikkelingen in het cyberdomein gaan snel. Afgelopen jaren is de (potentiële) impact van cyberdreigingen door uiteenlopende incidenten steeds duidelijker geworden. Het gaat hierbij niet alleen om dreigingen die onze cyberinfrastructuur kunnen verstoren, maar ook om dreigingen ten aanzien van de integriteit, beschikbaarheid en vertrouwelijkheid van de informatie die wij digitaal vastleggen, analyseren en uitwisselen. De Nationale Cybersecurity Strategie 2 (NCSS2), die het kabinet op 28 oktober 2013 aan de Tweede Kamer heeft aangeboden, zet de bredere kabinetsvisie op cybersecurity uiteen en benoemt verantwoordelijkheden en concrete acties. Om adequaat te kunnen blijven reageren, zal Nederland de komende jaren inzetten op het verder versterken en bundelen van de krachten van betrokken publieke en private partijen, zowel nationaal als internationaal.

Daarnaast is de 2e Nationale Cybersecurity Research Agenda in november 2013 afgerond, gevolgd door het openstellen van een tweede onderzoekstender.

Bijdragen aan agentschappen

Agentschap Telecom

In 2013 hebben de voorbereidingen van het wetsvoorstel Verzamelwet Telecommunicatiewet plaatsgevonden. Het wetsvoorstel dat diverse inhoudelijke wijzigingen van deze wet bevat en dat de effectiviteit van het bestaande beleid zal versterken, zal in het eerste kwartaal van 2014 in consultatie gaan.

In februari 2013 hebben T-Mobile, Vodafone en KPN afspraken gemaakt om bij een grootschalige uitval bij één van deze partijen, het telefonie- en SMS – verkeer tijdelijk via de beide overige netwerken af te wikkelen. Door deze afspraken is de continuïteit van het mobiele telefonieverkeer bij eindgebruikers beter geborgd. De uitrol van de verbindingen voor het kunnen omleiden van het verkeer wordt in het eerste kwartaal van 2014 afgerond.

DICTU

De hogere uitgaven zijn het gevolg van werkzaamheden die in opdracht van TenderNed door het agentschap DICTU zijn uitgevoerd maar waren geraamd bij de opdrachten PIANOo/TenderNed.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Metrologie

De onderhandelingen over de herziening van de Europese metrologische richtlijnen tussen de Europese Commissie, de lidstaten en het Europees parlement hebben meer tijd in beslag genomen dan van te voren ingeschat. De implementatie in de Metrologiewet start na de definitieve goedkeuring en publicatie van de herziene richtlijnen in het voorjaar van 2014 en dient te worden afgerond in een periode van twee jaar na de datum van publicatie.

Het consultatieproject voor de gemoderniseerde IJkwet Bonaire, St. Eustatius en Saba (BES) is in 2013 afgerond. Het wetsontwerp ligt inmiddels voor advies bij de Raad van State. Het wetsvoorstel zal in de eerste helft van 2014 bij de Tweede Kamer worden ingediend.

De Minister van EZ heeft aan het einde van 2013 aan de EU € 16,5 mln aan cofinanciering, zijnde 50% van de begrote kosten van EU metrologieprojecten toegezegd, die worden uitgevoerd in de periode 2014 – 2024. Financiering hiervan zal plaatsvinden uit de meerjarige Metrologie budgetten.

ACM

De Autoriteit Consument en Markt (ACM) is per 1 april 2013 van start gegaan. Per dezelfde datum zijn de NMa, OPTA en Consumentenautoriteit opgeheven. De taken en bevoegdheden van deze drie autoriteiten zijn ongewijzigd overgegaan naar de ACM.

De parlementaire behandeling van het wetsvoorstel ter implementatie van de richtlijn consumentenrechten is in 2013 nog niet afgerond.

Indicator

Referentie waarde

Peil datum

Raming 2013

Realisatie 2013

Bron

Percentage consumenten dat stappen heeft ondernomen na bezoek ConsuWijzer

46%

2011

47%

46%

ACM

Klanttevredenheid ConsuWijzer

7,4

2011

7,2

7,3

ACM

In de EZ begroting 2013 waren de indicatoren het «Aantal bezoeken website» en «Percentage hulpmiddelen geraadpleegd door consumenten» nog opgenomen. Door de invoering van de cookiewet zijn deze gegevens niet langer beschikbaar.

Het percentage consumenten dat stappen heeft ondernomen na een bezoek aan ConsuWijzer is gelijk aan het percentage van 2011. De streefwaarde is derhalve net niet gehaald. Niet onderzocht is wat hiervan eventueel de reden is. Wel is bekend dat maar liefst 73% van de ondervraagde consumenten aangeeft dat de informatie op de website van ConsuWijzer (zeer) sterk heeft bijgedragen aan de ondernomen stappen.

In de internationale vergelijking op een aantal onderwerpen die raken aan het vertrouwen van consumenten, scoort Nederland relatief hoog. De Omgevingsindex geeft een samengesteld beeld op verschillende indicatoren die te maken hebben met het consumentenvertrouwen. De score van Nederland in deze index bedraagt 69 voor het jaar 2011, daar waar de vergelijkbare EU27 index 62 is. Voor een uitgebreide benchmark van de Nederlandse score op gebied van consumentenvertrouwen wordt verwezen naar de jaarlijkse Country Consumer Statistics rapportage: http://ec.europa.eu/consumers/consumer_research/editions/cms7_en.htm.

CBS

Het outputprogramma van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) zoals opgenomen in het Jaarplan voor 2013 van het CBS is gerealiseerd binnen het toegekende budgettaire kader. Het voorgenomen beleid van het CBS is daarmee gerealiseerd.

De budgettaire gevolgen van nieuwe Europese wettelijke rapportageverplichtingen van statistische informatie over »public corporations» voor de procedure bij buitensporige tekorten (EDP – procedure) zijn nog niet afgedekt. Hierdoor zijn de werkzaamheden nog niet gestart.

Bijdragen aan (Inter)nationale organisaties

Nederlands Normalisatie Instituut (NEN)

Het Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) ontvangt een bijdrage van EZ voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden die voortvloeien uit Verordening (EU) Nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012. Deze betreffen Europese normalisatie en de Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen die het verstrekken van informatie over normen betreffen. Tevens is de bijdrage bedoeld voor het informeren van Nederlandse belanghebbenden over de initiatieven van de Europese en mondiale normalisatie-instellingen. Daarnaast gebruikt het NEN de bijdrage voor de contributies die het NEN is verschuldigd aan de Europese en mondiale normalisatie-instellingen en voor de controle van de juistheid van verwijzingen in regelgeving naar normen en kennisgeving aan ministeries van het vervallen en vervangen van normen.

Toelichting op de ontvangsten

High Trust

De lagere ontvangsten zijn veroorzaakt doordat het College van Beroep voor het bedrijfsleven in een aantal gevallen de in het verleden opgelegde en reeds ontvangen boetes heeft verlaagd, zodat in 2013 terugbetalingen (€ 6,1 mln) hebben plaatsgevonden. Daarnaast verlopen de (hoger) beroepsprocedures en overeengekomen betalingsregelingen trager dan verwacht.

Diverse ontvangsten

De veiling van frequenties voor mobiele communicatie (multibandveiling) is in 2012 begonnen en in 2013 afgerond. De veiling heeft een technisch efficiëntere verdeling tot stand gebracht. Tele2 heeft zich als nieuwkomer geschaard naast de bestaande partijen KPN, Vodafone en T-Mobile om de vierde aanbieder van mobiele communicatie in Nederland te worden. Met de veiling is het aantal beschikbare frequenties voor mobiele communicatie met 40% toegenomen. De opbrengst van deze veiling was € 3,8 mld.

12 Een sterk innovatievermogen

Algemene doelstelling

Een sterker innovatievermogen van de Nederlandse economie.

  • De ambitie is dat Nederland in 2020 mondiaal tot de top vijf van de kenniseconomieën behoort. Nederland neemt in 2013 de achtste plaats in op de ranglijst van het World Economic Forum. In 2012 had Nederland de vijfde positie bereikt. De belangrijkste factor achter de daling op de ranglijst naar de achtste plaats is een verzwakking van de positie van Nederland op het terrein van financiële markten. Op de subranglijst voor innovatie daalde Nederland van de negende naar de tiende plaats, wat met name is toe te schrijven aan een verslechtering van de score van Nederland bij de beschikbaarheid van wetenschappelijk-technologisch personeel.

  • In het kader van de Europa 2020-strategie stelt Nederland zich daarnaast ten doel dat in 2020 2,5% van het bruto binnenlands product (bbp) aan onderzoek en ontwikkeling (R&D) wordt uitgegeven. Volgens de meest recente CBS-cijfers bedragen de R&D-uitgaven 2,16% van het bbp. Dit is een voorlopig cijfer over 2012. Ten opzichte van een jaar eerder is sprake van een forse stijging. In 2011 bedroegen de R&D-uitgaven nog 2,03% van het bbp.

  • Bovendien is het een ambitie van het bedrijfslevenbeleid dat publieke en private partijen in 2015 voor meer dan € 500 mln participeren in Topconsortia voor Kennis en Innovatie, waarvan ten minste 40% wordt gefinancierd door het bedrijfsleven. Hierover zijn nog geen cijfers beschikbaar.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is – vanuit zijn Rijksbrede verantwoordelijkheid voor innovatiebeleid – verantwoordelijk voor:

Stimuleren

  • Het stimuleren van R&D en innovatie door alle bedrijven, inclusief het MKB.

  • Het stimuleren van privaatpublieke samenwerking tussen kennisinstellingen en bedrijven, zoals in de

  • Topconsortia voor kennis en innovatie (TKI).

  • Het stimuleren van de toegang tot (risico)kapitaal voor bedrijven, middels het Innovatiefonds MKB+.

  • Het stimuleren van Europese en internationale samenwerking op het gebied van R&D en innovatie.

Regisseren

  • De kabinetsbrede regie van het topsectorenbeleid en de invulling van de kennis- en innovatiecontracten.

  • Het regisseren van een effectief stelsel voor kennisbescherming en benutting.

  • De Minister van EZ en de bewindslieden van OCW coördineren en borgen de publieke kennisinfrastructuur voor toegepast en fundamenteel onderzoek.

  • Het regisseren van het Nederlandse lucht- en ruimtevaartbeleid.

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2013

Realisatie 2012

Bron

R&D-uitgaven als % van het BBP

1,85%

2010

1,9%

2,16

CBS

– waarvan private sector

0,89%

2010

1,0%

1,22

CBS

– waarvan publieke sector

0,96%

2010

0,9%

0,94

CBS

De sterke stijging van de R&D-uitgaven in de private sector in 2012 ten opzichte van het referentiejaar 2010 is voor het overgrote deel het gevolg van een revisie in de R&D-statistiek van het CBS. Door een verbreding van het R&D-begrip en het toevoegen van bedrijven met minder dan tien werkzame personen aan de bedrijvenpopulatie in de R&D-statistiek wordt onderzoek van een groter aantal bedrijven dan voorheen geteld als R&D.

De meest recente R&D cijfers hebben betrekking op 2012. Het betreft voorlopige cijfers van het CBS. Cijfers over 2013 komen beschikbaar in het najaar van 2014.

 

2009

2010

2011

2012

2013

Ambitie

Innovation Union Scoreboard

           

Positie Nederland in EU

8e

8e

7e

5e

6e

Positie verbeteren

Aantal bij PCT aangevraagde octrooien

         

Positie verbeteren1

– Per mld euro BBP (in purchasing power standards (PPS) €)2

7,03

(2006)

6,59

(2007)

6,46

(2008)

6,32

(2009)

5,45

(2010)

 

– Positie Nederland in EU

5e

5e

5e

5e

5e

 

– Aantal bij OHIM aangevraagde handelsmerken3

         

Positie verbeteren1

– Per mld euro BBP (in PPS €)

5,90 (2008)

6,76 (2009)

7,38 (2010)

7,12 (2011)

7,19 (2012)

 

– Positie Nederland in EU

9e

6e

6e

9e

9e

 

Bron: Europese Commissie (Innovation Union Scoreboard 2014)

X Noot
1

Evenwel binnen het geheel aan mogelijkheden om een octrooi respectievelijk merk aan te vragen (nationaal, Benelux, Europees en/of internationaal)

X Noot
2

Betreft het aantal octrooiaanvragen (onder PCT, internationale fase met EPO-bestemming) naar land van uitvinder, gedeeld door het BBP in mld euro’s gecorrigeerd voor koopkrachtverschillen.

Tussen haken is het jaar opgenomen waarop de data betrekking hebben. Dit betekent dat de positie van Nederland in 2013 op de Innovation Union Scoreboard dus mede is bepaald op basis van octrooidata uit 2010.

X Noot
3

Tussen haken zijn de jaren aangegeven waarop de data betrekking hebben.

 

2006

2008

2010

2012

Ambitie

Aandeel Innoverende bedrijven:

         

Industrie (EU27-gemiddelde)

42%

42% (44%)

53% (44%)

n.n.b

Aandeel handhaven

Diensten (EU27-gemiddelde)

32%

31% (35%)

44% (35%)

n.n.b

Aandeel handhaven

Aandeel innoverende bedrijven dat (de laatste drie jaar) technologisch heeft samengewerkt met publieke partijen:

     

n.n.b

 

Researchinstellingen (EU27-gemiddelde)

8%

10% (6%)

6%

(6%)

n.n.b

Aandeel verhogen

Universiteiten (EU27-gemiddelde)

11%

14% (10%)

8% (11%)

n.n.b

Aandeel verhogen

Bron: CBS

De gegevens in bovenstaande tabel zijn afkomstig uit de tweejaarlijkse Europese Community Innovation Survey, die het CBS in Nederland uitvoert. Volledige cijfers over 2012 komen volgens planning beschikbaar in juni 2014 en konden daarom nog niet in het jaarverslag worden opgenomen.»

Beleidsconclusies

Nederland heeft in 2013 een zesde positie in het Innovation Union Scoreboard bereikt (IUS 2014). Daarmee behoort Nederland tot de groep landen die tot de «innovatievolgers» worden gerekend, achter de «innovatieleiders» Zweden, Duitsland, Denemarken en Finland. Binnen de kengetalgroepen waar de positie in het Innovation Union Scoreboard door wordt bepaald, scoort Nederland bovengemiddeld bij onder meer onderzoekssysteem, publieke onderzoek- en innovatie-uitgaven, netwerk & ondernemerschap en intellectueel eigendom. Op de indicatorgroep bedrijfsinvesteringen scoort Nederland nu gemiddeld (dat was voorheen benedengemiddeld), terwijl de indicatorgroep economische effecten nu een benedengemiddeld resultaat tonen, hetgeen een belangrijke verklaring voor de gedaalde positie van Nederland op de ranglijst vormt. Over een langere periode bezien, groeit de totaalscore van Nederland richting de koplopers.

Generiek

Het generieke spoor staat open voor alle ondernemers, grote bedrijven, MKB, starters en uitdagers. Instrumenten hierbij zijn het fiscale pakket, dat bestaat uit de WBSO, RDA en Innovatiebox en het Innovatiefonds MKB+. Voorts wordt internationale innovatiesamenwerking gestimuleerd.

Fiscale innovatie-instrumenten

Fiscale instrumenten vormden in 2013 de generieke basis van het beleidsinstrumentarium voor innovatie. Naast de WBSO, die ondernemers kunnen inzetten om de loonkosten van R&D te verlagen, was er de RDA (Research & Development Aftrek), die betrekking heeft op overige R&D-kosten en -investeringen.1 De RDA kende in 2013 een percentage van 54% extra aftrek (resulterend in een nettovoordeel van 13,5% bij een Vpb-tarief van 25%). Dat ondernemers beter bekend raken met dit in 2012 geïntroduceerde instrument bleek uit de groei van het aantal aanvragers met een RDA-beschikking (van 13.860 naar 16.160).

De eerste schijf van de WBSO is in 2013 verlengd van € 110.000 naar € 200.000. Daarmee geeft de WBSO een extra stimulans aan doorgroei van het innovatief MKB. Tegelijkertijd is met het oog op effectiviteit op basis van de WBSO-evaluatie het percentage van de eerste schijf verlaagd van 42% naar 38%. Ook was er in 2013 binnen de WBSO sprake van een groeiend aantal aanvragers met een S&O-verklaring van 22.220 (2012) naar 22.640 en een groei van het aantal S&O-arbeidsjaren waarop de WBSO betrekking heeft van 79.560 (2012) naar 81.660. Het aantal starters binnen de WBSO bedroeg 3.682.

Innovatiefonds MKB+

Door de aanhoudende krapte op de financieringsmarkt, waaronder ook de risicokapitaalmarkt, was het voor innovatieve ondernemingen ook in 2013 lastig om de private bijdrage in de financiering van veelbelovende en risicovolle innovatieprojecten te realiseren. Dit heeft invloed op de benutting van het Innovatiekrediet. Ondanks dit knelpunt is het Innovatiekrediet met € 52 mln op nagenoeg hetzelfde niveau door het innovatieve MKB benut als in 2012. Om dit knelpunt aan te pakken is het Innovatiekrediet per 1 januari 2014 aangepast, zodat de omvang van de financiering vanuit het Innovatiekrediet voor kleine ondernemingen is verhoogd van 35% naar 45%.

De krapte op de financieringsmarkt heeft in 2013 ook invloed gehad op de benutting van de Seed Capital regeling. Het aantrekken van private funding voor deze innovatiefondsen (minimaal 50%) blijkt lastig waardoor de funding vanuit de Seed Capital regeling op € 12 mln in plaats van € 20 mln is uitgekomen. Deze lagere benutting wordt ook veroorzaakt doordat de «creative industry» niet in staat is gebleken met een goed voorstel te komen. Hiervoor was € 4 mln apart gereserveerd binnen de Seed Capital regeling.

Om de toegang tot financiering in de risicokapitaalmarkt in de latere fase voor het innovatieve MKB te verbeteren, is het Fund of Funds (ook bekend als Dutch Venture Initiative) van het InnovatiefondsMKB+ in 2013 operationeel geworden. De eerste toezeggingen van ruim € 50 mln vanuit dit fonds hebben eind 2013 plaatsgevonden. Dat heeft geleid tot betalingen in 2013 van in totaal € 17,1 mln. De betaling past binnen het Innovatiefonds in 2013.

De verwachte benutting van het InnovatiefondsMKB+ voor de periode 2012–2015 was geraamd op € 500 mln. Op dit moment is € 233 mln hiervan verplicht. Dit is in lijn met de verwachte benutting van het fonds.

In de jaren 2012 en 2013 zijn er in totaal 75 nieuwe kredieten toegekend in het kader van het Innovatiekrediet.

Eureka/Eurostars

Middels deze regelingen ondersteunt Nederland bedrijven en kennisinstellingen om door internationale kennis- en technologiesamenwerking het concurrentievermogen en de productiviteit te verbeteren. In 2013 hebben de belangrijkste participerende landen in het EUREKA-cluster CATRENE, Frankrijk, Duitsland en Nederland, een interim assessment laten uitvoeren. Deze assessment diende als basis voor het besluit om het programma te verlengen tot eind 2015. Daarnaast is in 2013 de Nederlandse evaluatie van onder andere de Eurekaclusters, Eurostars en de JTI’s opgestart (af te ronden eerste helft 2014). Bovendien werd er in internationaal verband in het kader van Horizon-2020 gewerkt aan vernieuwde afspraken over de programma’s Eurostars en JTI’s.

Ruimtevaart (ESA)

Het ruimtevaartbeleid verloopt op schema. De gerealiseerde kasbetalingen betreffen vooral de jaarlijkse verplichte bijdragen aan de algemene ESA-begroting plus bijdragen aan een beperkt aantal optionele ESA-ruimtevaartprogramma’s. Die laatste gelden vloeien weer terug naar lidstaten via orders aan bedrijven en kennisinstellingen voor levering van (onderdelen van) raketten en satellieten of aanverwante goederen en diensten.

De programma’s die zijn vastgesteld tijdens de ESA-Ministersconferentie te Napels (It) van 20/21 november 2012 hebben geleid tot diverse orders voor Nederlandse bedrijven, onder andere voor de levering van zonnepanelen voor ruimtevoertuigen. In 2013 is ook aanzienlijke vordering gemaakt met de ontwikkeling en bouw van het TROPOMI-instrument voor het nauwkeurig meten van de luchtkwaliteit. Dit satellietinstrument zal in 2015 in een baan om de aarde worden gebracht. Daarnaast heeft ESA in 2013 veel interessante missies afgerond (onder andere van de Herschel-satelliet) en nieuwe gestart, waaronder de Gaia-missie met Nederlandse inbreng.

Bij alle activiteiten wordt terdege rekening gehouden met de belangen van Nederlandse bedrijven, kennisinstellingen en onderzoekers, zoals weergegeven in de roadmap Space van het Innovatiecontract High Tech Systemen en Materialen (HTSM). Tevens wordt verder gewerkt aan versterking van de positie van European Space Research and Technology Centre (ESTEC) te Noordwijk, de belangrijkste vestiging van de ESA, in lijn met de aanbevelingen van het «white paper ESTEC» van het topteam HTSM.

Topsectoren

In het topsectorenbeleid werken kennisinstellingen, bedrijven en overheid samen, onder meer om innovatie in deze sectoren te stimuleren. Gezamenlijke agendering en programmering van KNAW, NWO en toegepaste kennisinstellingen van onderzoek door ondernemers en onderzoekers (Gouden Driehoek) staan centraal in het beleid. De samenwerking in Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKIs) wordt gestimuleerd via de TKI-toeslag en de regeling MKB-Innovatiestimulering Topsectoren (MIT).

TKI-Toeslag

2013 was het eerst jaar waarin over de verwachte private bijdrage aan onderzoeksorganisaties in privaatpublieke samenwerkingsprojecten toeslag werd aangevraagd. Met een totale omvang van verwachte private bijdragen van circa € 300 mln werd een toeslag van € 75 mln toegekend. De omvang van de verwachte private bijdrage in 2013 is in lijn met de geformuleerde doelstelling om in 2015 € 500 mln aan privaatpubliek onderzoek binnen de TKI's te bundelen. Daarmee is in 2013 een goede start gemaakt met de TKI's. Voor 1 maart 2014 dienen de TKI's aan te geven wat de definitieve private bijdragen in 2013 zijn.

De inzet van de toeslag die is gegeneerd in 2013 verliep langzamer dan was voorzien door de TKI's bij de aanvraag van de toeslag. Dit betekent dat de kasuitgaven in 2013 zijn achtergebleven bij de verwachtingen. Het is niet ongebruikelijk dat een goede kasraming bij een nieuwe regeling pas na enige ervaring kan worden gemaakt.

Op basis van de eerste ervaringen van de stakeholders van de TKI's is de regeling voor 2014 aangepast. Met de aanpassingen is een grotere flexibiliteit in de aanvragen van de TKI-toeslag. Daarmee ontstaat ook meer zekerheid over het kunnen inzetten van de toeslag. Ook is er verbreding van de TKI-toeslag in werking getreden, zo wordt bijvoorbeeld een extra stimulans gegeven aan het MKB.

MKB Innovatiestimulering Topsectoren (MIT)

2013 was het eerste jaar waarin de regeling MKB innovatiestimulering Topsectoren (MIT) van kracht was. In totaal was er € 20 mln beschikbaar voor acht topsectoren. De sector Agri&Food had een apart budget voor een eigen valorisatiepilot MKB.

Het aantal bedrijven dat naar schatting deelnam aan MIT 2013 bedraagt ruim 1.500. Hierin zijn ook opgenomen de circa 1.000 ondernemers die via de netwerkbijeenkomsten van de TKI’s bij de topsectoren werden betrokken. De omvang van de geschatte private R&D uitgaven ondersteund met MIT bedroeg € 30 mln. Het gaat hier om de investering in R&D door de deelnemende bedrijven (exclusief overheidssubsidie).

Het eerste uitvoeringsjaar MIT is heel goed verlopen. De belangstelling vanuit het MKB voor het instrument was groot. Overall was de vraag naar MIT subsidie twee keer zo hoog als er budget beschikbaar was. De budgetten zijn dan ook op een fractie na uitgeput.

