Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2013-2014
Kamerstuk 33750-XIII nr. 6

Gepubliceerd op 8 oktober 2013

Gerelateerde informatie


Toon alle stukken in dossier



33 750 XIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) voor het jaar 2014

Nr. 6 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 7 oktober 2013

De vaste commissie voor Economische Zaken, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden over het onderdeel Economie en Innovatie.

De vragen zijn op 27 september 2013 voorgelegd. Bij brief van 4 oktober 2013 zijn ze door de Minister van Economische Zaken beantwoord.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie, Hamer

Adjunct-griffier van de commissie, Van de Wiel

1

Kunt u nader specificeren waarop de € 189 mln. opbrengst van de kolenbelasting geraamd is, hoeveel operationeel kolenvermogen en hoeveel bedrijfstijd per kolencentrale (hoeveelheid vollasturen) is verondersteld?

In de raming wordt uitgegaan van een toename in het opgestelde kolenvermogen met 1900 MW. Dit is het saldo van centrales die worden gesloten (1500 MW aan vermogen) en nieuwe centrales die per 2014 naar verwachting in productie gaan (3400 MW). Naar verwachting bedraagt het totale vermogen van kolencentrales dan 7000 MW die gemiddeld ruim 6.000 uur per jaar zullen produceren. Dit leidt tot een koleninzet van circa 13,5 miljoen ton kolen. Daaruit volgt een budgettaire opbrengst van € 189 mln.

2

Is u een schatting bekend hoeveel extra vraag er voor de regeling ter stimulering van decentrale duurzame opwekking met fiscaal voordeel zou zijn, indien deze opengesteld wordt voor (kleine) ondernemers?

Er is op dit moment geen concrete schatting bekend voor de extra vraag die ontstaat als het verlaagde tarief ook wordt opengesteld voor (kleine) ondernemers. In het Energieakkoord is afgesproken dat onderzocht wordt in hoeverre het nodig en mogelijk is dat zakelijke kleinverbruikers ook gebruik kunnen gaan maken van de regeling. In het kader van dit onderzoek zal dus gekeken worden in hoeverre een verlaagd tarief nodig is en daarmee welke extra vraag zou ontstaan als zakelijke kleinverbruikers toegevoegd zouden worden.

3

Klopt het dat er in het kader van het Energieakkoord een «reserve budget» bestaat van € 375 mln om de 14% duurzame energie te halen in 2020 en indien dit het geval is, hoe en waar staat deze op de begroting verwerkt en hoe wordt de Kamer daarover geïnformeerd?

Over de inzet van wind op zee, wind op land en biomassa bij- en meestook zijn in het Energieakkoord afspraken gemaakt. Daarnaast is er inzet van overige opties nodig. ECN en PBL hebben aangegeven dat het benodigde potentieel van de overige opties optimistisch is en dat dit een risico vormt voor het halen van 14% duurzame energie in 2020.

Om eventueel aanvullende opties mogelijk te maken en daarmee de 14% in 2020 te borgen is inderdaad € 375 mln. extra gereserveerd (€ 125 mln. in 2019 en € 250 mln. in 2020). Dit is onderdeel van de totale geraamde uitgaven voor de SDE+. Indien blijkt dat dit budget niet nodig is, resteert een lagere SDE+-opslag dan voorzien, waardoor er sprake is van lastenverlichting.

4

Vindt de oprichting van de in het Energieakkoord beoogde expertisecentrum energiebesparing en de verankering van de wettelijk erkende maatregellijsten voor energiebesparing al in 2014 plaats?

Het in het Energieakkoord beoogde expertisecentrum betreft een publiek-private samenwerking. Het Rijk zal bij de uitwerking private partijen en kennisinstellingen betrekken. Mijn ambitie is om in het voorjaar van 2014 te komen tot een gezamenlijke uitwerking van de contouren van het expertisecentrum en de respectievelijke rollen van betrokken partijen, zodat tot oprichting kan worden overgegaan.

Op zijn vroegst is in 2015 de wettelijke verankering van de erkende maatregellijsten voor energiebesparing formeel van kracht in de Wet milieubeheer. Een aantal lijsten zal al in 2014 gereed zijn. Deze kunnen dan al worden gebruikt om ervaring op te doen in de praktijk. Hierbij merk ik op dat de lijst met maatregelen een groeimodel is en de komende jaren steeds verder zal worden uitgebreid.

5

Heeft u contact gezocht met de Europese Commissie over mogelijke strijdigheid tussen de mededingingswetgeving of de staatssteunregels en de afspraken in het Energieakkoord? Zo ja, wanneer was dit en wat was het antwoord?

Nee, ik heb geen contact gehad met de Europese Commissie over het Energieakkoord voor duurzame groei. Zoals in het Energieakkoord aangegeven (pagina 15) zijn op de afgesproken maatregelen bestaande wettelijke kaders vanzelfsprekend van toepassing. Ondernemingen zijn zelf primair verantwoordelijk voor toetsing van hun afspraken aan de Mededingingswet. Concrete uitwerking van maatregelen zal ook op staatssteunaspecten worden geanalyseerd.

Nu de ACM op 26 september 2013 met haar zienswijze is gekomen dat de afspraak in het Energieakkoord over de vervroegde sluiting van vijf oude kolencentrales in zijn huidige vorm waarschijnlijk niet verenigbaar is met het mededingingsrecht (waaronder artikel 101 van het VWEU) zal ik in overleg met betrokken partijen contact opnemen met de Commissie in Brussel. Dit heb ik ook gemeld in de Kamerbrief die ik u schreef over het oordeel van de ACM. Een vraag die ik in Brussel kan voorleggen heeft bijvoorbeeld betrekking op wijze waarop de bredere afweging kan plaatsvinden tussen mededingingsbelangen en andere publieke belangen, die in geval van het Energieakkoord nadrukkelijk ook aan de orde zijn.

6

Wat is het potentieel aan energiebesparing in de gebouwde omgeving in Nederland, welke investering is ervoor nodig om deze potentie te realiseren, hoeveel geld wordt hiervoor in de begroting voor uitgetrokken en waarop is dit bedrag gebaseerd?

De Minister voor Wonen en Rijksdienst zal deze vragen beantwoorden.

7

Kunt u uiteenzetten hoeveel geld u heeft gereserveerd ten behoeve van innovatie van alternatieve energie, welke voorwaarden worden hieraan verbonden en waar in de begroting staat dit opgenomen?

Innovatie van alternatieve energietechnologie vindt plaats binnen de Topsector Energie. Hiervoor wordt in 2014 in totaal € 118 mln. verplichtingenruimte ter beschikking gesteld voor het aangaan van nieuwe projecten in energie-innovatie (zie pag. 21 van de begroting). Het betreft € 50 mln. uit de innovatiemiddelen van de SDE+, alsmede € 43 mln. uit de energieinnovatiemiddelen.

Daarnaast wordt een deel van de middelen voor Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN, dit betreft circa 17 mln.) en TNO (circa 7 mln.) ingezet ten behoeve van de Topsector Energie. Deze projecten liggen op verschillende terreinen, bijvoorbeeld wind op zee en smart grids. Ze zijn er onder andere op gericht om de kostprijs van duurzame technieken te reduceren en de economische kansen van Nederlandse bedrijven te versterken.

In het Energieakkoord is bepaald dat er overheidsmiddelen beschikbaar komen voor een innovatieprogramma voor demonstratieprojecten die gericht zijn op versnelling van commercialisering vanuit de Topsector Energie ten behoeve van de export. Het budget hiervoor loopt op van € 25 mln. in 2014 tot structureel € 50 mln. vanaf 2017.

Tenslotte is er TKI-toeslag beschikbaar voor de bedrijven die in cash bijdragen aan projecten van de TKI’s in de Topsector Energie.

8

Welk budget is beschikbaar voor het in de markt zetten van innovaties en op welke wijze wilt u dit proces ondersteunen? Waar is dit in de begroting opgenomen?

In het Energieakkoord is bepaald dat er overheidsmiddelen beschikbaar komen voor een innovatieprogramma voor demonstratieprojecten die gericht zijn op versnelling van commercialisering vanuit de Topsector Energie ten behoeve van de export. Het budget hiervoor loopt op van € 25 mln. in 2014 tot structureel € 50 mln. vanaf 2017.

In het Energieakkoord is tevens afgesproken dat het Topteam Energie voor de uitwerking hiervan als kwartiermaker is aangewezen en dit afstemt met de partijen die bij het akkoord op dit punt betrokken zijn. Ook zien we steeds meer innovatieve opties indienen in de SDE+, zoals getijde-energie.

9

Kunt u uiteenzetten hoeveel geld wordt geïnvesteerd in de sectoren waarin gewerkt wordt met proefdieren, zoals life sciences, farmacie en levensmiddelentechnologie en waar is dit in de begroting opgenomen? Kunt u uiteenzetten in welke onderzoeksgebieden wordt geïnvesteerd en welk proefdiergebruik daarbij wordt verwacht?

Het Nederlands Kennis en innovatiecontract is het overkoepelend contract waarin de afspraken van de innovatiecontracten van de verschillende topsectoren staan opgenomen. In dit contract is voor de topsector Life Sciences & Health voor 2014 een publieke investering opgenomen van € 142,51 mln. De private investeringen bedragen € 31,84 mln. Voor de topsector Agri & Food is een publieke investering voor 2014 opgenomen van € 75,66 mln. De private investering bedraagt € 84,60 mln.

In het innovatiecontract Agri & Food zijn 11 thema’s opgenomen waar privaat-publieke samenwerkingsverbanden hun R&D op richten. Binnen de thema’s kan sprake zijn van onderzoek dat is gerelateerd aan levensmiddelentechnologie. Dit soort onderzoek omvat in het algemeen geen onderzoek dat belastend is voor de dieren, zoals bijvoorbeeld gebruik van landbouwhuisdieren voor voederproeven. Bij onderzoek naar voeding en gezondheid ligt het accent in het algemeen op humane interventie studies, hetgeen het meest belangrijk is voor de voedingsindustrie. Daarnaast is het ook bij voorbaat niet aan te geven of proefdieren worden gebruikt, omdat er in dit stadium nog niet zeker is aan te geven hoe het onderzoek er uit zal zien. In het innovatiecontract Life Sciences & Health zijn 10 thema’s opgenomen waar privaat-publieke samenwerkingsverbanden hun R&D op richten. Afhankelijk van het thema kan er sprake zijn van onderzoek waarbij gewerkt wordt met proefdieren. Op voorhand is niet inzichtelijk te maken welk onderzoek dit betreft, aangezien ook hier de programmering van het onderzoek op dit moment plaatsvindt. Ook hier bestaat dus nog geen inzicht in het specifieke onderzoek dat uitgevoerd gaat worden en het gebruik van proefdieren hierbij.

Aanvullend hierop kan ik aangeven dat al het onderzoek waarbij dieren betrokken zijn valt onder de Wet op de Dierproeven (WOD) van het Ministerie van Economische Zaken en dat in het kader van deze wet zorgvuldig toezicht op het gebruiken van dieren bij onderzoek (rekening houdend met de drie V's, verfijning, vermindering en vervanging) verzorgd wordt door de daartoe bevoegde instanties. Het beleid rond dierproeven is in zijn geheel bij EZ belegd. Voor deelgebieden waarop dierproeven worden uitgevoerd verwijs ik daarnaast naar de rapportage die jaarlijks wordt uitgebracht door de NVWA getiteld «Zo Doende».

Tenslotte hebben onderzoekers in beide topsectoren zelf een verantwoordelijkheid bij ethische kwesties. Voor NWO-aanvragen geldt dat de aanvragers de bestaande codes moeten onderschrijven en naleven.

10

Zijn er nog subsidieregelingen of belastinguitgaven, waaronder ook gederfde belastinginkomsten als gevolg van kortingen, die het gebruik van fossiele brandstoffen (de facto) subsidiëren? Zo ja, welk bedrag is hiervoor gereserveerd en waar is dit in de begroting opgenomen?

Nee, de huidige subsidieregelingen noch belastinguitgaven kunnen worden beschouwd als subsidie op het gebruik van fossiele brandstoffen.

11

Kunt u per begrotingsartikel aangeven waar de vrije ruimte zit, hoe hoog deze precies is en kan hiervan een tabel aangeleverd worden?

In onderstaande tabel treft u de percentages «juridisch verplicht» aan. Deze percentages zijn per beleidsartikel ook opgenomen in de tabellen «budgettaire gevolgen van beleid». Onder elke tabel is onder het kopje «budgetflexibiliteit» een toelichting per instrumentcategorie (leningen, subsidies, opdrachten, bijdragen aan agentschappen enz.) opgenomen. Van de totale geraamde beleidsuitgaven van EZ voor 2014 (circa € 4,7 mld.) is circa € 4 mld. (= 87%) juridisch verplicht. Het niet-juridisch verplichte deel bedraagt dus circa € 0,7 mld. (13%). Deze middelen zijn beleidsmatig belegd en voor een deel bestuurlijk gebonden. De budgettaire verdeling over de verschillende beleidsonderdelen/financiële instrumenten en de toelichting daarop is opgenomen in de afzonderlijke beleidsartikelen. Er is geen separate lijst met projecten beschikbaar waaruit nog keuzes kunnen worden gemaakt.

(Bedragen x € 1.000)

Art.nr.

Omschrijving

 
   

Uitgaven 2014

Juridisch verplicht 2014

 

Beleidsartikelen

4.664.459

4.041.013

87%

11

Goed functionerende economie en markten

197.794

193.838

98%

12

Een sterk innovatievermogen

814.790

570.353

70%

13

Een excellent ondernemingsklimaat

319.466

277.935

87%

14

Een doelmatige en duurzame energievoorziening

1.538.633

1.323.224

86%

16

Concurrerende, duurzame, veilige

agro-, visserij- en voedselketens

565.726

486.524

86%

17

Groen onderwijs van hoge kwaliteit

795.701

795.701

100%

18

Natuur en Regio

432.349

393.438

91%

12

Klopt het dat de eindejaarsmarge circa € 50 mln. zal bedragen en kan deze nu al ingezet worden?

De eindejaarsmarge voor 2013 bedraagt inderdaad circa € 50 mln. (1% van de totale uitgaven). De eindejaarsmarge biedt de mogelijkheid om niet-besteed budget mee te nemen naar het volgende begrotingsjaar. De besluitvorming hierover vindt plaats in het voorjaar van 2014 en zal budgettair worden verwerkt in de 1e suppletoire begroting. Uitgangspunt vormen de realisatiecijfers over 2013 (Slotwet 2013), die begin 2014 bekend zijn.

13

Hoe kan de Kamer inzicht krijgen in de vrije ruimte op de begroting, om op die manier effectief gebruik te kunnen maken van haar budgetrecht en waar zit de vrije ruimte precies?

Zie het antwoord op vraag 11.

14

Kan de Kamer een lijst van projecten krijgen waaruit nog een keuze kan worden gemaakt?

Zie het antwoord op vraag 11.

15

Klopt het dat de begroting niet dichtgetimmerd is en kunt u inzicht geven in de vrije ruimte?

Zie het antwoord op vraag 11.

16

Waarom zijn de verplichtingen niet gesommeerd?

Conform de Rijksbegrotingsvoorschriften (RBV) wordt in de begrotingsstaat voor de verplichtingen geen totaalbedrag opgenomen.

17

Waarom mag het Agentschap Telecom een negatief saldo hebben?

Het negatieve saldo van Agentschap Telecom heeft te maken met de schuld aan vergunninghouders op de balans van Agentschap Telecom, die is opgebouwd uit positieve resultaten op vergunning­tarieven uit voorgaande jaren. Voor de periode 2014–2018 worden nu negatieve resultaten op vergunningtarieven begroot. «Negatief» betekent in dit verband niet dat sprake zou zijn van verliesgevende exploitatie bij AT. AT is een financieel gezonde en solide organisatie. Het (bewuste) tekort dat geraamd wordt met de huidige begroting dekt AT uit de post «te verrekenen met vergunninghouders» die op de balans staat. Op deze manier wordt de schuld aan vergunninghouders afgebouwd.

18

Is het aantal prestatie indicatoren sinds 2011 toegenomen of afgenomen en wat is de reden van deze toename of afname?

Het aantal prestatie-indicatoren is sinds 2011 afgenomen van 110 in 2011 tot 56 in 2014 (zie onderstaande tabel). Deze daling wordt voornamelijk veroorzaakt door de volgende zaken:

  • Als gevolg van de fusie tussen Economische Zaken en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit eind 2010 en de daaruit voorvloeiende samenvoeging/integratie van de verschillende beleidsartikelen is het aantal beleidsartikelen afgenomen van 15 (begroting 2011) tot 8 (begroting 2012).

  • Bij Nota van wijziging op de begroting 2013 is het beleidsartikel 15 «Een sterke internationale concurrentiepositie» komen te vervallen. Het deel hiervan dat betrekking heeft op buitenlandse handel is overgegaan naar de begroting van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.

  • Vanaf de begroting 2013 is de EZ-begroting volledig opgezet volgens de richtlijnen van «Verantwoord Begroten». Conform Verantwoord Begroten worden alleen prestatie-indicatoren opgenomen indien sprake is van een verband tussen de beleidsinzet van EZ en de gewenste (maatschappelijke) uitkomst. Aan de hand van dit criterium is een aantal indicatoren komen te vervallen of vervangen voor een kengetal, welke informeert over algemene ontwikkelingen op een beleidsterrein.

 

2011

2012

2013

2014

Aantal prestatie-indicatoren

110

87

76 (incl. artikel 15)

56

19

Klopt het dat de steun aan het Midden- en Kleinbedrijf (MKB) vooral via banken loopt en dat dus eigenlijk de banken worden gesteund en niet het MKB?

De overheidsinstrumenten gericht op ondersteuning van het mkb bij het aantrekken van financiering beslaan een breed terrein van kredietverlening tot risicofinanciering. Voor de ondersteuning van kredietverlening maken de instrumenten voor een belangrijk deel gebruik van het kanaal van de banken. Deze spelen in Nederland namelijk een voorname rol bij de financiering van het mkb. Banken hebben daarmee het apparaat om op een efficiënte en deskundige wijze een groot deel van het mkb te bereiken. Met de overheidsinstrumenten worden zij ondersteund om financiering te verstrekken aan het mkb dat zij zelfstandig niet kunnen financieren, bijvoorbeeld omdat het bedrijf te weinig zekerheden heeft. De ondersteuning komt dus terecht bij het mkb. Ook via andere kanalen wordt het mkb bereikt, bijvoorbeeld via Qredits voor zeer kleine kredieten of via het Innovatiefonds MKB+ voor innovatieve bedrijven.

20

Is de vergroting en versterking van de Garantie Ondernemingsfinanciering (GO), Borgstellingsregeling voor het MKB (BMKB) en Qredits bedoeld als anti-crisismaatregel en moet deze dus anti-conjunctureel kunnen werken?

De GO en de BMKB worden tijdelijk uitgebreid en Qredits wordt van additionele funding voorzien om de aanhoudende problemen die een belangrijk deel van het bedrijfsleven ondervindt bij het aantrekken van financiering te bestrijden. De problemen moeten gezien worden in het licht van de huidige economische situatie. Diverse (bedrijfs)economische factoren zorgen voor vermindering van zowel de vraag naar extern krediet als de financierbaarheid van het bedrijfsleven. Voor de tijdelijke uitbreiding van de BMKB en de GO geldt dat bedrijven die momenteel op zoek zijn naar krediet om te investeren, daarbij nog meer ondersteuning krijgen via deze regelingen. Op het structurele knelpunt dat de behandelingskosten van kleine leningen zwaar drukken op het rendement, wordt ingespeeld door de extra inzet van Qredits. Doordat de organisatie van Qredits specifiek gericht is op zeer kleine leningen, en een wat hoger rentepercentage hanteert ter dekking van de hogere uitvoeringskosten, kan zij deze toch rendabel aanbieden.

21

Bevat de vergroting en versterking van de kredietmaatregelen ook ruimte voor het herfinancieren van leningen?

Het herfinancieren van leningen door een andere financier dan de bestaande is altijd al mogelijk binnen de financieringsregelingen van de overheid, mits het bedrijf in de kern gezond is. De financieringsinstrumenten staan niet toe dat een financier een bestaande lening herfinanciert met gebruik van de overheidsregelingen, om de afwenteling van bestaande risico’s van financiers op de Staat te voorkomen. De vergroting en versterking van de kredietmaatregelen hebben tot doel om additionele financiering te bevorderen.

22

Waarom ziet u het topsectorenbeleid als afzonderlijk spoor naast het bedrijfslevenbeleid, terwijl dat in het verleden niet zo was?

Dit is een misverstand. Het topsectorenbeleid is één van de twee pijlers van het bedrijvenbeleid, naast een generieke pijler gericht op het verbeteren van het ondernemingsklimaat voor alle ondernemers. Zie bijvoorbeeld de brief «Naar de top, hoofdlijnen van het nieuwe bedrijfslevenbeleid» (TK 32 637 nr. 1) en de voortgangsrapportage «Bedrijvenbeleid in volle gang» die uw Kamer op 2 oktober 2013 heeft ontvangen.

23

Hoeveel nieuwe MKB bedrijven hebben de afgelopen twee jaar, ten opzichte van de periode daarvoor, gebruik gemaakt van de diverse innovatiegelden en hoeveel nieuwe MKB bedrijven zijn de afgelopen twee jaar aangesloten bij het topsectorenbeleid?

In de jaren 2011 en 2012 hebben circa 8.500 nieuwe MKB-bedrijven gebruik gemaakt van de innovatie-instrumenten WBSO en IPC ten opzichte van de periode 2007–2010. Alleen voor deze instrumenten is een dergelijke vergelijking mogelijk, aangezien andere instrumenten voor 2011 (nog) niet bestonden of omdat bedrijven ook van WBSO gebruikmaakten.

In de afgelopen twee jaar hebben circa 530 MKB-bedrijven via de specifiek daarvoor bestemde MIT-regeling de aansluiting gemaakt bij het Topsectorenbeleid. Over deelnemende bedrijven aan topconsortia voor kennis en innovatie kunnen in het voorjaar van 2014 cijfers gegeven worden.

24

De technieken van morgen en overmorgen zijn bepalend voor de vraag of Nederland leidend kan zijn en blijven in de wereld, maar zijn de topsectoren de technieken van morgen?

De topsectoren versterken hun concurrentiekracht door in te spelen op de maatschappelijke opgaven waarvoor wij staan, zoals schaarse grondstoffen, klimaat, waterbeheersing en gezondheid. Want deze maatschappelijke opgaven bieden tegelijk marktkansen voor het bedrijfsleven. Nieuwe technologieën en innovatie zijn hierbij de sleutel. Dit vereist kruisbestuiving tussen kennis en ondernemerschap. Door een slimme krachtenbundeling van ondernemers, kennisinstellingen en de overheid kan Nederland de concurrentiekracht versterken en internationaal het verschil maken. Op dit laatste is het topsectorenbeleid gericht, juist omdat topsectoren hoog innovatieve sectoren zijn (met circa 95% van de private R&D-uitgaven) met een sterke exportpositie. Samen met NWO, KNAW, universiteiten en de toegepaste kennisinstellingen investeren de topsectoren in vernieuwende kennis en technieken, zoals nieuwe vormen van energieopwekking en opslag, nanotechnologie, nieuwe materialen en de biobased economy. Maar ook het generieke spoor van het bedrijvenbeleid is in belangrijke mate gericht op het stimuleren van innovatie, o.a. ook bij het MKB.

25

Welke budgetten hebben de verschillende topsectoren nog tot hun beschikking? Kunt u in het antwoord specifiek aangeven hoeveel geld elke topsector beschikbaar heeft, welk deel daarvan vanuit publieke en welk deel uit private middelen afkomstig is, welk deel al is toegekend en hoeveel er nog te verdelen is over nieuwe projecten?

Ter ondersteuning van het bedrijvenbeleid is een pakket aan generieke instrumenten beschikbaar. Een overzicht hiervan is opgenomen in de overzichtstabel bedrijfslevenbeleid en topsectoren in de begroting van het Ministerie van Economische Zaken (pagina 24). In 2014 bedraagt dit pakket 1,388 miljard euro. Gelet op de R&D intensiteit en de internationale positie van de topsectoren zullen bedrijven uit de topsectoren hier bij uitstek van profiteren.

Daarnaast zijn specifieke middelen beschikbaar voor de topsectoren. Op 2 oktober 2013 heeft het kabinet het Nederlandse kennis- en innovatiecontract 2014–2015 naar de Tweede Kamer gestuurd. Dit geeft een overzicht van de beschikbare middelen voor de verschillende topsectoren voor kennis en innovatie, inclusief de herkomst hiervan (zowel publieke als private middelen).

26

Kunt u toelichten op welke wijze de samenwerkingsverbanden in de topsectoren sterker worden verbonden aan de maatschappelijke opgaven uit Horizon2020 en wanneer wordt de Kamer hier uitgebreider over geïnformeerd?

In de topsectoren ontmoeten partijen in Nederland elkaar rondom innovatieagenda’s die ook bijdragen aan Europese prioriteiten waaronder de maatschappelijke opgaven. In de geactualiseerde innovatiecontracten is op verzoek van de Minister van Economische Zaken invulling gegeven aan de aansluiting op Europa, waaronder Horizon 2020. Daarbij wordt deelgenomen aan programma’s, projecten en platforms op EU niveau. Om samenwerking in Europese programma’s te stimuleren en de bijdrage van topsectoren aan maatschappelijke oplossingen te vergroten stelt het kabinet via NWO additionele cofinancieringsmiddelen beschikbaar (€ 36 mln. in de periode 2014–2017). De Minister van Economische Zaken zet bovendien cofinanciering in voor deelname aan Europese publiekprivate samenwerking voor nanolektronica en embedded computing systems en de daarmee samenhangende Eureka clusters en aan het Eurostars programma voor innovatief mkb. Dit jaarlijkse cofinancieringsbudget loopt op tot € 54 miljoen in 2017.

Nederlandse onderzoekers en hun organisaties (kennisinstellingen en bedrijven) worden actief betrokken in klankbordgroepen waar de Nederlandse inzet op de inhoud van Horizon 2020 afgestemd wordt. Per onderdeel van Horizon 2020 bestaat een klankbordgroep waar bedrijven en kennisinstellingen actief in de topsectoren onderdeel van uitmaken. Agentschap NL verzorgt hierbij de ondersteuning met expertise over Horizon 2020. Tevens heeft AgNL een algemene ondersteuningsfunctie voor (potentiële) Nederlandse deelnemers aan Horizon 2020. Op 12 november vindt het Startevenement Horizon 2020 plaats tegelijk met de Innovatie estafette. Hier staan de maatschappelijke opgaven centraal.

Voor het verder optimaliseren van de bijdrage aan maatschappelijke opgaven via (een combinatie van) het topsectorenbeleid, het profileringbeleid van de universiteiten en Horizon 2020 heeft het kabinet de AWT gevraagd hierover te adviseren. Dit advies wordt dit najaar verwacht en zal benut worden voor het sterker verbinden van topsectoren aan maatschappelijke opgaven.

Dit najaar ontvangt de Tweede Kamer van de Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap uitgebreidere informatie over hoe de aansluiting van het Nederlandse onderzoeks- en innovatiebeleid op Horizon 2020 geborgd wordt (Kamerstuk 32 637, nr. 63).

27

Kunt u toelichten op welke wijze de waardevolle activiteiten van de Technologische Topinstituten (TTI's) worden ingebed in de bestaande kennisinfrastructuur?

Aan de topteams is het verzoek gedaan om, indien dit in de betreffende sector speelt, voor 1 november aanstaande een transitieplan in te dienen. In dit transitieplan wordt beschreven hoe de borging van – waardevolle elementen van – de huidige TTI wordt vormgegeven, bijvoorbeeld door inbedding in de bestaande kennisinfrastructuur. Deze waardevolle elementen hebben betrekking op bijvoorbeeld de netwerkfunctie van de huidige TTI’s en de nauwe betrokkenheid van het bedrijfsleven. Het Ministerie van EZ stelt middelen beschikbaar waarmee een transitie kan plaatsvinden van de TTI’s naar de bestaande kennisinsfrastructuur zoals bijvoorbeeld bij NWO of een van de TO2-instituten, het is uiteindelijk aan de topteams en betrokken organisaties om dit in te vullen. Het Ministerie van EZ speelt een ondersteunende rol. Een voorbeeld is de reeds afgeronde transitie van het Embedded Systems Institute bij TNO.

28

Kunt u toelichten hoe de toeslag voor Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI-toeslag) wordt vormgegeven en wie deze toeslag int?

De TKI-toeslag is een overheidsbijdrage van 25% op de private bijdragen aan privaat-publieke onderzoeksprojecten die onderdeel uitmaken van de onderzoekagenda van de topsectoren.

De TKI-toeslag wordt aangevraagd door een TKI en wordt eveneens aan het TKI toegekend voor het uitvoeren van het meerjarig TKI-programma. De toeslag is eind 2012 als een generiek vormgegeven instrument in werking getreden om de privaat-publieke samenwerking op de onderzoeksagenda van de Topsectoren te stimuleren. Op basis van de eerste ervaringen wordt de TKI-toeslag voor 2014 aangepast. Voor de aanpassingen zie het antwoord op vraag 161.

29

Hoe gaat de boodschap «Global Challenges, Dutch Solutions» uitgedragen worden, welke concrete maatregelen gaat het kabinet hier toe nemen en welke doelen heeft het kabinet zich hierbij gesteld?

De boodschap «Global Challenges, Dutch Solutions» geldt tegen de achtergrond van de dubbele uitdaging van dit moment: enerzijds investeren in het verdienvermogen van de Nederlandse economie in het licht van de huidige economische stagnatie en anderzijds de maatschappelijke opgaven waarvoor in Nederland maar ook wereldwijd een antwoord moet worden gevonden. Er wordt hierbij ingezet op een sterke verbinding van het topsectorenbeleid met de maatschappelijke opgaven, zoals zoals schone energie, duurzaam geproduceerd voedsel, betaalbare gezondheidszorg, schoon drinkwater en veilige delta's.

Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen hebben op deze terreinen veel kennis, technologie en producten in huis. Omdat deze opgaven niet uniek zijn voor Nederland, bieden ze volop kansen voor export op de wereldmarkt. Het werken aan oplossingen voor deze opgaven is daarom een bron voor het toekomstig verdienvermogen van de Nederlandse economie. Om dit te bewerkstelligen gaat het om een slimme bundeling van krachten van bedrijven, kennisinstellingen en overheid om grensverleggende innovaties te bereiken. Deze beoogde publiek-private samenwerking vormt de kern van het bedrijvenbeleid. Zoals uit de voortgangsrapportage «Bedrijvenbeleid in volle gang» van 2 oktober 2013 blijkt, is dit beleid de afgelopen drie jaar goed op stoom gekomen. Maar er blijft ruimte voor verbetering. Daarom zet dit kabinet in op een sterkere verbinding van de topsectoren met maatschappelijke opgaven, onder andere in het kader van EU Horizon 2020, het creëren van meer ruimte voor ambitieuze ondernemers (vroege fase financiering, verlenging 1e schijf WBSO, verbetering deelname van het MKB en een verdere vereenvoudiging van de instrumenten (oa TKI-toeslag, spelregels voor PPS).

30

Wat zijn nu exact de extra financieringsmogelijkheden ten opzichte van het al bestaande beleid en welke concrete resultaten worden er per extra investering verwacht?

Het gehele pakket maatregelen voor stimulering van ondernemingsfinanciering biedt extra financieringsmogelijkheden voor ondernemers met een gezonde toekomstverwachting die zelfstandig geen financiering aan kunnen trekken. De maatregelen betreffen zowel investeringen in nieuw beleid als uitbreiding van bestaande regelingen en aanvullende activiteiten. Het gaat om een eenmalige extra budgettaire impuls, maar wel met structurele effecten. Zo zal het opstartbudget van de Nederlandse Investeringsinstelling (NII) helpen om vraag naar en aanbod van met name lange termijn financiering bij elkaar te brengen; de middelen voor de vroege fase financiering zullen deels revolverend zijn en de extra kapitaalsbijdrage voor Qredits en de ROM’s zijn volledig revolverend. Tenslotte zal het flankerend beleid er mede toe leiden dat alternatieve financieringsvormen meer bekend worden en dat het financieringsbewustzijn van het mkb stijgt.

31

Denkt u dat het bankwezen voldoende ondernemers van krediet wil voorzien, zodat zij cofinanciering hebben om aanspraak te kunnen maken op de extra middelen die u beschikbaar stelt via de bedrijfsfinancieringsinstrumenten?

Ondanks het drukkend effect van de huidige aanbod- en vraagontwikkelingen met betrekking tot ondernemingsfinanciering op de benutting, wordt van de uitbreidingen een stimulerend effect verwacht op het gebruik van de instrumenten. Voor de overige maatregelen uit het pakket zal het bankwezen niet optreden als cofinancier.

32

Hoe worden « de samenwerkingsverbanden in de topsectoren» sterker verbonden aan de maatschappelijke opgaven die een rol spelen in de Europese programma’s?

Zie antwoord op vraag 26.

33

Kunt u toelichten wanneer er een besluit wordt verwacht over de al dan niet op te richten Nationale Hypotheekinstelling en op welke wijze de Kamer hierbij wordt betrokken?

Voordat er een definitief besluit wordt genomen tot oprichting van een NHI zal er in ieder geval overeenstemming moeten zijn met de Europese Commissie. Het kabinet zal in de komende periode bezien of en hoe de NHI kan worden ingericht zodanig dat wordt voldaan aan de Europese staatssteunaspecten en de andere randvoorwaarden. Zodra er een voorstel is uitgewerkt dat voldoet aan alle voorwaarden voor volwaardige operationalisering zal ik uw Kamer informeren.

34

Welke mogelijkheden ziet u om financiering van het bedrijfsleven vanuit pesioenfondsen te faciliteren?

Uit het kabinetsoverleg met institutionele beleggers zijn verschillende mogelijkheden naar voren gekomen waardoor pensioenfondsen en verzekeraars een grotere rol kunnen spelen in het financieringsvermogen van de Nederlandse economie.

Ten eerste is besloten tot het oprichten van een Nederlandse Investeringsinstelling (NII). De NII heeft tot doel de vraag naar financieringsmiddelen voor grotere investeringsprojecten te koppelen aan het (potentiële) aanbod van financiering door institutionele beleggers door bundeling van kennis, standaardisatie, beoordeling van proposities en de vorming van de benodigde schaalgrootte en risicospreiding. Zo kunnen goede investeringsinitiatieven zich ontwikkelen tot investeringsproposities die voor institutionele beleggers interessant zijn.

Ten tweede hebben verzekeraars het initiatief genomen om een mkb-financieringsfonds op te richten. Ook pensioenfondsen willen aan het fonds gaan bijdragen. De toegezegde omvang aan dit initiatief bedraagt inmiddels ruim € 200 miljoen. Het initiatief richt zich op kredieten vanaf € 200.000 met een gemiddelde omvang van € 2 miljoen, om zo een alternatieve financieringsbron voor het mkb te bieden. Om ook de financiering van starters en kleine bedrijven te stimuleren, zullen verzekeraars en het kabinet ieder € 30 miljoen bijdragen aan de funding van microfinancieringsorganisatie Qredits. Hiermee wordt het voor Qredits mogelijk om kredieten tot € 150.000 te verstrekken aan ondernemers die hiervoor niet bij de bank terecht kunnen, zoals aangekondigd in het regeerakkoord van dit kabinet. Naar schatting kunnen ongeveer 3.000 kleine bedrijven zo financiering krijgen die zij anders niet zouden verwerven. Dit initiatief ondersteunt de allerkleinste mkb-bedrijven.

35

Hoe is het mogelijk dat met € 30 mln. extra voor Qredits er krediet beschikbaar komt voor 3.000 kleine bedrijven en het plafond wordt verhoogd?

Er komt in totaal € 75 miljoen additionele funding beschikbaar voor Qredits: de overheid en verzekeraars verstrekken ieder € 30 miljoen zodat Qredits kredieten boven de € 50.000 kunnen verstrekken; enkele banken zullen in totaal € 15 miljoen verstrekken zodat Qredits ook door kan gaan met de kredieten tot € 50.000. Gecombineerd met de funding die Qredits reeds heeft (en de aflossingen die daaruit komen) is de verwachting dat de komende jaren 3.000 kredieten per jaar verstrekt kunnen worden. Of dit ook gerealiseerd wordt is mede afhankelijk van hoeveel haalbare ondernemingsplannen bij Qredits worden ingediend.

36

Kunt u toelichten welke verbeteringen in het Middelbaar Beroepsonderwijs (MBO) straks bekostigd kunnen worden uit het op te richten investeringsfonds voor het MBO in het kader van het Techniekpact?

OCW is verantwoordelijk voor de totstandkoming van het Regionaal investeringsfonds mbo en het fonds komt volledig ten laste van de OCW begroting. EZ is, als coördinerend departement van het Techniekpact en als verantwoordelijk ministerie voor het groen onderwijs, nauw betrokken bij de totstandkoming van de subsidieregeling voor het fonds.

Het Regionaal Investeringsfonds mbo moet bijdragen aan een verbetering van de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt door het realiseren van duurzame publiek-private samenwerkingsverbanden tussen onderwijs en bedrijfsleven. Hierbij kan gedacht worden aan het verzorgen van gastlessen en het bieden van faciliteiten door het bedrijfsleven, zodat leerlingen en onderwijspersoneel beschikken over actuele kennis van de beroepspraktijk. Ook kunnen nieuwe centra voor innovatief vakmanschap vanuit het fonds worden gefinancierd. Het fonds draagt zo eveneens bij aan het innovatief vermogen van het bedrijfsleven en heeft mogelijk een positief effect op de instroom bij tekortsectoren.