Op basis van de eerste ervaringen wordt de regeling voor 2014 aangepast. De belangrijkste aanpassing is dat het meest robuuste onderdeel uit MIT, de R&D samenwerkingsprojecten, wordt gewijzigd van first come first served in een tender. Verder doet in 2014 ook Agri&Food mee in MIT. Budget voor 2014 bedraagt € 30 mln.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000

Realisatie

Oorspronkelijk Vastgestelde begroting

Verschil

 

2010

2011

2012

2013

2013

2013

VERPLICHTINGEN

755.923

976.140

655.501

768.402

607.730

160.672

UITGAVEN

723.869

883.706

745.806

775.292

795.764

– 20.472

             

Leningen

33.183

46.293

39.646

99.538

88.996

10.542

Innovatiefonds: Innovatiekrediet

19.102

35.786

27.296

48.965

65.335

– 16.370

Innovatiefonds: Seed

14.081

10.507

12.350

16.500

23.661

– 7.161

Innovatiefonds: Fund to fund

     

17.073

 

17.073

Innovatiefonds:Vroege fase/informal investors/ROM’s

     

17.000

 

17.000

Subsidies

165.616

155.641

124.365

73.576

81.343

– 7.767

Innovatie Prestatie Contracten

32.067

30.207

44.019

16.622

31.498

– 14.876

Eurostars

2.243

4.165

5.680

6.949

8.638

– 1.689

Lucht en Ruimtevaart

30.380

22.061

22.434

7.812

17.789

– 9.977

Overig

100.926

99.208

52.232

42.193

23.418

18.775

Opdrachten

3.362

3.326

2.366

1.436

2.856

– 1.420

Onderzoek en opdrachten

3.362

3.326

2.366

1.436

2.856

– 1.420

Bijdragen aan agentschappen

76.107

77.006

75.197

68.895

72.653

– 3.758

Agentschap NL

76.107

77.006

75.130

68.602

72.512

– 3.910

Agentschap Telecom

   

67

293

141

152

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

29.190

147.180

150.833

154.840

136.287

18.553

TNO

29.190

147.180

150.833

154.840

136.287

18.553

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

416.411

454.260

353.399

377.007

413.629

– 36.622

Toeslag Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI-toeslag)

     

25.434

77.100

– 51.666

Grote Technologische Instituten (GTI’s)

14.259

46.670

49.047

54.802

40.009

14.793

Topsectoren overig

307.727

263.289

223.355

183.625

218.331

– 34.706

Syntens

33.038

32.506

31.453

19.797

19.884

– 87

Ruimtevaart (ESA)

58.348

111.011

48.805

92.895

57.058

35.837

Overig (inclusief onderzoeksprojecten)

3.039

784

739

454

1.247

– 793

             

ONTVANGSTEN

180.311

44.462

70.496

96.098

45.782

50.316

Luchtvaartkredietregeling

278

1.861

1.519

2.515

382

2.133

Technische Ontwikkelingsprojecten (TOP)

7.575

5.412

3.939

2.128

5.000

– 2.872

Rijksoctrooiwet

31.287

31.596

36.787

35.287

31.212

4.075

Innovatiekredieten

5.980

16.733

5.544

11.189

Seed

65

143

585

2.188

 

2.188

Ontvangsten ROM’s

     

16.995

 

16.995

Eurostars

443

1.060

1.143

104

2.056

– 1.952

Diverse ontvangsten

140.663

4.390

20.543

20.150

1.588

18.562

Toelichting financiële instrumenten

Toelichting op de verplichtingen

Het verschil in de verplichtingen van € 161 mln wordt met name veroorzaakt door:

  • Lagere verplichtingen (– € 24,2 mln) op het onderdeel leningen/innovatiefonds. Dit betreft een onderbenutting van het budget voor Innovatiekredieten van € 34,7 mln en een lagere benutting van € 9,5 mln op het budget voor Seed capital. Dit is een gevolg van de aanhoudende krapte op de financieringsmarkt, waaronder ook de risicokapitaalmarkt, waardoor het voor innovatieve ondernemingen lastig is om de private bijdrage in de financiering van innovatieprojecten te realiseren. Dit heeft invloed op de benutting van het Innovatiekrediet. Tegenover deze onderbenutting staan € 20 mln hoger dan oorspronkelijk aangegane verplichtingen ten behoeve van de kapitaalverstrekking aan de ROM Zuidvleugel en ROM Oost, waarvoor in de 2e suppletoire begroting via een herbeschikking van kapitaal budget aan de EZ-begroting is toegevoegd.

  • Hogere verplichting voor Ruimtevaart (ESA) (€ 140,9 mln). Ten behoeve van de Ministersconferentie in Napels november 2012 is € 68 mln extra beschikbaar gesteld, door herallocatie van middelen van EZ, I&M en OCW. In de 1e suppletoire begroting 2013 zijn deze middelen aan het budget voor ruimtevaart toegevoegd. Daarnaast is een verplichtingenschuif doorgevoerd ten behoeve van het aangaan van de verplichtingen in 2013 als gevolg van de ministersconferentie.

  • Hogere verplichtingen voor de MKB Innovatiestimulering Topsectoren (MIT) € 21,1 mln. MIT is een nieuw instrument, in 2013 voor het eerst opengesteld. Middelen hiervoor zijn in de loop van 2013 beschikbaar gekomen.

  • Hogere verplichtingen voor Stichting Technische Wetenschappen (€ 5,8 mln). Een deel van de subsidietaakstelling Rutte I (€ 8 mln structureel) werd tijdelijk ingevuld op de Stichting Technische Wetenschappen. Deze taakstelling is in de 2e suppletoire begroting definitief ingevuld op het budget voor de Innovatie Prestatie Contracten (€ 8 mln). Daarnaast is een deel van de Rutte II subsidietaakstelling ingevuld op het STW-budget (– € 2,1 mln).

  • Hogere verplichtingen voor Holst Centre (€ 10 mln). Bij 1e suppletoire begroting is € 10 mln verplichtingenbudget beschikbaar gesteld ten behoeve van het Holst Centre.

Toelichting op de uitgaven

Het budgettaire verschil van – € 20,5 mln wordt met name veroorzaakt door:

Leningen

De hogere uitgaven op het onderdeel leningen/innovatiefonds (€ 10,5 mln) wordt als volgt verklaard:

  • Er is sprake van € 16,4 mln lagere uitgaven op het Innovatiekrediet en € 7,2 mln lagere uitgaven op de Seed Capital regeling. Als gevolg van de genoemde onderuitputting van het verplichtingenbudget is het beroep op de hiervoor geraamde kasmiddelen in 2013 ook lager. Aangezien sprake is van een fondsconstructie zullen deze middelen beschikbaar blijven voor het InnovatiefondsMKB+.

  • Daarnaast is sprake van hoger dan geraamde uitgaven van € 17,1 mln bij het Fund of Funds en van € 17 mln bij de kapitaalverstrekking aan de ROM Zuidvleugel en Oost. De middelen voor Fund of Funds respectievelijk voor de kapitaalverstrekking aan de ROM’s zijn pas bij Voorjaarsnota 2013 respectievelijk Najaarsnota 2013 beschikbaar gekomen.

Subsidies

De lagere uitgaven op het onderdeel subsidies (– € 7,8 mln) betreft het saldo van:

  • Luchtvaartkredietregeling Niet Relevant (– € 8 mln). Voor een krediet dat verstrekt is aan Rekkof Aircraft N.V. bestaat nog onduidelijkheid wanneer dit project van start gaat. Het betreft een krediet voor de bouw van de Fokker 100 waar nog een medefinancier voor gevonden dient te worden. Als gevolg hiervan zijn de in 2013 geraamde kasuitgaven niet gerealiseerd.

  • Innovatie Prestatie Contracten (– € 14,9 mln). Doordat het budget van de IPC regeling voor een groot deel is overgeheveld naar de MIT regeling, is op dit instrument sprake van een substantieel lagere benutting dan oorspronkelijk geraamd.

  • MKB Innovatiestimulering Topsectoren (MIT) (€ 10,4 mln). De regeling MIT is een nieuw instrument, in 2013 voor het eerst opengesteld, waarvoor in de ontwerpbegroting nog geen middelen waren opgenomen. Middelen hiervoor zijn in de loop van 2013 beschikbaar gesteld.

  • Innovatieprogramma Veiligheid (€ 4,9 mln). Het betreft betalingen op eerder aangegane verplichtingen.

Bijdragen aan agentschappen

De lagere bijdrage aan Agentschap NL betreft voor een belangrijk deel (€ 2,4 mln) een herschikking van het opdrachtbudget voor Agentschap NL van artikel 12 naar artikel 13.

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

De hogere bijdrage aan TNO van € 18,6 mln wordt als volgt verklaard:

  • In de 2e suppletoire begroting is € 11 mln toegevoegd aan het TNO-budget om het eerste voorschot aan TNO voor 2014 eind december 2013 ter beschikking te stellen.

  • Daarnaast betreft het een bijdrage in verband met de onderzoekslijnen zoals de TKI's deze hebben afgesproken (€ 2,6 mln).

  • Tot slot is bij de suppletoire begrotingen € 4,9 mln toegevoegd aan het TNO-budget. Het betreft de bijdrage van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan TNO voor het thema Arbeid & Gezondheid en loon- en prijsbijstelling van tranche 2012 en 2013.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

De belangrijkste oorzaken van de lagere uitgaven (– € 36,6 mln) zijn:

  • TKI Toeslag (– € 51,7 mln). Dit wordt veroorzaakt door een vertraagde kasuitgave. Achtergrond daarvan was dat de TKI’s in 2013 in opbouw waren en dat tevens de spelregels voor publiek private samenwerking nog niet nader waren uitgewerkt. Hierdoor kon de toeslag in 2013 nog niet worden ingezet in nieuwe projecten. Deze vertraging leidt niet tot afstel van de projecten, noch van de budgettaire omvang daarvan. Wel tot een latere kasbetaling op deze projecten.

  • De bijdrage aan Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (NLR) van € 14,3 mln betreft nagenoeg geheel de middelen die aan NLR zijn uitbetaald voor de herhuisvesting. Deze middelen zijn in de 2e suppletoire begroting aan het NLR budget toegevoegd.

  • De hogere uitgaven voor ruimtevaart (ESA) van € 35,9 mln zijn een gevolg van de intensivering als gevolg van de ministersconferentie 2012, zoals beschreven in de toelichting bij de verplichtingen.

  • Verder is sprake van een vertraging in kasuitfinanciering op diverse instrumenten, waaronder de oud-FES programma’s COMMIT (– € 5 mln), CTMM (– € 5,5 mln), BEBASIC (– € 6,5 mln), TI Food and Nutrition (– € 3,6 mln). Daarnaast heeft een herschikking van budget plaatsgevonden ten aanzien van het kasbudget Holst Centre (– € 4,7) en TTI Water (– € 4,3).

Toelichting op de ontvangsten

Er is € 50,3 mln meer ontvangen dan oorspronkelijk begroot. Oorzaken hiervan zijn:

  • Ontvangsten luchtvaartkredietregeling (€ 2,1 mln): het verschil is voornamelijk te verklaren door de in 2013 gerealiseerde maar niet geraamde terugontvangsten in het kader van de oude luchtvaartkredietregelingen Korte Termijn Programma en Civiele Vliegtuigontwikkeling 1.

  • De ontvangsten Technische Ontwikkelingsprojecten zijn € 2,9 mln lager dan begroot. Deze ontvangsten zijn afhankelijk van het commerciële succes van in het verleden gegeven bijdragen aan Technische Ontwikkelings Projecten en daardoor moeilijk in te schatten.

  • De ontvangsten Rijksoctrooiwet zijn € 4 mln hoger dan begroot. Een belangrijk deel van de toename ligt aan het aandeel Europese en Nederlandse octrooien. Er zijn meer Europese en Nederlandse octrooien verleend die rechtsgeldig zijn geworden in Nederland. Er is hiervoor in 2013 ruim € 3,3 mln meer gerealiseerd dan geraamd. Daarbij komt dat de Nederlandse jaartaksen ook € 0,3 mln hoger zijn geëindigd.

  • Innovatiekrediet (€ 11,2 mln): de in 2013 gerealiseerde terugontvangsten in het kader van het Innovatiekrediet zijn hoger dan geraamd. Dat heeft met name te maken met de terugontvangsten in 2013 uit de portfolio Life Sciences en Profibrix. Volgens de afspraken worden deze terugontvangsten ingezet voor het Innovatiefonds MKB+.

  • Voor de Seed-regeling is € 2,2 mln aan ontvangsten gerealiseerd. De Seed-ontvangsten waren niet geraamd in de begroting.

  • Van de Noordelijke Ontwikkelingsmaatschappij (NOM) is in 2013 na aftrek van € 3 mln dividendbelasting € 17 mln aan dividend ontvangen.

  • Van AgentschapNL werd € 12,6 mln terugontvangen over de jaren 2011 en 2012, vanwege lager dan oorspronkelijk geraamde uitvoeringskosten voor het opdrachtenpakket 2011 en 2012.

  • Op de oude regeling Uitdagersfaciliteit werd nog € 2 mln ontvangen en daarnaast werd nog voor € 4 mln aan diverse ontvangsten gerealiseerd.

Indicator

Referentie-waarde

Peil datum

Realisatie 2013

Bron

Aantal bedrijven dat Innovatiekrediet gebruikt

27

2011

39

AgNL

Omvang private R&D-uitgaven ondersteund met een Innovatiekrediet (x € 1 mln)

144

2011

156

AgNL

Aantal participaties via SEED en Fund of Funds

29

2010

44

AgNL/EIF

Omvang gestimuleerd risicokapitaal voor innovatieve bedrijven door SEED en Fund of Funds (x € 1 mln)

43

2010

390

AgNL/EIF

Indicator

Referentie-waarde1

Peil- datum

Realisatie 2013

Bron

Aantal bedrijven dat jaarlijks deelneemt aan IPC

823

2011/2012

262

AgNL

Door IPC ondersteunde private R&D-uitgaven (x € 1 mln)

36,8

2011/2012

16

AgNL

X Noot
1

In de begroting 2013 was bij de referentiewaarde uitgegaan van de gemiddelde realisatie over de jaren 2011 en 2012. Omdat de realisatiewaarden van 2012 nog niet beschikbaar waren, was hierbij uitgegaan van een inschatting. De hier weergegeven referentiewaarden zijn gebaseerd op de daadwerkelijke realisatie 2011 en 2012.

Indicator

Referentie-waarde

Peil-datum

Realisatie 2013

Bron

Aantal Nederlandse deelnemers aan Eurostars

72

2011

49

AgNL

– waarvan bedrijven

61

 

37

 

– waarvan high-tech MKB (%)

82%

 

81%

 

Door Eurostars ondersteunde private R&D-uitgaven van Nederlandse deelnemers (x € 1 mln)

19,8

2011

13

AgNL

In de begroting 2013 was een indicator opgenomen «Omvang private middelen PPS-projecten TKI». De realisatiewaarden voor deze indicator komen pas medio 2014 beschikbaar en konden daarom niet in het jaarverslag 2013 worden opgenomen.

Indicator

Referentie-waarde

Peil-datum

Realisatie 2013

Bron

Klanttevredenheid Deltares

7,9

2011

8,0

Deltares

Klanttevredenheid MARIN

8,6

2011

8,8

MARIN

Klanttevredenheid NLR

8,7

2011

8,5

NLR

Klanttevredenheid cofinanciers TNO

7,2

2011

8,2

TNO

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2013

Realisatie 2012

Bron

Aantal Nederlandse bedrijven dat deelneemt aan ruimtevaartprogramma's ESA

488

2011

162

4991

ESA

Ruimtevaart geo-return/retour (%)

1,09

2011

1,07

1,10

ESA

X Noot
1

Dit betreft het realisatieciifer over 2012 omdat het cijfer over 2013 tijdens het opmaken van het jaarverslag nog niet van ESA is ontvangen. De referentiewaarde is veranderd ten opzichte van de begroting (het was 155). In het hier weergegeven getal zijn alle contracten van Nederlandse bedrijven met ESA opgenomen, ook de contracten die niet direct aan ruimtevaartprogramma’s zijn gekoppeld, maar gerelateerd zijn aan de vestiging van ESTEC in Nederland. Verschillende divisies van een bedrijf worden als afzonderlijke contractanten meegeteld. Het betreft een cumulatief getal op basis van databestanden van ESA sinds 2000. In 2015 start ESA met een nieuwe database waardoor de waarde dan lager zal uitvallen.

Indicator

Referentie-waarde

Peil-datum

Realisatie 2013

Bron

Aantal Nederlandse deelnemers aan KP7 (vanaf 2007)

941

2012

1.506

AgNL

– waarvan bedrijven

685

 

1.137

 

Omvang KP7-middelen voor Nederlandse deelnemers (retour x € 1 mln, vanaf 2007)

1.899

2012

3.373

AgNL

– waarvan bedrijven (%)

18%

 

22%

 

Retourpercentage voor Nederland (%)

6,9%

2012

7,4%

AgNL

Voor het eerst zijn in deze cijfers ook de Joint Technology Initiatives (JTI’s) meegeteld.

Kengetal

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Aantal bedrijven dat gebruik maakt van WBSO1

13.450

16.620

19.450

20.530

22.220

22.640

Aantal S&O-arbeidsjaren

62.390

67.600

73.660

75.330

79.560

81.660

Door WBSO ondersteunde private R&D-uitgaven (S&O-loon, x € 1 mln)

2.552

3.011

3.377

3.571

3.850

3.917

Bron: Agentschap NL

X Noot
1

Hier wordt bedoeld: ondernemingen, kennisinstellingen en zelfstandig ondernemers met een S&O-verklaring

Kengetal

2012

2013

Aantal bedrijven dat gebruik maakt van RDA1

13.860

16.160

Door RDA ondersteunde private R&D-uitgaven (x € 1 mln, inhoudingsplichtigen)

2.035

2.530

Bron: Agentschap NL

X Noot
1

Hier wordt bedoeld: ondernemingen en zelfstandig ondernemers met een RDA-beschikking.

Dit kengetal was in de Ontwerpbegroting 2013 nog niet opgenomen (met ingang van de begroting 2014 is dit wel het geval), maar voor het inzicht in de benutting van RDA worden de realisatiegegevens wel gepresenteerd.

13 Een excellent ondernemingsklimaat

Algemene doelstelling

Randvoorwaarden scheppen voor een excellent ondernemingsklimaat.

Om deze doelstelling te bereiken heeft het Ministerie van Economische Zaken financiële instrumenten ingezet, zoals borgstellingen en garanties. De financiële instrumenten verbeteren de toegang tot financiering voor het Nederlandse bedrijfsleven, wat nodig is om te kunnen investeren en groeien. Juist ondernemingen die investeren en groeien, hebben een positief effect op economische groei en werkgelegenheid. Onder deze doelstelling valt ook het stimuleren van de juiste voorwaarden voor het goede benutting van ICT. Innovatie met ICT wordt gerealiseerd door de acties uit de Digitale Implementatie Agenda.nl (TK, 26 643 nr. 217) die in 2013 aangevuld is met de beleidsbrief «Doorbraken met ICT» waarin de Midterm rapportage Digitale Agenda.nl is opgenomen. Een aanvulling op de Roadmap ICT (TK, 32 637 nr. 22) voor de jaren 2014 en 2015 is meegenomen in de Bedrijfslevenbrief die in 8 oktober 2013 naar de Tweede Kamer is gezonden. De resultaten op het terrein van Regeldrukvermindering zijn genoemd in de Kamerbrief Goed geregeld, een verantwoorde vermindering van regeldruk 2012–2017 (TK, 29 362, nr. 212) die in april 2013 naar de Tweede Kamer is gestuurd. Eind 2013 is wat betreft de administratieve lasten met de kwantitatieve doelstelling van € 2,5 mld een reductie van € 527,4 mln gerealiseerd.

Rol en verantwoordelijkheid

Stimuleren

  • Het stimuleren van de juiste randvoorwaarden en grootschalige implementatie van digitale voorzieningen die de overheidsdienstverlening aan ondernemers verbeteren zoals het Ondernemingsdossier.

  • Het realiseren van tien publiek-private ICT-doorbraakprojecten, ondermeer gericht op het vergroten van het gebruik en de kennis van ICT door het midden- en kleinbedrijf, in de topsectoren en in sectoren als logistiek, agro, onderwijs en zorg.

  • De stimulering, coördinatie en facilitering van de transitie naar een biobased economy.

  • Het stimuleren van een ambitieuze en duurzame ondernemerschapscultuur.

  • Het bevorderen van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen.

  • Het bevorderen van het innovatiegericht inkopen.

Regisseren/faciliteren

  • De kabinetsbrede coördinatie van het topsectorenbeleid.

  • De coördinatie en het faciliteren van het kabinetsprogramma »vermindering regeldruk voor bedrijven, opdat ondernemers niet worden belemmerd om te ondernemen» door invulling te geven aan de programmabrief «Goed Geregeld, een verantwoorde vermindering van regeldruk 2012–2017».

  • Faciliteren van het Nederlandse bedrijfsleven in hun duurzame grondstoffenvoorzieningszekerheid zoals in de grondstoffennotitie.

  • De coördinatie van het Groene Groei-traject en de Green Deal aanpak.

  • Het verbeteren van de dienstverlening aan de ondernemers door middel van Ondernemerspleinen.

  • Het ondersteunen van de toegang tot (risico)kapitaal voor bedrijven.

  • Het waarborgen van een internationaal level playing field.

  • Een betere aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt.

  • Het verbeteren van de match tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt voor technisch personeel (Techniekpact).

Uitgangspunt is de juiste randvoorwaarden te creëren en ondernemers de ruimte te geven voor vernieuwing en groei. In dialoog met bedrijven, maatschappelijke organisaties en medeoverheden worden kansen benut en knelpunten opgelost. De Minister van EZ is gesprekspartner en aanspreekpunt voor het bedrijfsleven, sectoren, branches en individuele bedrijven. De overheid is terughoudend met ingrijpen, maar er kan een rol zijn in geval van externe effecten, informatie-asymmetrie of verstorend gedrag van (internationale) overheden. Hiervoor zet de Minister zowel financiële instrumenten in, zoals garanties en subsidies aan bedrijven en instellingen, als niet financiële instrumenten.

Kengetallen; Ondernemingsklimaat van Nederland

 

2009

2010

2011

2012

2013

Ambitie

1 – Global Competitiveness Index

           

Positie van Nederland

9e

8e

7e

5e

8e

Top-5 in 2020

Bron: World Economic Forum (Global Competitiveness Report, 2013–2014)

           
             

2 – Ondernemersquote

2009

2010

2011

2012

2013

 

Nederland

11,7%

11,9%

12,2%

12,6%

13,2%

 

EU15-gemiddelde

11,8%

11,9%

11,9%

11,9%

11,8%

 

Bron: PanteiaEIM (2011 is een voorlopig cijfes, 2012 en 2013 zijn voorlopige inschattingen)

           
             

3 – Investeringsquote van bedrijven

2009

2010

2011

2012

2013

 

Nederland

13,4%

12,4%

13,3%

13,0%

13,0%

 

Bron: CPB (CEP, 2013)

           
             

4 – Aandeel snelle groeiers1

2004/2007

2005/20082

2006/20093

2007/2010

2008/2011

 

Nederland

11%

13%

8%

7%

4%

Top-5

Bron: EIM (Internationale benchmark ondernemerschap, 2012)

           
             

5 – Ranglijst van digitale economieën

2009

2010

2011

2012

2013

Ambitie

Positie van Nederland

9

9

11

6

4

Top-5

Bron: Global Information Technology Report (World Economic Forum) 4

           
X Noot
1

De cijfers vanaf 2006/2009 zijn niet goed vergelijkbaar met de perioden hiervoor. In het verleden (tot en met 2005/2008) werd altijd als definitie gehanteerd een totale groei van 60% in drie jaar voor de groep 50–1.000 werkzame personen, een definitie die als sinds 1997 werd gehanteerd. Vanaf de periode 2006/2009 is nu aansluiting gezocht bij de internationaal gangbare definitie van 20% groei per jaar voor de groep bedrijven vanaf tien werkzame personen. De quote valt hierdoor lager uit. De belangrijkste oorzaak is evenwel de zwakke conjunctuur als gevolg van de financiële crisis. Voor Nederland (bron CBS) is momenteel het meest recente cijfer 2007/2010. De nieuwe afbakening is in 2013 doorgevoerd.

X Noot
2

Definitie snelle groeiers: 50–1.000 werkzame personen en minimaal 60% werkgelegenheidsgroei in drie jaar tijd.

X Noot
3

Definitie snelle groeiers: Vanaf 10 werkzame personen en minimaal 72,8% werkgelegenheidsgroei in drie jaar tijd.

X Noot
4

Wat betreft het kengetal digitale economieën in de Rijksbegroting: hier werd tot en met 2010 gebruik gemaakt van de jaarlijkse ranking van de Economist/ E readiness monitor. Sinds 2010 is er echter geen update meer verschenen. Vanwege de behoefte aan een jaarlijks cijfer is gekozen voor het Global Information Technology Report van het World Economic Forum die wel jaarlijks rapporteert.

  • 1 Het Nederlandse ondernemingsklimaat behoort sinds 2007 tot de top-10 volgens de Global Competitiveness Index van het World Economic Forum. Tussen 2009 en 2012 is Nederland gestegen van de tiende naar de vijfde plek. In 2013 heeft Nederland een achtste plaats op de ranglijst behaald. Dit onderschrijft de noodzaak van verbeterde financieringsmogelijkheden voor ondernemers, blijvende investeringen in onderwijs en onderzoek, vermindering van administratieve lasten en stimulering van innovatie.

  • 2 Het percentage ondernemers binnen de beroepsbevolkling neemt al enige jaren toe in Nederland. Waarin 2009 nog benedengemiddeld werd gescoord, ligt de Nederlandse score inmiddels ruim boven het gemiddelde van de EU-15. De stijging van ondernemersquote is voor het belangrijkste deel toe te schrijven aan de toename van het aantal ZZP'ers in Nederland.

  • 3 De investeringsquote en het aandeel snelle groeiers geven een indicatie van de kwaliteit van ondernemerschap. Juist ondernemingen die investeren en groeien, hebben een positief effect op economische groei en werkgelegenheid. De investeringsquote bereikte in 2010 een dieptepunt en leefde daarna weer iets op. Naar verwachting blijven de investeringen in 2013 op het niveau van 2012. Verder herstel wordt verwacht vanaf 2014. Nederland is niet het enige land waarin de investeringsquote het afgelopen decennium terugliep; andere landen laten een vergelijkbaar beeld zien. Een mogelijke verklaring voor de daling van de investeringsquote is de moeilijke economische situatie en het feit dat de investeringsprijzen zijn gedaald.

  • 4 Onderzoek heeft aangetoond dat snelgroeiende bedrijven een grote impact hebben op de economie. Het aandeel snelle groeiers is de afgelopen jaren afgenomen. Dat geldt voor Nederland, maar ook voor andere landen. De daling van 2010 op 2011 is te verklaren door een wijziging in de defintie van snelle groei. Gezien het belang van de indicator om meer te zeggen over de kwaliteit van het ondernemerschap – in aanvulling op de omvang/kwantiteit – loopt een onderzoek bij het CBS om Nederlandse snelle groeicijfers binnen OESO verband bij te gaan houden.

  • 5 Nederland ambieert voor 2014 een top vijf positie op de wereldwijde ranglijst voor digitale economieën. In het meest recente rapport van het World Economic Forum (WEF) over «Information Technology» uit 2013 staat Nederland, na Finland, Singapore en Zweden, op de vierde plek als het gaat om het gebruik van ICT. Hiermee is Nederland twee plaatsen gestegen ten opzichte van 2012. Nederland scoort goed als het gaat over de ICT-infrastructuur en de beschikbaarheid van en toegang tot digitale content en ICT-toepassingen. Bovendien scoort Nederland goed op het gebruik van ICT door zowel burgers als bedrijven en zijn de digitale vaardigheden om dit gebruik mogelijk te maken goed op orde

Beleidsconclusies

Bedrijfsfinanciering

De financiering van het bedrijfsleven, en met name van het MKB, blijft onder druk staan. Uit de Financieringsmonitor van december 2013 blijkt dat bedrijven, in vergelijking met de monitor van juni 2013, de gezochte financiering weer iets vaker niet hebben aan kunnen trekken. Dat geldt voor zowel vreemd vermogen als voor eigen vermogen. De meest genoemde reden van afwijzing blijft het risico voor de beoogde financier. Zowel banken als eigen vermogen-verstrekkers (bijvoorbeeld participatiemaatschappijen) zijn voorzichtiger geworden. Dat zij minder financieren, zien we ook terug in de mate van benutting van het garantie-instrumentarium. De regelingen ondersteunen echter ook in deze tijden daar waar noodzakelijk en mogelijk de toegang tot financiering. Het risico van de financier wordt verminderd, wat in deze tijden dus van groot belang is om het bedrijfsleven aan de benodigde financiering te helpen.

BMKB

De daling van de benutting van de BMKB in 2012 ten opzichte van de recordbenutting in 2011 heeft zich ook in de tweede helft van 2013 voortgezet. In het gehele jaar is € 344 mln van het beschikbare budget van € 705 mln benut, waar de benutting in 2012 nog € 486 mln was. De benutting in de tweede helft van 2013 was met € 169 mln iets lager dan de € 175 mln benutting in de eerste jaarhelft. In termen van aantal verstrekte borgstellingskredieten is de daling minder groot: er zijn in 2013 1.983 nieuwe borgstellingskredieten verstrekt, tegen 2.640 in 2012. De verstrekte borgstellingskredieten zijn dus relatief kleiner van omvang, wat erop kan duiden dat meer kleinere bedrijven worden bereikt.

Zoals in de brief «Stimulering Ondernemingsfinanciering» aangekondigd, is de BMKB per begin november 2013 tijdelijk uitgebreid. Hierdoor is het maximale borgstellingskrediet verhoogd van € 1 mln naar

€ 1,5 mln, en kan voor borgstellingskredieten tot € 0,2 mln aan bestaande bedrijven (de «kleine kredieten») het hogere borgstellingspercentage van per saldo 67,5% worden gebruikt, wat standaard voor starters geldt.

Groeifinancieringsfaciliteit

Met de Groeifinancieringsfaciliteit worden bedrijven geholpen bij het aantrekken van risicodragend vermogen door een 50% staatsgarantie te verstrekken op achtergestelde leningen van banken en op aandelen van participatiemaatschappijen. De Groeifinancieringsfaciliteit kan ondernemingen in een groeifase, bij bedrijfsovernames en bij herstructureringen helpen bij het aantrekken van risicokapitaal. Voor de Groeifinancieringsfaciliteit was in 2013 sprake van een realisatie van ruim € 8 mln verstrekte garanties. Het lagere gebruik ligt in het feit dat de financiering van het bedrijfsleven, en met name van het MKB, onder druk blijft staan. Financiers zijn voorzichtiger geworden.

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

Met het instrument GO kunnen banken een 50% staatsgarantie krijgen op (middel)grote leningen vanaf € 1,5 mln. Door de verstrekking van een staatsgarantie wordt het risico voor de bank op de ondernemingsfinanciering gereduceerd. Dit vergroot de mogelijkheden om te voorzien in de financieringsbehoefte bij het Nederlandse bedrijfsleven. De benutting van de GO is in 2013 gedaald (€ 62 mln gefiatteerd) ten opzichte van 2012 (€ 117 mln gefiatteerd). De GO heeft in 2013 te maken gehad met een lager gebruik vanwege de lagere activiteit op de financieringsmarkt voor het bedrijfsleven. Vooral factoren als verminderde investerings- en risicobereidheid van bedrijven en banken spelen een rol in de lagere benutting. De verwachting is dat in 2014 bij een aantrekkende economie de benutting op een hoger niveau zal komen te liggen.

Ter stimulering van de kredietverlening aan het bedrijfsleven zijn de voorwaarden voor de GO-regeling tijdelijk verruimd. In 2013 is het maximum van de garantie verhoogd van € 25 mln naar € 75 mln en is de GO, naast de al bestaande mogelijkheid om bankgaranties onder de GO te brengen, ook opengesteld voor alternatieve aanbieders van garanties aan bedrijven. Eveneens in 2013 is een start gemaakt met de evaluatie van de regeling waarvan de resultaten april 2014 worden verwacht.

Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfinanciering

In 2013 is de gewijzigde Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfinanciering (GSF) gepubliceerd (totaal garantiebudget € 1 mld) en zijn de eerste garanties verstrekt. Met de GSF kunnen banken 80% staatsgarantie krijgen op de nieuwbouwfinanciering van een schip. Hierdoor wordt het risico voor de bank op de te verstrekken bouwfinanciering of voorfinanciering gereduceerd. Dit vergroot de kans voor Nederlandse scheepswerven om financiering aan te trekken. De sector kan door deze regeling beter concurreren met buitenlandse werven die van soortgelijke garantieregelingen gebruik kunnen maken. In 2013 is voor € 44 mln aan garanties aan banken verstrekt, verdeeld over zes scheepsbouwprojecten die worden uitgevoerd door twee werven. Bij een werf gaat het om vier schepen die worden geëxporteerd en bij de andere werf om een binnenlandse leverantie. De regeling kende in 2013 derhalve een beperkte benutting. Het is echter te vroeg om hieraan conclusies te verbinden, gelet op de recente openstelling van de aangepaste regeling.

Flankerend beleid stimuleringspakket

Bij de Miljoenennota 2014 is in het kader van het stimuleringspakket € 5 mln toegevoegd aan de EZ-begroting voor het stimuleren van nieuwe aanbieders van MKB financiering en verbeteren van kennis van het MKB over financiering. In 2013 is voor circa € 4,5 mln aan aanvragen ingediend, daarvan konden in 2013 voor een bedrag van € 0,4 mln aan toezeggingen gedaan worden. De resterende toezeggingen zullen in 2014 plaatsvinden.

Techniekpact

De beschikbaarheid van voldoende goed (technisch) opgeleid personeel is van groot belang voor een goed ondernemersklimaat en groeivermogen van Nederland. Daarom heeft EZ samen met de Ministeries van OCW en SZW en met een brede coalitie van werkgevers, werknemers, regio’s, het onderwijs en studenten op 13 mei 2013 het Nationaal Techniekpact 2020 gelanceerd. De 22 concrete acties uit het Pact en de implementatie van de regionale agenda's moeten resulteren in meer technische specialisten en vakmensen met competenties waar de markt om vraagt. Met de uitvoering van het Techniekpact is een voortvarende start gemaakt. Zo is bijvoorbeeld door de sociale partners in de techniek eind 2013 een digitaal loket geopend waar scholen terecht kunnen voor lesmaterialen en activiteiten voor wetenschap- en techniekonderwijs én MBO techniek stages.

Kamer’s van Koophandel/Ondernemerspleinen

In 2013 is intensief gewerkt aan de modernisering van KvK’s en samenvoeging ervan met Syntens tot één zelfstandig bestuursorgaan. Om dit te kunnen verwezenlijken is het traject van de wetswijziging van de Wet op de KvK’s en Fabrieken doorlopen en in 2013 afgerond. Inwerkingtreding van de nieuwe Wet op de KvK is zoals beoogd 1 januari 2014. De nieuwe landelijke KvK krijgt naast de bestaande taken twee nieuwe taken er bij: innovatiestimulering (Syntens) en (door)ontwikkelen en beheren van Ondernemerspleinen. Het digitale ondernemersplein is reeds operationeel en wordt doorontwikkeld. Op ondernemersplein.nl vinden ondernemers al voor hen relevante informatie van publieke partners en kunnen ze daar ook direct zaken doen. In 2013 zijn de Belastingdienst, CBS en RDW aangesloten als partners. Doorontwikkeling en aansluiting van nieuwe partners wordt in 2014 voortgezet. Fysieke ondernemerspleinen zullen in 2014 van start gaan. Daarnaast zijn in het kader van lastenverlichting voor ondernemers de heffingen van de KvK per 1 januari 2013 afgeschaft.

Hiermee is in 2013 de nieuwe Kamer van Koophandel op de kaart gezet en van een solide basis voorzien. Op dit fundament kan in de komende jaren verder worden gebouwd in het belang van ondernemend Nederland.

Biobased Economy

In 2013 is op het beleidsterrein van Biobased Economy verder gewerkt aan het wegnemen van belemmeringen in wet- en regelgeving. Basis is de inventarisatie van ongeveer 80 belemmeringen die ondernemers ondervinden. De Tweede Kamer is op 18 april 2013 geïnformeerd over voortgang van dit programma.

In 2012 heeft het TKI BBE een innovatiebudget afkomstig uit de Topsector Energie van € 42 mln toegekend aan 11 projecten die in 2013 van start zijn gaan. Het budget wordt aangevuld met circa € 110 mln aan eigen bijdragen vanuit de sectoren. Voor 2013 had het TKI BBE een budget van circa € 20 mln. In juni 2013 zijn de tenders geopend voor projecten op het gebied van onderzoek, ontwikkeling en demonstratie. Daarnaast is een gezamenlijke tender geopend met het TKI Gas voor projecten die bioraffinage en groen gas opwekking combineren. In topsector Agri&Food (A&F) zijn in 2012 onder het thema valorisatie groene grondstoffen 13 projecten ingediend. Hiervan zijn in 2013 vier projecten toegekend met een budget van € 1,6 mln.

Via de MKB Innovatiestimulering Topsectoren (MIT)-regeling (zie ook beleidsartikel 12) werd voor Chemie, Energie en Biobased economy € 6 mln ter beschikking gesteld aan het MKB. Voor biobased

haalbaarheidsstudies (budget € 0,5 mln) werden 18 aanvragen ingediend waarvan 11 gehonoreerd.

De meeste aanvragen waren op de thema’s bioraffinage en chemische en biotechnologische conversietechnologie.

Voor projecten op R&D-samenwerking (beschikbaar budget € 1 mln) werden 11 aanvragen ingediend waarvan acht toegewezen, de meeste op het thema biomaterialen.

ICT beleid

Diverse digitale voorzieningen, waarmee het voor bedrijven makkelijker wordt om 24 uur per dag, op een zelfgekozen plek de zaken met de overheid te regelen, zijn doorontwikkeld en geïmplementeerd. Het aantal bezoekers van Antwoord voor bedrijven en het aantal gebruikers van de NieuweWetten app is in 2013 verder gestegen. Ook is het digitaal Ondernemersplein verder doorontwikkeld, waar ondernemers alle informatie over producten en diensten van de overheid op één plek kunnen vinden. Voor Standard Business Reporting (geautomatiseerde gegevensaanlevering), eHerkenning (authenticatie), de berichtenbox bedrijven en het Ondernemingsdossier is grootschalige aansluiting door overheidsorganisaties en verbreding van het gebruik in gang gezet. Ook is «simple invoicing» gelanceerd, waardoor digitaal rekeningen versturen en verwerken eenvoudiger en goedkoper wordt. In 2013 is gestart met het wetgevingstraject om het recht op elektronisch zakendoen voor bedrijven te regelen, zoals aangekondigd in de Digitale Agenda.nl.

Het kabinet is in 2013 negen ICT-doorbraakprojecten gestart om in publiekprivate samenwerking (PPS) het gebruik van ICT-toepassingen door bedrijven te vergroten. Dat doet het kabinet in die sectoren waar grote economische en maatschappelijke baten kunnen worden gerealiseerd. In 2013 is veel aandacht besteed aan het organiseren van het pps-proces en het toewerken naar de oplevering van de eerste routekaarten. Bovendien zijn de eerste resultaten behaald, zoals een samenwerkingsovereenkomst voor het openstellen van de High Performance Computing Infrastructuur van Surf (doorbraakproject MKB), het houden van de eerste estafettebijeenkomsten voor het matchen van vraag en aanbod voor open data (doorbraakproject Open Data) en het selecteren van het eerste opschalingsproject voor het logistiek informatieplatform (doorbraakproject Informatieplatformen in Topsectoren). Het tiende doorbraakproject zal in 2014, op basis van vraagsturing, worden geselecteerd.

Het beleid van ICT en MKB is gericht op het stimuleren van ICT-toepassingen in het MKB ter verhoging van de arbeidsproductiviteit en het concurrentievermogen. In dit kader hebben EZ, MKBNL en ECP.NL samen een handreiking Cloudcomputing in de vorm van een app en website (zie www.cloudbewust.nl) gemaakt.

Met het programma Digitale Vaardigheden Beroepsbevolking heeft het kabinet samen met private partners gewerkt aan de beschikbaarheid van voldoende digitaal vaardige werknemers, in het bijzonder in het MKB, de topsectoren en de Rijksoverheid. Via de in de topsectorenaanpak aangekondigde Human Capital Agenda’s worden tekorten aan digitaal vaardige werknemers in topsectoren aangepakt. Belangrijke resultaten zijn onder andere de online cursus slimmerondernemenin1minuut.nl en de realisatie en overdracht van de Nederlandse vertaling van het e-Competence Framework.

ICT Onderzoeksinfrastructuur: het gebruik van High Performance Computing in de Nederlandse Topsectoren is van vitaal belang om de Nederlandse economie competitiever te maken. Modelvorming, simulatie en grootschalige dataverwerking met behulp van krachtige supercomputers en geavanceerde netwerkdiensten zijn onontbeerlijk voor competitief onderzoek en productontwikkeling in alle Nederlandse Topsectoren. Om de vooraanstaande positie van Nederland op dit gebied te behouden, is aan de Stichting Surf een subsidie toegekend voor de periode 2011 tot en met 2013. In 2013 is heeft de Minister een aanvullende subsidie verleend van € 7 mln voor de periode 2014 tot en met 2015. De subsidie is bestemd voor specifieke investeringen in onderdelen van de e-infrastructuur voor onderzoek.

Op grond van de bovenstaande resultaten kan worden geconcludeerd dat in 2013 verdere stappen zijn gezet op weg naar de implementatie van electronische overheidsdiensrten voor het bedrijfsleven. Daarnaast is met het concept wetsontwerp voor de Wet Electronisch Zaken doen een generieke wettelijke basis opgezet voor de eletronische dienstverlening aan bedrijven en burgers. Met de uitrol van de ICT Doorbraakprojecten uit het regeerakkoord Rutte II is een structurele publiekprivate samenwerking gestart op negen thema's met een economisch en maatschappelijke belang.

Regeldrukbeleid

In de Programmabrief «Goed Geregeld, een verantwoorde vermindering van regeldruk 2012–2017» heeft het kabinet een nieuwe aanpak geschetst waarin naast de kwantitatieve reductie van regeldruk gewerkt wordt aan een merkbare vermindering van regeldruk voor het bedrijfsleven via de maatwerkaanpak regeldichte domeinen

Wat betreft de kwantitatieve doelstelling van € 2,5 mld is eind 2013 een reductie van € 527,4 mln gerealiseerd.

Op het gebied van toezicht is een onderzoek afgerond naar domeinen waar stapeling van rijks- en lokaal toezicht speelt. Op basis van dit onderzoek is in drie domeinen (horeca, recreatie en ziekenhuizen) gestart met pilots voor beter samenwerking en informatie-uitwisseling tussen toezichthouders van gemeenten en rijk.

Wat betreft de bestuurlijke samenwerking zijn ter ondersteuning van gemeenten instrumenten uitgewerkt om regeldruk te meten en dienstverlening te verbeteren, zoals het Bewijs van Goede Dienst en de Lokale Effecttoets. In tien regionale bestuurlijke bijeenkomsten hebben rijk en gemeenten praktische voorbeelden van regeldrukvermindering uitgewisseld. Op aangeven van gemeenten is op een aantal punten aanpassing van rijksregelgeving in gang gezet.

De eerste tranche van de maatwerkaanpak is medio 2013 gestart in zeven sectoren, waaronder vier topsectoren (Chemie, Lifesciences en Health, Agrifood en Logistiek). In 2013 lag het accent in de werkzaamheden op het ontwikkelen van een beleidskader voor de maatwerkaanpak en het (per sector) inventariseren en analyseren van knelpunten door overheid en bedrijfsleven en het opstellen van een groslijst van mogelijke oplossingen op het gebied van (uitvoering van) wet- en regelgeving, inclusief toezicht en (digitale) dienstverlening bij rijk en medeoverheden.

In het kader van de actielijn Hervorming Rijksdienst zijn een aantal trajecten nader geïdentificeerd en eind 2013 is een onderzoek gestart naar de mogelijke regeldrukeffecten van deze trajecten. Concreet gaat het om Basisregistraties, digitalisering Rijk en Inspecties en Toezicht.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000

Realisatie

Oorspronkelijk Vastgestelde begroting

Verschil

 

2010

2011

2012

2013

2013

2013

VERPLICHTINGEN

1.683.410

1.370.342

977.386

725.485

2.591.009

– 1.865.524

Waarvan garantieverplichtingen

1.459.543

1.192.913

709.448

463.183

2.384.011

– 1.920.828

UITGAVEN

260.947

271.467

312.203

436.722

379.101

57.621

             

Garanties

73.284

87.913

144.946

114.100

129.211

– 15.111

BMKB

64.534

73.605

126.302

102.422

65.541

36.881

Groeifinancieringsfacilitieit

514

2.447

2.270

2.360

9.281

– 6.921

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

8.236

11.861

16.374

9.274

44.752

– 35.478

Borgstelling Scheepsnieuwbouw

     

44

9.637

– 9.593

Subsidies

77.261

68.792

71.136

77.685

29.755

47.930

Bevorderen ondernemerschap

10.810

6.636

7.928

7.383

1.139

6.244

Biobased Economy

2.839

5.598

12.521

7.829

5.710

2.119

Microkrediet

5.088

851

750

30.989

 

30.989

Uitfinanciering subsidies

58.524

55.707

49.937

31.484

22.906

8.578

Opdrachten

62.473

67.163

34.353

24.660

25.969

– 1.309

Onderzoek & ontwikkeling

5.743

8.901

3.942

4.706

351

4.355

ICT-beleid

42.625

35.516

28.974

18.118

20.852

– 2.734

Beleidsvoorbereiding en evaluaties

13.481

17.870

283

831

2.436

– 1.605

Regiegroep Regeldruk/ACTAL

624

4.876

1.154

1.005

2.330

– 1.325

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

23.850

24.588

22.195

21.701

18.922

2.779

NBTC

17.279

18.421

15.213

13.536

13.329

207

UNWTO

218

 

252

271

233

38

Bijdragen aan instituten

6.353

6.167

6.730

7.894

5.360

2.534

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

   

18.496

153.144

150.577

2.567

Kamers van Koophandel / Ondernemerspleinen

   

18.496

153.144

150.577

2.567

Bijdragen aan agentschappen

24.079

23.011

21.077

45.430

24.667

20.763

Agentschap NL

12.930

12.279

8.368

28.032

22.467

5.565

Dienst Regelingen

     

550

 

550

DICTU

     

8.149

 

8.149

Logius

11.149

10.732

12.709

8.699

2.200

6.499

             

ONTVANGSTEN

108.406

77.797

41.763

37.435

92.599

– 55.164

BMKB

26.519

32.674

23.645

21.544

25.230

– 3.686

Groeifinancieringsfaciliteit

1.426

1.930

2.154

2.047

8.000

– 5.953

Garantie Ondernemingsfinanciering

8.236

13.226

13.391

10.160

46.000

– 35.840

Borgstelling Scheepsnieuwbouw

44

10.000

– 9.956

Joint Strike Fighter

484

617

879

1.418

1.847

– 429

Diverse ontvangsten

71.741

29.350

1.694

2.223

1.522

701

Toelichting op de verplichtingen

Er is voor € 1,9 mld minder aan verplichtingen aangegaan dan begroot. Dit wordt met name veroorzaakt door de garantieverplichtingen.

Voor de Groeifinancieringsfaciliteit was er in 2013 sprake van € 75 mln lagere benutting dan geraamd (een realisatie van € 9,3 mln garantieverplichtingen bij een budget van € 84,3 mln). Reden ligt met name in het feit dat de financiering van het bedrijfsleven, en met name van het MKB, onder druk blijft staan. Financiers zijn voorzichtiger geworden. Dat zij minder financieren, is ook terug te zien in de mate van benutting van het garantie-instrumentarium.

Voor de BMKB zijn € 656 mln minder aan garantieverplichtingen aangegaan dan geraamd (een realisatie van € 344 mln bij een oorspronkelijk geraamd budget van € 1 mld). Bij de Garantie Ondernemingsfinanciering is voor € 234 mln minder aan garantieverplichtingen aangegaan dan begroot (een realisatie van € 66 mln bij een budget van € 300 mln). Voor de in 2013 voor het eerst in gewijzigde vorm opengestelde Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering is € 956 mln minder aan garantieverplichtingen aangegaan dan geraamd (een realisatie van € 44 mln bij een budget van € 1 mld). De lage benuttingscijfers van het garantie-instrumentarium zijn een gevolg van een beperktere vraag naar financiering als gevolg van de economische crisis en behoedzaamheid aan de zijde van de kredietverstrekkers.

Met betrekking tot de niet-garantieverplichtingen is voor € 53 mln meer verplichtingen aangegaan dan begroot. Oorzaak hiervan is onder andere dat bij Miljoenennota € 30 mln aan de EZ begroting is toegevoegd voor een extra lening aan de stichting Qredits voor kredieten tot € 150.000. Daarnaast is voor € 23 mln extra verplichtingenruimte beschikbaar gesteld voor Agentschap NL en DICTU. Dit betreft met name: de herverdeling van het budget met artikel 12 voor de bijdrage aan Agentschap NL (€ 2,4 mln) en de bijdrage ten behoeve van de omstelkosten voor het financieel systeem Oracle EBS (E-Business Suite) ad € 2 mln; het aandeel van Agentschap NL in de algemene kosten van DICTU (€ 5 mln) en de infrastructuur kosten van Dienst Regelingen (€ 3 mln); ook is in de 1e suppletoire begroting € 11 mln verplichtingenruimte toegevoegd aan het AgentschapNL-budget om het verplichtingenbudget op hetzelfde niveau te brengen als het beschikbare kasbudget.

Toelichting op de uitgaven

Garanties

Voor de garanties is voor € 15 mln minder aan uitgaven verricht. De oorzaken hiervan zijn als volgt:

  • De uitgaven voor de BMKB zijn € 36,8 mln hoger dan aanvankelijk begroot. Als gevolg van de aanhoudende laagconjunctuur en het daarbij optredende hoge aantal faillissementen is de omvang van de schades op de BMKB wederom fors hoger dan begroot.

  • Als gevolg van de lager dan geraamde benutting van de Groeifinancieringsfaciliteit in de afgelopen jaren van economische crisis en door een actief beheer, zijn er in 2013 ook minder schades gedeclareerd dan oorspronkelijk geraamd. De schadebedragen vallen in 2013 € 6,9 mln lager uit dan geraamd.

  • De gerealiseerde schadebetalingen op de Garantie Ondernemingsfinanciering waren € 35,8 mln lager dan oorspronkelijk begroot. De oorzaak hiervan is enerzijds dat de oorspronkelijke raming op een te hoog niveau was vastgesteld, waarvoor in de 1e suppletoire begroting een correctie is toegepast (– € 31,8). Daarnaast is een aantal verwachte verliesdeclaraties in 2013 niet gerealiseerd.

  • De Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering is in gewijzigde vorm sinds maart 2013 van kracht. Op de verstrekte garanties in 2013 hebben geen schadebetalingen plaatsgevonden (– € 9,6 mln). De realisatie van de uitgaven is derhalve nihil. Wel is € 44.000 aan premieontvangsten in de interne begrotingsreserve Scheepsbouw gestort.

Subsidies

Er is € 47,9 mln meer uitgegeven voor subsidies dan oorspronkelijk begroot. Dit wordt in het bijzonder veroorzaakt door de volgende componenten:

  • De uitgaven voor Bevorderen Ondernemerschap waren € 6,2 mln hoger dan oorspronkelijk begroot. Dit is onder andere veroorzaakt door de uitfinanciering van lopende verplichtingen en de financiering van nieuwe initiatieven, zoals het flankerend beleid voor alternatieve financieringsvormen (onderdeel van het stimuleringspakket). Bij de 2e suppletoire begroting 2013 is hiertoe het budget verhoogd.

  • De uitgaven aan de Stichting Qredits zijn in 2013 € 30,9 mln hoger dan begroot. In het stimuleringspakket dat bij de Miljoenennota werd gepresenteerd werd voor 2013 € 30 mln aan de EZ-begroting toegevoegd voor een aanvullende lening aan de Stichting Qredits ten behoeve van kredieten tot een bovengrens van € 150.000. Dit budget is in 2013 in de vorm van een lening aan de stichting Qredits beschikbaar gesteld.

  • Bij de uitfinanciering van subsidies is € 8,6 meer uitgegeven dan begroot. Voor de Valorisatie regeling (€ 8,9 mln) en de Subsidieregeling Innovatieve Scheepsbouw (SIS) regeling (€ 6,3 mln) was meer budget nodig voor de uitfinanciering van lopende verplichtingen uit voorgaande jaren. Het budget ad € 5,3 mln dat naar aanleiding van het aangenomen amendement voor SIS (TK, 33 805 XIII nr. 4) bij de 2e suppletoire begroting 2013 beschikbaar was gekomen, kon niet meer in 2013 worden uitgegeven (zie Slotwet).

  • Daar tegenover staat dat voor diverse regelingen, waaronder het Besluit Subsidies Regionale Investeringsprojecten, Actieplan Veilig ondernemen en Beroepsonderwijs in bedrijf minder budget nodig was voor de uitfinanciering op oude verplichtingen (in totaal – € 6,6 mln).

Bijdragen aan agentschappen

De bijdrage aan agentschappen is € 20,8 mln hoger dan begroot. Dit wordt veroorzaakt door:

  • Een verhoging van het opdrachtenbudget van Agentschap NL (€ 5,6 mln). Dit betreft met name de herverdeling van het budget met artikel 12 voor de bijdrage aan Agentschap NL (€ 2,4 mln) en een bijdrage van € 2 mln voor de kosten van invoering van een nieuw financieel systeem.