Voorwaarde voor het ontvangen van middelen uit het fonds is dat er cofinanciering moet zijn vanuit de regio (overheid en bedrijfsleven), en dat er sprake is van een doelmatige organisatie van het onderwijsaanbod. De regeling zal naar verwachting in het voorjaar 2014 beschikbaar zijn.

37

Wat is het positieve effect van een maatregel als de innovatiebox welke winnaars, die reeds winst maken, met hun innovatie beloont en welk marktfalen pakt dit instrument aan?

De doelstelling van deze box is tweeledig: het door Nederland bereiken van een toppositie als vestigingsland en gerichte stimulering van innovatie. Het marktfalen dat de innovatiebox dan ook voornamelijk poogt aan te pakken zijn onderinvesteringen in innovatie, door in aanvulling op de WBSO en RDA (gericht op de kostenkant van innovatie) een fiscale prikkel te geven aan de rendementszijde van innovatie.

In de memorie van toelichting van het Belastingplan 2010 (Kamerstuk 32 128, nr. 3) is de invoering van de innovatiebox als volgt gemotiveerd: «Innovatie is een bron voor duurzame economische groei en levert een belangrijke bijdrage aan de versterking van het concurrentievermogen van Nederland. Omdat het belangrijk is dat Nederland ook in de toekomst aantrekkelijk blijft voor ondernemingen om hun innovatieve activiteiten».

De innovatiebox is nog niet geëvalueerd. De evaluatie, inclusief effectmeting, wordt uw Kamer in 2015 aangeboden. Een goede evaluatie kan pas worden opgeleverd wanneer deze kan worden gebaseerd op harde gegevens (op basis van belastingaangiftes) over tenminste 3 jaren.

38

Klopt het dat het willekeurig afschrijven enkel loont wanneer een bedrijf winst maakt?

De maatregel tijdelijke willekeurige afschrijving biedt bedrijven de mogelijkheid om tussen 1 juli en 31 december 2013 de helft van nieuwe bedrijfsinvesteringen af te schrijven. Die extra afschrijving komt in 2013 ten laste van de winst en verlaagt daarmee de belastingafdracht van Vennootschapsbelasting of Inkomstenbelasting. Daarmee krijgen ondernemers extra liquiditeit en zodoende meer ruimte om te investeren. Een bedrijf dat in 2013 winst maakt profiteert direct van de lagere belastingafdracht.

Voor bedrijven die (nog) geen winst maken vergroot de willekeurige afschrijving het verlies. Dankzij de mogelijkheid van verliesverrekening kunnen bedrijven het voordeel uit willekeurige afschrijving terugwentelen dan wel meenemen naar de toekomst. Het kabinet gaat ervan uit dat dit voor gezonde bedrijven voldoende mogelijkheden biedt om de prikkel te laten werken.

39

Op welke manier stimuleert u de ontwikkeling van energie-innovaties in 2014 en op de lange termijn en op welke manier worden deze innovaties ook gestimuleerd in het begin van de innovatiecyclus?

Stimulatie van energie-innovatie gebeurt in de eerste plaats via de Topsector Energie. Op basis van adviezen van het Topteam over de voorstellen van bedrijven en kennisinstellingen ontvangen deze subsidie voor onderzoeksprojecten die ze gezamenlijk in TKI-verband uitvoeren.

Daarnaast ondersteunt het Ministerie van EZ de ontwikkeling van nieuwe kennis en toepassingen daarvan door een jaarlijkse subsidie aan Energieonderzoekcentrum Nederland (ECN) en TNO. Dit betreft zowel onderzoek naar nieuwe concepten, dat meer fundamenteel van aard is, alsook meer toegepast onderzoek en ontwikkeling die deze kennisinstellingen samen met bedrijven (in TKI-verband) uitvoeren.

Ten slotte wordt via het Ministerie van OCW, de universiteiten, Hogescholen en de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) het fundamenteel onderzoek ondersteund. NWO participeert daarbij tevens in de Topsector Energie, waarbij een gezamenlijke onderzoeksagenda met bedrijven wordt uitgevoerd.

40

Innovatie is onontbeerlijk voor productiviteitsgroei, vandaar dat dit kabinet inzet op het bevorderen van innovatie, maar op welke manier stimuleert dit kabinet de ontwikkeling van energie-innovaties in 2014 en op de lange termijn? Op welke manier worden deze innovaties ook gestimuleerd in het begin van de innovatiecyclus?

Zie het antwoord op vraag 39.

41

Kunt u vertellen of het kabinet ook heeft overwogen het minimumbedrag voor het Innovatiekrediet te verlagen, om zo een grotere groep startende ondernemers te kunnen bedienen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom is hier niet voor gekozen?

Het minimumbedrag/ondergrens voor het Innovatiekrediet is in 2012 aanzienlijk verlaagd. Deze verlaging van € 300.000 naar € 150.000 maakt een kredietbijdrage van de overheid van circa € 50.000 mogelijk. De in deze zomer aan de Tweede Kamer aangeboden evaluatie van het Innovatiekrediet geeft geen aanleiding tot verdere verlaging van deze ondergrens. Het kabinet heeft er voor gekozen om als onderdeel van het investeringspakket de percentages van de kredietbijdrage van de overheid voor kleinere bedrijven te verhogen van 35% naar 45% en tot maximaal 50% voor die projecten waarin met een kennisinstelling wordt samengewerkt. Deze verruiming zal naar verwachting leiden tot een toename van het aantal kredieten voor startende ondernemers.

Daarnaast is de tweede pijler van het Innovatiefonds MKB+ specifiek gericht op startende innovatieve ondernemers. Hiermee komt complementair aan het Innovatiekrediet risicokapitaal beschikbaar voor een grote groep van deze starters.

42

Welke middelen zijn er beschikbaar voor cofinanciering bij voor de Operationele programma’s bij het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO)?

Via de begroting van het Ministerie van EZ stelt het Rijk voor de periode 2014–2020 € 91 miljoen beschikbaar voor cofinanciering van de vier landsdelige EFRO-programma’s en € 49 miljoen voor de vier EFRO-programma’s voor grensoverschrijdende samenwerking waarin Nederland participeert.

43

Ligt het behalen van de doelstelling om in deze kabinetsperiode de regeldruk voor ondernemers met € 2,5 mld euro te verlagen op schema?

Zoals aangegeven in de beantwoording van de vragen van uw Kamer naar aanleiding van de «Programmabrief goed geregeld» van 24 juli jl. (Kamerstuk 29 362, nr. 212) heeft het kabinet een lijst met maatregelen die optelt tot een netto reductie van € 1,3 miljard in portefeuille. Momenteel wordt gewerkt aan een verdere inventarisatie van maatregelen met nadere kwantificering waarmee naar verwachting een substantieel gedeelte van de ontbrekende € 1,2 miljard kan worden ingevuld. In de najaarsrapportage later dit jaar ontvangt uw Kamer een geactualiseerd beeld van te verwachten reducties.

44

Is er een peiling geweest wat ondernemers vinden van de ondernemerspleinen? Zo ja, kunt u die naar de Kamer sturen?

Ja, een dergelijk onderzoek onder ondernemers heeft begin 2012 plaatsgevonden en heeft aan de basis gestaan van de ontwikkeling van het dienstverleningsconcept. Bureau Firefly/Millward Brown heeft toen een kwalitatief onderzoek uitgevoerd naar de attitude van ondernemers ten opzichte van het concept Ondernemersplein. Tevens is bekeken hoe de wensen en behoeften van de doelgroep zich verhouden tot de uitgangspunten van het Ondernemersplein en zijn de specifieke wensen en behoeften met betrekking tot de diensten en producten die moeten worden aangeboden gepeild inclusief de gewenste voorkeurskanalen daarbij (digitaal of fysiek).

De belangrijkste bevinding vanuit het onderzoek is dat het onderliggende idee van het Ondernemersplein door de ondernemer wordt omarmd. Wel met enige reserve. Deze reserve zit hem voornamelijk in de perceptie dat de overheid de initiator is van het initiatief en niet het bedrijfsleven waardoor het een organisatorische ingreep lijkt boven een ondernemersgedreven ontwikkeling. Om deze scepsis weg nemen dient het Ondernemersplein voldoende meerwaarde te bieden. Dit zou hem moeten zitten in een toegenomen toegankelijkheid, het leveren van meer kennis, gemak, snelheid en lagere kosten ten opzichte van de huidige situatie.

Het is de bedoeling dat de nieuwe KvK ondernemers – bijvoorbeeld via ondernemerspanels – nauw blijft betrekken bij de ontwikkeling van haar producten en dienstenpakket.

45

Wanneer heeft de laatste nulmeting plaatsgevonden of herijking plaatsgevonden van administratieve lasten?

De laatste nulmeting van administratieve lasten is uitgevoerd in 2008. Nulmetingen waren nodig om een ijkpunt vast te stellen, waaraan een percentuele reductiedoelstelling kon worden gekoppeld. Met ingang van het kabinet Rutte II is de aanpak van de zogenaamde «inhoudelijke nalevingskosten» geïncorporeerd in de aanpak van regeldruk. Daarmee is de percentuele reductiedoelstelling omgezet in een absolute reductiedoelstelling van € 2,5 miljard ultimo 2016. Deze doelstelling wordt behaald door een structurele vermindering van zowel de administratieve lasten als de inhoudelijke nalevingskosten.

46

Kunt u toelichten welke andere afspraken er zijn gemaakt met de detailhandel tijdens de rondetafel-bijeenkomst in juli en op welke wijze worden deze afspraken uitgewerkt en opgevolgd?

Tijdens de rondetafel-bijeenkomst van 11 juli 2013 is naast de Taskforce Winkelleegstand (zie ook vraag 51) nog een aantal andere acties afgesproken. Een deel van de acties wordt uitgevoerd door de sector zelf, zoals de uitvoering van een best practices onderzoek in het kader van de aanpak van leegstand. De regionale overheden zullen in G32-verband een congres organiseren over dit onderwerp.

Naast winkelleegstand is ook gesproken over diverse andere onderwerpen. Deze betreffen onder andere financiering, administratieve lasten en mogelijkheden voor internationale groei. Zo coördineert het Ministerie van Economische Zaken een onderzoek naar reductie administratieve lasten van kleine banen in het kader van de afspraken in het sociaal akkoord.

Voorts zijn afspraken gemaakt om de door de sector ervaren knelpunten in Europese regelgeving voor de detailhandel gezamenlijk te onderzoeken en eventuele acties te ondernemen. Hetzelfde geldt voor belemmeringen die worden ondervonden bij internationale uitbreidingen van winkelketens.

Tenslotte heeft de detailhandel sector gevraagd om met telecomproviders te bezien of de data ten behoeve van betalingsverkeer kunnen worden overgenomen door andere providers (regional roaming), indien er een grootschalige telefoonstoring plaatsvindt. Het overnemen van elkaar klanten gebeurt met spraak en sms. Deze vraag wordt meegenomen in een recent gestart onderzoek naar nut en noodzaak dit uit te breiden naar dataverkeer. Eind van het jaar worden de resultaten verwacht.

47

Kunt u een overzicht geven van de geplande en verwachte wijze van verdere behandeling van de verordening ter versterking van een Interne Telecommarkt in Brussel en Nederland? Welke reacties heeft u ontvangen van de ICT- en telecomsector op de voorstellen in deze verordening en kunt u toelichten in hoeverre de voorstellen in de verordening investeringen in Nederland ter verbetering van de ICT-infrastructuur aantrekkelijk maken?

Op 11 september 2013 heeft de Europese Commissie een ontwerpverordening gepresenteerd voor de versterking van de interne Europese markt voor elektronische communicatie. Tijdens de Europese Raad van 24 en 25 oktober zal de ontwerpverordening als onderdeel van de Digitale Interne Markt op de agenda staan. Tijdens de vergadering van de Raad Vervoer, Telecommunicatie en Energie van 6 december zal de ontwerpverordening besproken worden en indien mogelijk tot een gemeenschappelijk standpunt komen dat vervolgens door Europees Parlement behandeld zal worden. De Europese Commissie gaat er van uit dat de verordening op 1 juli 2014 in werking kan treden.

De aanbieders zijn vooral positief over het streven naar meer harmonisatie op het gebied van spectrumbeleid en marktverdeling. Ze zijn ook positief over het voorstel om eindgebruikersbescherming, inclusief netneutraliteit, op Europees niveau te regelen, maar hebben wel kritiek op de inhoud. Ze zijn zeer kritisch over de roamingvoorstellen. De Consumentenbond is juist positief over de roamingvoorstellen en ook over de voorstellen om de bescherming van eindgebruikers, inclusief netneutraliteit, te versterken. Over de voorstellen om meer terughoudendheid te betrachten bij de toegangsregulering van vaste netwerken zijn de meningen verdeeld.

In het BNC-fiche, dat medio oktober naar uw Kamer zal worden gestuurd, zal het kabinet uitgebreider reageren op de voorstellen van de Europese Commissie.

48

Kunt u in uw middellangetermijnvisie op de ontwikkeling van telecommunicatie en het internet ook ingaan op de voorstellen van Eurocommissaris Kroes?

Ja, dat zal ik doen.

49

Kunt u aangeven op welke manier en wanneer u de Kamer gaat informeren over de volgende frequentie-uitgifte?

Ik zal de Tweede Kamer in de tweede helft van 2014 met een brief informeren over de volgende frequentie-uitgifte van de vergunningen in de 2.1 GHz band. De huidige vergunningen lopen af per 1 januari 2017. In mijn brief aan de Tweede Kamer van 5 juli 2013 over het schema van deze volgende veiling heb ik toegezegd dat er geen onomkeerbare stappen zullen worden gezet in de voorbereiding van het uitgiftebeleid van de 2.1 GHz-band voordat de evaluatie van de multibandveiling is afgerond (Kamerstuk 24 095, nr. 354). Die resultaten van de evaluatie worden voor medio 2014 verwacht. Na mijn brief in 2014 over het uitgiftebeleid zal de regelgeving voor de uitgifte worden opgesteld. Uw Kamer zal uiteraard worden betrokken bij deze regelgeving, onder andere bij de consultatie van de betreffende Ministeriële Regeling. In beginsel vindt de herverdeling van de 2.1 GHz vergunningen plaats in 2015, zodat de (nieuwe) vergunninghouders zich tijdig kunnen voorbereiden op de situatie vanaf 2017.

50

Kunt u het programma Digiveilig en de aangekondigde activiteiten op het gebied van privacy gedetailleerder toelichten?

Het programma Digiveilig is op initiatief van het Ministerie van Economische Zaken tot stand gekomen en wordt door het publiek-privaat platform ECP uitgevoerd. Het doel van het programma Digiveilig is het vergroten van de digitale veiligheid en gebruikers te voorzien van informatie die een gerechtvaardigd vertrouwen in ICT en internet mogelijk maken.

De uitvoering van het programma wordt mede gefinancierd door het Ministerie van Economische Zaken, de Europese Commissie vanuit het Safer Internet Program en door partijen als KPN, UPC, ZIGGO, NVB, SIDN, IBM, CA-ICT. Het programma bevat voorlichtings- en bewustwordingsactiviteiten, zoals Website Digibewust, deelname aan de campagne Alert Online, wachtwoorden campagne, inrichting website Meldknop.nl voor jongeren, Stop Cybercrime.nl en de e-mailcursus Digibewustondernemenin1minuut.nl.

Daarnaast worden vanuit het progamma diverse werkgroepen ondersteund, op het terrein van Notice and Takedown, aanpak botnets, privacy, veilige hard- en software en mobiel internet. Verder vindt ondersteuning van de Digiraad (jongerenadviesraad) plaats. Tot slot wordt onderzoek verricht (bijvoorbeeld naar «bring your own device») en worden bijeenkomsten georganiseerd over bijvoorbeeld e-privacy. Doel van deze activiteiten is met name gericht op het bieden van praktische handelingsperspectieven voor bedrijven en burgers. In de nadere omschrijving van de werkgroep privacy worden hiervoor enkele voorbeelden gegeven.

Specifiek op het terrein van privacy is een werkgroep gestart met als doel kennisopbouw en kennisdeling rondom privacyvraagstukken zodat de omgang met privacy bij het opzetten van nieuwe producten en diensten wordt verbeterd. Voorts stelt zij concrete praktische tools en handreikingen op voor met name het MKB en een overzicht van best practices privacy voorwaarden. Deze producten worden verspreid onder het MKB via de e-mailcursus «Digibewustondernemenin1minuut.nl», waarin een speciale privacy aflevering is opgenomen. Tot slot worden de best practices bij «Privacy by design» en de «Privacy impact assessment» in beeld gebracht. Begin volgend jaar wordt een rapport opgeleverd over de resultaten van de consultatierondes met de marktpartijen. In 2014 worden de beste innovaties gepubliceerd. Via de werkgroep vindt ook de nationale doorvertaling van de CEO coalition Safer internet (EU) plaats.

51

Kunt u aangeven wat precies de opdracht is van de Taskforce Leegstand, voor hoe lang de taskforce een mandaat heeft en hoeveel geld er is gemoeid met deze taskforce? Kunt u de relatie aangeven tussen de Taskforce Leegstand en de vanuit MKB-Nederland georganiseerde Winkeltop waarin over een breed scala aan structurele problemen in de winkelmarkt wordt gesproken, waaronder over leegstand? Zijn er nog andere soortgelijke initiatieven? Zo ja, wat is precies de meerwaarde van deze taskforce?

De Taskforce Winkelleegstand is een initiatief van Detailhandel Nederland. Detailhandel Nederland werkt momenteel aan een voorstel dat zal worden besproken in de Winkeltop. Vanuit het Rijk zijn de Ministeries EZ en IenM bereid om, naast andere partijen, te faciliteren waar dit nodig en passend is. De verantwoordelijkheid voor ruimtelijke ordening en winkelleegstand is sinds 2004 (Nota Ruimte) gedecentraliseerd en daarmee de verantwoordelijkheid van gemeenten en provincies. De rol van het Rijk is dus primair faciliterend.

De Taskforce zal de Winkeltop niet vervangen, maar acties uitvoeren en rapporteren aan de Winkeltop die inderdaad een bredere scope heeft. Doel van de taskforce Winkelleegstand is met name andere overheden instrumenten aan te reiken waarmee ze winkelleegstand kunnen tegengaan. De Winkeltop bepaalt het mandaat van de taskforce, de taskforce rapporteert de voortgang aan de Winkeltop. Met deze taskforce is geen Rijksgeld gemoeid.

52

Kunt u aangeven waarom de Taskforce Leegstand zich beperkt tot de leegstand in de winkelmarkt en hoe betrekt u andere problematiek in uw aanpak, zoals winkellocatiebeleid, de Europese Dienstenrichtlijn en ruimtelijke ordening?

Zie het antwoord op vraag 51.

53

Kunt u toelichten wat de Taskforce Leegstand behelst?

Zie het antwoord op vraag 51.

54

Kunt u een zo specifiek mogelijk overzicht van de voorbereiding van de volgende frequentie-uitgifte geven, inclusief de planning van de consultatie de nieuwe veilingopzet en de wijze waarop de evaluatie van de laatste veiling hierbij betrokken wordt?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 49.

55

Op welke punten brengt de verordening Interne Telecommarkt overdracht van nationale bevoegdheden aan de Europese Unie (EU) met zich mee?

Het voorstel van de Europese Commissie is een ontwerpverordening. Een verordening heeft rechtstreekse werking. Met name op het gebied van bescherming van eindgebruikers bevat de ontwerpverordening concreet uitgewerkte bepalingen. Voor wat betreft datgene wat in die bepalingen is geregeld bestaat er geen nationale ruimte om daar van af te wijken. Voor andere onderwerpen op eindgebruikerbescherming bestaat die ruimte nog wel voor zover de bestaande richtlijnen daarvoor ruimte laten.

Op het gebied van spectrumbeleid krijgt de Europese Commissie in de ontwerpverordening de bevoegdheid om ontwerpmaatregelen van lidstaten te blokkeren. Ook krijgt de Europese Commissie meer bevoegdheden om ontwerpmaatregelen van nationale toezichthouders te blokkeren.

56

Klopt het dat de verordening Interne Telecommarkt meer dan twee aanbieders van vaste telecommunicatienetwerken in een lidstaat verbiedt?

De Europese Commissie streeft naar meer terughoudendheid met name bij de regulering van toegang tot vaste netwerken om zo investeringen in netwerken te bevorderen. In de ontwerpverordening worden de criteria om over te gaan tot toegangsregulering geformaliseerd. In de toelichting wordt aangegeven dat concurrentie tussen twee aanbieders van vaste netwerken voldoende zou kunnen zijn. Op basis van een marktanalyse zullen de nationale toezichthouders vast moeten stellen of er sprake is van voldoende concurrentie. Nationale toezichthouders moeten hun ontwerpbesluiten notificeren bij de Europese Commissie. De Europese Commissie toetst of de ontwerpbesluiten in lijn zijn met de Europese regels. Indien dat het geval is kan de Europese Commissie een ontwerpbesluit blokkeren. Het verminderen van toegangsregulering is mogelijk indien er voldoende concurrentie is. Alternatieve aanbieders, die op dit moment afhankelijk zijn van toegang tot vaste netwerken, kunnen nodig zijn om er voor te zorgen dat er voldoende sterke concurrentie is.

57

Welke effecten hebben de Telecomplannen van Eurocommissaris Kroes voor de ontwikkelingen van de Nederlandse telecomsector en de consumenten?

Met de voorstellen worden verdere stappen gezet in het realiseren van een Europese interne markt. Het wordt gemakkelijker om in heel Europa diensten aan te bieden en tariefverschillen tussen binnenlandse elektronische communicatie en elektronische communicatie binnen de Europese Unie worden verder weggenomen. Daarnaast leiden de voorstellen tot meer harmonisatie ten aanzien van marktregulering en sterkere Europese coördinatie op het gebied van spectrumgebruik. De voorstellen voorzien ook in meer bevoegdheden voor de Europese commissie op het gebied van marktregulering en het gebruik van spectrum.

De consumentenrechten worden met de telecomplannen op Europees niveau geharmoniseerd. Met de voorstellen wordt ingezet op een hoog beschermingsniveau voor de consument. Meer transparantie over tarieven en voorwaarden, gelijke bescherming voor alle onderdelen van de bundel, het voorkomen van onverwacht hoge rekeningen, het gemakkelijker kunnen overstappen en een verbreding van de bescherming naar alle eindgebruikers, dus ook (klein)zakelijke gebruikers. Het gaat om onderwerpen die Nederland ook belangrijk vindt. Een aantal onderwerpen zijn op vergelijkbare wijze geregeld. Andere onderwerpen staan prominent op de Nederlandse beleidsagenda.

58

Wat is de totale leegstand in Nederland van het aantal winkelpanden? Welke voortgang is er gemaakt met de taskforce?

Volgens Locatus stond van de 220.000 winkelpanden in Nederland op 1 januari 2013 6,4% leeg. Dit is een gemiddelde. Er zijn per provincie grote verschillen in leegstandscijfers. Zo is de leegstand in Noord Holland 3,9% het laagst, gevolgd door Utrecht met 5,0%. Net als vorig jaar zien we in provincies waar de bevolkingskrimp nog wordt verwacht hogere leegstandscijfers. De meeste leegstand is wederom te vinden in Limburg (9,8%). De provincie Zeeland vertoont een verbetering van 7,8% naar 7,2%. De Taskforce Winkelleegstand zit in de opstartfase.

59

Op welke manier zal de verordening ter versterking van een Interne Telecommarkt worden behandeld door het kabinet?

Het kabinet zal de voorstellen op korte termijn bespreken en een reactie geven in de vorm van een BNC-fiche, wat, zoals gebruikelijk, aan de Kamer zal worden toegestuurd. Ter voorbereiding van de Europese Raad en de Raad Vervoer, Telecommunicatie en Energie zal een geannoteerde agenda aan uw Kamer worden gestuurd waarover overleg met uw Kamer plaats zal vinden.

60

Stuurt u de evaluatie van de multibandveiling tijdig naar de Kamer en kunt u toezeggen het uitgiftebeleid eerst met de Kamer te bespreken alvorens u het beleid formuleert?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 49.

61

Kunt u de Kamer, in de voorbereiding op het wetsvoorstel voor modernisering van de universele postdienst (UPD), informeren over de precieze daling van het postvolume, over heel Nederland en per provincie en kunt u dit onderbouwen met cijfers? Kunt u tevens aangeven hoeveel werknemers werkzaam zijn binnen de UPD? Kunt u een vergelijking maken met andere Europese landen, zoals het Verenigd Koninkrijk, België, Duitsland en Frankrijk en kunt u ook deze antwoorden onderbouwen met cijfers?

In het kader van de evaluatie van de universele postdienst (UPD) heeft onderzoeksbureau WiK-Consult in 2011 ontwikkelingen in de UPD in kaart gebracht. Hieruit komt naar voren dat de UPD circa 14% van het totale postvolume inneemt (zie ook Kamerstuk 29 502, nr. 77). Omdat de verlener van de universele postdienst de verlening van de UPD heeft geïntegreerd met de overige dienstverlening van het bedrijf is niet bekend hoeveel werknemers werkzaam zijn binnen de UPD. In het onderzoek van WiK-Consult is uitgebreid ingegaan op ontwikkelingen in de postvolumes, waarbij verschillende scenario’s zijn onderzocht. Als gevolg van veranderingen in de behoeften en het gedrag van gebruikers van de UPD werd in dit onderzoek in 2011 voorzien dat UPD-volumes tot 2020 jaarlijks 3,8 tot 6,5 procent zouden afnemen. Recente cijfers wijzen er echter op dat de vraag naar UPD-diensten sneller en in toenemende mate afneemt, met circa 9 tot 10 procent per jaar (zie bijvoorbeeld het jaarverslag van PostNL over 2012). Informatie over ontwikkelingen in de postvolumes die binnen en tussen provincies wordt verstuurd, is niet beschikbaar.

Ontwikkelingen in de verschillende postmarkten van de lidstaten van de Europese Unie vormen een specifiek aandachtsgebied van de Europese Commissie, die hiernaar periodiek extern onderzoek laat verrichten. Het meest recente onderzoek is in augustus 2013 gepubliceerd (WiK-Consult (2013), «Main Developments in the Postal Sector (2010–2013)»). Omdat de precieze invulling van de UPD sterk per lidstaat verschilt, wordt in dit onderzoek geen vergelijking gemaakt van ontwikkelingen in de UPD tussen de verschillende lidstaten maar wordt met name gekeken naar het geheel aan brievenpostverkeer en pakketvervoer, dus inclusief UPD en zakelijk postverkeer. In dit onderzoek komt naar voren dat in vrijwel alle lidstaten een trend waarneembaar is van dalende volumes binnen het brievenpostverkeer, alsook van toenemende druk op de financiële houdbaarheid van de UPD en afnemende werkgelegenheid binnen het brievenpostverkeer. Belangrijke oorzaken hiervan zijn volgens de onderzoekers veranderingen in de behoeften en het gedrag van gebruikers en de economische neergang in de Europese Unie. Volgens de onderzoekers hebben verschillen in de ontwikkelingen in de lidstaten deels te maken met de mate waarin consumenten gebruik kunnen maken van elektronische alternatieven. Door betere beschikbaarheid van het internet stappen consumenten in West-Europese landen, met name in Nederland en Denemarken, volgens de onderzoekers sneller over naar elektronische communicatiediensten zoals e-mail. Zoals uw Kamer bij brief van 3 juni 2013 is geïnformeerd, zal in het wetsvoorstel ter modernisering van de UPD een periodieke evaluatie van de UPD zijn opgenomen (Kamerstuk 29 502, nr. 110). Bij deze evaluatie zal specifiek worden ingegaan op ontwikkelingen in de behoeften en het gedrag van gebruikers van de UPD, alsook op toekomstige ontwikkelingen.

62

Op welke manier is de wetenschap betrokken bij het Energieakkoord en welke rol speelt innovatie hierbij?

De pijler van het Energieakkoord die zich richt op de commercialisering van innovatie en schone energietechnologieën bouwt voort op de Topsector Energie, waarbij zowel NWO als de kennisinstellingen voor toegepast onderzoek nauw betrokken zijn.

Verder heeft het akkoord inhoudelijk gevolgen voor de prioriteiten die gezet worden in het energiebeleid, zoals een grotere nadruk op energiebesparing en een versnelde uitrol van windenergie op zee. Universiteiten en kennisinstellingen voor toegepast onderzoek zullen hieraan een bijdrage gaan leveren in de vorm van energie-innovaties die bijvoorbeeld betrekking hebben op efficiënte opwekking en opslag, zodat mogelijk de kostprijs omlaag kan.

63

Hoe wordt voorkomen dat met het huidige energiebeleid en het gesloten Energieakkoord een focus op de nabije toekomst ligt, in plaats van ook vergezichten te ontwikkelen waarbij technologieën als Zon-PV een grote rol spelen?

In het Energieakkoord is aangegeven dat bij energie-innovatie wordt voortgebouwd op de Topsector Energie. De Topsector Energie is zowel gericht op het versterken van de commercialisering van innovaties en het verdienvermogen van de energiesector op korte termijn, alsook op het ontwikkelen van energietechnologie die nodig is voor het bereiken van een CO2-arme energievoorziening in 2050.

64

Hoe wordt in 2014 een integrale aanpak gestimuleerd in de transitie van de gebouwde omgeving zodat decentrale opwekking door particulieren van de grond komt?

In het Energieakkoord wordt ingezet op een integrale aanpak waarbij als uitgangspunt is opgenomen dat burgers en bedrijven zelf belang hebben bij en verantwoordelijkheid nemen voor energiebesparing en lokale opwekking. Daarom is gekozen voor een combinatie van voorlichting en bewustwording, ontzorging en financieringsondersteuning om de transitie in de gebouwde omgeving te stimuleren. Specifiek voor lokale energie is per 1 januari ook een verlaagd tarief in de energiebelasting van toepassing.

De integrale aanpak komt onder andere tot uitdrukking in de rol die gemeenten op zich nemen als facilitator op lokaal en regionaal niveau om energiebesparing en lokale energie actief te ondersteunen. Hierbij zullen de gemeenten andere partijen, zoals uit bouw- en installatiesector, intensief betrekken.

65

Is met de uitvoering van de afspraak om 1,5% van het finale energiegebruik te besparen volledig voldaan aan de eisen uit de Energy Efficiency Directive? Zo nee, hoe wordt dat dan alsnog gerealiseerd?

Met de afspraak in het Energieakkoord om 100 PJ te besparen bij eindverbruikers is volgens het Planbureau voor de Leefomgeving de kans meer dan 50% dat wordt voldaan aan de eis uit de Energy Efficiency Directive om minimaal 1,5% energie te besparen bij eindverbruikers.

66

Hoe groot wordt het aparte budget voor wind op zee per jaar en in totaal ter realisatie van de beoogde 4.450 Megawatt (MW)?

Om 4.450 MW aan windmolens op zee te hebben draaien in 2023 moet 3.450 MW worden aanbesteed in de periode 2015–2019. Rekening houdend met de overeengekomen kostprijsdaling zal daarvoor een verplichtingenbudget moeten worden opengesteld van in totaal circa € 18 miljard.

67

Is het totale budget voor de Stimuleringsregeling duurzame energieproductie (SDE+) berekend met het uitgangspunt dat het net-op-zee binnen de projectkosten voor wind op zee zit en dus binnen de kostendaling van 150 euro/MWh in 2015 en de daling daarna?

Het SDE+budget is berekend op basis van de totale kosten voor wind op zee, inclusief aansluiting. Als er een net op zee wordt aangelegd en de kosten verschuiven daardoor van de SDE+ naar bijvoorbeeld de netwerktarieven die de netbeheerders in rekening brengen bij afnemers, dan is er geen sprake van een kostendaling, maar van een verschuiving. In dat geval zal het SDE+budget worden verlaagd. De afgesproken 40% kostenreductie wordt gerealiseerd door innovaties en verbeteringen van de productiviteit.

68

Hoe groot wordt het bedrag voor de op 25 petajoule (PJ) begrensde hoeveelheid bij- en meestook biomassa per jaar tot 2020?

De hoeveelheid bij- en meestook van biomassa is gemaximeerd op 25 PJ in het SER-akkoord. Ik werk de komende tijd uit hoe ik bij- en meestook het beste kan stimuleren. Indien ik deze technologie laat meeconcurreren in de SDE+, is het mogelijk bijvoorbeeld dat er minder dan 25 PJ wordt meegestookt door concurrentie met andere technieken. Ik kan dan ook op dit moment niet zeggen wat voor bedrag maximaal beschikbaar is voor bij- en meestook. Ik werk nu eerst de stimuleringsmethodiek uit en zal dit aspect daar uiteraard in meenemen. Het uitgangspunt is een zo kosteneffectief mogelijke stimulering van duurzame energie.

69

Hoeveel wordt er voor de jaren tot 2020 jaarlijks aan (meerjarige) SDE+ verplichtingen aangegaan om tot 16% in 2023 te komen?

Ik bekijk jaarlijks wat voor budget nodig is om op koers te blijven voor 14% duurzame energie in 2020 en 16% duurzame energie in 2023. Kenmerkend voor de SDE+ is dat deze technologieneutraal is. Ik weet dus vooraf niet precies welke technologieën welk deel van het budget zullen benutten. Omdat goedkope opties voorrang krijgen, worden de doelstellingen daardoor zo kosteneffectief mogelijk gerealiseerd. Als er veel goedkope opties beschikbaar zijn, dan kan ik volstaan met het openstellen van lagere budgetten. Als er alleen of vooral duurdere projecten resteren, dan zullen hogere budgetten worden gepubliceerd.

70

Leidt de korting op de Energie-investeringsaftrek (EIA) in 2014 tot een korting op projecten die reeds een SDE+ beschikking hebben, gebaseerd op EIA subsidie?

Nee. Installaties met een SDE+ beschikking van 2013 of eerder, hebben bij hun aanvraag van subsidie gerekend op de EIA. Ook waren de basisbedragen in eerdere regeling berekend op een situatie met EIA. Daarom komt er een overgangsregime voor projecten die in 2013 of eerder een SDE+ beschikking hebben ontvangen en nog geen gebruik hebben gemaakt van de EIA. Zij kunnen nog wel EIA aanvragen.

71

Hoe wordt in 2014 en in de periode daarna een integrale aanpak gestimuleerd in de transitie van de gebouwde omgeving zodat decentrale opwekking door particulieren van de grond komt?

In het energieakkoord wordt ingezet op een integrale aanpak waarbij als uitgangspunt is opgenomen dat burgers en bedrijven zelf belang hebben bij en verantwoordelijkheid nemen voor energiebesparing en lokale opwekking. Daarom is gekozen voor een combinatie van voorlichting en bewustwording, ontzorging en financieringsondersteuning om de transitie in de gebouwde omgeving te stimuleren. Specifiek voor lokale energie is per 1 januari ook een verlaagd tarief in de energiebelasting van toepassing.

De integrale aanpak komt onder andere tot uitdrukking in de rol die gemeenten op zich nemen als facilitator op lokaal en regionaal niveau om energiebesparing en lokale energie actief te ondersteunen. Hierbij zullen de gemeenten andere partijen, zoals uit bouw- en installatiesector, intensief betrekken.

72

Kunt u, uitgesplitst naar woningcorporatie, aangeven wat nu de energiezuinigheid is van de woningvoorraad en om hoeveel woningen het gaat?

De Minister voor Wonen en Rijksdienst zal deze vragen beantwoorden.

73

Bent u bereid een indicator op te nemen in de begroting, op basis waarvan de voortgang van de door de woningbouwcorporaties beloofde additionele investeringen in energiebesparing inzichtelijk gemaakt wordt?

De Minister voor Wonen en Rijksdienst zal deze vragen beantwoorden.

74

Kunt u per regionale uitvoeringsdienst (RUD) aangeven hoeveel FTE er (extra) beschikbaar komt voor de handhaving van de Wet Milieubeheer met betrekking tot energiebesparing?

Er is geen extra capaciteit voor de RUD’s ingepland met betrekking tot energiebesparing.

In het Energieakkoord zijn tussen het Rijk en het bevoegde gezag afspraken gemaakt om de handhaving van de Wet Milieubeheer met betrekking tot energiebesparing substantieel te versterken. Er wordt hierbij gestuurd op het maken van (prestatie)afspraken tussen Rijk en bevoegde gezagen. Hierbij is de insteek dat wordt uitgegaan van een slimmere en eenvoudigere aanpak die is gericht op de introductie van de maatregelenlijst, invoering van de EnergiePrestatieKeur en het expertisecentrum. De komende tijd wordt dit pakket nader uitgewerkt.

75

Hoe wordt, gelet op het opheffen van de Productschappen en de bijbehorende bevoegdheden, de naleving van de in het Energieakkoord gemaakte afspraken gehandhaafd?

In het Energieakkoord is afgesproken dat er bij de SER een permanente commissie wordt opgericht die de naleving van de afspraken zal monitoren en waar nodig faciliteren. Daarnaast geldt dat de Staatssecretaris met de glastuinbouw nog concreter invulling zal geven aan de afspraken in het Energieakkoord en de borging daarvan via een meerjarenafspraak voor het onderzoeks- en innovatieprogramma Kas als Energiebron, die voor 1 januari 2014 zal worden gemaakt. Uitgangspunt voor de financiering is dat het bedrijfsleven, ook na het opheffen van de productschappen, zelf zorgdraagt voor de noodzakelijke cofinanciering.

76

Hoe wordt de prestatie waaraan de corporaties zich gecommitteerd hebben vastgesteld in 2014, 2015, 2016 en 2017 (zowel qua woningvoorraad als geld)?

De Minister voor Wonen en Rijksdienst zal deze vragen beantwoorden.

77

Hoe wordt de prestatie waaraan de corporaties zich gezamenlijk gecommitteerd hebben vastgesteld per individuele organisatie?

De Minister voor Wonen en Rijksdienst zal deze vragen beantwoorden.

78

Hoe wordt rekening gehouden met verkochte huurwoningen bij het vaststellen van het gemiddelde energielabel B?

De Minister voor Wonen en Rijksdienst zal deze vragen beantwoorden.

79

Hoe wordt de € 400 mln subsidie verdeeld tussen de woningbouwverenigingen?

De Minister voor Wonen en Rijksdienst zal deze vragen beantwoorden.

80

Hebt u contact gezocht met de Europese Commissie om bevestiging te krijgen dat de passages in het Energieakkoord wat betreft de Energy Efficiency Directive (bijvoorbeeld met betrekking tot de warmtekrachtkoppeling (WKK)) overeenkomen met een juiste implementatie van de EED richtlijn?

De passages in het Energieakkoord die betrekking hebben op de Energy Efficiency Directive, waaronder WKK, respecteren deze richtlijn en doen daar geen afbreuk aan. Daarnaast is er op ambtelijk niveau contact over de – wijze van – implementatie van de EED met de Commissie. Bovendien zal bij de implementatie van de EED op nationaal niveau het gebruikelijke adviseringstraject bij de Raad van State worden doorlopen.

81

Kunt u aangeven of de additionele middelen voor energie-innovatie alleen aan de Topsector Energie ter beschikking worden gesteld, of kunnen ook andere sectoren met energiebesparende innovaties of bijvoorbeeld nieuwe opwekkingstechieken (denk bijvoorbeeld aan energie uit waterzuiveringsslib) gebruik maken van deze middelen?

De inzet van middelen uit de SDE+ voor demonstratieprojecten richt zich op het kosteneffectiever realiseren van de doelstelling van 14% hernieuwbare energie in 2020 en 16% in 2023. In principe komt hiervoor elke opwektechniek in aanmerking die hieraan een significante bijdrage levert.

De extra middelen voor demonstratieprojecten die gericht zijn op versnelling van commercialisering vanuit de Topsector Energie ten behoeve van de export hebben betrekking op thema’s van de Topsector Energie. Het innovatieportfolio van de Topsector Energie is echter dynamisch: veelbelovende nieuwe thema’s kunnen worden toegevoegd, onderwerpen die tegenvallen kunnen afvallen.

82

Kunt u toelichten wat de formele status is van het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN), is dit een TKI of een TO2-organisatie? Hoe wordt dit onderscheid bepaald en op welke wijze wordt het ECN gefinancierd?

ECN (Energieonderzoek Centrum Nederland) is een privaatrechtelijke instelling (stichting) en het grootste onderzoeksinstituut in Nederland op energiegebied. De Nederlandse toegepaste kennisinfrastructuur bestaat uit 6 instituten: TNO, DLO, Deltares, Maritiem Research Instituut Nederland (MARIN), het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (NLR) én ECN. Deze instituten werken samen in de T02 federatie. Deze kennisinstellingen zijn gericht op het toepasbaar maken van fundamentele kennis. Dit doen zij door onderzoek te verrichten voor – en diensten te leveren aan – overheid, bedrijfsleven en maatschappelijke instellingen. Ze fungeren als centrum voor technologische kennis en ontwikkeling. ECN is geen TKI.

Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI's) zijn stichtingen, opgericht onder het topsectorenbeleid. Het kabinet wil 9 topsectoren waarin Nederland wereldwijd uitblinkt, nog sterker maken. Om dat te bereiken, hebben overheid, bedrijfsleven, universiteiten en onderzoekscentra samengewerkt aan innovatiecontracten, waarin afspraken staan hoe de sector kan worden versterkt door fundamenteel onderzoek, toegepast onderzoek en valorisatie. De TKI's zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de afspraken in de innovatiecontracten, hierbij worden per TKI de relevante TO2 instituten nauw betrokken. Binnen de topsector energie is ECN betrokken bij de TKI's Wind op Zee, Solar Energy, ISPT, Biobased Economy en Gas.

ECN ontwikkelt hoogwaardige kennis en technologie voor een duurzame energiehuishouding en brengt deze naar de markt. Zij verricht toegepast onderzoek met en voor de Nederlandse industrie. Het Nederlandse MKB is een belangrijke opdrachtgever en is verantwoordelijk voor meer dan de helft van de private financiering van ECN.

Naast een directe financiering door opdrachtgevers, ontvangt ECN, net als TNO en de andere instituten, subsidie van de overheid voor het in stand houden van de kennisbasis, de bijdrage aan de maatschappelijke vragen en doelen rond energievoorziening en het ondersteunen van het bedrijfsleven bij het ontwikkelen van nieuwe producten, processen en diensten. De overheid draagt financieel bij via een jaarlijkse beschikking. Het deel dat ECN inzet voor de Topsector energie kwalificeert als publieke bijdrage.

Tenslotte verwerft ECN middelen vanuit de Europese Unie door deelname aan internationale onderzoeksprojecten.

83

Hoe borgt u dat de kennis die op dit moment ontwikkeld wordt voor energie-innovatie niet ongebruikt blijft en daadwerkelijk wordt toegepast in de sector?

Voor kennis die wordt ontwikkeld in de Topsector Energie is een monitorings- en rapportagesystematiek ontwikkeld, waarmee de voortgang kan worden bewaakt en de resultaten worden vastgelegd.

Daarnaast verzorgt AgentschapNL in opdracht van EZ de Energie-innovatiecatalogus (http://www.agentschapnl.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/energie-en-milieu-innovaties/energie-innovatiecatalogus ), waarin een overzicht staat van ruim 1.000 projecten die tot op heden gesubsidieerd zijn vanuit de beleidsprogramma's Energieonderzoek Subsidie (EOS), Innovatieagenda Energie (IAE) en Topsector Energie. Van ieder project geeft de catalogus een korte beschrijving en contactgegevens van de onderzoekers. Resultaten van de afgeronde projecten zijn terug te vinden in het bijgesloten openbare eindrapport. De projecten van de zeven Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s) van de Topsector Energie, die in 2012 en 2013 een bijdrage van de overheid hebben gekregen, zijn ook in de catalogus te vinden.

84

Op welke manier investeert u in 2014 en de periode daarna in fundamenteel onderzoek en technologische ontwikkeling van energie-innovatie om ervoor te zorgen dat er nieuwe technologieën worden ontwikkeld die de komende jaren voor benodigde kostprijsverlagingen zorgen?

Via de Topsector Energie wordt in samenwerking met bedrijfsleven, NWO en kennisinstellingen een gezamenlijke onderzoeks- en innovatieagenda opgesteld die wordt uitgevoerd door diverse Topconsortia Kennis en Innovatie (TKI’s) en aangestuurd door het Topteam Energie, waarin alle partijen zijn vertegenwoordigd.

85

Om een volledig duurzame energievoorziening op termijn te bereiken wordt in de begroting van 2014 aandacht besteed aan de afvang, gebruik en opslag van CO2 (CCS), maar wat doet u het komende jaar aan de thematiek opslag van duurzame energie, om op bijvoorbeeld windstille dagen de mogelijkheden te hebben energie op te slaan?

Opslag van energie om de variatie in het aanbod van hernieuwbare energie op te vangen komt op meerdere plaatsen terug in de onderzoeks- en innovatieagenda van de Topsector Energie. Zo ontwikkelt de gassector slimme systemen waarmee pieken in het aanbod van wind- en zonnestroom kunnen worden omgezet in gasvormige energiedragers (Power2gas).

Overigens zijn er naast opslag van energie nog andere oplossingen om de variatie in het aanbod van hernieuwbare energie op te vangen. Binnen de TKI’s die zich richten op smart grids en energiebesparing in de gebouwde omgeving worden dynamische systemen ontwikkeld, waarmee vraag en aanbod beter op elkaar worden afgestemd en de noodzaak van grootschalige energieopslag afneemt.

86

Hoe borgt dit kabinet dat de kennis die op dit moment ontwikkeld wordt voor energie-innovatie, niet wegvloeit en opdroogt binnen een aantal jaren en op welke manier komt dit terug in de begroting van 2014?

Zie het antwoord op vraag 83.

87

Als een kolencentrale gebruik maakt van CO2 afvangst en opslag, is het dan mogelijk om voor dat deel van de kolen waarvan de CO2 wordt afgevangen en opgeslagen, geen kolenbelasting in rekening te brengen?

Nee, de grondslag voor de kolenbelasting is de inzet van kolen in kolencentrales. Er wordt geheven op basis van het gewicht van de gebruikte kolen en niet gedifferentieerd naar CO2.

88

Hoe wordt een lange termijn perspectief op het energiebeleid geborgd in het energieakkoord, waarbij ook aandacht wordt besteed aan de tijd die nodig is voor het ontwikkelen van technologische innovaties?

Op het gebied van energie-innovatie bouwt het Energieakkoord voort op de Topsector Energie. Binnen de Topsector Energie is zowel aandacht voor commercialisering van innovatie op korte termijn alsook voor de ontwikkeling van energietechnologie die nodig is voor de energievoorziening op de lange termijn. Zie ook het antwoord op vraag 63.

89

Kunt u aangeven in hoeverre er sprake is van samenwerking tussen de Centers of Expertise vanuit Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en de TKI's vanuit het topsectorenbeleid?

In de Centres of Expertise werken ondernemers, wetenschappers, docenten en studenten samen aan het bevorderen van de kwaliteit van het technisch hbo-onderwijs. Deze publiek-private samenwerkingsverbanden zoeken aansluiting op de regionale kennisinfrastructuur door zich te richten op één van de topsectoren of cross-overs tussen de topsectoren.

De recent opgerichte Centres of Expertise zijn voor een groot deel nog in de start fase. Een aantal werkt al programmatisch samen met de TKI’s voor zover de thema’s hiervan aansluiten op de programma’s binnen een Centre.

90

Waarom staat de innovatiebox niet in de overzichtstabel bedrijfslevenbeleid en topsector?

In de tabel wordt een meerjarig overzicht gegeven van de middelen die in 2013–2017 beschikbaar zijn binnen de begrotingen van een aantal departementen voor het bedrijvenbeleid en de topsectoren. De innovatiebox is in tegenstelling tot de S&O-afdrachtvermindering (WBSO) en RDA onderdeel van de primaire heffingsstructuur van de vennootschapsbelasting en daarom geen gebudgetteerde belastinguitgave die terugkomt in het overzicht met belastinguitgaven in bijlage 5 van de Miljoenennota of andere meerjarenoverzichten van de begroting.

Bij de introductie van de innovatiebox is de jaarlijkse derving voor de structurele situatie geraamd op € 625 miljoen. Gegevens over het daadwerkelijke gebruik van de box komen met een zekere vertraging beschikbaar. In 2010 was de derving van de innovatiebox € 345 miljoen euro. Voor 2011 wordt de derving op basis van de ingediende aangiften geraamd op € 567 miljoen euro. Het gebruik van de regeling is nog niet uitgekristalliseerd. In 2014 zal de staatsecretaris van Financiën een zo compleet mogelijk overzicht sturen over het gebruik en de gebruikers van de innovatiebox in de periode 2010–2012, onder andere op basis van de Vpb-aangiftes 2010, 2011 en 2012.

91

Betekent het ontbreken van de innovatiebox in het rijtje van innovatie-instrumenten dat deze box een ander doel heeft?

Nee, zie antwoord bij vraag 90.

92

Missen er nog taakstellingen in de overzichtstabel?

Nee.

93

Kunt u toelichten wat de voornaamste conclusies en aanbevelingen zijn uit de in 2013 uitgevoerde beleidsdoorlichting Groen Onderwijs? In hoeverre en waarom is een scheiding van het groene onderwijs van het overige onderwijs dat onder OCW valt, nog van toegevoegde waarde?

De beleidsdoorlichting Groen onderwijs wordt eind dit jaar inhoudelijk afgerond. De Staatssecretaris is voornemens om in het voorjaar 2014 conform de procedure hiertoe de Kamer te informeren over de uitkomsten van de beleidsdoorlichting. De beleidsdoorlichting stelt het vakdepartementaal Groen onderwijsbeleid centraal waarvoor EZ een eigen beleidsmatige verantwoordelijkheid draagt. De toegevoegde waarde van het vakdepartementaal onderwijsbeleid richt zich op de waardevolle kenmerken van het Groen onderwijs: samenwerking en binding in de onderwijskolom, de binding met het bedrijfsleven, landelijke dekkendheid en regionale spreiding van scholingsaanbod, goede condities voor het praktijkleren en ruime aandacht voor zorg, geborgenheid en maatwerk. Er is geen sprake van een scheiding van het groene onderwijs en het overig onderwijs binnen het stelsel. OCW en EZ hebben een gezamenlijke stelselverantwoordelijkheid voor de ontwikkeling en borging van het algemeen onderwijsbeleid. Het algemeen onderwijsbeleid raakt al het onderwijs, ongeacht groen dan wel overig onderwijs.

94

Kunt u toelichten of er al een verdeling is gemaakt in de additionele middelen van € 5 mln. uit het stimuleringspakket voor kredietverlening ten behoeve van het bevorderen van ondernemerschap tussen het flankerend beleid enerzijds en crowdfunding en kredietunies anderzijds? Zo ja, hoe ziet die verdeling eruit?

De additionele middelen van € 5 miljoen uit het stimuleringspakket voor alternatieve financieringsvormen en ondernemerseducatie worden snel aangewend. Er is op voorhand geen keuze gemaakt voor de verdeling van de middelen tussen het ondersteunen van alternatieve aanbieders van bedrijfsfinanciering en het vergroten van kennis bij ondernemers. Er wordt gesproken met een aantal interessante initiatieven uit de markt, welke op korte termijn kunnen bijdragen aan een betere financierbaarheid van het Nederlandse mkb. Op basis van voorstellen van deze initiatiefnemers worden deze inhoudelijk beoordeeld en de middelen verdeeld.

95

Kunt u uitleggen hoe de € 5 mln. in 2013 aan extra beschikbare financiële en organisatorische ondersteuning van nieuwe financieringsvormen, zoals crowdfunding en kredietunies en voor voorlichting en kennisvergroting bij het MKB over (alternatieve) financiering, wordt vormgegeven, welke acties en maatregelen komen er en wat is het tijdpad, moet het budget in 2013 uitgegeven worden of is er een doorloop naar 2014 mogelijk? Hoe sluiten deze acties en maatregelen aan op uw brief van 7 februari 2013 (Kamerstuk 32 637, nr. 49) waarin u ook al een aantal acties en maatregelen noemt, wat is de stand van zaken van die acties?

De additionele middelen van € 5 miljoen uit het stimuleringspakket voor alternatieve financieringsvormen en ondernemerseducatie worden snel aangewend. Er wordt gesproken met een aantal interessante initiatieven uit de markt, welke op korte termijn kan bijdragen aan een betere financierbaarheid van het Nederlandse MKB. Streven is het budget zo veel mogelijk in 2013 uit te geven.

25 september is samen met MKB Nederland en partners uit de financiële sector al een regionale voorlichtingscampagne gestart. Dit najaar komt er een centraal telefoonnummer voor ondernemers met financieringsvragen, zal de nieuwe koepelorganisatie van kredietunies ondersteund worden en start een promotiecampagne inzake crowdfunding.

De maatregelen sluiten aan bij de acties aangekondigd in de brief van 7 februari 2013 (Kamerstuk 32 637, nr. 49). In mijn brief van 25 juni jl.1 heb ik u meegedeeld hoe deze acties ten aanzien van ondersteuning van promotie, wegnemen belemmeringen in de regelgeving en inzet van kennis en van bestaande instrumenten verlopen. Concrete resultaten zijn de openstelling van de BMKB voor niet-banken en de promotie van alternatieve financieringsvormen in het bijzijn van Hare Koninklijke Hoogheid thans Koningin Máxima aan duizenden ondernemers tijdens de laatste Week van de Ondernemer. Met de nu beschikbare middelen uit het stimuleringspakket kunnen deze acties verder geïntensiveerd worden.

96

Is de € 75 mln. voor vroege fase financiering en investeringen van informal investors in jonge en kleine bedrijven revolverend bedoeld?

Ja, zoals in de Kamerbrief Stimulering Ondernemingsfinanciering van 17 september jl. is aangegeven, hebben zowel het instrument voor vroege fase investeringen als het instrument voor business angels een revolverend karakter. De vroege fase zit dicht bij de R&D-fase, waar (subsidie)instrumenten niet direct revolverend zijn. De huidige verwachting is dat het vroege fase instrument 40% revolverend zal zijn. Het instrument voor business angels investeert samen met de markt en hier ga ik dan ook uit van een hogere mate van revolverendheid.

97

Worden de extra middelen voor internationaal ondernemen toegevoegd aan het budget voor de Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) en in hoeverre is er binnen het NFIA ook aandacht voor het promoten van Nederlandse bedrijven in het buitenland?

Deze extra middelen zijn inderdaad bestemd voor de acquisitiewerkzaamheden van de NFIA ter versterking van het Nederlandse vestigingsklimaat. De financiële impuls houdt verband met de budgettaire consequenties van eerdere taakstellingen op de uitvoerende diensten van de rijksoverheid, waaronder NFIA. Er is gekozen voor een financiële impuls om NFIA in staat te stellen de werkzaamheden op investeringsgebied te kunnen handhaven.

De NFIA richt zich op het binnenhalen van buitenlandse bedrijven naar Nederland. Het promoten van Nederlandse bedrijven in het buitenland is vooral de taak voor de Nederlandse economische afdelingen op de posten en de Netherlands Business Support Offices in het buitenland. Wel is het zo dat deze organisaties nauw met elkaar samenwerken zo maken ze onder meer gebruik van het zelfde promotiemateriaal van de Holland Branding.

98

Kunt u een toelichting geven op de hoogte van de BMKB-premie voor ondernemers die gebruik maken van deze borgstellingsregeling?

De door de bank eenmalig op het moment van aanmelden te betalen provisie over het bedrag aan borgstellingskrediet is afhankelijk van de looptijd van het krediet. Onderstaande tabel geeft deze weer. De gemiddelde hoogte van de te betalen provisie is circa 3,6%. De provisie is per 1-4-2013 met gemiddeld 0,6 procentpunt verhoogd, om de vergoeding die de overheid krijgt voor het afgeven van borgstellingskredieten meer in lijn te brengen met het risico dat daarbij gelopen wordt.

Aantal kwartalen

Provisie per 1-4-2013

t/m 8

3%

9 t/m 16

3,3%

17 t/m 24

3,3%

25 t/m 36

4,5%

37 t/m 48

4,5%

99

Waarom vallen kredietunies inmiddels wel en crowdfunding-organisaties niet onder de BMKB-regeling en wanneer kunnen crowdfunding organisaties daar wel onder vallen? Wat is uw mening over het gelijke speelveld als het gaat om financiering van MKB in relatie tot de BMKB-regeling?

Per 19 oktober 2012 is de BMKB in beginsel als pilot opengesteld voor andere financiers dan banken, waarbij een adviescommissie de Minister adviseert of voldaan wordt aan de gestelde eisen van deskundigheid, betrouwbaarheid, integriteit en de financiële draagkracht en stabiliteit van de financier. In het bijzonder worden de wijze waarop de financier is georganiseerd en het financieringsproces bezien.

Crowdfunding is de facto uitgesloten van toetreden tot de BMKB, aangezien slechts partijen kunnen toetreden die zelf financiering verstrekken en voldoen aan de hiervoor genoemde eisen van deskundigheid e.d. Aangezien bij iedere individuele financiering telkens wisselende financiers in soms grote aantallen betrokken zijn, is toetreding in de praktijk niet mogelijk.

Kredietunies hebben een andere opzet; daar verstrekt net als bij de bank één financier alle kredieten. Aangezien de openstelling van de BMKB voor niet-banken het voor meer partijen die krediet verstrekken aan het MKB mogelijk maakt om deel te nemen aan de regeling, ben ik van mening dat het speelveld voor mkb-kredietverstrekkers meer gelijk is geworden.

100

Kunt u toelichten wat het effect is van de kredieten die worden verleend door Qredits, welk percentage leidt tot succesvolle ondernemingen en waardoor wordt het succes bepaald?

Gemiddeld hebben klanten van Qredits tussen de 2 en 2,5 FTE in dienst. Dit betekent voor de totale opgebouwde portefeuille tussen de 8.000 en 10.000 banen. De survival rate bij klanten van Qredits (hoeveel ondernemers hebben nog een actieve onderneming) is na 2 jaar nog 85%. Het percentage problematische betalingsachterstanden is tot op heden laag.

Het huidige resultaat wordt met name bepaald door persoonlijke screening bij de ondernemer thuis, persoonlijk en intensief beheer (bij betalingsachterstand wordt er direct contact opgenomen met de ondernemer) en begeleiding door deskundige en speciaal opgeleide vrijwillige coaches. Qredits biedt een ondernemer daarmee juist in de moeilijke eerste jaren ondersteuning. Qredits kan dit doen, doordat de organisatie specifiek gericht is op het verlenen van kleine kredieten met een wat hoger rentepercentage ter dekking van de hogere uitvoeringskosten. Daarnaast werkt Qredits deels met vrijwillige coaches.

101

Zijn er nog belemmeringen in regelgeving ten aanzien van alternatieve financieringsvormen zoals kredietunies, crowdfunding en MKB-obligaties? Zo ja, welke belemmeringen zijn er en wat onderneemt u om die belemmeringen te slechten?

Kredietunies kunnen binnen de bestaande wetgeving van start gaan, echter het aantrekken van opvorderbare gelden is slechts mogelijk via constructies die onvoldoende aantrekkelijk zijn. Daarom wordt momenteel gewerkt aan een apart regime voor kredietunies. Daarvoor is de toestemming van de Europese Commissie nodig. De gesprekken met de Commissie zijn nu gaande.

Crowdfunding is binnen de huidige kaders mogelijk. Gezien de uiteenlopende varianten van crowdfunding moet van geval tot geval bezien worden welke toezichtregels van toepassing zijn. De toezichthouders DNB en AFM zijn momenteel met de individuele platforms in gesprek over een passende toezichtvorm per platform op basis van een interpretatie over crowdfunding die in mei 2013 is opgesteld. Voor MKB obligaties zie ik geen onnodige belemmeringen in de regelgeving. De bescherming van beleggers legt uiteraard wel eisen op aan de uitgevers van obligaties. Ik heb tot nu toe geen signalen gehoord dat deze als belemmerend worden ervaren.

102

Qredits wordt versterkt in 2013 en 2014, maar wat gebeurt er in 2015?

De verwachting is dat in 2015 Qredits voldoende funding heeft. De funding die Qredits bij de start in 2009 (€ 15 miljoen) en dit jaar (€ 30 miljoen) van de overheid ontvangt geeft een goede basis voor het verkrijgen van nieuwe aanvullende funding vanuit de markt indien nodig. Banken financieren Qredits nu ook reeds voor de kredietverlening tot € 50.000 en verzekeraars gaan ook funding aan Qredits verstrekken. Verder introduceert Qredits in de tweede helft van 2013 ook een fonds, waardoor particulieren de mogelijkheid krijgen om in Qredits te investeren. Tot slot betalen de meeste ondernemers hun lening terug en kunnen met die middelen weer nieuwe leningen worden verstrekt.

103

Waarom is de cofinanciering EFRO een nieuwe mutatie, welke nieuwe gebeurtenis ligt daaraan ten grondslag?

De cofinanciering is een nieuwe mutatie omdat er na de Stand Voorjaarsnota 2013 een budget van cumulatief € 140 mln. aan Rijkscofinanciering beschikbaar is gesteld voor de nieuwe EFRO-periode 2014–2020.

104

Hoe verhoudt de toelichting op «boetetaakstelling high trust» zich tot het Belastingplan?

Zie antwoord op vraag 105.

105

Waarom wordt bij «boetetaakstelling high trust» gesteld dat besparingsverliezen worden gecompenseerd op de EZ-begroting bij subsidies voor bedrijven, maar in het Belastingplan dat dit taakstellend wordt verminderd op innovatieaftrekken?

In het Regeerakkoord van het kabinet is onder maatregel 84 opgenomen dat de boetes marktwerking (ACM/NMa) taakstellend worden verhoogd, maar dat eventuele besparingsverliezen gecompenseerd kunnen worden binnen het EZ domein. Hiermee wordt verwezen naar maatregel 81, «Subsidies bedrijven», uit het Regeerakkoord. Deze maatregel 81 bevat binnen het EZ-domein zowel innovatie-instrumenten aan de uitgavenkant van de EZ-begroting als fiscale innovatieregelingen die ook onderdeel uitmaken van uit Belastingplan. Omdat onderzoek uitwijst dat de taakstelling grotendeels niet te realiseren is (zie ook mijn antwoord op vraag 106), heeft het kabinet besloten om, naast de taakstellende beperking van fiscale innovatieregelingen van structureel € 160 mln. (maatregel 81.7 uit het regeerakkoord), ook de compensatie van de boetetaakstelling vooralsnog (technisch) in te boeken op de WBSO en de RDA (zie ook antwoord 155). Omdat dit fiscale innovatie instrumenten zijn die in het Belastingplan worden geraamd en toegelicht, wordt de compensatie van de boetetaakstelling ten laste van deze fiscale regelingen ook in het Belastingplan 2014 verwerkt en toegelicht. De precieze verdeling van de ombuigingen op het innovatie instrumentarium kan overigens per 2015 worden gewijzigd. Daarbij worden ook de Innovatiebox (fiscaal) en de TKI-toeslag (uitgaven) betrokken.

106

Kunt u aangeven waarom het verhogen van de boetetaakstelling in het EZ domein niet haalbaar is?

In een brief aan uw Kamer van 27 augustus 2013 (Kamerstuk 33 622, nr. 9) wordt een aantal maatregelen genoemd ter verdere verbetering van de effectiviteit van het markttoezicht van de ACM. Deze maatregelen hangen samen met de preventieve afschrikwekkende werking van de huidige boetemaxima. Tevens wordt hiermee voor zover mogelijk invulling gegeven aan de afspraak in het Regeerakkoord met betrekking tot de boete-inkomsten van de ACM. De effecten op de boete-inkomsten van de voorgenomen maatregelen zijn niet met zekerheid te voorspellen, maar de verwachting is dat een beperkte verhoging van de boete-inkomsten van circa € 3 miljoen tot € 10 miljoen op termijn haalbaar zou kunnen zijn. Dit betekent dat de in het Regeerakkoord aangekondigde verhoogde boeteraming niet gehaald kan worden. Dit blijkt ook uit het onderzoek van onderzoeksbureau SiRM en Pels Rijcken, dat met de genoemde brief aan uw Kamer is aangeboden. De boetemaxima en de door de ACM opgelegde boetes moeten namelijk voldoen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het evenredigheidsbeginsel. De ACM moet de boetehoogte afstemmen op de ernst en de duur van de overtreding, zodat er een evenredige boete wordt opgelegd. De rechter kan toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Hoe hoger de boete, hoe indringender de rechter op evenredigheid toetst.

107

Kunt u aangeven waar de verwachte daling van de gasprijs op gebaseerd is, gezien de verwachting dat het gas steeds schaarser wordt en daardoor logischerwijs juist duurder zou worden?

De prijs van het Nederlandse aardgas is grotendeels gebaseerd op de prijzen die op handelsplaatsen tot stand komen. De belangrijkste Nederlandse handelsplaats is de Title Transfer Facility (TTF) dat door Gasunie Transport Services wordt beheerd. Op deze handelsplaatsen wordt ook gas verhandeld voor levering in de verdere toekomst, zogenoemde futures. De verwachte gasprijs voor toekomstige jaren is gebaseerd op de prijzen op deze handelsplaatsen die voor deze jaren genoteerd zijn door onder andere beursbedrijven zoals ICE-Endex. Deze laten een lichte daling zien in de periode 2013–2018. De marktpartijen die daadwerkelijk posities in de gasmarkt innemen, zijn dus van mening dat gas minder schaars wordt.

108

Van welk productievolume bent u uitgegaan in de raming van de aardgasbaten de komende jaren en betreft dat een verdere stijging ten opzichte van 2013?

De verwachte productie in mrd. kubieke meter is als volgt:

2013

2014

2015

2016

2017

2018

79

71

68

66

61

59

Samenvattend is er een continue daling ten opzichte van 2013.

109

Kunt u een uitsplitsing geven van de verschillende potten waarmee de BMKB gemuteerd wordt?

De mutatie van de BMKB die in de begroting 2014 is verwerkt (zie tabel op pagina 26) bestaat uit de volgende onderdelen:

(x € 1.000)

2013

2014

2015

2016

2017

2018

1. BMKB-ontvangsten

2.770

3.770

3.770

3.770

3.770

3.770

2. Onttrekking aan de begrotingsreserve BMKB

16.689

9.406

1.406

     

3. Ontvangsten meevaller

10.000

         

4. Afdekken verruimde regeling (stimuleringspakket)

5.000

         

Totaal

34.459

13.176

5.176

3.770

3.770

3.770

Het eerste onderdeel betreft een verhoging van de ontvangstenraming als gevolg van de premieverhoging van 20% met ingang van 1 april 2013.

Het tweede onderdeel betreft een in 2012 voor de BMKB gevormde begrotingsreserve van € 30 mln. In 2013–2015 wordt aan deze begrotingsreserve budget onttrokken ten behoeve van de dekking van de geraamde schades op de BMKB.

Het derde onderdeel betreft een in 2013 gerealiseerde ontvangstenmeevaller op de uitvoeringskosten van AgentschapNL in 2012. Deze meevaller wordt in 2013 ingezet voor de geraamde schades op de BMKB.

Het vierde onderdeel betreft de maatregel van het stimuleringspakket, waarbij de BMKB tijdelijk wordt verruimd. Voor het afdekken van mogelijk hogere schades als gevolg van deze verruiming wordt € 5 mln. toegevoegd aan de begrotingsreserve BMKB.

110

Waarom fluctueert het budget voor de Nederlandse Organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO) zo in de tijd?

De reeks genoemd onder «bijdrage TNO» (pagina 31) betreft het aandeel van TNO in de totale subsidietaakstelling op de Topsectoren van € 50,9 miljoen. Er is voor gekozen om alle TO2-instituten (TNO, NLR, ECN, DLO, MARIN en Deltares) op gelijke wijze te laten delen in de diverse taakstellingen. Alle instituten hebben vanaf 2015 te maken met een oplopende subsidietaakstelling. Aangezien op TNO vanaf 2016 echter ook de ZBO-taakstelling van toepassing is, wordt TNO een lagere subsidietaakstelling opgelegd. Op deze wijze worden alle instituten gelijk behandeld. Het budget voor de GTI’s fluctueert niet in de tijd, maar kent wel een dalende tendens. Reden hiervoor is dat de GTI’s worden geraakt door de subsidietaakstelling op de Topsectoren, die oploopt in de tijd.

111

Waarom fluctueert het budget voor de Grote Technologische Instituten (GTI’s) zo in de tijd?

Zie het antwoord op vraag 110.

112

Gaat de opmerking, dat goed functionerende markten een optimale prijs- kwaliteitverhouding kennen, met gebruikers die keuzevrijheid hebben, ook op voor de huidige markt voor vaste telefonie? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?

Ja, die opmerking geldt ook voor de huidige markt voor vaste telefonie. Er is sprake van keuzevrijheid, omdat er meer aanbieders zijn, die verschillende diensten bieden, al dan niet in combinatie met andere diensten dan vaste telefonie. Veelal zit vaste telefonie inbegrepen in een multiple-play pakket. Daarnaast is het voor consumenten gewoon mogelijk om vaste telefonie alleen af te nemen.

113

Kunt u uw verantwoordelijkheid zoals geformuleerd onder «stimuleren» nader toelichten?

Met stimuleren wordt gedoeld op het teweegbrengen en in stand houden van een goede balans tussen enerzijds het belang van een hoog beschermingsniveau voor consumenten en anderzijds zo gering mogelijke administratieve lasten voor ondernemers. Inzet hierbij is vooral de markt binnen de bestaande wet- en regelgeving zijn werk te laten doen. Wanneer marktpartijen er samen niet uitkomen, is een rol voor de overheid weggelegd, bijvoorbeeld door middel van het stimuleren van zelfreguleringsinitiatieven, wet- en regelgeving en toezicht. Voorkomen moet worden dat ondernemers als gevolg van buitenproportionele administratieve lasten minder in staat zijn op een markt te opereren, waardoor consumenten minder te kiezen hebben. Deze balans tussen de belangen van consumenten en ondernemers heeft daarom steeds de volle aandacht bij het ontwikkelen van wet- en regelgeving. Ook bij het voeren van onderhandelingen over nieuwe wetgevingsvoorstellen in de Europese Unie wordt deze bewaakt.

114

Kent de huidige vaste telefonie markt voldoende keuzevrijheid? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet? Welke maatregelen overweegt u om de keuzevrijheid voor de consumenten op de markt van vaste telefonie te vergroten?

Keuzevrijheid wordt bepaald door het aantal aanbieders en hun dienstenaanbod. Op de Nederlandse vaste telefoniemarkt opereert een aantal aanbieders met een eigen netwerk: KPN, kabelmaatschappijen en glasvezelaanbieders. Daarnaast zijn er alternatieve aanbieders die via het KPN netwerk diensten aanbieden en stellen glasvezel aanbieders hun netwerk ook beschikbaar. We zien bijvoorbeeld mobiele telecompartijen ook vaste telecomdiensten aanbieden. De mate waarin en de snelheid waarmee alternatieve aanbieders acteren, is de resultante van marktkrachten en regulering. Ik ben van mening dat de consument in het algemeen keuzevrijheid heeft, zowel wat betreft aanbieders als wat betreft aanbod. ACM ziet toe op voldoende concurrentie. De keuzevrijheid van consumenten wordt verder ondersteund door transparantie over tarieven en voorwaarden en door gemakkelijke overstapmogelijkheden.

115

In welke orde van grootte lag het substantiële tekort in het financieringsplan voor de doorstart van Thermphos?

Er kunnen geen nadere uitspraken gedaan worden over het substantiële tekort omdat het hier gaat om bedrijfsvertrouwelijke informatie.

116

Wat wordt precies bedoeld met het «onvoldoende uitgewerkte» technische plan?

Ook bij het technisch plan is sprake van bedrijfsvertrouwelijke informatie. Ter toelichting kan wel vermeld worden dat uit de plannen niet voldoende duidelijk werd hoe de potentiële investeerder zijn doel om groene fosfor te produceren wilde bereiken.

117

In hoeverre is het al gelukt om de ontslagen medewerkers van Thermphos aan een andere baan te helpen en hoeveel medewerkers komen er nu alsnog op straat te staan en op welke manier worden zij geholpen om een nieuwe baan te vinden?

Om de oud-Thermphos werknemers te helpen hebben de provincie Zeeland en de meest betrokken gemeenten (Vlissingen, Middelburg en Veere) onder leiding van de gemeente Middelburg een mobiliteitscentrum opgericht. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de kennis, expertise en de resterende middelen van het mobiliteitscentrum voor Zalco.

Het UWV heeft 417 oud-Thermphos werknemers geïdentificeerd die na het faillissement op zoek waren naar nieuw werk. Hiervan zijn 165 mensen nog ingeschreven in het mobiliteitscentrum als werkzoekend. Daarboven op komen nog circa 70 mensen die op dit moment werkzaam zijn op de Thermphos-site om de plant in stand te houden. De mobiliteitsbank geeft aan dat het mogelijk is dat het totaal ingeschreven werkzoekenden kleiner is dan 235 mensen. Dit komt omdat er mogelijk mensen zowel ingeschreven staan in het mobiliteitscentrum en tegelijkertijd werkzaam zijn op de Thermphos-site.

118

Wat gaat de totale sanering van het terrein van Thermphos kosten en welk deel van de kosten kan uit de boedel worden betaald?

In opdracht van de curatoren heeft het onderzoeksbureau ERM onderzoek gedaan naar de opruimkosten. ERM raamt deze kosten op € 76 miljoen tot € 96 miljoen. Ik heb geen aanleiding om deze cijfers in twijfel te trekken. Uit het vierde faillissementsverslag van de curatoren d.d. 20 september 2013 blijkt dat er zich op dit moment ruim € 41 miljoen in de boedel bevindt en dat daartegenover op dit moment € 7,8 miljoen aan concrete boedelschulden staan. Uit deze informatie leid ik af dat op dit moment ongeveer € 33 miljoen van de boedel beschikbaar is voor opruimen. De Staat heeft zich tot dusver steeds op het standpunt gesteld dat de opruimkosten boedelschulden zijn. De curatoren hebben deze kwestie inmiddels voorgelegd aan de civiele rechter.

119

Hoe staat het met de uitvoering van het PvdA-actieplan «Nederland verdient beter», dat tijdens het algemeen overleg Bedrijfslevenbeleid van 6 juni 2013 besproken is en in hoeverre zijn de vier maatregelen al uitgevoerd?

Tijdens het algemeen overleg over het bedrijvenbeleid op 6 juni 2013 heeft het lid Vos (PvdA) vier voorstellen gedaan om de concurrentiekracht van het bedrijfsleven te versterken. Achtereenvolgens vroeg de heer Vos om 1) meer investeringen in de Nederlandse economie door de pensioenfondsen, 2) betere financieringsmogelijkheden voor het bedrijfsleven (in het bijzonder starters, snelle groeiers en MKB), 3) creatiever nadenken over projecten met betrekking tot investeringen in infrastructuur en 4) focus op groene groei/vergroening van de energiesector.