  • De bijdrage aan DICTU is verhoogd met € 8 mln, zoals verwerkt in de tweede suppletoire begroting 2013. Het betreft het aandeel van Agentschap NL in de algemene kosten van DICTU (€ 5 mln) en infrastructuur kosten van Dienst Regelingen (€ 3 mln).

  • De kosten van Logius zijn € 6,5 mln hoger dan begroot. Dit betreft met name de hogere uitfinanciering op lopende verplichtingen uit voorgaande jaren.

Toelichting op de ontvangsten

Als gevolg van de lager dan geraamde benutting van de BMKB in 2013 is er voor € 3,7 mln minder aan premie-ontvangsten gerealiseerd dan oorspronkelijk begroot.

De benutting van de Groeifinancieringsfaciliteit was in de afgelopen jaren van economische crisis lager dan begroot. De premie-inkomsten zijn als gevolg van de kleinere beheersportefeuille € 6 mln lager dan begroot.

De ontvangsten van de GO zijn € 35,8 mln lager dan oorspronkelijk begroot. Dit is onder andere te wijten aan het feit dat de ontvangsten in de oorspronkelijke begroting te hoog waren geraamd. De ontvangsten zijn daarom in de 1e suppletoire begroting 2013 met € 31,8 mln naar beneden bijgesteld. Daarnaast zijn minder premie-ontvangsten gerealiseerd als gevolg van de lagere benutting van de GO.

Als gevolg van de lagere benutting van Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfinanciering zijn de premieontvangsten slechts € 44.000 en daarmee ruim € 9,9 mln lager dan begroot.

Kengetal

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Verstrekte garanties BMKB, x € 1 mln

601

556

742

909

486

344

Totaal aantal verstrekte garanties

2.915

2.442

3.701

4.325

2.640

1.983

Bron: Agentschap NL

Voor de BMKB zijn € 656 mln minder aan garantieverplichtingen aangegaan dan geraamd (een realisatie van

€ 344 mln bij een oorspronkelijk geraamd budget van € 1 mld). De lagere benutting van de BMKB is een gevolg van een beperktere vraag naar financiering als gevolg van de economische crisis en behoedzaamheid aan de zijde van de kredietverstrekkers.

Kengetal

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Verstrekte garanties Groeifinancieringsfaciliteit, x € 1 mln

23

10

25

12

13

8

Totaal aantal verstrekte garanties

33

22

32

17

21

16

Bron: Agentschap NL

Voor de Groeifinancieringsfaciliteit was er in 2013 sprake van een realisatie van ruim 8 mln verstrekte garanties. Het lagere gebruik ligt in het feit dat de financiering van het bedrijfsleven, en met name van het MKB, onder druk blijft staan. Financiers zijn voorzichtiger geworden.

Kengetal

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Verstrekte garanties GO, x € 1 mln

58

413

261

103

103

Totaal aantal verstrekte garanties

20

104

62

53

51

Bron: Agentschap NL

De benutting van de Garantie Ondernemingsfinanciering (GO) is in 2013 (verstrekking € 103 mln) gelijk gebleven ten opzichte van de benutting van 2012 (verstrekking € 103 mln).

Indicator

Referentie- waarde

Peildatum

Raming 2012

Realisatie 2013

Bron

Aantal verstrekte microkredieten

610

2009

1.500

1.020

Qredits

Stichting Qredits heeft in 2013 1.020 microkredieten verstrekt. Dat zijn er minder dan verwacht (prognose was 1.500). Het aantal kredietaanvragen is ongeveer met 20% gestegen ten opzichte van 2012 als gevolg van de groeiende naamsbekendheid van Qredits.

De belangrijkste reden dat er toch minder kredieten zijn verstrekt, is dat de kwaliteit van de aanvrager minder was en onvoldoende kredietwaardig. Van de behandelde aanvragen kon in 2013 netto 21% worden gehonoreerd (in tegenstelling tot 24% in 2012). Dit betekent overigens nog steeds dat een significant aantal aanvragen, die bij banken zijn afgewezen, alsnog via Qredits een zakelijk krediet kunnen krijgen. Een nog soepeler goedkeuringsbeleid zal vooralsnog een te negatief effect hebben op de gezonde business-case van Qredits.

De geïntroduceerde coachingsproducten zullen steeds meer bijdragen aan een kwaliteitsverbetering van de aanvragen, waardoor een groter percentage van de ingediende aanvragen ook gehonoreerd kan worden. Qredits is in 2013 gestart met het aanbieden van e-learnings. De bekendheid en het gebruik van deze e-learnings neemt geleidelijk aan toe. Qredits biedt daarnaast coachingsprogramma’s aan die worden ingevuld door de 500 vrijwilligers die bij Qredits actief betrokken zijn. Voorheen werden ondernemers met een krediet gecoacht. Sinds 2013 worden ook ondernemers gecoacht bij het schrijven van een ondernemingsplan en ondernemers zonder krediet.

Het belangrijkste issue van Qredits is de nog steeds te beperkte naamsbekendheid. Er zijn nog onvoldoende ondernemers die gebruik maken van de mogelijkheden. Qredits tracht haar naamsbekendheid te verbeteren door onder andere landelijke campagne, deelname aan landelijke- en regionale evenementen, free publicity, online marketing en een blijvende focus op naamsbekendheid bij doorverwijzers zoals banken en accountants.

Indicator

Referentie- waarde

Peildatum

Raming 2013

Realisatie 2013

Bron

Netto verlaging regeldruk (cumulatief).

0% (nulmeting)

2011

20%

€ 527,4 mln van de 2,5 mld

EZ

In de oorspronkelijke begroting 2013 was de indicator opgenomen van het vorige kabinet. Het kabinet Rutte II heeft in het Regeerakkoord een nieuwe doelstelling op het vlak van reductie van administratieve lasten afgesproken. Daarom is ervoor gekozen in het jaarverslag een nieuwe indicator op te nemen die aan deze nieuwe doelstelling is gekoppeld. Wat betreft de kwantitatieve doelstelling van € 2,5 mld is eind 2013 een reductie van € 527,4 mln gerealiseerd.

Indicator

Referentie- waarde

Peil- datum

Realisatie 2013

Bron

Gerealiseerde invulling compensatieverplichting (vijf-jaars gemiddelde)

€ 541 mln

2011

€ 417 mln

EZ

Met het compensatiebeleid werd verzekerd dat de aanschaf door het Ministerie van Defensie van buitenlands defensiematerieel voor 100% werd gecompenseerd met orders voor de Nederlandse industrie. Hierbij streefde EZ naar een zo hoog mogelijk percentage opdrachten voor het defensie gerelateerde bedrijfsleven, maar invulling met opdrachten voor civiele toepassingen was ook mogelijk.

Medio 2012 is het compensatiebeleid vanwege gewijzigde regelgeving in Europa gewijzigd in industrieel participatiebeleid. De automatische eis van 100% is losgelaten en de invulling beperkt tot het defensie- en veiligheidsdomein, waarmee wordt bijgedragen aan de wezenlijke veiligheidsbelangen van Nederland. Op basis van de ambities, kennis en kunde van de Nederlandse industrie en gerealiseerde projecten in het verleden wordt ernaar gestreefd tenminste 60% van de opdrachtwaarde als industriële participatie in te vullen. Als gevolg van deze wijzigingen moet de streefwaarde naar beneden worden bijgesteld. Voor 2013 is dat al gebeurd. De dalende trend is ook al zichtbaar in de realisatie voor 2013. Er is voor € 238 mln aan verplichtingen ingevuld, waarmee het vijf-jaars voortschrijdende gemiddelde komt op € 417 mln. Naast de gewijzigde omstandigheden zijn ook de hoge realisatiecijfers van de voorgaande jaren in combinatie met de inmiddels gedaalde investeringen door het Ministerie van Defensie van invloed.

Interne begrotingsreserves

Bedragen x € 1.000

Interne Begrotingsreserve BMKB

 

Stand 1/1/2013

€ 30.000

Stand 31/12/2013

€ 30.000

   

Interne Begrotingsreserve Garantie Ondernemingsfinanciering

 

Stand 1/1/2013

€ 63.523

Storting saldo inkomsten en uitgaven 2013

€ 1.098

Stand 31/12/2013

€ 64.621

   

Interne Begrotingsreserve Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering

 

Stand 1/1/2013

€ 25.000

Storting saldo inkomsten en uitgaven 2013

€ 44

Stand 31/12/2013

€ 25.044

14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Algemene doelstelling

Een internationaal concurrerende energievoorziening die betrouwbaar, veilig en duurzaam is.

Binnen de Noordwest-Europese context creëert de overheid (met name EZ) de randvoorwaarden voor een concurrerende energiemarkt om ervoor te zorgen dat energiebedrijven efficiënt produceren, afnemers een efficiënte prijs betalen en vraag en aanbod zo goed mogelijk op elkaar worden afgestemd. Daarnaast zorgt EZ voor een doeltreffend reguleringskader voor het netbeheer om te bereiken dat de netten de markt tegen redelijke tarieven en voorwaarden faciliteren. Participatie van EZ in Europese en Noordwest-Europese fora, waaronder het Pentalaterale energieforum, heeft de verdere ontwikkeling van de Noordwest-Europese elektriciteits- en gasmarkt als doel. De Elektriciteitswet en de Gaswet dienen op nationaal niveau voor het realiseren van een goed functionerende elektriciteits- en gasmarkt. Zie artikelonderdeel 14.1 Optimale ordening en werking van de energiemarkten in de Noordwest-Europese context voor het financiële instrument dat hierop betrekking heeft.

Voorzieningszekerheid gaat om de korte en langere termijn beschikbaarheid van energie. Niet alleen om olie en gas, maar steeds meer ook om duurzame energie. Voorzieningszekerheid vereist internationale samenwerking: regionaal, met de directe buurlanden, binnen de EU en mondiaal. De Gasrotondestrategie levert een bijdrage aan de voorzieningszekerheid van Nederland. De afgelopen jaren is kwantitatief gebleken dat de Nederlandse gasmarkt forse stappen vooruit heeft gezet (zie de Voortgangsrapportage Gasrotonde 2011; bijlage bij TK, 2011–2012, 29 023, nr. 112). Mede hierdoor is niet alleen de voorzieningszekerheid van Nederland verbeterd, ook zijn er veel nieuwe economische activiteiten gegenereerd en wordt de concurrentiekracht van de gassector versterkt, ook in Noordwest-Europees verband. Gebaseerd op deze positieve ontwikkelingen zal de Gasrotondestrategie verder worden voortgezet ondanks het kritische onderzoek van de Algemene Rekenkamer in juni 2012 over nut, noodzaak en risico’s van de Gasrotonde (TK, 2011–2012, 33 292, nr. 2). In de reactie heeft de Minister van EZ aangegeven van mening te zijn dat de Gasrotondestrategie van begin af aan is onderbouwd en dat de Tweede Kamer zowel daarover als over de voortgang frequent is geïnformeerd. Conform de aanbeveling van de Algemene Rekenkamer wordt in de reguliere voortgangsrapportage wel nadrukkelijker inzicht gegeven in de mate waarin de Staat betrokken is bij de realisatie van de Gasrotonde. Zie artikelonderdeel 14.2 Bevorderen van de voorzieningszekerheid voor het financieel instrumentarium dat hierop betrekking heeft.

Nederland is gehouden aan een verplichte Europese doelstelling van 20% CO2-emissiereductie en 14% duurzame energie in 2020. Om deze doelen te bereiken wordt ingezet op meerdere sporen: bevorderen van energie-innovatie, stimuleren van duurzame energieproductie, bevorderen van energiebesparing en bevorderen van CO2-emissiereductiemaatregelen.

Het energie – innovatiebeleid richt zich op het ontwikkelen van technologie, producten en diensten voor energiebesparing en productie van duurzame energie die de kostprijs verlagen en het aanbod vergroten. De topsectorenaanpak staat hierbij centraal, waarbij de doelstelling voor een koolstofarme energievoorziening in 2050 wordt gecombineerd met het vergroten van het economisch profijt door te focusseren op de meest veelbelovende technologieën. De groei van het aandeel duurzame energie moet worden bereikt met de meest kostenefficiënte opties, met name via de SDE+ regeling. In het Energieakkoord is vastgelegd dat wordt gestreefd naar 14% duurzame energie in 2020 en 16% in 2023. Wind op land, wind op zee en biomassa (meestook) gaan hieraan naar verwachting de grootste bijdrage leveren.

Daarnaast wordt energie-efficiëntie in samenwerking met het bedrijfsleven gestimuleerd vanwege de voordelen die een efficiëntere omgang met energie ook voor het bedrijfsleven heeft.

De Meerjarenafspraken Energie-efficiëntie (MJA's) zijn voor de industrie het instrument om op een efficiënte wijze energiebesparing te realiseren. De kern is dat bedrijven rendabele energie-efficiencymaatregelen nemen en het kabinet als tegenprestatie zich inspant om knelpunten op te lossen en ondersteuning te verlenen bij kennisontwikkeling en kennisdeling. De belangrijkste instrumenten om CO2-emissiereductie te behalen zijn ETS en CCS. Op het gebied van kernenergie is de stralingsbescherming zeer belangrijk evenals het beoordelen en begeleiden van de vergunningaanvraag voor een nieuwe Hoge Flux Reactor. Zie artikelonderdeel 14.3 Bevorderen van een duurzame en veilige energievoorziening voor het financieel instrumentarium dat hierop betrekking heeft.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is op grond van de Elektriciteitswet, de Gaswet en de Mijnbouwwet verantwoordelijk voor het energiebeleid. Daarnaast is de Minister van EZ op grond van de Kernenergiewet eerstverantwoordelijk voor nucleaire veiligheid en stralingsbescherming. Hieruit vloeien de volgende verantwoordelijkheden voort:

  • het stimuleren van een goed werkende Europese energiemarkt met een adequate infrastructuur;

  • het creëren van randvoorwaarden waardoor de energievoorziening internationaal kan concurreren en het verdienpotentieel van de energiesector ten volle wordt benut;

  • het creëren van randvoorwaarden voor een doelmatige winning van onze bodemschatten;

  • het coördineren van energie-infrastructuur van nationaal belang middels de Rijkscoördinatieregeling;

  • het stimuleren van een evenwichtige brandstofmix gericht op transitie naar een duurzame en betrouwbare energievoorziening;

  • het stimuleren van energiebesparing en (de)centrale duurzame energieopwekking;

  • het stimuleren van de ontwikkeling en gebruik van innovatieve energietechnologieën ten behoeve van de verduurzaming van de energievoorziening;

  • het stimuleren van energie-efficiëntie in de industrie en energie sectoren;

  • het stimuleren van de verdergaande reductie van CO2-uitstoot van energiebedrijven en industrie;

  • het reguleren van veilige toepassingen van kernenergie.

Beleidsconclusies

De Elektriciteit- en gasregelgeving borgt de publieke belangen van voorzieningszekerheid en betaalbaarheid en heeft bijgedragen aan efficiënt beheer van de energienetten en daarmee aan concurrerende tarieven. Veelvuldige wijzigingen aan de Elektriciteits- en Gaswet hebben geleid tot complexe wetgeving. In 2014 zal het wetsvoorstel Stroom worden ingediend bij de Tweede Kamer. Naast veiligheid en voorzieningzekerheid zal betaalbaarheid een belangrijk element zijn in deze wet. De algehele herziening van de Gaswet en de Elektriciteitswet 1998 is er op gericht de wetgeving beter aan te laten sluiten op vormgeving van de EU regels, de transitie naar duurzame energie te ondersteunen en regeldruk, investeringsrisico’s en uitvoeringslasten te verminderen. In dit kader zal EZ onder meer een algemene maatregel van bestuur vormgeven die het mogelijk maakt experimenten met lokale duurzame initiatieven te doen in afwijking van de reguliere wettelijke kaders.

In het Energieakkoord, dat onder leiding van de voorzitter van de Sociaal Economische Raad (SER) tot stand is gekomen, hebben kabinet, werkgevers, werknemers, milieuorganisaties, energiebedrijven, provincies, gemeenten en vele andere organisaties de basis gelegd voor een breed gedragen, robuust en toekomstbestendig energiebeleid. Partijen zetten zich in om de volgende doelen te realiseren:

  • Een besparing van het finale energieverbruik met gemiddeld 1,5% per jaar;

  • 100 Petajoule aan energiebesparing in het finale energieverbruik van Nederland per 2020;

  • Een toename van het aandeel van hernieuwbare energieopwekking 4,5% naar 14% in 2020;

  • Een verdere stijging van dit aandeel naar 16% in 2023;

  • Ten minste 15.000 voltijdsbanen, voor een belangrijk deel in de eerstkomende jaren te creëren.

Met het Energieakkoord worden belangrijke stappen gezet op weg naar een duurzame energievoorziening en krijgt de economie op korte termijn een stevige impuls. Met het Energieakkoord nemen alle betrokken partijen gezamenlijk de verantwoordelijkheid op zich om te komen tot grote investeringen die leiden tot energiebesparing, meer duurzame energie en extra werkgelegenheid. Tegelijkertijd zal de energierekening voor burgers en bedrijven lager zijn dan voorzien in het regeerakkoord.

Topsector Energie

In 2013 is met circa 400 deelnemende partijen, waaronder bijna de helft uit het MKB, goede voortgang geboekt in het onderzoeks – en innovatieportfolio van de Topsector energie.

Nederland heeft met het afsluiten van het Energieakkoord ook op het gebied van energiebesparing in de industrie een ambitieus en concreet maatregelenpakket afgesproken als onderdeel van een grote besparingsdoelstelling:

  • Een besparing van het finale energieverbruik met gemiddeld 1,5% per jaar;

  • 100 PJ aan besparing in het finale energieverbruik van Nederland per 2020;

  • Het maatregelenpakket voor de bedrijven die deelnemen aan de Meerjarenafspraak Energie-efficiëntieverbetering (MEE) kan leiden tot een aanvullend potentieel van circa negen PJ in 2020.

Het pakket aan maatregelen in de industrie bestaat daarbij uit:

  • Het inrichten van een Energie Prestatie Keuring (EPK) pilot om bij te dragen aan de realisatie en handhaving van alle maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder, conform de wet Milieubeheer.

  • Het inrichten van een publiek/privaat expertisecentrum om het kennisniveau over energie efficiëntie bij het bevoegd gezag en bedrijven te verbeteren.

  • Onderzoeken of de GO faciliteit kan worden ingericht voor investeringen in energie efficiëntie met een terugverdientijd van meer dan acht jaar.

  • Een inspanningsverplichting om samen met de branche vertegenwoordigers van MEE bedrijven en eventueel nader uit te nodigen partijen een raamwerk in te richten voor bedrijfsspecifieke (een – op -een) afspraken. Wat betreft de energie-efficiëntie zijn deze afspraken erop gericht om naast het rendabel potentieel, met een terugverdientijd van kleiner dan of gelijk aan vijf jaar, ook het potentieel met een langere terugverdientijd te realiseren. In de een – op – een gesprekken kan ook aandacht worden besteed aan bestaande warmtekrachtkoppeling (WKK) installaties.

De financiële instrumenteninzet van artikel 14 is gekoppeld aan de volgende artikelonderdelen:

  • 14.1 Optimale ordening en werking van de energiemarkten in de Noordwest-Europese context;

  • 14.2 Bevorderen van de voorzieningszekerheid;

  • 14.3 Bevorderen van een duurzame en veilige energievoorziening.

Achter ieder instrument staat het betreffende artikelonderdeel.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000

Realisatie

Oorspronkelijk Vastgestelde begroting

Verschil

 

2010

2011

2012

2013

2013

 

VERPLICHTINGEN

8.177.479

3.155.526

2.289.462

3.397.213

2.014.164

1.383.049

Waarvan garantieverplichtingen

324.000

 

147.225

47.342

 

47.342

UITGAVEN

1.065.905

1.027.671

1.085.460

1.251.807

1.330.815

– 79.008

             

Subsidies

858.527

834.077

857.264

1.030.692

1.086.731

– 56.039

Stadsverwarming (14.1)

8.812

4.487

       

Topsectoren Energie (14.3)

47.553

34.867

29.792

30.282

23.848

6.434

Energie-innovatie (IA) (14.3)

20.868

22.317

56.868

36.766

31.658

5.108

Green Deal (14.3)

   

225

1.889

25.000

– 23.111

MEP (14.3)

668.063

658.895

619.608

505.321

555.000

– 49.679

SDE (14.3)

29.529

57.472

100.954

141.935

244.858

– 102.923

SDE+ (14.3)

     

27.198

100.000

– 72.802

Interne begrotingsreserve duurzame energie

     

225.007

 

225.007

CCS (14.3)

21.047

12.352

5.531

5.015

49.400

– 44.385

Hoge Flux Reactor (14.3)

8.223

8.223

7.250

7.250

7.250

 

Aanschafsubsidie zonnepanelen (14.3)

   

21.339

29.632

30.000

– 368

Elektrisch rijden (14.3)

 

3.993

2.154

2.535

4.123

– 1.588

Caribisch Nederland

   

1.304

3.161

 

3.161

Overige subsidies (14.3)

54.432

31.471

12.239

14.701

15.594

– 893

Garanties

5.268

6.094

 

526

 

526

Geothermie

5.268

6.094

 

526

 

526

Opdrachten

18.821

23.545

24.654

33.861

57.980

– 24.119

O&O bodembeheer (14.2)

2.354

3.997

2.897

2.497

296

2.201

Joint implementation (14.3)

12.399

13.079

14.787

12.148

33.651

– 21.503

Straling (14.3)

 

3.196

5.006

9.726

9.517

209

Pallas (14.3)

   

154

1.001

10.100

– 9.099

Onderzoek en opdrachten (14.3)

4.068

3.273

1.810

8.489

4.416

4.073

Bijdragen aan agentschappen

38.246

37.057

43.095

45.589

37.018

8.571

Agentschap NL

38.246

36.668

42.342

38.680

36.326

2.354

NVWA

 

389

753

698

692

6

Kern Fysische Dienst

     

6.211

 

6.211

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

88.646

89.292

86.418

103.039

113.100

– 10.061

Doorsluis COVA heffing (14.2)

88.646

89.292

86.418

100.947

111.000

– 10.053

TNO bodembeheer (14.2)

     

2.092

2.100

– 8

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

56.397

37.606

74.029

38.100

35.986

2.114

ECN/NRG (14.3)

55.956

37.232

73.557

37.757

34.981

2.776

Diverse instituten (14.2)

441

374

472

343

1.005

– 662

             

ONTVANGSTEN

7.866.462

11.299.393

11.960.294

13.547.739

12.212.911

1.334.828

COVA

88.646

89.292

86.436

100.947

111.000

– 10.053

SDE+

     

97.363

100.000

– 2.637

Aardgasbaten

7.657.541

11.165.588

11.839.743

13.342.665

12.000.000

1.342.665

Ontvangsten zoutwinning

2.443

2.379

2.350

2.373

1.761

612

Diverse ontvangsten

117.832

42.135

31.765

4.391

150

4.241

Toelichting op de verplichtingen

De hogere verplichtingenrealisatie houdt met name verband met:

  • De openstelling van de SDE+ regeling in april 2013. De hoogte van het budgetplafond van de SDE+ voor 2013 is pas na vaststelling van de oorspronkelijke begroting bepaald, binnen de kaders zoals vastgelegd in het Regeerakkoord.

  • De derde openstelling van de garantieregeling Geothermie (€ 43,4 mln).

  • Aangegane garantieverplichtingen voor Emission Trading Scheme (ETS)-compensatie (€ 4,0 mln).

Toelichting op de uitgaven

Artikelonderdeel 14.1 Optimale ordening en werking van de energiemarkten in de Noordwest – Europese context

Algemeen

In 2013 is de parlementaire behandeling van de herziening van de Warmtewet afgerond. De wet is op 1 januari 2014 in werking getreden.

Een politieke verklaring heeft in juni 2013 een nieuwe impuls gegeven aan het werk binnen het Pentalaterale Forum. Penta-landen werken op basis van dit mandaat van Ministers aan een gezamenlijke

Leveringszekerheidsanalyse voor de pentalaterale regio. Daarnaast is een dialoog gestart over de grensoverschrijdende effecten van geplande nationale capaciteitsmechanismen en de mogelijkheden tot grensoverschrijdende deelname daaraan. Daarnaast wordt in pentalateraal verband gewerkt aan verbetering van de samenwerking tussen TSO (landelijke netbeheerders) in de regio.

Rijkscoördinatieregeling (RCR)

In 2013 is het volgende vanuit de verantwoordelijkheid voor energie- infrastructuur gerealiseerd:

In 2013 is de 380kV hoogspanningsverbinding Randstad 380kV Zuidring in gebruik genomen. Voorts is de ruimtelijke besluitvorming van de 380kV hoogspanningsverbinding Randstad 380kV Noordring alsmede het transformatorstation Vijfhuizen succesvol afgerond. In 2014 wordt gestart met de bouw. Ook de ruimtelijke besluitvorming van de gasleiding Beverwijk – Wijngaarden is in 2013 succesvol afgerond, deze wordt momenteel aangelegd.

Schaliegas

In augustus 2013 is het rapport van Witteveen+Bos over de mogelijkheden en de effecten van schaliegas gepubliceerd. Om te komen tot een zorgvuldige afweging over mogelijke locaties in Nederland voor schaliegaswinning heeft de Minister een traject van een planMER en een daaraan gekoppelde structuurvisie ingezet.

Slimme energiemeters

In 2013 is de Tweede Kamer tussentijds geïnformeerd over de voortgang van de kleinschalige uitrol van de slimme meter. Het besluit over de grootschalige uitrol van slimme meters is uitgesteld tot 2014. In het eerste kwartaal van 2014 zal de eindrapportage over de kleinschalige uitrol aan de Tweede Kamer worden aangeboden. De verwachting is dat de grootschalige uitrol start per 1 januari 2015. Dit heeft geen consequenties voor de verplichtingen die voortvloeien uit de derde elektriciteitsrichtlijn (2009/72).