Wat betreft de eerstgenoemde twee punten is de Kamer op 17 september 2013 geïnformeerd over de maatregelen die het kabinet neemt om de financieringsmogelijkheden voor het bedrijfsleven te vergroten (inclusief de uitkomsten van de overleggen die de afgelopen periode hierover met institutionele beleggers zijn gevoerd). In totaal trekt het kabinet 125 miljoen extra uit, onder andere voor verruiming van het bestaande garantie- en kredietinstrumentarium, een nieuw instrument voor vroege fase financiering, de oprichting van een mkb-investeringsfonds vanuit de verzekeraars met aansluiting van enkele pensioenfondsen en de oprichting van de Nederlandse Investeringsinstelling (NII). De NII gaat een makelaarsfunctie vervullen in vraag en aanbod tussen (lange termijn) financiering van institutionele beleggers. Wat betreft het derde punt heeft het kabinet onlangs bij de aanleg van de N33-weg een pilot uitgevoerd met inflatiegekoppelde vergoedingen voor institutionele beleggers. De Minister van Financiën en de Minister van I&M hebben naar aanleiding hiervan besloten dat de pilot met inflatiegerelateerde financiering bij specifiek DBFMO (Design, Build, Finance, Maintain, Operate) geen vervolg zal krijgen (Tweede Kamer 28 753 nr. 29). Wat betreft het vierde punt heeft het kabinet op 6 september 2013 het breed maatschappelijk gedragen «Energieakkoord voor Duurzame Groei» afgesloten. Met dit akkoord worden belangrijke stappen gezet op weg naar een duurzame energievoorziening. De economie krijgt op korte termijn een stevige impuls. In internationaal verband is het streven om tot een volledige duurzame energievoorziening te komen in 2050.

120

Klopt het dat de Europese Commissie de aanwezigheid van twee aanbieders van Next Generation Access netwerken (KPN en kabel) voldoende concurrerend acht waardoor toegangsregulering achterwege kan blijven en wat is hierop uw visie?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 56.

121

Hoezeer is de focus van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) de afgelopen jaren verschoven van zuivere controleur van marktwerking naar behartiger van consumentenbelangen?

In de brief van mijn ambtsvoorganger van 28 maart 2011 (Kamerstuk 31 490, nr. 55) is de visie op het markttoezicht op niet-financiële markten en de doelstelling van de ACM uiteengezet. Het taakgebied van de ACM omvat drie typen van markttoezicht die alle drie een pijler zijn van de rol van de overheid als «marktmeester», een sterke samenhang kennen en nevengeschikt zijn: mededingingstoezicht, sectorspecifiek markttoezicht en consumentenbescherming. Naleving van de mededingingsregels is cruciaal voor het goed functioneren van markten en is erop gericht de concurrentie in alle sectoren waar sprake is van marktwerking te bewaken en te bevorderen. Sectorspecifiek markttoezicht (regulering) is gericht op het vooraf creëren van condities op bepaalde markten waaronder concurrentie kan plaatsvinden. Consumentenbescherming tenslotte is gericht op het bevorderen van eerlijke handel tussen bedrijven en consumenten. De doelstelling van de ACM is het vergroten van de welvaart (op korte en langere termijn) door het bevorderen van goed functionerende markten, van ordelijke en transparante marktprocessen en van een zorgvuldige behandeling van consumenten. Dit gebeurt onder meer door toe te zien op gedragingen van bedrijven, en indien nodig hierop te handhaven, om zo de keuzevrijheid en transparantie, de prijs-kwaliteitverhouding en innovatiemogelijkheden te vergroten. Belangrijk daarbij is dat de ACM consumenten en marktpartijen stimuleert om hun rol in de markt te vervullen en consumenten in staat te stellen het gedrag van marktpartijen te disciplineren door ze te informeren en waar nodig te beschermen.

122

Kunt u de ontwikkelingen in de vaste telecommunicatiemarkt nader toelichten en hoe ontwikkelt de markt van vaste telecommunicatie in Nederland zich wat u betreft in vergelijking met andere lidstaten in de Europese Unie? Klopt het dat de prijzen en omzetten op de vaste telecommunicatiemarkt overwegend stijgen, terwijl de prijzen en omzetten op de mobiele markt op dit moment afnemen, en houdt dit verband met afnemende concurrentie op de vaste markt?

In het antwoord op vraag 126 licht ik de ontwikkelingen in de vaste telecommunicatiemarkt over de afgelopen jaren toe. Hoe die ontwikkelingen zich in een internationale vergelijking verhouden is lastig te zeggen. De Marktrapportage Elektronische Communicatie van TNO van juli 2013 geeft enige indicatie. Die is dat de Nederlandse tarieven voor multiplay inclusief telefonie tot de middenmoot behoren. Deze indicatie is gebaseerd op een benchmark met een zeer beperkt aantal andere landen binnen en buiten Europa.

Of er sprake is van stijgende omzetten en prijzen op de vaste telecommunicatiemarkt is zeer lastig te bepalen, omdat telecommunicatieondernemingen in toenemende mate hun diensten bundelen in pakketten, waarin diverse combinaties zijn opgenomen van vaste telefonie, internet, mobiele telefonie en televisie (met daarbinnen weer vele abonnementsvormen). Een internationale en nationale vergelijking is daarom erg moeilijk te maken, omdat er in feite geen eenduidig begrip is van de vaste telecommunicatiemarkt. Hetzelfde geldt voor analyses over de mate van concurrentie. Op het vaste telefonie gedeelte van de bredere vaste telecommunicatiemarkt is sprake van afname van de marktconcentratie. Ik verwijs daarvoor naar het antwoord op vraag 146.

123

Wat is uw visie op de trend naar quad play, oftewel bundels van vast en mobiel samen, en kunnen vaste aanbieders net zo eenvoudig mobiele diensten aanbieden als mobiele aanbieders vaste diensten? Verwacht u dat de trend naar quad play leidt tot meer of minder concurrentie?

Deze diensten komen tot stand in een omgeving waarin aanbieders inspelen op de vraag van consumenten. Die omgeving kenschetst zich door een toenemende mate van convergentie van diensten en netwerken. Quad play pakketten zijn een recent productaanbod van een aantal aanbieders van telecommunicatiediensten, zowel van marktpartijen die een vast én mobiel netwerk hebben, als van marktpartijen die een gecombineerd multiple play aanbod kunnen doen omdat zij toegang tot het vaste en of een mobiel net hebben. Ik acht het waarschijnlijk dat deze trend naar multiple play in het algemeen en quad play in het bijzonder zich verder zal ontwikkelen. Gelet op de ontwikkelingen in de markt en het dienstenaanbod van diverse marktpartijen heb ik op voorhand weinig zorgen over de effecten daarvan op de concurrentie. De ACM zal uiteraard toezicht houden op voldoende mate van concurrentie.

124

Kunt u toelichten of het beoogde plan, voor de afronding van het voorstel een gestroomlijnde methodiek van doorbelasting van toezichtskosten aan onder toezicht gestelde ondernemingen voor ACM, ook voor de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) geldt?

Voor zowel de ACM als NVWA geldt dat het kader voor de doorberekening van de toezichtskosten aan de onder staande marktorganisaties het rijksrapport «Maat houden» uit 1996 is. In «Maat houden» is de hoofdregel dat de kosten voor het toezicht (alleen) mogen worden doorberekend indien één of enkele partijen er een specifiek toerekenbaar profijt van hebben (profijtbeginsel). Het preventieve en repressieve toezicht bij de overige bedrijven betaalt de overheid, tenzij EU-wetgeving anders voorschrijft. Bij de doorberekening gaan de ACM en NVWA beide uit van kostendekkende tarieven (directe en indirecte kosten). Kader en uitgangspunten voor de doorberekening voor de ACM en NVWA zijn dan ook in hoge mate identiek. Het wetsvoorstel Wijziging van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt en enige andere wetten in verband met de stroomlijning van het door de Autoriteit Consument en Markt te houden markttoezicht (Kamerstuk 33 622, nr. 2) bevat een grondslag voor het doorberekenen van kosten van de ACM aan marktorganisaties. Hiermee worden de voor de verschillende sectoren waarop de ACM sectorspecifiek markttoezicht houdt de geldende verschillende financieringssystemen gestroomlijnd en geharmoniseerd.

125

Bedoelt u met de voorbereiding van voorstellen om de eisen van de UPD meer in lijn te brengen met de behoeften van gebruikers, ook de structureel dalende postvolumes?

De veranderingen in de behoeften en het gedrag van gebruikers van de UPD vormen een belangrijke oorzaak van de structureel dalende postvolumes. Zoals de Kamer bij brief van 3 juni 2013 is geïnformeerd, zetten deze ontwikkelingen de financiële houdbaarheid van de UPD onder druk (Kamerstuk 29 502, nr. 110). Met het wetsvoorstel ter modernisering van de UPD worden noodzakelijke maatregelen genomen opdat de financiële houdbaarheid van de UPD nu en in de toekomst beter kan worden geborgd.

126

Kunt u de ontwikkelingen in de vaste telecommunicatiemarkt nader toelichten?

De ontwikkelingen in de vaste telecommunicatiemarkt zijn de afgelopen jaren snel gegaan en hebben mooie dingen opgeleverd voor de Nederlandse consument. De snelheid en capaciteit van de vaste netwerken is vanaf 2005 sterk vergroot door de overgang van analoge naar digitale technieken (ADSL2(+), VDSL(2), Docsis3.x). Door deze digitalisering en de opkomst van internet als universeel distributieplatform is het mogelijk om over netwerken meer verschillende diensten aan te bieden, waardoor de traditionele scheidslijnen tussen netwerken zijn verdwenen. Het traditionele koperen telecomnetwerk biedt inmiddels al jaren naast telefonie ook internet en televisie. En kabelnetwerken bieden naast televisie ook telefonie en internet. Hierdoor is er infrastructuurconcurrentie tussen KPN en kabelbedrijven, waarin partijen prikkels blijven ervaren tot voortgaande innovaties en investeringen, onder andere in glasvezelnetwerken.

De mogelijkheden voor toetreding tot de netwerkmarkt zijn beperkt. Dat geldt vooral voor de aansluitnetwerken. Het aanleggen van aansluitnetwerken vergt grote investeringen. Rendabele exploitatie is alleen mogelijk indien de netwerken effectief worden gebruikt. Het aantal partijen dat gezond en winstgevend in die markt actief kan zijn, is daarom beperkt. In alle landen blijkt dan ook dat er een beperkt aantal spelers actief is. Nederland springt er in dat verband erg gunstig uit met meerdere (2–3) vaste telecomnetwerken.

127

Hoe beoordeelt u de trend naar quadplay, waarbij vaste en mobiele diensten gebundeld worden aangeboden? Hoe voorkomt de regering dat deze ontwikkeling leidt tot een marktstructuur waarin alleen KPN en kabel in staat zijn deze bundels concurrerend aan te bieden en daarmee op termijn ook de mobiele markt terugvalt tot het concurrentieniveau van de vaste markt?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 123.

128

Welke wetgeving en instrumenten hebben u en de toezichthouders in Nederland tot hun beschikking om marktwerking op de markt van vaste telecommunicatie te bevorderen? Welke speerpunten hebben u en de toezichthouders voor de vaste telecommunicatiemarkt in 2014 en welke impact hebben de bezuinigingen op de ACM voor het toezicht op de vaste telecommunicatiemarkt in 2014?

De marktwerking op de markt van vaste telecommunicatie wordt bevorderd op basis van de Mededingingswet en de Telecommunicatiewet. Omdat het gaat om onafhankelijke oordeelsvorming in individuele gevallen, is deze taak toebedeeld aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM) als onafhankelijk toezichthouder. Naleving van de mededingingsregels is cruciaal voor het goed functioneren van markten en is erop gericht de concurrentie in alle sectoren waar sprake is van marktwerking te bewaken en te bevorderen. Op grond van de Mededingingswet kan de ACM boetes opleggen als marktpartijen de algemene mededingingsregels hebben overtreden en beoordeelt de ACM fusies, waarbij vooraf invloed kan worden uitgeoefend op de marktstructuur. Het sectorspecifieke markttoezicht (regulering) is gericht op het vooraf creëren van condities op bepaalde markten waaronder concurrentie kan plaatsvinden. Op grond van de Telecommunicatiewet voert de ACM elke drie jaar marktanalyses uit en kan zij verplichtingen opleggen aan marktpartijen die aanmerkelijke marktmacht hebben. De ACM brengt tweejaarlijks een ACM Agenda uit met daarin de prioriteiten voor de komende periode voor het hele ACM-werkterrein. In het najaar van 2013 komt de concept ACM Agenda 2014–2015 uit. Na een publieke consultatie zal de ACM eind 2013 de definitieve ACM Agenda voor deze periode publiceren. In 2014 zal in ieder geval de nieuwe ronde marktanalyses een belangrijk speerpunt zijn.

De taakstelling die op de ACM rust heeft geen impact op het toezicht op de vaste telecommunicatiemarkt in 2014. De taakstelling voor de ACM omvat namelijk uitsluitend de vanuit de Rijksbegroting gefinancierde taken van de ACM. Het toezicht op de vaste telecommunicatiemarkt wordt, afgezien van bezwaar en beroep en uitvoeringstoetsen op nieuwe wet- en regelgeving, volledig doorberekend naar de onder toezicht staande marktorganisaties.

129

Op welke wijze wilt u middels de termijnvisie telecommunicatie en internet inspelen op de groeiende maatschappelijke behoefte voor zogenaamde quad play bundels en welke maatregelen treft u daartoe?

In de middellangetermijnvisie telecommunicatie en internet zal o.a. een weergave worden gegeven van trends in de markt. De trend naar het gebundeld aanbieden van diensten (triple of quad play) is daar een van. Vanuit de trendanalyse zal bekeken worden of en zo ja hoe het overheidsbeleid moet worden (her)ingericht om de publieke waarden in deze markt (bijvoorbeeld economische groei of betrouwbaarheid van netwerken en diensten) te borgen.

130

Is het idee dat de, door het bedrijfsleven betaalde, toezichtskosten van de ACM zullen toenemen met het nieuwe voorstel voor een gestroomlijnde methodiek?

Per saldo wordt geen lastenverzwaring voorzien voor het bedrijfsleven. Het is de bedoeling dat als gevolg van de invoering van de nieuwe doorberekeningsystematiek de verhouding tussen het gedeelte van de begroting van de ACM dat via de Rijksbegroting wordt gefinancierd («Rijksgefinancierd») en het gedeelte van de begroting van de ACM dat wordt gefinancierd door middel van doorberekening van kosten aan marktorganisaties («marktgefinancierd») min of meer gelijk blijft ten opzichte van de huidige situatie.

131

In de begroting is een bedrag voor PIANOo en voor Tenderned gezamenlijk opgegeven, kunt u een onderverdeling maken van dit budget voor Tenderned en PIANOo?

Het totaal begroot bedrag van € 6,2 mln. bestaat uit het PIANOo budget van € 1,2 mln. en het TenderNed budget van € 5,0 mln.

132

Welk deel van de kosten van Tenderned is gebaseerd op de wettelijke taken (statistiekverplichting) en welk deel van de kosten is gebaseerd op niet-wettelijke taken, zoals het faciliteren van het onderhands aanbesteden, het digitaal inschrijven, promotie en dergelijke?

TenderNed is zodanig ingericht dat het als het basissysteem voor elektronisch aanbesteden van de overheid kan functioneren. Het aankondigingenplatform (publicatiemodule) en de inschrijfmodule inclusief het bedrijvenregister (digitaal bedrijfsdossier) vormen tezamen dit basissysteem. In de Aanbestedingswet 2012 (Afdeling 4.2.2) is voorgeschreven dat aanbestedende diensten en speciale-sectorbedrijven bij opdrachten boven de Europese drempelwaarden de aankondigingen van de opdracht (o.a. (voor)aankondiging en gunning) moeten publiceren via TenderNed. Door de verplichting alle aankondigingen op een centrale plaats te publiceren, hoeven ondernemers niet langer op verschillende plaatsen te zoeken. Daarnaast hoeven aanbestedende diensten en speciale-sectorbedrijven geen statistische gegevens met betrekking tot aanbestedingen meer aan te leveren aan het Ministerie van Economische Zaken (statistiekverplichting). De publicatiemodule van TenderNed is in 2011 opgeleverd. Tot en met 2011 zijn de investeringskosten € 17,9 miljoen. De investeringskosten voor het hele basissysteem bedragen € 24 miljoen. In de budgetreeks worden de kosten van de verschillende onderdelen niet apart geadministreerd. TenderNed maakt geen kosten die niet samenhangen met het basissysteem.

133

In de begroting staat dat 77% van het geraamde bedrag voor PIANOo en Tenderned bestaat uit een juridische verplichting van in het verleden aangegane verplichtingen: welke verplichting is dit en hoe is deze ontstaan?

De verplichtingen op de post opdrachten bestaan uit meerdere soorten opdrachten. Het betreft bijvoorbeeld financiering van in het verleden aangegane verplichtingen voor de ontwikkeling van TenderNed. Het percentage van 77% juridisch verplicht heeft betrekking op het totale budget dat in 2014 is geraamd voor het verstrekken van opdrachten, waaronder die van PIANOo en Tenderned.

134

Kunt u verklaren waarom de kosten voor PIANOo en Tenderned gezamenlijk dalen van € 7 mln. in 2012 naar € 2 ml.n in 2013 en dan weer stijgen naar meer dan € 6 mln. voor de jaren daarna?

De budgetten voor PIANOo en Tenderned vormen een vrij stabiele reeks, zij het dat budgetten in het uitvoeringsjaar 2013 in verschillende categorieën worden weergegeven. Zo worden nieuwe opdrachten die TenderNed aan Dictu verstrekt vanaf 2013 in de EZ begroting niet langer als budget van TenderNed verantwoord, maar als bijdrage aan Dictu. Een bedrag van € 3,2 mln. is daardoor begroot onder Bijdragen aan Agentschappen (€ 2,4 mln. in 2013 en € 0,779 mln. in 2014). Agentschap Dienst ICT Uitvoering (Dictu) voert het technische- en applicatiebeheer uit van TenderNed en verzorgt de servicedesk. Daarnaast is in 2012 eenmalig een kasbudget van € 1 mln. van 2013 naar 2012 overgeheveld, omdat in het eerste kwartaal van 2012 aanzienlijke financiële verplichtingen zijn aangegaan met aanzienlijke kasuitgaven, waarvoor het oorspronkelijk voor 2012 begrote kasbudget ontoereikend was. Wanneer rekening wordt gehouden met alle bedragen die in 2013 in de diverse categorieën ten dienste van PIANOo en Tenderned zijn geraamd, dan wijkt het totaal niet wezenlijk af van het bedrag voor 2014.

135

Kunt u aangeven welk deel van welke wettelijke verplichting behoort tot de taken van PIANOo en welke van TenderNed tegen welke concrete kosten?

PIANOo, het expertisecentrum aanbesteden, is in 2005 ingesteld om de naleving van de aanbestedingsregels te verbeteren en de aanbestedingspraktijk van aanbestedende diensten te professionaliseren, dit is conform de Memorie van Toelichting bij de Aanbestedingswet 2012. De taken van PIANOo in haar rol als kenniscentrumfunctie zijn hier op terug te voeren Daarnaast is bij PIANOo het secretariaat van de commissie van aanbestedingsexperts belegd. De instelling van de commissie van aanbestedingsexperts vloeit voort uit de Aanbestedingswet 2012. Voor 2013 heeft PIANOo € 180.000 gereserveerd voor de voering van het secretariaat van de commissie van aanbestedingsexperts (personeel en uitvoering). Voor 2014 is eenzelfde bedrag gereserveerd. Voorts is het functioneel beheer van TenderNed bij PIANOo belegd. Zie voor de kosten voor TenderNed het antwoord op vraag 132.

136

Wat is de reden van de fluctuatie in de reeks voor PIANOo en TenderNed?

Zie het antwoord op vraag 134.

137

Kunt u toelichten wat de huidige penetratiegraad is van digitale TV en voorziet u reeds een afschakelmoment voor analoge TV? Wat zijn de financiële gevolgen voor bedrijven wanneer een afschakelmoment wordt ingesteld en wat zijn de financiële gevolgen voor de overheid? Is er sprake van een afnemende trend van analoge FM? Zo ja, kan de Minister dat onderbouwen met cijfers? Wat bedoelt de Minister met een relatief korte termijn? Waarom is in 2016 € 100.000 geraamd voor de digitalisering van regionale radio (een groot verschil ten opzichte van de andere jaren)?

Digitale TV

Op een totaal van 7,5 miljoen televisie-abonnementen (via kabel, satelliet, ether, DSL of glasvezel) ontvangt inmiddels 83% digitale televisie. Analoge ontvangst van televisie is alleen nog mogelijk via de kabel. Van de 4,9 miljoen kabelabonnees hebben 1,2 miljoen huishoudens alleen analoge televisie. Het aantal analoge kabelgebruikers loopt vrij snel terug, maar is dus nog steeds substantieel. Daarnaast gebruiken digitale kabelabonnees vaak nog het analoge signaal voor een tweede of derde toestel. (Bron: Telecommonitor van de ACM, cijfers over 1e kwartaal 2013.)

Het afschakelen van analoge televisie (via de kabel) is het domein van de kabelbedrijven. Op dit moment wordt – voor zover bekend – geen algemeen afschakelmoment voor analoge kabeltelevisie voorzien. Financiële gevolgen spelen derhalve nu niet.

Digitale radio

Op dit moment kan in het algemeen (nog) niet gesteld worden dat er sprake is van een afnemende trend voor de analoge FM. De afgelopen jaren zijn veel andere – overigens allen digitale – mogelijkheden ontstaan om naar de radio te luisteren: via vast of mobiel internet (computers, tablets en smartphones), via digitale televisie (DVB-C, DVB-S, DVB-T en IPTV) en via digitale etherradio (DAB+). Voor meer informatie over het gebruik van de verschillende distributiekanalen voor radio, zie bijv. het Platformonderzoek 2013 van het Radio Advies Bureau (www.rab.fm ).

In de brief van 23 juni 2009 over de digitalisering van de Nederlandse etherradio (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 24 095, nr. 241) is aangegeven dat, als in 2016 – een jaar voordat de huidige vergunningen voor analoge en digitale radio aflopen – blijkt dat digitale etherradio (DAB+) zoveel succes heeft dat het op relatief korte termijn de distributie via de analoge FM kan vervangen, dan een afschakelmoment voor de analoge FM wordt vastgesteld. Een belangrijke indicator voor dit succes is het percentage huishoudens dat beschikt over een digitale radioontvanger. Als dit in meer dan 50% van de huishoudens het geval is, ligt het in de rede om de analoge FM op termijn af te schakelen. Daarbij wordt uiteraard ook aangesloten bij de ontwikkelingen in de rest van Europa. Het definitieve afschakelmoment ligt dan maximaal zes jaar na afloop van de eerste verlengingsperiode (in 2017). De relatief korte termijn waarop digitale etherradio (DAB+) de analoge etherradio zou kunnen vervangen is derhalve in 2023.

Per 1 september 2013 zijn de landelijke commerciële radiostations van start gegaan met digitale etherradio via DAB+. Zij hebben hiervoor in korte tijd een landelijk dekkend netwerk opgebouwd. De Nederlandse Publieke Omroep (NPO) is reeds digitaal te beluisteren in de Randstad, Noord-Holland en Midden-Nederland en heeft onlangs bekendgemaakt haar netwerk (versneld) te willen uitbreiden naar landelijke dekking eind 2013. De landelijke commerciële radiostations en de NPO gaan nu gezamenlijk de promotie en publieksvoorlichting van digitale etherradio oppakken. Uiterlijk in september 2015 zullen ook de regionaal publieke omroepen, de niet-landelijke commerciële radiostations en de middengolfvergunninghouders starten met digitale radio.

De uitgavenreeks voor digitalisering regionale radio, die blijkt uit de tabel budgettaire gevolgen voor beleid, betreft de maximale jaarlijkse voorschotten waarvoor de begunstigde in aanmerking komt. In 2016 zal het percentage van 85% van de te verlenen subsidie, dat maximaal kan worden bevoorschot, worden bereikt. Hierop is het beschikbare bedrag in de begroting aangepast. Uiterlijk in 2018 zal de eindafrekening worden opgesteld waarop mogelijk een nabetaling volgt.

138

Kunt u aangeven hoe het zit met de verspreiding van TDAB capabele ontvangers in auto’s?

Digitale radio’s voor in de auto zijn van groot belang voor het succes van digitale etherradio. Per 1 september 2013 zijn de landelijke commerciële radiostations van start gegaan met digitale uitzendingen via DAB+. Het is logisch dat de verkoop en installatie van digitale autoradio’s nu op gang begint te komen. De omroepen zijn in gesprek met autofabrikanten om hen er op te wijzen dat het van belang is dat de digitale autoradio niet een optie blijft voor de duurdere auto’s maar standaard wordt voor alle auto’s. In het Verenigd Koninkrijk waar men al langer bezig is met digitale radio wordt op dit moment zo’n 40% van de nieuwe auto’s standaard uitgerust met een digitale autoradio. Ook in Nederland zijn autoshops en fabrikanten hun klanten warm aan het maken voor digitale radio in de auto.

139

Heeft een succesvolle uitrol van digitale radio ook consequenties voor de middengolf-frequenties of worden alleen de analoge FM-frequenties afgeschakeld?

In de brief van 23 juni 2009 over de digitalisering van de Nederlandse etherradio is aangegeven dat als in 2016 blijkt dat 50% van de huishoudens over een digitale ontvanger (DAB+) beschikt, het in de rede ligt om de analoge FM op termijn af te schakelen. Met betrekking tot de middengolf wordt in de brief aangegeven dat hiervoor dezelfde voorwaarden gelden als het gaat om het afschakelbeleid. Het is op de middengolf al meerdere jaren moeilijk om een rendabel radiostation te exploiteren. Tijdens een onlangs gehouden uitgifte van twee commerciële FM-kavels (waaronder het landelijke FM-kavel A7) en een commercieel middengolfkavel, is het middengolfkavel (C08) onverdeeld gebleven wegens gebrek aan belangstelling. Zowel in Nederland als in het buitenland hebben publieke omroepen plannen bekendgemaakt om (analoge) middengolfzenders uit te zetten ten gunste van digitale etherradio. Zoals eerder aan de Kamer gemeld (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 24 095, nr. 288) is er op dit moment nog geen besluit genomen over het afschakelen van de middengolf.

140

Is de streefwaarde van 50% bereik voor digitale radio realistisch gezien het aantal digitale radioontvangers dat aangeboden en verkocht wordt?

De streefwaarde van 50% houdt verband met het eventueel kunnen bepalen van een afschakelmoment van de FM. Als in 2016 bij de dan geplande evaluatie blijkt dat digitale etherradio (DAB+) zoveel succes heeft dat het op relatief korte termijn de analoge etherradio kan vervangen, wordt een afschakelmoment van de analoge FM vastgesteld. Een belangrijke indicator voor dit succes is het percentage huishoudens dat over een digitale ontvanger beschikt. Als dit meer dan 50% van de huishoudens betreft, ligt het in de rede om de analoge etherradio op termijn af te schakelen. Daarbij wordt uiteraard aangesloten bij ontwikkelingen in de rest van Europa. Het Verenigd Koninkrijk, waar men al langer bezig is met digitale radio, kent anno 2013 een penetratiegraad van 46%. In Zwitserland (8 miljoen inwoners) zijn inmiddels 1 miljoen digitale radio’s verkocht. Nu de landelijke omroepen digitaal in de ether te ontvangen zijn en inmiddels de promotie is gestart om digitale radio meer bekendheid te geven (zie www.digitalradio.nl ) ligt een forse toename van het aantal verkochte digitale ontvangers in de rede.

141

Wanneer vindt het overleg plaats met het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de (her)uitgifte van frequenties voor omroeptoepassingen voor publieke en commerciële radio en televisie?

Omdat de ontwikkelingen op het gebied van telecommunicatie en omroep – met name ook de convergentie van die twee – op dit moment zo snel gaan, is het Ministerie van Economische Zaken veelvuldig in gesprek met het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De huidige vergunningen analoge etherradio (FM en middengolf), digitale etherradio (DAB+) en digitale ethertelevisie (DVB-T) lopen tot medio 2017. De voorbereidingen voor de heruitgifte van deze frequenties zullen in 2014 starten. Daarbij zijn ook de ontwikkelingen met betrekking tot de toekomst(verkenning) van de publieke omroep van belang. Betrokkenen zullen in ieder geval ruim voor het aflopen van de vergunningen duidelijkheid krijgen over de heruitgifte.

142

Wat zal uw inzet zijn bij de besluitvorming op Europees niveau met betrekking tot de frequentiebanden die beschikbaar moeten worden gesteld voor mobiel breedband, zet u daarbij in op netneutraliteit? Wanneer wordt toegewerkt naar een volledige interne markt, werkt u met uw Europese counterparts toe naar een Europese veiling in de toekomst? Is dat een mogelijk toekomstscenario?

In de Radio Spectrum Beleidsgroep (die de Europese Commissie adviseert over het Europees spectrumbeleid) zijn kandidaat-frequentiebanden geïdentificeerd die nader onderzocht moeten worden voor de beschikbaarheid van mobiel breedband. Daarbij moet ook gekeken worden naar het bestaande gebruik in die banden, de effecten op dat gebruik en de mogelijke samenleving met de diensten en toepassingen in aangrenzende frequentiebanden. Op dit moment vinden voorbereidende technische studies in de Europese Conferentie van administraties voor Post en Telecommunicatie (CEPT) plaats naar een aantal van deze banden. Het gaat hierbij m.n. om de 700 MHz band (nu in gebruik voor aardse omroep), de 1.452–1.492 MHz band (aan aardse en satellietomroep toegewezen, maar nooit in gebruik genomen) en de 2.300–2.400 MHz band (met divers gebruik). Nederland werkt actief mee aan deze studies en behartigt de Nederlandse belangen door onder andere de Nederlandse situatie in deze banden in te brengen.

De toewijzing van uitbreidingsbanden voor mobiel breedband zal, zoals al langer gebruikelijk, op technologie- en dienstenneutrale wijze plaatsvinden. Dat betekent dat een vergunninghouder binnen kaders die met name gericht zijn op het voorkomen van storingen, zelf een technologie- en dienstenkeuze kan maken.

Onlangs heeft de Europese Commissie een voorstel voor een Verordening tot versterking van de interne markt voor elektronische communicatie gepubliceerd. Het voorstel bevat ook maatregelen voor verdere harmonisatie van het spectrumbeleid. Het voorlopig standpunt van de Regering op het voorstel zal binnen een aantal weken aan uw Kamer worden aangeboden.

Er wordt op dit moment niet met Europese counterparts toegewerkt naar een Europese veiling. Vergunningverlening is de competentie van de lidstaten en het voorstel voor een Verordening voorziet ook niet in een Europese veiling. Verdelingsprocedures van spectrumrechten zullen, althans deels, gebaseerd moeten zijn op nationale overwegingen zoals het streven naar effectieve concurrentie in de markt.

143

Kunt u toelichten welke acties in gang worden gezet voor de bewustwording van de eindgebruiker en de bedrijven van het belang van privacybescherming?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 50.

144

Kunt u in één overzicht een duidelijk beeld geven van alle middelen die in 2014 beschikbaar worden gesteld ter verbetering van ICT en cybersecurity?

Activiteiten m.b.t. continuïteit van netwerken, internetveiligheid en cybersecurity zijn onderdeel van de post Beleidsvoorbereiding en evaluaties Frequenties en Veiligheid (begroot op € 1,2 miljoen). Hieronder vallen ook de middelen voor verbetering van ICT en cybersecurity.

Onderstaande tabel bevat de verwachte kasbedragen voor de diverse onderdelen.

Onderdeel

bedrag

Versterking continuïteit netwerken

€ 100.000

Bijdragen Digiveilig en Platform Internetveiligheid

€ 700.000

Bijdrage aan Nationale Cybersecurity Research Agenda

€ 200.000

Acties als vervolg op E-privacy brief

€ 200.000

145

Wat is de relatie tussen het Platform Internetveiligheid en het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC)?

In het Platform Internetveiligheid, werken publieke en private partijen samen op het gebied van internetveiligheid. Het Platform Internetveiligheid stelt zich ten doel een structurele bijdrage te leveren aan het verbeteren van de internetveiligheid bezien vanuit het perspectief van de internetgebruiker. Het richt zich op strategische onderwerpen in relatie tot internetveiligheid en streeft naar een agenderende en voorbeeldfunctie door maatschappelijke trends te signaleren en te vertalen naar concrete initiatieven. Vanuit het Platform Internetveiligheid is in het verleden de gedragscode Notice-and-Take-down gelanceerd en is het initiatief om te komen tot de vereniging Abuse-EX – gericht op botnetbestrijding – tot stand gekomen.

Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) is een operationele organisatie met een dienstverleningspakket dat is gericht op het veiliger maken en houden van de digitale samenleving. Deze dienstverlening richt zich op de Rijksoverheid en vitale sectoren, maar wordt deels ook aan andere overheden, bedrijfsleven en burgers aangeboden. Zo worden concrete adviezen gegeven aan de doelgroepen over nieuwe cyberdreigingen en wat daaraan gedaan kan worden. Verder biedt het NCSC daadwerkelijke ondersteuning bij dreigingen of incidenten. Het beperken van schade (financieel, technisch, imago) staat daarbij centraal. Het NCSC zorgt tenslotte bij een eventuele cyber crisis voor de operationele coördinatie. Dit alles wordt gedaan binnen een publiek-privaat samenwerkingsmodel.

146

Is de Herfindahl Hirschman Index (HHI) ook beschikbaar voor de markt van vaste telefonie? Zo ja, kan de Kamer deze ontvangen inclusief uw toelichting hierop? Zo nee, is de regering bereid een HHI te (laten) bepalen van de vaste telecommarkt en deze met de Kamer te delen?

In de openbare rapportage vaste telefonie Q1 2013, wordt de HHI van retail aansluitingen vaste telefonie weergegeven. Die is over de periode Q2 2011 tot en met Q1 2013 gedaald van 3.936 naar 3.542, hetgeen wijst op minder concentratie. Ik wil u naar de betreffende rapportage verwijzen: https://www.acm.nl/nl/publicaties/publicatie/11670/Telecommonitor-eerste-kwartaal-2013-Breedbandabonnementen-steeds-sneller/

147

Kunt u een indicatie geven van de marktconcentratie voor het vaste netwerk en kunt u ingaan op het verband tussen mobiele en vaste netwerken in relatie tot concurrentie en mededinging?

Via de vaste netten worden, al dan niet in combinatie, verschillende diensten geboden. Er bestaat dan ook geen eenduidige indicator voor de marktconcentratie van het vaste netwerk, wel voor de deelmarkten. In het antwoord op vraag 146 heb ik de HHI voor de markt van vaste telefonie gegeven. Andere indicaties voor de marktconcentratie kunnen worden gegeven aan de hand van de verdeling van de marktaandelen naar aantallen aansluitingen per technologie. Die zijn ongeveer als volgt: voor vaste breedbandverbindingen heeft kabel ca 47% marktaandeel, DSL ca 45% en FTTH ca 8% (stand Q1 2013, bron Telecompaper). Voor vaste telefonie-aansluitingen zijn de aandelen DSL 31%, traditionele PSTN 16%, FTTH 7%, kabel 41% en huurlijnen 5% (stand Q2 2013, bron Telecompaper).

Wat betreft het verband tussen mobiele en vaste netwerken zie ik een aantal ontwikkelingen. Een eerste, die hiervoor genoemd werd, is de ontwikkeling van een markt voor quad play diensten, waarbij mobiel wordt toegevoegd aan pakketen met vaste telefonie, breedbandinternet en televisiediensten. Een tweede is dat er een groep consumenten is die voor hun telefoniediensten «mobile-only» gebruikers zijn. En een derde ontwikkeling is dat nieuwe mobiele technologieën (4G) extra concurrentie kunnen opleveren voor de vaste netten. Al deze ontwikkelingen maken dat de telecommunicatiemarkt stevig in beweging is, hetgeen toe te juichen is.

148

Is het uw verwachting dat, nu de mobiele telecomveiling geweest is, de HHI sterk zal dalen?

De HHI in de begroting is berekend aan de hand van de marktaandelen van de huidige drie mobiele netwerkaanbieders. Ik verwacht dat de toetreding van de vierde netwerkaanbieder, Tele2, inderdaad effect zal hebben op de HHI. De HHI is afhankelijk van twee factoren, in samenhang. Ten eerste het aantal marktpartijen: bij een groter aantal marktpartijen kan de HHI afnemen. Ten tweede de onderlinge marktaandelen. Naarmate de marktaandelen evenwichtiger verdeeld zijn neemt de HHI ook af. Indien Tele2 marktaandeel weet te winnen ten koste van de grootste aanbieder, dan is het effect sterker dan als het marktaandeel verwerft ten koste van een kleinere aanbieder. Of de daling sterk of minder sterk zal zijn, is nog niet te voorspellen.

149

Welke statistieken van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) worden wegens de bezuinigingen beëindigd, in frequentie verlaagd of versoberd en welke gevolgen verwacht u dat dit heeft?

Het CBS geeft in zijn Strategisch Meerjarenprogramma 2014–2018 zijn ambities voor deze periode weer (zie Bijlage bij Kamerstuk 33 400-XIII nr. 142). Het CBS breidt het statistische programma uit op drie gebieden, waar maatschappelijke behoefte is aan meer informatie: ontwikkelingen in het bedrijfsleven, flexibilisering van de arbeidsmarkt en vermogensposities. Vanwege de financiële taakstellingen is er ook een beperkt aantal reducties in het programma noodzakelijk. Deze reducties zijn opgenomen in een nader overzicht (zie Bijlage bij Kamerstuk 33 400-XIII nr. 142 «Bijlage bij strategisch meerjarenprogramma 2014–2018 CBS»). In de uiteindelijke besluitvorming over de keuze zijn het maatschappelijk bereik en het belang voor de gebruikers als uitgangspunt genomen. De fasering van de programmareductie komt aan de orde in de jaarplannen in de periode 2014–2018, die te vinden zullen zijn op de website van het CBS (http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/organisatie/corporate-informatie/publicaties/archief/ ).

De financiële kaders waarbinnen dit meerjarenprogramma uitgevoerd wordt, zijn exclusief de taakstelling van dit kabinet. De omvang van die taakstelling is voor het CBS nog niet definitief vastgesteld. Voor de jaren 2014 en 2015 zijn de financiële kaders toereikend om dit meerjarenprogramma uit te voeren. Voor de jaren 2016 t/m 2018 moet de taakstelling van het kabinet nog verwerkt worden. Indien dit tot wijzigingen in het meerjarenprogramma leidt, zal ik uw Kamer hierover informeren.

150

Waarom is de doelstelling «bekendheid» van ConsuWijzer verwijderd?

Allereerst is er gekozen voor kengetallen bij de cijfers met betrekking tot ConsuWijzer en niet voor prestatie-indicatoren of doelstellingen. Het gaat hier om zaken waar het moeilijk is vast te stellen wat de directe invloed van een Minister is op het te behalen resultaat.

Er is met de twee kengetallen voor gekozen om vooral te kijken naar de meerwaarde van ConsuWijzer voor consumenten. Met andere woorden: worden de producten en diensten die op ConsuWijzer worden aangeboden ter ondersteuning van consumenten daadwerkelijk gebruikt en wordt de service die ConsuWijzer biedt voldoende gewaardeerd. ConsuWijzer probeert daar aanwezig te zijn waar consumenten de informatie nodig hebben. Dat gebeurt door gerichte acties, met name via het internet en via zogenoemde free publicity (bv interviews en redactionele artikelen in tijdschriften of kranten en optredens in TV-programma’s). Dat ConsuWijzer al drie jaar door het publiek is gekozen tot beste overheidswebsite is een teken dat het publiek deze werkwijze weet te waarderen.

151

Kunt u de Nederlandse inzet in de Europese Commissie en de Europese Conferentie van administraties voor Post en Telecommunicatie (CEPT) ten aanzien van de frequentieverdelingen toelichten?

De CEPT is de organisatie van 48 Europese landen waar afspraken worden gemaakt over het gebruik van frequentiebanden. Doel is vooral het voorkomen van grensoverschrijdende storingen en het creëren van Europese schaalvoordelen door harmonisatie van spectrumgebruik waar dat nuttig en nodig is. Nederland is actief in de werkgroepen en in de belangrijkste projectteams van de CEPT.

CEPT is ook de regionale organisatie voor Europa in de International Telecommunication Union (ITU). CEPT behartigt de belangen van Europa en bereidt in samenwerking met de Europese Commissie voorstellen voor ten behoeve van de Wereld Radio Conferentie van de ITU.

Verder voert CEPT op verzoek van de Europese Commissie technische studies uit (inclusief storingsstudies) naar het mogelijk gebruik van spectrumbanden waarvoor op het niveau van de Europese Unie harmonisatie wordt overwogen. Dat is ook het geval voor de frequentiebanden in mijn antwoord op vraag 142. Ook de Nederlandse inzet heb ik daarbij gegeven.

152

Is de btw-vrijstelling voor de post Europees verplicht of een puur Nederlandse maatregel?

Op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel m, van de Wet op de Omzetbelasting 1968 zijn diensten die deel uitmaken van de universele postdienst (UPD) vrijgesteld van btw. Deze vrijstelling volgt uit de Europese Richtlijn 2006/112/EG (de btw-richtlijn), waarin is voorgeschreven dat bepaalde activiteiten van algemeen belang, waaronder de UPD, dienen te worden vrijgesteld van btw. Zie hierover ook de antwoorden op de vragen van de leden De Liefde (VVD) en Mei Li Vos (PvdA) van 27 augustus 2013 (Aanhangsel Handelingen II 2012/13, nr. 3036).

153

Kunt u aangeven wanneer de nieuwe cijfers van het CBS ten aanzien van de R&D-uitgaven als percentage van het Bruto Binnenlands Product (BBP) voor 2012 beschikbaar zijn en bent u bereid de Kamer hierover te informeren?

Het CBS publiceert de voorlopige cijfers over R&D-uitgaven in 2012 eind oktober 2013. Deze data komen beschikbaar op de website van het CBS (www.http://statline.cbs.nl/statweb/ ). Uw Kamer wordt erover geïnformeerd in zich daarvoor lenende rapportages/brieven van het Ministerie van Economische Zaken, waaronder het jaarverslag.

154

Klopt wat in het Financieel Dagblad van 24 september 2013 staat, namelijk dat het topsectorenbeleid een organisatorisch monster is, en een grote verspilling van tijd en energie?

Het bedrijvenbeleid in de huidige vorm bestaat sinds 2011. De transitie naar deze moderne vorm van innovatie- en industriebeleid vergt aanpassingstijd van alle stakeholders, niet in de laatste plaats van de overheid als één van de belanghebbende netwerkpartijen. Een belangrijke focus in het beleid ligt op privaatpublieke samenwerking tussen bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheid. Deze privaatpublieke samenwerking krijgt steeds meer vorm. Zo participeren op het gebied van innovatie maarliefst 1.900 bedrijven in de Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s). Ook de privaatpublieke samenwerking tussen onderwijs en ondernemers krijgt met het Techniekpact steeds meer vorm.

Maar het bedrijvenbeleid is nog niet af; er is ruimte voor verbetering. Dit is ook de boodschap van de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) in zijn briefadvies: Eerste observaties uit de «Balans van de topsectoren». De AWT adviseert met kracht door te gaan met het topsectorenbeleid, maar doet tevens aanbevelingen voor verbetering. Ook vanuit de hoek van het bedrijfsleven en kennisinstellingen wordt opgeroepen de aanpak te continueren.

De komende periode zet dit kabinet onder andere in op een sterkere verbinding van de topsectoren met maatschappelijke opgaven, het creëren van meer ruimte voor ambitieuze ondernemers en een verdere vereenvoudiging van de instrumenten. Zo verruimt en harmoniseert dit kabinet de TKI-toeslag en de MIT-regeling op basis van de ervaringen van de topsectoren. De mogelijkheden om TKI-toeslag aan te vragen worden verruimd, onder andere voor gezondheidsfondsen. Ook wordt het mogelijk om toeslag aan te vragen voor meerjarige programma’s. De nieuwe spelregels voor privaat publieke samenwerking zorgen voor een helder kader voor alle partijen.

155

Is de bezuiniging van € 138 mln. op de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO) en Research & Development Aftrek (RDA) al verwerkt in deze begroting en klopt het dat deze extra bezuiniging komt bovenop de € 160 mln. (WBSO) en € 60 mln. (topsectoren) bezuinigingen uit het regeerakkoord? Klopt het dat er een verband is tussen de € 138 mln. euro en het niet halen van extra boete-inkomsten door de ACM? Is er geen andere oplossing?

Er is in 2014 sprake van een bezuiniging van € 138 mln. op fiscale innovatieregelingen. Deze is al verwerkt in de begroting en wordt volledig ingeboekt op de RDA. De in de vraag genoemde bezuiniging op fiscale innovatieregelingen uit het regeerakkoord (maatregel 81.7) bedraagt € 93 mln. in 2014 en vanaf 2015 € 160 mln. structureel. Daarnaast is in het regeerakkoord onder maatregel 84 opgenomen dat de boetes marktwerking (ACM/NMa) taakstellend worden verhoogd, maar dat eventuele besparingsverliezen gecompenseerd kunnen worden binnen het EZ-domein. Hiermee wordt verwezen naar maatregel 81, «Subsidies bedrijven», uit het Regeerakkoord.

Het besparingsverlies bij de boetetaakstelling wordt geraamd op € 75 miljoen in 2014, oplopend tot € 115 miljoen structureel. Het kabinet heeft besloten om het besparingsverlies te compenseren uit het fiscale (innovatie) instrumentarium. In 2014 bedraagt de totale taakstelling daarmee € 93 mln. + € 75 mln. is € 168 mln. Naast de korting van € 138 mln. op de RDA wordt de overige € 30 miljoen taakstelling gerealiseerd door een structurele korting op de energie-investeringsaftrek (EIA), milieuinvesteringsaftrek (MIA) en de willekeurige afschrijving milieuinvesteringen (Vamil) van € 10 miljoen per regeling.

Er is nog geen concrete uitwerking van de invulling van de genoemde taakstellingen vanaf 2015. Om die reden zijn de taakstellingen voor 2015 en latere jaren vooralsnog (technisch) ingeboekt op de WBSO en de RDA. De precieze verdeling van de taakstelling op het innovatie instrumentarium kan per 2015 worden gewijzigd. Daarbij worden ook de Innovatiebox en de TKI-toeslag betrokken.

156

Hoe groot is de kans dat Nederland in 2020 2,5% van het BBP aan R&D besteedt?

Het is nog te vroeg om onderbouwde uitspraken te doen over de kans ten aanzien van het halen van de kabinetsdoelstelling van 2,5% bbp. De komende jaren zal uit CBS-gegevens over de R&D-uitgaven moeten blijken of ook na 2011 (toen voerde het CBS een revisie van de R&D-statistiek door) een stijgende tendens waarneembaar is en hoe die reageert op beleidsveranderingen die sindsdien zijn doorgevoerd. De stijgende deelname van bedrijven aan generieke instrumenten om R&D te stimuleren (o.a. WBSO, RDA en Innovatiefonds MKB+) in 2011 en 2012 en de sterke deelname van private organisaties aan topconsortia voor kennis en innovatie zijn wel een positief signaal.

157

Kunt u aangeven of u ook risico’s ziet in het stimuleren van privaatpublieke samenwerking tussen kennisinstellingen en bedrijven, bijvoorbeeld voor de onafhankelijkheid en dus betrouwbaarheid en volledigheid van het gedane onderzoek?

In publiek private samenwerkingsverbanden werken de betrokken partijen samen op basis van gemeenschappelijke belangen. De samenwerking vindt ook plaats op basis van vrijwilligheid. Er zijn spelregels opgesteld op basis waarvan deze samenwerking plaatsvindt (28 753, nr. 30). Bijvoorbeeld is afgesproken dat ten aanzien van de middelen die NWO beschikbaar stelt voor het topsectorenbeleid blijft de wetenschappelijke kwaliteit voorop staan, ook al wordt dit onderzoek samen met het bedrijfsleven geprogrammeerd.

Elke partij heeft een eigen verantwoordelijkheid in die samenwerking. Om de integriteit van de kennisinstellingen te borgen hebben deze op basis van de VSNU-code voor hun instellingen een integriteitsbeleid opgesteld. Hiermee geven de instellingen aan dit binnen hun organisaties serieus op gepakt te hebben. Ik heb er vertrouwen in dat bij de publiek-private samenwerking de integriteit gewaarborgd is.

158

Weet u of bekend is welk percentage van aangevraagde patenten door publieke partijen wordt aangevraagd en welk percentage door private partijen, is daarnaast bekend hoeveel patenten de TO2-organisaties hebben aangevraagd in de afgelopen jaren en hoe deze verdeeld zijn over de TO2-organisaties? Zo ja, bent u bereid deze informatie met de Kamer te delen?

Het percentage van aangevraagde octrooien door publieke partijen hangt samen met de vraag wat er gerekend wordt tot een publieke partij. Wanneer een publieke partij wordt afgebakend tot: de overheid, universiteiten, UMC’s, hogescholen TO2-organisaties, KNAW en NWO dan geldt voor de periode van 2005–2009 dat ongeveer 5% van de aangevraagde octrooifamilies vanuit Nederland zijn gedaan door publieke partijen. Een octrooifamilie bestaat uit meerdere aanvragen bij de octrooibureaus van verschillende landen en regio’s (bijv. NL en Europees Octrooibureau) voor dezelfde vinding door dezelfde aanvrager(s).

Voor de periode van 1980–2009 heeft het Rathenau Instituut uitgezocht hoeveel octrooifamilies er zijn aangevraagd door kennisinstellingen en hoe deze zijn verdeeld over de verschillende TO2-organisaties. Uit dit onderzoek, dat binnenkort zal worden gepubliceerd, komt voorde periode 2005–2009 het volgende beeld naar voren. In totaal vroegen de TO2-organisaties in totaal 698 octrooifamilies aan: waarvan in totaal 603 door TNO, 49 door ECN, 29 door DLO, 11 door Deltares en 5 door NLR.

159

Kunt u aangeven wanneer de Kamer de nieuwste cijfers ten aanzien van het aandeel innoverende bedrijven in Nederland van het CBS en Eurostat kan verwachten, aangezien de laatst bekende cijfers uit 2010 stammen en de enquête tweejaarlijks wordt gehouden? Bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomsten van de enquête uit 2012?

De nieuwste cijfers ten aanzien van het aandeel innoverende bedrijven in Nederland worden eind juni 2014 door het CBS gepubliceerd. Deze data komen beschikbaar op de website van het CBS (http://statline.cbs.nl/statweb/ ). Eurostat publiceert enkele weken later. Uw Kamer wordt hierover zoals gebruikelijk geïnformeerd via betreffende kengetallen in de begroting van het Ministerie van Economische Zaken.

160

Tellen voor de tabel enkel de vanuit Nederland aangevraagde patenten mee of alle door bedrijven met een Nederlands hoofdkantoor aangevraagde patenten?

Het kengetal in de begroting van Economische Zaken aangaande octrooiaanvragen is overgenomen van de Europese Commissie en maakt deel uit van het Innovation Union Scoreboard. De Commissie geeft in de statistische bijlage op het Scoreboard aan dat zij voor dit kengetal op grond van adresgegevens van de uitvinder(s) per lidstaat de aanvragen telt die via de World Intellectual Property Organisation (overeenkomstig Patent Cooperation Treaty) aan het Europees Octrooibureau worden toegewezen. Octrooiaanvragen die bedrijven doen voor (uitsluitend) de Amerikaanse en Aziatische markten worden hierdoor niet meegenomen. Dit betekent dat in de cijfers voor Nederland alleen aanvragen van hoofdkantoren zijn meegenomen indien betreffende octrooien in de EU gelden en indien de uitvinder een Nederlands adres heeft.

161

Kunt u verduidelijken op welke wijze de TKI-toeslagenregeling 2014 wordt vereenvoudigd en verruimd en op welke wijze de Kamer hierbij wordt betrokken?

De TKI-toeslagregeling 2014 wordt op een aantal punten verruimd. Naast de mogelijkheid voor TKI’s om de toeslag aan te vragen op basis van de private bijdragen aan een jaarprogramma voor publiek-privaat onderzoek, komt er de mogelijkheid om de toeslag aan te vragen op basis van de private bijdrage aan een meerjarige publiek-privaat onderzoeksproject. Voorts kan op meerdere momenten in het jaar toeslag worden aangevraagd. Met deze wijzigingen ontstaat meer flexibiliteit bij het aanvragen en bij de inzet van de TKI-toeslag. Daarnaast wordt de grondslag van de toeslag verruimd. Voor de grondslag van de toeslag tellen voor de eerste € 20.000 voortaan niet alleen de cashbijdragen van bedrijven mee maar ook de bijdragen in natura. Hiermee wordt het betrekken van het MKB bij de TKI’s en de Topsectoren makkelijker.

Ook zullen de private bijdragen van instellingen van algemeen nut tot een bepaald maximum meetellen voor de grondslag van de toeslag. Hiermee wordt het mogelijk TKI-toeslag te verkrijgen op de bijdragen van bijvoorbeeld gezondheidsfondsen aan de onderzoeksagenda van de TKI. Voorts zal een pilot worden vormgegeven waarbij het onder bepaalde voorwaarden mogelijk wordt om de private bijdrage van bedrijven aan publiek uitgevoerd onderzoek dat onderdeel uitmaakt van de onderzoeksagenda van de TKI’s mee te tellen voor de TKI-toeslag. De innovatie-activiteiten uit de TKI-toeslagregeling en de regeling MKB Innovatiestimulering Topsectoren (MIT) worden vervolgens op een meer logische en geharmoniseerde wijze ondergebracht in deze regelingen.

Uw Kamer is op de hoogte gebracht van de belangrijkste wijzigingen in de voortgangsbrief over het bedrijfslevenbeleid die 2 oktober naar de Tweede Kamer is gestuurd (Kamerstuk 32 637, nr. 82).

162

Kunt u verduidelijken wat het «stroomlijnen van de MKB innovatiestimulering Topsectoren (MIT-regeling)» inhoudt?

Het gaat hierbij om gesprekken met de regio’s over samenwerking en afstemming van landelijke en decentrale innovatie instrumenten. MIT kan hier een voorbeeldrol in vervullen. Samenwerking en afstemming kan o.a. betrekking hebben op voorlichtings- en uitvoeringstrajecten van innovatieregelingen. Doel is de transparantie en toegankelijkheid van het regionale en landelijke instrumentarium voor de mkb-er te vergroten. Voor harmonisering van de TKI-toeslagregeling en MIT zie het antwoord op vraag 161

163

Kunt u de beleidswijzigingen die u noemt, nader en meer gedetailleerd toelichten?

Voor de beleidswijzigingen met betrekking tot de TKI-toeslagregeling en stroomlijning met de MIT-regeling verwijs ik u naar het antwoord op vragen 161 en 162. Wat betreft het stimuleringspakket op het terrein van de bedrijfsfinanciering verwijs ik u naar de brief van de regering van 17 september 2013 «Stimulering Ondernemingsfinanciering» waarin de beleidsvoornemens nader zijn toegelicht.

164

Kunt u aangeven hoeveel FTE er nodig is om de TKI-toeslagen te controleren en hoeveel A4-tjes er gemiddeld ingevuld dienen te worden om aanspraak te maken op een TKI-toeslag?

Het aanvraagformulier voor de gehele TKI-toeslag bestaat uit 1,5 A4 met algemene vragen betreffende de aanvraag: contactgegevens van de aanvrager, de som van de private bijdragen en de ondertekening. Het aanvraagformulier kent voorts 2 bijlagen. Op de eerste bijlage dienen alle projecten te worden genoemd, die onderdeel uitmaken van het TKI-programma, en waarvoor toeslag wordt aangevraagd. Hierbij dient de naam van het project, de private partij en de hoogte van de private bijdrage te worden aangegeven: één regel per private partij. Op de tweede bijlage dient te worden aangegeven voor welke projecten de TKI-toeslag wordt ingezet, één regel per project. Op twee A4 passen 40 regels.

De TKI-aanvragen 2013 (€ 83 miljoen) zijn door 0,8 FTE behandeld (gedurende 8 weken 4 FTE). Een geheel jaar uitvoering van de TKI-toeslag kost naar verwachting 3,9 FTE.

165

Wat valt er onder het bedrag dat overgemaakt wordt aan Agentschap NL via artikel 12?

Aan AgNL worden jaarlijks de uitvoeringskosten die betrekking hebben op uitvoering van het innovatie-instrumentarium verstrekt. Voor dit instrumentarium wordt verwezen naar de begroting 2014. De qua uitvoeringskosten meest omvangrijke instrumenten zijn de fiscale regelingen WBSO en RDA, het Innovatiefonds MKB+, de Toeslag Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI-Toeslag), Internationaal Innoveren, de Regeling MKB Innovatiestimulering Topsectoren (MIT, onderdeel van Subsidies Overig) en tot slot de afwikkeling van de voormalige innovatieprogramma’s en een aantal FES-projecten (Topsectoren overig).

166

Kunt u aangeven op welke wijze er vanuit het topsectorenbeleid meer aandacht wordt besteed aan economische diplomatie?

Kern van het internationaal topsectorenbeleid is het optimaal laten aansluiten van de buitenlandactiviteiten van de Nederlandse overheid bij de prioriteiten en behoeften van de topsectoren. De topsectoren hebben de landen aangewezen waarop ze zich bij voorrang willen richten en hebben in zogenaamde marktbewerkingsplannen aangegeven wat ze in deze landen willen doen. Deze marktbewerkingsplannen geven richting aan het werk van ambassades in voor de topsectoren relevante landen. Verder zijn deze plannen en landenkeuze van belang bij de keuze en invulling van economische reizen van het kabinet. Ook decentrale overheden worden daarbij betrokken. In samenwerking met de overheid presenteren de topsectoren zich jaarlijks met een Holland Paviljoen op twee mondiale beurzen.

167

Van de generieke instrumenten van het innovatiebeleid komt 35% van het budget bij het grootbedrijf terecht, om hoeveel bedrijven gaat dit?

Het gaat om 576 bedrijven (grootbedrijf is vanaf 250 medewerkers).

168

Hoeveel MKB bedrijven zijn gaan innoveren door gebruik van het innovatiefonds MKB+?

Vanuit het Innovatiefonds MKB+ zijn tot op heden 340 ondernemingen gefinancierd om te gaan innoveren.

169

Welke percentage komt terug van het bedrag dat via het Innovatiekrediet wordt weggezet?

Bij succesvolle afronding van een innovatieproject moet het Innovatiekrediet inclusief opgelopen rente door de onderneming worden terugbetaald. Hiermee kunnen weer andere innovatieprojecten worden ondersteund. Een terugverdienratio van 80% wordt nagestreefd.

170

Kunt u toelichten of het klopt dat de verwachting is dat slechts 34 bedrijven in 2014 gebruik zullen maken van het Innovatiekrediet? Waarom is dit aantal zo laag en heeft dit te maken met het relatief hoge minimale aanvraagbedrag?

Uit de ervaring van de laatste jaren blijkt dat het gemiddelde bedrag van het Innovatiekrediet varieert tussen de € 1,5 en 2 miljoen. Op basis van het beschikbare verplichtingenbedrag voor innovatiekredieten in 2014 van € 61 miljoen kan dan worden verwacht dat er ongeveer 34 bedrijven kunnen worden gefinancierd.

Het minimale aanvraagbedrag van een Innovatiekrediet is € 50.000 en is beduidend lager dan het gemiddelde bedrag van het Innovatiekrediet. Een verdere verlaging van het minimale aanvraagbedrag heeft dan ook weinig invloed op het aantal bedrijven dat gebruik zal maken van het Innovatiekrediet. Het ontwikkelen van een nieuw product of dienst vergt een substantiële financiering. Kleinschalige financieringen blijken niet afdoende te zijn in dit verband.

171

Kunt u toelichten of er niet reeds een pilot was waarbij TKI's hun TKI-toeslagmiddelen mochten inzetten ten behoeve van een grotere betrokkenheid van het MKB bij het topsectorenbeleid? Waarom wordt hier gekozen voor pilots en niet voor een generieke regeling, heeft u ook overwogen over te gaan tot een verplicht percentage van de TKI-toeslag dat ingezet dient te worden ten behoeve van de MKB-betrokkenheid? Zo ja, waarom is hier niet voor gekozen?

In de topsector AgriFood is in 2013 een deel van de TKI-toeslag toegevoegd aan een pilot om binnen deze sector het MKB te betrekken bij het topsectorenbeleid.

In 2014 is het voor alle topsectoren mogelijk een deel van hun toeslag aan te wenden voor een grotere betrokkenheid van het MKB via de regeling MKB Innovatiestimulering Topsectoren (MIT).

Het is aan de TKI's om te bepalen welk deel van de toeslag (maximaal 20%) hiervoor in aanmerking te nemen. De ene topsector heeft immers veel MKB en de ander weinig. In ieder geval hebben topsectoren aangegeven in 2014 meer aandacht aan het betrekken van MKB te willen geven. Er wordt vooralsnog dan ook geen boven- danwel ondergrens aan een dergelijke overheveling verbonden.

172

Kunt u aangeven op welke wijze het MIT-budget wordt verdeeld over de topsectoren en de doorsnijdende thema's?

In 2013 wordt het MIT budget in gelijke delen over de topsectoren en doorsnijdende thema’s verdeeld. Voor 2014 ga ik naar aanleiding van de motie van de leden Lucas en Mulder van 4 juli 2013 na of het criterium «innovatieve mkb-bedrijven in de topsectoren» kan worden betrokken bij de verdeling van de middelen over de sectoren.

173

Kunt u aangeven wat de budgeten zijn voor de MIT-regeling per topsector?

In 2013 is er voor elke topsector € 2 miljoen beschikbaar. Voor HTSM en Chemie elk € 4 miljoen, vanwege de sectordoorsnijdende thema’s die hier zijn ondergebracht, te weten respectievelijk ICT en biobased economy.

174

Kunt u aangeven hoe groot de bekendheid is onder het Nederlandse MKB ten aanzien van het Eurostars-programma en hoe gaat u er voor zorgen dat Nederland optimaal gebruik maakt van het verruimde Eurostars II-programma?

Op dit moment is geen feitelijke informatie beschikbaar over de bekendheid van het Eurostars-programma onder het Nederlandse MKB. Wel is bekend dat in de periode 2008–2013 499 Nederlandse projectvoorstellen zijn ingediend met daarin 705 Nederlandse deelnemers, waarvan 516 Nederlands MKB. In september is de evaluatie van de Nederlandse bijdrage aan Eureka en Eurostars in de periode 2008–2012 gestart. Deze evaluatie zal tevens zien op het doelgroepbereik van het Eurostars-programma in Nederland. In de evaluatie zal de potentiële doelgroep worden vastgesteld, als ook het bereik en de doeltreffendheid van de flankerende activiteiten van Agentschap NL om het programma onder de aandacht van de doelgroep te brengen. Het evaluatieonderzoek wordt uitgevoerd door onderzoeksbureau Panteia/EIM. Het evaluatierapport zal zo spoedig mogelijk na oplevering worden aangeboden aan de Tweede Kamer.

Het Eurostars II-programma zal op verschillende manieren aan de doelgroep worden gepresenteerd. Agentschap NL zal potentiële deelnemers gericht adviseren over geschikte calls for proposal, en over het maken van een goed projectvoorstel. Het Enterprise Europe Network (EEN), dat in Nederland wordt uitgevoerd door Agentschap NL en Syntens, ondersteunt bij het zoeken van Europese partners voor samenwerking. Voorts zullen topsectoren en relevante brancheverenigingen en bedrijven via algemene communicatiemiddelen, zoals presentaties, internet, nieuwsbrieven en mailings, worden ingelicht over de kansen en mogelijkheden die het Eurostars II-programma biedt.

175

Kunt u toelichten in welke landen Innovatie Attachés actief zijn en op welke wijze zij zorgen voor internationalisering van de innovatiecontracten? Op welke wijze werken de Innovatie attachés samen met de NFIA en op welke wijze zorgen de innovatieattachés ook voor het onder de aandacht brengen van Nederlandse innovaties in het buitenland en het vergroten van de exportkansen voor deze innovaties?

De innovatieattachés zijn actief in Duitsland/Zwitserland, Frankrijk, Israël, Rusland, Brazilië, VS, Canada, China, India, Japan, Singapore, Turkije en Zuid-Korea. Daarnaast is er nog een innovatie attaché gestationeerd bij de EU. Zij hebben een actieve makel en schakel rol bij de internationalisering van de innovatiecontracten van de Topsectoren. De focus van de aansluiting op het Europese Horizon 2020 programma vormt een belangrijke component in dit proces, dientengevolge zijn de EU Innovatie attaché en de Innovatie Attachés in Duitsland en Frankrijk actief betrokken bij het opbouwen, onderhouden en uitbouwen van de multi- en bilaterale netwerken voor de desbetreffende topsectoren. Daarnaast zijn de relaties met de opkomende markten van groot en toenemend belang. Innovatiesamenwerking kan de toegang tot die markten aanzienlijk verbeteren.

De samenwerking met de NFIA verloopt voornamelijk op het gebied van het aantrekken van R&D faciliteiten van kennisintensieve bedrijven en instituten naar Nederland. Met de combinatie kennis van het technologische aspect van de potentiële investeerder (Innovatie Attachés) en kennis van vestigingsklimaat in Nederland (NFIA) wordt er gezamenlijk gewerkt aan een optimaal voorstel richting de potentiële investeerder.

Innovatieattachés hebben een signaleringstaak die twee kanten op werkt, het onder de aandacht brengen van interessante kennis en technologie uit het buitenland in Nederland én het onder de aandacht brengen van Nederlandse kennis en technologie in hun land van opereren. Variërend per land wordt daarbij gekozen voor één-op-één matching tussen partijen of thematische bijeenkomsten in bijvoorbeeld seminarvorm. Een belangrijk aspect hierbij is economische diplomatie; in landen met een sterke overheidsrol in de economie kan de overheidsdialoog gebruikt worden om daar waar de behoeften van een land liggen, de sterke kennisgebieden van Nederland met de mogelijke oplossingen onder de aandacht te brengen van de betreffende overheidsinstantie.

176

Wat is het voordeel van het laten uitvoeren van innovatie-instrumenten door een agentschap in plaats van door het ministerie zelf?

Het grootschalige karakter van veel innovatie-instrumenten vraagt om een professionele en efficiënte uitvoering. Daarom is er voor gekozen de uitvoering te beleggen bij een agentschap. Een agentschap is een baten-lastendienst die gekenmerkt wordt door een resultaatgericht sturingsmodel ondersteund met een baten-lastenadministratie. Het is een vorm van interne verzelfstandiging binnen de Rijksoverheid waarbij de ministeriële verantwoordelijkheid volledig gehandhaafd blijft.

177

Hoe snel kan de capaciteit van NL-Octrooicentrum (NL-OC) worden afgebouwd wanneer het Europees octrooi volledig wordt ingevoerd?

Er is geen directe relatie tussen de introductie van het Europees octrooi met eenheidswerking (het unitair octrooi), dat voortbouwt op het bestaande Europees octrooisysteem en de capaciteit van NL-Octrooicentrum, dat is belast met de uitvoering van de Rijksoctrooiwet. Het Europese en het nationale systeem zijn complementair aan elkaar, zoals ook recent is bevestigd in de beleidsreactie op het Evaluatierapport IE beleid (brief 25-9-2013, Kamerstuk 30 635, nr. 3). De verwachting is er een vraag naar nationale octrooien zal blijven en de komst van het unitair octrooi vooral zal treden in plaats van per land in stand gehouden Europese octrooien.

178

Kunt u toelichten welke andere status u overweegt voor TNO, als het de status als Zelfstandig Bestuursorgaan verliest?

In de visie op het toegepaste onderzoek (Kamerstuk 32 637, nr. 68) heeft het kabinet de volgende toezegging opgenomen: het kabinet zal de wenselijkheid verkennen om alle instituten onder eenzelfde wettelijke kader te brengen, daarbij rekening houdend met specifieke belangen van departementen. Daarbij betrekt het kabinet het advies van de Commissie de Leeuw over de zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s). De Tweede Kamer zal hier voor het eind van het jaar over worden geïnformeerd. Ik kan en wil daar thans niet op vooruit lopen.

179

Welke maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat TNO met de markt concurreert?

In de beleidsvisie op het toegepast onderzoek (Kamerstuk 32 637, nr. 68) zijn gedragsregels voor de TO2 instituten geformuleerd. Kern van deze gedragsregels is dat de instituten met de overheidssubsidie precompetitief onderzoek uitvoeren en geen onderzoek doen dat door marktpartijen al met voldoende diepgang wordt gedaan. De instituten zullen voor het eind van het jaar een voorstel indienen hoe zij de borging van deze gedragsregels zullen vormgeven.

180

Op welke manier is het aanvragen en ontvangen van een TKI-toeslag versimpeld?

Zie antwoord vraag 161. Met de TKI-toeslagregeling 2014 komen er meer mogelijkheden om TKI-toeslag aan te vragen. Naast de mogelijkheid voor TKI’s om de toeslag aan te vragen op basis van de private bijdragen aan een jaarprogramma voor publiek-privaat onderzoek, komt er de mogelijkheid om de toeslag aan te vragen op basis van de private bijdrage aan een meerjarige publiek-privaat onderzoeksproject.

Voorts kan op meerdere momenten in het jaar toeslag worden aangevraagd. Met deze wijzigingen ontstaat meer flexibiliteit bij het aanvragen en bij de inzet van de TKI-toeslag.

181

Kunt u aangeven waarom TNO slechter scoort qua klanttevredenheid dan de andere TO2-organisaties? Op welke wijze is tot deze cijfers gekomen en waarom is er geen sprake van een externe evaluatie van de klanttevredenheid?

De vermelde klanttevredenheidsonderzoeken voor NLR en TNO zijn uitgevoerd door externe bureaus. Deltares en Marin bevragen in het kader van hun ISO-certificatie zelf hun klanten. De uitkomsten van de onderzoeken zijn niet helemaal vergelijkbaar. Zo is bij TNO alleen gemeten bij bedrijven die voor gezamenlijke rekening en risico (cofinanciers) onderzoek doen met TNO, terwijl bijvoorbeeld bij NLR ook overheidsopdrachtgevers zijn bevraagd. De komende jaren zal hier qua grondslag, meetmethode en (externe) uitvoering de komende jaren meer uniformiteit in aan worden gebracht, mede als component van de vierjaarlijkse uniforme evaluatie van de instituten voor toegepast onderzoek, te starten in 2015.

182

Kunt u toelichten of het juist is dat het Geo Return systeem, dat het European Space Agency (ESA) hanteert, negatief uitwerkt voor Nederland, omdat de Nederlandse ruimtevaartindustrie gelimiteerd wordt in haar opdrachten vanuit ESA door de hoogte van de Nederlandse bijdrage (omdat de Nederlandse ruimtevaartsector zeer concurrerend is en de bijdrage van de Nederlandse overheid via fiscale maatregelen als WBSO en RDA niet meetelt in de berekening van de bijdrage)? Zo ja, bent u voornemens dit aan te kaarten bij de volgende ESA-ministersconferentie in Luxemburg?

Nederland behoort tot de groep van lidstaten die het meest profiteert van ESA. In de eerste plaats door de ligging van ESTEC (het grootste ruimtevaartlaboratorium in Europa) in Noordwijk. In de tweede plaats vanwege de in Nederland beschikbare technologie. Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen blijken op basis van hun technologische kennis en kunde effectief te zijn bij aanbiedingen op ESA-programma’s.

Op 30 juni van dit jaar zijn de meest recente geo-return statistieken gepubliceerd (dat gebeurt elk half jaar) waar Nederland een overall return van 1.11 heeft. Dat wil zeggen dat Nederland voor circa 11% meer orders binnen sleept dan waar het volgens de ESA-afspraken recht op heeft. Daarmee is Nederland, naast Duitsland, Frankrijk en Italië één van de vier landen die een over-return kennen binnen de ESA. De zestien overige ESA-lidstaten hebben een onder-return.

Binnen ESA is afgesproken dat contracten, die worden afgesloten in het kader van de realisatie van de diverse ruimtevaartprogramma’s toegekend worden aan lidstaten naar rato van hun inschrijvingen op die programma’s. Dit om te voorkomen dat slechts enkele lidstaten alle contracten verwerven en andere lidstaten wel bijdragen betalen, maar daar niet van profiteren. Dus hoe meer lidstaten bijdragen aan programma’s, des temeer orders kunnen worden verworven. In beginsel dienen lidstaten een geo-return van in elk geval 0.96 te behalen. Anders ontvangen ze financiële compensatie van over-return lidstaten. Eens in de 10 jaar worden de geo-return statistieken op nul gezet. Het is de bedoeling dat dit op 31 december 2014 aanstaande weer gaat gebeuren. In overeenstemming met alle lidstaten heeft ESA, om de return-statistieken meer evenwichtig te krijgen, voor de periode tot die tijd, speciale maatregelen aangekondigd (het zogenaamde Strategic Initiative), waarbij bedrijven/kennisinstellingen van de lidstaten die de 0.96 return niet halen een tijdelijke voorkeursbehandeling krijgen. Wel moeten hun voorstellen voldoen aan het beoordelingscriterium «ruim voldoende tot goed» als het om de technische, financiële en organisatorische inhoud gaat. Bij het bepalen van de hoogte van de bijdragen van lidstaten rekent ESA alleen met de programmamiddelen, die daadwerkelijk worden overgeboekt. Het is voor ESA administratief ondoendelijk om daarnaast ook nog indirecte bijdragen van overheden, al of niet langs fiscale weg mee te rekenen.

Ondanks het feit dat een aantal Nederlandse industrieën bij ESA goede voorstellen heeft ingediend is op basis van bovenstaande in een aantal gevallen door ESA de voorkeur gegeven aan aanbieders van onder-return lidstaten. Ik ben van mening dat dit conform de overeengekomen ESA-systemathiek is en ga ervan uit dat alleen voorstellen van voldoende kwaliteit worden gehonoreerd.

Het volume van de over-return van Nederland is op dit moment ruim 60 miljoen Euro. De prognoses wijzen uit dat dit ook eind 2014 het volume zal zijn. Als de statistieken dan op nul gezet gaan worden doet Nederland daarna weer volledig mee zonder speciale maatregelen voor andere lidstaten. Ik ga ervan uit dat in de 10 jaar die dan volgen Nederland wederom een over-return zal kunnen gaan opbouwen. Het ligt dan ook niet in mijn bedoeling om dit aan te kaarten tijdens de volgende ESA Ministerconferentie van november 2014 te Luxemburg.