In 2013 is uitvoering gegeven aan de wetgevingsagenda STROOM. Per 1 januari 2014 zijn twee wetten in werking getreden:

  • Een wet waarmee uitvoering is gegeven aan toezeggingen in het Energierapport 2011 plus een aantal andere wijzigingen.

  • Een wet correctie nettarieven van de energie-intensieve industrie.

De andere onderdelen van de wetgevingsagenda betreffen:

  • De herziening van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet. Mede naar aanleiding van de totstandkoming van het Energieakkoord is de herziening van deze wetten doorgeschoven naar 2014 zodat afspraken uit het Energieakkoord bij de herziening kunnen worden meegenomen.

  • De experimenteer – AMvB is onderdeel van het Energieakkoord en de visie lokale duurzame energie die in 2013 aan de Tweede Kamer is aangeboden. In het eerste kwartaal van 2014 wordt het conceptbesluit voorgelegd aan de Tweede Kamer.

Subsidies

In 2013 is een aantal subsidies voorbereid om de op 1 januari 2014 verzelfstandigde energie – bedrijven op Saba en Sint Eustatius qua financiële ondersteuning en energiemix een goede start te geven. Deze subsidies krijgen in de periode 2014–2016 hun beslag. Er is in intensief overleg met de betrokken eilanden gewerkt aan het regulerend kader voor de elektriciteitsvoorziening. Een wetsvoorstel dat ook de drinkwatervoorziening betreft is geconsulteerd. Door de uitgebreide afweging van verschillende belangen en de tijd die een goede samenwerking tussen de vele betrokkenen vergt is de implementatie van de wet thans voorzien op 1 januari 2015. Op Bonaire is overigens de elektriciteitsvoorziening al vergaand genormaliseerd doordat reeds in de geest van het regulerend kader gehandeld wordt.

Kengetal HHI en C3

De C3 is het gezamenlijk marktaandeel van de drie grootste leveranciers. De mate van concentratie op de kleinverbruikersmarkt voor elektriciteit en gas vormt een indicatie voor de concurrentie op die markten. Een indicator hiervoor is de Herfindahl – Hirschman Index (HHI). Een markt met een HHI onder de 1.800 punten wordt gezien als een competitieve markt en een markt met een index tussen de 1.800 en 8.000 punten wordt gezien als een geconcentreerde markt.

Kengetal

2009

2010

2011

2012

Realisatie 20131

Ambitie 2013

1. Concentratiegraad in de retailsector elektriciteit

 

– HHI

2.285

2.263

2.465

2.338

2.276

Stabiliseren tussen 1.800–2.500

– C3

81%

81%

85%

83%

82%

Daling/lager

2. Concentratiegraad in de retailsector gas

 

– HHI

2 187

2 158

2.344

2.258

2.204

Stabiliseren tussen 1.800–2.500

– C3

79%

79%

83%

81%

80%

Daling/lager

Bron: ACM

X Noot
1

dit betreft de waarden over het eerste halfjaar 2013. Definitieve uitkomsten zullen in april 2014 worden gepubliceerd

Artikelonderdeel 14.2 Bevorderen van de voorzieningszekerheid

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Doorsluis COVA heffing

Met ingang van de Wet Voorraadvorming Aardolieproducten 2012 per 1 april 2013 is de voorraadheffing verhoogd van € 5,90 naar € 8,00 per 1.000 liter voor de volgende categorieën: lichte olie (benzines), halfzware olie en gasolie/diesel. De voorraadheffing van vloeibaar gemaakt petroleumgas (LPG) is verhoogd van € 5,90 naar € 8,00 per 1.000 liter.

De nieuwe wet was nodig om de Europese Richtlijn 2009/119/EG te implementeren in de Nederlandse wetgeving. De verhoging van de voorraadheffing die daarbij is doorgevoerd was nodig om meerdere redenen:

  • a. Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA) had al een paar jaar een negatief exploitatieresultaat, en het egalisatiefonds was inmiddels op het beoogde niveau gekomen. Een deel van de verhoging was dus nodig om weer zicht te krijgen op een sluitende exploitatierekening bij COVA.

  • b. Daarnaast resulteerde de implementatie van de nieuwe Richtlijn in een relatieve kostenstijging bij COVA. Omdat COVA meer voorraad gereed producten moest gaan aanhouden, namelijk benzine en kerosine, en het aanhouden van gereed product in het algemeen duurder is dan het aanhouden van ruwe aardolie, zijn de kosten van COVA gestegen.

Bijdragen aan (Inter)nationale organisaties

Diverse instituten

In 2013 is met succes gewerkt aan de energiesamenwerking met Duitsland. Begin 2013 hebben Duitsland en Nederland op ministersniveau concrete afspraken gemaakt over verdergaande energiesamenwerking. Die afspraken zijn bevestigd bij de regeringstop in Kleef op 23 mei 2013. Diverse gesprekken hebben plaatsgevonden over de integratie van de energiemarkten, het voorkomen van subsidieconcurrentie voor duurzame energie, integratie van duurzame energie in de markt, effectieve inpassing van de infrastructuur, borging van de leveringszekerheid in de regio, en over samenwerking op het gebied van energie-innovatie (met name wind op zee, smart grids en «power to gas»). In 2014 zal de samenwerking met Duitsland worden voortgezet.

Op 13 juni 2013 is het Implementing Agreement Gas&Oil Technologies (IA GOT) op initiatief van Noorwegen en Nederland van start gegaan. De IA GOT heeft tot doel om kennis over innovatieve Gas en Olie technologieën te delen en om deze in internationaal verband verder te ontwikkelen. Er zijn vijf taakgebieden gedefinieerd: Subsurface, Drilling & Wells, Production, Safe and Clean en Gas Value Chain. Deze taakgebieden sluiten goed aan op de hoofdlijn Upstream en Small Scale LNG van het TKI GAS, onderdeel van de Topsector Energie. General Electric Oil&Gas voert het secretariaat van IA GOT. In september 2013 is in New York een workshop gehouden om de IA GOT onder de aandacht te brengen bij relevante Olie en Gas landen. Zwitserland en Spanje zijn direct lid geworden. Australië, VS, Canada, Italië en VK zijn lidmaatschap aan het overwegen. Vanuit Nederland zal TNO deelnemen. Op dit moment werkt TNO aan de voorbereiding van een internationale workshop over small scale LNG. De workshop zal in april 2014 worden gehouden in Nederland.

Binnen het Pentalaterale Energy platform is in 2013 gewerkt aan de vervolgstap voor marktkoppeling. Het is de verwachting dat het zogenaamde «flow based marktkoppelingssysteem» beter rekening zal houden met de onderlinge afhankelijkheden tussen landen en met dit systeem zal meer capaciteit aan de markt beschikbaar kunnen worden gesteld. De invoering van dit systeem heeft vertraging ondervonden vanwege problemen met de aanlevering van IT systemen waardoor een voldoende lange testperiode voor marktpartijen in de knel kan komen. Invoering is nu voorzien rond de zomer van 2014.

Kengetal

2009

2010

2011

2012

Realisatie 2013

Elektriciteitsstoring in minuten per jaar

26,5 min

34 min

23 min

27 min

23 min

Bron: Netbeheer Nederland

Het aantal storingsminuten per huishouden per jaar geeft een indicatie van de leveringszekerheid van elektriciteit.

Artikelonderdeel 14.3 Bevorderen van een duurzame en veilige energievoorziening

Subsidies

Topsectoren Energie

In 2013 was het TKI Gas samen met het Ministerie van EZ succesvol in het laten opnemen van onderzoek en innovatie op gebied van gas in het werkprogramma energie van Horizon 2020.

Het TKI GAS kent duidelijke ambities, de productie van 3 miljard m3 groen gas in 2030, ca. 2 Mton CO2-emissiereductie, het genereren van een omzet van ruim € 50 mld per jaar en behoud van werkgelegenheid in de gassector (meer dan 70.000 fte). In 2012 en 2013 zijn 135 innovatieve projecten ondersteund met in totaal een bedrag van € 28 mln.

Behalve op gebied van gas is in 2013 ook voortgang geboekt in het innovatieportfolio van de andere thema’s uit de Topsector Energie. Van de bijna 400 partijen die begin 2013 aan de Topsector Energie deelnamen is ongeveer de helft MKB – bedrijf.

Energie – Innovatie (Innovatie Agenda Energie)

In de periode 2008–2011 is een groot aantal specifieke innovatieprogramma's die deel uitmaken van de Innovatie Agenda Energie (IA) uitgewerkt en opgestart. Dit betrof een eenmalige impuls vanuit het Fonds Economische Structuurversterking (FES). Deze is in 2012 vervangen door de Topsector Energie. De vermelde budgetten betreffen de uitfinanciering van lopende projecten.

Hogere uitgaven op het onderdeel Energie-innovatie (IA) zijn het gevolg van vertraagde energie innovatieprojecten uit het verleden die in het kader van de Innovatie Agenda Energie (IA) in 2013 tot uitbetaling zijn gekomen.

Kengetal

2009

2010

2011

2012

Realisatie 2013

Ambitie

2013

Private R&D-investeringen1 (uitgedrukt in % van omzet)

Bron: CBS

n.v.t.

2.4%

n.v.t.

n.n.b

n.v.t

n.v.t.

Aantal deelnemende bedrijven bij TKI2

Bron: AgNL

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

3013

486

10% groei t.o.v. 2012

Kwaliteit van het Nederlandse energieonderzoek gemeten als retourpercentage van het zevende EU kaderprogramma thema energie4

Bron: AgNL

7,5%

6,8%

7,4%

7,0%

6,6%5

7,5%

X Noot
1

Onderzoek naar private R&D investeringen vindt elke twee jaar plaats. Voor 2009, 2011 en 2013 zijn daardoor geen cijfers beschikbaar. Daarom is er ook geen ambitie opgenomen voor 2013. De cijfers over 2012 komen in de zomer van 2014 beschikbaar.

X Noot
2

In september 2012 zijn de TKI’s van de Topsector Energie opgericht. Elk jaar op 1 maart levert AgNL (vanaf 2014 Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) de cijfers over het afgelopen jaar.

X Noot
3

De oorspronkelijke waarde van 333 is bijgesteld naar 301. Oorzaken hiervoor waren: het terugtrekken van bedrijven uit samenwerkingsprojecten en goedgekeurde projecten die uiteindelijk niet zijn doorgegaan of waarvan de aanvraag is ingetrokken.

X Noot
4

De cijfers betreffen cumulatieve cijfers vanaf de start van het zevende kaderprogramma in 2007. De realisatie 2013 heeft betrekking op de periode 2008 tot en met oktober 2013. Het retourpercentage in KP7 energie voor Nederland is 6,6%. Dit is nog steeds ruim boven de Nederlandse bijdrage aan het kaderprogramma thema energie van circa 5%.

X Noot
5

Dit betreft de stand per 25-10-2013. Hierna zijn nog KP7 energieprojecten gecommitteerd met Nederlandse inbreng. De gestelde ambitie is, bij nader inzien, niet realistisch gebleken, gezien de prestaties van de afgelopen jaren en ook de toenemende concurrentie om de EU-middelen door toetreding van nieuwe lidstaten (die ook steeds beter worden wat betreft kwaliteit van energie – onderzoek). Een realistisch streefcijfer lijkt op dit moment 7,0%.

Green Deal

2013 heeft vooral in het teken gestaan van de uitvoering van de bestaande deals. De gemaakte afspraken in de deals tussen de externe partijen en het Rijk beginnen vorm te krijgen en de (eerste) resultaten worden zichtbaar. Mede vanwege het wegnemen van knelpunten door green deals zijn nu energie besparingsprojecten uitgevoerd of in aanleg waarmee forse besparingen bereikt kunnen worden tot mogelijk 2 PJ. Dit wordt onder meer bereikt door investeringen in twee procesindustrieprojecten, projecten in het MKB en een aantal restwarmteprojecten. In het kader van het Energieakkoord zijn er inmiddels twee nieuwe green deals afgesloten. Eén met de groenbanken en groenfondsen met als doel de financiering van duurzame energieprojecten te bevorderen. De tweede is de Green Deal Smart Energy Cities. Deze deal moet een extra impuls geven aan energiebesparing en de verduurzaming van de (lokale) energievoorziening. Het doel is om van 2014 tot 2020 slimme energieconcepten toe te passen in 100.000 gebouwen.

Er zijn minder uitgaven gerealiseerd dan begroot vanwege overheveling van begrotingsmiddelen naar het Gemeente- en Provinciefonds en vanwege lagere dan begrote kasuitgaven voor (in het verleden) aangegane verplichtingen.

Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie (MEP) / Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE)

Kasuitgaven Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie (MEP) zijn in 2013 bijna € 50 mln lager uitgevallen dan het begrote bedrag (€ 555 mln). De lagere uitgaven zijn het gevolg van lagere subsidiabele producties dan waarmee in de begroting is gerekend. Dit bedrag kan in de jaren na 2012 alsnog tot uitbetaling komen.

Op het Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE) instrument lagen de uitgaven over 2013 in totaal bijna € 103 mln lager dan begroot. Dit is vooral veroorzaakt door het niet tot betaling komen van subsidieprojecten omdat deze vertraging in de oplevering hebben opgelopen. De subsidie zal aan het einde van de subsidieperiode van deze projecten alsnog tot uitbetaling komen.

Duurzame energieproductie/SDE+

In april is de SDE+ regeling 2013 in zes fasen opengesteld met een verplichtingenbudget van € 3,0 mld. Om de kosteneffectiviteit van de regeling te vergroten is een extra fase toegevoegd van € 0,08/kWh. Ook is winddifferentiatie ingevoerd, waardoor bij windenergieprojecten meer vollasturen gesubsidieerd kunnen worden bij aanvragen voor een laag basisbedrag in de vrije categorie.

In 2013 is een interne begrotingsreserve ingesteld voor duurzame energie. De reserve is bestemd voor onbesteed gebleven middelen als gevolg van vertraging bij projecten waaraan reeds subsidie is toegekend en reeds verplichte projecten die niet tot uitvoering komen en door andere projecten moeten worden vervangen met het oog op het bereiken van de doelstelling. Via de reserve blijven de middelen beschikbaar tot het moment dat ze alsnog zullen worden uitbetaald. In 2013 is € 225 mln in de reserve gestort, waarvan € 59 mln afkomstig is uit de opslag duurzame energie.

Interne begrotingsreserve duurzame energie (14.3)

Bedragen x € 1.000

Interne begrotingsreserve duurzame energie

Stand 1/1/2013

0

+ storting 2013

+ 225.007

– onttrekking 2013

– 0

Stand 31/12/2013

225.007

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Realisatie 2012

Bron

Duurzame energieproductie

4,2%

2011

4,5%

CBS

Het beleid van het kabinet is om het aandeel hernieuwbare energie te doen toenemen tot 14% in 2020 en 16% in 2023. In 2005 bedroeg dit aandeel 2,4% en dit liep mede door het beleid van het Ministerie van EZ op tot 4,5% in 2012. De productie uit windenergie is in 2012 met 5% toegenomen, het aantal zonnepanelen op daken is fors toegenomen en de productie van hernieuwbare warmte is gestegen, alsmede de productie door afvalverbrandingsinstallaties. De beperkte toename van het aandeel hernieuwbare energie is echter het gevolg van een hoger totaal verbruik door het koude winterweer. Daarbij moet worden aangemerkt dat er op dit moment veel nieuwe duurzame projecten aankomen (sommige zijn iets vertraagd) die zullen leiden tot productie van hernieuwbare energie.

CCS

Er is door E.ON en GDF-SUEZ nog geen definitief investeringsbesluit voor het Rotterdamse CCS- project ROAD genomen. Belangrijkste oorzaak is dat door de veel lagere CO2-prijs dan verwacht er een fors budget tekort is. In overleg met alle partijen wordt geprobeerd hier een oplossing voor te vinden en de verwachting is dat er in de eerste helft van 2014 duidelijkheid is over de toekomst van ROAD.

Er zijn minder dan begrote uitgaven gerealiseerd. Voor een toelichting wordt verwezen naar het daarover gestelde in de Voorjaars- en Najaarsnota 2013.

Aanschafsubsidie Zonnepanelen

Naar aanleiding van het Begrotingsakkoord voor 2013 is in het voorjaar van 2012 budget toegevoegd aan de EZ begroting voor een tijdelijke subsidieregeling voor de aanschaf van zonnepanelen door kleinverbruikers. Dit is een subsidie van 15% van de aanschafprijs tot een maximum van € 650. Voor dit instrument was in 2013 een budget beschikbaar gesteld van € 30 mln, inclusief uitvoeringskosten. Het budget is uitgeput en de subsidieregeling is gesloten. Samen wekken alle met deze regeling aangeschafte zonnepanelen zo’n 315 gigawattuur duurzame energie per jaar op.

Elektrisch rijden

2013 heeft een grote groei laten zien in het aantal elektrische voertuigen: van iets meer van 7.400 naar 30.200. Ruim driekwart daarvan zijn zogenoemde stekker hybrides, die kunnen laden aan een laadpunt en bovendien een conventionele brandstofmotor aan boord hebben. Ook de aantallen laadpunten zijn gegroeid van ruim 3.600 naar ruim 5.700 (semi)publiek toegankelijke laadpunten en van ruim 60 naar ruim 100 snel laadpunten. Het aantal private laadpunten wordt geschat op ongeveer 10.000. De ontwikkeling van publiek toegankelijke laadpunten blijft achter bij de groei in voertuigen. Daarom was in het Regeerakkoord en het Energieakkoord opgenomen dat er een afspraak komt tussen partijen om de uitrol van laadinfrastructuur in de publieke ruimte te bevorderen. Eind 2013 naderde deze afspraak het afrondende stadium. Elektrisch vervoer heeft een duidelijke plek in het Energieakkoord.

Het Nederlandse verdienpotentieel is in absolute termen nog (erg) klein, maar vertoont duidelijke groei. Zowel de aantallen fte, als de omzet en export zijn toegenomen. De betreffende ondernemers hebben positieve groeiverwachtingen. Een icoonbedrijf als Tesla heeft besloten het Europese hoofdkantoor (van Londen naar Amsterdam) en het Europese assemblage- en distributiecentrum (Tilburg) in Nederland te vestigen.

Garanties

Geothermie

De derde openstelling van de regeling heeft in 2013 plaatsgevonden. Alle aanvragen in de hernieuwde garantieregeling (openstelling 2013) zijn afgehandeld en beschikt. De openstelling was overtekend. In totaal zijn zeven garanties afgegeven ter hoogte van in totaal € 43,3 mln waarmee het budget van deze openstelling nagenoeg is uitgeput. Het totaal aan afgegeven garanties komt daarmee op ruim € 75 mln.

Interne begrotingsreserve Geothermie (14.3)

Bedragen x € 1.000

Interne begrotingsreserve Geothermie

 

Stand 1/1/2013

11.357

+ storting 2013

+ 0

– onttrekkingen 2013

– 526

Stand 31/12/2013

10.831

Opdrachten

Joint Implementation

De Kyoto periode loopt tot en met 2012. Tot en met eind 2013 konden emissierechten die in 2012 gegenereerd zijn door de JI projecten nog overgemaakt worden naar de Nederlandse Kyoto rekening.

In 2013 zijn nog 415.092 rechten uit JI projecten geleverd (ERUPT+Banken) en nog 159.315 uit PCF.

De per saldo lagere uitgaven hangen met name samen met vrijval van middelen op het onderdeel Joint Implementation.

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 20131

Realisatie 2013

Bron

1. CO2-uitstoot sectoren industrie/energie

94 Mton

1990

0

nvt

AgNL

– waarvan: absoluut plafond sector industrie/energie voor bedrijven die vallen onder het emissiehandelssysteem

     

nvt

AgNL

2. Vermeden CO2-uitstoot voor 2012 via Joint Implementation (JI) en gegroende Assigned Amount Units (AAU’s)

nvt

 

0

0,57 Mton

AgNL

X Noot
1

Geen raming voor 2013; de Kyotoperiode loopt tot en met 2012 en rechten kunnen t/m 2013 worden overgemaakt (officieel tot en met 2015)

Straling

Op verzoek heeft het Internationale Atoom Energie Agentschap (IAEA) de conceptveiligheidsregels voor nieuwe nucleaire reactoren beoordeeld. Het IAEA – team concludeert dat de nieuwe regels de meest recente internationale veiligheidsregels omvatten inclusief de eerste lessen uit de Fukushimaramp. Met de nieuwe regels worden volgens het IAEA in Nederland hoge veiligheidsstandaards geïmplementeerd.

Stresstest

Naar aanleiding van het ongeval in Fukushima Daiichi is in Europees kader besloten de bestaande nucleaire kerncentrales te onderwerpen aan een zogenaamde stresstestanalyse. De stresstest is een aanvulling op de bestaande nationale veiligheidsstudies en het reguliere toezicht op de nucleaire veiligheid door de Kernfysische Dienst.

In Nederland zijn de Europese afspraken over de stresstest op twee punten aangevuld. Ten eerste worden niet alleen de kerncentrales, maar alle nucleaire installaties (reactoren en laboratoria in Petten en Delft, de verrijkingsinstallatie van Urenco en de afvalopslag bij COVRA) aan een stresstest onderworpen. Ten tweede wordt in Nederland ook specifiek gekeken naar gebeurtenissen met een menselijke oorzaak (bijvoorbeeld explosies en brand).

De stresstestanalyses zijn in 2013 alle afgerond. Voor alle installaties in Nederland geldt dat ze veilig zijn, maar er zijn ook verbetermaatregelen geïdentificeerd om de robuustheid verder te vergroten. De uitvoering van deze verbetermaatregelen gebeurt onder toezicht door de Kernfysische Dienst conform een door de overheid goedgekeurd plan van aanpak, de geldende normen en de laatste stand der techniek.

Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS)

De Tweede Kamer heeft het belang van de vorming van de ANVS onderstreept in een breed aangenomen motie – Jan Vos/Leegte van 6 maart 2013. Op 24 januari 2014 is het besluit genomen over de contouren van de ANVS. Het wordt een ZBO onder de verantwoordelijkheid van de Minister van I&M. De Minister van EZ zal de daarvoor benodigde wetgeving voorbereiden.

Integrated Regulatory Review System (IRRS)

Het IAEA is uitgenodigd om in 2014 een IRRS missie te doen in Nederland naar de wijze waarop en beleid, regelgeving, toezicht en organisatie zijn opgezet en de mate waarin zij functioneren in vergelijking met de richtlijnen die het IAEA hanteert. Het IAEA heeft aangegeven tijdens de missie te willen adviseren over de manier waarop Nederland het advies van het IAEA over de inrichting van de bevoegde autoriteit vormgeeft.

Vergunning Ontwerpbedrijfsduur verlenging Kerncentrale Borssele

Aan NV EPZ is op 18 maart 2013 vergunning verleend voor verlenging van de ontwerpbedrijfsduur van de kerncentrale Borssele tot 31 december 2033. Met het verlenen van de vergunning is de veiligheidstechnische onderbouwing gegeven van een ontwerpbedrijfsduur voor kerncentrale van 60 jaar.

Kernfysische Dienst (KFD) -beleidsgeld

De laatste fase in de uitvoering van het Koninklijk Besluit van 14 oktober 2010, waarmee de verantwoordelijkheid voor de aansturing van de Kernfysische dienst inclusief crisismanagement (CM) bij de Minister van EZ werd belegd zal in 2014 worden afgerond. Het Ministerie van I&M heeft het grootste deel van de beleidsgelden voor de KFD en CM in 2013 bij Voor- en Najaarsnota 2013 overgeheveld naar de EZ- begroting.

Besluit stralingsbescherming

Op 20 november 2013 is de Ministeriële Regeling stralingsbescherming EZ gepubliceerd waardoor de wijziging van het Besluit stralingsbescherming op 1 januari 2014 in werking kan treden. Belangrijke verandering is de nieuwe wettelijke registratieplicht voor stralingsbeschermingdeskundigen. Tegelijk met de versoepeling van de vergunningplicht is een aantal van de vergunningvoorschriften als algemene regel opgenomen in de Ministeriele Regeling. Daarnaast moet de risicoanalyse voortaan worden uitgevoerd door een geregistreerd stralingsdeskundige.

Tot slot is een aantal veranderingen in de regelgeving doorgevoerd, waardoor het voor de overheid eenvoudiger wordt om wijzigingen door te voeren. Dit pakket aan maatregelen zorgt voor een vermindering van de administratieve lasten met € 1,7 mln.

Bijdragebesluit

In 2013 is gewerkt aan de actualisering van het Bijdragebesluit bij de Kernenergiewet. Het Bijdragebesluit regelt de bijdrage van de sector aan de kosten van de overheid voor vergunningverlening, toezicht en handhaving. Met de bijstelling van de bijdragen is een stap gezet richting een hogere kostendekkendheid. Het nieuwe Besluit vergoedingen Kernenergiewet is per 1 januari 2014 in werking getreden.

Pallas

Voor de realisatie van de nieuwe onderzoeksreactor is eind 2013 in opdracht van de Minister van EZ en de Commissaris van de Koning voor de provincie Noord-Holland een onafhankelijke «Stichting Voorbereiding Pallas – reactor» opgericht. De stichting zal zich gaan bezighouden met het vastleggen van een reactorontwerp en het verkrijgen van de nodige vergunningen en een Europese aanbesteding. Dit neemt naar verwachting circa vier jaar in beslag. Voor deze fase hebben de provincie Noord-Holland en het rijk elk € 40 mln ter beschikking gesteld. De daaropvolgende fase, de bouw en exploitatie van de Pallas – reactor, moet daarna volledig privaat met risicodragend kapitaal worden gefinancierd, waarbij de gemaakte kosten voor ontwerp, aanbesteding en vergunningprocedure door de private investeerders moeten worden terugbetaald.

Bijdragen aan agentschappen

De hogere uitgaven betreffen met name de bijdrage aan de Kernfysische Dienst (KFD) voor de uitvoering van nucleaire activiteiten en crisismanagement waarvoor bij Voor- en Najaarsnota 2013 budget is overgeheveld door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) naar het Ministerie van EZ.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

De lagere uitgaven betreffen met name het onderdeel doorsluis COVA-heffing als gevolg van een latere dan verwachte verhoging van de voorraadheffing op basis van de Wet voorraadvorming aardolieproducten 2012.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Energie Onderzoekcentrum Nederland (ECN) / Nucleair Research Group (NRG)

ECN heeft in 2013 deelgenomen aan vijf van de zeven thema’s van de Topsector Energie en voert daarin middels PPS- constructies samen met het bedrijfsleven onderzoeks- en demonstratieprojecten uit.

Toelichting op de ontvangsten

COVA

De lagere ontvangsten zijn het gevolg van een latere dan verwachte verhoging van de voorraadheffing op basis van de Wet voorraadvorming aardolieproducten 2012.

Aardgasbaten

De meevaller in de aardgasbaten is veroorzaakt door een hogere verkoopprijs van het gas en een hoger productievolume dan was begroot.

Verwachting 2012–2013

2012

2013

Productie aardgas totaal (mld m3)

Bron: TNO

77

72

Euro/dollarkoers

Bron: CBS/CPB

1,27

1,25

Olieprijs (dollar/vat)

Bron: CBS/CPB

104

95

Beursprijs van TTF-gas (eurocent/m3)

Bron: ICE Endex

23,7

23,9

Kengetallen

2009

2010

2011

2012

Realisatie 2013

Gewonnen volume aardgas kleine velden (mld m3)

Bron: TNO

34

32

29

28

27

Aantal boringen exploratie onshore en offshore

Bron: TNO

15

12

18

16

11

Aantal boringen productie onshore en offshore

Bron: TNO

28

35

39

19

22

Productie aardgas totaal (mld m3)

Bron: TNO

74

86

79

78

85 mld m3

Euro/dollarkoers

Bron: CBS/CPB

1,39

1,33

1,39

1,28

1,33

Olieprijs (dollar/vat)

Bron:CBS/CPB

61,5

79,5

111,3

111,67

108,7

Beursprijs van TTF-gas (eurocent/m3)1

Bron: ICE Endex

13,0

15,8

22,9

24,0

26,0

X Noot
1

waarden wijken af van eerder gepubliceerde waarden door het in het verleden toepassen van een onjuiste correctiefactor

  • 1 t/m 4 In het kader van voorzieningszekerheid is het van belang dat het aardgas dat zich bevindt in de Nederlandse kleine velden ook wordt gewonnen. Dit omvat zowel het produceren van reeds ontdekte velden (kengetal 1, 3 en 4) als het exploreren van nieuwe velden (kengetal 2). EZ stelt de randvoorwaarden middels een concurrerend mijnbouwklimaat, marktpartijen nemen de productie en exploratie voor hun rekening. Kengetal 1 geeft de totale hoeveelheid gewonnen gas uit kleine velden (onshore en offshore). Kengetal 4 geeft de totale aardgasproductie in Nederland weer, dus aardgas gewonnen uit kleine velden en het Groningerveld.

  • 5 t/m 7 De bepalende factoren voor de geraamde aardgasbaten zijn de aardgasprijs en het volume van de verkopen. De aardgasprijs is gerelateerd aan enerzijds de prijs van olie in dollars in combinatie met de euro/dollarkoers en anderzijds aan de prijs van gas die onafhankelijk van de olieprijs op de markt tot stand komt op onder andere gasbeurzen.

Diverse ontvangsten

De hogere ontvangsten komen voort uit een afrekening van het Agentschap NL uit hoofde van uitvoeringskosten 2012.

16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Algemene doelstelling

EZ streeft naar internationaal toonaangevende concurrerende, sociaal verantwoorde, veilige en dier- en milieuvriendelijke agro-, visserij- en voedselketens.

Rol en verantwoordelijkheid

De Staatssecretaris van EZ is vanuit een bewakende en stimulerende rol verantwoordelijk voor:

  • Het versterken van de positie van de Nederlandse agrarische en visserijketen (artikelonderdeel 16.1).

  • Het borgen van voedselveiligheid en voedselkwaliteit (artikelonderdeel 16.2). Producenten en partijen uit de voedselketen zijn primair verantwoordelijk voor hun producten en productiewijze. Zij opereren op basis van normen en kaders die de overheid stelt en die goeddeels hun grondslag vinden in internationale, vooral Europese regelgeving. De Minister van VWS is verantwoordelijk voor de gehele Europese wetgeving voor voedselveiligheid, met uitzondering van de slacht van dieren en het keuren en uitsnijden van vlees, daarvoor is de Staatssecretaris van EZ verantwoordelijk is, evenals voor de wetgeving voor diervoeders, dierlijke bijproducten en diergeneesmiddelen. De Staatssecretaris van EZ is voorts samen met de Minister van VWS verantwoordelijk voor de controle en handhaving op de regels voor de veiligheid van voedsel.

  • Het voeren van adequaat fytosanitair beleid, waaronder markttoegang en het zeker stellen van goede gewasbescherming, evenals het borgen van diergezondheid en dierenwelzijn (artikelonderdeel 16.3).

  • Kennisontwikkeling en innovatie ten behoeve van het groene domein (artikelonderdeel 16.4).

  • Het bijdragen aan een adequate en duurzame voedselvoorziening/voedselzekerheid op Europees en mondiaal niveau evenals het bijdragen aan het Europese en internationale landbouwbeleid (artikelonderdeel 16.5).

Bij het vaststellen van het Europees Landbouwbeleid voor de periode 2014–2020 heeft de Staatssecretaris van EZ de rol om te zorgen dat de Nederlandse inbreng met betrekking tot versterking concurrentiekracht, vergroening en verduurzaming goed tot hun recht komen.

Kengetal

2007

2008

2009

2010

2011

2012

Realisatie 2013

1. Maatschappelijke appreciatiescore

Bron:TNS/NIPO

   

7,7

7,7

7,5

7,5

7,6

2. Mate van vertrouwen consumenten in voedsel

Bron:NVWA monitor

 

3,3

3,4

3,4

3,4

Geen meting

3,2

3. Plant Breeders Index

Bron: CPVO

34%

35%

32%

32%

33%

31%

Publicatie in 2014

4. Aantal octrooiaanvragen in de agrarische sector en verwerkende industrie

Bron: NLOctrooicentrum

8,2%

7,3%

6,8%

7,4%

5,9%

Publicatie in 2015

Publicatie in 2016

 

2008

2009

2010

2011

Realisatie 2012

Ambitie 2013

5. Nederland op ranglijst landen met het hoogste netto handelsoverschot in agrarische producten (x € 1 mld)

         

Positie handhaven

Brazilië

34,5

34,4

41,3

49,9

55,8

 

Argentinië

23,5

19

24,7

31

32,0

 

Nederland

Bron: United Nations Commodity Trade Statistics Database (Comtrade)

20,0

20,8

22,7

23,6

24,1

 
  • 1. Net als bij de voorgaande metingen heeft het merendeel van de respondenten een neutraal tot zeer positief beeld van zowel de agrarische als de visserijsector.

  • 2. Het kengetal «mate van vertrouwen consumenten in voedsel» is gebaseerd op de antwoorden op de vraag «Ik maak me zorgen over de veiligheid van voedingsmiddelen». De gemeten waarde op een schaal van vijf. Het kengetal over 2013 is lager dan in 2011 en de jaren daarvoor. Zonder dat de oorzaken zijn onderzocht, is het aannemelijk dat de daling gerelateerd is aan de voedselincidenten in het voorjaar 2013. Vanaf 2011 vindt de meting tweejaarlijks plaats, daarom geen meting over 2012.

  • 3. Het percentage Nederlandse aanvragen Kwekersrecht van het Totaal aantal aanvragen voor de EU bron Community Plant Variety Office (CPVO), Annual reports 2007 tot en met 2012. Het percentage Nederlandse aanvragen handhaaft zich op het hoge niveau van de voorgaande jaren. De resultaten over 2013 komen in het jaarverslag 2014 beschikbaar.

  • 4. Betreft het percentage Nederlandse octrooiaanvragen van het totaal aantal internationale aanvragen (bij de World Intellectual Property Organization en bij het Europees Octrooibureau) ingediend voor de agrarische sector en verwerkende industrie. Het totaal aantal aanvragen blijkt in 2011 met 9% te zijn gestegen, terwijl het aantal Nederlandse aanvragen met 13% is gedaald. Overnames en afstoten van bedrijfsonderdelen bij de grote concerns (Unilever en Nutricia) zijn hiervan waarschijnlijk de oorzaak. De daling zit op de onderwerpen Dierhouderij, Landbewerking, Voedselverwerking en Voedselverrijking. Bij primaire voedselverwerking en Tuinbouw en plantveredeling is sprake van absolute en relatieve stijging. In verband met de bescherming van octrooi-informatie stelt NL-Octrooicentrum deze informatie met vertraging beschikbaar. De gegevens over 2012 worden in het Jaarverslag 2015 gepubliceerd, die over 2013 in het Jaarverslag 2016.

  • 5. Hoogste netto handelsoverschot: Nederland is met € 24,1 mld in 2012 weer van de vierde naar de derde plaats van de wereld gestegen met het hoogste handelsoverschot in agrarische producten. Alleen Brazilië en Argentinië hebben een hoger netto handelsoverschot in agrarische producten.

Beleidsconclusies

Het afgelopen jaar is voor met name de volgende beleidsvelden de uitvoering volgens plan verlopen. De beoogde doelen zijn bereikt en resultaten gerealiseerd voor: Agrarisch ondernemerschap, Energie en klimaat, Plantaardige productie, Risicomanagement voedselproductie, Verminderen milieulast gewasbeschermingsmiddelen, Monitoring, early warning en bewaking fytosanitaire en veterinaire veiligheid.

Hieronder een toelichting op de belangrijkste afwijkingen van de resultaten ten opzichte van de planning voor de betreffende beleidsvelden.

16.1 Versterking concurrentiekracht en verduurzaming agroketens en visserij;

Agrarische innovatie

De effectevaluatie van de regeling Samenwerking bij Innovatie geeft aan dat dit een effectief instrument is om innovatie te stimuleren. De aanbevelingen worden opgepakt voor een soortgelijke regeling in het Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014–2020 onder provinciale regie.

Mestbeleid

De gesprekken met de Europese Commissie over het Nederlandse vijfde actieprogramma Nitraatrichtlijn 2014–2017 zijn in de afrondende fase. Er is vertrouwen dat het overleg op korte termijn en met positief resultaat wordt afgerond en dat Nederland zo spoedig mogelijk daarna derogatie van de Nitraatrichtlijn wordt verleend.

In december 2013 is aan de Tweede Kamer gemeld dat uit de ex ante evaluatie mestbeleid door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en de Wageningen Universiteit Researchcentrum (WUR) blijkt dat het risico bestaat dat de uitbreiding van de mestverwerking onvoldoende is voor de vanaf 2015 verwachte hoeveelheid jaarlijks te verwerken mest. Omdat aanvullende waarborgen noodzakelijk zijn wordt het bestaande stelsel van dierrechten voor varkens- en pluimveehouderij na 1 januari 2015 gehandhaafd en worden, om groei van de melkveehouderij mogelijk te maken, nadere vooraarden gesteld. Hierdoor wordt voorkomen dat de fosfaatproductie ongewenst toeneemt als gevolg van economische ontwikkeling en uitbreiding van productiecapaciteit.

Duurzame veehouderij

In de Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij en het «Kabinetsstandpunt over omvang intensieve veehouderij en schaalgrootte» (Tweede Kamer, 28 973 nr. 134) staan de uitdagingen beschreven. De transitie naar een toekomstbestendige en duurzame veehouderij is ingezet via twee sporen. Het eerste spoor betreft ketengestuurde verduurzaming (stimuleren van samenwerking tussen ketenpartners). Op dit onderwerp zijn in 2013 zeven versnellingsprojecten gestart. De ontwikkeling op de diverse sporen inclusief een vooruitblik van de Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij (UDV) is aan de Tweede Kamer gezonden in oktober 2013 (Vierde voortgangsrapportage Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij 28 973 nr. 35). Het tweede spoor betreft de zorgvuldige veehouderij, waarbij in de UDV 15 doelen voor een duurzame veehouderij zijn vastgesteld (zie voortgangsrapportage) en afspraken zijn voorbereid over de gezamenlijke aanpak van de ambitie «vanaf 2015 alle nieuw te bouwen stallen integraal duurzaam». Kernthema’s zijn dierenwelzijn, dier- en humane gezondheid, milieu en maatschappelijke inpassing.

Visserij

In 2013 zijn, vergelijkbaar met de afgelopen jaren, verschillende subsidieregelingen opengesteld en gefinancierd uit het Europees Visserijfonds (EVF) met als doelstelling de verdere verduurzaming en economische rendementen van de visserij, de visketen en de aquacultuur te bevorderen. Via regelingen zoals «Innovatie in de visketen» en »Collectieve actie in de visketen» is in totaal aan 17 projecten steun verleend, voor in totaal € 3,25 mln. Eind 2013 zijn twee EVF regelingen opengesteld te weten de regeling collectieve actie aanlandplicht € 3 mln en voor de duurzame ontwikkeling van visserijgebieden € 4,92 mln. De projecten worden naar verwachting in 2014 toegekend.

16.2 Borgen voedselveiligheid en -kwaliteit

Voedselkwaliteit en transparantie in de keten

EZ heeft de beleidsbrief «duurzame voedselproductie» opgesteld die in juli 2013 naar de Tweede Kamer is gestuurd. Deze vormt de kaders van het beleid van voedsel van EZ. EZ heeft in 2013 bijgedragen aan nieuw EU-beleid op het gebied van voedselkwaliteit. EZ heeft samen met het Ministerie van I&M gereageerd op de Consultatie van de Europese Commissie over verduurzaming voedselsystemen. Daarbij heeft Nederland aangegeven wat zij van de Europese Commissie verwacht van de in 2014 te verschijnen Mededeling over duurzaam Voedsel.

Risicomanagement voedselproductie

Door de Staatssecretaris van EZ en de Minister van VWS is in 2013 samen met het bedrijfsleven (de voedselproductieketen vlees en zuivel) de Taskforce Voedselvertrouwen in het leven geroepen om de fraude in de voedselproductie aan te pakken. De Taskforce heeft een actieplan opgesteld dat doorloopt tot eind 2014. Ook hebben deze bewindspersonen in december 2013 een plan van aanpak voor de NVWA naar de Tweede Kamer gestuurd om de controle en het toezicht te verbeteren evenals het risicogebaseerd werken. De Europese Commissie heeft vijf-punten actieplan opgesteld, waarvan onder andere de nieuw ingestelde Working Group Food Fraud, onderdeel uitmaakt. EZ neemt, naast VWS en de NVWA, deel in deze Working Group. Nederland is voor de periode 2013–2015 voorzitter geworden van het Comité voor de Europese Codex Regio.

16.3 Plant- en diergezondheid

Borgen plantgezondheid

In 2013 heeft de Europese Commissie vijf verordeningen op het gebied van de stroomlijning van regelgeving betreffende plant- en diergezondheid, teeltmateriaal en controles daarop gepresenteerd. Deze voorstellen zijn van wezenlijk belang voor Nederland. Daarnaast zijn in 2013 de voorbereidingen getroffen om samen met het bedrijfsleven een intentieverklaring te tekenen, die geldt als startpunt voor nadere afspraken op het gebied van fytosanitaire preventie en risicoafdekking.

Dierenwelzijn

De positieflijst voor zoogdieren is in 2013 niet in werking getreden. De behandeling in de Tweede Kamer van de conceptbesluiten Diergeneeskundigen en Houders van Dieren (waarvan de positieflijst onderdeel uitmaakt) heeft geleid tot wijzigingen waardoor beide besluiten pas 1 juli 2014 in werking treden.

Op 4 oktober 2013 is de beleidsbrief Dierenwelzijn aan de Tweede Kamer aangeboden. Met een aanscherping van het beleid waaronder het uitfaseren van ingrepen bij landbouwhuisdieren en het tegengaan van impulsaankopen. Met ingang van januari 2013 is het borgen van welzijn van proefdieren door wet- en regelgeving en het stimuleren van alternatieven voor dierproeven, overgegaan van het Ministerie van VWS naar EZ.

De Algemene Rekenkamer (AR) heeft een rapport «Vervolgonderzoek Duurzaamheid Intensieve Veehouderij» uitgebracht. De AR beveelt aan ervoor te zorgen dat de sector de dierenwelzijnsregels voldoende naleeft bij horizontaal toezicht. Dit zou moeten door duidelijke afspraken te maken over minimale kwaliteitseisen voor het toezicht met private organisaties die horizontaal toezicht uitvoeren en met de NVWA over de consequente controle hierop.

Preventieve diergezondheid

Een uitbraak van een bestrijdingsplichtige dierziekte heeft grote maatschappelijke en economische gevolgen. EZ heeft geïnvesteerd in het voorkomen ervan (preventie) en in het tijdig opsporen ervan via gerichte monitoringsonderzoeken. Deze inspanningen bewezen onder andere hun waarde bij de detectie en opvolging van uitbraken van laagpathogene aviaire influenza (AI, vogelgriep) in 2013. Voorts is geïnvesteerd in het opstellen/updaten van beleidsdraaiboeken op het gebied van diverse bestrijdingsplichtige dierziekten en het afronden en implementeren van het Handboek Crisisbesluitvorming.

16.4 Kennisontwikkeling en innovatie ten behoeve van het groene domein
  • De agenda’s van de topsectoren Agrofood (AF) en Tuinbouw/uitgangsmaterialen (TU) zijn gezamenlijk met bedrijfsleven en de kennisinstellingen verder doorvertaald in Publieke- private samenwerking (PPS)-constructies. De PPS-en in AF en TU kennen een goede verbinding met de maatschappelijke beleidsagenda. Een groot aantal maatschappelijke kwesties is opgepakt (bijvoorbeeld mest, gezondheid, voedselzekerheid, energie).

  • Met NWO zijn afspraken gemaakt voor het opstarten van een aantal nieuwe AF- en TU onderzoeksprogramma’s, die fundamentele vraagstukken oppakken en op zoek gaan naar robuuste innovaties voor verdere verduurzaming in het groene domein.

  • Duidelijkheid is verkregen over de gevolgen voor kennis en innovatie van de opheffing van de Publiekrechtelijke Bedrijfs Organisaties (PBO’s). Na de opheffing van de PBO 's blijft kennis en innovatie in principe een taak voor het bedrijfsleven.

  • Ten behoeve van de kennisbehoefte bij de Topsectoren AF en TU werd actief het Europese Kaderprogramma voor Onderzoek en Innovatie (Horizon 2020) beïnvloed. Dit vond plaats binnen en buiten het desbetreffende Programmacomité van de Europese Commissie, en samen met gelijkgezinde andere Lidstaten.

  • InnovatieNetwerk heeft gewerkt aan baanbrekende innovaties. Voorbeelden hiervan zijn: een koeientuin, een nieuw stalontwerp waarin de behoeftes van het dier centraal staan en een greenfertilizer: het produceren van kunstmest met zonne-energie op het boerenbedrijf.

16.5 Borgen voedselzekerheid en internationaal en Europees landbouwbeleid.

De uitvoering van het beleid is volgens planning in 2013 volop op gang gekomen. Met onze expertise en publiekprivate samenwerking levert Nederland internationaal een belangrijke bijdrage aan een duurzame wereldvoedselvoorziening. Specifieke en strategische internationaliseringsinitiatieven van de topsectoren zijn vanuit EZ actief ondersteund. Dit heeft geleid tot versterking van handelsrelaties en een groeiende belangstelling van het Nederlands bedrijfsleven om te investeren in het ontwikkelen van duurzame landbouw en agroketens in en met het buitenland. In december 2013 is er met de derde Global Conference on Agriculture, Food and Nutrition Security and Climate Change de basis gelegd voor een Climate Smart Agriculture Alliance, die verder vorm zal geven aan klimaat slimme landbouw. Ook concrete samenwerkingsovereenkomsten met de Clinton Foundation en AGRA dragen daaraan bij. Er is internationaal verder gewekt aan de relaties tussen voedselzekerheid en oceanen, die in 2014 via de in Nederland te organiseren «Oceans Action Summit» een vervolg zal krijgen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000

2010

2011

2012

2013

Realisatie

Vastgestelde begroting 2013

Verschil

VERPLICHTINGEN

804.727

885.441

696.112

676.537

650.762

25.776

Waarvan garantieverplichtingen

58.700

43.374

37.707

138.000

– 100.293

UITGAVEN

690.478

867.196

613.752

666.001

529.610

136.391

             

Subsidies

81.721

300.756

99.065

71.753

59.579

12.174

Agrarisch ondernemerschap (16.1)

27.353

9.220

9.953

9.785

5.088

4.697

Duurzame veehouderij (16.1)

6.719

26.767

26.203

16.241

5.584

10.657

Mestbeleid (16.1)

150

364

1.596

1.931

2.050

– 119

Plantaardige productie (16.1)

7.752

14.768

19.327

15.396

16.866

– 1.470

Agrarische innovatie en overig (16.1)

4.521

17.537

10.373

4.340

9.601

– 5.261

Visserij (16.1)

6.299

6.365

8.549

8.774

5.991

2.783

Dierenwelzijn productiedieren en gezelschapsdieren (16.3)

1.902

3.702

2.518

3.017

2.130

887

Apurement (16.5)

27.025

52.033

20.546

12.269

12.269

0

Interne begrotingsreserve (16.5)

 

170.000

       

Garanties

8.426

12.862

10.500

27.119

12.000

15.119

Bijdrage begrotingsreserve Borgstellingsfaciliteit (16.1)

2.000

1.450

2.000

3.000

2.000

1.000

Verliesdeclaraties Borgstellingsfaciliteit (16.1)

6.426

11.412

8.500

24.119

10.000

14.119

Opdrachten

184.651

186.690

151.569

145.478

147.909

– 2.431

Versterken concurrentiekracht en verduurzaming agroketens en visserij (16.1)

26.197

36.733

25.723

26.348

24.020

2.328

Borgen voedselveiligheid- en kwaliteit(16.2)

16.765

15.371

12.799

7.137

8.437

– 1.300

Plant- en diergezondheid (16.3)

17.547

18.363

14.930

12.511

19.492

– 6.981

Kennisontwikkeling en innovatie (16.4)

121.564

114.736

92.364

95.739

93.887

1.852

Borgen voedselzekerheid en internationaal en Europees landbouwbeleid (16.5)

2.578

1.487

5.753

3.743

2.073

1.670

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

128.066

118.087

117.704

120.616

106.470

14.146

Medebewind productschappen (16.5)

24.188

23.749

20.354

23.750

13.501

10.249

Dienst Landbouwkundig Onderzoek (16.4)

103.878

94.338

95.027

94.819

91.119

3.700

ZonMW/dierproeven

       

1.850

– 1.850

College Toelating Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden (16.3)

   

2.323

2.047

 

2.047

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

52.971

3.500

4.200

5.577

4.200

1.377

Diergezondheidsfonds

52.971

3.500

4.200

5.577

4.200

1.377

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

12.615

7.915

4.700

UNEP, FAO en overige contributies

12.615

7.915

4.700

Bijdragen aan agentschappen

234.643

245.301

230.714

282.843

191.537

91.306

NVWA

118.180

136.926

125.039

144.817

94.007

50.810

Dienst Regelingen

104.516

96.595

93.182

112.193

84.281

27.912

Agentschap NL

5.810

17.004

4.010

12.994

Dienst Landelijk Gebied

3.188

365

255

221

221

0

Rijksrederij

8.759

11.415

6.428

8.608

9.018

– 410

             

ONTVANGSTEN

317.842

306.938

302.615

329.393

291.579

37.814

Versterken concurrentiekracht en verduurzaming agroketens en visserij (16.1)

48.404

29.145

28.891

27.573

21.081

6.492

Borgen voedselveiligheid- en kwaliteit(16.2)

364

788

253

288

430

– 142

Plant- en diergezondheid (16.3)

4.771

2.258

2.812

3.452

500

2.952

Kennisontwikkeling en innovatie (16.4)

10.353

13.274

14.760

15.902

10.884

5.018

Borgen voedselzekerheid en internationaal en Europees landbouwbeleid (16.5)

252.644

261.473

255.414

281.695

258.684

23.011

Ontvangsten agentschappen (16.9)

1.306

0

485

483

483

Realisatie meetbare gegevens bij het artikelonderdeel

Versterken concurrentiekracht en verduurzaming agroketens en visserij (16.1)

Indicator

Referentie-waarde

Peil datum

Raming 2013

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Bron

Verhouding duurzame – totale investeringen

0,36

2010

0,36

0,20

0,27

LEI

De gegevens hebben betrekking op de realisatie 2012 en zijn voorlopig. De «verhouding totale – duurzame investeringen» is gestegen van 20% in 2011 naar 27% in 2012. In 2012 zijn de totale investeringen in productiemiddelen gedaald van € 3,7 mld in 2011 tot € 3,3 mld. De totale duurzame investeringen zijn gestegen tot € 886 mln in 2012. Vooral werd geïnvesteerd in duurzame (pluimvee)stallen.

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2013

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Bron

Percentage integraal duurzame stallen

0%

2008

8%

4,5%

5,7%

Publicatie in 2014

WUR

De streefwaarde is een indicatie van het percentage integraal duurzame stallen in Nederland ten opzichte van het totaal aantal in gebruik zijnde stallen.

Als streefwaarde voor het percentage duurzame stallen is voor eind 2012 het percentage 6% vastgesteld. Deze streefwaarde is nagenoeg gehaald. De gegevens over 2013 worden in mei 2014 naar de Tweede Kamer verstuurd en in het Jaarverslag 2014 gepubliceerd. In het kader van de Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij (UDV) hebben de betrokken partijen (veehouderijorganisaties, ketenpartijen, maatschappelijke organisaties en overheden) afgesproken dat vanaf 2015 elke nieuw te bouwen stal integraal duurzaam moet zijn. Hierdoor zal er sprake zijn van een versnelde toename van het aantal duurzame stallen.

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2013

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Bron

1. Realisatie normen fosfaat

78 mln kg

2002

20 mln kg

27 mln kg

Publicatie in 2014

CBS

2. Realisatie normen stikstof

420 mln kg

2002

345 mln kg

328 mln kg

Publicatie in 2014

CBS

De indicatoren «realisatie normen fosfaat» en «realisatie normen stikstof» geven de bodemoverschotten voor beide stoffen op Nederlandse landbouwgronden weer. Zij zijn een maat voor het berekende verlies aan mineralen naar landbouwgrond, na aftrek van de opname door landbouwgewassen en vervluchtiging van stikstof. De raming 2012 voor fosfaat (15 mln kg) is een streefwaarde die gebaseerd is op de dan geldende fosfaatgebruiksnormen voor bouwland en grasland. De realisatie is sterk afhankelijk van (vooral) natuurlijke omstandigheden in het groeiseizoen, met name het weer. Door minder groeizaam weer kan de opname van fosfaat door het gewas achterblijven waardoor er meer verliezen naar het milieu optreden (hier uitgedrukt in een bodemoverschot voor fosfaat). Dit is mogelijk het geval geweest in 2012 met een realisatie van 27 mln kg. De realisatie stikstof in 2012 is 328 mln kg stikstof volgens voorlopige CBS-cijfers. De raming voor stikstof uit de begroting 2012 (345 mln kg) is, op basis van de voorlopige cijfers voor 2012, ruim gehaald. De realisatiecijfers voor 2013 worden omstreeks juli 2014 gepubliceerd.

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2013

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Bron

Aandeel duurzame energie in glastuinbouw

0,5%

2003

1,8%

2,3%

Publicatie in 2014

LEI

Energie-efficiency index glastuinbouw

100%

1990

45%

44%

Publicatie in 2014

LEI

Energie-efficiency index voedings- en genotmiddelen-industrie (VGI)

100%

2005

88%

88,6%

Publicatie in 2014

Agentschap NL

Het aandeel Duurzame Energie in glastuinbouw ligt voor op schema. De groei zat in 2012 bij aardwarmte, biobrandstoffen en inkoop van duurzame warmte.

De energie-efficiency index in de glastuinbouw ligt op schema. Er kan mede dankzij het Energieakkoord en de uitwerking daarvan in de Beleidsbrief Tuinbouw, de komende jaren een verdere versnelling verwacht worden.

Energie index Voedings- en Genotmiddelen-Industrie ligt iets achter op de raming. Verminderde investeringsruimte voor bedrijven is daarvan een belangrijke oorzaak. Met de in werkingtreding van het Energieakkoord zullen de doelen binnen bereik blijven. De realisatiegegevens over 2013 worden in het Jaarverslag 2014 gepubliceerd.

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2013

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Bron

Percentage innoverende agrarische bedrijven

11,6%

2006

15%

12%

14%

Publicatie in 2014

LEI

Ten opzichte van 2011 is het percentage innovatoren in de land- en tuinbouw in 2012 licht toegenomen. Ook het aandeel vernieuwers (innovatoren en volgers) liet een kleine stijging zien. De realisatiecijfers over 2013 van innoverende agrarische bedrijven (innovatoren, vroege- en late volgers) zijn in de tweede helft van 2014 bekend.

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2013

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Bron

1. Voorzorgsniveau Schol

205.000 ton

2005

587.000 ton

589.341 ton

663.200 ton

ACOM

2. Voorzorgsniveau Tong

41.000 ton

2005

45.600 ton

46.700 ton

50.546 ton

ACOM

De realisatie van de voorzorgsniveaus voor tong en vooral schol vertonen nog steeds een gunstige ontwikkeling. De positieve werking van de meerjarige beheerplannen wordt in deze cijfers zichtbaar. De cijfers voor 2013 betreffen voorlopige cijfers. Definitieve cijfers van de International Council for the Exploration of the Sea (ICES) komen medio 2014 beschikbaar.

Deze indicatoren raken gedateerd. Het visserijbeheer is niet meer gestoeld op de voorzorgsniveaus maar gericht op Maximaal Duurzaam Beheer. In de toekomst zullen deze indicatoren hieraan worden aangepast.

Borgen voedselveiligheid en -kwaliteit (16.2)

Indicator

Referentie-waarde

Peil datum

Raming 2013

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Bron

1. Mate van afname van antibiotica-gebruik in de dierhouderij

Antibiotica-gebruik in 2009

2009

50% reductie (t.o.v. 2009)

49% reductie (t.o.v. 2009)

Publicatie in juni 2014

SDa

2. Nalevingsniveau HACCP-verplichting

80%

April 2009

83%

81%

83% (prognose)

NVWA

  • 1. De verkoop en het gebruik van antibiotica in 2012 (TK, 29 683, nr. 168, van 29 augustus 2013) is in 2012 met 49% is afgenomen. De reductiedoelstelling voor 2013 (gemiddeld over alle sectoren) is hiermee al bijna gehaald. De verkoop van antibiotica die voor de humane gezondheid van kritisch belang zijn, fluoroquinolonen en derde en vierde generatie cefalosporinen is in 2012 met respectievelijk 45% en 94% afgenomen ten opzichte van 2011. De gegevens over het antibioticagebruik in de veehouderij over 2013 komen in mei/juni 2014 beschikbaar en worden in het Jaarverslag 2014 gepubliceerd.

  • 2. Er is weinig verandering opgetreden in de realisatie van het nalevingspercentage HACCP in vergelijking met voorgaande jaren. De realisatie 2013 wordt in mei 2014 vastgesteld.

Indicator

Referentie-waarde

Peil datum

Raming 2013

Realisatie 2013

Bron

Aantal basisscholen met smaaklessen

Beperkt aantal

2005

3.000

3.708

Steunpunt smaaklessen en schoolgruiten WUR

De streefwaarde voor het schooljaar 2012–2013, 3.000 Smaaklesscholen, is ruimschoots gehaald.

Plant- en diergezondheid (16.3)

Indicator

Referentie waarde

Peildatum

Raming 2013

Realisatie 2013

Bron

Naleving regelgeving

55% – 89% (sector afhankelijk)

2009

65% – 90%

35%-90%

NVWA

De systematiek bij de totstandkoming van deze cijfers is dat een bedrijf als niet-akkoord wordt beschouwd zodra één onderdeel van de inspectie op dat bedrijf niet akkoord bevonden wordt. Dat kan gaan om een administratieve overtreding of om een fysieke overtreding op dierenwelzijnsgebied.

Voor de doelgroepen kalveren en varkens was het nalevingsniveau tussen de 60% en 80%. Voor de legpluimvee sector zijn er over 2013 geen representatieve cijfers beschikbaar, doordat de handhaving zich selectief op een groep overtredende bedrijven heeft gericht. Bij vleeskuikens lag het niveau onder 60%, met de kanttekening dat dit op basis van een mix van aselecte en risicogebaseerde inspecties was. Dit geeft een vertekend beeld. Voor de doelgroepen varkens lag het naleefpercentage tussen de 60% en 80% (74 %), voor kalveren boven de 80% (90%).

Indicator

Referentie waarde

Peildatum

Raming 2013

Realisatie 2013

Bron

EU-OIE vrije status

7

2009

7

7

EU en OIE

Deze indicator geeft het aantal ziekten weer, waarvoor Nederland een officiële EU en/of OIE dierziektevrije status heeft. Formele bevestiging van de vrijstatus van de betreffende ziekten volgt uit monitorings-onderzoeken en daadwerkelijke uitbraken. De raming voor 2013 is gerealiseerd.

Indicator

Referentie waarde

Peildatum

Raming 2013

Realisatie 2013

Bron

Hand- en beleidsdraaiboeken voor crisisorganisatie, bestrijdingsplichtige dierziekten (inclusief zoönosen) en voedselkwaliteit

5

2005

13

15

EZ

Deze indicator betreft het aantal goedgekeurde draaiboeken. In de oorspronkelijke raming zaten niet de 2 draaiboeken voor de ondersteunende processen Communicatie en Financieel Management in crises situaties. Hiermee rekening houdend is de raming gerealiseerd.

Kennisontwikkeling en innovatie voor het groene domein (16.4)

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2013

Realisatie 2013

Bron

1. Vraagsturing van groen onderzoek door maatschappelijke actoren (beleid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties)

77%

2010

>75%

80%

PROSU

2. Kennisbenutting door beleid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties

86%

2010

>85%

85%

PROSU

3. Aantal innovatienetwerken en bedrijfsprojecten groene sector gestart met bijdrage uit publieke middelen

115

2010

120

131

Dienst Regelingen

  • 1. De realisatie 2013 betreft de uitkomst van de meting over onderzoeksprojecten in het jaar 2012. Realisatiegegevens over onderzoeksprojecten in 2013 komen in het najaar van 2014 beschikbaar. De realisatie is hoger dan de raming en de referentiewaarde.

  • 2. De realisatie 2013 betreft de uitkomst van de meting over onderzoeksprojecten in het jaar 2012. Realisatiegegevens over onderzoeksprojecten in 2013 komen in het najaar van 2014 beschikbaar.

  • 3. Het betreft het totaal van de regelingen Samenwerking bij innovatie, Nieuwe uitdagingen. Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en Innovatienetwerken. De realisatie is hoger dan de raming en de referentiewaarde.

Toelichting op de verplichtingen

De hogere verplichtingen hangen samen met de hogere uitgaven op artikel 16, zoals de hogere bijdrage aan de agentschappen van € 91,3 mln, de verliesdeclaraties borgstellingsfaciliteit van € 18,5 mln, de onttrekking uit de reserve visserij van € 1,6 mln en de storting van de vanuit artikel 18 overgehevelde PAS-middelen van € 14 mln in de reserve landbouw. Hiertegenover staan lagere verplichtingen van € 101,7 mln aangezien van het geraamde garantieplafond in het kader van de garantiefaciliteit landbouw van € 138 mln slechts een bedrag van € 37,7 mln aan garantieverplichtingen zijn aangegaan waardoor de garantieverplichtingen lager uitkomen.

Toelichting op de uitgaven

Subsidies

Agrarisch ondernemerschap (16.1)

De hogere realisatie (€ 4,7 mln) hangt onder meer samen met hogere uitgaven voor de demoregeling proefprojecten Gemeenschappelijk Landbouwbeleid als onderdeel van het tweede Plattelands Ontwikkelings Plan, POP-2 (€ 2,0 mln) en meeruitgaven aan de investeringsregeling jonge agrariërs (€ 2,1 mln).

Duurzame veehouderij (16.1)

De hogere uitgaven (€ 10,7 mln) houden onder meer verband met de overheveling in 2013 van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) van begrotingsartikel 18 Natuur en Regio naar artikel 16. De uitgaven van € 8,4 mln staan nu op artikel 16 verantwoord terwijl het oorspronkelijk budget (vastgestelde begroting 2013) stond op artikel 18. Hiervan heeft € 7,4 mln betrekking op de uitvoering van de subsidieregeling en het meetprogramma Duurzame Stallen en € 1,0 mln op de beroepsopleiding/voorlichting en praktijknetwerken. Verder houden de meeruitgaven voor € 2,2 mln verband met uitfinanciering van de SBIR duurzame stallen, de investeringssregeling luchtwassers en de praktijknetwerken veehouderij.

Agrarische innovatie en overig (16.1)

De lagere realisatie (€ 5,3 mln) houdt voornamelijk verband met lagere uitgaven aan de VAMIL-compensatieregeling (€ 4,2 mln). Het overige heeft betrekking op lagere uitgaven voor de innovatieregeling.

Visserij (16.1)

De meeruitgaven (€ 2,8 mln) houden verband met de uitfinanciering van projecten in het kader van het Europees Visserijfonds (EVF).

Interne begrotingsreserve Landbouw (16.1)

Bedragen x € 1.000

Interne begrotingsreserve Landbouw

Stand 1/1/2013

46.279

+ bijschrijving van rente

+ 43

+ storting Investeringsregeling duurzame stallen

+ 441

+ storting regeling Marktintroductie Energie Innovaties

+ 1.638

+ storting Investeringsregeling duurzame stallen (PAS)

+ 6.400

+ storting Meetprogramma duurzame stallen (PAS)

+ 1.000

+ storting Beroepsopleiding/voorlichting (PAS)

+ 200

+ storting Praktijknetwerken (PAS)

+ 800

+ storting Emissiearm Veevoer (PAS)

+ 4.620

+ storting Kennis en innovatie (PAS)

+ 1.058

– onttrekking Subsidieregeling Jonge Agrariërs

– 1.792

– onttrekking Investeringsregeling gecombineerde luchtwassers

– 895

– onttrekking VAMIL-compensatieregeling

– 234

– onttrekking precisielandbouw

– 186

– onttrekking SBIR biobased/agrologistiek

– 672

– onttrekking schadevergoedingen

– 1.190

– onttrekking bijdrage Ctgb

– 253

Stand 31/12/2013

57.257

Toelichting op de stortingen

Investeringsregeling Duurzame stallen/ Regeling Marktintroductie Energie Innovaties

De middelen voor de regelingen Duurzame stallen en Marktintroductie Energie Innovaties (MEI) zijn grotendeels vóór 2011 beschikbaar gesteld, terwijl de uitfinanciering van de openstellingen van deze regelingen door loopt naar 2017. Om kasbudget beschikbaar te houden voor de betalingen op deze openstellingen in 2014 en verder is in 2013 het niet gebruikte kasbudget van deze regelingen in de reserve landbouw gestort.

Regelingen gefinancierd met PAS-middelen

In 2013 is een omvangrijk budget (€ 14,9 mln) aan PAS-middelen (Programmatische Aanpak Stikstof) overgeheveld van artikel 18 naar artikel 16 ter financiering van respectievelijk vier regelingen, twee SBIR’s en kennis- en innovatieprojecten. Omdat het overgrote deel van de uitgaven die hiermee samenhangen pas in 2014 en verder tot betaling komen, wordt van het overgehevelde budget € 14,1 mln in de reserve gestort.

Toelichting op de onttrekkingen

Regelingen Jonge agrariërs/gecombineerde luchtwassers/VAMIL-compensatieregeling

In het verleden zijn bedragen in de reserve gestort om de uitfinanciering op de regelingen Jonge agrariërs, gecombineerde luchtwassers en VAMIL-compensatie te kunnen financieren. In 2013 zijn daarvoor bedragen aan de reserve onttrokken.

Precisielandbouw/ SBIR Biobased/Agrologistiek

In 2013 zijn voor de uitfinanciering van projecten die onder het programma Precisielandbouw en de SBIR Biobased/Agrologistiek bekostigd werden een budget aan de reserve onttrokken.

Schadevergoedingen

Voor de uitbetaling van enkele omvangrijke schadevergoedingen die in 2013 zijn uitgekeerd (onder andere in verband met de varkenspest uit 1997, de bestrijding van de pepper weevil en het EU-verbod op diermeel in diervoeders) is in 2013 in totaal € 1,2 mln aan de reserve onttrokken, omdat hiervoor geen budget gereserveerd stond op de begroting 2013.

College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb)

Op het budget voor de bijdrage aan het Ctgb is een tekort (na aftrek van de bijdragen van de Ministeries van I&M, VWS en SZW) van € 0,25 mln. De onttrekking uit de reserve had tot doel dit tekort voor 2013 te dekken. Voor 2014 en 2015 wordt onttrekking voorzien van in totaal € 0,7 mln, waarmee het Ctgb-aandeel in de reserve is uitgeput. EZ zal met voorstellen komen om het tekort voor 2014 en verder structureel terug te dringen.

Interne begrotingsreserve Visserij (16.1)

Bedragen x € 1.000

Interne begrotingsreserve Visserij

Stand 1/1/2013

21.891

+ bijschrijving van rente

+ 20

+ storting EVF as 1

+ 31

– onttrekking EVF as 2

– 80

– onttrekking EVF as 3

– 1.403

Stand 31/12/2013

20.459

Er is per saldo € 1,45 mln onttrokken aan de interne begrotingsreserve Visserij om de nationale cofinanciering van het Europees Visserijfonds (EVF) aan te vullen. Hiervoor is de reserve ook bedoeld.

Interne begrotingsreserve apurement (16.5)

Bedragen x € 1.000

Interne begrotingsreserve apurement

Stand 1/1/2013

166.805

Storting

+ 10.987

Stand 31/12/2013

177.792

De reserve is bestemd voor door de Europese commissie opgelegde correctievoorstellen op ingediende declaraties. In 2013 is door de Europese commissie voor een bedrag van € 1,3 mln aan correctievoorstellen opgelegd. Het beschikbare budget voor 2013 was € 12,3 mln. Conform afspraken met het Ministerie van Financiën is het verschil ad. € 11,0 mln gestort in de begrotingsreserve.

Garanties

Verliesdeclaraties Borgstellingsfaciliteit (16.1)

De overschrijding heeft met name (voor € 14,1 mln) betrekking op de Verliesdeclaraties Borgstellingsfaciliteit. Als gevolg van de economische crisis is een groter beroep gedaan op de garantieregeling dan bij ontwerpbegroting 2013 was voorzien.

Interne begrotingsreserve Borgstellingsfaciliteit

Bedragen x € 1.000

Interne begrotingsreserve Borgstellingsfaciliteit

Stand 1/1/2013

53.524

+ bijschrijving rente

+ 49

+ storting Flankerend beleid pelsdierhouders

+ 2.000

+ reguliere storting

+ 2.491

Stand 31/12/2013

58.064

Deze reserve is bedoeld om de verliesdeclaraties te betalen voor afgegeven garantiestellingen aan banken waarmee innovatieve en duurzame investeringen in de landbouw en visserij worden gefaciliteerd. Hiervoor is een reguliere storting gedaan van € 2,5 mln. Daarnaast is de jaarlijkse storting van € 2 mln gedaan die benodigd is voor het flankerend beleid bij het eventuele verbod op de pelsdierhouderij (amendement van Gerven/Dijsselbloem, TK, 2010–2011, 32 609 XIII, nr 4).

Opdrachten

Plant- en diergezondheid (16.3)

De lagere uitgaven (€ 7 mln) houden onder meer verband met een overheveling van € 1 mln naar het Ministerie van Financiën voor van grenscontroles door de Douane op dierziekten. Tevens was de bijdrage aan het College Toelating Bestrijdingsmiddelen en Biociden van € 0,9 mln in de vastgestelde begroting op deze categorie geraamd in plaats van op de categorie «Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s».

Verder is voor circa € 2 mln geherprioriteerd op de uitgaven voor dierenwelzijn, dierproeven, monitoring dierziekten, plantgezondheid en gewasbescherming om dekking te vinden voor het tekort op de uitvoeringskosten bij de Dienst Regelingen. Het restant van de onderuitputting is toe te schrijven aan lagere uitgaven op met name crisisorganisatie en -management en monitoring dierziekten.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Medebewind productschappen (16.5)

Productschappen voeren taken op gebied van marktordening in medebewind uit. Het hiervoor beschikbare uitvoeringsbudget is vanaf 2013 sterk afgebouwd als gevolg van de uitkomsten van de tussentijdse evaluatie van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) in 2009 (Health Check). De uitkomst was om het systeem van marktordening vanaf 2013 af te bouwen. In latere besluiten van de Europese Commissie is de eerder geplande afbouw deels teruggedraaid waardoor de uitvoeringskosten hoger (€ 10,2 mln) zijn uitvallen dan eerder geraamd op basis van de Health Check.

Kennisontwikkeling en innovatie (16.4)

De € 3,7 mln hogere uitgaven Dienst Landbouwkundig Onderzoek betreffen Kennisbasisuitgaven (€ 1,7 mln) en Wettelijke taken (€ 2,0 mln). Deze uitgaven zijn gedekt uit de categorie opdrachten binnen het artikelonderdeel 16.4.

Het budget voor ZonMW/dierproeven is budgettair overgeboekt naar VWS om mee te nemen in de programmering ZonMW en derhalve wel besteed.

College Toelating Bestrijdingsmiddelen en Biociden (16.3)

De bijdrage aan het College Toelating Bestrijdingsmiddelen en Biociden van € 2 mln is in de vastgestelde begroting abusievelijk op de categorie «Opdrachten» geraamd in plaats van op de categorie «Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s».

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

Diergezondheidsfonds

Er is in 2013 € 1,4 mln meer gestort in het Diergezondheidsfonds. Deze hogere bijdrage heeft betrekking op hogere uitgaven voor MKZ-vaccins, de calamiteitenreserve Rendac, TSE-monitoring en monitoring brucella melitensis.

Bijdragen aan agentschappen

NVWA

De realisatie is € 50,8 mln hoger dan de oorspronkelijke begroting. Dit houdt met name verband met de volgende posten:

  • Een verhoging met € 17,7 mln van het opdrachtenbudget van de NVWA om de kwaliteit van uitvoering, handhaving en toezicht te waarborgen. Deze bijstellingen zijn verwerkt en toegelicht in de suppletoire begrotingen (€ 10,1 mln bij 1e suppletoire begroting, € 6,9 mln bij de 2e suppletoire begroting en € 0,7 mln bij de Slotwet).

  • Tevens is bij de 1e suppletoire begroting 2013 de bijdrage verhoogd met € 14,1 mln voor investeringen die het mogelijk maken de beoogde fusiebesparingen op het gebied van huisvesting, ICT en arbeidsvoorwaarden te realiseren. Deze investeringen zijn nodig om uitvoering te geven aan de motie Jacobi c.s. (TK, 33 240 XIII, nr 18).

  • Voor de afkoop van huurcontracten van niet langer benodigde huisvesting heeft NVWA een voorziening op de balans getroffen. Deze voorziening is bij de 2e suppletoire begroting 2013 door EZ aangevuld met € 8 mln en door VWS met € 10 mln.

Dienst Regelingen

De realisatie is € 27,9 mln hoger dan oorspronkelijk begroot. Dit houdt verband met hogere uitvoeringskosten voor:

  • De uitvoering van EU-regelingen (Bedrijfstoeslagregeling en nationale co-financiering EU-programma’s) die volgens EU-voorschriften moeten worden uitgevoerd. Bij 1e suppletoire begroting 2013 is hiervoor de bijdrage verhoogd met € 15,9 mln.

  • De overgehevelde PAS-middelen (zie toelichting subsidies). Bij 1e suppletoire begroting 2013 is hiervoor de bijdrage verhoogd met € 1,9 mln.

  • De uitvoering- en transitiekosten in het kader van de nationale cofinanciering van het nieuwe Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GLB/GVB 2014–2020). Bij 2e suppletoire begroting 2013 is hiervoor de bijdrage verhoogd met € 11,8 mln.

Agentschap NL

De hogere bijdrage van € 13 mln houdt verband met het feit dat vanaf 1 april 2013 de uitvoeringskosten van de Agrarische Vertegenwoordiging Buitenland (AVB) via het Agentschap NL zijn gaan lopen. Dit betreft HGIS- budget dat oorspronkelijk onder begrotingsartikel 40 was begroot.

Toelichting op de ontvangsten

Versterken concurrentiekracht en verduurzaming agroketens en visserij (16.1)

De hogere ontvangsten hebben onder meer betrekking op Investeringsheffing I&R Schapen&Geiten voorgaande jaren (Artikel 68) en aflossing sectoraandeel in het nieuwbouwsysteem I&R Rund (totaal € 4,7 mln). Verder provisie-inkomsten in kader garantieregelingen (€ 2,2 mln).

Plant- en diergezondheid (16.3)

De hogere ontvangsten (circa € 1,4 mln) hebben betrekking op ontvangsten in het kader van de Gezondheids- en Welzijnswet Dieren en de Regeling Bedrijfsbeëindiging Veehouderijtakken. Verder is er sprake van een EU- bijdrage in Q-koorts onderzoeksprojecten en hogere boete-inkomsten in het kader van dierenwelzijn en gewasbescherming.

Kennisontwikkeling en innovatie (16.4)

Het bedrag aan rente en aflossing Dienst Landbouwkundig Onderzoek is € 1,5 mln hoger dan oorspronkelijk geraamd. Voorts is van het Ministerie van Buitenlandse Zaken € 3,5 mln ontvangen voor een onderzoeksproject in Afghanistan. Dit onderzoek heeft als doel landbouwontwikkeling in Afghanistan te bevorderen en voor de uitvoering van het «Food Security Embassy Support Programme». Dit programma is erop gericht om Nederlandse ambassades hulp te bieden voor de implementatie van projecten op het gebied van voedselzekerheid.

Borgen voedselzekerheid en internationaal en Europees landbouwbeleid (16.5)

De hogere ontvangsten betreffen vooral hogere landbouwheffingen (circa € 20 mln) door een hogere invoer van landbouwproducten uit derde landen dan voorzien en ontvangsten apurement € 2,5 mln, uit (oude) openstaande vorderingen op EU subsidieaanvragers. Tenslotte zijn hogere ontvangsten gerealiseerd omdat eerder uitbetaalde subsidievoorschotten uiteindelijk lager zijn vastgesteld.

17 Groen onderwijs van hoge kwaliteit

Algemene doelstelling

Groen onderwijs van hoge kwaliteit. Hierbij streeft het Ministerie van Economische Zaken naar:

  • Voldoende gekwalificeerde beroepsbeoefenaren voor het agrofoodcomplex en de groene ruimte.

  • Vergroten van de kennisverspreiding en -benutting voor het agrofoodcomplex en de groene ruimte.

Rol en verantwoordelijkheid

Voldoende gekwalificeerde beroepsbeoefenaren voor het agrofoodcomplex en de groene ruimte

  • Financieren (bekostiging) van op actuele beroepssituaties gerichte voorzieningen voor onderwijs aan (toekomstige) beroepsbeoefenaren in de groene sector (stelselverantwoordelijkheid). De groene instellingen functioneren binnen het wettelijk stelsel dat voor het gehele onderwijs geldt;

  • Stimuleren van een hoog kwaliteitsniveau van onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

  • Stimuleren van voorwaarden om te voldoen aan de forse vervangingsvraag en de transitie naar een groene economie. In 2013 is dit vooral gebeurd door de vaststelling, in overleg met bedrijfsleven en instellingen, van een landelijke agenda, en het beschikbaar stellen van investeringsruimte;

  • Regisseren van het versterken van kwalificerende functies binnen het domein voedsel, natuur en leefomgeving van het groen (voorbereidend) beroepsonderwijs;

  • Stimuleren, in overleg met de instellingen, van ondernemerschap waardoor leerlingen na afronding van hun opleiding een basis hebben voor de start van een eigen bedrijf in het groene domein.

Kennisverspreiding en -benutting voor het agrofoodcomplex en de groene ruimte, ondermeer door actieve inzet van het groen onderwijs

  • Stimuleren van kennisuitwisseling tussen bedrijven, maatschappelijke organisaties, overheden, onderzoek en onderwijs (stimuleren van de gouden driehoek in de groene sector);

  • Stimuleren van kennisverspreiding en -benutting ter ondersteuning van topsectoren Tuinbouw en Uitgangsmaterialen en Agri&Food bijvoorbeeld via centers gericht op Agrodier, Biobased economy, Greenports, Food Valley en thema’s zoals Duurzame Veehouderij, Precisielandbouw en vanwege de maatschappelijke opgaven op horizontale doorsnijdende thema’s zoals duurzaamheid en biodiversiteit;

  • Regisseren in overleg met andere overheden, onderwijsinstellingen en educatieve organsaties van Natuur- en milieueducatie en het ontwikkelen van nieuw (sociaal) instrumentarium en kennisarrangementen in het programma «Duurzaam Door, sociale innovatie voor een groene economie».

Indicator

Referentie waarde

Peil datum

Raming 2013

Realisatie waarde 2013

Bron

Adequaat aanbod aan de vraag op de arbeidsmarkt (tot 2018)

1%

2011

10%

52%

ROA

De indicator is gebaseerd op het ROA-rapport De arbeidsmarkt naar opleiding en beroep tot 2018 (december 2013). In het algemeen laat de prognose voor 2018 minder knelpunten in de personeelsvoorziening zien dan de vorige prognose (uit 2011 voor 2016), door het gecombineerd effect van verminderde economische activiteit en verminderde uitstroom van ouderen uit de arbeidsmarkt (pensioenmaatregelen). Alleen op het niveau van MBO-groen worden grote knelpunten voorzien, als gevolg van een grote vervangingsvraag. Op het niveau van HBO-groen en WO-groen worden enkele knelpunten voorzien. Omgekeerd geredeneerd zijn de arbeidsmarktperspectieven voor gediplomeerden van groen MBO, HBO en WO dus respectievelijk goed, redelijk, en matig. Het bevorderen van de aansluiting onderwijs arbeidsmarkt (door opstellen Human Capital Agenda’s, instellen Centra voor Innovatief Vakmanschap, inzet op loopbaanoriëntatie), het interesseren van nieuwe potentiële leerlinggroepen (aanboren culturele diversiteit), het tegengaan van voortijdig schoolverlaten en het vergroten van doorstroom naar hogere opleidingsniveaus zijn ingezet als middelen om het eerder verwachte tekort te beperken.

Kengetal

2009

2010

2011

2012

Realisatie 2013

Ambitie 2013

Aantal wetenschapsvelden Wageningen Universiteit in top 5 op basis internationale citatie-impactscore

1

2

1

Nog niet bekend

Nog niet bekend

2

Bron: ISI Web of Knowledge The Thomson Corporation

Het laatst beschikbare realisatiecijfer betreft het jaar 2011.

Beleidsconclusies

Algemeen onderwijsbeleid

Het algemeen onder wijsbeleid is in overeenstemming met de vigerende wet- en regelgeving uitgevoerd. De totale instroom van leerlingen VMBO bij Agrarische Opleidings Centra (AOC) laat ook in 2013 weer een stijging zien. De instroom bij het MBO loopt in alle sectoren terug, maar de daling is het kleinst in het groen onderwijs. In het groen hoger onderwijs was bij alle instellingen sprake van een (veelal zeer sterke) stijging van de instroom. De Agrarische Opleidingscentra (AOC) zijn gestart met de voorbereiding van experimenten doorlopende leerlijnen Voorbereidend Middelbaar Beroepsonderwijs (VMBO)/Middelbaar Beroepsonderwijs (MBO).

Onderwijs en beroepspraktijk

Er zijn voorwaarden geschapen voor adequate invulling van de vraag naar gekwalificeerde beroepsbeoefenaren.

  • De meerjarenafspraken 2011–2015 met het Groen onderwijs zijn in 2013 opgevolgd door de landelijke agenda, die in overleg met bedrijfsleven en instellingen door de Staatssecretaris is vastgesteld. Deze agenda sluit aan op de beleidsagenda EZ, de Techniekpactagenda en de agenda’s van de groene topsectoren. De landelijke agenda bepaalt de thema’s en acties waarop de instellingen in 2014 en 2015 hun investeringen richten, vastgelegd in de MeerjarenInvesteringsProgramma’s (MIP) die iedere onderwijsinstelling heeft opgesteld.

  • In 2013 is EZ gestart met een vernieuwde aanpak van kennisdoorstroming vanuit DLO-onderzoek naar onderwijs. Hierbij staat de behoefte van docenten en studenten in samenwerking met bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en overheid aan up-to-date kennis centraal. De rol van de onderwijsinstellingen als kennisverspreiders is eveneens benut.

  • Binnen het Agro-opleidingshuis, versterkt met de Hortibedrijfsschool om de scholing voor de tuinbouwsectoren te verbeteren en verbreed naar de voedingsindustrie, zijn de doorlopende leer- en ontwikkellijnen vastgesteld die benut kunnen worden om inzetbaarheid en mobliteit van personeel binnen de gehele Agrofood sector te optimaliseren.

  • Als concretisering van het Sectorplan Hoger Agrarisch Onderwijs 2011–2015 zijn nieuwe landelijke opleidingsprofielen opgeleverd en Centers of Expertise voor Biobased Economy, Greenports, Food en Agrodier gestart. Invulling is gegeven aan zwaartepuntvorming binnen het groene domein. Deze zwaartepuntvorming is verankerd in de prestatieafspraken met de individuele instellingen.

  • Het Ministerie van EZ heeft mede geïnvesteerd in Centra voor Innovatief Vakmanschap (CIV’s) voor Tuinbouw en uitgangsmaterialen en Agri&food in het groene MBO. Deze CIV’s fungeren als landelijke netwerken en innovatieplatforms met regionale meetingpoints tussen onderwijs en bedrijfsleven waar via een structuur van publiek private samenwerking wordt gewerkt aan de vernieuwing van opleidingen.

  • In het kader van de transitie groen onderwijs zijn binnen de Groene Kennis Coöperatie, het samenwerkingsverband van groen onderwijs, onderzoek en praktijkwereld, programma’s afgebouwd respectievelijk gebundeld, waardoor meer focus is ontstaan. Met de resterende vier kennisverspreidingsprogramma’s Plant, Dier, Voedsel en Natuur is de aansluiting bij de kennisvraag en de arbeidsbehoefte uit de sector verbeterd, evenals de doorwerking van kennis binnen de relevante opleidingen. De opgebouwde expertise en producten uit de afgebouwde programma’s zijn geborgd respectievelijk ontsloten. Daarnaast zijn stappen gezet om in 2014 te komen tot een integrale vraaggestuurde programmering van de collectieve ondersteuning. Hiermee wordt afscheid genomen van de aanbod gestuurde programmering en financiering van de collectieve ondersteuning. Deze ontwikkeling past in de herijking van het vakdepartementaal groen onderwijsbeleid in aanloop naar de periode na 2015.

Ontwikkeling en Beheer Natuurkwaliteit

De afgelopen vier jaren heeft het Bosschap de verantwoordelijkheid gehad voor het kennisnetwerk Ontwikkeling en Beheer Natuurkwaliteit (OBN), waarbij jaarlijks € 2,3 mln aan EZ middelen werden aangewend voor het kennisnetwerk (waarvan € 1,6 mln voor onderzoekopdrachten). Per 1 januari 2014 is de OBN-overeenkomst tussen EZ en het Bosschap beëindigd (einde contractperiode en tevens ook opheffing van het Bosschap) en zal de verantwoordelijkheid voor het kennisnetwerk worden overgenomen door de VBNE (Vereniging van bos- en natuurterreineigenaren).

Natuur- en milieu-educatie

Het beleidsprogramma Duurzaam Door ten aanzien van Natuur- en Milieu-Educatie is uitgevoerd in samenwerking met provincies, waterschappen en gemeenten en met bijdragen vanuit andere ministeries (Infrastructuur en Milieu, Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen). Het programma heeft gefaciliteerd in het proces van leren en innoveren voor een duurzame samenleving, onder meer door onderwijsnetwerken, samenwerkingprojecten met bedrijfsleven (bijvoorbeeld De Groene Zaak, het Groene Brein, Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen Nederland), uitvoeringsprojecten op regionaal niveau samen met provincies en het organiseren van een adequate kennisinfrastructuur (bijvoorbeeld Groen Gelinkt en communities of practice).

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000

Realisatie

Oorspronkelijk Vastgestelde begroting

Verschil

 

2010

2011

2012

2013

2013

 

VERPLICHTINGEN

798.681

792.820

805.094

840.206

777.779

62.427

UITGAVEN

774.120

775.377

788.384

817.433

776.575

40.858

             

Garanties

     

83

 

83

Schatkistbankieren

     

83

 

83

Bekostiging

684.453

685.539

704.293

733.507

700.561

32.946

Wageningen Universiteit

157.396

162.177

165.535

168.174

161.521

6.653

HBO-groen

64.654

67.472

78.137

79.472

74.074

5.398

MBO-groen

144.677

146.364

152.130

158.744

154.706

4.038

Voorbereidende en Ondersteunende Activiteiten (VOA)

9.275

11.364

11.813

13.933

11.575

2.358

Wachtgelden

12.514

12.333

13.152

13.545

12.987

558

VMBO-groen

287.927

278.649

276.313

291.009

278.538

12.471

Aequor

8.010

7.180

7.213

8.630

7.160

1.470

Subsidies

84.424

83.889

79.481

82.205

73.303

8.902

Groene Kennis Coöperatie

4.950

5.545

5.074

5.404

4.008

1.396

School als Kenniscentrum

31.435

30.522

26.755

27.872

30.538

– 2.666

Kennisverspreiding en innovatie groen onderwijs

3.762

5.567

5.665

1.991

7.834

– 5.843

Aanvullende onderwijssubsidies

36.089

34.634

32.809

41.150

25.641

15.509

Ontwikkeling en beheer natuurkwaliteit

2.688

2.671

1.655

2.857

2.382

475

Educatie

5.500

4.950

7.523

2.931

2.900

31

Opdrachten

5.242

5.949

4.610

1.638

2.711

– 1.073

Kennisverspreidingsprojecten

5.242

5.949

4.610

1.638

2.711

– 1.073

             

ONTVANGSTEN

317

368

5.154

3.910

75

3.835

Toelichting op de verplichtingen

Er werden in 2013 € 32,9 mln hogere verplichtingen ten behoeve van de bekostiging vastgelegd. Het betrof deels verplichtingen die in 2012 (ten behoeve van 2013) nog niet vastgelegd konden worden en verplichtingen ten behoeve van de bekostiging 2014. De bekostiging van het groen onderwijs viel hoger uit als gevolg van gestegen aantallen bekostigde onderwijsdeelnemers. Er werden voor € 23,1 mln verplichtingen voor groene onderwijsinstellingen vastgelegd in het kader van het schatkistbankieren; hiervoor was in de begroting 2013 nog geen budgetruimte opgenomen. De resterende € 6,4 mln aan hoger dan oorspronkelijk geraamde verplichtingen zijn een gevolg van uitgaven voor OCW-volgende subsidies op het onderdeel aanvullende onderwijssubsidies.

Toelichting op de uitgaven

Bekostiging

De € 6,7 mln hogere uitgavenrealisatie op de bekostiging van Wageningen Universiteit heeft de volgende oorzaken:

  • € 1,7 mln is toegevoegd naar aanleiding van Begrotingsakkoord 2014.

  • € 3,1 mln door het terugdraaien van de langstudeerderskorting hoger onderwijs.

  • € 0,5 mln toegevoegd vanwege prestatiebekostiging.

  • € 0,2 mln door toekennen van de loonbijstelling.

  • € 0,2 mln vanwege uitvoering Regeling praktijkleren en groene plus. De middelen zijn toegevoegd uit het onderdeel subsidies.

  • € 1 mln door stijgende deelnemersaantallen die nog niet meerjarig in de budgetten waren verwerkt. De middelen zijn toegevoegd uit andere begrotingsonderdelen van EZ.

De € 5,4 mln hogere uitgavenrealisatie op de bekostiging HBO-groen heeft de volgende oorzaken:

  • € 0,8 mln is toegevoegd naar aanleiding van Begrotingsakkoord 2014.

  • € 2,4 mln door het terugdraaien van de langstudeerderskorting hoger onderwijs.

  • € 0,1 mln door toekennen van de loonbijstelling.

  • € 1,2 mln vanwege uitvoering Regeling praktijkleren en groene plus. De middelen zijn toegevoegd uit het onderdeel subsidies.

  • € 0,9 mln door stijgende deelnemersaantallen die nog niet meerjarig in de budgetten waren verwerkt. De middelen zijn toegevoegd uit andere begrotingsonderdelen van EZ.

De € 4,0 mln hogere uitgavenrealisatie op de bekostiging van MBO-groen heeft de volgende oorzaken:

  • € 2,8 mln is toegevoegd naar aanleiding van Begrotingsakkoord 2014.

  • € 0,2 mln door toekennen van de loonbijstelling.

  • € 1 mln vanwege OCW-volgende maatregelen waaronder stagebox en centrale en uniforme toetsing.

De € 12,5 mln hogere uitgavenrealisatie op de bekostiging van VMBO-groen heeft de volgende oorzaken:

  • € 7,2 mln is toegevoegd naar aanleiding van Begrotingsakkoord 2014.

  • € 0,4 mln door toekennen van de loonbijstelling.

  • € 4,9 mln door stijgende deelnemersaantallen die nog niet meerjarig in de budgetten waren verwerkt. De middelen zijn toegevoegd uit andere begrotingsonderdelen van EZ.

Bekostigde aantallen binnen het groene onderwijs

Instrument

Type studenten/ getuigschriften/ promoties

Aantallen

Prijs

Bedrag x

€ 1.000

Realisatie 2013 x

€ 1.000

Bekostiging Wageningen Universiteit (WU)

Inschrijvingen

4.429

5.517

24.435

 
 

Graden Bachelor

585

8.756

5.122

 
 

Graden Master

646

11.994

7.748

 
 

Promoties

196

94.541

18.530

 
 

Vaste componenten

   

112.339

168.174

Bekostiging HBO- groen

Inschrijvingen hoog

7.012

6.303

44.197

 
 

Graden hoog

1.301

6.303

8.200

 
 

Vaste componenten

   

27.075

79.472

Bekostiging MBO- groen

Studenten beroeps-opleidende leerweg

18.598

6.256

116.348

 
 

studenten beroeps-begeleidende leerweg

11.657

3.637

42.396

158.744

Bekostiging VOA

Leerlingen niveau 1

3.793

2.183

8.280

 
 

Leerlingen niveau 2

6.474

873

5.653

13.933

Wachtgelden

Vaste component

     

13.545

Bekostiging VMBO- groen

Leerlingen VMBO/VBO

18.500

7.064

130.684

 
 

Leerlingen VMBO/LWOO

13.900

10.698

148.702

 
 

Vaste componenten

   

11.623

291.009

Aequor

Vaste component

     

8.630

Totaal

       

733.507

Subsidies

De € 5,8 mln lagere uitgavenrealisatie op Kennisverspreiding en innovatie groen onderwijs is een gevolg van het niet meer openstellen van deze regeling in 2013. De subsidies zijn ingaande 2013 verstrekt via de Regeling praktijkleren en groene plus binnen het begrotingsonderdeel Aanvullende onderwijssubsidies.

De € 15,5 mln hogere uitgavenrealisatie op aanvullende onderwijssubsidies heeft de volgende oorzaken:

  • € 0,6 mln is toegevoegd door OCW voor de OCW-conforme regeling professionalisering schoolleiders.

  • € 0,8 mln is toegevoegd door OCW voor de OCW-conforme regeling professionaliteit bestuur.

  • € 0,8 mln is toegevoegd door OCW voor de subsidie Skills Nederland.

  • € 2,2 mln is toegevoegd door OCW voor de OCW-conforme aanvullende bekostiging jonge leerkrachten.

  • € 5,8 mln door het verstrekken van subsidies Kennisverspreiding en innovatie groen onderwijs via de regeling Praktijkleren en Groene plus.

  • € 2,7 mln door het verstrekken van subsidies School als Kenniscentrum via het begrotingsonderdeel Aanvullende onderwijssubsidies.

  • € 0,1 mln door het toekennen van de loonbijstelling.

  • € 2,5 mln vanwege een sneller dan geraamd verloop van projecten. De middelen zijn toegevoegd uit andere begrotingsonderdelen van EZ.

Toelichting op de ontvangsten

Hogere ontvangsten betreffen in 2013 teruggevorderde bedragen die in eerdere jaren aan onderwijsinstellingen werden uitbetaald.

Indicator

Referentie waarde

Peil datum

Raming 2013

Realisatie 2012

Bron

% afgestudeerden dat minimaal werkt op niveau van opleiding

71%

2011

76 à 80%

72%

ROA

Het realisatiecijfer is van 2012. Gegevens over 2013 komen in augustus 2014 beschikbaar. De waarde is een gemiddelde van het cijfer voor niveau 4 van de beroepsopleidende leerweg (bol 4) en HBO in het groen onderwijs. De gerealiseerde waarde 2012 ligt iets hoger dan de referentiewaarde.

Indicator

Referentie waarde

Peil datum

Raming 2013

Realisatie 2013

Bron

Kwaliteitsniveau groen onderwijs

82%

2011

84%

88%

Inspectie voor het onderwijs

De inspectie voor het onderwijs bepaalt periodiek op basis van meerdere gestandaardiseerde criteria welk percentage groene scholen voldoende kwaliteit heeft. Hoe hoger het percentage, hoe meer groene scholen voor Middelbaar Beroepsonderwijs en Voorbereidend Middelbaar Beroepsonderwijs (VMBO) gemiddeld genomen een voldoende scoren op kwaliteit. De opgenomen waarden zijn het gemiddelden van VMBO, in 2013 79,7% en MBO, 96,7%. De realisatie 2013 ligt hoger dan de referentiewaarde en de raming 2013.

Indicator

Referentie waarde

Peil datum

Raming 2013

Realisatie 2013

Bron

Voortijdig schoolverlaten

4,6%

2011

4,5%

3,0%

DUO

Het betreft het percentage leerlingen voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs leerjaar 3 en 4 plus MBO leerlingen dat zonder startkwalificatie (minimaal MBO-2 niveau) het onderwijs verlaat. Dit gemeten als percentage van het totaalaantal VMBO 3–4 plus MBO leerlingen. Er was in 2013 zowel een verbetering ten opzichte van de referentiewaarde als ten opzichte van de raming 2013.

Indicator

Referentie waarde

Peil datum

Raming 2013

Realisatie 2012

Bron

Doorstroom MBO-BOL-4 naar hoger onderwijs

45%

2011

47%

38%

ROA

Het cijfer heeft betrekking op doorstroom in 2012. Gegevens over doorstroom 2013 komen in augustus 2014 beschikbaar. De doorstroom 2012 was lager dan de referentiewaarde en de raming voor 2013. De geringere doorstroom hangt samen met een relatief grote vraag naar afgestudeerden van het MBO-groen en dit hoeft daarom niet als een probleem beschouwd te worden.

Indicator

Referentie waarde

Peil datum

Raming 2013

Realisatie 2011

Bron

Mate van spreiding en beschikbaarheid NME

51%

2011

52%

51%

NME programmabureau

Het realisatiecijfer heeft betrekking op 2011. Het is het gemiddelde van de percentages locaties met beperkte Natuur en Milieueducatie (NME)-faciliteiten (78% met smalle thematiek en doelgroep) en anderzijds locaties met een brede invulling (24% met meerdere thema’s en doelgroepen). Gegevens over locaties 2012 en 2013 zijn nog niet beschikbaar.

18 Natuur en regio

Algemene doelstelling

Een concurrerende ruimtelijke economische structuur, een veelzijdige natuur en een wederzijdse versterking van ecologie en economie.

De rijksoverheid werkt aan een versterking van de ruimtelijk-economische condities voor bedrijven. Het Rijk wil samen met bedrijfsleven, kennisinstellingen en andere stakeholders sterke punten van Nederland uitbouwen gericht op een goede concurrentiepositie. Daarbij richt het beleid zich in het bijzonder op mainports, brainports en greenports en valleys. Het gaat daarbij om het gericht versterken van zowel fysieke aspecten als niet fysieke aspecten, zoals (grensoverschrijdende) samenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen (bijvoorbeeld met betrekking tot innovatie, valorisatie en voldoende gekwalificeerd personeel), alsmede campussen en onderzoeksinfrastructuur. Verder wordt het regionale beleid geconcentreerd op andere ruimtelijke clusters gerelateerd aan Topsectoren, alsmede de samenwerking daartussen.

Natuur, de biodiversiteit in het bijzonder, heeft een grote economische waarde; het levert grondstoffen en ecosysteemdiensten en is een van de aspecten van het vestigingsklimaat voor (internationale) bedrijven. Voor het behoud van de biodiversiteit zijn hiertoe door het Rijk gemaakte Europese (N2000) en internationale afspraken leidend. Een duurzame verbinding tussen economie en ecologie is essentieel om het niveau van welvaart en welzijn ook in de toekomst veilig te stellen. Ook bij bedrijven groeit het besef dat een echt duurzame ontwikkeling de enige weg vooruit is die perspectief biedt op voortbestaan op de langere termijn. Het Rijk wil in zijn beleid voor natuur en groen meer ruimte en ondersteuning bieden aan ondernemerschap en initiatieven van burgers en andere private partijen.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is systeemverantwoordelijk voor het nakomen van internationale (Europese) afspraken voor het behoud en duurzaam gebruik van de (inter)nationale biodiversiteit, mede als natuurlijke hulpbron – nationaal en internationaal – en voor de zekerstelling van de aanwezigheid van natuur op lange termijn. Op grond daarvan is de Minister verantwoordelijk voor het stellen van kaders voor de natuurkwaliteit van gebieden, voor soortenbescherming zowel op het land, in de zee, als ook overzees in Caribisch Nederland.

In 2013 hebben Rijk en provincies het Natuurpact gesloten, in nauw overleg met een groot aantal maatschappelijke organisaties (TK, nr. 33 576, nr. 6). Daarin zijn de ambities voor de ontwikkeling en het beheer van natuur in Nederland vastgelegd voor de periode tot en met 2027. De realisatie van de ambities is gedecentraliseerd naar de provincies. Met de realisatie van de ambities in het Natuurpact wordt uitvoering gegeven aan de Europese verplichtingen. Het Rijk is voor het realiseren van deze verplichtingen dus afhankelijk van de doelrealisatie door de provincies. Rijk en provincies hebben afspraken gemaakt over periodieke bespreking van de voortgang van de realisatie van de ambities uit het Natuurpact en evaluatie van het gevoerde beleid.

De afspraken over decentralisatie van het natuurbeleid zijn in 2013 verankerd in een wijziging van de Wet Inrichting Landelijk Gebied (WILG). De Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn, die de kaders stellen voor het behoud van de (inter)nationale biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen, zijn geïmplementeerd in de Nederlandse Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet. Deze worden momenteel herzien en samen met de Boswet geïntegreerd tot één Wet natuurbescherming. In die wet wordt ook de bevoegdheidsverdeling tussen Rijk en provincies verankerd.

De Minister van EZ is lidstaatverantwoordelijk voor het Europees Fonds Regionale Ontwikkeling (EFRO). Binnen EFRO bestaan nog vier grensoverschrijdende programma’s (INTERREG A – ETS) waar de Minister medeverantwoordelijk voor is. Dit zijn: Euregio Maas-Rijn, Duitsland-Nederland, Vlaanderen-Nederland en Twee Zeeën.

De Minister van EZ is tevens systeemverantwoordelijk voor een gezonde ruimtelijke economische structuur en stimuleert en financiert daarbinnen de versterking van «ports», «valleys» en clusters gerelateerd aan topsectoren. Daarvoor is het tevens van belang om agenda’s van verschillende overheden te verbinden ten einde schaalvoordelen te benutten, overheidsinspanningen te versterken en versnippering tegen te gaan.

De stappen die in het Regeerakkoord uit 2010 zijn aangekondigd voor de decentralisatie van het regionaal-economisch beleid worden in 2013 verder doorgevoerd. In het verlengde van de kerntaak voor regionaal economisch beleid op decentraal niveau worden hieraan gerelateerde lopende projecten in het kader van Nota Ruimte en Sterke regio’s daar waar mogelijk gedecentraliseerd.

Prestatiemeting

Indicator

Referentie waarde

Peil datum

Raming 2013

Realisatie 20131

Streef waarde

Planning

Bron

Stand van duurzame condities van alle in 1982 voorkomende soorten

106

2002

105

104

100

2020

Basisrapporten rode lijsten (EZ, CBS)

X Noot
1

Het hier gepresenteerde cijfer heeft feitelijk betrekking op de realisatie 2012. Een realisatiegetal voor 2013 komt in de loop van 2014 beschikbaar.

De indicator geeft via een indexcijfer het verloop aan van het aantal bedreigde soorten in ons land. Hoe hoger het getal, hoe meer soorten zijn bedreigd. De streefwaarde van 100 in 2020 betekent een verbetering ten opzichte van de periode 1994–2002 (referentiejaar 2002). De indicator is vooralsnog gebaseerd op rodelijst gegevens van broedvogels, zoogdieren en dagvlinders.

Kengetal

2009/2010

2012/2013

Realisatie 2013

Ambitie 2015

Niveau Clusterontwikkeling

4.7

4.9

5.2

5

NL positie

<