183

Kunt u toelichten waar de verdeling van de ontvangsten van de Rijksoctrooiwet in is vastgelegd en bestaat de mogelijkheid deze te wijzigingen ten gunste van Nederland?

De verdeling van de opbrengsten van de instandhoudingstaksen voor Europese octrooien vanaf april 2007 is vastgelegd in de Onderlinge regeling tussen Nederland en de Nederlandse Antillen inzake de verdeling van de opbrengsten van het octrooibestel (Staatscourant 2010, nr. 14913 d.d. 27-9-2010). Op grond van artikel 4 is de verdeelsleutel bepaald op 98,8% voor Nederland en 1,2% voor de voormalige Nederlandse Antillen. De regeling had een looptijd tot en met december 2012. een nieuwe regeling met de nieuwe landen Curaçao en Sint Maarten is nog niet overeengekomen.

184

Kunt u verklaren waarom het aantal bedrijven met een speur- en ontwikkelingswerk (S&O) verklaring is gestegen en wat is de verwachting voor 2013 en 2014?

De toename van het aantal bedrijven met een S&O-verklaring is waarschijnlijk deels te verklaren door toenemende bekendheid van de regeling bij de bedrijven die aan speur- en ontwikkelingswerk doen. Uit de evaluatie over de periode 2006–2010 bleek bijvoorbeeld dat van de S&O-bedrijven met 10 werkzame personen of meer 85% van de S&O-bedrijven gebruik maakte van de WBSO. Dit aandeel was daarmee gestegen ten opzichte van de vorige WBSO-evaluatie (80%). Mogelijkerwijs heeft deze trend zich doorgezet. Daarnaast is de toename wellicht te verklaren door de stijging van het aantal innovatieve bedrijven. Dat zal moeten blijken uit de statistieken van het CBS en Eurostat over innoverende bedrijven in Nederland in 2012 die nog gepubliceerd moeten worden. Zie ook het antwoord bij vraag 159. Tenslotte heeft de introductie van de RDA in 2012 er wellicht toe geleid dat meer bedrijven een S&O-verklaring hebben aangevraagd. Dit omdat een S&O-verklaring noodzakelijk is om in aanmerking te komen voor de RDA. Zie voor de verwachting voor 2013 en 2014 het antwoord op vraag 185.

185

Hoeveel bedrijven verwacht u die in 2014 gebruik gaan maken van de WBSO-mogelijkheden?

De WBSO-parameters in het Belastingplan en de EZ-begroting worden vastgesteld op basis van de historische groei van het aantal S&O-uren en de stijging van het S&O-loon in eerdere jaren. De verwachte groei van het aantal gebruikers speelt daarin geen rol en wordt derhalve ook niet standaard geraamd. In 2012 waren er 20.564 WBSO-gebruikers. Op basis van historische gegevens en de in 2013 binnengekomen aanvragen (het aantal bedrijven dat WBSO aanvraagt ligt 3% hoger dan in 2012) is een grove schatting dat het aantal WBSO-gebruikers in 2014 rond de 6% hoger zal zijn dan in 2012.

186

Kunt u uitleggen of de onder uitputting van de RDA-regeling in 2012 komt door onvoldoende bekendheid met de regeling of door andere factoren? Zo ja, welke? Wat is de verwachting ten aanzien van de onder uitputting van de RDA-regeling in 2013?

De RDA-regeling is in 2012 geïntroduceerd. De RDA is een gebudgetteerde regeling. Omdat slechts zeer beperkte informatie beschikbaar was over het verwacht gebruik is het percentage voor 2012 en 2013 vastgesteld aan de hand van een behoedzame raming op basis van CBS-cijfermateriaal en het WBSO-gebruik. Ten opzichte van die raming viel het feitelijke gebruik in 2012 een stuk lager uit.

Het is aannemelijk dat onbekendheid met de regeling heeft geleid tot een lager gebruik dan op basis van de WBSO kon worden verwacht. Slechts tweederde van de WBSO gebruikers maakte in 2012 gebruik van de RDA, terwijl in beginsel alle WBSO-gebruikers kwalificeren voor de RDA. Loonkosten voor speur- en ontwikkelingswerk (S&O) die kwalificeren voor WBSO gaan vrijwel altijd gepaard met overige S&O-kosten en uitgaven waarop de RDA ziet. Op basis van de huidige aanvragen wordt voor 2013 een toename van het gebruik van circa 20% voorzien. Bij het bepalen van de parameters voor 2014 is gebruik gemaakt van cijfers over het feitelijke gebruik waarmee de RDA-uitputting in 2014 naar verwachting meer in lijn zal zijn met de raming. Voor 2014 wordt voor de RDA een percentage van 60% voorzien wat bij een Vpb-tarief van 25% overeenkomt met een nettovoordeel van 15%.

Over- en onderuitputting van het beschikbare RDA budget in het jaar t-1 wordt conform de in bijlage 1 bij de memorie van toelichting op het Belastingplan 2012 (33 003, nr.3) beschreven budgetsystematiek in het jaar t+1 gecompenseerd in het beschikbare budget. In 2012 (t-1) was sprake van een onderuitputting van het budget van € 120 miljoen. Deze onderuitputting wordt, zoals aangegeven in het belastingplan 2014 (33 752 nr. 3), voor € 16 miljoen toegevoegd aan het WBSO budget voor 2014 (t+1) en voor € 104 miljoen incidenteel toegevoegd aan het RDA-budget voor 2015.

187

Hoeveel jaar zit er gemiddeld tussen een in de onderzoeksfase afgegeven S&O verklaring en het moment waarop de innovatiebox korting op de vennootschapsbelasting daadwerkelijk wordt toegepast?

Het is nu niet mogelijk om aan te geven hoeveel tijd gemiddeld zit tussen de afgifte van een S&O-verklaring en het moment dat de belastingplichtige effectief minder vennootschapsbelasting betaald als gevolg van toepassing van de innovatiebox. Voor toepassing van de innovatiebox is het moment dat de belastingplichtige een immaterieel activum heeft voortgebracht bepalend. Dit moment staat niet in een gefixeerd verband tot de afgifte van een S&O-verklaring, maar zal afhangen van het soort onderzoek en in de praktijk zeer uiteenlopend zijn. Ter illustratie: de ontwikkeling van een medicijn kent in de regel een veel langere onderzoeksfase dan ontwikkelingen in meer technologische industrieën. Daar komt bij dat de innovatiebox een winstfaciliteit is, waardoor het moment waarop het voordeel van de innovatiebox daadwerkelijk kan worden toegepast afhankelijk is van de winstpositie van de belastingplichtige. Voor beantwoording van de vraag zijn gebruiksgegevens over een langere periode noodzakelijk (op dit moment zijn alleen de gegevens over 2010 compleet). De vraag zal meegenomen worden in de evaluatie van de innovatiebox die gepland staat voor 2015.

188

Hoeveel matches zijn tot op heden tot stand gebracht via het Techniekpact en in hoeverre ligt het aantal matches op schema?

Het techniekpact voert zelf geen individuele matches uit maar ondersteunt en faciliteert regio’s bij het realiseren van de eigen doelen en de uitvoering van hun agenda’s. De meerwaarde van dit landelijke Techniekpact ligt in het versterken en versnellen van bestaande acties vanuit de regio.

Sommige maatregelen hebben op korte termijn effect, andere werpen pas na langere tijd hun vruchten af.

189

Welke beleidsambitie heeft u voor de ambachtseconomie en welke maatregelen vloeien voort uit het SER-advies «Handmade in Holland»?

Dit najaar komt het kabinet met een kabinetsreactie op het SER advies, dan zal ook bekend worden welke ambities en maatregelen daar eventueel uit voortvloeien.

190

Op welke manier gaat het kapitaal van de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) herverdeeld worden?

Zoals ik in mijn brief over «Stimulering Ondernemingsfinanciering» van 17 september jl. gemeld heb, zitten enkele ROMs vrijwel tegen de limiet van wat zij uit kunnen zetten in de markt, terwijl er in hun regio nog wel behoefte is aan financiering voor innovatieve starters en groeibedrijven. Bij andere ROMs is juist sprake van relatief veel kapitaal. Er wordt daarom gewerkt aan een herverdeling van kapitaal over de ROMs, zodat dit kapitaal zo goed mogelijk wordt benut.

191

Klopt het dat slechts 1% van het MKB investeert in het buitenland, zoals in het FD stond van 20 september jl., wat zijn daarvan de redenen? Welk beleid is er om dat percentage te vergroten?

Internationalisering van het Nederlandse bedrijfsleven is de verantwoordelijkheid van de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Namens haar doe ik u onderstaand antwoord toekomen. Het onderzoek van Panteia en CBS, waarnaar wordt verwezen in het FD-artikel, is namelijk uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Het is juist dat in 2010 ca 1% van het mkb – bedrijven met minder dan 250 werkzame personen – in Nederlands eigendom een buitenlandse investering kende. Dat gemiddelde van 1% hangt samen met de omstandigheid dat ook de micro-bedrijven met 0–9 werkzame personen in het onderzoek zijn betrokken: bij deze grote groep van bedrijven ligt het percentage op 0,5%. Hoe groter het bedrijf hoe groter de kans op een buitenlandse investering: 5% bij de grootte-klasse 10–19 werkzame personen, 12% in de groottte-klasse 20–49 werkzame personen en 24% voor de grootteklasse 100–249 werkzame personen. Daarnaast blijkt uit het rapport dat in de periode 2004–2010 de waarde van de buitenlandse investeringen door het mkb met bijna 50% toenam.

Het beleid van de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking is, naast het stimuleren van de buitenlandse handel, ook gericht op het bevorderen van de buitenlandse investeringen van het Nederlandse mkb. Hiervoor zijn verschillende ondersteuningsinstrumenten aanwezig om financiering van investeringen te vergemakkelijken. Dit zal nog eens versterkt worden met het Dutch Good Growth Fund dat uitgebreide financieringsmogelijkheden zal gaan bieden voor het Nederlandse mkb dat wil investeren in 67 opkomende markten en ontwikkelingslanden.

192

Wat is de laatste stand van zaken met betrekking tot de ROM Zuidvleugel?

23 september jl. is de directeur van de ROM Zuidvleugel van start gegaan. De voorzitter van de Raad van Commissarissen wordt 10 oktober a.s. benoemd. De beoogde start van de ROM Zuidvleugel is 1 januari 2014.

193

Klopt het dat de huidige faillissementswetgeving leidt tot vernietiging van bedrijven (zoals ook in het FD staat van 21 september 2013) en klopt het dat het prepack wetsvoorstel dit nog verergert? Kan het omzetten van vreemd vermogen in eigen vermogen leiden tot het behoud van meer bedrijven?

In het algemeen is een bedrijf dat failliet is al in zeer grote moeilijkheden. Op het moment dat er nog levensvatbare onderdelen zijn, is snel handelen van het grootste belang. Iedere vorm van regeling die op een zeer korte termijn tot een oplossing kan leiden is dan nuttig. De pre-pack, die nu overigens ook al met succes wordt toegepast, voldoet aan dat criterium. Het wetsvoorstel verschaft een expliciete wettelijke basis en daarmee hopelijk een bredere toepassing, aan een bestaande praktijk. Het omzetten van vreemd vermogen in eigen vermogen kan ook dienstig zijn voor de redding van een bedrijf. Of deze omzetting tot stand komt, is iets wat de betrokken partijen in onderling overleg moeten bepalen. Daarvoor is tijd nodig, liefst voordat het faillissement openbaar wordt. Het beoogde wetsvoorstel regelt de mogelijkheid om voorafgaand aan het faillissement al een «stille bewindvoerder» in huis te halen. De omzetting van vreemd in eigen vermogen zou één van de elementen kunnen zijn die deze bewindvoerder kan onderzoeken.

194

Klopt het dat KPN slechts onder bepaalde voorwaarden een beschermingswal mag opwerpen, zoals staat in het FD van 21 september? Klopt het dat het moet gaan om lange termijn waarde creatie en continuïteit van der hele vennootschap en op welke rechterlijke uitspraak is de maximale termijn van de beschermingswal gebaseerd?

Het is niet KPN doch de Stichting Preferente Aandelen B KPN die de beschermingswal heeft opgeworpen. De Stichting is een onafhankelijke rechtspersoon.

De Stichting heeft volgens haar statuten ten doel de behartiging van de belangen van KPN, de met haar verbonden ondernemingen en alle daarbij betrokkenen. Daarbij worden onder meer zoveel mogelijk invloeden geweerd die de continuïteit, de zelfstandigheid of de identiteit in strijd met die belangen zouden kunnen bedreigen, aldus de statuten. Indien de Stichting dit nodig acht, en handelend binnen haar statuten, kan de Stichting dit doel trachten te bereiken door het opwerpen van een beschermingswal. De maximale termijn van de beschermingswal is gebaseerd op de Wet op het Financieel Toezicht, artikel 5:71, lid 1 sub c.

195

Wanneer heeft u de cijfers ten aanzien van de ondernemersquote en het aandeel snelle groeiers voor de periode 2011/2013 en bent u bereid deze te delen met de Kamer?

De laatste periode waarvan het aandeel snelle groeiers bekend is, heeft betrekking op 2007–2010. Cijfers over 2008–2011 zullen later dit jaar beschikbaar zijn; cijfers over 2010–2013 volgen twee jaar later, dus eind 2015. De ondernemersquote over 2013 verschijnt volgend jaar. We zijn bereid deze met uw Kamer te delen.

196

Hoe zal naar verwachting de ondernemersquote zich ontwikkelen na 2012 en hoe zal naar verwachting het aandeel snelle groeiers zich ontwikkelen in de komende jaren?

Het voorspellen van de verdere ontwikkeling van de ondernemersqoute en het aandeel snelle groeiers is, zeker gezien de onzekere economische situatie, lastig te voorspellen.

197

Op welke wijze is de ambachtseconomie opgenomen in de kengetallen?

Het bedrijvenbeleid is er voor het hele bedrijfsleven. Van verreweg de meeste maatregelen kunnen bedrijven uit alle deelsectoren van de economie profiteren. Om deze reden hebben de (meeste) kengetallen ook betrekking op het gehele bedrijfsleven. Uitsplitsingen van kengetallen zijn soms ook op gedetailleerder niveau beschikbaar wanneer deze overeenkomen met hoofdcategorieën van de standaard bedrijfsindeling (SBI). Wanneer dat niet het geval is, zoals bij de ambachtseconomie, zijn kengetallen op dit niveau niet structureel beschikbaar.

198

Op welke wijze is het aantal geplande en geslaagde bedrijfsoverdrachten opgenomen in statistieken en kengetallen?

Bedrijfsoverdrachten worden in Nederland niet apart geregistreerd en maken daardoor geen onderdeel uit van de officiële statistieken. Officiële registratie zou overigens geen sinecure zijn: het ontbreekt internationaal bijvoorbeeld aan een heldere definitie van bedrijfsoverdrachten en de registratie van bedrijfsoverdrachten in de handelsregisters is ontoereikend.

Voor het aantal geplande en geslaagde bedrijfsoverdrachten zijn we dan ook aangewezen op schattingen. De meest recente schattingen zijn opgenomen in het plan van aanpak bedrijfsopvolging (Kamerstuk 32 637 nr. 76).

199

Welk percentage van de BMKB wordt ingezet voor bedrijfsoverdrachten, de 13% die prof. Van Teeffelen noemt, of de 30% die u noemt?

Uit de enquête onder ondernemers die gebruik hebben gemaakt van de BMKB in het kader van de beleidsevaluatie 2over de periode 2005–2010, komt naar voren dat 11% van de starters de BMKB heeft gebruikt voor een bedrijfsovername, in lijn met de 13% van de gebruikers die de heer Van Teeffelen noemt. In dezelfde beleidsevaluatie, vinden de onderzoekers van Carnegie Consult echter op basis van dossieronderzoek een fors hoger aandeel gebruik van de BMKB voor bedrijfsoverdracht, namelijk circa 30% onder bestaande bedrijven. De onderzoekers van Carnegie Consult achten de cijfers op basis van het dossieronderzoek betrouwbaarder. De overnames die werden aangetroffen in dossiers betroffen veelal bedrijfsoverdrachten in de familiesfeer.

200

Op welke kwalitatieve aspecten van ondernemerschap zal het beleid worden afgestemd?

Het ondernemerschapsbeleid en het daarbij behorend instrumentarium is er onder meer op gericht om de slaagkans bij de start van nieuwe ondernemingen en bedrijfsoverdrachten zo groot mogelijk te maken en doorgroei en ambitieus ondernemerschap te stimuleren.

201

Hoeveel bedrijven, niet zijnde familiebedrijven, zijn in de afgelopen vijf jaar succesvol overgedragen en hoeveel bedrijven slaagden daar niet in?

De meest actuele schattingen op dit punt zijn opgenomen in het plan van aanpak bedrijfsopvolging (Kamerstuk 32 637 nr. 76). Jaarlijks vinden binnen en buiten het familiebedrijf circa 23.000 bedrijfsoverdrachten plaats. Op basis van eerder onderzoek (2007) weten we dat 75% van de bedrijfsoverdrachten slaagt en 25% sluit zonder opvolging. In hoeverre dit percentage verschilt tussen familiebedrijven en andere bedrijven is niet bekend.

202

Hoeveel procent van de borgstellingskredieten van het BMKB is de afgelopen vijf jaar ingezet voor bedrijfsoverdrachten buiten de categorie familiebedrijven?

Hierover worden geen gegevens bijgehouden, om de administratieve lasten voor financiers en ondernemers zo laag mogelijk te houden. In de BMKB beleidsevaluatie 2005–2010 vinden de overnames die zijn aangetroffen in dossiers veelal plaats als onderdeel van bedrijfsoverdrachten in de familiesfeer.

203

Op welke wijze wordt de inzet van het BMKB voor bedrijfsopvolging onder de aandacht gebracht van ondernemers die hun bedrijf willen verkopen aan derden?

Zoals ik u in mijn brief 3 van 11 september jl. heb gemeld, waren bedrijfsoverdracht en bedrijfsovername de laatste jaren onderdeel van de nationale agenda van de Kamer van Koophandel (KvK). Ook in 2013 is het stoppen van een onderneming onderdeel van de nationale agenda van de KvK. Onder deze noemer besteedt de KvK aandacht aan bedrijfsovername, bedrijfsoverdracht en bedrijfsbeëindiging, waarbij ook aandacht is voor het financieringsinstrumentarium van de overheid. Hierbij wordt ook gebruik gemaakt van de financieringsexperts van AgentschapNL.

204

In welke mate zijn banken bekend met en betrokken bij de inzet van de BMKB voor bedrijfsoverdracht?

Gezien het hoge gebruik van de BMKB voor bedrijfsoverdracht (Carnegie Consult komt in de meest recente beleidsevaluatie 4op basis van dossieronderzoek op circa 30% gebruik voor overnames door bestaande ondernemers, en ruim 40% door starters) zijn de banken goed bekend met de inzet van de BMKB en andere financieringsregelingen van de overheid voor dit doel. Dit vormt ook onderdeel van de trainingen die met regelmaat aan financiers en intermediairs worden gegeven.

205

Kunt u een overzicht verschaffen van de middelen en de benutting ervan ter bevordering van een geslaagde bedrijfsoverdracht?

Bedrijfsoverdracht is een belangrijk thema binnen de dienstverlening van de Kamers van Koophandel (KvK). Op het gebied van voorlichting en advies worden binnen dit thema diverse producten en diensten aangeboden (bijvoorbeeld informatiepakket, de overnamedag, seminars etc). Hoeveel middelen hiermee op dit moment in totaal zijn gemoeid is bij het ministerie niet bekend en gelet op het transitieproces waar de KvK’s zich momenteel in bevinden ook volop in beweging.

De financieringsregelingen kunnen ondernemers ondersteunen bij het aantrekken van de financiering benodigd voor een bedrijfsoverdracht. Bij de BMKB is circa 30% van het gebruik bestemd voor een bedrijfsoverdracht door bestaande ondernemers, bij de groeifaciliteit circa 27%, bij de Garantie Ondernemingsfinanciering circa 25%.

206

Wat zijn de voor- en nadelen van het oormerken van een deel van de borgstellingskredieten voor bedrijfsopvolging?

Aangezien het budget voor borgstellingskredieten van de BMKB vooralsnog genoeg ruimte biedt, zie ik geen voordeel van het oormerken van borgstellingskredieten voor bedrijfsopvolging. Het nadeel van een dergelijke maatregel, zou zijn dat de BMKB minder flexibel en duidelijk wordt voor kredietverstrekkers, waardoor het gebruik zelfs kan dalen.

207

Klopt het dat er voor 2014 minder geld beschikbaar is voor ICT beleid? Welke gevolgen heeft dat voor de ambitie om in de top vijf van de wereldwijde ranglijst voor digitale economieën te blijven?

Zoals uit het antwoord op vraag 209 blijkt, wordt de daling in de uitgaven van ICT beleid van 2012 en 2013 naar 2014 verklaard doordat er in de jaren 2012 en 2013 (extra) budget beschikbaar is gesteld voor de uitfinanciering van oude verplichtingen met betrekking tot PRIMA-projecten. Dit heeft geen gevolgen voor de ambitie om in de top vijf van de wereldwijde ranglijst van digitale economieën te blijven. Deze ambitie blijft onverminderd in stand.

208

Waarom neemt het bedrag voor de BMKB na 2014 sterk af?

Voor de nettokosten van de BMKB is structureel op jaarbasis € 8,5 mln. beschikbaar (exclusief de uitvoeringskosten door AgentschapNL). Vanwege de hogere verliezen de afgelopen jaren als gevolg van de diepe en langdurige recessie, is in de huidige periode een groter bedrag voor verliezen op de regeling gereserveerd. De verwachting is dat met het voorspelde aantrekken van de economie vanaf 2014, ook de verliezen op de regeling zullen afnemen. Daarom zijn na 2014 minder middelen voor de BMKB gereserveerd.

209

Kunt u nader toelichten wat de reden is van de structurele daling in de uitgaven aan ICT-beleid?

De daling wordt veroorzaakt doordat in de jaren 2012 en 2013 (extra) budget beschikbaar is gesteld voor de uitfinanciering van oude verplichtingen met betrekking tot PRIMA-projecten (ICT-projecten).

210

Kunt u nader toelichten wat de reden is voor de eenmalige substantiële toename van de bijdrage aan Agentschap NL in 2013?

Het budget 2013 is fors verhoogd doordat een aantal instrumenten die vanaf 2013 onderdeel uitmaken van artikel 13, t/m 2012 elders op de begroting werden verantwoord. De twee belangrijkste zijn Antwoord voor Bedrijven (in 2013 € 5,5 mln., daarna structureel € 4,5 mln.) en het Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA). Voor deze laatste post is in 2013 circa € 10,5 mln. overgeboekt van het voormalige art. 15 Een sterke internationale concurrentiepositie, daarna circa € 8 mln. per jaar. Dit heeft te maken met het feit dat het directoraat-generaal Internationale Betrekkingen in de kabinetsformatie Rutte II is overgeheveld van het Ministerie van Economische Zaken naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

211

Kunt u aangeven hoe verwachtingen over schade-uitbetalingen gepaard kunnen gaan met een juridische verplichting van 100% van het budget voor de verschillende garanties?

Met de toelichting bij de budgetflexibiliteit van het garantie-instrumentarium is bedoeld dat het in de begroting geraamde kasbudget voor de verschillende garantieregelingen volledig benodigd zal zijn voor het afdekken van schadebetalingen op de garantieverplichtingen die in eerdere jaren zijn aangegaan.

212

Klopt het dat oplichters en faillissementsfraudeurs zich nog steeds kunnen inschrijven bij de Kamer van Koophandel, waarom is dit zo?

Op grond van de geldende wet is het voor de KvK nagenoeg onmogelijk om de voorafgaande handel en wandel van een inschrijver te kennen, laat staan daar een gevolg aan te verbinden. Omwille van privacybescherming zijn criminele antecedenten niet openbaar, zodat zelfs bij veroordeelde fraudeurs dit gegeven niet kenbaar is. Verder mag zelfs de KvK zelf op dit moment nog niet op persoon zoeken in het handelsregister. Het bestuursverbod zal in de toekomst wel een barrière bieden tegen het inschrijven van ongewenste personen. Het betreffende wetsvoorstel is nagenoeg afgerond en zal op zeer korte termijn aan uw Kamer worden toegezonden.

213

Is bij het bedrag voor de Kamer van Koophandel (KvK) al rekening gehouden met het instellen van een Centraal Aandeelhoudersregister (CAR)?

Nee, dat is niet het geval. Over de wijze van financieren van het Centraal Aandeelhoudersregister heeft nog geen finale besluitvorming plaatsgevonden. Overigens is eerder aan uw Kamer gemeld (Kamerstukken II 2012/13, 32 608, nr. 4) dat de kosten voor de instelling niet mogen worden afgewenteld op het bedrijfsleven of de burger.

214

Wat zullen de kosten zijn voor het CAR bij de KvK?

Bij brief van de Minister van V&J van 23 september jl. is aan uw Kamer medegedeeld dat de indicatieve ontwikkelkosten bij de KvK € 1,9 mln. bedragen.

215

Is er na 2013 geen budget meer nodig voor microkrediet?

De funding die Qredits bij de start in 2009 (€ 15 miljoen) en dit jaar (€ 30 miljoen) van de overheid ontvangt geeft een goede basis voor het verkrijgen van nieuwe aanvullende funding vanuit de markt indien nodig. Banken financieren Qredits nu ook reeds voor de kredietverlening tot € 50.000 en verzekeraars gaan ook funding aan Qredits verstrekken. Verder introduceert Qredits in de tweede helft van 2013 ook een fonds, waardoor particulieren de mogelijkheid krijgen om in Qredits te investeren. Tot slot betalen de meeste ondernemers hun lening terug en kunnen met die middelen weer nieuwe leningen worden verstrekt.

216

Hoe komen de opbrengsten van de startersboete van de KvK terug op de EZ-begroting?

De nieuwe KvK wordt grotendeels via de begroting van EZ gefinancierd. Daarnaast zal KvK ook inkomsten hebben uit de verkoop van eigen producten en diensten. Hierbij wordt waar mogelijk het profijtbeginsel toegepast. De per 1 januari 2014 te introduceren inschrijfvergoeding is een kostendekkende vergoeding voor administratieve handelingen met betrekking tot de inschrijving in het handelsregister. Deze opbrengsten worden ingezet om de door KvK gemaakte inschrijfkosten te dekken. Er is daarom geen reden om deze opbrengsten terug te laten komen op de EZ begroting.

217

Kunt u aangeven op welke wijze de feitelijke benutting van de BMKB samenhangt met de conjunctuur, is er juist niet sprake van een grotere kredietbehoefte de afgelopen jaren?

In een laagconjunctuur neemt ook de behoefte aan financiering voor investeringen en groei af. Het financieringsinstrumentarium is primair gericht op nieuwe financieringen, welke tijdens recessies relatief minder voorkomen. Zoals ook uit de «Rapportage Ondernemingsfinanciering» van 25 juni jl. blijkt, is de vraag naar financiering afgenomen, en daarmee de behoefte aan ondersteuning via overheidsinstrumenten. Het instrumentarium kan de grootste ondersteuning bieden op momenten dat er een grote vraag is naar financiering bedoeld voor groei en uitbreidingen maar er weinig middelen zijn binnen het bedrijf zelf, bijvoorbeeld in een periode van economisch herstel. Overigens stelt tijdens een recessie als de huidige, waarbij vraag naar en aanbod van met name mkb-financiering onder druk staat, het instrumentarium van de overheid – ondanks het gedaalde gebruik – financiers nog steeds in staat om een groot aantal bedrijven te blijven financieren.

218

Kunt u toelichten waarom er niet voor is gekozen ook het borgstellingspercentage van starters binnen de BMKB-regeling te verhogen?

Voor starters geldt binnen de BMKB-regeling al een hoger borgstellingspercentage van per saldo 67,5%. Zij krijgen dus al extra ondersteuning bij de toegang tot financiering binnen de regeling. Nu het bestaande kleinere mkb het door de aanhoudende crisis moeilijker heeft om financiering aan te trekken, is besloten hen ook tijdelijk aanvullend te ondersteunen door het hogere per saldo borgstellingspercentage ook op hen van toepassing te verklaren.

219

Welk deel van de aanvragen van kredieten door het MKB bij banken is in de afgelopen vijf jaar toegewezen, toegewezen met borgstelling BMKB, respectievelijk afgewezen?

Uit de EIM Financieringsmonitor 2013-I 5 blijkt dat in 2012 drie op de vijf aanvragers van een lening voor ondernemingsfinanciering (wat met name in het mkb veelal bij een bank zal zijn gebeurd) het gevraagde bedrag volledig heeft gekregen. Een kwart heeft een weigering gekregen, de overigen hebben het gevraagde bedrag gedeeltelijk gekregen. In het kleinbedrijf 6 hebben twee op de vijf bedrijven het gevraagde bedrag volledig gekregen, maar evenveel kregen een afwijzing. Het grootbedrijf krijgt veel minder te maken met afwijzingen, maar het zijn er wel meer dan bij eerdere metingen. Middenbedrijven nemen een tussenpositie in die vrijwel samenvalt met het gemiddelde van alle bedrijven. Gevraagde leningen worden daarmee in 2012 minder vaak verstrekt dan een jaar daarvoor7.

Bij de BMKB staat momenteel circa € 2,5 miljard aan borgstellingskredieten uit. Het totale kredietvolume aan het mkb is circa € 100 miljard. Zo beschouwd bereikt de BMKB maar een klein deel van het mkb. Het totale bedrag aan kredieten dat met de BMKB mogelijk is gemaakt, is echter hoger omdat de kredietverstrekker altijd een deel van het krediet zonder overheidsborg moet verstrekken. De BMKB is daarnaast ook gericht op het kleinere bedrijfsleven met een tekort aan zekerheden. Het maximaal bedrag aan borgstelling is thans € 1,5 miljoen, waar binnen het mkb wat loopt tot 250 werknemers ook veel grotere kredieten worden verstrekt. Voor de categorie kleine, startende, snel groeiende en/of innovatieve bedrijven is de BMKB een zeer belangrijk instrument, zoals ook blijkt uit de meest recente beleidsevaluatie8.Voor grotere kredieten kan het mkb gebruik maken van de Garantie Ondernemingsfinanciering (GO).

220

Welk «probability of default» percentage hanteert u bij de inzet van de borgstellingsregeling BMKB?

De BMKB stelt geen eisen aan welk probability of default percentage wordt toegestaan. De regeling werkt zo, dat de risicobeoordeling wordt gedaan door de kredietverstrekker die van de BMKB gebruik maakt, waarbij deze zelf altijd nog een substantieel deel van het risico loopt doordat maar over een deel van het krediet borg wordt gestaan. De bank zal dus de eigen gebruikelijke probability of default criteria gebruiken.

221

Wat zijn de voor- en nadelen van een lager «probability of default» percentage?

De BMKB stelt geen eisen aan welk probability of default percentage wordt toegestaan. Kredietverstrekkers gebruiken binnen de BMKB hun gebruikelijke risico-inschattingsmodel, doordat zij zelf altijd nog een substantieel deel van het risico lopen. Een lager dan gemiddeld toegestaan probability of default percentage binnen de BMKB zou er toe leiden dat minder bedrijven in aanmerking komen voor gebruik van de regeling, doordat je een kleinere kans op wanbetaling accepteert. Ondanks dat dit de kans op verliezen op de regeling zou verkleinen, zie ik daarom geen reden om een probability of default percentage op een laag niveau in te voeren.

222

Welk deel van de aanvragen van kredieten bij banken is in de afgelopen vijf jaar doorverwezen naar Qredits?

Hierover zijn geen cijfers bekend. Ik kan wel aangeven dat een groot deel van de aanvragen bij banken niet in de doelgroep van Qredits zal vallen, doordat het benodigde kredietbedrag groter is dan de drempel die Qredits hanteert. Een steeds groter percentage van de aanvragen van Qredits komt wel bij banken vandaan. Echter ook via de Kamer van Koophandel, gemeenten, accountants en het internet komen ondernemers bij Qredits terecht.

223

Met hoeveel procent verwacht u dat het gebruik van de BMKB in 2014 zal stijgen?

De benutting van de BMKB is sterk afhankelijk van de conjuncturele ontwikkeling. Indien namelijk de economische verwachtingen voor het mkb aantrekken, kunnen ook de vraag naar en het aanbod van krediet weer toenemen. De BMKB biedt ondersteuning voor ondernemers die mogelijkheden zien voor groei en uitbreiding, maar te weinig zekerheden hebben om zelfstandig krediet aan te trekken. Ook zal de tijdelijke uitbreiding van de BMKB in het kader van het stimuleringspakket naar verwachting een stimulerend effect op het gebruik hebben. Hoe groot deze is, is op voorhand echter niet in te schatten.

224

Kunt u toelichten waarom Qredits in 2013 en 2014 kredieten verstrekt tot € 100.000 à € 150.000?

In het Regeerakkoord is afgesproken dat Qredits deze hogere kredieten mag verstrekken. De reden hiervoor is dat blijkt dat ondernemers deze kredieten moeilijk bij de reguliere financieringskanalen kunnen verkrijgen. Uit cijfers van de Stuurgroep Kredietverlening uit juni jl. komt naar voren dat de kredietverlening aan het MKB daalt en dat dit sterker geldt naarmate het krediet kleiner van omvang is. Zo daalde het totaal uitstaande volume leningen tot € 10 mln. bij de drie grootbanken tussen januari 2010 en december 2012 met 2%. Voor kleinere leningen tot en met € 250k is de daling zelfs 11%. Uit de EIM Financieringsmonitor uit mei jl. komt naar voren dat ruim een kwart het bedrijfsleven er het afgelopen jaar niet in geslaagd is de gezochte financiering aan te trekken. Voor het kleinbedrijf geldt dit voor 42%. Het percentage bedrijven dat de gezochte financiering geheel of gedeeltelijk heeft verkregen ligt hiermee lager dan in de voorgaande jaren.

225

Welk deel van de facturen van het MKB betalen de diverse overheidsniveaus binnen de wettelijke termijn van 30 dagen?

De rijksoverheid beschikt alleen over gegevens omtrent het betaalgedrag van de organisaties die deel uitmaken van de rijksoverheid. Deze gegevens worden u jaarlijks rond 1 mei ter hand gesteld in de jaarrapportage bedrijfsvoering.

Percentage tijdige betalingen

Ministeries

2012

20111

Algemene Zaken2

90,0%

93,5%

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

91,0%

91,0%

Buitenlandse Zaken

92,6%

93,4%

Defensie

92,2%

90,2%

Economische Zaken

93,4%

83,3%

Financiën

95,7%

95,4%

Infrastructuur en Milieu

96,0%

95,4%

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

93,9%

88,8%

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

95,0%

91,1%

Veiligheid en Justitie3

84,0%

83,6%

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

90,1%

95,2%

X Noot
1

De gegevens van 2011 zijn ontleend aan de monitoring over de eerste 4 maanden van 2011 door de Rijksauditdienst.

X Noot
2

De score van AZ voor 2013 is niet gecorrigeerd voor facturen die buiten de 30 dagen termijn zijn betaald als gevolg van aan de leverancier toerekenbare tekortkomingen. Daardoor is de hier weergegeven score lager dan op basis van de prestatie gerechtvaardigd zou zijn.

X Noot
3

De lage score bij VenJ hangt samen met opstartproblematiek bij de (gefaseerde) uitrol van het nieuwe financiële systeem (Leonardo). Afgelopen jaar zijn verschillende VenJ sectoren gedurende het jaar overgestapt. Bij die sectoren is een dip in het betaalgedrag vastgesteld in de periode direct na de uitrol van het nieuwe systeem. In de maanden na implementatie ontstaat een stijgende lijn ten aanzien van het betaalgedrag. Op basis hiervan wordt verwacht dat VenJ eind 2013 aan de norm van 90% zal voldoen.

226

Welke indicator geldt voor de verinnerlijking (bij beleidsambtenaren) van regeldruk en administratieve lasten?

Met het begrip verinnerlijking wordt gedoeld op het vermogen van ministeries om zelfstandig tot een goede afweging te komen van de effecten voor regeldruk. In de periodieke audit door Actal wordt achteraf getoetst of ministeries de gevolgen voor regeldruk goed en consequent in beeld brengen. Daarmee sluit deze audit goed aan op het begrip verinnerlijking. De laatste regeldrukaudit heeft plaatsgevonden in juni 2012. De volgende audit staat gepland in 2014–2015. Ten behoeve van de audit in 2012 heeft Actal zowel een steekproef gedaan bij alle (wets)voorstellen van een bepaalde periode, als dat er gesprekken zijn gevoerd met de departementen over het proces van de aanpak. De dossiers die toentertijd werden getoetst, werden beoordeeld op de kwaliteit van de gemaakte afweging bij de toetsing op regeldruk door het ministerie. Het beoordelingskader van deze afweging bij individuele dossiers sluit aan bij de criteria van het integraal afwegingskader. Daarmee worden eisen gesteld zowel aan de berekening van de regeldruk als aan de afweging ten aanzien van de nuloptie en beleidsalternatieven. Een extern bureau heeft daarbij voor ieder ministerie een procesbeschrijving van de aanpak van regeldruk opgesteld. Indien uit de beoordeling van de dossiers aandachtspunten voor de structurele borging van de aandacht voor regeldruk volgden, is ook gekeken naar de interne processen bij de betreffende ministeries. De uitkomsten van het onderzoek geven aandachtspunten mee aan het kabinet, zoals aan departementen om de nalevingskosten beter in kaart te brengen en aan de coördinerende departementen om bedrijven centraler te stellen bij de aanpak van regeldruk.

227

Kunt u toelichten waarom bij de indicator «netto verlaging regeldruk» de raming 2014 niet is opgenomen?

De indicator is gelijk aan de raming. De raming voor de nettoverlaging van regeldruk (cumulatief) voor 2014 is € 721 mln.

228

Wanneer verwacht u dat de digitale ondernemerspleinen beschikbaar zullen zijn voor ondernemend Nederland?

Het digitale ondernemersplein is als eerste testversie sinds november 2012 live en toegankelijk voor het brede publiek (www.ondernemersplein.nl ). De site wordt dit jaar verder ontwikkeld. Niet alleen wordt de kwaliteit getest en getoetst o.a. bij een groep ondernemers, maar de dienstverlening op het ondernemersplein wordt ook continu uitgebreid. Enerzijds wordt het informatieaanbod van reeds aangesloten partners (KvK, AgNL, Syntens, De Belastingdienst, UVW etc.) uitgebreid en eind dit jaar aangevuld met de mogelijkheid om direct op het ondernemersplein transacties te doen met verschillende partners. Anderzijds worden steeds nieuwe partners aangesloten op het ondernemersplein. De site zal binnenkort officieel worden gelanceerd.

229

Wat vindt u de belangrijkste reden voor het vergroten van het aandeel duurzame energie?

Hernieuwbare energie draagt bij aan betrouwbaarheid, betaalbaarheid, duurzaamheid en het verdienvermogen. Vier legitieme redenen om de komende jaren duurzame energie te stimuleren. Daarbij we hebben te maken met een Europese verplichting om 14% duurzame energie te realiseren in 2020. Kanttekening hierbij is dat hernieuwbare energie uiteindelijk een middel is, en geen doel op zich. Uiteindelijk moeten we streven naar een efficiënte mix van hernieuwbare energie, energiebesparing en andere technologieën om de CO2-reductie tegen de laagste kosten te bereiken. Die mix kan het beste door de markt bepaald worden. Zij moeten immers investeren. Het vaststellen van aparte percentages voor besparing of duurzaam door de overheid komt de efficiëntie van het systeem niet ten goede.

230

Hoeveel op wereldschaal concurrerende grootverbruikers zijn er op dit moment in Nederland en hoeveel energie (uitgedrukt in percentage van totale finale energiegebruik en hoeveelheid PJ) gebruiken deze bedrijven bij benadering?

Er is geen vaste definitie van het begrip «grootverbruiker». Ik geef op dit moment uitwerking aan een wetsvoorstel om de nettarieven voor de energie-intensieve industrie aan te passen. Daarin geef ik onder meer uitwerking aan de definitie. Dit wetsvoorstel wordt zoals ik u op 18 september heb toegezegd spoedig toegestuurd aan de Tweede Kamer.

In het algemeen kan worden gesteld dat grootverbruikers, ofwel energie-intensieve bedrijven, doorgaans worden gekenmerkt door een relatief hoge energieafname en bedrijfstijd. Welke van deze grootverbruikers precies op wereldschaal concurreren is niet bekend. Grootverbruikers in de metaalindustrie (productie van aluminium, zink, staal) bieden hun producten in ieder geval aan op een wereldmarkt.

231

Op welk moment worden extra maatregelen, die eventueel nodig zijn om de energiebesparingsdoelen uit het energieakkoord te realiseren, voorbereid zodat deze, indien nodig, direct in 2016 kunnen worden ingevoerd?

Er komt een commissie bij de SER onder leiding van een onafhankelijke voorzitter, die de uitvoering van het akkoord zal monitoren en een goede uitvoering van de gemaakte afspraken gaat borgen.

232

Op welke termijn komen de partijen met een samenhangend plan om industriële restwarmte beter te benutten?

Ik zet me er voor in met partijen in de eerste helft van volgend jaar met een samenhangend plan te komen om de industriële restwarmte beter te benutten. Hierbij dient wel te worden bedacht dat benutting van restwarmte vaak maatwerk vereist, en minder makkelijk is te realiseren met algemene voorschriften of door regelgeving.

233

Zijn er al voorstellen gekomen van marktpartijen om al in 2014 een demonstratiepark voor windmolens te realiseren? Zo nee, wanneer worden die voorstellen alsnog verwacht?

Vanuit het Top consortium voor Kennis en Innovatie (TKI) wind op zee is een voorstel gekomen voor een innovatief windpark van 300 megawatt, genaamd Leeghwater.

Ik overweeg in 2014 een tender uit te schrijven om meer partijen de gelegenheid te bieden om voorstellen in te dienen.

234

Op welke termijn worden de scherpe duurzaamheidscriteria voor biomassa bijstook nader uitgewerkt?

In het Energieakkoord is afgesproken dat de duurzaamheidscriteria voor vaste en gasvormige biomassa uiterlijk 31 december 2014 worden vastgesteld. Deze criteria zullen ook gelden voor bij- en meestook van biomassa in kolencentrales, tenzij Europese criteria boven nationale criteria gaan.

235

Op basis van welke set duidelijk gedefinieerde criteria wordt de voortgang van het Energieakkoord in 2016 beoordeeld?

Zoals in het Energieakkoord is aangegeven (pagina 64) zal bij de evaluatie in 2016 in het bijzonder worden gekeken naar:

  • 1. Effectiviteit en doelmatigheid van het gezamenlijk instrumentarium dat invulling moet geven aan het bereiken van doelen voor de energie-efficiëntie, hernieuwbare energieopwekking, werkgelegenheid en economische lastenontwikkeling.

  • 2. Voortgang op de te bereiken energiebesparing in Nederland van 100 PJ per 2020, waaronder ten minste 35% in 2016, en ten minste 65% in 2018.

  • 3. De effectiviteit en ervaringen met het EPK-model voor energiebesparingstoetsing in de gebouwde omgeving en bij het bedrijfsleven.

  • 4. Ontwikkelingen rondom het bereiken van de doelstellingen in hernieuwbare energie, specifiek rondom de aanbestedingstijd, de kostenontwikkeling bij wind op zee, de algehele energievraag in het licht van de economische groei.

  • 5. Voortgang op de te bereiken doelstelling van 15.000 voltijdbanen.

  • 6. Verdere lastenontwikkeling als gevolg van de SDE+ middelen.

  • 7. De revitalisering van ETS zoals in het akkoord als inzet is verwoord.

236

Kunnen de gebruikers van de regeling voor decentrale energie, gezien de evaluatie over vier jaar, zeker zijn dat de voorwaarden voor hun investering ten minste tien jaar onveranderd blijven? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze wordt dit gegarandeerd?

Zowel in het Belastingplan als in het Energieakkoord is expliciet aangegeven dat bij eventuele bijstelling van de belastingkorting met het oog op de investeringszekerheid de continuïteit voor bestaande gebruikers via een passende overgangsregeling wordt geborgd.

237

Op welke wijze wordt nu gegarandeerd dat de Wet milieubeheer, wat betreft het verplicht nemen van energie-efficiencymaatregelen die in vijf jaar worden terugverdiend, nu wel door alle gemeenten wordt gehandhaafd en heeft de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten (VNG) toegezegd dit daadwerkelijk te gaan doen?

Het bevoegd gezag is conform de Wet Milieubeheer verplicht om hierop te handhaven. Het Rijk is in overleg met het bevoegd gezag om handhaving te vereenvoudigen. Met het vaststellen van erkende energiebesparende maatregelen voor het bedrijfsleven wordt het voor het bedrijfsleven en het bevoegd gezag eenvoudiger, en tevens meer transparant om energiebesparingsmaatregelen toe te passen.

De VNG is medeondertekenaar van het SER-akkoord, inclusief de passage over de Wet Milieubeheer. De afspraken hierover zijn breder dan alleen meer handhaving, maar betreft een geheel van (prestatie)afspraken: introductie van de maatregelenlijst, invoering van de EnergiePrestatieKeur en het expertisecentrum. De komende tijd wordt dit pakket nader uitgewerkt, waarbij uiteraard ook de gemeenten gesprekspartner zijn.

238

Wordt bij windenergie op zee ook gekeken naar zogenaamde «nearshore» locaties, dus vlakbij de kust? Zo ja, wanneer worden deze locaties bekend? Zo nee, waarom niet?

Op dit moment wordt onderzocht waar de bouw van windparken ruimtelijk mogelijk en uit oogpunt van kosten aantrekkelijk is. Hierbij wordt rekening gehouden met nationale belangen en juridische kaders (onder andere scheepvaart, mijnbouw, defensie, zandwinning en Natura 2000). Dit resulteert in een aantal gebieden waar windenergie mogelijk zou kunnen. Voor die gebieden wordt in overleg met kustoverheden, sectoren en maatschappelijke organisaties nagegaan hoe voorwaarden de bouw van windparken daar mogelijk is.

Omdat in de kustzone veel belangen spelen is een zorgvuldig proces en onderzoek vereist. Het streven is om u begin volgend jaar te informeren over de resultaten van de haalbaarheidsstudie en de mogelijke vervolgstappen. Dan is duidelijk of en hoeveel megawatt er in de 12 mijlzone gerealiseerd kan worden.

239

Wanneer wordt het besluit over een net op zee precies genomen en op welke wijze wordt gezorgd dat TenneT voldoende financiering krijgt?

In het Energieakkoord is bepaald dat een net op zee zal worden gerealiseerd daar waar het efficiënter is dan een directe aansluiting van windparken op het landelijke hoogspanningsnet. Van een net op zee is alleen sprake bij de verbinding van meerdere windparken met het landelijk hoogspanningsnet. De afweging of een directe aansluiting of een net op zee efficiënter is kan per gebied anders uitvallen. Het afwegingskader hiervoor maakt onderdeel uit van de beleidsvorming die op dit moment plaatsvindt binnen het kabinet. In het afwegingskader spelen onder meer een rol: de kosten, de keuze voor de gebieden op zee, het aanbestedingspad uit het Energieakkoord en de aanlandingsmogelijkheden. Onderdeel van de beleidsvorming is ook de financiering en regulering, de mogelijke gevolgen voor TenneT worden daarbij in kaart gebracht. De benodigde wet- en regelgeving is op dit moment in voorbereiding.

240

Is het, om echt grote stappen te zetten op het gebied van cascadering, niet ook noodzakelijk om prikkels voor het inzetten van hoogwaardige producten voor laagwaardig gebruik (het chemisch toepassen van biomassa in plaats van gebruiken voor energieopwekking) in te voeren? Zo ja, op welke wijze wordt dit gedaan? Zo nee, waarom niet?

Het hoogwaardig inzetten van biomassa (cascadering) is uitgangspunt van het kabinet. Door nieuw ontwikkelde technologie kan laagwaardige biomassa omgezet worden in een reeks van producten voor chemie en energie en soms zelfs voor (vee)voeding. Door het stimuleren van innovatie en pilot's door de Topsector energie in samenwerking met de TKI BBE, wordt het gecombineerd produceren van energie en chemische bouwstenen, geschikt gemaakt voor commerciële productie.

Ik zal in samenwerking met de betreffende sectoren bijvoorbeeld middels pilots stimuleren dat Nederlandse bedrijven biogrondstoffen optimaal benutten voor het gecombineerd produceren van energie en chemische bouwstenen. In de eerste plaats moet dit voor bedrijven commercieel aantrekkelijk zijn. Het Energieakkoord geeft een aantal maatregelen die genomen worden om cascadering te stimuleren. Ook in de EU zal ik mij hiervoor sterk maken.

241

Is het mogelijk om recente projecten, waarbij kleinschalige corporaties via de SDE+-regeling subsidie hebben aangevraagd, alsnog de ruimte te geven om gebruik te maken van de nieuwe regeling? Zo nee, waarom niet?

Indien er voor een productie-installatie voor duurzame elektriciteit een subsidiebeschikking vanuit de SDE+ is verstrekt, dan komt de met deze installatie opgewekte elektriciteit niet in aanmerking voor het verlaagd tarief. De SDE+-subsidie zorgt er immers voor dat er sprake is van rendabele productie. Aanvullend daarop een verlaagd tarief zou overstimulering betekenen. Zolang er op een subsidieaanvraag nog niet is beschikt heeft de aanvrager wel de mogelijkheid om zijn aanvraag in te trekken. In dat geval zou men wel in aanmerking kunnen komen voor het verlaagd tarief als men voldoet aan de voorwaarden.

242

Klopt het dat door ingebruikname van drie nieuwe kolencentrales € 25 tot 50 mln. extra inkomsten uit de kolenbelasting gegenereerd zal worden en kunnen deze middelen ingezet worden voor duurzame energie?

Het was reeds bekend dat er nieuwe kolencentrales zouden opengaan en dat er daardoor tijdelijk extra kolenbelasting binnenkomt. Dit is meegenomen in de ramingen van de Miljoenennota 2014.

Overigens zou een hogere opbrengst door de opening van een nieuwe kolencentrale die nog niet in de raming zou zijn opgenomen, worden beschouwd als een zogenoemde endogene opbrengst die niet beschikbaar is voor de dekking van een lastenverlichtende maatregel. Ook het omgekeerde geval – wanneer sprake is van een lagere koleninzet doordat een centrale uiteindelijk niet wordt geopend – zou een endogene opbrengst zijn. Ook een derving die dan zou optreden hoeft dan niet gecompenseerd te worden met een lastenverzwarende maatregel. Deze systematiek geldt ook voor de andere belastingen.

243

Wanneer wordt de uitspraak verwacht van de Hoge Raad inzake de splitsing van Eneco en Delta?

Op 22 oktober 2013 doet het Hof van Justitie in Luxemburg uitspraak in de zaken die Essent, Eneco en Delta tegen de Staat hebben aangespannen inzake de Wet onafhankelijk netbeheer. Na uitspraak van het Hof dient de Hoge Raad met de gegeven antwoorden nog tot een eindvonnis te komen. Naar verwachting zal dit na enkele maanden plaatsvinden.

244

In pijler zeven van het SER Energieakkoord (punt 9) staat dat er volgend jaar een fiscale pilot start met mobiliteitsbudgetten, maar in zijn brief van 17 september jl. schrijft de Staatssecretaris van Financiën dat er geen aanleiding meer is om een pilot te starten, kunt u bevestigen dat de afspraak in het SER Energieakkoord leidend is en dat er volgend jaar pilots kunnen plaatsvinden, waaraan het Rijk waar nodig medewerking verleent?

Ja, het Energieakkoord is leidend (zodra het parlement daarmee heeft ingestemd). Per januari 2014 starten bedrijven pilots met mobiliteitsbudgetten waarmee forenzen en zakelijke reizigers worden gestimuleerd om duurzamer, minder en/of buiten de spits te reizen. Deze pilot valt binnen de fiscale kaders van 19ct per kilometer. Deze private pilot wordt aangegaan door bedrijven die hiertoe vrijwillig initiatieven willen nemen.

245

Nu ECN en Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in de doorrekening van het energieakkoord een post van € 18 mln. voor de Energie Belasting korting voor energie coöperaties in 2020 verwachten, waarom is er dan een begroot bedrag van slechts € 10 mln. jaarlijks structureel op gebaseerd zoals gemeld in de Miljoenennota?

In de doorrekening van ECN en PBL is de derving als gevolg van het verlaagde tarief geraamd op € 36 miljoen in 2020. Zoals voorzien in het regeerakkoord dient de met het verlaagde tarief gepaard gaande derving te worden opgevangen door een verhoging van het tarief in de energiebelasting voor elektriciteit.

Het kabinet heeft echter in het aanvullend pakket structureel € 10 miljoen voor deze regeling beschikbaar gesteld. Deze € 10 miljoen is opgenomen in de Miljoenennota.

Daarmee kan de hiervoor genoemde verhoging van het tarief in de energiebelasting voor elektriciteit worden beperkt en in de eerste jaren zelfs achterwege blijven.

246

Wat is de consequentie voor de elektriciteitsprijs als in 2016 en 2017 circa 15% van de op een gemiddelde dag in Nederland verbruikte goedkope kolenstroom wegvalt wegens het sluiten van de kolencentrales terwijl dit dan slechts voor een beperkt deel wordt opgevangen door gesubsidieerde stroom, maar voor het overgrote deel door het duurdere gas of import van (kolen)stroom?

De elektriciteitsprijs wordt door een groot aantal factoren bepaald, waarbij internationale ontwikkelingen vaak bepalend zijn. Denk aan de ontwikkeling van mondiale kolen- en gasprijzen, CO2-prijzen, de ontwikkeling van hernieuwbare elektriciteitsproductie in de ons omringende landen, import- en exportstromen over beschikbare interconnectiecapaciteit en ontwikkeling van de elektriciteitsvraag die mede beïnvloed wordt door de economische crisis. De elektriciteitsprijzen laten zich daarom moeilijk voorspellen. Tevens is het niet goed mogelijk om het toekomstige prijseffect van een specifieke maatregel vast te stellen. Dat kan alleen door voor andere factoren die de prijzen beïnvloeden veronderstellingen aan te nemen. De feitelijke marktontwikkeling kan sterk afwijken van die aannames.

ECN heeft de afspraak in het Energieakkoord over de vervroegde sluiting van vijf oude kolencentrales in opdracht van de Autoriteit Consument en Markt onderzocht. Volgens ECN leidt sluiting van de kolencentrales tot een gemiddelde verhoging van de groothandelsprijs van elektriciteit van circa 0,9% over de periode 2016–2021 (€ 75 mln. per jaar). Naast aannames ten aanzien van de ontwikkeling van brandstofprijzen, CO2-prijzen en de groei van hernieuwbare elektriciteitsproductie doet ECN veronderstellingen over het door blijven draaien van oude kolencentrales (voor sommige centrales tot na 2020).

247

Waarom zijn de netwerkkosten niet meegenomen in de doorrekening van het Energieakkoord en bent u bereid om dit in een update van de doorrekening alsnog te doen?

Er wordt in het Energieakkoord nadrukkelijk ingegaan op het belang van tijdige investeringen in het energienetwerken met oog op de energietransitie (Pijler 4 van het akkoord). Afspraken in dit kader brengen geen aanvullende netwerkkosten met zich mee bovenop de investeringen die al in het energienetwerk zijn voorzien.

Waar de afspraken in het energieakkoord wel extra financiële consequenties hebben voor de netwerkkosten, dan zijn deze kosten ook meegenomen in de doorrekening. Dit geldt bijvoorbeeld voor de aansluiting op het landelijk hoogspanningsnetwerk van windparken op zee. De kosten van de aansluiting hiervan zijn onderdeel van de totale investeringen van een producent in het kader van de SDE+. Daarmee vormen deze kosten onderdeel van de doorrekening.

248

Hoeveel huishoudens maken er, volgens het referentie pad van de doorrekening van het Energieakkoord, gebruik van de fiscale regelingen voor decentrale opwekking waaronder de salderingsregeling?

In totaal is in de doorrekening een vermogen van 4 GW voor zon-pv in 2020 opgenomen. Ongeveer 1 GW daarvan wordt naar verwachting ondersteund via de SDE+, het effect van het verlaagde tarief wordt geraamd op circa 0,6 GW en het effect van salderen op 2,4 GW.

Ervan uitgaande dat per huishouden voor gemiddeld zo’n 3.000 kWh elektriciteit per jaar het verlaagde tarief of salderen toegepast zal kunnen worden, betekent dit dat in 2020 circa 175.000 huishoudens gebruik maken van het verlaagde tarief en circa 700.000 van het salderen.

249

Kunt u aangeven hoeveel huishoudens er momenteel niet of slechts gedeeltelijk een bijdrage leveren aan de energiebelasting en opslag duurzame energie, omdat zij gebruik maken van de fiscale voordelen op zonnepanelen?

Huishoudens die momenteel gebruik maken van de salderingsregeling leveren voor het deel dat zij salderen geen bijdrage aan de energiebelasting en opslag duurzame energie.

Kenmerk van salderen is dat de opgewekte elektriciteit die aan het elektriciteitsnet wordt geleverd, wordt weggestreept tegen de elektriciteit die op een ander moment in het jaar wordt afgenomen. Een huishouden met zonnepanelen betaalt daardoor alleen energiebelasting over het netto-verbruik. Doordat alleen dit netto-verbruik geregistreerd wordt, is niet met zekerheid aan te geven hoeveel huishoudens gebruik maken van salderen. Wel kan op basis van CBS gegevens een inschatting worden gemaakt.

Volgens het CBS is de productie van elektriciteit met zonnepanelen eind 2012 gelijk aan 236 miljoen kWh. Ervan uitgaande dat 90% van alle zonnepanelen gebruik kunnen maken van salderen en dat voor gemiddeld 3.000 kWh per huishouden wordt gesaldeerd, is het aantal huishoudens dat gebruik maakt van salderen gelijk aan circa 70.000 eind 2012.

250

Hoe ontwikkelt het aantal huishoudens, dat naar verwachting gebruik gaat maken van de verschillende fiscale stimuleringsmaatregelen decentrale opwekking, zich over de periode 2013 t/m 2020 en kunt u daarbij tevens de bedragen aan energiebelasting en opslag duurzame energie vermelden die de schatkist hierdoor naar verwachting misloopt?

In de doorrekening van ECN en PBL is aangenomen dat het aantal huishoudens dat gebruik maakt van het verlaagde tarief groeit tot 175.000 huishoudens eind 2020. Uitgangspunt bij het verlaagde tarief is dat het aantal deelnemende huishoudens jaarlijks zal groeien met zo’n 25.000 deelnemers, en dat per deelnemer voor gemiddeld zo’n 3.000 kWh elektriciteit per jaar het verlaagde tarief toegepast zal kunnen worden. Deelnemers aan het verlaagde tarief betalen gewoon de opslag duurzame energie.

In de doorrekening van ECN en PBL is aangenomen dat het aantal huishoudens dat gebruik maakt van het salderen groeit van 70.000 eind 2012 tot 700.000 huishoudens eind 2020. Dit betekent dat het aantal deelnemende huishoudens jaarlijks zal groeien met zo’n 80.000 deelnemers, en dat per deelnemer voor gemiddeld zo’n 3.000 kWh elektriciteit per jaar het salderen toegepast zal kunnen worden. Deelnemers aan het salderen betalen geen opslag duurzame energie voor het aantal kWh dat gesaldeerd wordt.

In onderstaande tabel is per jaar aangegeven hoeveel huishoudens aan het eind van het jaar gebruik maken van de regelingen. Daarnaast is per jaar de derving weergegeven, waarbij is aangenomen dat:

  • huishoudens voor gemiddeld 3.000 kWh per jaar het verlaagde tarief toepassen of salderen;

  • het voordeel van het verlaagde tarief voor de hele periode 2014–2020 gelijk is aan 7,5 cent per kWh;

  • het tarief van de energiebelasting voor de hele periode 2014–2020 gelijk is aan het tarief van 2013, namelijk 11,65 cent. In praktijk zal het tarief voor de energiebelasting jaarlijks worden vastgesteld;

 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verlaagd tarief

             

Aantal huishoudens

25.000

50.000

75.000

100.000

125.000

150.000

175.00

Derving EB (mln.)

3

8

14

20

25

31

36

               

Salderen

             

Aantal huishoudens

220.000

300.000

380.000

460.000

540.000

620.000

700.000

Derving EB (mln.)

63

91

119

147

175

203

231

Derving ODE (mln.)

1

3

6

9

18

34

52

               

Totaal

             

Huishoudens

245.000

350.000

455.000

560.000

665.000

770.000

875.000

Derving (mln.)

67

102

139

176

218

268

319

251

Kunt u aangeven in hoeverre het rapport van TNO «Naar een toekomstbestendig energiesysteem voor Nederland» is meegenomen in de doorrekening van het Energieakkoord en daarbij aangeven hoe die € 49 mld. per jaar aan fossiele brandstoffen gerelateerde inkomsten, zoals vermeld in tabel twee pagina 9, voor de schatkist zich de komende jaren als gevolg van het energieakkoord verder ontwikkeld en welk verlies van banen daarmee gepaard gaat en dit bij voorkeur overzichtelijk in een tabel weergeven?

De TNO-studie geeft aan op welke manier de overheid momenteel inkomsten haalt uit energiegerelateerde activiteiten, en bijbehorende werkgelegenheid. Dat is momenteel overwegend uit fossiele energie. Bij de doorrekening van het energieakkoord is primair gekeken wat financiële en werkgelegenheidsconsequenties zijn van de afspraken in het akkoord. Er is niet gekeken hoe deze effecten passen in de categorieën die in de TNO-studie zijn gebruikt. In het algemeen geldt dat veel bestaande overheidsinkomsten en werkgelegenheid in de TNO-studie niet zal worden beïnvloed door het akkoord. Bij de inschatting van de werkgelegenheidseffecten van het akkoord is overigens wel rekening gehouden met verlies aan banen als gevolg van de sluiting van kolencentrales.

252

Wat is uw reactie op de kritiek van de Europese Investeringsbank (EIB) aangaande het welvaartsverlies van € 6 mld. als gevolg van het Energieakkoord en is er ook rekening gehouden met de verwachte beschikbaarheid van Nederlandse technici voor de door het energieakkoord gecreëerde banen gezien het huidige tekort?

Het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) is met het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) betrokken geweest bij de doorrekening van de effecten van het Energieakkoord. De uitspraak van het EIB betreft niet zozeer het Energieakkoord, maar de investeringen in duurzame energie in het algemeen en de investeringen in relatief dure windparken in het bijzonder. Vanuit een strikt economisch perspectief is het juist dat het subsidiëren van onrendabele investeringen leidt tot welvaartsverlies. De investeringen in het energieakkoord zijn echter onontkoombaar vanwege afgesproken doelstellingen voor duurzame energie (14% in 2020 en 16% in 2023) en leiden overigens wel tot milieubaten. Dankzij het Energieakkoord zijn we een stuk goedkoper uit met deze investeringen. Door slimmer te investeren en de kosten te drukken wordt, in vergelijking tot de eerdere afspraken in het Regeerakkoord, 1,5 miljard euro bespaard. De energierekening zal zo voor burgers en bedrijven lager uitvallen dan eerder voorzien.

Uit de doorrekening komt naar voren dat realisatie van de doelstelling voor duurzame energie met de afspraken in het energieakkoord haalbaar is als alle omstandigheden meezitten. Om die reden wordt actief gewerkt aan het wegnemen van barrières, bijvoorbeeld in de planprocedures en financiering. De beschikbaarheid van voldoende geschoolde technici is eveneens een van de aandachtspunten in het actief en anticiperend flankerend beleid dat wordt gevoerd. In het energieakkoord wordt daarvoor aangesloten bij de Human Capital Agenda van de Topsector Energie.

253

Kunt u aangeven waarom u uitgaat van een dalende energieprijs terwijl in de doorrekening juist wordt uitgegaan van een stijgende energieprijs tot aan 2020?

Voor de ramingen van de SDE+ en dus ook van het Energieakkoord wordt een ontwikkeling van de energieprijzen gebruikt die door de experts van ECN is opgesteld. ECN baseert zich onder andere op cijfers van het International Energy Agency (IEA) en haar eigen expertise. Ontwikkelingen zoals schaliegas en duurzame energie uit Duitsland worden door ECN in de energieprijsramingen meegenomen. De raming van de energieprijzen die naar aanleiding van het Energieakkoord zijn gemaakt laten nog steeds een stijgende trend zien. Uiteraard kan niemand de toekomst voorspellen en vormen de energieprijsramingen slechts een verwachting en geen voorspelling.

De onzekerheden in deze verwachting vormen een risico voor de begroting. Om dit risico beheersbaar te houden is er in de SDE+ een grens ingebouwd. Als de energieprijs lager komt dan een bepaald niveau, dan beweegt de subsidie niet verder mee met de energieprijs en zal niet verder stijgen. Daarnaast geldt dat tegenvallende subsidie-uitgaven als gevolg van lage energieprijzen zorgen voor een hogere SDE+ opslag op de energierekening. De energierekening zelf zal echter lager zijn door de lage energieprijzen, waardoor het totale effect wordt beperkt.

254

Kunt u de tabel: «geraamde kasuitgaven en gevolgen voor de lastenontwikkeling 2013–2031» die de Eerste Kamer bij de behandeling van de Wet opslag duurzame energie heeft ontvangen van een update voorzien gezien de wijzigingen van het Energieakkoord?

Hieronder vindt u een update van de geraamde kasuitgaven SDE+ (gefinancierd via de wet opslag duurzame energie) en de gevolgen voor de lastenontwikkeling. De uitgaven tonen de benodigde middelen voor het realiseren van 16% duurzame energie in 2023. Over de periode daarna zijn geen besluiten genomen. De dalende uitgaven na 2023 zijn het gevolg van de stijgende elektriciteit- en gasprijzen en de geleidelijke uitgebruikname van projecten aan het eind van de levensduur.

 

Totale heffing SER-akkoord (in mln euro)

huishouden (incl. 21% BTW, in euro)

bakker (in euro)

groothandel (in euro)

foodsector (in euro)

staalbedrijf (in euro)

chemie-bedrijf (in euro)

2013

100

9

32

94

707

6.544

7.699

2014

200

19

65

187

1.413

13.089

15.399

2015

320

30

104

299

2.261

20.942

24.638

2016

490

45

159

458

3.462

32.068

37.727

2017

700

65

226

655

4.946

45.811

53.896

2018

1.050

97

340

982

7.419

68.716

80.844

2019

1.550

144

501

1.449

10.952

101.438

119.341

2020

2.100

195

679

1.964

14.839

137.432

161.687

2021

2.300

213

744

2.151

16.252

150.521

177.086

2022

2.400

223

776

2.244

16.958

157.066

184.786

2023

2.550

237

825

2.384

18.018

166.882

196.335

2024

2.500

232

809

2.338

17.665

163.610

192.485

2025

2.400

223

776

2.244

16.958

157.066

184.786

2026

2.300

213

744

2.151

16.252

150.521

177.086

2027

2.200

204

712

2.057

15.545

143.977

169.387

2028

2.100

195

679

1.964

14.839

137.432

161.687

2029

1.900

176

615

1.777

13.425

124.344

146.289

2030

1.600

148

518

1.496

11.306

104.710

123.190

2031

1.300

121

421

1.216

9.186

85.077

100.092

255

Kunt u aangeven hoeveel MW aan wind op zee u middels het energieakkoord dicht bij de kust, oftewel de 12 mijlszone, wilt realiseren en in hoeverre dit verschilt ten opzichte van de eerdere plannen?

Op dit moment wordt onderzocht waar de bouw van windparken ruimtelijk mogelijk en uit oogpunt van kosten aantrekkelijk is. Hierbij wordt rekening gehouden met nationale belangen en juridische kaders (onder andere scheepvaart, mijnbouw, defensie, zandwinning en Natura 2000). Dit resulteert in een aantal gebieden waar windenergie mogelijk zou kunnen. Voor die gebieden wordt in overleg met kustoverheden, sectoren en maatschappelijke organisaties nagegaan onder welke voorwaarden de bouw van windparken daar mogelijk is. Omdat in de kustzone veel belangen spelen is een zorgvuldig proces en onderzoek vereist. Het streven is om u begin volgend jaar te informeren over de resultaten van de haalbaarheidsstudie en de mogelijke vervolgstappen.

256

Kunt u aangeven wat de verwachte kosten zijn voor de aansluiting van wind op zee en of deze kosten bovenop de eerder door netbeheer NL geschatte kosten van € 20–71 miljard voor aanpassing van het netwerk komen?

De verwachte kosten voor de verbinding van windparken op zee zijn zeer afhankelijk van de gebieden/locaties die ontwikkeld zullen worden. Het is van belang dat op systeemniveau, verbindings- en windparkkosten een optimale configuratie wordt gerealiseerd. In het energieakkoord is bepaald dat daar waar het efficiënter is dan een directe aansluiting van windparken op het landelijke hoogspanningsnet, een net op zee zal worden gerealiseerd. Zoals tevens aangegeven in vraag 239 is er nog geen keuze gemaakt welke gebieden als eerste worden ontwikkeld, derhalve zijn de kosten nog niet bekend. De gezamenlijke netbeheerders hebben in 2011 verschillende scenario’s uitgewerkt over de mogelijke benodigde additionele investeringen in de netten in het kader van de energietransitie. In deze scenario’s, met een bandbreedte van 20–71 miljard euro in de periode tot 2050, is onder andere rekening gehouden met de inpassing van windenergie op zee.

257

Waarom wordt er niet uitgegaan van groei van energie coöperaties maar in de begroting uitgegaan van een structureel, gelijkblijvend bedrag van € 10 mln.?

In de raming is aangenomen dat het aantal huishoudens dat gebruik maakt van het verlaagde tarief groeit tot 175.000 huishoudens eind 2020. Uitgangspunt bij het verlaagde tarief is dat het aantal deelnemende huishoudens jaarlijks zal groeien met zo’n 25.000 deelnemers, en dat per deelnemer voor gemiddeld zo’n 3.000 kWh elektriciteit per jaar het verlaagde tarief toegepast zal kunnen worden.

Zoals voorzien in het Regeerakkoord dient de met het verlaagde tarief gepaard gaande derving te worden opgevangen door een verhoging van het tarief in de energiebelasting voor elektriciteit. Het kabinet heeft echter in het aanvullend pakket structureel € 10 miljoen voor deze regeling beschikbaar gesteld. Deze € 10 miljoen is opgenomen in de Miljoenennota. Daarmee kan de hiervoor genoemde verhoging van het tarief in de energiebelasting voor elektriciteit worden beperkt en in de eerste jaren zelfs achterwege blijven. Dat houdt in dat eerst in 2017 voor de eerste maal een dergelijke verhoging plaats zal vinden. Deze verhoging zal in 2017 € 0,0003 per kWh bedragen. Een eventuele verhoging van de energiebelasting voor latere jaren wordt gebaseerd op het aantal gebruikers van deze regeling voor lokaal opgewekte duurzame energie.

258

Hoeveel euro’s worden onder de SDE+ precies per jaar aanbesteed zodat de 14% duurzame energie in 2020 en de 16% duurzame energie in 2023 wordt gehaald en wat zijn de bedragen per jaar voor de periode 2014–2023?

Zie antwoord vraag 69.

259

Kunt u per jaar aangeven voor welk bedrag verplichtingen als gevolg van de SDE+ worden aangegaan in de periode tussen 2014 en 2023?

Zie antwoord vraag 69

260

Kunt u aangeven voor welk bedrag verplichtingen kunnen worden aangegaan specifiek voor wind op zee binnen de SDE+ per jaar voor de periode 2014–2023?

Zie antwoord vraag 66.

261

Kunt u (per tariefschaal en per jaar) aangeven welke verhoging van de Energiebelasting er samenhangt met respectievelijk de € 400 mln. voor woningcorporaties, de verkabeling van hoogspanningsnetten, de inzet van duurdere wind op zee in plaats van andere vormen van duurzame energie en de stimulering van decentrale duurzame energie via de nieuwe belastingkorting?

In het SER-Energieakkoord is afgesproken dat tijdelijk extra uitgaven worden ingezet ter bevordering van energiebesparing bij verhuurders: € 200 miljoen in 2018 en 2019. Dekking wordt gevonden door de energiebelasting tijdelijk te verhogen. Tevens is in het belastingplan 2014 in de energiebelasting dekking gevonden voor de stimulering van decentrale duurzame energie via de nieuwe belastingkorting.

In de tabel wordt een overzicht gegeven van de daarmee samenhangende tariefmutaties in de periode 2014–2020.

 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Uiteindelijke

tarieven 2020

Maatregelen energiebelasting in mln. euro

                 

tijdelijke dekking uitgaven energiebesparing bij verhuurders in de energiebelasting

         

200

200

   

dekking belastingkorting ter stimulering van decentrale opwekking

 

3

8

14

20

25

31

36

 
                   

Tariefgevolgen energiebelasting

                 

aardgas in cent / m3

                 

0 – 170000

18,62

0

0

0

0

0,41

0

– 0,41

18,62

170000 – 1 mln.

4,39

0

0

0

0

0,67

0

– 0,67

4,39

1 – 10 mln.

1,60

0

0

0

0

0,24

0

– 0,24

1,60

> 10 mln.

1,15

0

0

0

0

0,18

0

– 0,18

1,15

                   

elektriciteit in cent/kWh

                 

0 – 10 000

11,65

0,01

0,02

0,02

0,02

0,24

0,02

– 0,20

11,81

10 000 – 50 000

4,24

0

0

0,00

0,00

0,22

0

– 0,22

4,24

50 000 – 10 mln.

1,13

0

0

0,00

0,00

0,06

0

– 0,06

1,13

> 10 mln.

0,05

0

0

0

0

0,003

0

– 0,003

0,05

Daarnaast is in het Energieakkoord afgesproken om tot 2020 in plaats van 16% hernieuwbare energie te streven naar 14% hernieuwbare energie. Daardoor nemen de uitgaven voor de SDE+ – anders dan de leden aangeven – af in plaats van toe. De verkabeling van hoogspanningsnetten wordt niet gedekt uit een extra verhoging van de energiebelasting noch uit een verhoging van de opslag duurzame energie. De benodigde tarieven kunnen dientengevolge worden verlaagd ten opzichte van het oorspronkelijke wetsvoorstel.

Maatregelen opslag duurzame energie in mln. euro

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Minder dekking door lagere uitgaven SDE+

       

– 200

– 550

– 725

– 750

Tarieven na Energieakkoord

               

aardgas in cent / m3

               

0 – 170 000

0,23

0,46

0,74

1,13

1,55

2,46

3,99

5,31

170 000 – 1 mln.

0,09

0,17

0,28

0,42

0,58

0,92

1,49

1,99

1 – 10 mln.

0,03

0,05

0,08

0,13

0,18

0,28

0,46

0,61

> 10 mln.

0,02

0,04

0,06

0,09

0,12

0,19

0,31

0,42

elektriciteit in cent/kWh

               

0 – 10 000

0,11

0,23

0,36

0,56

0,77

1,22

1,98

2,63

10 000 – 50 000

0,14

0,27

0,46

0,70

0,97

1,53

2,48

3,30

50 000 – 10 mln.

0,04

0,07

0,12

0,19

0,26

0,41

0,66

0,88

> 10 mln.

0,0017

0,0034

0,0055

0,0084

0,0116

0,0183

0,0297

0,0396

262

Hoe bent u van plan de afspraak over het plafond van 25 PJ aan biomassa bijstook te verwerken in de SDE+ regeling?

Het komende jaar zal ik de stimulering van bij- en meestook van biomassa in kolencentrales uitwerken. Ik zal er daarbij voor zorgen dat er niet meer dan 25 PJ aan biomassa bij- en meestook wordt gestimuleerd. Indien nodig zal ik het Besluit SDE+ aanpassen.

263

Is er met de nieuwe bedragen voor de SDE+ voor de komende jaren ook rekening gehouden met een apart budget voor een net-op-zee naast de projectkosten voor wind op zee? Zo ja welke omvang?

Nee, er is geen apart budget voor een net op zee. Zie antwoord op vraag 67.

264

Is bij de berekening van de jaarlijkse SDE+ bedragen uitgegaan van een lineaire kostendaling bij wind op zee van 5 euro jaarlijks vanaf 150 euro/MWh in 2015 of is er ruimte voor een kostendaling van 40% die in de eerste jaren minder bedraagt?

Bij de berekeningen van de SDE+ uitgaven is uitgegaan van een lineaire kostendaling van € 5,–/MWh/jaar vanaf € 150,–/MWh in 2014, conform de inschatting van de sector.

265

Wat gebeurt er met de SDE+ budget voor wind op zee indien er in bepaalde jaren vertraging bij de uitrol ontstaat (minder geschikte projecten, vertraging bij realisatie)?

Indien er in enig jaar minder wind op zee projecten meedingen in de tender dan er budget beschikbaar is, kan het resterende budget in een later jaar worden ingezet.

266

Kan de berekening die achter het nu verlaagde jaarlijkse SDE+ budget zit, aan de Kamer inzichtelijk gemaakt worden (basisbedragen per techniek maal verwachte omvang van de techniek)? Zo nee, hoe zijn de nieuwe bedragen voor de SDE+ voor de komende jaren dan bepaald?

De berekeningen achter het beschikbare kasbudget voor de SDE+ zijn complex. Vele aspecten spelen daarbij een rol. Zo wordt er bijvoorbeeld vooraf geen verdeling tussen de verschillende technologieën en energiedragers vastgesteld. De SDE+ is immers technologieneutraal. Ook is het lastig te voorspellen hoeveel projecten in de vrije categorie zullen aanvragen. In 2013 was dat circa 80 procent. Andere variabelen zijn: de lengte van de periode tussen beschikking en realisatie van projecten, energieprijzen, de hoeveelheid wind in toekomstige jaren, kostendalingen en dergelijke. Van al deze factoren is een zo goed mogelijke inschatting gemaakt, zodat voldoende budget beschikbaar zal zijn om de doelstellingen te halen.

Daarnaast is het akkoord doorgerekend door ECN en PBL op basis van hun eigen expertise. Zij hebben bevestigd dat het resulterende kasbudget voldoende hoog is om de doelstellingen van 14% in 2020 en 16% in 2023 te halen.

267

Wordt het SDE+ budget aangepast indien de veronderstelde kostendaling per techniek anders dan verwacht ontwikkeld; of wanneer goedkopere technieken anders dan verwacht van de grond komen?

Het is mogelijk dat lagere kasuitgaven volstaan om de doelstellingen te halen. Indien dat het geval is, zullen de budgetten daarop worden aangepast.

268

Zijn de begrootte budgetten voor de SDE+ berekend met een lagere basis- elektriciteitsprijs dan tot nu toe wordt gehanteerd gezien de verwachte daling van de stroomprijzen, en zo ja welke prijs?

De begrote kasbudgetten zijn niet gebaseerd op de basiselektriciteitsprijs (de ondergrens in de SDE+ tot waar de inkomsten worden aangevuld) maar op de verwachte elektriciteits- (en gas-) prijzen.

Jaarlijks wordt de raming van deze toekomstige elektriciteitsprijzen aangepast. Voor een aantal jaren heeft deze aanpassing inderdaad geresulteerd in een lagere schatting dan voorheen. Hieronder vindt u de energieprijzen waarop de ramingen zijn gebaseerd (bron ECN).

Nominale prijzen

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Elektriciteitsprijs (€/kWh)

0,053

0,056

0,059

0,062

0,066

0,069

0,073

0,076

0,080

0,084

Gasprijs (€/Nm3)

0,266

0,263

0,260

0,279

0,298

0,318

0,337

0,350

0,363

0,377

269

Is er een budget voor een demonstratiepark wind op zee te beschikken in 2014, zoals genoemd in het Energieakkoord? Zo ja, welk?

Er is op basis van het Energieakkoord geen budget gereserveerd voor een demonstratiepark wind op zee te beschikken in 2014. Een dergelijk park zou, indien daartoe besloten wordt, gefinancierd moeten worden uit de beschikbare middelen voor de aanbestedingen wind op zee van 2015 t/m 2019.

270

Hoeveel geld van de SDE+ gaat er naar de verschillende soorten energie in het komende jaar en de jaren daarna, kunt u dat specificeren? Dus hoeveel geld is er beschikbaar voor biogas, voor windenergie, voor zonne-energie etc.?

De SDE+ is een technologieneutraal instrument. Hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas en hernieuwbare warmte projecten concurreren met elkaar voor het beschikbare budget. De meest kosteneffectieve projecten krijgen voorrang bij de verdeling van het budget. Daarom is het ex ante niet mogelijk te voorspellen hoeveel geld van de SDE+ er naar de verschillende soorten energie in het komende jaar en de jaren daarna gaat en hoeveel geld er beschikbaar is voor biogas, voor windenergie, voor zonne-energie, etc. Alleen voor wind op zee zijn specifieke afspraken gemaakt over het volume dat getenderd wordt. Hiervoor zijn de kosten gegeven in het antwoord op vraag 66. Bijvoorbeeld voor wind op land zijn de daadwerkelijke uitgaven afhankelijk van de windlocaties en de verdeling van projecten over de verschillende fases in de SDE+.

271

Kunt u een toelichting geven op de belangrijkste successen van de topsector Energie?

Het jaar 2012 is gebruikt om partners te mobiliseren en de organisatie op te zetten. Begin 2013 bedroeg het aantal bedrijven dat financieel participeert in de uitvoering van de innovatieprojecten 383, waarvan circa de helft MKB-bedrijven. Dit heeft ertoe geleid dat de organisatiegraad van de sector is verbeterd en versnippering is aangepakt.

De publieke en private organisaties die binnen de Topsector Energie samenwerken hebben hun financiële bijdragen vastgelegd in innovatiecontracten. De ambities van bedrijven en kennisinstellingen zijn binnen de TKI’s vertaald in programmalijnen en concrete onderzoeksprogramma’s. Circa 130 projecten zijn gestart in 2012 en begin 2013. Hiertoe is 182 miljoen euro geïnvesteerd in innovatieprojecten. 43 procent hiervan is afkomstig vanuit het bedrijfsleven. Binnenkort start een nieuwe serie projecten. Hiermee wordt voldaan aan de eis van 40% inleg door het bedrijfsleven.

De focus van de R&D-programma’s van ECN en TNO is verlegd naar de thema’s van de Topsector Energie. TNO is betrokken bij de TKI’s EnerGO en Switch2smartgrids en ECN bij de TKI’s Wind op Zee, Gas, Solar Energy, Biobased Economy en ISPT. Ook de programmering van het fundamenteel onderzoek bij NWO is afgestemd op de thema’s van de Topsector Energie. De Topsector Energie heeft een Human Capital Agenda opgesteld om te komen tot een goede aansluiting op onderwijs en arbeidsmarkt. In het kader hiervan heeft de Topsector Energie op 13 mei 2013 het Techniekpact mede ondertekend. Het doel van dit pact is de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt in de technieksector te verbeteren en daarmee het tekort aan technisch personeel terug te dringen.

Met de oprichting van het programma STEM (Samenwerken Topsector Energie en Maatschappij) worden binnen de Topsector Energie investeringen op het gebied van sociale innovatie gestimuleerd.

Tenslotte is een Internationaliseringsagenda opgesteld, waarbij prioriteitslanden zijn gedefinieerd, strategische beurzen zijn aangewezen en missies zijn georganiseerd.

272

Wat is de omvang voor 2014 en voor de jaren daarna van het binnen de SDE+ afgezonderde deel voor de innovatie? Welke andere middelen zijn er voor innovatie?

Voor de jaren 2014 en 2015 is er jaarlijks maximaal 50 miljoen euro gereserveerd voor energie-innovatieprojecten die de kostprijs van hernieuwbare energieopties verlagen en die bijdragen aan het behalen van een aandeel van 16% hernieuwbare energie in 2023.

Voor de jaren na 2015 is er geen vast budget gereserveerd en zullen projectvoorstellen gehonoreerd worden indien deze voldoen aan de gestelde voorwaarden.

273

Nederland kent een grote potentie voor de toepassing van geothermie, hoe wordt, naast het openstellen van een garantieregeling, de ontwikkeling van nieuwe technologie gestimuleerd en kan dit worden gestimuleerd in de topsector energie?

Zie ook antwoord op vraag 279. Naast stimulering door middel van de SDE+ en innovatiegelden wordt binnenkort ook bezien of geothermie kan worden ondergebracht in de Topsector Energie. Dit in het kader van het dynamische portfolio van de Topsector Energie, zie ook het antwoord op vraag 81.

274

Op basis van welke berekening komt u tot het bedrag van € 78 mln. voor de compensatie van de indirecte kosten in het kader van het Emissions Trading System (ETS)?

Het bedrag van € 78 mln. voor compensatie van de indirecte kosten is gebaseerd op de maximale compensatie die is toegestaan op basis van de Europese staatssteun richtsnoeren in het kader van de Europese regeling voor de handel in broeikasgassen (ETS) en de schatting van AgentschapNL van het aantal bedrijven dat naar verwachting voor de compensatie in aanmerking komt en de CO2 prijs van € 8 euro in 2012.

275

Hoeveel miljoen euro is structureel nodig zijn om de grootverbruikers te compenseren voor jaarlijkse ETS kosten; bij een CO2 prijs van € 75 mln., de prijs die nodig is om Carbon Capture and Storage (CCS) rendabel te maken zoals berekend door Energy Valley?

Omdat de compensatie voor de grootgebruikers is gebaseerd op de CO2 prijs in het voorafgaande jaar is niet aan te geven welk bedrag structureel nodig is. Voor 2014 is een bedrag van € 78 mln. gereserveerd op basis van de gemiddelde CO2 prijs van circa € 8 in 2012.

276

Hoe staat het met de uitvoering van de toezegging dat per 1 januari 2014 een lager transporttarief zal gaan gelden voor gasopslagen?

ACM heeft op 18 september jl. een ontwerpbesluit tot wijziging van de tariefstructuren en voorwaarden gas ter inzage gelegd. De beoogde wijziging – ingediend door de gezamenlijke netbeheerders – houdt in dat voor het transport van en naar gasopslagen een korting van 25% op de transporttarieven gaat gelden. Het ontwerpbesluit van de ACM ligt momenteel voor een periode van zes weken ter inzage. Binnen deze periode kunnen belanghebbenden hun zienswijzen schriftelijk kenbaar maken en op 22 oktober kunnen partijen hun zienswijze mondeling kenbaar maken tijdens een hoorzitting. De ACM streeft er vervolgens naar om zo snel als mogelijk is een definitief besluit te nemen. Dit om te bewerkstelligen dat de korting van 25% reeds kan worden toegepast op de tarieven die in 2014 zullen gelden.

277

Wanneer denkt u de langetermijnvisie op de positie van CCS aan de Kamer toe te zenden?

Ik ben voornemens om de lange termijnversie in de 2e helft van 2014 op te leveren.

278

Kunt u uiteenzetten of en zo ja hoeveel geld u heeft gereserveerd ten behoeve van de opslag van CO2 en waar het in de begroting is opgenomen?

In beleidsartikel 14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening is een meerjarenreeks opgenomen voor de afvang en opslag van CO2. Deze reeks is te vinden in de tabel Budgettaire gevolgen van beleid op pagina 73, onder de noemer Carbon Capture and Storage (CCS). Het beleid bestaat uit het steunen van onderzoek en het opzetten van een grootschalig demonstratieproject met opslag onder zee. Het gaat om het ROAD project. Hierbij wordt CO2 afgevangen bij de nieuwe E.ON kolencentrale op de Maasvlakte en de CO2 wordt 20 km buiten de kust in een leeg gasveld opgeslagen. Het Rijk draagt € 150 mln aan cofinanciering bij.

279

Stimuleert u de potentie van geothermie, naast het openstellen van een garantieregeling, op een andere wijze?

Ja, geothermie wordt op diverse manieren gestimuleerd. De instrumenten die hiervoor gebruikt worden zijn de SDE+-regeling, innovatiegelden voor vernieuwend onderzoek en gelden die aan TNO beschikbaar gesteld worden om de ondergrond in kaart te brengen met specifieke aandacht voor geothermie. Daarnaast vindt kennisuitwisseling plaats, is er een versnellingsplan glastuinbouw en is onlangs het handboek veiligheid- en gezondheidszorgsysteem uitgebracht.

280

Kunt u inzicht geven in de benutting van de garantieregeling geothermie?

De garantieregeling geothermie wordt optimaal benut. In de eerste twee rondes (2011 en 2012) zijn zes projecten gehonoreerd. In 2013 zijn er 11 projecten ingediend waarmee het budget is overtekend. Deze aanvragen worden momenteel beoordeeld, waarna de beschikkingen zullen worden afgegeven.

281

Kunt u aangeven wat tot dusverre de verhouding is tussen de totale gemaakte kosten om elektrisch rijden in Nederland te faciliteren en het aantal 100% elektrische auto’s dat in Nederland rondrijdt?

Het is niet terecht om de totale kosten die gemaakt zijn op dit beleidsterrein te relateren aan het aantal 100% elektrische auto’s. Het beleid op dit terrein is er namelijk niet uitsluitend op gericht om elektrische auto’s op de weg te krijgen. Ook het versterken van het verdienpotentieel van het in Nederland gevestigde bedrijfsleven, het versterken van onze innovatiekracht en het vergroten van de aantrekkelijkheid van Nederland voor buitenlandse investeerders zijn belangrijke onderdelen van het beleid. Voor zover het beleid gericht is op het realiseren van aantallen auto’s, zijn de aantallen voor de korte termijn – i.e. tot 2015 – bedoeld om Nederland te positioneren als aantrekkelijke proeftuin, en omvatten deze aantallen alle voertuigen die kunnen worden opgeladen aan een laadpunt en een uitstoot hebben van minder dan 50 gCO2/km. Dat betreft dus niet alleen volledig elektrische auto’s, maar ook plug ins en auto’s met een range-extender.

Economische Zaken heeft voor dit beleidsterrein de afgelopen jaren de volgende bedragen uitgegeven:

  • Een bedrag van € 20 mln. is besteed aan onderzoek:

  • € 18,5 mln. voor 15 projecten op het gebied van R&D elektrische-voertuigtechnologie via het innovatieprogramma High Tech Automotive Systems (HTAS)

  • de overige € 1,5 mln. aan de totstandkoming van een batterijtestcentrum binnen het European Electric Mobility Center (EEMC) in Helmond en een project op het gebied van elektrisch varen (Friesland).

  • Daarnaast is circa € 10 mln. besteed aan het opzetten van proeftuinen voor elektrisch rijden. Voor het algemene elektrisch vervoerbeleid is tot en met 2013 € 5,4 miljoen uitgegeven.

Voor de voucherregeling ter versterking van de innovatiekracht van het MKB – onderdeel van een Green Deal op dit terrein – is € 0,5 miljoen uitgegeven. Ook in andere Green Deals zitten bedragen die te relateren zijn aan dit beleidsterrein; gezamenlijk zal dit naar schatting uitkomen op minder dan € 1 miljoen.

Op 31 augustus 2013 waren er 3.519 volledig elektrische auto’s (personenauto’s, bedrijfsauto’s plus «quadricycles»).

Naast voornoemde faciliteiten zijn er ook faciliteiten ten aanzien van aanschaf en gebruik van elektrische auto’s. Dit gebeurt bijvoorbeeld via de vrijstelling BPM, de vrijstelling MRB, de verlaagde bijtelling auto van de zaak, de milieuinvesteringsaftrek (MIA) en de willekeurige afschrijving op milieubedrijfsmiddelen (VAMIL).

282

Kunt u aangeven waarom er zo’n enorm verschil zit op het gebied van geothermie tussen de potentie van 1500 PJ van bekende lagen in Nederland die de branche zelf aangeeft en het potentieel van 11 PJ in 2020 wat u in de begroting aangeeft?

Het is juist dat de potentie voor geothermie in Nederland groot is en mogelijk zelfs veel hoger dan de genoemde 1500 PJ. Wel moet er hierbij onderscheid gemaakt worden tussen enerzijds het potentieel, gevormd door in de bodem aanwezige energie (de «heat in place») en anderzijds de jaarlijks economisch winbare warmte. Proefboringen zullen moeten aan tonen of de voor geothermie geschikte lagen werkelijk aanwezig en productief zijn. Het in de begroting aangegeven potentieel van 11 PJ in 2020 is gebaseerd op een ontwikkelingsscenario voor geothermie gebaseerd op o.a. de gasprijs, stapsgewijze kennisopbouw over de ondergrond door (proef)boringen en doorlooptijden, van de projecten.

283

In hoeverre onderneemt u nu al acties ten aanzien van de uitkoopregeling hoogspanningslijnen?

Zoals ik heb aangegeven tijdens het Algemeen Overleg met uw Kamer op 22 mei jl., werk ik op dit moment verder aan de vormgeving van zowel de uitkoopregeling voor hoogspanningslijnen als de wetswijziging voor verkabeling van hoogspanningslijnen. Ik streef ernaar om u voor het eind van dit jaar per brief te informeren over de stand van zaken.

284

Kunt u toelichten waarop u de licht dalende tot stabiele olieprijs baseert voor 2014 en in de Miljoenennota waar die zelfs tot 2017 licht dalend tot stabiel wordt geraamd en hoe verhoudt zich dat tot de aanname van stijgende energieprijzen in het SER-akkoord?

De olieprijs en de elektriciteitsprijs kennen geen direct verband.

In de Miljoenennota worden door het CPB de volgende veronderstellingen gehanteerd voor de dollarkoers en de olieprijzen in dollar per vat:

 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Dollarkoers

1,31

1,32

1,25

1,25

1,25

1,25

Olieprijs

105,6

103

99

101

103

103

Dit resulteert in de eerste jaren in een dalende olieprijslijn, met name onder invloed van de lager veronderstelde dollarkoers. In de latere jaren is er bij constante dollarkoers weer een licht stijgende olieprijs in het beeld verondersteld. Deze olieprijsbeweging heeft echter nauwelijks uitwerking meer op de gasprijzen, aangezien de indexering aan de olieprijzen is afgenomen.

Wat betreft de stijgende energieprijzen in het Energieakkoord verwijs ik naar de antwoorden op de vragen 253 en 268.

285

Kunt u toelichten of de afname per jaar van het gewonnen volume aardgas uit kleine velden het gevolg is van de afgenomen winbare hoeveelheid of van een andere ontwikkeling en hoe schat u de ontwikkeling van de gewonnen volumes uit kleine velden in voor de komende jaren?

De winning van gas uit de kleine velden is de laatste jaren conform prognose verlopen. Dat er sprake is van een dalende tendens in het gewonnen volume aardgas uit de kleine velden is het gevolg van de door winning verminderende economisch winbare hoeveelheid gasreserves. Van 32,2 miljard m3 uit de kleine velden gewonnen aardgas in 2010 en 29,2 miljard m3 in 2011 liep de productie in 2012 terug naar 26,1 miljard m3. Voor 2013 en de komende jaren wordt verwacht dat de productie van de nu aangetoonde kleine velden geleidelijk verder zal afnemen. Desalniettemin bevindt zich nog altijd een aanzienlijke hoeveelheid potentieel winbaar aardgas in de ondergrond van het Nederlands territoir en van het Nederlands deel van het continentaal plat. Of dit exploratiepotentieel ook daadwerkelijk aan de Nederlandse gasreserves kan worden toegevoegd en zal worden ontwikkeld en gewonnen is afhankelijk van ontwikkelingen in technologie, infrastructuur, verwachte kosten en opbrengsten. Om die reden activeer en stimuleer ik mijnbouwondernemingen om bestaande gasvelden optimaal te benutten en nieuwe gasvelden op te sporen.

286

Wordt de afschaffing van de Energie-investeringsaftrek (EIA) voor SDE+ projecten met terugwerkende kracht gecompenseerd door een aanpassing van de SDE+ beschikking voor deze projecten?

Nee, projecten met een SDE+ beschikking op basis van de regeling van 2013 of eerder kunnen nog gebruik maken van de EIA. Aanpassing van de SDE+ beschikkingen is dus niet nodig.

287

Wanneer gaat u uiterlijk de aanvullende afspraken met bedrijven die onder het MEE-convenant vallen vastleggen, en hoe wordt de Kamer hierover geïnformeerd?

Zoals afgesproken in het Energieakkoord zullen partijen in het voorjaar van 2014 tot een conclusie komen over het raamwerk van bedrijfsspecifieke één-op-één afspraken. Ik zal uw Kamer dan per brief informeren.

288

Beschouwt u de in hoofdstuk 13 van het Energieakkoord door de partijen zelf benoemde 9 PJ als de minimumopbrengst die de gesprekken en individuele afspraken met de MEE-convenantspartijen gezamenlijk moeten opleveren?

De doorrekening van ECN laat zien dat de realisatie van 9 PJ afhankelijk is van de uitwerking. Ik zal me maximaal inzetten voor een adequate uitwerking en vertrouw ook op de medewerking van de SER-partijen hierbij. Daarnaast geldt de afspraak dat er aanvullende maatregelen zullen worden genomen indien 31-12-2016 (en 31-12-2018) blijkt dat we niet op koers liggen om de doelstelling van 100 PJ aan energiebesparing in het finale energiegebruik van Nederland per 2020 te realiseren.

289

Hoe worden de verschillende projecten die deel uit maken van het InnovatieNetwerk geborgd binnen het TKI?

Het werkplan waarin de projecten van het InnovatieNetwerk zijn opgenomen, worden kortgesloten met de TKI's van de topsectoren Agri&Food en Tuinbouw en Uitgangsmateriaal. Tevens zijn vertegenwoordigers vanuit de topteams Agrifood en Tuinbouw en Uitgangsmaterialen, als bestuurders van InnovatieNetwerk, rechtstreeks betrokken bij de strategie en organisatie van de werkzaamheden van het InnovatieNetwerk.

290

Kunt u specificeren hoe de uitgaven binnen het TKI verdeeld zijn, waaronder voor het InnovatieNetwerk?

Voor activiteiten en projecten van het Innovatienetwerk is in 2014 € 3,4 mln. beschikbaar.

291

Is het aantal inhoudelijk specialisten per Directoraat Generaal (DG) gereduceerd als gevolg van de taakstelling?

Als gevolg van de meerjarige apparaattaakstelling uit hoofde van het regeerakkoord van het voorgaande kabinet vindt successievelijk een reductie plaats van het aantal fte's bij de Directoraten Generaal. Bij het toewijzen van de taakstelling aan de Directoraten Generaal is geen onderscheid gemaakt naar type functie. Bovendien is geen sprake van een geadministreerd onderscheid tussen medewerkers in termen van inhoudelijke specialisatie. Het is daarom niet mogelijk een concreet aantal inhoudelijk specialisten te melden.

De specifieke apparaattaakstelling van het huidige kabinet per onderdeel voor 2016–2018 en verder wordt eerst voorzien bij Voorjaarsnota 2014. Daarna zullen onderdelen voorstellen doen waar en hoe ze die taakstelling per jaar willen laten neerslaan in hun organisatie.

292

Kunt u een nadere uitsplitsing geven van de bezuinigingen als gevolg van de taakstelling op artikel 14 in de jaren 2014, 2015, 2016 en 2017?

In de in de vraag bedoelde tabel op pagina 135 is te zien dat de apparaattaakstelling van het huidige kabinet in 2016 voor het eerst gevolgen heeft en in 2018 een structureel niveau bereikt. Voor de jaren 2014 en 2015 is deze apparaattaakstelling niet relevant. Zoals vermeld in het antwoord op vraag 291, is een nadere uitsplitsing van de bezuinigingen op het apparaat, als gevolg van de taakstelling van het huidige kabinet op artikel 14 en artikel 18, voorzien bij de nadere uitwerking van de apparaattaakstelling bij Voorjaarsnota 2014.

293

Kunt u een nadere uitsplitsing geven van de bezuinigingen als gevolg van de taakstelling op artikel 18 in de jaren 2014, 2015, 2016, 2017?

Zie het antwoord op vraag 292.

294

Is de subsidieregeling voor plaatsing van zonnepanelen en verwijderen van asbestdaken onderdeel van het onderzoek dat in 2014 wordt uitgevoerd?

Zoals onlangs aangeven (Kamervragen (aanhangsel) 2012–2013, 3065) in antwoord op Kamervragen van de leden Verhoeven en Van Veldhoven, zie ik geen meerwaarde in een evaluatie. Direct na presentatie van het Lenteakkoord door betrokken partijen is door de sector kritisch gereageerd op de regeling voor zonnepanelen. Consumenten gingen namelijk de aankoop van zonnepanelen uitstellen tot het moment van openstellen van de regeling, terwijl de markt voor zonnepanelen volgens de sector al goed functioneerde.

De PvdA-fractie heeft tijdens het debat over het deelakkoord op 16 oktober 2012 kritische opmerkingen gemaakt over deze zonnepanelenregeling. En tijdens de plenaire behandeling in de Tweede Kamer van het wetsvoorstel opslag duurzame energie op 28 november 2012 zijn door de VVD-fractie vraagtekens gezet bij de effectiviteit van de regeling en is geopperd de gelden een andere bestemming te geven. In uw Kamer bleek echter geen meerderheid voor alternatieve aanwending van de middelen, waardoor de regeling toch opnieuw is opengesteld. Inmiddels is het plafond van het subsidiebudget bereikt. Gezien de kritische opmerkingen vooraf en omdat het kabinet geen intenties heeft om een vervolg te geven aan deze regeling uit het Lenteakkoord, zie ik geen meerwaarde in een evaluatie.

295

Kan de beleidsdoorlichting over het artikel «Een doelmatige en duurzame energievoorziening» voor de begrotingsbehandeling aan de Kamer worden gestuurd?

De beleidsdoorlichting van artikel 14 is in gang gezet maar is nog niet afgerond en kan dus niet voor de begrotingsbehandeling aan de Kamer worden gestuurd. Gezien de omvang van de doorlichting zal naar verwachting in het voorjaar van 2014 de laatste hand aan deze rapportage worden gelegd. De rapportage zal na afronding aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

296

Is de compensatie Energie-intensieve bedrijven aangemeld bij en/of goedgekeurd door de Europese Commissie?

De regeling compensatie Energie-intensieve bedrijven is aangemeld bij de Europese Commissie. Ik verwacht een reactie voor 15 november 2013.

297

Welke bedrijven komen in aanmerking voor de Compensatie Energie-intensieve bedrijven (ETS) en zijn dit alle ETS bedrijven?

Alleen bedrijven in de door de Commissie opgestelde staatssteun richtsnoeren komen voor compensatie in aanmerking. Het gaat om vijftien bedrijfstakken. Dit betreft met name de basismetaal, chemie en papiersector. Niet alle bedrijven zijn ETS-bedrijven. Sommige bedrijven stoten weinig of geen CO2 uit en zijn vooral elektriciteitgrootgebruikers. Zij vallen daarom niet onder het ETS. Andersom zijn er ook ETS-bedrijven die niet in aanmerking komen voor compensatie omdat zij weinig elektriciteit verbruiken.

298

Welke definitie wordt gehanteerd voor een «energie intensief bedrijf»?

In het kader van de compensatie regeling Energie Intensieve bedrijven hanteren wij de staatssteun richtsnoeren in kader van de regeling ETS. In dat kader zijn energie intensieve bedrijven die ondernemingen die behoren tot de door de Europese Commissie vijftien aangewezen sectoren. Die bedrijfstakken of deeltakken zijn volgens de Europese Commissie blootgesteld aan een significant CO2 weglekrisico.

299

Kunt u een uitsplitsing geven van de verdeling van de Compensatie Energie-intensieve bedrijven per branche?

De regeling treed pas per 1-1-2014 in werking. Ik kan nu nog geen informatie verstrekken over de verdeling van de middelen. Die informatie is eind volgend jaar wel beschikbaar.

300

Kunt u een uitsplitsing geven van de verdeling van de Compensatie Energie-intensieve bedrijven per bedrijf?

De regeling treed pas per 1-1-2014 in werking. Ik kan nu nog geen informatie verstrekken over de verdeling van de middelen over branches en bedrijven. Die informatie is eind volgend jaar wel beschikbaar.

301

Op basis van welke CO2 prijs wordt de Compensatie Energie-intensieve bedrijven bepaald?

De compensatie is gebaseerd op de Europese staatssteun richtsnoeren in kader van de ETS regeling. Die geven aan dat de compensatie wordt gebaseerd op de gemiddelde dagelijkse EUA (EU Emission Allowance, de prijs van een verhandelbaar Europees emissierecht) forward prijs voor levering in december van het jaar waarover subsidie wordt verleend. De compensatie voor 2013 vindt dus plaats op basis van de forward prijs voor december 2012. Die bedroeg circa € 8 per ton CO2.

302

Hoe verhoudt de Compensatie Energie-intensieve bedrijven zich tot de vrijstellingsregelingen binnen de Energiebelasting en de SDE+ voor grootverbruikers en de daarmee samenhangende convenanten?

De compensatie energie-intensieve bedrijven geeft een compensatie voor de CO2 kosten die in het kader van het Europese Emissiehandelssysteem doorberekend worden in de elektriciteitsprijs. Er is geen relatie tussen de compensatieregeling en de SDE+. Bedrijven die volgens de Europese richtsnoeren in aanmerking komen voor compensatie dienen als tegenprestatie hun energie-efficiency te verbeteren. Door deel te nemen aan de bestaande meerjarenafspraak (MJA3) of de meerjarenafspraak ETS ondernemingen (MEE) wordt aan deze voorwaarde voldaan.

303

Wat is het aandeel binnen de prijs/concurrentiepositie van de CO2 prijs voor de verschillende branches die in aanmerking komen voor de Compensatie Energie intensieve bedrijven.

In mijn brief van 2 juli heb ik aangegeven hoe de energieprijs van grootverbruikers in Nederland is opgebouwd. Op grond van deze gegevens kwam ik tot een totale elektriciteitsprijs van € 59/MWh. Het effect van de compensatie voor indirecte effecten van het ETS voor een grootverbruiker is ongeveer € 4/MWh.

Hierbij wordt opgemerkt dat de betreffende getallen momentopnames zijn. De groothandelsprijzen van elektriciteit wisselen dagelijks en ook de nettarieven van grootverbruikers zullen vanaf 2014 verlaagd worden. Ik verwijs u naar mijn brieven van 9 april (Kamerstuk 29 023, nr. 145) en 2 juli (Kamerstuk 32 813, nr. 54 voor een uitgebreide beschrijving van de wijze waarop deze getallen berekend zijn.

304

Is de Compensatie Energie-intensieve bedrijven gebaseerd op de huidige ETS prijs van rond de 5 euro per ton, of stijgt deze mee als de ETS prijs stijgt?

De compensatie is gebaseerd op de CO2 prijs in het voorafgaande jaar. De prijs stijgt en daalt dus mee met de werkelijke op de markt tot stand gekomen CO2 prijs.

305

Wat was de dekking voor het invoeren van de Compensatie Energie-intensieve bedrijven?

Deze maatregel is gedekt binnen het totale maatregelenpakket uit de Miljoenennota.

306

Hoe kan er met terugwerkende kracht een schuif binnen de SDE regeling plaatsvinden naar 2013?

De «kasschuif SDE» betreft met name het aapassen van de raming voor de incidentele subsidie voor het windpark Noordoostpolder. De uitfinanciering van dit project verloopt sneller dan eerder werd geraamd. Om de raming beter in lijn te brengen met de uitfinanciering is de raming in 2015 verlaagd met € 25 mln., ten gunste van 2013 (€ 23 mln.) en 2014 (€ 2 mln.).

307

Kunt u aangeven wat de noodzakelijke tariefsverhogingen zijn voor de genoemde nutsvoorzieningen per eiland, met en zonder de overgangsregeling?

Op Bonaire zijn er twee oorzaken van de tariefsverhoging. Ten eerste moet het eilandelijk water- en energiebedrijf WEB Bonaire op basis van een arbitrage over de inkoopprijzen van elektriciteit met terugwerkende kracht een prijsverhoging doorvoeren en voor het verleden een eenmalige extra betaling doen. Ten tweede gaat WEB Bonaire over op kostendekkende tarieven. De tariefsverhoging zonder overgangsregeling is van 35 dollarcent per kWh tot 45,7 dollarcent per kWh. De overgangsregeling beperkt de verhoging tot 39,7 dollarcent per kWh.

Op Saba en Sint Eustatius is de situatie anders. Het gezamenlijke Energiebedrijf van de bovenwindse eilanden, Saba, Sint Eustatius en het land Sint Maarten, wordt gesplitst in drie bedrijven. Hierbij wordt er op aangekoerst dat de op te richten bedrijven op Saba en Sint Eustatius zonder tariefsverhoging geen structureel verlies lijden. Op deze eilanden is de grootste kostenpost de stookolie voor de productie van elektriciteit. Hierom wordt een eenmalige subsidie voor centrale duurzame productie uit zonne- of windenergie verstrekt. De precieze vorm van subsidie en inrichting van de bedrijven, en daarmee de financiële situatie en tarieven worden op dit moment uitgewerkt met als doel de verzelfstandiging van de bedrijven op 1 januari 2014. De uitgangstarieven bedragen 37 dollarcent per kWh voor beiden eilanden (single tariff structure). Zonder de overgangsregeling zouden deze 55,4 dollarcent per kWh voor Sint Eustatius en 57,9 dollarcent per kWh voor Saba bedragen. Met de overgangsregeling blijven de tarieven op het huidige niveau.

308

In de begrotingsbijlage zijn de uitgaven voor beleidsartikel 14 onderbouwd. Een van de maatregelen betreft de Green Deal. Een bedrag van € 2.825.000 is overgeheveld naar het Provincie- en Gemeentefonds. Om welke green deal gaat het?

Het gaat om uitgaven ter uitvoering van de afgesloten green deals met de gemeente Amsterdam (bijdrage aan het project smart city), Nijmegen (bijdrage aan de aanleg van een warmtetransportnet) enerzijds en met de Metropool Regio Amsterdam (bijdrage inzake een projectplan elektrisch vervoer via de provincie Noord Holland) anderzijds.

309

Kunt u aangeven, op basis van de rapporten van dit voorjaar, hoeveel hoger de statistische kans op zware aardbevingen in 2014 is door de toegenomen winning van aardgas in Groningen gedurende 2013?

Als aangegeven in mijn brieven aan de Tweede Kamer van 11 februari en 28 maart 2013 laat ik nu 11 onderzoeken uitvoeren m.b.t. de aardbevingen in Groningen. In deze onderzoeken wordt o.a. gekeken naar de mogelijke relatie tussen de productiesnelheid en het aantal en maximale sterkte van bevingen. De onderzoeken zullen 1 december gereed zijn en pas op basis van die uitkomsten kan deze vraag beantwoord worden.

310

Wanneer is, volgens de laatste inzichten over de winning, gas niet meer rendabel te winnen uit het Groningenveld?

Bij huidig kostenniveau, gasprijs en afdrachtenregeling kan het Groningenveld tot 2070 à 2080 economisch produceren. De productie zal naar verwachting rond 2020 in decline-fase gaan, waarbij de productie jaarlijks ongeveer een tiende afneemt ten opzichte van het jaar ervoor. De productie bedraagt in 2070 à 2080 minder dan een half miljard kubieke meter per jaar, nog geen honderdste deel van de huidige productie. Omdat op een dergelijke lange termijn kosten, prijzen en de energiehuishouding mogelijk sterk zullen veranderen kan het einde van rendabele winning ook veel eerder of later plaatshebben dan 2070 à 2080.


X Noot
1

Kamerstuk 32 637, nr. 61

X Noot
2

Bijlage bij Kamerstuk 31 311, nr. 82

X Noot
3

Kamerstuk 32 637, nr. 76

X Noot
4

Bijlage bij Kamerstuk 31 311, nr. 82

X Noot
5

Bijlage bij Kamerstuk 32 637, nr. 61

X Noot
6

Kleinbedrijf is tot 50 werkzame personen, middenbedrijf vanaf 50 tot 250 werkzame personen

X Noot
7

Tot 2011 werd de financieringsvraag vanuit MKB en grootbedrijf apart gemonitord. De EIM Financieringsmonitor levert daarmee geen vergelijkbare gegevens op om de kredietafwijzingen tot 5 jaar terug te geven

X Noot
8

Bijlage bij Kamerstuk 31 311, nr. 82


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl