Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2013-2014
Kamerstuk 33750-XIII nr. 2

Gepubliceerd op 17 september 2013



33 750 XIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) voor het jaar 2014

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

   

Blz.

     

A.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

3

     

B.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ DE BEGROTINGSARTIKELEN

4

     

1.

Leeswijzer

4

     

2.

Het Beleid

7

2.1

De Beleidsagenda

7

2.1.1

Belangrijkste mutaties ontwerpbegroting 2014

25

2.2.

De Beleidsartikelen

32

 

11 Goed functionerende economie en markten

32

 

12 Een sterk innovatievermogen

41

 

13 Een excellent ondernemingsklimaat

57

 

14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

70

 

16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

86

 

17 Groen onderwijs van hoge kwaliteit

111

 

18 Natuur en regio

117

2.3.

De niet-beleidsartikelen

132

 

40 Apparaat

132

 

41 Nominaal en onvoorzien

135

     

3.

De agentschappen

136

 

Aansluiting raming begroting agentschappen met financiering door moederdepartement EZ

136

 

Agentschap NL (AgNL)

138

 

Agentschap Telecom (AT)

144

 

Dienst ICT Uitvoering (DICTU)

150

 

Dienst Landelijk Gebied (DLG)

156

 

Dienst Regelingen (DR)

162

 

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)

168

     

4.

Bijlagen

173

4.1

Moties en toezeggingen

173

4.2

ZBO’s en RWT’s

211

4.3

Europese geldstromen

218

4.4

Overzicht evaluatieonderzoek

228

4.5

Verdiepingshoofdstuk

234

4.6

Subsidieoverzicht

251

4.7

Lijst van afkortingen

266

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.

Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaten voor het jaar 2014 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en de lasten, het saldo van de baten en de lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de in de staat opgenomen agentschappen voor het onderhavige jaar vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de agentschappen.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

B. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ DE BEGROTINGSARTIKELEN

1. LEESWIJZER

De leeswijzer gaat in op de volgende onderwerpen:

  • 1. Begrotingsstructuur;

  • 2. Prestatiegegevens;

  • 3. Groeiparagraaf;

  • 4. Verwerking motie Schouw en motie Hachchi c.s.

1. Begrotingsstructuur

Verantwoord Begroten

Op 20 april 2011 is de aanpassing van de presentatie van de Rijksbegroting onder de naam «Verantwoord Begroten» in de Tweede Kamer behandeld (TK, 31 865, nr. 26). Deze presentatie geeft meer inzicht in de financiële informatie, de rol en verantwoordelijkheid van de minister en laat een duidelijke splitsing tussen apparaat en programma zien. In deze begroting zijn alle begrotingsartikelen ingevuld volgens de nieuwe voorschriften, inclusief de aanpassing van de tabel Budgettaire gevolgen van beleid.

Beleidsagenda

In de beleidsagenda zijn de volgende vier actielijnen uitgewerkt:

  • Inzetten op de top en ruimte bieden aan ondernemerschap en innovatie;

  • Bevorderen van duurzame welvaart, met oog voor mens en natuur;

  • Werken aan duurzame productie en ketens in land- en tuinbouw en visserij;

  • Werken aan een toekomstbestendige energievoorziening.

Voorts bevat de beleidsagenda een overzichtstabel die inzicht geeft in de Rijksmiddelen die worden ingezet voor het Bedrijfslevenbeleid en de Topsectoren en is een overzicht opgenomen met de meerjarige programmering van beleidsdoorlichtingen. Tenslotte zijn in de beleidsagenda de belangrijkste begrotingswijzigingen vermeld na de Voorjaarsnota 2013.

Beleidsartikelen

Aansluitend op de beleidsagenda volgt de toelichting op de beleidsartikelen. Per beleidsartikel is een algemene doelstelling en een beschrijving van de rol en verantwoordelijkheid van de bewindspersonen opgenomen. De financiële instrumenten zijn voorzien van een korte toelichting.

Met Verantwoord Begroten wordt niet langer gewerkt met operationele doelstellingen. Daar waar dit toegevoegde waarde heeft voor de presentatie van het voorgenomen beleid en de hiervoor geoormerkte middelen, zijn de financiële instrumenten geclusterd naar artikelonderdelen. Dit is van toepassing voor de beleidsartikelen 16 (Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens) en 18 (Natuur en regio). Bij de andere beleidsartikelen (11 tot en met 14 en 17) is de reguliere opzet van Verantwoord Begroten (zonder operationele doelen/artikelonderdelen) gevolgd.

In de budgettaire tabellen van de beleidsartikelen zijn de financiële instrumenten onderverdeeld naar onder andere de volgende categorieën: subsidies, opdrachten, garanties, leningen, bekostiging, bijdrage aan agentschappen, bijdrage aan ZBO’s/RWT’s, bijdrage aan (inter)nationale organisaties. Deze onderverdeling komt ook terug in de structuur van het beleidsartikel.

Overzichtsconstructie

In de beleidsagenda is de overzichtstabel Bedrijfslevenbeleid en Topsectoren opgenomen.

Overzichtstabel agentschappen

Net als in de begroting van vorig jaar is in hoofdstuk 3 (De agentschappen) een overzichtstabel agentschappen opgenomen. In deze tabel is de aansluiting te maken tussen de «opbrengst moederdepartement» zoals opgenomen in de agentschapsparagrafen en de «bijdrage aan agentschappen» zoals opgenomen in de begrotingsartikelen. Eventuele resterende verschillen zijn toegelicht.

2. Prestatiegegevens

In de beleidsartikelen wordt onder de algemene doelstelling aangegeven waar de Minister en Staatssecretaris van EZ voor verantwoordelijk zijn. Indien voor deze doelstellingen een directe relatie gelegd kan worden tussen het gevoerde beleid en de gewenste (maatschappelijke) uitkomst, zijn prestatie-indicatoren opgenomen. Bij de doelstellingen waarbij EZ een belangrijke bijdrage kan leveren door de juiste randvoorwaarden te creëren en het resultaat afhankelijk is van externe factoren, is het niet of beperkt mogelijk om prestatie-indicatoren op te nemen en wordt volstaan met kengetallen over ontwikkelingen op het betreffende beleidsterrein. Daarnaast zijn, waar mogelijk, prestatie-indicatoren en kengetallen opgenomen op instrumentniveau, die inzicht geven in het bereiken van specifieke resultaten.

3. Groeiparagraaf

De belangrijkste verbeteringen in de begroting ten opzichte van het vorige jaar zijn:

  • Een betere aansluiting tussen de subsidiebijlage en de subsidies zoals opgenomen in de budgettaire tabellen van de beleidsartikelen zoals aangekondigd in de brief van de Staatssecretaris aan de Tweede Kamer van 22 maart 2013 (TK, 33 400 XIII, nr. 139).

  • De beschrijving van de rol en verantwoordelijkheid van de minister is per beleidsartikel op een consistente wijze opgezet. Voor de rolbeschrijving is gebruik gemaakt van de vier verschillende roltypologieën: stimuleren, regisseren, financieren en (doen) uitvoeren.

4. Verwerking motie Schouw en motie Hachchi c.s.

Motie Schouw

In juni 2011 is de motie Schouw c.s. ingediend en aangenomen (TK, 2010–2011, 21 501-20, nr. 537). Deze motie zorgt er voor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma’s een eigenstandige plaats te geven in de departementale begrotingen. Voor de beleidsterreinen van EZ zijn geen specifieke aanbevelingen gedaan.

Motie Hachchi c.s.

Ter uitvoering van de motie Hachchi c.s. (TK, 33 000 IV, nr. 28) brengen departementen in kaart welke uitgaven zij doen in Caribisch Nederland, uitgesplitst per instrument. Hiervoor geldt een ondergrens van € 1 mln. De totale uitgaven van EZ voor Caribisch Nederland in 2014 bedragen € 8,8 mln. Deze uitgaven zijn verdeeld over de beleidsartikelen 11, 13, 14, 18. De uitgaven voor de beleidsartikelen 11 en 13 zijn lager dan de ondergrens van € 1 mln en worden derhalve niet opgenomen in de budgettaire tabellen. De uitgaven op beleidsartikel 14 voor energiekosten Caribisch Nederland en beleidsartikel 18 voor Natuurprojecten Caribisch Nederland zijn apart opgenomen in de budgettaire tabellen.

2. HET BELEID

2.1 DE BELEIDSAGENDA

1. Inleiding

De Nederlandse economie verkeert in zwaar weer. Sinds het begin van de financiële crisis in 2008 bevindt onze economie zich voor de derde keer in een recessie. In de eerste helft van dit jaar ging een recordaantal van 4.983 aan bedrijven en instellingen failliet. De werkloosheid is ook sterk gestegen; in de eerste zeven maanden van dit jaar liep deze (volgens de internationale definitie) op met 106 duizend naar 626 duizend personen in juli; dit is 7% van de beroepsbevolking. Naar verwachting van het Centraal Planbureau (CPB) zal de economie in 2013, net als in 2012, economische krimp vertonen.

De ongunstige ontwikkeling van de Nederlandse economie heeft zowel buitenlandse als binnenlandse oorzaken. De groei van de wereldeconomie en daarmee de wereldhandel is beperkt. Dit raakt de Nederlandse economie fors, doordat het een open economie is die sterk afhankelijk is van de export. Tegelijkertijd hebben bedrijven en burgers te maken met ongunstige financiële balansen, waardoor er beperkt ruimte is voor bestedingen. Consumenten hebben te maken met lagere beschikbare inkomens en dalende huizenprijzen. Bedrijven zien de vraag terugvallen, waardoor de noodzaak tot investeringen beperkt is. De particuliere consumptie en bedrijfsinvesteringen dragen dan ook niet of nauwelijks bij aan de economische groei.

Wel is er zicht op economisch herstel. Ook al is het broos, er zijn voorzichtig positieve signalen voor de nabije toekomst. De export is en blijft de bron van economische groei in Nederland. Het eurogebied heeft in het tweede kwartaal al groei laten zien. Bovendien zijn Europese producenten en consumenten de afgelopen maanden optimistischer geworden en ook in Nederland ligt het consumentenvertrouwen hoger dan een half jaar geleden. De Nederlandse economie moet hier via een aantrekkende groei van de export van kunnen profiteren. In 2014 zal de Nederlandse economie volgens de ramingen van het CPB weer groeien.

Aanpak kabinet

De huidige economische ontwikkelingen zijn ontstaan door een financiële crisis die is uitgemond in een schuldencrisis bij overheid, bedrijven en burgers. Het kabinet stelt daarom financieel orde op zaken. De tijd van een crisis opvangen door meer geld uit te geven is voorbij. Gezonde overheidsfinanciën zijn een essentiële voorwaarde voor een gezonde economische ontwikkeling. Ook burgers, banken en in mindere mate bedrijven zijn hun financiële balansen aan het herstellen. Het herstructureren van financiële balansen is geen makkelijk proces, maar wel een noodzakelijke stap voor robuust economisch herstel.

Het is onvermijdelijk dat hiermee bestedingsuitval optreedt, maar het kabinet spant zich in om dit aanpassingsproces zo goed mogelijk te accommoderen voor ondernemers en burgers. In de eerste plaats treffen we maatregelen om de hoge hypotheekschulden op een verantwoorde wijze af te bouwen en nemen we tijdelijke maatregelen voor huishoudens met een restschuld. Daarnaast borgen we de toegang tot krediet voor ondernemers met een Garantie Ondernemingsfinanciering, een borgstellingsregeling voor MKB-kredieten (BMKB), Qredits en geven we met de tijdelijke willekeurige afschrijving een liquiditeitsimpuls aan bedrijven. Hiermee wordt voorkomen dat het noodzakelijke balansherstel van de financiële sector de investeringsruimte voor bedrijven beperkt. Bovendien ondernemen we actie om institutionele beleggers meer te betrekken bij investeringen in de Nederlandse economie. Tegenover hoge private schulden staan immers ook veel financiële bezittingen, voornamelijk in de vorm van pensioenvermogen. Met gerichte stimuleringen zoals de tijdelijke BTW-verlaging op verbouw- en renovatiewerkzaamheden in de bestaande bouw wordt bovendien de bedrijvigheid en de werkgelegenheid in de bouwsector ondersteund.

Het kabinet werkt verder aan structurele versterking van de Nederlandse economie. Samen met het bedrijfsleven, het onderwijsveld en de vakbeweging zetten we ons voor een goed opgeleide beroepsbevolking en een goede aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Om ervoor te zorgen dat talenten optimaal benut worden, verbeteren we de werking van de arbeidsmarkt door hervormingen van de WW, het ontslagrecht en het verhogen van de AOW-leeftijd. Met een op lange termijn krimpende beroepsbevolking zullen we bovendien meer nadruk moeten leggen op andere bronnen van groei: innovatie en arbeidsproductiviteit. Dat vraagt om het wegnemen van belemmeringen om te ondernemen en te investeren en het aanjagen van innovatie. Dit zorgt voor een uitstekend vestigingsklimaat. Instituties op de arbeidsmarkt, zorg en woningmarkt worden hervormd om de wendbaarheid van de economie te vergroten. Al met al is er sprake van een brede economische agenda om de Nederlandse economie sterk te houden, ook in de toekomst.

Het Ministerie van Economische Zaken

Het Ministerie van Economische Zaken (EZ) staat voor een ondernemend Nederland waar oog is voor duurzaamheid en waar een uitstekend ondernemersklimaat heerst. Dit wordt bereikt door de juiste randvoorwaarden te creëren, ondernemers de ruimte te geven en aandacht te hebben voor onze natuur en leefomgeving. Samenwerking tussen onderzoekers en ondernemers wordt gestimuleerd, waarmee verder wordt gebouwd aan onze topposities in landbouw, industrie, diensten en energie. Dit zorgt voor een krachtig en duurzaam Nederland.

Het beleid van Economische Zaken is te onderscheiden in vier actielijnen, waarlangs ook in 2014 wordt gewerkt:

  • 1. Inzetten op de top en ruimte bieden aan ondernemerschap en innovatie;

  • 2. Bevorderen van duurzame welvaart, met oog voor mens en natuur;

  • 3. Werken aan duurzame productie en ketens in land- en tuinbouw en visserij;

  • 4. Werken aan een toekomstbestendige energievoorziening.

1. Inzetten op de top en ruimte bieden aan ondernemerschap en innovatie

De Nederlandse economie heeft alle mogelijkheden om sterk uit de crisis te komen. De uitgangspositie van de Nederlandse economie is namelijk sterk. We behoren tot de top van de kenniseconomieën in de wereld, zijn het vijfde exportland, de tweede agro-exporteur en beschikken over unieke internationaal concurrerende sectoren. De geografische ligging is gunstig met een goede (ICT)-infrastructuur en erkende internationale knooppunten (Schiphol, Rotterdamse haven en Brainport Zuid-Oost Nederland).

Het inspelen op uitdagingen met nieuwe vindingen, producten, diensten en concepten vraagt om ondernemers met pioniersgeest die niet bang zijn om hun nek uit te steken en om talent dat de vernieuwing tot stand brengt. Dit betreft zowel wetenschappers die excellente kennis ontwikkelen als talent in bedrijven dat de nieuwe producten en diensten realiseert. Hierdoor wordt gezorgd voor nieuwe technologieën, producten, banen en onze welvaart. Nederland moet daarom nog meer dé plek worden in Europa om te ondernemen, onderzoeken, investeren en innoveren.

Om dit te bereiken, volgen we twee sporen:

  • Topsectorenbeleid: gericht op samenwerking tussen ondernemers, onderzoekers en overheid in de sectoren waarin Nederland tot de top van de wereld behoort.

  • Bedrijfslevenbeleid: zorg dragen voor een sterk ondernemersklimaat, waarin onder andere het MKB ruimte heeft om te ondernemen en toegang heeft tot financiering.

a) Topsectorenbeleid

Maatschappelijke opgaven zoals vergrijzing, grondstoffenschaarste en klimaatverandering zijn een belangrijke bron voor het toekomstig verdienvermogen van de Nederlandse economie. Immers, deze opgaven leiden tot vraag naar onder meer schone energie en drinkwater, duurzaam geproduceerd voedsel, betaalbare gezondheidszorg en veilige delta's. Het Nederlandse bedrijfsleven behoort in verschillende sectoren die voor deze oplossingen kunnen zorgen, tot de wereldtop. Denk aan de inzet van Nederlandse bedrijven in New Orleans voor de bescherming tegen water, het gebruik van hoogwaardige uitgangsmaterialen in ontwikkelingslanden en aan de Nederlandse machines die wereldwijd in de halfgeleiderindustrie worden ingezet. Mondiale uitdagingen vragen dan ook vaak om Nederlandse oplossingen.

Om deze kansen te kunnen verzilveren, is in de afgelopen jaren het topsectorenbeleid opgezet. Topsectoren zijn de negen sectoren waarin Nederland uitblinkt in de wereld: chemie, energie, water, life sciences and health, agri&food, tuinbouw en uitgangsmaterialen, creatieve industrie, high tech systemen en logistiek. Door slimme samenwerking tussen onderzoekers en ondernemers kan Nederland op wereldschaal het verschil maken. Het is immers niet de technologie van vandaag, maar de technologie van morgen en overmorgen die bepalend is voor de vraag of Nederland leidend kan zijn en blijven in de wereld. Via gerichte inzet op de hele keten van onderzoek tot valorisatie en innovatie, menselijk kapitaal, internationalisering en vermindering van regeldruk versterken wij de concurrentiekracht van de topsectoren en daarmee van de economie als geheel. Om deze redenen is met het topsectorenbeleid ingezet op structurele verankering van de samenwerking in de kennisinfrastructuur. Bedrijven, overheden en kennisinstellingen in alle negen topsectoren stellen innovatiecontracten op. Deze innovatiecontracten beslaan de hele keten van fundamenteel onderzoek, toegepast onderzoek en valorisatie en hebben als doel om investeringen in onderzoek en ontwikkeling te stimuleren.

Mede om de ambitie in de innovatiecontracten te realiseren, zijn in 2012 binnen de topsectoren Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s) van start gegaan. Dit zijn structurele verbanden waarin partijen uit het bedrijfsleven, de wetenschap en de (semi-)publieke sector samenwerken om richting te geven aan onderzoek, innovatie en valorisatie (kennis, kunde, kassa). In de TKI’s komen alle samenwerkingsinitiatieven samen waaraan door bedrijven en kennisinstellingen gezamenlijk bijdragen worden geleverd. We hebben als ambitie neergelegd dat in TKI-verband in 2015 jaarlijks minimaal € 500 mln omgaat, waarvan 40% bestaat uit private bijdragen. Met de TKI-toeslag wordt deze privaatpublieke samenwerking verder gestimuleerd. In 2014 is hiervoor circa € 100 mln beschikbaar. In de verdere vormgeving van de privaatpublieke programmering door de TKI’s wordt een samenhang met de Europese programma’s binnen Horizon 2020 gestimuleerd. Ook wordt de subsidierelatie met de regionale ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) bestendigd en de oprichting van nieuwe ROM’s in de Noord- en Zuidvleugel ondersteund.

Het beleid staat nu ruim twee jaar en begint vruchten af te werpen. Dat betekent niet dat het werk klaar is. We nemen voor 2014 een aantal vervolgstappen:

  • De samenwerkingsverbanden in de topsectoren («ecosystemen») worden sterker verbonden aan de maatschappelijke opgaven die ook in het nieuwe Europese onderzoeks- en innovatieprogramma Horizon 2020 een grote rol spelen.

  • Ter bevordering van ambitieus ondernemerschap worden extra financieringsmogelijkheden ontwikkeld voor ondernemers in de «vroege fase»: ambitieuze startende ondernemers en bestaande MKB bedrijven die in de eerste fase zitten van het lanceren van nieuwe producten. Ook worden de mogelijkheden verruimd om innovatieve ondernemers aan Nederland te binden, onder andere met speciale visa voor internationale startups.

  • We gaan verder met het stroomlijnen en vereenvoudigen van het kennisland, onder andere door inbedding van waardevolle activiteiten van de Technologische Topinstituten in de bestaande kennisinfrastructuur en vereenvoudiging van de TKI-toeslagregeling.

  • Nederland profileert zich internationaal als een land dat innovatieve oplossingen biedt voor versterking van concurrentievermogen en internationale maatschappelijke opgaven. Belangrijk is om de boodschap «Global Challenges, Dutch Solutions» vanuit zowel het rijk, de regionale overheden als de topsectoren eensluidend uit te dragen en inhoud te geven door middel van de strategische reisagenda en de internationaliseringsoffensieven van de topsectoren.

b) Bedrijfslevenbeleid: een sterk ondernemersklimaat

We zorgen er met het bedrijfslevenbeleid voor dat ondernemers de ruimte krijgen om te innoveren, te investeren en te exporteren. Dit is gericht op randvoorwaarden voor alle ondernemers in Nederland (starters, snelle groeiers, MKB, grote bedrijven).

Bedrijfsfinanciering

In deze financiële crisis vraagt kredietverlening aan ondernemers om bijzondere aandacht. Ondernemers hebben financiering nodig om hun groeiplannen te realiseren, maar sommigen kunnen dat in de huidige tijd moeilijker krijgen. EZ helpt ondernemers via verschillende instrumenten aan betere toegang tot kapitaal, waaronder de algemene garantieregelingen als de Borgstellingsregeling voor het MKB (BMKB), de garantieregelingen Garantie Ondernemingsfinanciering (GO) en de Groeifinancieringsfaciliteit en door Qredits Microfinanciering Nederland.

Daarbij is in het bijzonder aandacht voor de toegankelijkheid voor het MKB. Om ervoor te zorgen dat in de kern gezonde bedrijven in deze moeilijke tijden kunnen blijven investeren nemen we verschillende aanvullende maatregelen om de kredietverlening aan bedrijven te ondersteunen. Zo wordt onder andere de BMKB tot uiterlijk 31 december 2014 verruimd door het borgstellingspercentage te verhogen van 45% naar 67,5% met een maximum borgstelling van € 200.000 en door het maximumbedrag waarvoor de overheid borg staat te verhogen van € 1 mln naar € 1,5 mln. In aanvulling op de pilot van de openstelling BMKB voor niet-bancaire financiers wordt de GO nu ook in eerste instantie als pilot tot 31 december 2014 opengesteld voor niet-banken. Daarnaast wordt de maximumgarantie van de GO op individuele leningen deze periode verhoogd van € 25 mln naar € 75 mln, wat correspondeert met leningen tot € 150 mln. Voor microkrediet komt € 30 mln beschikbaar via Qredits. Het kredietplafond voor stichting Qredits wordt zo verhoogd tot € 100.000 á € 150.000, waarmee zo’n 3.000 kleine bedrijven financiering krijgen die zij anders niet zouden verwerven.

Om het aanbod van financiering voor met name het MKB te verbreden en minder afhankelijk te maken van bankkrediet, zullen we alternatieve financieringsvormen zoals crowdfunding ondersteunen via promotie, wegnemen van belemmeringen in de regelgeving, de inzet van kennis en bestaande instrumenten. Er komt in 2013 € 5 mln beschikbaar voor financiële en organisatorische ondersteuning van nieuwe financieringsvormen zoals crowdfunding en kredietunies en voor voorlichting en kennisvergroting bij het MKB over (alternatieve) financiering. Bovendien komt er een nieuwe faciliteit voor informele investeerders en voor startende innovatieve bedrijven en bestaande innovatieve Midden- en Klein Bedrijven (vroege fase financiering). We maken in 2013 € 75 mln vrij voor deze twee zaken. Hierbij wordt maximale aansluiting gezocht bij het MKB-investeringsfonds verzekeraars (bijvoorbeeld door een financiële bijdrage van het Rijk van € 20 mln).

Samen met marktpartijen wordt een Nederlandse Investeringsinstelling (NII) opgericht. Een intermediair die een makelaarsfunctie tussen vraag en aanbod van (lange termijn) financiering voor institutionele beleggers gaat vervullen. Dit versterkt het financieringsvermogen en daarmee de structuur van de Nederlandse economie. In dit kader beziet het kabinet tevens de mogelijkheden om een Nationale Hypotheekinstelling op te richten, die eventueel in een NII geplaatst zou kunnen worden. Voor de ondersteuning bij de oprichting wordt € 10 mln gereserveerd.

Ook is het in dit verband van belang dat institutionele beleggers een grotere rol gaan spelen in de financiering van het Nederlandse bedrijfsleven en in het bijzonder het MKB. In het verlengde hiervan zal het kabinet ook onderzoeken of en zo ja, onder welke voorwaarden het verlenen van een funding-garantie onder de GO (in plaats van een garantie op leningbasis) aan niet-bancaire partijen zoals institutionele beleggers wenselijk is. In alle gevallen zal gelden dat dergelijke funding-garantie kostendekkend zal dienen te zijn en inpasbaar binnen de beschikbare garantieruimte van de regeling.

Aansluiting onderwijs – arbeidsmarkt: het Techniekpact

Een belangrijke mijlpaal van het afgelopen jaar was de ondertekening van het Nationaal Techniekpact 2020. Hiermee wordt gewerkt aan een verbeterde aansluiting tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt voor technisch personeel. Daarbij gaat het zowel om de kwantiteit (meer bèta/technisch personeel) als de kwaliteit (leerlingen en werkenden opleiden in die competenties waar de arbeidsmarkt om vraagt). In de kern is het Nationaal Techniekpact 2020 de beweging van werkgevers, werknemers, onderwijs, de jongeren zelf, de regio en het Rijk. Wat uniek is, is dat het Techniekpact in een brede coalitie van meer dan 60 partijen, uit alle sectoren van de economie, alle regio’s van Nederland en alle geledingen van het onderwijs tot stand is gekomen.

In het kader van het Techniekpact wordt in 2014 door Rijk en regio een investeringsfonds voor het mbo gestart met een omvang van € 200 mln. Hiermee wordt € 100 mln aan private investeringen in publiek-private samenwerking uitgelokt. Wetenschap en Technologie wordt vanaf 2014 geïntegreerd in het curriculum op de pabo’s. Dat betekent dat toekomstige leraren met kennis over techniek voor de klas zullen staan en leerlingen beter kunnen inspireren voor techniek te kiezen. Verder stelt het kabinet in 2014 € 300 mln beschikbaar voor (regionale) sectorplannen gericht op arbeidsinstroom en begeleiding van (jonge) werknemers, versnelde herinstroom van recent werkloos geworden technici, op- en bijscholing, doorstroming en begeleiding van nieuwe werknemers door ervaren werknemers. Ook worden in 2014 de eerste 350 van in totaal 1.000 topsectorbeurzen uitgereikt. Dat met het Techniekpact resultaten worden bereikt is voor alle partijen van groot belang. We zullen daarom jaarlijks rapporteren over de voortgang. De eerste voortgangsrapportage wordt in februari 2014 aan de Tweede Kamer gestuurd.

Bevorderen van innovatie

Innovatie is onontbeerlijk voor productiviteitsgroei, vandaar dat EZ inzet op het bevorderen van innovatie. Ondernemers krijgen via de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO)1 een belastingvoordeel voor de loonkosten van R&D-personeel. De Research & Development Aftrek (RDA) is een extra belastingaftrek in de inkomsten- of vennootschapsbelasting voor de overige R&D-kosten en uitgaven. Waar de WBSO is gekoppeld aan de loonkosten voor S&O-activiteiten, ondersteunt de RDA investeringen in het niet-loon component van onderzoek en innovatie, zoals de aanschaf van laboratoriumapparatuur. Het doel is om innovatie te stimuleren, waarbij ondernemers in de WBSO over de eerste € 200.000 aan R&D-loonkosten profiteren van een verhoogd percentagevoordeel. Bedrijven die winst maken uit octrooien, of activiteiten die onder de WBSO en RDA regeling vallen kunnen gebruik maken van een lager tarief binnen de vennootschapsbelasting: de innovatiebox. Dit is een optionele regeling, die de mogelijkheid biedt om zelf ontwikkelde immateriële activa toe te delen aan een fiscale box waarin, onder voorwaarden, de netto voordelen zijn belast met een effectief tarief van 5%.

Bovendien geven we een aanvullende investeringsimpuls met de regeling voor tijdelijke willekeurige afschrijving. Ondernemers kunnen vanaf 1 juli 2013 tot het einde van dit jaar de helft van nieuwe bedrijfsinvesteringen afschrijven en van de belasting aftrekken. Dit maakt het aantrekkelijk om nu te investeren en geeft het bedrijfsleven een liquiditeitsimpuls van opgeteld € 400 mln in 2013/2014.

Via het revolverende Innovatiefonds MKB+ voor innovatiefinanciering is voor een periode van 4 jaar (2012 tot en met 2015) € 500 mln beschikbaar voor risicokapitaal en leningen. Met het Europees Investeringsfonds/EIF, dochterinstelling van de Europese Investeringsbank/EIB, is in 2013 de derde pijler van het Innovatiefonds MKB+, het Fund-of-funds, opgezet. In samenwerking met het EIF zullen via dit Fund-of-funds van € 150 mln ook in 2014 fondsvoorstellen worden beoordeeld en zal risicokapitaal beschikbaar komen voor snel groeiende innovatieve bedrijven. We nemen aanvullende maatregelen om innovatie te stimuleren. Zo wordt het Innovatiekrediet tot uiterlijk 31-12-2014 verruimd door het kredietpercentage voor kleine bedrijven te verhogen van 35% naar 50%. Het Innovatiekrediet stimuleert ontwikkelingsprojecten waaraan financiële risico's zijn verbonden. Bij de regionale ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) zal worden bezien hoe het beschikbare kapitaal zo kan worden ingezet over de regio’s dat behoefte en beschikbaarheid beter op elkaar aansluiten.

Meedoen met Europese programma’s biedt belangrijke kansen voor het Nederlandse kennisinstellingen en bedrijven. Het kabinet zorgt voor cofinanciering van Europese publieke en publiekprivate programma's voor R&D die in 2014 starten (onder andere Eurostars voor high tech MKB en programma’s voor nano-elektronica en embedded computing systems). Het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) draagt bij aan innovatie, werkgelegenheid en duurzame economische groei in specifieke regio’s. Op 1 januari 2014 komen de operationele programma’s (OP’s) voor de nieuwe EFRO-periode 2014–2020 in uitvoering. Het Rijk stelt middelen beschikbaar voor de nationale cofinanciering.

Ruimtevaart krijgt bijzondere aandacht binnen het beleid gericht op innovatie. Ter voorbereiding op de komende ESA-ministersconferenties (2014 en 2016) zal in het voorjaar van 2014 een nieuwe beleidsvisie ruimtevaart 2015–2020 aan de Tweede Kamer worden voorgelegd. In deze visie zullen de doelen en instrumenten van het ruimtevaartbeleid nader gedefinieerd worden. Deze beleidsvisie zal de basis vormen voor de latere vaststelling van de Nederlandse inzet bij de komende ESA-ministersconferenties. Het kabinet heeft € 86 mln extra beschikbaar gesteld voor de conferentie in 2014 voor de jaren 2015–2017.

Minder regels voor en betere dienstverlening aan ondernemers

Om ondernemers de ruimte te geven, zet het kabinet zich er voor in om de regeldruk fors te verlagen. Doelstelling is om deze kabinetsperiode de regeldruk met € 2,5 mld te verlagen. Vanaf 2011 is de regeldruk al verlaagd met ruim € 1,2 mld. Het (digitale) ondernemingsdossier heeft aanvraagprocedures voor ondernemers een stuk eenvoudiger gemaakt. De Omgevingswet moet in de toekomst drempels voor ondernemen verminderen. Met vermindering van de regeldruk (ondermeer via de Crisis- en Herstelwet, vereenvoudiging Omgevingswet) en betere dienstverlening (ondernemingsdossier, digitale overheid) aan ondernemers neemt het kabinet belemmeringen weg om door te groeien en verlaagt het de drempels voor nieuwe spelers om de markt te betreden.

Ook ICT biedt belangrijke mogelijkheden voor meer soepele en snelle processen. We jagen innovatie en vernieuwing van ICT aan door 10 ICT-doorbraakprojecten in verschillende sectoren. In 2014 treedt de nieuwe Wet op de Kamers van Koophandel in werking. Deze legt de basis voor de Ondernemerspleinen, waardoor de dienstverlening aan ondernemers wordt verbeterd.

Door de achterblijvende consumentenbestedingen heeft de detailhandel, met name de non-food, het bovengemiddeld zwaar. De sector heeft te maken met structurele veranderingen, zoals de opkomst van e-commerce. We zorgen daarom voor betere toegang tot financiering, voorlichting aan het MKB en de vermindering van regeldruk. De detailhandel maakt hier veel gebruik van. Daarnaast wordt in overleg met de sector gewerkt aan het wegnemen van specifieke belemmeringen, zoals de hinder die de sector ondervindt bij internationale uitbreidingen. Tijdens de rondetafelbijeenkomst in juli 2013 is besloten tot het oprichten van de «Taskforce Leegstand» waarin alle partijen (regionale overheden, Rijk en marktpartijen) deelnemen. De oprichting van de Taskforce is één van de 11 afspraken, die de sector en de overheid in 2013 en daarna ten uitvoer zullen brengen.

Aantrekken van buitenlandse bedrijven

We stimuleren buitenlandse bedrijven om zich in Nederland te vestigen. De Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) helpt en adviseert bedrijven uit het buitenland bij het opzetten, uitrollen, uitbreiden en behouden van hun activiteiten in Nederland. Hierbij wordt vooral ingezet op hoogwaardige, strategische investeringen zoals hoofdkantoren en R&D-centra. De doelstelling is dat 55% van de bedrijven een hoogwaardig karakter heeft. Hier wordt aan gewerkt samen met bedrijven en kennisinstellingen uit de topsectoren alsmede de regionale acquisitiepartners.

Consumentenbescherming en digitale economie

In een moderne economie speelt ook een adequate bescherming van consumenten een belangrijke rol. EZ zal eind 2013 een middellangetermijnvisie op de ontwikkeling van telecommunicatie en het Internet uitbrengen met als doel beleid en regelgeving te laten meegroeien met de ontwikkelingen in de markt en de behoeften in de samenleving. Op basis van deze visie zal in 2014 worden gekeken naar de convergentie van telecom met de mediasector en andere sectoren (Groenboek convergentie audiovisuele diensten van de Europese Commissie). Ook zal de volgende frequentie-uitgifte worden voorbereid om investeringen in de mobiele infrastructuur te stimuleren. De plannen van de Europese Commissie ter versterking van een Interne Telecommarkt worden behandeld.

Tenslotte wordt gewerkt aan een betere bescherming van de consument in de telecom- en internetmarkt (onder andere tegen onnodige pop-ups). In dat kader wordt de cookiewet zodanig aangepast dat geen toestemming meer hoeft te worden gevraagd voor cookies die niet privacygevoelig zijn. Hierbij wordt uiteraard de verhoogde bescherming van eindgebruikers tegen het volgen van hun surfgedrag behouden. De gewijzigde cookiewet zal na behandeling door de Tweede en Eerste Kamer naar verwachting medio 2014 in werking treden. Daarnaast werken we in 2014 aan de verdere implementatie van de Nationale Cyber Security Strategie 2.0. We continueren in 2014 het Platform Internetveiligheid en het programma Digiveilig. De doelen blijven het vergroten van bewustwording rondom digitale veiligheid en het verbeteren van de maatschappelijke weerbaarheid van burgers, MKB en ZZP-ers. Binnen het programma Digiveilig worden de activiteiten op het gebied van privacy geïntensiveerd.

Door bestendig en voorspelbaar frequentiebeleid willen we bijdragen aan effectieve concurrentie op de markt voor mobiele communicatie, ook op de langere termijn. Het hogere doel is een mobiele communicatiemarkt waar sprake is van blijvend betaalbare toegang tot hoogwaardige mobiele dienstverlening voor alle gebruikers in Nederland. In het frequentiebeleid blijft het accent liggen op het stimuleren van economische activiteiten in de telecommunicatie. In 2014 komt dit tot onder meer tot uitdrukking in de beleidsvoorbereiding voor de verdeling van de 2 GHz-frequenties waarvan de huidige vergunningen van de mobiele operators op 31 december 2016 aflopen. Het uitgiftebeleid wordt medio 2014 geformuleerd en wordt voorafgegaan door een evaluatie van de Multibandveiling (van 2012) waardoor leerpunten uit deze veiling kunnen worden meegenomen. Daarnaast wordt 2014 een belangrijk jaar voor de uitrol van digitale radio. We zullen de partijen ondersteunen bij de promotie daarvan.

De overheid waarborgt voor consumenten en kleine ondernemers een betaalbare en toegankelijke basisvoorziening voor de post. Deze universele postdienst (UPD) kan alleen in stand blijven als deze op een economisch verantwoorde wijze kan worden aangeboden. Om dit te borgen, wordt begin 2014 een wetsvoorstel voor modernisering van de UPD ingediend.

2. Bevorderen van duurzame welvaart, met oog voor mens en natuur2

Om de welvaart ook voor toekomstige generaties te behouden, is het toenemende noodzaak om economische groei op een duurzame manier vorm te geven. Deze transitie vergt een forse inspanning, maar creëert ook kansen op terreinen als drinkwater, schone lucht, schaarse grondstoffen en voedsel. In 2014 werkt EZ – samen met onder andere I&M, W&R en BH&OS – de kabinetstrategie groene groei (waaronder biobased economy) verder uit door slimme inzet van marktprikkels, een stimulerend wettelijk en regelgevend kader, innovatie en door op te treden als faciliterende en stimulerende netwerkpartner. We willen hiermee het concurrentievermogen van Nederland versterken en tegelijkertijd de belasting van het milieu en de afhankelijkheid van fossiele energie terugdringen in internationaal verband. Daarnaast vergen welvaart en welzijn in Nederland ook meer dan een uitmuntend ondernemingsklimaat. Een aantrekkelijke leefomgeving, voldoende bescherming voor consumenten, een duurzame economische ontwikkeling en een brede verantwoordelijkheid voor de wereld om ons heen zijn alle van belang.

Natuur draagt bij aan een welvarende samenleving en aan duurzame economische groei. Daarbij gaat het om een goede balans tussen adequate bescherming van de natuur en voldoende ruimte voor economische ontwikkeling. In de begroting zijn extra middelen beschikbaar gesteld voor natuur en duurzame economie. De inzet van de natuurmiddelen zal met name gericht zijn op versterking en beheer van de bestaande natuur, maatregelen voor de aanpak van de stikstofproblematiek en investeringen in enkele herkenbare natuurontwikkelingsprojecten. Daarbij zijn de internationale verplichtingen leidend. Met de provincies en maatschappelijke partners werken we aan een robuust Natuurnetwerk Nederland, door realisatie van de ambities uit de hoofdlijnennotitie Ontwikkeling en beheer van natuur in Nederland. De milieu- en watercondities van natuurgebieden worden op orde gebracht, terreinbeherende organisaties en particulieren beheren de natuur adequaat en we werken aan herkenbare natuurontwikkelingsprojecten. Voor beschermde en bedreigde soorten verbeteren daarmee de leefomstandigheden. In het kader van het natuurherstel Westerschelde wordt in 2014 het Rijksinpassingsplan voor de ontpoldering van de Hedwigepolder vastgesteld.

We ontwikkelen een maatschappelijke visie op de toekomst van het natuurbeleid, die de energie uit de samenleving bundelt en synergie zoekt tussen natuurdoelen en andere maatschappelijke belangen zoals waterbeheer, recreatie, ondernemerschap, gezondheid, energie en klimaat. Het herziene voorstel Wet Natuurbescherming (inclusief uitvoeringsregelgeving) treedt in 2014 in werking. In samenwerking met provincies en gemeenten wordt ingezet op een soepele implementatie van de wet. Dit moet bijdragen aan een snelle en deskundige behandeling van aanvragen van vergunningen en ontheffingen en aan een vermindering van de regeldruk. Ook worden voorbereidingen getroffen voor de introductie van het nieuwe stelsel van Agrarisch Natuurbeheer, met collectieven van boeren en natuurbeschermers, per 2016.

Met de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) wordt de natuur versterkt (herstel- en emissiereducerende maatregelen), economische ontwikkeling mogelijk gemaakt en de vergunningverlening voor ondernemers vereenvoudigd. Besluitvorming over de aanwijzingen van de meeste Natura2000-gebieden heeft in 2013 plaatsgevonden. De beheerplannen zijn in 2013 voorbereid en worden grotendeels in 2014 vastgesteld. De Natuurbeschermingswet moet nog van toepassing worden verklaard in de Exclusieve Economische Zone alvorens mogelijk een 3-tal gebieden op de Noordzee kunnen worden aangewezen.

Een belangrijke vorm van publiekprivate samenwerking op het terrein van duurzaamheid is de Green Deal3. Het kabinet helpt met Green Deals burgers, bedrijven, organisaties of andere overheden bij het realiseren van duurzame initiatieven die moeilijk van de grond komen. Dit met oog op de gewenste versnelling en opschaling van de transitie naar een duurzame economie. De overheid stimuleert de totstandkoming van deze afspraken op verschillende manieren: door partijen aan elkaar te koppelen, informatie te verstrekken, onduidelijke regels te schrappen of onduidelijkheden in vergunningverlening waar mogelijk weg te nemen. Doelstelling is een constante meerjarige portfolio van circa 150–200 kwalitatief sterke Green Deals, waarbij het effect van deals vergroot wordt door uitbreiding van succesvolle Green Deals naar andere locaties, partijen en sectoren.

Het kabinet streeft naar een circulaire economie en groene groei waarmee welvaart ook voor toekomstige generaties wordt behouden. We willen dit bereiken door voortdurend vooruit te kijken naar kansen om te groeien, te innoveren en te concurreren op een duurzame manier. Deze transitie vraagt forse inspanning, maar creëert ook kansen op velerlei terreinen. We kunnen onze economie alleen blijvend versterken als de innovatiekracht van het bedrijfsleven, de kennisinstellingen en de overheid optimaal wordt benut om onze economie meer duurzaam te maken en waarbij «groen» en «groei» hand in hand gaan. In het programma Groene groei werken vier departementen (EZ, I&M, Wonen en Rijksdienst en Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking) de strategie uit. Met deze aanpak ondersteunt het kabinet de transitie op acht domeinen: Energie, Biobased Economy, Klimaat, Afval, Bouw, Voedsel, Mobiliteit en Water om te bevorderen dat de belangrijke maatschappelijke uitdagingen van vandaag (vergrijzing, voedselzekerheid, grondstoffenschaarste, verlies aan biodiversiteit en klimaatverandering) kunnen uitgroeien tot de groeimarkten van morgen. Een internationale aanpak is essentieel, zodat Nederland met zijn open economie sterk kan profiteren van kansen op het terrein van groene groei. Tegelijkertijd is het nodig voor het opereren binnen een gelijk speelveld. Er zal worden voortgebouwd op de lopende acties van de grondstoffennotitie waarin de duurzame grondstoffenvoorzieningszekerheid van het Nederlandse bedrijfsleven centraal staat.

In 2014 blijven we ons inzetten voor praktische afspraken met bedrijfsleven, kennisinstellingen en andere overheden om groene groei te bevorderen en een betere balans te bereiken tussen economie en ecologie (biodiversiteit en ecosysteemdiensten). We zullen een bijdrage leveren aan internationale biodiversiteitsdoelen door de acties uit de Uitvoeringsagenda Natuurlijk Kapitaal uit te voeren. Onder andere wordt een internationale ronde tafel duurzaam hout georganiseerd en bescherming van Caribisch koraal tegen landerosie4. Daarnaast wordt het Natuurbeleidsplan Caribisch Nederland geïmplementeerd. Het Rijk stelt voor de komende vier jaar € 7,5 mln beschikbaar voor natuurprojecten. Bij die projecten wordt nadrukkelijk de verbinding gezocht met toerisme/economische ontwikkeling, energie en milieu.

Het kabinet zet zich ook in voor het bevorderen van maatschappelijk verantwoord ondernemen, onder meer via voorlichting door MVO Nederland, de uitvoering van de jaarlijkse Transparantiebenchmark en het uitvoeren van een sectorrisico-analyse5.

3. Werken aan duurzame productie en ketens in land- en tuinbouw en visserij6

Een duurzame landbouwproductie is essentieel voor duurzame welvaart in de toekomst en een belangrijke motor van de Nederlandse economie. De topsectoren Agrifood en Tuinbouw leveren een cruciale bijdrage aan de economie. Nederland is de tweede agro-exporteur ter wereld en het agrocomplex verdient zijn geld voor een groot deel in het buitenland. Om deze internationale toppositie te behouden, zetten we ons onder andere in om opkomende markten te verkennen, kennis te delen en in samenwerking met de Wereldbank en anderen voedselzekerheid te ondersteunen.

De onderhandelingen voor een nieuw Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) zijn afgerond. We werken aan de implementatie en nationale uitvoering van een sterk, groen en vereenvoudigd landbouwbeleid. Verduurzaming en vergroening zijn hierbij belangrijke thema’s. Onderlinge verschillen in de inkomenssteun zullen in de periode tot 2020 geleidelijk verdwijnen. In dit kader zal ook worden gezorgd voor een herijking van het beleid voor jonge landbouwers, zij zijn de agrarische ondernemers van de toekomst. Betaalorgaan Dienst Regelingen (DR) zal 2014 voorbereidingen treffen voor de uitvoering van het nieuwe stelsel van directe betalingen per 2015. In 2014 zal na goedkeuring door de Europese Commissie gestart worden met uitvoering van het nieuwe plattelandsontwikkelingsprogramma POP-3.

We werken in 2014 aan de invoering van het herziene Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB). Doel is de stimulans van een concurrerende visserijketen die de natuur ontziet. Voor Nederland zijn duurzaam gebruik en instandhouding van natuurlijke hulpbronnen en ecosystemen van groot belang. In het herziene GVB is de introductie van een verbod op het teruggooien van bijvangst door middel van een aanlandingsplicht (de verplichting om alle gevangen vis aan wal te brengen) een fundamentele aanpassing. Dit stelt de visserijketen voor grote uitdagingen. Het gaat hier om voorkomen van ongewenste bijvangsten door een grotere inzet op selectieve visserij en de ontwikkeling van markten voor afzet ongewenste bijvangsten. We willen deze omschakeling zoveel mogelijk ondersteunen door innovatie te stimuleren.

In het beheer van visbestanden zal de komende jaren gewerkt worden aan het behalen van de Maximum Sustainable Yield (MSY) doelstellingen. Ook zal verder inhoud gegeven worden aan de mogelijkheden die een meer regionale aanpak in het GVB biedt. Het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV) 2014–2020 is erop gericht het herziene GVB te ondersteunen. Dit fonds volgt op het Europees Visserijfonds (2007–2013) en zal de Nederlandse aanpak en strategie van innovatie en samenwerking in de visserij voortzetten.

Gezonde, welzijnsvriendelijk gehouden dieren, gezonde planten en gezond plantmateriaal zijn van belang voor de Nederlandse concurrentiepositie. Inzet is een verdere afname van het antibioticagebruik in de veehouderij. De doelstelling voor 2015 is een reductie van 70% ten opzichte van 2009 voor de veehouderij als geheel.

In overleg met de partijen van de Uitvoeringsagenda duurzame veehouderij (UDV) werken we in 2014 de ambitie uit om ervoor te zorgen dat alle nieuwbouwstallen vanaf 2015 integraal duurzaam zijn. De Beleidsbrief dierenwelzijn wordt aangevuld met acties die duidelijke effecten hebben op de duurzame (vee)houderij (geen ingrepen, verbeteren transport van dieren, aangepaste fokkerij bij gezelschapsdieren en tegengaan van impulsaankopen van gezelschapsdieren). We werken aan een duurzaam gewasbeschermingsbeleid voor 2013–2023 onder het motto: «Gezonde groei, duurzame oogst».

In Nederland wordt meer mest geproduceerd dan milieuverantwoord op Nederlandse bodem kan worden geplaatst. Doel is het overschot op de Nederlandse mestmarkt te verlagen door boeren te verplichten een vastgesteld – regionaal gedifferentieerd – deel van het mestoverschot van hun bedrijf te verwerken. Eind 2013 zal op basis van een ex ante evaluatie van de verwerkingscapaciteit worden bepaald of de huidige sturing op dieraantallen vanaf 2015 kan worden beëindigd. Daarnaast maken we ons op EU-niveau sterk voor een geaccordeerd vijfde actieprogramma Nitraatrichtlijn (2014–2017) en op basis daarvan een derogatie op mestnormen uit de Nitraatrichtlijn.

De Taskforce Voedselvertrouwen zet zich in voor een versterking van het systeem voor de voedselveiligheid en -integriteit in de vlees- en zuivelsector. Daartoe verricht deze acties die zijn gericht op robuuste, sluitende en beter gewaarborgde kwaliteitssystemen van het bedrijfsleven, verbeterde informatievoorziening tussen overheid en het bedrijfsleven en betere communicatie met consumenten. De overheid zorgt voor een efficiëntere publiekrechtelijke sanctionering en handhaving in de vleesketen. De Onderzoeksraad voor Veiligheid doet op ons verzoek onderzoek naar de risico’s voor de voedselveiligheid bij de productie en verwerking van en handel in vlees. Zij gaat daarbij na hoe overheid en betrokken bedrijven zijn omgegaan met de risico's voor de voedselveiligheid. De Onderzoeksraad zal mogelijkerwijs nog besluiten om deze focus aan te passen als haar voorlopige bevindingen daartoe aanleiding geven. De Taskforce betref zal de aanbevelingen die de Raad eind 2013 zal doen, betrekken in de uitwerking van zijn acties.

Verdere verduurzaming van de voedselproductie is noodzakelijk om te beantwoorden aan maatschappelijke, milieu- en economische verwachtingen. Hiervoor ligt de bal primair bij het bedrijfsleven, maar we ondersteunen deze verduurzaming onder andere door samenwerking met de Alliantie Verduurzaming Voedsel.

Nederland kan de positie als tweede agro-exporteur alleen behouden door wereldwijd innovatieve oplossingen te bieden voor duurzame landbouwontwikkeling. Met onze grote expertise over de landbouwsector en als aanjager van climate smart agriculture blijven we een belangrijke internationale partner bij het verbeteren van de voedselzekerheid in de wereld. Dit vraagt om inzet van onze landbouwposten, de voortzetting van de bilaterale samenwerking met een aantal derde landen en een gericht derde landenprogramma (PIA). De topsectoren Agrifood en Tuinbouw en uitgangsmaterialen hebben hun internationale agenda’s volop in uitvoering genomen en worden daarin actief ondersteund door (het instrumentarium van) AgentschapNL en door de ambassades.

De positie van de primaire producent in de toeleveringsketen blijft ook in dit begrotingsjaar onverminderd de aandacht eisen. Het gaat dan onder andere om de gedragscode eerlijke handelspraktijken, de beleidsregels over mededinging en duurzame ontwikkeling en speculatie met landbouwproducten. De gedragscode eerlijke handelspraktijken krijgt vorm via pilots in de agrofoodsector en de sector mode, textiel en schoeisel, waarvan de resultaten in het voorjaar van 2014 worden verwacht.

Het groene onderwijs heeft in 2013 een strategische investeringsagenda per instelling opgesteld. Voor 2014 en 2015 gaan de scholen gericht investeren in samenwerking met het bedrijfsleven op landelijk en regionaal niveau. De strategische investeringsprogramma’s zijn ook de basis om met het bedrijfsleven en overige stakeholders de bijdrage van het Groen Onderwijs na 2015 aan een concurrerende en innovatieve sector vorm te geven.

Ook in de topsectoren Agrifood en Tuinbouw en Uitgangsmaterialen staat de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt centraal. Met belanghebbenden zijn afspraken gemaakt over de positionering binnen de groene kennisinfrastructuur van het groene onderwijs na 2015.

In overleg met betrokken partijen wordt de uitvoering van de visie tuinbouw ter hand genomen. Doel hiervan is te komen tot samenwerkende tuinbouwketens die nationaal en internationaal toonaangevend zijn in duurzaamheid, onder andere op het gebied van energie.

4. Werken aan een toekomstbestendige energievoorziening7

Een schone en betrouwbare energievoorziening is essentieel voor duurzame economische groei. De energiesector levert groei, banen en inkomsten op. Nederland wordt op de lange termijn minder afhankelijk van fossiele brandstoffen, zorgt voor energievoorzieningszekerheid en schakelt geleidelijk over op hernieuwbare energie. Met dit doel voor ogen streeft het kabinet naar een evenwichtige mix van verschillende vormen van energie. Dat verzekert een betrouwbare aanvoer van energie, voorkomt onnodig hoge energiekosten voor mensen en bedrijven en mobiliseert de kracht van de energiesector.

Energieakkoord voor duurzame groei

In het Energieakkoord, dat onder leiding van de voorzitter van de Sociaal Economische Raad (SER) tot stand is gekomen, hebben kabinet, werkgevers, werknemers, milieuorganisaties, energiebedrijven, provincies, gemeenten en vele andere organisaties de basis gelegd voor een breed gedragen, robuust en toekomstbestendig energiebeleid. Partijen zetten zich in om de volgende doelen te realiseren:

  • Een besparing van het finale energieverbruik met gemiddeld 1,5% per jaar;

  • 100 Petajoule aan energiebesparing in het finale energieverbruik van Nederland per 2020;

  • Een toename van het aandeel van hernieuwbare energieopwekking (nu 4%) naar 14% in 2020;

  • Een verdere stijging van dit aandeel naar 16% in 2023;

  • Ten minste 15.000 voltijdsbanen, voor een belangrijk deel in de eerstkomende jaren te creëren.

Met het Energieakkoord worden belangrijke stappen gezet op weg naar een duurzame energievoorziening en krijgt de economie op korte termijn een stevige impuls. Met het Energieakkoord nemen alle betrokken partijen gezamenlijk de verantwoordelijkheid op zich om te komen tot grote investeringen die leiden tot energiebesparing, meer duurzame energie en extra werkgelegenheid. Tegelijkertijd zal de energierekening voor burgers en bedrijven lager zijn dan voorzien in het regeerakkoord.

Energiebesparing

Er is overeenstemming over een ambitieus energiebesparingspakket. Energiebesparing draagt bij aan voorzieningszekerheid, milieudoelstellingen, leidt tot een lagere energierekening, verbetert de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven en geeft een impuls aan de werkgelegenheid (onder andere in de bouw- en installatiesector). Daarnaast leidt minder gebruik van energie tot lagere uitgaven om de doelstelling van 16% hernieuwbare energie in 2023 te realiseren,

Duurzame energie

De opschaling van hernieuwbare energieopwekking vraagt een intensieve inzet op verschillende bronnen van hernieuwbare opwekking, zoals wind op land, wind op zee, diverse vormen van lokale opwekking zoals zonne-energie, en de inzet van biomassa. De SDE+ beoogt het aandeel duurzame energie in Nederland op een kosteneffectieve wijze te vergroten. Daarnaast wordt een aantal niet-financiële barrières, die de opschaling van hernieuwbare energie beperken, aangepakt.

Energie-innovatie

In het kader van het topsectorenbeleid wordt in 2014 in totaal € 118 mln verplichtingenruimte ter beschikking gesteld voor het aangaan van nieuwe projecten in energie-innovatie. Het betreft € 50 mln uit de innovatiemiddelen van de SDE+, alsmede € 43 mln uit de energie-innovatiemiddelen. In het Energieakkoord is bepaald dat er overheidsmiddelen beschikbaar komen voor een innovatieprogramma voor demonstratieprojecten die gericht zijn op versnelling van commercialisering vanuit de Topsector Energie ten behoeve van de export. Het budget hiervoor loopt op van € 25 mln in 2014 tot structureel € 50 mln vanaf 2017.

Daarnaast wordt een deel van de Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN)-middelen en TNO-middelen ingezet ten behoeve van het topsectorenbeleid. Deze projecten liggen op verschillende terreinen, bijvoorbeeld wind op zee en smart grids. Ze zijn er onder andere op gericht om de kostprijs van duurzame technieken te reduceren en de economische kansen van Nederlandse bedrijven te versterken. Marktpartijen dragen ook zelf bij aan deze projecten. We zoeken hierbij de verbinding met de regionale energie-agenda's. In het Energieakkoord hebben marktpartijen aangeven de kostprijs van windenergie op zee versneld omlaag te brengen. Hiertoe ontplooien de energiebedrijven en de Nederlandse offshore industrie-initiatieven om de innovatie in deze sector te stimuleren. Voor kostenbesparing van wind op zee gaat het om een reductie van 40% in 2020 ten opzichte van de huidige kostprijs. We zullen deze initiatieven ondersteunen door het optimaliseren van wet- en regelgeving.

Compensatie indirecte kosten ETS elektriciteitsgrootgebruikers

Door de introductie van het Europese Emissiehandelssysteem (ETS) wordt de CO2-prijs door de elektriciteitsproducenten aan de elektriciteitsgrootgebruikers doorberekend. Elektriciteitgrootgebruikers die internationaal concurreren kunnen in veel gevallen die CO2-kosten (ook wel indirecte kosten genoemd) niet doorberekenen omdat de concurrenten buiten de EU die kosten niet hebben. Naast verstoring van het gelijke speelveld leidt dit tot een CO2-weglekrisico (het verplaatsen van bedrijven met veel directe of indirecte CO2 uitstoot naar landen waar de uitstoot van CO2 geen prijs heeft). Voor de compensatie van de indirecte kosten in het kader van het ETS is vanaf 2014 jaarlijks een bedrag beschikbaar van € 78 mln.

Afvang en opslag van CO2

Om op de lange termijn te komen tot een volledig duurzame energievoorziening zal afvang, gebruik en opslag van CO2 (CCS) onvermijdelijk zijn. CCS kan worden toegepast bij de industrie en ook bij gas- en kolencentrales. De rijksoverheid zal het initiatief nemen om te komen tot een lange termijn visie op de positie van CCS in de transitie naar een volledig duurzame energievoorziening. De rijksoverheid heeft reeds financiële steun toegezegd voor een grootschalig demonstratieproject voor CO2-afvang bij een kolencentrale.

«Elektrisch rijden» is een serie technologieën – variërend van brandstofcellen op waterstof tot stekkerhybrides – die een veelbelovende bijdrage leveren aan het duurzame en CO2-arme energiesysteem van de toekomst. Het draagt bij aan energiebesparing en energieonafhankelijkheid, kan helpen bij het stabiliseren van het elektriciteitsnet en het inpassen van lokaal opgewekte duurzame energie, draagt bij aan luchtkwaliteit en het mogelijk maken van ontwikkelingen in de gebouwde omgeving. Om elektrisch rijden mogelijk te maken, wordt onder andere gewerkt aan een veilige, dekkende en slimme laadinfrastructuur en een goed fiscaal stelsel. Het bedrijfsleven ziet goede kansen op verschillende aan elektrisch rijden gelieerde terreinen, waaronder productie van bepaalde typen voertuigen, auxiliaries, materialen, laadinfrastructuur, ICT-diensten, smart grids, testfaciliteiten en R&D. Om dit potentieel optimaal te vergroten en verzilveren zou Nederland de komende jaren bij de voorlopers moeten blijven horen. Ook in 2014 is het beleid daarop gericht. Samenwerking met bedrijfsleven en maatschappelijke partijen is daarbij het sleutelbegrip. De bestaande 16 Green Deals op het terrein van Elektrisch Rijden worden uitgevoerd en een aantal kan worden afgerond.

Betere werking energiemarkten

De Elektriciteit- en gasregelgeving borgt de publieke belangen van voorzieningszekerheid en betaalbaarheid en heeft bijgedragen aan efficiënt beheer van de energienetten en daarmee aan concurrerende tarieven. In 2014 zal de Gas- en elektriciteitswet worden geïntegreerd en gestroomlijnd (Wetgevingstraject STROOM), om de werking van de energiemarkt te verbeteren, de transitie naar duurzame energie te ondersteunen, de regeldruk te verminderen en efficiënter toezicht mogelijk te maken. Najaar 2013 wordt een beleidsbrief STROOM aan de Kamer gezonden waarin de hoofdlijnen van de voorgenomen herziening en integratie van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet uiteen worden gezet. In 2014 worden vervolgens een tweetal wetsvoorstellen bij de Tweede Kamer ingediend. Naast een wetsvoorstel tot herziening van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet wordt een wetsvoorstel ingediend dat specifiek betrekking heeft op de tariefregulering voor de energie-intensieve industrie. Tenslotte is het streven om in 2014 een AMvB in werking te laten treden die experimenten mogelijk maakt voor lokale duurzame initiatieven, waarbij kan worden afgeweken van de huidige wetgeving.

De Rijksoverheid heeft als taak te zorgen voor een betrouwbare energievoorziening. Vanuit die taak is de Rijksoverheid dan ook belanghebbende bij het realiseren van bepaalde energie-infrastructuur projecten. Met behulp van een krachtige Rijkscoördinatieregeling (RCR) waarborgt de Minister van EZ dat grote energie-infrastructuurprojecten (inclusief interconnectoren) in voldoende mate, tijdig en zorgvuldig worden gerealiseerd. Het inzetten van de Rijkscoördinatieregeling levert een aanzienlijke versnelling en vereenvoudiging van de besluitvorming op. Een snellere realisatie van energie-infrastructuurprojecten draagt bij aan de voorzieningszekerheid, aan werkgelegenheid en versterkt de concurrentiepositie van Nederland. Ook in 2014 zal de RCR worden ingezet voor besluitvorming over onder meer een aantal hoogspanningverbindingen en windparken.

Internationaal energiebeleid

Effectief energiebeleid is per definitie Europees en internationaal beleid. In 2014 wordt in Europees verband gesproken over het klimaat- en energiebeleid voor 2030. Het kabinet zet conform het regeerakkoord in op een ambitieus internationaal klimaatbeleid. De kosteneffectiviteit en aansluiting bij het pad om in 2050 80–95% broeikasgasreductie te bereiken staan bij de Nederlandse inzet centraal.

In Pentalateraal verband staat in 2014 de invoering van een marktkoppelingssysteem gepland waardoor op efficiëntere wijze gebruik kan worden gemaakt van interconnectiecapaciteit. Daarnaast zal gezamenlijk gewerkt worden aan het verbeteren van de leveringszekerheid onder meer door een regionale leveringszekerheidsanalyse te maken. De impact van grensoverschrijdende effecten van de invoering van een mogelijke capaciteitsmechanisme in verschillende Noordwest Europese landen wordt hierbij betrokken. Gegeven de nauwe interactie tussen de Duitse en Nederlandse energiemarkt verdient de samenwerking met Duitsland bijzondere aandacht. In 2014 zal verder worden gewerkt aan de energiesamenwerking op het terrein van onder meer hernieuwbare energie en innovatie, de integratie van de energiemarkten, effectieve inpassing van de infrastructuur en borging van de leveringszekerheid in de regio.

Gaswinning

Aardgas is de belangrijkste energiebron van Nederland. Zo bestaat het binnenlandse energieverbruik voor circa 45 procent uit gas en is 98 procent van de huishoudens aangesloten op het gasnetwerk. Daarnaast is gas van belang voor elektriciteitsopwekking, verwarming en verhitting en dient het als grondstof voor een aantal industriële processen. Van het gas dat in Nederland wordt gewonnen, komt het grootste deel van de opbrengsten ten goede aan de Staat via de wettelijk vastgelegde afdrachten. Het speelt ook een belangrijke rol bij het realiseren van de CO2-doelstellingen, aangezien het de schoonste fossiele brandstof is. Omdat gascentrales makkelijk op- en afgeregeld kunnen worden kan gas flexibel worden ingezet ter ondersteuning van de wisselende aanbodpatronen van zon- en windenergie. Daarmee is gas zowel belangrijk voor een zekere als ook voor (de overgang naar) een duurzame energievoorziening.

In 2014 neemt het kabinet een besluit over de toekomstige gaswinning in Groningen door de vaststelling van een winningsplan van de NAM, op basis van een in 2013 af te ronden reeks van 11 onderzoeken. Ten aanzien van schaliegas besluit het kabinet in oktober over het eventueel in behandeling nemen van aanvragen voor proefboringen. Het advies van de Commissie m.e.r. dat naar verwachting eind september gereed is over het onderzoeksrapport van Witteveen en Bos naar de veiligheid van de winning van schaliegas wordt afgewacht.

Kernenergie

Kernenergie vormt een onderdeel van de energiemix. Veiligheid staat bij het gebruik van radioactieve materialen vanzelfsprekend voorop. Overeenkomstig de brief van 19 april 2013 (TK, 32 645, nr. 51) wordt daartoe gewerkt aan de oprichting van een onafhankelijke Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS), die zal voldoen aan Europese en internationale regelgeving en in 2014 als organisatie zal moeten functioneren. De ANVS wordt binnen de rijksdienst de bevoegde autoriteit, waar kennis en deskundigheid voor de onderwerpen nucleaire veiligheid, stralingsbescherming, radioactief afval en ontmanteling, de preparatie op nucleaire en radiologische ongevallen en beveiliging nucleair gebundeld zijn. Zoals aangegeven in de brief van 19 april zal het kabinet een nader besluit nemen over taken, bevoegdheden en positionering van de ANVS, waarover de Kamer wordt geïnformeerd.

In 2014 zal de uitvoering van het Nationale Actieplan naar aanleiding van de lessons learned van Fukushima worden voortgezet. Het betreft acties die voortvloeien uit de stresstestanalyse van de nucleaire installaties en de internationale peer review daarop (met name uitvoering door de vergunninghouders van verbetermaatregelen en aanvullende studies). In het voorjaar van 2014 zal in Wenen de 6de evaluatiebijeenkomst van de «Convention on Nuclear Safety (CNS)» worden gehouden. Eerder (in 2013) hebben alle verdragslanden, conform de verdragsafspraken, rapporten ingediend waarin de stand van zaken van de nucleaire veiligheid wordt beschreven. Tijdens de bijeenkomst worden de rapporten gepresenteerd en besproken en worden aanbevelingen gedaan voor de toekomst.

Overzichtstabel bedrijvenbeleid en topsectoren

In de aansluitende tabel wordt een meerjarig overzicht gegeven van de middelen die in 2013-2017 beschikbaar zijn binnen de begrotingen van een aantal departementen voor het bedrijvenbeleid en de topsectoren. In deze tabel zijn zowel de intensiveringen als taakstellingen uit het regeerakkoord verwerkt. Omdat in de reeks generieke maatregelen bij de fiscale maatregelen voor R&D in de BLB-tabel 2013 nu ook de WBSO is meegenomen, is het bedrag in deze tabel aanzienlijk hoger dan in de tabel in de begroting 2013. Een afnemend deel van de middelen is reeds belegd met uitgaven voor lopende programma's. De verantwoording over deze budgetten vindt plaats via de reguliere begrotingscyclus via de desbetreffende departementale begrotingen.

Overzichtstabel bedrijfslevenbeleid en topsectoren
 

2013

2014

2015

2016

2017

Depar- tement

(kasbedragen x € 1 mln)

           
             

I Generiek

           
             

A1. Ondernemerschap en innovatie

165

96

108

77

58

 

– Innovatiefonds MKB+

165

96

108

77

58

EZ

             

A2. Fiscale maatregelen

1.073

1.066

1.097

993

978

 

– RDA

375

302

449

345

340

EZ/FIN

– WBSO

698

764

648

648

638

EZ/FIN

             

A3 Internationaal

176

224

254

255

254

 

– Internationaal ondernemen en ontwikkelingsamenwerking1

166

215

245

246

245

BuZa

– Internationaal ondernemen

10

9

9

9

9

BuZa

             

II Specifiek voor topsectoren

           
             

B. Kennis en innovatie

735

820

822

774

760

 

– NWO aandeel topsectoren 2

135

210

275

275

275

OCW/EZ

– KNAW aandeel topsectoren

22

22

22

22

22

OCW

– Toegepast onderzoek (TNO, GTI’s, DLO)

216

206

201

179

176

EZ, DEF

– TKI Toeslag

56

102

111

123

131

EZ

– MKB InnovatiestimuleringsregelingTopsectoren

22

21

14

14

14

EZ

– Cofinanciering EU o.a. H2020 3

7

12

28

43

54

EZ

– Bijdrage aan STW

22

22

22

22

22

EZ

– Overige kennis en innovatie 4

209

180

105

50

22

EZ

– Profilering kennisinfrastructuur

46

44

44

44

44

OCW

             

C. Onderwijs en arbeidsmarkt

53

45

44

27

10

 

– Professionele masters

7

7

7

7

7

OCW

– Centra voor Innovatief Vakmanschap

5

5

5

3

3

OCW/EZ

– Stimuleren beta en technologie

20

13

12

0

nnb

OCW

– Centers of Expertise

20

20

20

17

nnb

OCW

             

D. Specifieke bijdragen departementen

270

260

290

278

261

 

– VWS: Life Sciences & Health/zorg 5

87

63

50

59

43

VWS

– EZ: Energie-innovatie (excl. ECN)

100

104

119

99

99

EZ

– EZ: Voeding + tuinbouw

35

38

46

45

44

EZ

– I&M: Logistiek

5

16

24

24

24

I&M

– I&M: Water

13

12

24

24

24

I&M

– OCW: Creatief

11

11

11

11

11

OCW

– Defensie

16

16

16

16

16

DEF

– V&J e.a .: Cyber security 6

3

0

0

0

0

V&J, BZK, EZ, Def

             

Totaal

2.472

2.512

2.614

2.404

2.322

 
X Noot
1

In deze reeks is het Dutch Good Growth Fund niet opgenomen.

X Noot
2

Inclusief reeks van opgeteld € 50 mln zoals vermeld in TK 27 406 nr. 198. Reeks inclusief middelen op de aanvullende post op de rijksbegroting.

X Noot
3

De cofinanciering voor Europese programma’s, waaronder die in het kader Horizon2020, staan vanaf 2014 in deze reeks. De programma’s tot en met 2013 staan onder Overige kennis en innovatie, waarin ook ander aflopend beleid staat opgenomen, zoals de FES-projecten.

X Noot
4

Idem

X Noot
5

De vrije ruimte binnen deze reeks is beperkt.

X Noot
6

Voor Cyber security wordt per jaar bezien hoeveel budget voor de topsectoren is, daarom staat de raming op nul.

Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen

Artikel

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

11

Goed functionerende economie en markten

     

X

     

12

Een sterk innovatievermogen

     

X

     

13

Een excellent ondernemingsklimaat

   

X

       

14

Een doelmatige en duurzame energievoorziening

 

X

       

X

16

Concurrerende, duurzame en veilige agro-, visserij- en voedselketens

   

X

       

17

Groen onderwijs van hoge kwaliteit

 

X

       

X

18

Natuur en regio

     

X

     

Toelichting

De planning van de periodieke beleidsdoorlichtingen is aangepast ten opzichte van de begroting van 2013. Allereerst is artikel 15 vervallen, omdat de beleidsverantwoordelijkheid en middelen zijn overgegaan naar de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Daarnaast zijn de jaren 2017 en 2018 toegevoegd. In 2018 zijn de artikelen 14 en 17 weer toe aan een beleidsdoorlichting. Voor artikel 16 staat in 2014 een Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) gepland, waarin de beleidsdoorlichting wordt geïntegreerd. Elke geplande beleidsdoorlichting zal het hele beleidsartikel afdekken.

2.1.1 Belangrijkste mutaties ontwerpbegroting 2014

Onderstaand is een selectie opgenomen van de belangrijkste wijzigingen (kasuitgaven en ontvangsten) vanaf de standen van de Voorjaarsnota. Bijlage 4.5 van de begroting, de Verdiepingsbijlage, geeft de toelichting op alle nieuwe mutaties per begrotingsartikel.

I. Uitgaven (x € 1.000)

 

Art

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Stand ontwerpbegroting 2013

 

5.229.174

4.814.816

4.564.044

4.485.270

4.412.750

 

Nota van wijziging

 

– 77.973

– 71.671

– 56.403

– 54.071

– 48.418

 

Mutaties Voorjaarsnota 2013

 

– 161.097

85.361

154.072

127.841

398.558

 

Stand Voorjaarsnota 2013

 

4.990.104

4.828.506

4.661.713

4.559.040

4.762.890

 
               

Nieuwe mutaties

             

Innovatiefonds

12

75.000

         

Luchtvaartkredietfaciliteit

12

 

13.220

       

Bevorderen ondernemerschap

13

15.000

         

BMKB

13

34.459

13.176

5.176

3.770

3.770

 

Microkrediet

13

30.000

         

Internationaal ondernemen

13

 

3.240

3.720

3.710

3.770

 

Compensatie Energie-intensieve bedrijven (ETS)

14

 

78.000

78.000

78.000

78.000

 

Energieakkoord

   

25.000

35.000

45.000

– 150.000

 

Cofinanciering GLB-ELFPO

16

 

8.760

17.560

18.830

14.730

 

Cofinanciering GVB-EFMZV

     

2.000

3.000

6.000

 

Uitvoeringskosten nieuw GLB, GVB

16

14.000

14.000

15.500

15.500

13.500

 

Borgstellingsfaciliteit Landbouw

16

11.200

13.000

       

Subsidies landbouw

16

10.761

1.200

       

Cofinanciering EFRO

18

 

7.000

14.000

14.000

28.000

 

Uitvoeringskosten EFRO

18

 

4.000

4.000

4.000

4.000

 

Transitiekosten SNL

18

 

12.000

10.000

6.000

   

Intensivering Natuur

   

100.000

100.000

300.000

300.000

 

Overboeking Provinciefonds Natuur

18

 

– 105.000

– 105.000

– 105.000

– 105.000

 

Bijdrage departementale begrotingen € 6 mld pakket

Div.

 

– 9.400

– 9.400

– 9.400

– 9.400

 

Totaal van de overige nieuwe mutaties

Div.

– 2.847

25.588

8.373

31.628

6.604

 

Stand ontwerp begroting 2014

 

5.177.677

5.032.290

4.840.642

4.968.078

4.956.864

5.058.754

Toelichting nieuwe mutaties

Artikel 12

Innovatiefonds

Als onderdeel van het stimuleringspakket heeft het kabinet besloten om het innovatiefonds te versterken met een aantal concrete maatregelen. Er wordt in totaal € 75 mln bestemd voor vroege fase financiering en investeringen van informal investors in jonge en kleine bedrijven.

Luchtvaartkredietfaciliteit.

De betalingen op de verstrekte kredieten die onder de Luchtvaartkredietregeling vallen, hebben in 2012 vertraging opgelopen. Dat heeft te maken met een krediet dat onder voorwaarden aan een bedrijf is toegezegd. Zodra het bedrijf aan de gestelde voorwaarden voldoet, zal het bedrag als krediet ter beschikking worden gesteld. De verwachting is dat betaling in 2014 zal plaatsvinden.

Artikel 13

Bevorderen ondernemerschap

Als onderdeel van het stimuleringspakket voor de kredietverlening, zal € 5 mln worden gereserveerd voor flankerend beleid (met name voorlichting en informatie voor MKB-bedrijven) en ondersteuning van alternatieve financieringsvormen zoals crowdfunding en kredietunies. Daarnaast wordt samen met marktpartijen een Nederlandse Investeringsinstelling en een Nationale hypotheekinstelling opgericht. Voor de ondersteuning bij de oprichting wordt € 10 mln gereserveerd.

BMKB

Als gevolg van het toenemend beroep op de BMKB voor schadebetalingen wordt de raming aangepast. De dekking hiervoor komt uit verhoging van de premie, het onttrekken van middelen aan de interne begrotingsreserve BBMKB en een extra ontvangst in 2013 geraamd op artikel 12. Voor 2013 wordt de interne begrotingsreserve voorts nog aangevuld met € 5 mln ten behoeve van het afdekken van mogelijk hogere schades vanaf 2015 op de verruimde regeling in het kader van het stimuleringspakket.

Microkrediet

In 2013 en 2014 verstrekt Qredits kredieten tussen de € 50.000 en € 100.000 à € 150.000. Om dit mogelijk te maken heeft het kabinet € 30 mln uitgetrokken voor de vervolgfinanciering van Qredits. Deze maatregel is onderdeel van het stimuleringspakket.

Internationaal ondernemen

Om het binnenhalen van buitenlandse investeerders en investeringen op peil te houden ten behoeve van de Nederlandse economie, zijn juist in crisistijd voldoende middelen nodig voor de acquisitieketen van buitenkantoren, hoofdkantoor en regio’s. Hiertoe worden bij ontwerpbegroting middelen aan artikel 13 toegevoegd.

Artikel 14

Compensatie Energie-intensieve bedrijven (ETS)

Via een regeling voor ETS compensatie wordt structureel € 78 mln beschikbaar gesteld voor energie-intensieve bedrijven.

Energieakkoord

De budgettaire gevolgen van het energieakkoord voor de EZ-begroting zijn verwerkt. Het later realiseren van de doelstelling duurzame energie heeft tot gevolg dat vanaf 2017 de SDE+ uitgaven en ontvangsten uit heffing aan burgers en bedrijven, worden verlaagd (oplopend tot € 600 mln structureel). Voorts komt er budget beschikbaar op de EZ-begroting, oplopend naar structureel € 50 mln, voor een innovatieprogramma voor demonstratieprojecten gericht op versnelling van commercialisering vanuit de topsector energie ten behoeve van de export.

Artikel 16

Cofinanciering Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB)- Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) 2014–2020

Voor uitvoering van het Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014–2020 van de Europese Unie is cofinanciering door de lidstaten benodigd. In overleg met de provincies wordt gewerkt aan het opstellen van dit programma. Er zal één operationeel programma worden ingediend dat wordt opgebouwd vanuit vier landsdelen. Hierbij wordt met name ingezet op innovatie, concurrentiekracht en duurzaamheid in de landbouw. Daarnaast inzet op natuur en landschap en water en op de CLLD-aanpak (Community Led Local Development).

Cofinanciering Gemeenschappelijk Visserij Beleid (GVB)-Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV) 2014–2020

Voor de uitvoering van het Operationele Programma 2014–2020 stelt de Europese Commissie voor Nederland een bedrag beschikbaar van circa € 50 mln voor de komende 7 jaar.

De Europese bijdrage is bedoeld voor Nederlandse rederijen om op duurzame wijze vis te vangen zoals met pulse technieken waarbij de vis eerst omhoog wordt gestuwd en daarna gevangen. Als nationale cofinanciering is een bedrag van € 21 mln beschikbaar voor de periode 2014–2020.

Uitvoeringskosten nieuw GLB, GVB

Met de inwerkingtreding van het nieuwe GLB en GVB zijn aanzienlijke uitvoerings- en transitiekosten gemoeid, onder andere als gevolg van de invoering van de vergroeningsmaatregelen GLB.

Borgstellingsfaciliteit Landbouw

Om de verliesdeclaraties vanaf 2013 van banken op basis van de borgstellingsfaciliteit te dekken wordt in 2013 € 11,2 mln en in 2014 € 13 mln aan de interne begrotingsreserve borgstellingsfaciliteit onttrokken.

Subsidies landbouw

In verband met hogere uitgavenramingen op een aantal landbouwregelingen (onder andere regeling duurzame stallen, investeringsregeling jonge agrariërs, Marktintroductie Energie Innovatie) vindt compensatie plaats uit de interne begrotingsreserve landbouw.

Artikel 18

Cofinanciering Europees Fonds Ruimtelijke Ordening (EFRO) en uitvoeringskosten EFRO

Met rijkscofinanciering voor EFRO wordt inhoudelijk op rijksdoelen gestuurd (innovatie, koolstofarme energie). Focus ligt op het laten aanhaken van het MKB bij topsectoren, via valorisatieactiviteiten en samenwerkingsprojecten als aanvulling op het bestaande nationale instrumentarium voor topsectoren dat meer generiek van aard is.

Bij koolstofarme economie gaat het om het verhogen van het aandeel duurzame energie en energie-efficiëntie en innovatie op deze terreinen. Daarnaast is door de controle op de uitvoering van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling een bedrag benodigd.

Transitiekosten Subsidie Natuur en Landschap (SNL)

Mede ingegeven door de vergroening van het nieuwe GLB is een omslag voorzien naar een nieuw stelsel voor agrarisch natuurbeheer: van individueel beheer naar beheer door collectieven. Hiertoe dienen investeringen gedaan te worden in een professionaliseringstraject om de collectieven in staat te stellen conform de Europese en nationale eisen te werken en in de wijze waarop de aanvragen worden verwerkt (door collectieven en door Dienst Regelingen). De transitiekosten voor rekening van het Rijk hebben betrekking op de investeringen, in de periode 2014–2016, die nodig zijn om deze omslag naar een nieuw, effectiever en efficiënter stelsel voor agrarisch natuurbeheer mogelijk te maken.

Intensivering Natuur

Als uitwerking van de afspraak uit het regeerakkoord om te komen tot een robuust natuurnetwerk worden extra middelen beschikbaar gesteld. EZ heeft deze afspraak samen met de provincies en maatschappelijke partners uitgewerkt in de hoofdlijnennotitie Ontwikkeling en beheer van natuur in Nederland. De middelen worden ingezet ter vergroting van het natuurnetwerk (inclusief natuurlijke verbindingen), verbetering van de kwaliteit van de natuur door extra inspanningen in (herstel)beheer en water- en milieucondities, een impuls aan de natuur buiten de EHS, soortenbescherming en een effectiever agrarisch natuurbeheer.

Overboeking Provinciefonds natuur

Dit betreft de structurele overboeking van het budget voor beheer van natuur op grond van het Bestuursakkoord natuur tussen rijk en provincies.

Departementale bijdrage aan het € 6 mld pakket

Bij Ontwerpbegroting 2014 draagt EZ € 9,4 mln bij aan de departementale bijdrage van € 0,7 mld zoals opgenomen in het € 6 mld pakket. Het aandeel van EZ hierin bedraagt € 9,4 mln. Deze bijdrage is verdeeld over de programma-uitgaven in de diverse beleidsartikelen van de EZ-begroting. De invulling heeft plaatsgevonden door een korting op de onderzoeksbudgetten in artikel 11, 12, 14 en 16. Daarnaast vinden op diverse programma’s en subsidieregelingen verlagingen van uitgaven plaats. Een nadere toelichting wordt gegeven in het verdiepingshoofdstuk. De verdeling over de artikelen is als volgt (bedragen x € 1.000):

Artikelomschrijving

Artikel

2014

2015

2016

2017

2018

Goed functionerende economie en markten

11

– 389

– 607

– 876

– 724

– 724

Een sterk innovatievermogen

12

1.250

– 3.680

– 3.200

– 2.400

632

Een excellent ondernemingsklimaat

13

– 250

– 320

– 300

– 1.100

– 2.500

Een doelmatige en duurzame energievoorziening

14

– 5.851

– 2.553

– 915

– 1.533

4.080

Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

16

– 200

– 1.200

– 2.978

– 2.776

– 3.852

Natuur en regio

18

– 3.960

– 1.040

– 1.131

– 867

– 7.036

Totaal

 

– 9.400

– 9.400

– 9.400

– 9.400

– 9.400

II. Ontvangsten (x € 1.000)

 

Art

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Stand ontwerpbegroting 2013

 

12.820.267

12.595.737

12.798.843

12.675.111

12.214.275

 

Nota van Wijziging

 

3.685

8.695

12.833

16.185

16.185

 

Voorjaarsnota

 

4.387.696

73.912

– 678.087

– 857.000

– 517.000

 

Stand ontwerpbegroting na Voorjaarsnota

 

17.211.648

12.678.334

12.133.589

11.834.296

11.713.460

 
               

Nieuwe mutaties

             

Boetetaakstelling High Trust

11

 

– 75.000

– 100.000

– 100.000

– 115.000

 

BMKB-premieverhoging

13

2.770

3.770

3.770

3.770

3.770

 

BMKB interne begrotingsreserve

13

16.689

9.406

1.406

     

Energieakkoord

14

       

– 200.000

 

Aardgasbaten

14

650.000

100.000

– 300.000

– 250.000

– 650.000

 

Borgstellingsfaciliteit

16

11.200

13.000

       

Begrotingsreserve landbouw

16

10.761

1.200

       
               

Totaal van de overige nieuwe mutaties

 

13.719

3.100

3.200

23.900

1.900

 

Stand ontwerpbegroting 2014

 

17.916.787

12.733.810

11.741.965

11.511.966

10.754.130

10.538.323

Toelichting nieuwe mutaties

Artikel 11

Boetetaakstelling High Trust

In het regeerakkoord is afgesproken dat toezichthouders in het EZ domein extra boetes moeten opleggen, deze boetetaakstelling is vervolgens formeel verwerkt in de Voorjaarsnota. Het verhogen van de boete-taakstelling overeenkomstig het regeerakkoord is echter niet haalbaar. De hiermee samenhangende besparingsverliezen op de begroting van EZ worden gecompenseerd door verlaging van subsidies voor bedrijven binnen het EZ domein.

Artikel 13

Borgstellingen Midden en Klein Bedrijf (BMKB)

In verband met hogere kosten schadebetalingen BMKB is besloten tot een premieverhoging van 20% met ingang van 1 april 2013 en vindt er voor 2013 tot en met 2015 een onttrekking plaats uit de interne begrotingsreserve.

BMKB-interne begrotingsreserve

Als gevolg van het aanpassen van de schaderaming worden middelen aan de interne begrotingsreserve onttrokken.

Artikel 14

Energieakkoord

De budgettaire gevolgen van het energieakkoord voor de EZ-begroting zijn verwerkt. Het later realiseren van de doelstelling duurzame energie heeft tot gevolg dat vanaf 2017 de SDE+ uitgaven en ontvangsten uit heffing aan burgers en bedrijven, worden verlaagd (oplopend tot € 600 mln structureel).

Aardgasbaten

Het verwachte productievolume in 2013 is opwaarts bijgesteld. De hierop gebaseerde baten komen in 2013 en deels in 2014 als kasontvangsten binnen. De verwachte gasprijs in de jaren 2014–2017 is neerwaarts bijgesteld met een grotere daling naar mate het jaar later in deze periode ligt. Dit leidt vanaf 2015 tot een verlaging van de geraamde baten.

Artikel 16

Borgstellingsfaciliteit

Om de hogere verliesdeclaraties van de banken vanaf 2013 in het kader van de borgstellingsfaciliteit te dekken wordt in 2013 € 11,2 mln en in 2014 € 13 mln aan de interne begrotingsreserve onttrokken.

Begrotingsreserve landbouw

In verband met hogere uitgavenramingen op een aantal landbouwregelingen (onder andere regeling duurzame stallen, investeringsregeling jonge agrariërs, Marktintroductie Energie Innovatie) vindt compensatie plaats uit de interne begrotingsreserve landbouw.

Overzicht invulling taakstelling Beperken subsidies bedrijfslevenbeleid en Topsectoren

De taakstelling Beperken subsidies bedrijfslevenbeleid en Topsectoren uit het regeerakkoord vanaf 2014 en verder is in deze Ontwerpbegroting nader verdeeld over de betreffende artikelonderdelen van de beleidsartikelen 12, 14 en 16. In onderstaande tabel is deze specificatie opgenomen.

 

2014

2015

2016

2017

Artikel 12 Een sterk innovatievermogen

– 32.000

– 33.600

– 31.400

– 29.400

Innovatie Prestatie Contracten

 

– 5.014

– 11.624

– 5.517

Innovatiefonds

– 8.100

– 6.686

– 3.797

– 9.645

Bijdrage TNO

 

– 6.804

– 9.131

– 6.734

TKI-toeslag

– 23.900

– 13.021

– 2.733

– 2.824

Grote Technologische Instituten

 

– 2.075

– 2.546

– 2.908

Topsectoren overig

   

– 1.569

– 1.772

         

Artikel 14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

– 7.400

– 9.500

– 9.400

– 10.200

Topsectoren Energie

– 5.500

– 7.600

– 6.900

– 7.400

Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN)

– 1.900

– 1.900

– 2.500

– 2.800

         

Artikel 16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

– 5.600

– 7.600

– 10.000

– 11.300

Topsectoren

– 3.100

– 3.800

– 5.000

– 5.700

Marktintroductie Energie Innovaties

– 2.100

– 3.800

– 5.000

– 5.600

Intensieve veehouderij

– 300

     
         

Totaal taakstelling Topsectoren

– 45.000

– 50.700

– 50.800

– 50.900 1

X Noot
1

De taakstelling was oorspronkelijk totaal structureel € 52 mln (vanaf 2017). Een deel van deze taakstelling is echter overgegaan naar de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking in het kader van de herverkaveling van het beleid.

2.2. DE BELEIDSARTIKELEN

11 Goed functionerende economie en markten

Algemene doelstelling

Het scheppen van voorwaarden voor een goed functionerende economie en goed functionerende markten, waaronder de markt voor elektronische communicatie.

Goed functionerende markten dragen in belangrijke mate bij aan de economische groei en innovatie. In een goed functionerende markt reageren vraag en aanbod effectief op elkaar. Consumenten en bedrijven profiteren daarvan. Op goed functionerende markten ontstaat een optimale prijs – kwaliteitverhouding van goederen en diensten en hebben gebruikers keuzevrijheid. Het slim benutten van en zorgdragen voor hoogwaardige elektronische communicatie netwerken en digitale infrastructuren waar de Nederlandse samenleving op kan bouwen én vertrouwen draagt bij aan het economisch groeivermogen en een goed functionerende economie.

Rol en Verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is op grond van de Telecommunicatiewet verantwoordelijk voor het stellen van regels voor vaste en mobiele communicatienetwerken. Daarnaast ziet de Minister van EZ het als een taak eventuele belemmeringen voor het goed functioneren van markten te verminderen of weg te nemen en heeft hij een systeemverantwoordelijkheid voor de statistische informatievoorziening van rijkswege. Hieruit vloeien de volgende verantwoordelijkheden voort:

Stimuleren

  • Het stimuleren van een goede balans tussen de belangen van bedrijven en consumenten met generiek consumentenbeleid waarbij de Wet handhaving consumentenbescherming centraal staat.

Financieren

  • Het bijdragen aan het goed functioneren van markten door het financieren van TenderNed (het elektronisch aanbestedingssysteem) en diverse organisaties op het gebied van metrologie, normalisatie, accreditatie en markttoezicht.

  • Het financieren van een deel van de exploitatie van het Agentschap Telecom en het verrichten van uitgaven voor opdrachten inzake beleidsvoorbereiding en evaluaties voor frequentiebeleid en veiligheid.

  • Het financieren van het CBS om het van overheidswege verrichten van statistisch onderzoek ten behoeve van praktijk, beleid en wetenschap en het openbaar maken van de op grond van zodanig onderzoek samengestelde statistieken mogelijk te maken.

(Doen) uitvoeren

  • Het tegengaan van mededingingsbeperkende gedragingen met de Mededingingswet en mededingingsbeleid in alle sectoren van de Nederlandse economie.

  • Het reguleren van de postmarkt met de Postwet 2009 waardoor een toegankelijke en betaalbare basisvoorziening voor de post is gewaarborgd (universele postdienst).

  • Het opstellen van verkeersregels voor het gebruik van de ether, door afspraken te maken in internationaal verband voor harmonisatie en door – in geval van schaarste – te bepalen op welke wijze het spectrum wordt verdeeld.

  • Het inzetten op het realiseren van hoogwaardige en innovatieve breedbandige mobiele communicatie en omroeptoepassingen door verruiming van gebruiksmogelijkheden van het spectrum en door de uitgifte van beschikbare frequentieruimte.

Regisseren

  • Het bevorderen van goed functionerende markten door het scheppen van randvoorwaarden via wet- en regelgeving.

  • Het scheppen van voorwaarden waarbinnen concurrentie kan plaatsvinden door middel van de Waarborgwet, de Winkeltijdenwet, de Aanbestedingswet, de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie en de Metrologiewet.

  • Het uitwerken van de in het najaar van 2013 uitgekomen middellange termijnvisie op de ontwikkeling van telecommunicatie en Internet met als doel beleid en regelgeving te kunnen laten meegroeien met de ontwikkelingen in de markt en de behoeftes in de samenleving.

Beleidswijzigingen

In het voorjaar van 2013 is het wetsvoorstel voor de Stroomlijningswet Autoriteit Consument en Markt (ACM) bij de Tweede Kamer ingediend. Dit wetsvoorstel zal naar verwachting in 2014 in werking treden. Het wetsvoorstel strekt tot stroomlijning en vereenvoudiging van bevoegdheden, handhavingsinstrumenten en procedures van de ACM. Dit zal leiden tot een verbetering van de effectiviteit en efficiëntie van het markttoezicht van de ACM en tot meer duidelijkheid voor de onder toezicht gestelde ondernemingen. In 2014 zal daarnaast een voorstel voor een gestroomlijnde methodiek van doorbelasting van toezichtskosten aan onder toezicht gestelde ondernemingen worden afgerond. Deze systematiek zal in 2015 van kracht worden.

In april 2013 is het voorstel tot het verminderen van het aantal verplichte bezorgdagen van zes naar vijf in de Universele Postdienst (UPD) bij de Tweede Kamer ingediend. Dit wetsvoorstel zal naar verwachting in 2014 in werking treden. Daarnaast worden verdere voorstellen voorbereid om de eisen aan de UPD meer in lijn te brengen met de behoeften van gebruikers, met name door het verminderen van het aantal verplichte postvestigingen en brievenbussen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

VERPLICHTINGEN

228.384

216.601

196.702

191.962

183.692

179.745

172.192

UITGAVEN

233.701

218.325

197.794

192.047

184.688

177.793

171.340

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

98%

       
               

Subsidies

 

1.700

1.700

1.400

100

1.100

1.100

• Digitalisering regionale radio

 

1.700

1.700

1.400

100

1.100

1.100

Opdrachten

14.884

8.656

12.446

14.911

15.186

14.318

14.121

• Onderzoek en Opdrachten

2.603

2.580

2.339

2.347

2.373

2.373

2.373

• PIANOo/TenderNed

7.022

2.058

6.218

6.857

6.517

6.511

6.511

• Beleidsvoorbereiding en evaluaties Frequenties en Veiligheid

5.259

4.018

3.889

5.707

6.296

5.434

5.237

Bijdragen aan agentschappen

10.984

13.673

11.165

10.189

9.658

8.998

8.697

• Agentschap Telecom

10.984

11.186

10.386

10.189

10.123

10.058

9.990

• Agentschap NL

 

71

         

• Agentschap DICTU

 

2.416

779

       

• Nog te verdelen taakstelling

       

– 465

– 1.060

– 1.293

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

205.019

189.810

168.594

161.822

155.854

149.509

143.677

• Metrologie

15.171

14.419

14.092

13.895

13.778

13.713

13.231

• Raad voor Accreditatie

93

215

296

105

147

140

140

• ACM

2.901

1.329

421

401

374

374

376

• CBS

186.854

173.847

153.785

147.421

146.242

145.975

142.966

• Nog te verdelen taakstelling

       

– 4.687

– 10.693

– 13.036

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

2.814

4.486

3.889

3.725

3.890

3.868

3.745

• Nederlands Normalisatie Instituut (NEN)

898

1.150

1.153

1.038

1.203

1.181

1.058

• Internationale organisaties

1.916

3.276

2.676

2.627

2.627

2.627

2.627

• Raad van deskundigen voor de nationale meetstandaarden

 

60

60

60

60

60

60

               

ONTVANGSTEN

82.680

3.856.411

52.265

52.265

43.434

30.200

30.200

• High Trust

32.060

31.300

31.300

31.300

31.300

30.200

30.200

• Diverse ontvangsten

50.620

3.825.111

20.965

20.965

12.134

   

Budgetflexibiliteit

Subsidies: Het bedrag dat geraamd is in 2014 voor deze subsidie vloeit voort uit een verplichting die in het verleden is aangegaan; deze is dus 100% juridisch verplicht.

Opdrachten: Het geraamde bedrag voor uitgaven uit hoofde van opdrachten is voor 77% juridisch verplicht, het betreft uitfinanciering van in het verleden aangegane verplichtingen en uitgaven die op grond van de Aanbestedingswet worden gedaan door PIANOo en TenderNed.

Bijdragen aan agentschappen: Het budget betreft de financiering van de opdracht 2014 aan Agentschap Telecom en is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s: Van de totaal voor 2014 geraamde uitgaven voor artikel 11 is circa € 169 mln bestemd voor bijdragen aan ZBO's/RWT's. Hiervan is 100% niet flexibel inzetbaar in 2014 als gevolg van overeenkomsten met betrokken organisaties.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties: Over de contributies aan (inter)nationale organisaties zijn meerjarige afspraken gemaakt, de bedragen zijn voor 71% juridisch verplicht.

Toelichting op de financiële instrumenten

Subsidies

Digitalisering regionale radio

Dit betreft de uitfinanciering van de in 2011 afgegeven subsidiebeschikking aan de Stichting Regionale Omroep Overleg en Samenwerking. Dit zal worden aangewend voor investeringen in digitale radio voor regionale publieke omroepen.

Een indicatie voor het succes van de introductie van digitale radio is de penetratiegraad van digitale radio-ontvangers in huishoudens. Dit wordt gemonitord in de jaarlijkse uitgave «De Digitale Economie» van het CBS. Als in 2016 (een jaar voordat de verlengde vergunningen voor commerciële etherradio aflopen) bij de dan geplande evaluatie blijkt dat digitale radio (via de TDAB technologie) zoveel succes heeft dat het op relatief korte termijn de distributie via de analoge FM kan vervangen, wordt een afschakelmoment van de analoge FM vastgesteld (TK, 24 095, nr. 241). Belangrijke indicator voor dit succes is het percentage huishoudens dat over een TDAB-ontvanger beschikt en daarmee toegang heeft tot TDAB. Als dit in meer dan 50% van de huishoudens het geval is, ligt het in de rede om de analoge FM op termijn af te schakelen.

Indicator

Referentiewaarde 2012

Peildatum

Raming 2014

Streefwaarde

Planning

Bron

Penetratiegraad van digitale radioontvangers in huishoudens

3,9%

2012

15%

50%

2016

CBS

Opdrachten

Onderzoek en opdrachten

Dit betreft onderzoeksopdrachten die dienen ter ondersteuning van het beleid op het gebied van onder andere het marktordeningsbeleid, consumentenbeleid, aanbestedingsbeleid, Europese zaken en strategie.

PIANOo en TenderNed (aanbestedingsbeleid)

De in 2013 in werking getreden Aanbestedingswet beoogt een eenduidig en helder regelgevend kader te schetsen van de voorwaarden waaronder aanbestedende diensten hun opdrachten voor concurrentie moeten openstellen.

Een belangrijk element in het aanbestedingsbeleid vormt TenderNed. TenderNed is het elektronische aanbestedingssysteem, waardoor alle openbare (overheids)opdrachten op één centrale plaats te vinden zijn. TenderNed levert een belangrijke bijdrage aan de professionalisering van de overheidsinkoop en leidt daarnaast tot een vermindering van de administratieve lasten voor ondernemers. Ondernemers kunnen dankzij de verplichting voor aanbestedende diensten om op TenderNed te publiceren alle openbare (overheids)opdrachten vinden op één centrale plaats.

Daarnaast streeft Nederland ernaar dat ook op Europees niveau wordt gekomen tot vereenvoudiging en modernisering van de Europese aanbestedingsregels. Nederland participeert in de onderhandelingen tot herziening van de Europese aanbestedingsregels.

Beleidsvoorbereiding en evaluaties Frequenties en Veiligheid

De begrote bedragen (in totaal rond € 2,7 mln) zijn voor opdrachten met betrekking tot de volgende onderwerpen ten aanzien van frequenties:

  • De huidige vergunningen in de 2 GHz (UMTS) band lopen op 1 januari 2017 af. Het uitgiftebeleid voor de frequenties in deze band krijgt in 2014 zijn uitwerking.

  • De (her)uitgifte van frequenties voor omroeptoepassingen voor publieke en commerciële radio en televisie. Begin 2017 lopen de huidige DVBT-vergunningen (digitale ethertelevisie) van Digitenne (KPN) en de Publieke Omroep in het UHF-spectrum af. In 2014 worden voorbereidingen getroffen om de bestemming en de heruitgifte van dit spectrumdeel in goede banen te leiden.

  • Het bijdragen aan de besluitvorming op Europees niveau met betrekking tot de frequentiebanden die (geharmoniseerd) beschikbaar moeten worden gesteld voor mobiel breedband.

  • Het voorbereiden van de Wereld Radio Conferentie (WRC-15). Een WRC vindt eens in de vier jaar plaats en bepaalt de internationale kaders voor het nationale frequentiebeleid. Bijvoorbeeld de allocatie van additioneel spectrum voor mobiel breedband vindt hier plaats.

De begrote bedragen (in totaal rond € 1,2 mln) zijn daarnaast voor opdrachten met betrekking tot de continuïteit van netwerken internetveiligheid en cybersecurity:

  • Het versterken van de continuïteit van de telecommunicatienetwerken via onder andere bijdragen aan pilots om te komen tot regional roaming.

  • Het verhogen van internetveiligheid ondermeer in samenwerking met het Platform Internetveiligheid. Betreft onderwerpen als aanpak van botnets, veiligheid van hotspots, het verbeteren van de intrinsieke veiligheid van hard- en software, standaardisatie van privacyvoorwaarden en de veiligheid van mobiele toepassingen.

  • Uitvoering van het programma Digiveilig dat er op is gericht om eindgebruikers (met name individuele gebruikers, MKB en ZZP-ers) bewust te maken van een veilig internetgebruik en hen voor te lichten over, en tools te bieden voor, veilig internetten en veilig online zakendoen. Onderdeel hiervan vormt het mede organiseren van de campagne Alert Online als onderdeel van de Nationale Cybersecurity Strategie.

  • EZ verzorgt de Interdepartementale Coördinatie van de onderzoeksprogrammering Nationale Cybersecurity Research Agenda. EZ draagt hier voor € 200.000 aan bij.

  • EZ zal als vervolg op de 24 mei 2013 gepubliceerde brief aan de Tweede Kamer over e-privacy (TK, 32 761, nr. 49) een aantal acties in gang zetten voor de bewustwording van de eindgebruiker en de bedrijven van het belang van privacybescherming. De uitgaven hiervoor vallen deels onder het budget voor het lopende programma Digivaardig&Digiveilig.

Kengetal

2009

2010

2011

2012

Ambitie 2020

Concurrentie markt mobiele telefonie (HHI-index)

3.874

3.802

3.721

3.721

dalend

Bron: TNO

* betreft de waarde tot en met het 3e kwartaal 2012. Publicatie van het definitieve kengetal volgt in juni 2013

Toelichting

De Herfindahl-Hirschman Index (HHI) geeft een indicatie van de marktconcentratie, die afhankelijk is van enerzijds het aantal partijen in de markt (hoe meer partijen, des te lager de HHI) en anderzijds de marktaandelen van deze partijen (hoe groter het marktaandeel van de marktleiders, des te hoger de HHI). Bij dalingen van de HHI kan dus gesproken worden van toegenomen concurrentie. De betreffende HHI kijkt alleen naar de markt op netwerkniveau, dat wil zeggen dat het alleen naar de marktaandelen kijkt van partijen met een eigen netwerk. In de markt voor mobiele telefonie zijn echter ook partijen aanwezig die zelf diensten aanbieden, maar dat doen via de netwerken van de drie grote aanbieders. Het streven is dat door uitgifte van frequenties voor nieuwe mobiele toepassingen ook nieuwe partijen de markt kunnen betreden. Met de veiling voor frequenties voor de nieuwe generatie mobiele telecommunicatie is er een nieuwe netwerkaanbieder bij gekomen. Naarmate deze netwerkaanbieder marktaandeel gaat verwerven en vergroten zal de HHI-waarde kunnen dalen.

Bijdragen aan agentschappen

Agentschap Telecom

Agentschap Telecom draagt zorg voor de toelating tot het spectrum en ziet toe op het juiste gebruik daarvan. De begrote bedragen hebben betrekking op deze taken. De voornaamste taken zijn voorlichting in het kader van het antennebeleid, juridische procedures en een bijdrage voor werkzaamheden in het kader van vergunningvrije toepassingen.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Metrologie

Met de Metrologiewet worden nationale meetstandaarden beschikbaar gesteld, die de basis vormen van een internationaal herleidbare metrologische infrastructuur. Het gebruik van gecontroleerde meetinstrumenten bij het leveren van goederen draagt onder andere bij aan eerlijke handel en consumentenbescherming.

VSL B.V. ontwikkelt, beheert en onderhoudt de nationale meetstandaarden. Verispect B.V. houdt toezicht op de Metrologiewet en de Waarborgwet. In beide gevallen gaat het om een overeenkomst voor onbepaalde tijd.

Raad voor Accreditatie

De Raad voor Accreditatie (RvA) is een ZBO dat controleert of een keuringsinstantie, certificeringsinstantie, inspectie-instantie of een laboratorium aan de accreditatienormen voldoet. De taken van de Raad voor Accreditatie zijn vastgelegd in de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie. De RvA ontvangt jaarlijks een bijdrage van de Staat voor de kosten die de RvA maakt in het kader van Europese en internationale activiteiten die relevant zijn voor de accreditatie sector als geheel.

Autoriteit Consument en Markt (ACM)

Sinds 1 april 2013 is de uitoefening van het markttoezicht op de niet-financiële markten opgedragen aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM). De ACM voert de wettelijke taken uit die voorheen toekwamen aan de Nederlandse Mededingingsautoriteit, Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit en Consumentenautoriteit. De ACM is belast met het generieke mededingingstoezicht (Mededingingswet), generieke consumentenbescherming (Wet handhaving consumentenbescherming) en het sectorspecifieke markttoezicht in de sectoren energie, telecommunicatie, post en vervoer.

De apparaatsuitgaven van de ACM zijn geraamd op artikel 40, voor zover de kosten van de ACM niet worden doorbelast naar marktorganisaties die onder het ACM-toezicht vallen. Het bedrag geraamd op artikel 11 betreft de geraamde kosten van de leden van het bestuur van de ACM.

ConsuWijzer is het informatieloket van de ACM en biedt op laagdrempelige wijze informatie over de rechten en plichten van consumenten. ConsuWijzer geeft advies op maat over de stappen die de consument kan nemen om zijn recht te halen. Dit kan variëren van een bezoek aan de winkelier, het schrijven van een brief aan de leverancier tot het aanhangig maken van een geschil bij de Geschillencommissie of de rechter. Daarnaast heeft ConsuWijzer als doel om de ACM te voorzien van toezichtsinformatie (signaalfunctie). Voor meting van de effectiviteit van ConsuWijzer.nl wordt onderzocht wat het percentage consumenten is dat stappen heeft ondernomen na een bezoek aan de website. Tevens wordt de klanttevredenheid gemeten.

In de tweede helft van 2014 zullen tot slot de voorbereidingen worden gestart voor de externe evaluatie van de ACM die in de loop van 2015 moet zijn afgerond.

Kengetal

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2014

Streefwaarde

Planning

Bron

Percentage consumenten dat stappen heeft ondernomen na bezoek ConsuWijzer

46%

2011

47%

48%

2015

ACM

Klanttevredenheid Consuwijzer

7,4

2011

7,2

7,2

2015

ACM

Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)

Het CBS wil een toonaangevend kennisinstituut zijn dat kan inspelen op de vraag naar statistische informatie van beleid, wetenschap en maatschappij. Dit door het samenstellen en publiceren van onbetwiste, samenhangende, actuele statistische informatie die relevant is voor praktijk, beleid en wetenschap. Om dit te realiseren is het vereist dat de kwaliteit van de statistische informatie gegarandeerd is. Hiermee wordt de (wetenschappelijke) kwaliteit van de statistieken geborgd en wordt het CBS door de gebruikers als gezaghebbende bron van betrouwbare en valide statistische informatie beschouwd. Tevens wordt het optimaliseren van het gebruik van de statistieken van het CBS voor de ontwikkeling, uitvoering en evaluatie van beleid door onder meer de ministeries (en daarmee de maatschappelijke relevantie van het CBS) nagestreefd.

Voornaamste acties in 2014

Het CBS staat voor de opgave de kwaliteit te handhaven, nieuwe statistieken te introduceren, de toegang tot de output te waarborgen en tegelijkertijd te bezuinigen. Om de bezuinigingen op te vangen zal de efficiency worden verhoogd en moet een beperkt aantal statistieken worden beëindigd, in frequentie worden verlaagd of worden versoberd.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Nederlands Normalisatie Instituut (NEN)

Het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) ontvangt een bijdrage van de Staat voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden die voortvloeien uit Verordening (EU) Nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012. Deze betreffen Europese normalisatie en de Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen die over het geven van informatie over normen gaan. Tevens is de bijdrage bedoeld voor het informeren van Nederlandse belanghebbenden over de initiatieven van de Europese en mondiale normalisatie-instellingen. Daarnaast gebruikt het NEN de bijdrage voor de contributies die het NEN is verschuldigd aan de Europese en mondiale normalisatie-instellingen en voor de controle van de juistheid van verwijzingen in regelgeving naar normen en kennisgeving aan ministeries van het vervallen en vervangen van normen.

Internationale organisaties

Dit betreft bijdragen aan:

  • International Telecommunications Union (ITU): De activiteiten in de ITU zullen zich richten op de werkzaamheden van de Radiocommunicatiesector, nl. de wereldwijde toewijzing van radiofrequenties aan categorieën van diensten en de toewijzing van ruimteposities aan satellietsystemen. Ook zal actief worden deelgenomen aan de voorbereidingen van de ITU-Plenipotentiare Conferentie van 2014. Tijdens deze Conferentie wordt het strategisch plan van de ITU voor de periode 2015–2018 vastgesteld en het daaraan gekoppelde operationele en financiële plan. De ITU speelt als gespecialiseerd agentschap van de VN ook een vooraanstaande rol bij de verdere ontwikkeling van de Informatiemaatschappij en aan het overbruggen van de «digitale kloof» tussen de ontwikkelde en de ontwikkelingslanden (WSIS). In dat kader zal ingezet moeten worden op het versterken van de «multistakeholder benadering» en aan een besturingsmodel dat is gebaseerd op een open, beschikbaar en toegankelijk internet.

  • Universal Postal Union (UPU): Binnen de UPU zal worden gewerkt aan het uitvoeren van alle afspraken die zijn gemaakt in oktober 2012 tijdens de vierjaarlijkse UPU Conferentie, waaronder het strategisch plan voor 2013–2016.

  • European Conference of Postal and Telecommunications Administrations (CEPT): De inzet in de ITU wordt regionaal voorbereid, voor landen in Europa is daarvoor CEPT het aangewezen kanaal. Daarnaast zal in CEPT verder worden gewerkt aan regionale afspraken over nummers en frequentieverdelingen en aan (technische) mandaten van de Europese Commissie. De rapporten die CEPT opstelt aan de hand van deze mandaten vormen een belangrijke input voor besluiten in het Radio Spectrum Comité van de EU. EZ draagt jaarlijks bij aan de kosten van ERO (het permanente ondersteunende bureau van CEPT in Kopenhagen).

  • The Internet Corporation for Assigned Names and Numbers/Governmental Advisory Committee (ICANN/GAC): EZ financiert samen met Brazilië en Noorwegen het secretariaat van ICANN/GAC tot en met 2015. Dit versterkt de slagkracht van overheden binnen ICANN, de organisatie die wereldwijd het domeinnamensysteem (de basis van het internet) coördineert.

  • Internet Governance Forum (IGF): Het Internet Governance Forum is het discussieforum waar ontwikkelingen op het gebied van internet met alle betrokken partijen (overheid, markt, non-profit organisaties) worden besproken. EZ doneert vooralsnog tot 2015 jaarlijks een bedrag aan het IGF, met name ter ondersteuning van het IGF-secretariaat. Verder subsidieert EZ (via DG B&I) ECP onder meer voor de jaarlijkse voorbereiding van het NL IGF platform (multistakeholders-platform)

  • Internationale organisaties Metrologie. Het gaat om bijdragen op het gebied van metrologie die vastliggen in internationale verdragen (Organisation Internationale de Métrologie Légale (OIML), WELMEC, Bureau International des Poids et Mesures (BIPM)).

Raad van deskundigen voor de nationale meetstandaarden

Het geraamde bedrag betreft vergoedingen voor de leden van de op grond van de Metrologiewet verplicht ingestelde adviesraad, kosten secretariaat en vergaderkosten. De Raad is een technisch specialistisch adviescollege als bedoeld in de Kaderwet adviescolleges. De Raad oefent toezicht uit op de verwezenlijking en het beheer van onze nationale meetstandaarden en geeft gevraagd en ongevraagd advies over meetstandaarden en grootheden.

Toelichting op de ontvangsten

High Trust

Betreft raming van ontvangsten van boetes die toezichthouders van EZ opleggen en waar – in het kader van het zogenaamde High Trust-beleid – een meerjarige raming voor wordt aangehouden. Verreweg het grootste deel van de ontvangsten betreft boetes die opgelegd worden door de ACM.

Diverse ontvangsten

Betreft ramingen voor ontvangsten uit hoofde van het beleid inzake Telecommunicatie.

Budgettair belang fiscale maatregelen

Bedragen x € 1 mln
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

BTW-vrijstelling Post

169

177

172

166

161

156

151

12 Een sterk innovatievermogen

Algemene doelstelling

Een sterker innovatievermogen van de Nederlandse economie.

  • De ambitie is dat Nederland in 2020 mondiaal tot de top 5 van de kenniseconomieën behoort. Nederland neemt nu de achtste plaats in op de ranglijst van het World Economic Forum.

  • In het kader van de Europa 2020-strategie stelt Nederland zich daarnaast ten doel dat in 2020 2,5% van het bruto binnenlands product aan onderzoek en ontwikkeling (R&D) wordt uitgegeven.

  • Bovendien is het een ambitie van het bedrijvenbeleid dat publieke en private partijen in 2015 voor tenminste € 500 mln participeren in Topconsortia voor Kennis en Innovatie, waarvan tenminste 40% wordt gefinancierd wordt door het bedrijfsleven.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is – vanuit zijn Rijksbrede verantwoordelijkheid voor innovatiebeleid – verantwoordelijk voor:

Stimuleren

  • Het stimuleren van extra investeringen in R&D en innovatie door alle bedrijven, inclusief het MKB.

  • Het stimuleren van privaatpublieke samenwerking tussen kennisinstellingen en bedrijven, zoals in de topconsortia voor kennis en innovatie (TKI).

  • Het stimuleren van de toegang tot (risico)kapitaal voor bedrijven, middels het Innovatiefonds MKB+.

  • Het stimuleren van Europese en internationale samenwerking op het gebied van R&D en innovatie.

Regisseren

  • De kabinetsbrede regie van het topsectorenbeleid en de invulling van de kennis- en innovatiecontracten.

  • Het regisseren van een effectief stelsel voor kennisbescherming en benutting.

  • De Minister van EZ en de bewindslieden van OCW coördineren en borgen de publieke kennisinfrastructuur voor toegepast en fundamenteel onderzoek.

  • Het regisseren van het Nederlandse lucht- en ruimtevaartbeleid.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2014

Streefwaarde

Planning

Bron

R&D-uitgaven als % van het BBP 1

2,02%

2011

%

2,5%

2020

CBS

• waarvan private sector

1,13%

2011

1,13%

n.v.t.

 

CBS

• waarvan publieke sector

0,88%

2011

0,88%

n.v.t.

 

CBS

X Noot
1

De getoonde uitsplitsing van R&D-uitgaven naar publieke en private sector heeft betrekking op de sector waarbinnen het onderzoek wordt uitgevoerd, niet op de financieringsbron. De publiek gefinancierde R&D-uitgaven (inclusief WBSO) zijn voor 2011 te becijferen op 0,88% van het BBP, de privaat gefinancierde R&D-uitgaven (na aftrek van WBSO) op 1,13% van het BBP. Deze raming inclusief uitsplitsing is door EZ gedaan op basis van de recentste gegevens over de publieke financiering van R&D van het Rathenau Instituut.

Kengetallen: Innovatieprestaties van Nederland

Kengetal

2008

2009

2010

2011

2012

Ambitie 2014

Innovation Union Scoreboard: positie Nederland in EU27

9e

9e

8e

7e

5e

Positie verbeteren

Aantal bij PCT 1 aangevraagde octrooien,

         

Positie verbeteren

• per mld euro BBP (in purchasing power parity (PPP) €)

   

6,44

6,39

6,24

 

• positie Nederland in EU-27

   

4e

5e

5e

 

Aantal bij OHIM 2 aangevraagde handelsmerken,

         

Positie verbeteren

• per mld euro BBP (in PPP €)

   

7,74

7,46

7,18

 

• positie Nederland in EU-27

   

5e

7e

9e

 

Bron: Europese Commissie (Innovation Union Scoreboard 2010, 2011, 2013)

X Noot
1

Het Patent Cooperation Treaty wordt uitgevoerd door de World Intellectual Property Organisation (WIPO), het agentschap van de Verenigde Naties dat onder andere internationaal aangevraagde octrooien registreert.

X Noot
2

Het Office for Harmonisation in the Internal Market (OHIM) is het EU-agentschap dat onder andere handelsmerken registreert die in de gehele EU-27 geldig zijn.

Toelichting

Het Innovation Union Scoreboard (IUS) van de Europese Commissie geeft een totaalbeeld van de innovatieprestaties van EU-landen aan de hand van 24 indicatoren. De relatieve prestatie van Nederland binnen het IUS vertoont in de periode 2007–2012 een opwaartse lijn; van de 10e naar de 5e plaats.

De kengetallen op het terrein van intellectueel eigendom – aangevraagde octrooien en handelsmerken – uit het IUS werpen licht op de mate van doorstroming van (technologische) kennis naar nieuwe producten en diensten. Handelsmerken zijn met name relevant voor landen zoals Nederland met een relatief omvangrijke dienstensector, zo blijkt uit recent onderzoek. Ruim 58% van de onderzochte geregistreerde Beneluxmerken verwijst naar innovatie 8.

Kengetal

2006

2008

2010 1

2012

Ambitie 2014

Aandeel innoverende bedrijven:

         

• Industrie (EU27-gemiddelde)

42%

42% (44%)

53% (44%)

N.n.b.

Aandeel handhaven

• Diensten (EU27-gemiddelde)

32%

31% (35%)

44% (35%)

N.n.b.

Aandeel handhaven

Aandeel innoverende bedrijven dat (de laatste drie jaar) technologisch heeft samengewerkt met publieke partijen:

         

• Researchinstellingen (EU27-gemiddelde)

8%

10% (6%)

6% (6%)

N.n.b.

Aandeel verhogen

• Universiteiten (EU27-gemiddelde)

11%

14% (10%)

8% (11%)

N.n.b.

Aandeel verhogen

Bron: CBS en Eurostat (uitkomsten van innovatie-enquêtes, die tweejaarlijks worden gehouden)

X Noot
1

enquêtemethode gewijzigd

Toelichting

Het aandeel innoverende bedrijven geeft het percentage bedrijven weer dat de laatste drie jaar bezig is geweest met technologische innovatie. Het aandeel innoverende bedrijven dat de laatste drie jaar heeft samengewerkt met publieke partijen is vervolgens een maatstaf voor publiekprivate interactie bij innovatie. Het aandeel innoverende bedrijven in de Nederlandse industrie en dienstverlening is bij de meting over 2010 fors hoger dan in de vorige edities van de innovatie-enquête. Het CBS verklaart dit voor een belangrijk deel uit de introductie van digitale enquêteformulieren. Van de grotere groep innoverende bedrijven blijkt een kleiner aandeel samen te werken met een kennisinstelling.

Beleidswijzigingen

De TKI-toeslagregeling 2014 zal op basis van de in 2013 opgedane ervaring worden vereenvoudigd en verruimd. Voorts zal een stroomlijning met de MIT-regeling 2014 plaatsvinden.

Het kabinet heeft besloten een stimuleringspakket op het terrein van bedrijfsfinanciering in te zetten. De onderstaande onderdelen uit dit pakket zullen neerslaan op dit begrotingsartikel, onderdeel innovatiefonds MKB+:

  • Impuls voor vroege fase financiering en informal investors (€ 75 mln).

  • De Innovatiekredietbijdrage wordt tot uiterlijk 01-01-2014 verhoogd van 35% naar maximaal 50% voor de MKB-doelgroep.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

VERPLICHTINGEN

655.501

860.302

589.198

611.979

519.682

503.784

487.935

UITGAVEN

745.806

891.484

814.790

715.271

608.666

553.815

536.428

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

70%

       
               

Leningen

39.646

164.605

95.814

107.975

76.538

58.509

58.933

– Innovatiefonds (IF): innovatiekrediet

27.296

64.914

67.459

76.342

42.542

37.367

32.362

– IF: risicokapitaal

12.350

15.591

15.555

17.033

19.296

9.642

19.979

– IF: Vroege fase / informal Investors

 

75.000

         

– IF: Fund of Funds

 

9.100

12.800

14.600

14.700

11.500

6.592

Subsidies

124.365

92.259

64.577

39.145

34.901

35.298

31.884

– Innovatie Prestatie Contracten

44.019

18.219

1.084

0

0

0

0

– Eurostars

5.680

6.738

7.916

10.162

13.117

13.750

14.800

– Lucht- en Ruimtevaart

22.434

17.055

20.281

5.290

4.873

4.301

1.798

– Overig

52.232

50.247

35.296

23.693

16.911

17.247

15.286

Opdrachten

2.366

2.420

2.633

1.622

1.696

1.696

1.696

– Onderzoek en opdrachten

2.366

2.420

2.633

1.622

1.696

1.696

1.696

Bijdragen aan agentschappen

75.197

71.923

64.882

60.891

50.829

46.463

49.280

– Agentschap NL

75.130

71.782

64.741

60.750

52.856

51.268

55.169

– Agentschap Telecom

67

141

141

141

141

141

141

– Nader te verdelen taakstelling Rijksdienst

       

– 2.168

– 4.946

– 6.030

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

150.833

142.009

133.761

117.953

111.976

109.693

108.490

– TNO

150.833

142.009

133.761

117.953

115.002

116.596

116.906

– Nader te verdelen taakstelling Rijksdienst

       

– 3.026

– 6.903

– 8.416

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

353.399

418.268

453.123

387.685

332.726

302.156

286.145

– Toeslag Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI-toeslag)

 

56.050

101.561

111.264

122.977

130.873

130.867

– Internationaal Innoveren

   

4.000

14.000

24.000

34.000

40.000

– Grote Technologische Instituten (GTI’s)

49.047

54.471

40.973

40.339

29.984

30.019

29.884

– Topsectoren overig

223.355

207.957

215.097

145.674

77.891

42.106

31.273

– Syntens

31.453

19.919

         

– Ruimtevaart (ESA)

48.805

79.343

90.259

75.175

76.641

63.925

52.888

– Overig (inclusief onderzoeksprojecten)

739

528

1.233

1.233

1.233

1.233

1.233

               

ONTVANGSTEN

70.496

57.769

49.968

55.438

56.415

58.833

60.841

– Luchtvaartkredietregeling

1.519

1.682

2.102

3.800

5.777

9.695

12.203

– Technische Ontwikkelingsprojecten (TOP)

3.939

5.000

4.000

3.000

2.000

500

0

– Rijksoctrooiwet

36.787

31.212

31.212

31.212

31.212

31.212

31.212

– Innovatiekredieten

5.980

5.544

9.816

14.588

14.588

14.588

14.588

– Seed

585

           

– Eurostars

1.143

2.056

1.250

1.250

1.250

1.250

1.250

– Diverse ontvangsten

20.543

12.275

1.588

1.588

1.588

1.588

1.588

Budgetflexibiliteit

Leningen: Het budget 2014 voor het Innovatiefonds is voor 58% juridisch verplicht.

Subsidies: De beleidsbudgetten worden per jaar gepubliceerd. Van het beschikbare budget 2014 is 58% juridisch verplicht. Het betreft onder andere uitfinanciering van tot en met 2013 aangegane verplichtingen. Het budget voor de regeling MKB Innovatiestimulering Topsectoren (MIT) van € 22 mln (32% van het totale budget subsidies) is nog niet juridisch verplicht. Dit zal in 2014 plaatsvinden. Van het totale budget subsidies heeft 3% betrekking op de rente luchtvaartkredietregeling. Dit budget is bestuurlijk gebonden.

Opdrachten: Van het opdrachtenbedrag is 91% juridisch verplicht. Het betreft de uitfinanciering van in voorgaande jaren aangegane verplichtingen.

Bijdragen aan agentschappen: Het budget betreft de financiering van het opdrachtenpakket 2014 aan Agentschap NL en aan Agentschap Telecom en is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen ZBO’s/RWT’s: Het budget betreft de uitfinanciering van de commitering 2014 aan TNO. Het budget is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties: Van dit bedrag is 61% juridisch verplicht. Dit betreft vooral de bijdragen aan Nationaal Lucht en Ruimtevaartlaboratorium, Stichting Technische Wetenschappen, verschillende Technologische Topinstituten en de uitfinanciering van de verschillende innovatieprogramma’s. Een deel van het budget van de TKI-toeslagregeling, circa € 77 mln, is nog niet juridisch verplicht. Dit betreft circa 17% van het totale budget aan (inter)nationale organisaties. De juridische verplichting van dit budget zal naar verwachting in 2014 plaatsvinden. Van de uitgaven aan (inter)nationale organisaties is 9% bestuurlijk gebonden. Dit betreft onder andere de uitgaven aan NWO, Deltares, Marin en de Adviesraad voor Wetenschaps- en Technologiebeleid.

Toelichting op de financiële instrumenten

Samenhang instrumenten in het innovatiebeleid

Het innovatiebeleid heeft twee sporen: het generieke spoor en het specifieke spoor. Het generieke spoor bestaat uit het fiscale innovatie-instrumentarium (WBSO, RDA, innovatiebox), het Innovatiefonds MKB+ en enkele andere instrumenten. Dit betreft verreweg het grootste deel van het totale innovatiebudget (fiscaal en niet-fiscaal). Daarvan komt het grootste deel terecht bij het MKB, zowel in gebruikers (circa 95% in 2012) als in budget (circa 65% in 2012) 9. De generieke instrumenten beogen – tegen geringe uitvoeringskosten – bedrijven in de volle breedte van de economie aan te zetten tot innovatie.

Het specifieke spoor heeft betrekking op de topsectorenaanpak. Een essentieel onderdeel daarvan wordt gevormd door de innovatiecontracten in de topsectoren. Daarin formuleren bedrijven, kennisinstellingen en overheden, samen de «gouden driehoek», op het gebied van innovatie en kennis de agenda’s en de programma’s, waarbij ook de inzet van middelen van de betrokken partijen is bepaald. Vanuit budgettaire optiek zijn hier de bijdragen aan de kennisinstellingen (TNO, GTI’s) en de TKI-toeslag van belang.

Een goede verbinding met de initiatieven van de EU en andere landen is integraal onderdeel van het Nederlandse innovatiebeleid. Essentieel is de band tussen de topsectoren en de EU-programma’s op het terrein van kennis en innovatie. Het topsectorenbeleid maakt bovendien gerichter werk van bilaterale contacten en economische diplomatie.

Leningen

Innovatiefonds MKB+

Het Innovatiefonds MKB+ bestaat uit het Innovatiekrediet, de Seed capital-regeling en het Fund of Funds. Het Innovatiekrediet vergemakkelijkt de toegang tot vreemd vermogen voor MKB en grootbedrijf. De Seed capital-regeling ondersteunt starters in high tech en creatieve sectoren bij het verwerven van eigen vermogen (early stage risicokapitaal). Het Fund of Funds maakt deel uit van het Innovatiefonds ter ondersteuning van de later stage risicokapitaalmarkt. Dit initiatief is samen met het Europees Investeringsfonds (EIF) opgezet, dat ook € 50 mln bijdraagt, waarmee in totaal een investeringsfonds van € 150 mln beschikbaar komt. Deze drie instrumenten verlagen het risico voor private vermogensverschaffers om innovatieprojecten van bedrijven te financieren en voorzien in de behoefte van bedrijven voor een betere toegang tot risicokapitaal voor innovatie. Het fonds heeft een revolverend karakter; opbrengsten van succesvolle innovaties vloeien weer terug in het fonds, zodat ze weer opnieuw kunnen worden ingezet. In totaal is voor de periode 2012–2015 een bedrag van € 500 mln via het fonds beschikbaar. Conform verwachting zal ultimo 2013 ongeveer de helft van het fonds een bestemming hebben gekregen.

Als onderdeel van het stimuleringspakket heeft het kabinet tenslotte besloten om het innovatiefonds te versterken met een aantal concrete maatregelen. Er wordt in totaal € 75 mln bestemd voor vroege fase financiering en investeringen van informal investors in jonge en kleine bedrijven. Hierbij wordt maximale aansluiting gezocht bij het MKB-innovatiefonds verzekeraars (bijvoorbeeld door een financiële bijdrage van het Rijk van € 20 mln). Vroege fase financiering is bedoeld voor innovatieve startende bedrijven en het bestaande innovatieve MKB met ambitieuze groeiplannen. Deze financiering stelt bedrijven in staat om een eerste prototype te maken en hun businessmodel verder uit te werken teneinde in staat te zijn zelfstandig vervolginvesteringen aan te trekken. Met het bieden van een cofinanciering op investeringen van informele investeerders in met name jonge innovatieve en kleine bedrijven wordt financiering geboden voor een groep bedrijven die, mede door de aanscherping van de regelgeving (Basel III) en de crisis, moeilijk aan financiering kan komen. Deze twee instrumenten sluiten op elkaar aan en ondersteunen de de moeilijk te financieren eerste doorgroei van innovatieve startende bedrijven en ambitieus bestaand MKB. Daarnaast wordt het bestaande innovatiekrediet verruimd voor kleine bedrijven en voor MKB-bedrijven die samenwerken. Dit betekent dat de overheidsbijdrage aan innovatieprojecten binnen het innovatiekrediet voor deze doelgroepen wordt verhoogd van 35% naar 45% respectievelijk 50%.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Streefwaarde 1

Planning

Bron

Aantal bedrijven dat Innovatiekrediet gebruikt

36

2012

34

2014

AgNL

Omvang private R&D-uitgaven ondersteund met een Innovatiekrediet (x € 1 mln)

159

2012

174

2014

AgNL

Aantal participaties via SEED en Fund of Funds 2

29

2010

>30

2014

AgNL/EIF

Omvang gestimuleerd risicokapitaal voor innovatieve bedrijven door SEED en Fund of Funds (x € 1 mln)

43

2010

>40

2014

AgNL/EIF

X Noot
1

streefwaarde = raming 2014

X Noot
2

In 2010 was alleen de SEED-capitalregeling actief.

Toelichting

EZ hanteert voor de innovatiekredieten een indicator die aangeeft hoeveel private R&D-uitgaven worden ondersteund met het innovatiekrediet. De streefwaarde voor 2014 (€ 174 mln) is vastgesteld op basis van het beschikbare verplichtingenbedrag voor innovatiekredieten in 2014 (€ 61 mln) en het feit dat EZ maximaal 35% van de subsidiabele innovatieprojectkosten financiert. De verwachting is dat hiermee in 2014 ongeveer 34 bedrijven kunnen starten met hun innovatieprojecten.

Voor het stimuleren van de risicokapitaalmarkt via de SEED-capitalregeling en het Fund of funds is een relevante indicator hoeveel participaties de overheid genomen heeft in private risicokapitaalfondsen. Daarnaast wordt een indicator gehanteerd die aangeeft hoeveel risicokapitaal in totaal (private en overheidsbijdrage) beschikbaar komt voor innovatieve ondernemingen. De streefwaarde voor 2014 is minimaal € 40 mln.

Subsidies

MKB innovatiestimulering Topsectoren (MIT) en InnovatiePrestatieContracten (IPC)

In 2013 werd de regeling InnovatiePrestatieContracten (IPC) uitgevoerd met een budget van € 7,75 mln. Ongeveer 250 ondernemers namen dat jaar deel aan een IPC. Dit was tevens het laatste uitvoeringsjaar voor het IPC. Vanaf 2014 is alleen nog sprake van afronding van de projecten die in 2012 en 2013 zijn gestart.

Het IPC budget is in 2013 al voor een belangrijk deel aangewend voor de nieuwe regeling MKB Innovatiestimulering Topsectoren (MIT). Vanaf 2014 wordt het voor IPC gereserveerde budget (€ 15 mln, na invulling subsidietaakstelling) volledig ingezet op deze nieuwe MIT-regeling. In 2014 zal het budget voor de MIT daarbij worden gehandhaafd op het niveau van 2013 (€ 22 mln). Daarnaast zullen gesprekken met de regio worden gevoerd over nauwere samenwerking en stroomlijning. Ten slotte zal, bij wijze van pilot, worden toegestaan dat TKI's een deel van de door hen verdiende TKI-toeslag in kunnen zetten voor een verhoging van de MIT-regeling voor de betreffende topsector. Binnen de MIT kan gebruikt gemaakt worden van verschillende instrumenten, waaronder haalbaarheidsonderzoeken, R&D- samenwerkingsprojecten en IPC’s. Daarnaast kunnen TKI’s binnen het MIT subsidie aanvragen voor netwerkactiviteiten en innovatiemakelaars voor het MKB.

Het budget voor de MIT regeling wordt verdeeld over de topsectoren en de sector doorsnijdende thema’s (biobased en ICT). De topteams hebben een grote mate van betrokkenheid ten aanzien van de aanwending van de middelen die per sector zijn vastgelegd. De voorkeur van de topteams voor een bepaalde mix van inovatie-instrumenten en de thema's waarbinnen de aanvragen van MKB-ondernemers moeten passen zal daarom in beginsel worden gevolgd.

De doelstellingen van de MIT zijn:

  • 1. zoveel mogelijk ondernemers aan te laten sluiten bij de topsectoren. De streefwaarde wordt uitgedrukt in aantallen deelnemers aan MIT.

  • 2. innovatieve bedrijven zoveel mogelijk te laten samenwerken bij onderzoek en innovatie, zowel met elkaar als met kennisinstellingen. Dit doel zal op termijn getoetst worden in een evaluatie van het instrument. Daarnaast zal op termijn worden nagegaan waar de diverse projecten toe hebben geleid in termen van bijvoorbeeld vervolgonderzoek en ontwikkelen van nieuwe producten.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Streefwaarde

Planning

Bron

Aantal bedrijven dat deelneemt aan MIT

1.500

2013

600

2014

AgNL

Omvang private R&D-uitgaven ondersteund met MIT (x € 1 mln)

€ 30

 

€ 45

 

AgNL

Toelichting

Aangezien de MIT-regeling in 2013 haar eerste rondes voor projectvoorstellen heeft gehouden, zijn de referentiewaarde en de streefwaarde gebaseerd op de verwachte waarden in 2013.

De referentiewaarde voor het aantal deelnemers geldt voor de instrumentenmix in 2013. Een andere mix (bv minder vouchers en meer samenwerkingsprojecten) kan tot andere aantallen deelnemers leiden.

Eurostars

De regeling Eurostars is met name gericht op het high-tech MKB en ondersteunt bedrijven en kennisinstellingen die met buitenlandse partijen in Europa willen samenwerken in projecten die gericht zijn op marktgericht technologisch onderzoek en ontwikkeling.

Het jaar 2014 zal in het teken staan van de start van Eurostars II, het vervolg op het huidige zevenjarige Eurostars-programma dat eind 2013 afloopt. De verwachting is dat het nieuwe programma ten opzichte van het huidige aanzienlijk zal groeien door een hogere bijdrage van de diverse landen en van de Europese Commissie als cofinancier. Met deze hogere bijdragen wordt tegemoetgekomen aan de grote belangstelling vanuit bedrijven en kennisinstellingen. Het nieuwe programma zal op belangrijke punten verder worden verbeterd. Zo zal met name de tijd die gemoeid is met het afhandelen van de aanvraag- en goedkeuringsprocedure van projectvoorstellen worden gereduceerd.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Streefwaarde 1

Planning

Bron

Aantal Nederlandse deelnemers aan Eurostars

44

2012

66

2014

AgNL

• waarvan bedrijven

37

 

50

   

• waarvan high-tech MKB (%)

89%

 

85%

   

Door Eurostars ondersteunde private R&D-uitgaven van Nederlandse deelnemers (mln euro)

11,1

2012

15,5

2014

AgNL

X Noot
1

Streefwaarde = raming 2014

Toelichting

De referentiewaarden in bovenstaande tabel hebben betrekking op alle projecten die in 2012 gerealiseerd werden. Wat het aantal deelnemers betreft tonen bovenstaande cijfers unieke organisaties die in 2012 één of meermalen succesvol aan een call hebben deelgenomen. De omvang van de ondersteunde private R&D-uitgaven is de som van de door deelnemers (bedrijven) opgegeven subsidiabele kosten op het moment van commitering. Dankzij hun deelname aan Eurostars-projecten krijgen Nederlandse organisaties ook toegang tot de kennis en R&D-resultaten van hun buitenlandse partners. De totale omvang (inclusief subsidie en bijdragen van kennisinstellingen) van de Eurostars I-projecten met Nederlandse deelname bedroeg sinds 2007 tot en met 2012 € 150 mln.

De Europese Commissie heeft bekend gemaakt € 287 mln beschikbaar te willen stellen voor het Eurostars-II-programma tijdens de looptijd van H2020. Hierover moet nog besluitvorming plaatsvinden in de Raad en het Europees Parlement.

Bovengenoemde streefwaarden gaan uit van continuering van de situatie in de periode 2007–2014, waarin er vanuit de EU 25% werd bijgedragen van het bedrag dat nationale overheden aan financiering voor Eurostars-projecten toekenden. Op dit moment zijn ook de voorwaarden waaronder de verschillende soorten mogelijke deelnemers aan een projectconsortium (kennisinstellingen, MKB'ers en grote bedrijven) in Eurostars II zullen worden ondersteund, nog onderwerp van internationaal overleg. De streefwaarden voor 2014 hierboven gaan uit van de regels zoals die nu (onder Eurostars I) gelden.

Lucht- en Ruimtevaart

Deze post heeft betrekking op de uitfinanciering van het specifieke luchtvaartbeleid (met name de luchtvaartkredietregeling) en op nationale ruimtevaartprogramma’s, zoals de Prekwalificatie ESA-programma’s.

Opdrachten

Onderzoek en opdrachten

Uit dit budget worden beleidsonderzoek, verplichte evaluaties van beleidsinstrumenten en beleidsdoorlichtingen gefinancierd.

Bijdragen aan agentschappen

Agentschap NL

De uitvoering van een deel van de innovatie-instrumenten, zoals WBSO, RDA, Innovatiefonds MKB+, Eurostars en het kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling (Horizon 2020), wordt verzorgd door Agentschap NL. Dit betreft activiteiten als beoordeling van aanvragen, bedrijfscontroles, voorlichting over de instrumenten en het terugontvangen van kredieten. Daarnaast heeft Agentschap NL ook andere taken:

  • Het netwerk van Innovatie Attachés (voorheen Technisch Wetenschappelijk Attachés) is een onderdeel van Agentschap NL en bevordert de samenwerking van Nederlandse bedrijven, kennisinstellingen en overheidsorganisaties met het buitenland met als doel het innovatievermogen van Nederland te versterken. Daarbij concentreert het zich op de internationalisering van de innovatiecontracten van de topsectoren en speelt het in op nieuwe technologische ontwikkelingen die voor de Nederlandse kenniseconomie en de hele innovatieketen van belang zijn.

  • Een goed functionerend stelsel van intellectuele eigendomsrechten is een belangrijke voorwaarde voor een innoverende en dynamische economie. Essentieel daarbij is het vinden van de juiste balans tussen enerzijds kennisbescherming en anderzijds de verspreiding en benutting van kennis. De uitvoeringsorganisatie NL-Octrooicentrum (NL-OC, onderdeel van Agentschap NL) is belast met de verlening en registratie van octrooien, de inning van taksen en de uitvoering van andere wettelijke taken onder de Rijksoctrooiwet 1995 (plus de nakoming van Europese en internationale verplichtingen). Voor het stimuleren van het gebruik van het octrooisysteem en van de kennis die in octrooidatabanken is opgeslagen, geeft NL-OC voorlichting aan bedrijven, kennisinstellingen en overheden.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

TNO

De deels publiek gefinancierde kennisinfrastructuur voor toegepast onderzoek in Nederland bestaat met name uit TNO en de vijf zogenoemde «Grote Technologische Instituten» (GTI’s). EZ investeert samen met enkele andere ministeries in deze instituten, omdat hier onafhankelijk onderzoek in Nederland plaatsvindt dat kansen kan creëren voor innovatie en economische groei.

TNO is het grootste instituut voor (natuurwetenschappelijk) toegepast onderzoek. Het bestrijkt een breed onderzoeksgebied en is daarmee het enige instituut dat kennis ontwikkelt op het terrein van alle topsectoren. Daarnaast ontwikkelt het kennis op een aantal maatschappelijke thema’s, met name defensie, maatschappelijke veiligheid, leefomgeving, arbeid en gezondheid en ICT.

De belangrijkste uitdagingen voor 2014 inzake toegepast onderzoek zijn:

  • verdere uitwerking geven aan de rol die TNO speelt in de innovatiecontracten en de Topconsortia voor Kennis en Innovatie;

  • een scherpere balans tussen een sterke publieke kennisbasis en het flexibel inspelen op- en nader invullen van de vraag uit de topsectoren;

  • een zodanige financieringswijze en uitvoering van onderzoek dat onbedoelde concurrentie tussen de publiek gefinancierde instituten en private partijen zoveel mogelijk wordt vermeden.

Met de Kabinetsvisie op toegepast onderzoek (TK, 32 637, nr. 68) zijn hiervoor beleidsmaatregelen aangekondigd die in 2014 zullen worden uitgevoerd. Onderdeel hiervan is een heroverweging van de ZBO-status van TNO.

Met de indicator «klanttevredenheid cofinanciers bij kennisontwikkeling TNO» wordt de algemene tevredenheid gemeten van bedrijven (MKB en grootbedrijf) die aan cofinancieringprojecten deelnemen in het onderzoeksprogramma van TNO. Deze is opgenomen in de tabel bij de GTI’s. Dit geldt ook voor de indicator «kennisbenutting».

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Toeslag Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI-toeslag)

In 2013 zijn de Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s) gestart met het bundelen en stroomlijnen van de onderzoeksprogrammering in de gehele kennisketen. Mede om de werkwijze van de TKI’s te vereenvoudigen heeft het kabinet samen met alle belanghebbenden en de topteams afspraken gemaakt over de programmering van fundamenteel en toegepast onderzoek en bijbehorende modellen voor intellectueel eigendom. Met de verdere vereenvoudiging en uniformiteit van de werking van de TKI’s zal ook de werking van de TKI toeslag vereenvoudigen. De TKI-toeslagregeling zal daarnaast worden aangepast en verruimd op basis van de opgedane ervaring in de uitvoering. Hierbij zullen ook de innovatie-activiteiten uit de TKI-toeslagregeling en de MIT-regeling op een meer logische en geharmoniseerde wijze worden ondergebracht in deze regelingen. Ten slotte zal, bij wijze van pilot, worden toegestaan dat TKI's een deel van de door hen verdiende TKI-toeslag in kunnen zetten voor een verhoging van MIT-regeling voor de betreffende topsector.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2014

Streefwaarde

Planning

Bron

Omvang middelen PPS-projecten TKI (x € 1 mln)

n.v.t.

n.v.t.

550

500

2015

AgNL

• waarvan private middelen (%)

n.v.t.

n.v.t.

40%

40%

2015

AgNL

Toelichting

De geraamde private bijdrage aan de TKI's bedraagt in 2013 maximaal € 319 mln. Begin 2014 wordt duidelijk welke private bijdragen in 2013 daadwerkelijk gerealiseerd zijn.

Horizon 2020/Internationaal Innoveren

Het zevende kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling (KP7) loopt eind 2013 af. Horizon 2020 (looptijd 2014–2020) is het nieuwe programma voor onderzoek en innovatie en omvat programma’s zoals die nu in KP7 zitten, de innovatiegerelateerde onderdelen die in de periode 2007–2013 waren ondergebracht in het Concurrentiekracht en Innovatieprogramma (CIP), en het Europees Instituut voor Innovatie en Technologie (EIT). Het doel is de wetenschappelijke en technologische basis van Europa te versterken, evenals de concurrentiekracht van het Europese bedrijfsleven. Daarnaast is benutting van kennis voor het oplossen van maatschappelijke uitdagingen een belangrijk uitgangspunt. Het bij AgentschapNL ondergebrachte Expertisecentrum Internationaal onderzoek en Innovatie stimuleert in opdracht van EZ en andere departementen Nederlandse deelname aan Horizon 2020.

Voor EZ gaat de aandacht uit naar het verbinden van Horizon 2020 met het nationale innovatiebeleid, in het bijzonder de topsectoren, het op peil houden van de deelname van Nederlandse partijen en het vergroten van de bedrijfsdeelname (vooral het MKB).

Indicator

Referentiewaarde 1

Peildatum

Streefwaarde 2

Planning

Bron

Aantal Nederlandse deelnemers aan KP7/ H2020

1.200

t/m 2012

300

2014

AgNL/EC

– waarvan bedrijven

850

 

200

   

Omvang KP7/H2020-middelen voor Nederlandse deelnemers (retour in mln euro)

€ 2.600

sinds 2007

t/m 2012

€ 600

2014

AgNL/EC

– waarvan bedrijven (%)

20%

 

25%

   

Retourpercentage voor Nederland (%)

7,1%

t/m 2012

7,0%

2014

AgNL/EC

X Noot
1

referentiewaardes betreffen cumulatieve cijfers voor KP7 in 2007–2012

X Noot
2

streefwaarden voor 2014 hebben betrekking op H2020

Toelichting

De referentiewaardes in bovenstaande tabel zijn cumulatief en hebben betrekking op KP7-calls die in de periode 2007–2012 hebben plaatsgevonden (peildatum februari 2013). Wat het aantal deelnemers betreft, gaat het om unieke organisaties die één of meermalen succesvol aan een call hebben deelgenomen.

De streefwaarden in de tabel zijn ramingen voor 2014 op basis van de ervaringen met Nederlandse deelname aan het 7e Kaderprogramma, de vormgeving van H2020 zoals bekend in augustus 2013 en het geplande beschikbare budget onder Horizon 2020 voor 2014.

In de periode 2007 tot en met februari 2013 ging 7,1% van het KP7 subsidiebudget naar Nederlandse onderzoekers (waarvan 20% naar bedrijven), hetgeen zich over de gehele looptijd van KP7 zou vertalen naar € 3 mld (waarvan € 600 mln voor bedrijven). Dit retourpercentage is hoger dan op basis van de Nederlandse bijdrage aan de EU (= 5%) te verwachten is en geeft aan dat Nederlandse deelnemers aan KP7 op een hoger dan gemiddeld niveau hebben geparticipeerd.

Naar verwachting zal de concurrentie met andere lidstaten in Horizon 2020 toenemen omdat ook de Midden- en Oost-Europese «nieuwe» landen kwalitatief beter worden in onderzoek en innovatie. Het streven is om 7,0 % te halen voor het gehele 7e Kaderprogramma.

Voor 2014 is de planning van de Europese Commissie (EC) om van het totale H2020-budget (€ 70,2 mld) € 8,588 mld beschikbaar te stellen, wat zich vertaalt in een streefwaarde van ongeveer € 600 mln voor Nederlandse deelnemers. Het streven is voorts om het aandeel daarvan voor bedrijven ten opzichte van KP7 te vergroten naar 25%, in lijn met de doelstellingen van Horizon 2020. De geraamde reeks voor internationaal innoveren is gereserveerd voor de cofinanciering op Nederlandse deelname in de EU-programma’s Eureka, Eurostars en Joint Technology Initiatives.

Grote Technologische Instituten (GTI’s)

  • Deltares is een GTI op het gebied van deltatechnologie. Als onafhankelijk kennisinstituut en specialistisch adviseur levert Deltares bijdragen aan innovatieve oplossingen voor water-, ondergrond- en deltavraagstukken die het leven in delta’s, kust- en riviergebieden veilig, schoon en duurzaam maken.

  • MARIN is een internationaal toonaangevende GTI op het gebied van hydromechanisch en nautisch onderzoek. Samen met Nederlandse en internationale universiteiten wordt fundamenteel en toegepast onderzoek verricht om de kennis en gereedschappen voor de sector te ontwikkelen.

  • Het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (NLR) is een GTI dat een kennisbasis onderhoudt en ontwikkelt op het gebied van militaire (ten behoeve van het Ministerie van Defensie) en civiele luchtvaart (ten behoeve van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu). Daarnaast wordt de ontwikkelde kennis samen met bedrijven uit de sector lucht- en ruimtevaart ingezet voor nieuwe commerciële mogelijkheden. Met de rijksbijdrage vindt toegepast onderzoek plaats en worden belangrijke onderzoeksfaciliteiten als vluchtnabootsers en windtunnels in bedrijf gehouden.

  • De GTI’s ECN en DLO worden toegelicht in respectievelijk artikel 14 en 16.

De GTI’s richten onderzoek op de uitwerking van de agenda’s van de topsectoren uit het bedrijfslevenbeleid. Hiervoor zijn nadere spelregels afgesproken (TK, 28 753, nr. 30) die voor de inzet van TNO en GTI’s in publiek-private samenwerkingsverbanden in Topsectoren maatgevend zullen zijn. Daarnaast blijft er ruimte voor onderzoek in het kader van maatschappelijke thema’s zoals leefomgeving, maatschappelijke veiligheid, arbeid en gezondheid en voor onderzoek ten behoeve van (wettelijke) taken van de overheid.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Streefwaarde1

Planning

Bron

Klanttevredenheid Deltares

7,9

2011

8,0

2014

Deltares

Klanttevredenheid MARIN

8,3

2011

8,0

2014

MARIN

Klanttevredenheid NLR

8,7

2011

8,0

2014

NLR

Klanttevredenheid cofinanciers TNO

7,2

2011

8,0

2014

TNO

Toelichting

De scores in bovenstaande tabel zijn gebaseerd op de recentste onafhankelijke onderzoeken naar klanttevredenheid die TNO en de GTI’s hebben laten uitvoeren en waar nodig omgerekend naar een schaal van 1 tot 10. De streefwaarde van 8,0 bevindt zich nabij de gemiddelde score voor vergelijkbare organisaties.

In de begroting van 2013 is vermeld dat daarnaast een waarde voor kennisbenutting – de vraag of de klant de kennis daadwerkelijk kan toepassen – ontleend zal worden aan het onderdeel utilisatie in het eerstvolgende klanttevredenheidsonderzoek dat TNO, Deltares, MARIN en NLR zullen laten uitvoeren. Deze onderzoeken vinden in 2013 plaats. Op dit moment zijn nog geen referentiewaarden beschikbaar.

Topsectoren overig

STW (Stichting voor de Technische Wetenschappen) financiert technisch wetenschappelijk onderzoek aan Nederlandse universiteiten en instituten. Met de bijdrage van EZ worden de Perspectiefprogramma's gefinancierd, die worden ingezet voor innovatiecontracten van topsectoren. Voor de bijdrage aan STW is structureel ongeveer € 20 mln per jaar beschikbaar.

De perspectiefprogramma’s van STW zullen inhoudelijk worden aangesloten op de innovatiecontracten van de topsectoren. Dat doet STW door de onderzoeksvoorstellen behalve op excellentie en utilisatie ook te toetsen op de mate waarin voorstellen passen in onderzoekroadmaps van de topsectoren.

Deze post bevat daarnaast de middelen die gereserveerd zijn voor de Technologische Top Instituten (TTI’s), internationale programma’s – zoals de Joint Technology Initiatives (JTI’s) en Eurekaclustergelden – en de afbouw van Innovatieprogramma’s. Vanwege deze afbouw loopt de reeks «Topsectoren overig» sterk af.

Ruimtevaart (ESA)

De financiële bijdrage aan Ruimtevaart verloopt voornamelijk via inschrijving op verplichte programma’s (= contributie) van European Space Agency (ESA) en gerichte inschrijving op optionele programma’s van ESA. De ingeschreven middelen worden via open competitie in contracten uitgezet bij Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen (Geo Return systeem).

Daarnaast kent het Ruimtevaartbeleid een (beperkt) flankerend beleid waarin onder andere wetenschappelijke instrumenten ontwikkeld worden. In dit beleid worden ook de middelen verantwoord voor de EZ-bijdrage om het TROPOMI-instrument 10 te bouwen. Bovendien wordt in 2014 vorm en inhoud gegeven aan beleid om te bevorderen dat nieuwe diensten worden ontwikkeld op basis van satellietdata, die beschikbaar komen via de nieuwe Copernicus aardobservatiesatellieten van de EU en ESA en het satellietdataportaal van het Netherlands Space Office (NSO). Uitvoering van dit beleid is neergelegd bij het NSO. In het najaar van 2014 vindt de driejaarlijkse ESA-Ministersconferentie plaats in Luxemburg.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2014

Streefwaarde

Planning

Bron

Aantal Nederlandse bedrijven dat deelneemt aan ruimtevaartprogramma's ESA

155

2011

170

175

2015

ESA

Ruimtevaart geo-return/retour (%)

1,09

2011

1,05

1

2015

ESA

Toelichting

De prestatie-indicator «ruimtevaart geo-return/retour (%)» betreft research- en leveringsopdrachten van ESA aan de Nederlandse industrie en kennisinstellingen. Deze opdrachten komen voort uit de Nederlandse contributies aan diverse R&D-programma’s van ESA. Daarbij wordt door ESA een retour van 0,9 (90%) van de bijdragen van lidstaten aan deze programma’s gegarandeerd. Een hogere retour dan 1 betekent dat Nederlandse bedrijven succesvol zijn bij het werven van ESA-orders, maar ook dat Nederland uit eigen middelen moet compenseren aan lidstaten met een lagere retour dan 1; vandaar de streefwaarde van 1.

Toelichting op de ontvangsten

Luchtvaartkredietregeling

Het betreft terugbetalingen (kredietsom + rente) van kredieten, verleend in de periode 1998–2003 voor vliegtuigtechnologieprojecten. De hoogte van de ontvangsten hangt samen met toelevering van zogenaamde «shipsets» aan de uiteindelijke vliegtuigbouwer.

Technische Ontwikkelingsprojecten (TOP)

Ontvangsten bestaan uit rente en aflossingen op in het verleden verstrekte kredieten onder TOK, KREDO en TOKMPO. Met ingang van 2001 zijn deze drie regelingen vervangen door de TOP. De ontvangsten voor deze regeling (het terugbetalen van de subsidie als het ontwikkelingskrediet tot omzet leidt) worden ook hier geraamd. Raming van de ontvangsten is over het algemeen onzeker ten gevolge van onvoorspelbaarheid van het succes van de projecten en van terugbetaling door bedrijven.

Rijksoctrooiwet

De hier geraamde ontvangsten zijn de helft van de feitelijke ontvangsten uit taksen. De andere helft wordt afgedragen aan het Europees Octrooibureau.

Innovatiekredieten

Betreft initiële raming ontvangsten (rente + risico-opslag) Innovatiekrediet van de «technische ontwikkelingsprojecten» en van de «klinisch ontwikkelingsprojecten». Deze ontvangsten dienen als funding voor het innovatiefonds.

Eurostars

Deze raming is de verwachte «top-up» van de Europese Commissie van 25%, boven op de nationale middelen. De structurele raming van de ontvangsten zal in het voorjaar van 2014 worden bezien.

Budgettair belang fiscale maatregelen

Bedragen x € 1 mln.
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Aftrek speur- en ontwikkelingswerk (WBSO)

8

8

8

8

8

8

8

Afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO)

729

690

756

640

640

630

630

Research & Development Aftrek (RDA)

130

375

302

449

345

340

340

Noot:

Het regeerakkoord (maatregel 81 en 84) bevat een taakstelling op het (fiscaal) innovatiebeleid. Voor 2014 betekent dit een taakstelling op de fiscale innovatie-instrumenten van € 168 mln, waarvoor € 138 mln dekking binnen het budget van de RDA wordt voorgesteld. De overige € 30 mln taakstelling wordt gerealiseerd door het structureel maken van de tijdelijke korting op de Energie Investeringsaftrek (EIA), Milieu-investeringsaftrek (MIA) en de willekeurige afschrijving milieu-investeringen (Vamil).

Fiscale instrumenten

Fiscale innovatie-instrumenten vormen de kern van het generieke beleidsinstrumentarium. Naast de reeds langer bestaande WBSO die het arbeidskostendeel van speur- en ontwikkelingswerk (S&O) bevordert binnen de private R&D-uitgaven, is per 1 januari 2012 ook de Research & Development Aftrek (RDA) ingevoerd voor overige R&D-kosten en -investeringen die met R&D samenhangen. Tenslotte bestaat sinds enkele jaren de Innovatiebox waarbij de opbrengsten van innovatie voor een lager tarief van de vennootschapsbelasting in aanmerking komen. De WBSO, de RDA en de Innovatiebox zijn fiscale maatregelen en staan daarom niet als uitgaven op de EZ-begroting.

S&O afdrachtsvermindering

De WBSO is de verzamelnaam voor de faciliteit afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk (S&O) in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen en de S&O-aftrek in de Wet inkomstenbelasting.

De WBSO is gericht op het stimuleren van investeringen in S&O door het bedrijfsleven, door de loonkosten voor het verrichten van S&O te verlagen. Het kabinet stelt naar aanleiding van de laatste evaluatie over de WBSO in 2012 (over de periode 2006–2010) voor om de eerste schijf te verlagen van 38% naar 35% en tevens te verlengen van € 200.000 naar € 250.000. Dit is met name van belang om het mkb meer mogelijkheden te bieden om door te groeien, omdat kleinere tot middelgrote bedrijven van een schijfverlenging kunnen profiteren.

Kengetal

2008

2009

2010

2011

2012

Aantal bedrijven dat gebruik maakt van WBSO

13.450

16.620

19.450

20.530

22.220

Aantal S&O-arbeidsjaren

62.390

67.600

73.660

75.330

79.560

Door WBSO ondersteunde private R&D-uitgaven (S&O-loon, x € 1 mln)

2.552

3.011

3.377

3.571

3.850

Bron: Agentschap NL

Toelichting

Het aantal bedrijven met een S&O-verklaring (dat wil zeggen WBSO gebruikers) in 2012 is ten opzichte van 2011 met 8,2% gegroeid tot 22.220. Daarvan behoorde 97% tot het MKB. Van het budget ging 73% naar het MKB. Het aantal toegekende S&O-uren is met 5,6% gegroeid tot 79.560 S&O-arbeidsjaren. Aldus ondersteunde de WBSO circa € 3,9 mld van de S&O-loonuitgaven van bedrijven. De verwachting is dat in 2013 het aantal aanvragers van de regeling licht zal stijgen.

Research & Development Aftrek (RDA)

De RDA heeft tot doel innovatie en S&O van het Nederlandse bedrijfsleven te bevorderen door een fiscaal voordeel voor niet-loonkosten en investeringen die betrekking hebben op S&O. Het RDA bedrag wordt opgevoerd als een aftrekpost in de inkomsten- of vennootschapsbelasting.

De RDA is in 2012 geïntroduceerd. Naar verwachting zal het aantal aanvragers in 2013 stijgen. Het kabinet stelt voor om van de onderuitputting van 2012 € 104 mln toe te voegen aan het RDA budget van 2015. Op basis van het geraamde gebruik wordt voorzien om het fiscaal voordeel te verhogen van 54% naar 60% van de goedgekeurde RDA-kosten/-uitgaven, of 60% van het forfaitaire bedrag op basis van de goedgekeurde S&O-uren. Eind 2013 wordt het definitieve RDA percentage voor 2014 bij ministeriële regeling vastgesteld.

Kengetal

2012

Aantal bedrijven dat gebruik maakt van RDA

13.860

Door RDA ondersteunde private R&D uitgaven (x € 1 mln)

2.035

Bron: Agentschap NL

Innovatiebox

De innovatiebox heeft tot doel innovatie te bevorderen en het vestigingsklimaat te verbeteren. De innovatiebox is een generieke maatregel en staat open voor zowel het MKB als grote bedrijven. De innovatiebox is van toepassing op de voordelen uit een door de ondernemer zelf voortgebracht immaterieel activum waarvoor een octrooi is verleend of waarvoor in de onderzoeksfase een S&O-verklaring is afgegeven (WBSO). De toepassing van de innovatiebox betekent dat een ondernemer geen 25% maar 5% vennootschapsbelasting hoeft te betalen over voordelen behaald met het immaterieel activum.

13 Een excellent ondernemingsklimaat

Algemene doelstelling

Randvoorwaarden scheppen voor een excellent ondernemingsklimaat.

Bedrijven zijn de motor achter economische groei. De overheid schept de juiste randvoorwaarden, zodat bedrijven kunnen investeren en groeien. Bijzondere aandacht gaat daarbij uit naar de concurrentiekracht van negen topsectoren.

Om deze doelstelling te bereiken zet EZ financiële instrumenten in, zoals borgstellingen en garanties. De financiële instrumenten verbeteren de toegang tot financiering voor het Nederlandse bedrijfsleven. Daarnaast maakt EZ gebruik van niet financiële instrumenten, zoals de terugdringing van administratieve lasten en regeldruk. Onder deze doelstelling valt ook het stimuleren van de juiste voorwaarden voor een goede benutting van ICT, zoals dat gestalte krijgt met acties uit de Digitale Implementatie Agenda en door het uitvoeren van de Roadmap ICT.

Rol en Verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is vanuit een stimulerende rol verantwoordelijk voor het scheppen van randvoorwaarden voor een excellent ondernemingsklimaat door:

Stimuleren

  • Het stimuleren van de juiste randvoorwaarden en grootschalige implementatie van digitale voorzieningen die de overheidsdienstverlening aan ondernemers verbeteren zoals het Ondernemingsdossier.

  • Realiseren van tien publiek-private doorbraakprojecten, ondermeer gericht op het vergroten van het gebruik en de kennis van ICT door het midden- en kleinbedrijf, in de topsectoren en in sectoren als onderwijs en zorg.

  • De stimulering, coördinatie en facilitering van de transitie naar een biobased economy.

  • Het stimuleren van een ambitieuze en duurzame ondernemerschapscultuur.

  • Het bevorderen van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen.

  • Het bevorderen van het innovatiegericht inkopen.

Regisseren/faciliteren

  • De kabinetsbrede coördinatie van het topsectorenbeleid.

  • De coördinatie en facilitering van het kabinetsprogramma «Goed geregeld, een verantwoorde vermindering van regeldruk 2012–2017», zodat ondernemers niet worden belemmerd om te ondernemen.

  • Faciliteren van het Nederlandse bedrijfsleven in hun duurzame grondstoffenvoorzieningszekerheid zoals in de grondstoffennotitie.

  • De coördinatie van het Groene Groei-traject en de Green Deal aanpak.

  • Het verbeteren van de dienstverlening aan ondernemers door middel van Ondernemerspleinen.

  • Het ondersteunen van de toegang tot (risico)kapitaal voor bedrijven.

  • Het waarborgen van een internationaal level playing field.

  • Een betere aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt.

  • Het verbeteren van de match tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt voor technisch personeel (Techniekpact).

Uitgangspunt is de juiste randvoorwaarden te creëren en ondernemers de ruimte te geven voor vernieuwing en groei. In dialoog met bedrijven, maatschappelijke organisaties en medeoverheden worden kansen benut en knelpunten opgelost. De Minister van EZ is gesprekspartner en aanspreekpunt voor het bedrijfsleven, sectoren, branches en individuele bedrijven. De overheid is terughoudend met ingrijpen, maar er kan een rol zijn in geval van externe effecten, informatie-asymmetrie of verstorend gedrag van (internationale) overheden. Hiervoor zet de minister zowel financiële instrumenten in, zoals garanties en subsidies aan bedrijven en instellingen, als niet financiële instrumenten.

Kengetallen; Ondernemingsklimaat van Nederland

1 – Global Competitiveness Index

2009

2010

2011

2012

2013

Ambitie

Positie van Nederland

9e

8e

7e

5e

8e

Top-5 in 2020

Bron: World Economic Forum (Global Competitiveness Report, 2013–2014)

           
             

2 – Ondernemersquote

2009

2010

2011

2012

   

Nederland

11,7%

11,8%

12,0%

12,0%

   

EU15-gemiddelde

11,8%

11,9%

11,9%

     

Bron: EIM (2009 is een voorlopig cijfer, 2010 en 2011 zijn een inschatting)

           
             

3 – Investeringsquote van bedrijven

2009

2010

2011

2012

2013

 

Nederland

13,4%

12,4%

13,3%

13,0%

13,0%

 

Bron: CPB (CEP, 2012)

           
             

4 – Aandeel snelle groeiers 1

2004/2007

2005/2008 2

2006/2009 3

2007/2010

   

Nederland

11%

13%

8%

7%

   

Bron: EIM

           
             

5 – Positie in de ranglijst voor digitale economieën

2009

2010

2011

2012

2013

 

Bron: Global Information Technology Report (World Economic Forum) 4

9

9

11

6

4

 
X Noot
1

De cijfers vanaf 2006/2009 zijn niet goed vergelijkbaar met de perioden hiervoor. In het verleden (tot en met 2005/2008) werd altijd als definitie gehanteerd een totale groei van 60% in 3 jaar voor de groep 50–1.000 werkzame personen, een definitie die als sinds 1997 werd gehanteerd. Vanaf de periode 2006/2009 is nu aansluiting gezocht bij de internationaal gangbare definitie van 20% groei per jaar voor de groep bedrijven vanaf 10 werkzame personen. De quote valt hierdoor lager uit. De belangrijkste oorzaak is evenwel de zwakke conjuctuur als gevolg van de financiële crisis. Voor Nederland (bron CBX) is momenteel het meest recente cijfer 2007/2010. De nieuwe afbakening is in 2013 doorgevoerd.

X Noot
2

Definitie snelle groeiers: 50–1.000 werkzame personen en minimaal 60% werkgelegenheidsgroei in 3 jaar tijd.

X Noot
3

Definitie snelle groeiers: Vanaf 10 werkzame personen en minimaal 72,8% werkgelegenheidsgroei in 3 jaar tijd.

X Noot
4

Wat betreft het kengetal digitale economieën in de Rijksbegroting: hier maakten we tot en met 2010 gebruik van de jaarlijkse ranking van de Economist/ E readiness monitor. Sinds 2010 is er echter geen update meer verschenen. Vanwege de behoefte aan een jaarlijks cijfer is gekozen voor het Global Information Technology Report van het World Economic Forum die wel jaarlijks rapporteert.

  • 1 Het Nederlandse ondernemingsklimaat behoort sinds 2007 tot de top-10 volgens de Global Competitiveness Index van het World Economic Forum. Tussen 2009 en 2012 is Nederland gestegen van de 10e naar de 5e plek. In 2013 heeft Nederland een achtste plaats op de ranglijst behaald. Dit onderschrijft de noodzaak van verbeterde financieringsmogelijkheden voor ondernemers, blijvende investeringen in onderwijs en onderzoek, vermindering van administratieve lasten en stimulering van innovatie.

  • 2 De ondernemersquote (het aantal ondernemers in Nederland) is gestegen van 11,3% in 2006 naar 12,0% in 2012. Het aantal personen dat zelfstandig ondernemer is, nam in Nederland de afgelopen jaren sterker toe dan in andere EU-landen en ligt nu rond het EU-gemiddelde. Onderzoek 11 wijst uit dat Nederland nu rond het optimale niveau zit qua aantal ondernemers. De komende jaren zal de nadruk dan ook meer komen te liggen op kwalitatieve aspecten van ondernemerschap.

  • 3 en 4 De investeringsquote en het aandeel snelle groeiers geven een indicatie van de kwaliteit van ondernemerschap. Juist ondernemingen die investeren en groeien, hebben een positief effect op economische groei en werkgelegenheid. De investeringsquote bereikte in 2010 een dieptepunt en leefde daarna weer iets op. Naar verwachting blijven de investeringen in 2013 op het niveau van 2012. Verder herstel wordt verwacht vanaf 2014. Nederland is niet het enige land waarin de investeringsquote het afgelopen decennium terugliep; andere landen laten een vergelijkbaar beeld zien. Een mogelijke verklaring voor de daling van de investeringsquote is de moeilijke economische situatie en het feit dat de investeringsprijzen zijn gedaald. Kijken we naar de ontwikkeling van het aantal snelle groeiers in de Nederlandse economie, dan is de afname deels toe te schrijven aan de economische crisis en deels aan het verscherpen van de gehanteerde definitie.

  • 5 Nederland ambieert voor 2014 een top 5 positie op de wereldwijde ranglijst voor digitale economieën. In het meest recente rapport van het World Economic Forum (WEF) over «Information Technology» uit 2013 staat Nederland, na Finland, Singapore en Zweden, op de vierde plek als het gaat om het gebruik van ICT. Hiermee is Nederland twee plaatsen gestegen ten opzichte van 2012. Nederland scoort goed als het gaat over de ICT-infrastructuur en de beschikbaarheid van en toegang tot digitale content en ICT-toepassingen. Bovendien scoort Nederland goed op het gebruik van ICT door zowel burgers als bedrijven en zijn de digitale vaardigheden om dit gebruik mogelijk te maken goed op orde.

Beleidswijzigingen

Het kabinet heeft besloten een stimuleringspakket op het terrein van kredietverlening aan ondernemers in te zetten. De onderstaande onderdelen uit dit pakket zullen neerslaan op dit begrotingsartikel:

  • Aanvullende kapitaalverstrekking stichting Qredits (€ 30 mln).

  • Verruiming van de voorwaarden in de BMKB (storting € 5 mln in begrotingsreserve).

  • Flankerend beleid en ondersteuning van alternatieve financieringsvormen (€ 5 mln).

  • Verruiming van de voorwaarden van de regeling Garantie Ondernemingsfinanciering (GO).

  • Onderteuning oprichting van een Nederlandse Investeringsinstelling en een Nationale hypotheekinstelling (€ 10 mln).

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

VERPLICHTINGEN

977.386

2.661.465

2.377.631

2.374.014

2.430.187

2.429.552

2.426.733

Waarvan garantieverplichtingen

709.448

2.384.011

2.190.294

2.190.294

2.249.044

2.249.044

2.249.044

UITGAVEN

312.203

441.399

319.466

271.972

259.195

255.633

251.614

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

87%

       
               

Garanties

144.946

131.918

97.011

77.044

69.638

69.638

69.638

• BMKB

126.302

100.000

65.000

45.000

37.594

37.594

37.594

• Groeifinancieringsfaciliteit

2.270

9.281

9.343

9.365

9.365

9.365

9.365

• Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

16.374

13.000

13.000

13.000

13.000

13.000

13.000

• Borgstelling Scheepsnieuwbouw

 

9.637

9.668

9.679

9.679

9.679

9.679

Subsidies

71.136

84.260

19.945

17.754

14.049

12.013

10.160

• Bevorderen ondernemerschap

7.928

22.180

5.430

5.675

5.825

6.055

5.855

• Interdepartementaal Programma Biobased Economy

12.521

6.147

2.744

1.650

1.650

1.650

 

• Microkrediet

750

30.150

         

• Uitfinanciering subsidies

49.937

25.783

11.771

10.429

6.574

4.308

4.305

Opdrachten

34.353

35.496

25.669

24.143

23.647

23.146

21.946

• Onderzoek & ontwikkeling

3.942

2.951

1.043

358

367

367

365

• ICT-beleid

28.974

27.774

19.980

18.300

18.247

17.746

16.548

• Beleidsvoorbereiding en evaluaties

283

2.441

2.316

3.155

2.703

2.703

2.703

• Regiegroep Regeldruk/ACTAL

1.154

2.330

2.330

2.330

2.330

2.330

2.330

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

22.195

22.815

19.337

17.090

16.752

16.662

16.842

• NBTC

15.213

13.536

10.152

8.459

8.438

8.438

8.438

• UNWTO

252

233

233

234

234

234

234

• Bijdragen aan instituten

6.730

9.046

8.952

8.397

8.080

7.990

8.170

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

18.496

138.479

137.042

117.001

116.968

116.968

116.968

• Kamers van Koophandel / Ondernemerspleinen

18.496

138.479

137.042

117.001

116.968

116.968

116.968

Bijdragen aan agentschappen

21.077

28.431

20.462

18.940

18.141

17.206

16.060

• Agentschap NL

8.368

25.977

18.258

16.736

16.546

16.390

15.549

• Logius

12.709

2.204

2.204

2.204

2.204

2.204

2.204

• Dienst Regelingen

 

250

         

• Nader te verdelen taakstelling Rijksdienst

       

– 609

– 1.388

– 1.693

               

ONTVANGSTEN

41.763

82.306

72.087

64.041

62.952

63.932

65.669

• BMKB

23.645

44.689

38.406

30.406

29.000

29.000

29.000

• Groeifinancieringsfaciliteit

2.154

8.000

8.000

8.000

8.000

8.000

8.000

• Garantie Ondernemingsfinanciering

13.391

14.248

13.000

13.000

13.000

13.000

13.000

• Borgstelling Scheepsnieuwbouw

 

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

• Joint Strike Fighter (JSF)

879

1.847

1.303

1.204

1.843

2.823

4.560

• Diverse ontvangsten

1.694

3.522

1.378

1.431

1.109

1.109

1.109

Budgetflexibiliteit

Garanties: Het budget voor de verschillende garanties zijn voor 100% juridisch verplicht. Het budget is benodigd om de verwachte schades te kunnen betalen op garanties die eerder zijn aangegaan.

Subsidies: De beleidsbudgetten worden per jaar gepubliceerd. Van het beschikbare budget 2014 is 70% juridisch verplicht. Het betreft uitfinanciering van tot en met 2013 aangegane verplichtingen.

Onderzoek en opdrachten: Van het opdrachtenbedrag is 49% juridisch verplicht. Het betreft de uitfinanciering van in voorgaande jaren aangegane verplichtingen. 2% van het opdrachtenbudget is bestuurlijk gebonden. Het betreft de uitgaven voor ACTAL.

Bijdragen aan agentschappen: Het budget betreft de financiering van het opdrachtenpakket 2014 aan Agentschap NL en is 100% juridisch verplicht.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties: Van dit bedrag is 2% juridisch verplicht en is 85% bestuurlijk gebonden. Dit betreft onder andere de bijdragen aan het Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen, de World Tourism Organization (UNWTO).

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s: De bijdrage aan de KvK/Ondernemerspleinen (inclusief de bijdrage voor het Nieuw Handelsregister) is voor 98% juridisch verplicht. 2% is bestuurlijk gebonden. Dit betreft de uitgaven voor het Nieuw Handelsregister.

Interne begrotingsreserves

Er zijn interne begrotingsreserves voor de Borgstelling MKB-kredieten, de garantieregeling Scheepsnieuwbouw en de Garantie Ondernemingsfinanciering (GO). Bij de laatste twee regelingen betreft het kostendekkende regelingen; om een garantie te krijgen moet premie worden betaald. Daaruit kunnen eventuele schades in latere jaren worden betaald. De begrotingsreserves dienen om een eventuele mismatch in de tijd tussen inkomsten en uitgaven op te kunnen vangen. Voor de interne begrotingsreserve Borgstelling MKB-kredieten is een onttrekking van € 16,7 mln in 2013, € 9,4 mln in 2014 en € 1,4 mln in 2015 geraamd en aan de begroting toegevoegd. De daadwerkelijke onttrekking zal steeds aan het eind van het betreffende uitvoeringsjaar worden vastgesteld op basis van de gedane schadebetalingen. In 2013 wordt de reserve voorts nog aangevuld met € 5 mln ten behoeve het afdekken van mogelijk hogere schades vanaf 2015 op de verruimde regeling.

Stand interne begrotingsreserve per 31 december 2012

Interne begrotingsreserve Borgstelling MKB-kredieten

€ 30.000.000

Interne begrotingsreserve Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfinanciering

€ 25.000.000

Interne begrotingsreserve Garantie Ondernemingsfinanciering

€ 63.522.877

Toelichting op de financiële instrumenten

Garanties

Borgstelling MKB-kredieten (BMKB)

De BMKB is bedoeld voor bedrijven die te weinig zekerheden (onderpand) kunnen bieden aan een bank. De bank vindt het risico dat het bedrijf zijn lening niet kan terugbetalen dan vaak te hoog. Via de BMKB staat de overheid borg voor het deel van de lening waar het bedrijf geen onderpand voor heeft. De bank kan voor dat deel dus terugvallen op de overheid.

De feitelijke benutting hangt af van de kredietbehoefte van het bedrijfsleven en is daarmee sterk afhankelijk van de ontwikkeling van de conjunctuur, zoals de lagere benutting in 2012 laat zien. Maximale benutting van de regeling is daarmee geen doel op zich. De mate van benutting wordt wel in het oog gehouden om te bezien of de regeling nog aansluit bij de behoefte van de markt. Deze informatie wordt halfjaarlijks in een rapportage verstrekt aan de Tweede Kamer. De benutting in 2013 laat opnieuw een lager gebruik zien ten opzichte van voorgaande jaren. Als in 2014 de economie, zoals voorspeld, aantrekt, is de verwachting dat in 2014 ook de benutting van de BMKB weer toeneemt. Ter stimulering van de kredietverlening aan het MKB zijn worden de voorwaarden voor de BMKB tot en met 31-12-2014 verruimd. De maximale borgstelling wordt verhoogd van € 1 mln naar € 1,5 mln en het borgstellingspercentage (voor alle borgstellingskredieten tot € 200.000) wordt verhoogd van 45% naar 67,5% zoals nu al voor starters geldt. Ter afdekking van de extra risico’s zal een extra storting van € 5 mln in de interne begrotingsreserve worden gedaan.

Kengetal
 

2009

2010

2011

2012

Verstrekte garanties BMKB, x € 1 mln

556

742

909

486

Totaal aantal verstrekte garanties

2.442

3.701

4.325

2.640

Bron: AgentschapNL

Groeifinancieringsfaciliteit

De Groeifinancieringsfaciliteit richt zich op buffervermogen – zoals eigen vermogen van participatiemaatschappijen en achtergestelde leningen door banken – en is vooral gericht op de start-, groei- en expansiefase van een bedrijf. Versterking van het buffervermogen wint aan belang doordat bij bancaire financiering van bedrijven grotere buffers worden gevraagd. Achtergestelde leningen en aandelenkapitaal verstrekt door participatiemaatschappijen vallen tot maximaal € 25 mln onder de garantieregeling. Een bank kan een garantiefinanciering verstrekken tot maximaal € 5 mln in de vorm van achtergestelde leningen. De garantie van de overheid bedraagt 50%. De Groeifinancieringsfaciliteit is kostendekkend opgezet.

De feitelijke benutting van de regeling hangt onder meer af van investerings- en overnameplannen van het bedrijfsleven, en is nauw verbonden met de ontwikkeling van de conjunctuur. De mate van gebruik van deze regeling wordt halfjaarlijks in een rapportage verstrekt aan de Tweede Kamer.

Kengetal
 

2009

2010

2011

2012

Verstrekte garanties Groeifinancieringsfaciliteit, x € 1 mln

10

25

12

13

Totaal aantal verstrekte garanties

22

32

17

21

Bron: AgentschapNL

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

De GO-regeling is ingevoerd ten tijde van de kredietcrisis en gericht op middelgrote en grote bedrijven. Via deze regeling krijgen banken een garantie van 50% van de overheid, zodat nieuwe bankleningen en/of bankgaranties kunnen worden verstrekt. De GO-regeling is net als de Groeifinancieringsfaciliteit kostendekkend, met als opzet dat banken er slechts gebruik van maken indien zij vanwege het risicoprofiel zelfstandig niet of onvoldoende in staat zijn in de kern gezonde bedrijven te financieren. Het gebruik volgt sterk de conjuncturele ontwikkeling. In het regeerakkoord van het huidige kabinet is afgesproken om de GO-regeling structureel te maken met een garantieplafond van € 400 mln met ingang van 2014. Ter stimulering van de kredietverlening aan het bedrijfsleven zijn de voorwaarden voor de GO-regeling tijdelijk verruimd. Zo wordt de maximum borgstelling verhoogd van € 25 mln naar € 75 mln en wordt de GO opengesteld voor niet-banken. De GO is reeds opengesteld voor aanbieders van garanties aan bedrijven. Tevens zal worden onderzocht of de GO gebruikt kan worden als fundinggarantie voor nieuwe aanbieders van MKB-financiering. Naar verwachting zal dit binnen de bestaande middelen kunnen worden opgevangen.

Kengetal
 

2009

2010

2011

2012

Verstrekte garanties GO, x € 1 mln

58

413

261

103

Totaal aantal verstrekte garanties

20

104

62

53

Bron: AgentschapNL

Garantieregeling Scheepsnieuwbouw financiering

In navolging van andere EU-landen is een garantieregeling geïntroduceerd waarmee het bankkrediet aan de scheepsbouwer wordt gegarandeerd gedurende de periode van de bouw van het schip. Gelet op de jaarlijkse productiewaarde van de sector is een jaarlijks garantieplafond van € 1 mld ingesteld.

Subsidies

Bevorderen ondernemerschap

Dit budget wordt gebruikt voor diverse instrumenten die als doel hebben het ondernemingsklimaatbeleid te verbeteren. Zo is het budget gebruikt voor (uitvoerings)bekostiging van programma’s voor regeldruk, kapitaalmarkt, zelfstandigenregeling en de programmakosten voor corporate governance. Daarnaast wordt dit gebruikt voor het realiseren van de nieuwe beleidsambities, zoals de ondernemerspleinen. Tenslotte zal ook, als onderdeel van het stimuleringspakket voor de kredietverlening, op dit instrument € 5 mln worden gereserveerd voor flankerend beleid (met name voorlichting en informatie voor MKB-bedrijven) en ondersteuning van alternatieve financieringsvormen zoals crowdfunding en kredietunies. Daarbij zullen ook de aanbevelingen van de commissie Hoek op dit punt meegenomen worden. Samen met marktpartijen wordt een Nederlandse Investeringsinstelling (NII) opgericht. Een intermediair die in eerste instantie een makelaarsfunctie tussen vraag en aanbod van (lange termijn) financiering voor institutionele beleggers gaat vervullen. Dit versterkt het financieringsvermogen en daarmee de structuur van de Nederlandse Economie. In dit kader beziet het kabinet tevens de mogelijkheden om een Nationale Hypotheekinstelling op te richten, die eventueel in een NII geplaatst zou kunnen worden. Voor de ondersteuning bij de oprichting wordt € 10 mln gereserveerd.

Interdepartementaal Programma Biobased Economy (IPBBE)

Om wereldwijd een koppositie te verkrijgen in de Biobased Economy wordt ingezet op het ontwikkelen en benutten van kennis. Met het innemen van een koppositie wil Nederland een significant aandeel hiervan naar zich toetrekken en wereldwijd in % Bruto Nationaal Product (BNP) tot de top 3 behoren qua optimale en duurzame productie en toepassing van biomassa.

Hiervoor is in april 2012 het Innovatiecontract Biobased Economy 2012–2016 afgesloten tussen bedrijven, kennisinstellingen en overheden, als onderdeel van het Topsectorenbeleid en in samenhang met de Topsectoren Chemie, Energie, Water, Tuinbouw en Agro. Stakeholders hebben getekend voor 6 workpackages: Biomaterialen, BioEnergy & BioChemicals, Geïntegreerde Bioraffinage, Teeltoptimalisatie en biomassaproductie, Terugwinnen en hergebruik, alsmede economie, beleid en duurzaamheid.

Voor de uitvoering is het Topconsortium Kennis en Innovatie Biobased Economy ingericht. De activiteiten van het Transitiehuis Biobased Economy zijn hier ook ondergebracht.

Internationale samenwerking vindt plaats met de Europese Commissie alsook met buurlanden Duitsland en België. Cofinanciering van bioraffinageprojecten in grensregio’s vindt plaats in het kader van Europese programma’s als Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling.

Biobased Economy is één van de acht domeinen in het Groene Groei traject.

Green Deal

Het kabinet zet de Green Deal aanpak verstevigd voort met als doel groene groei te versnellen door de creativiteit en dynamiek in de samenleving te benutten. Green Deals bieden bedrijven, burgers en organisaties een laagdrempelige mogelijkheid om samen met de overheid te werken aan groene groei. Initiatieven uit de samenleving staan aan de basis van de Green Deal-aanpak. Centrale gedachte is dat de overheid initiatieven faciliteert en versnelt door het wegnemen van knelpunten. Knelpunten kunnen liggen op het vlak van toegang tot financiering, wet- en regelgeving, netwerkvorming en kennis en informatie. Succesvolle deals en oplossingen worden opgeschaald naar andere locaties, partijen en sectoren en zetten zo een vliegwiel in werking. De Green Deal aanpak is een onderdeel van het groene groei beleid van het kabinet. Dat beleid is gericht op het scheppen van de juiste randvoorwaarden en prikkels voor het vergroenen van economie en samenleving. Er zijn sinds 2011 al bijna 150 Green Deals afgesloten, met meer dan 440 partijen op het terrein van energie, water, grondstoffen, bio-diversiteit en mobiliteit. De deals hebben veelal een looptijd van drie jaar en zijn volop in uitvoering. Een compleet overzicht van Green Deals is te vinden op: http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/duurzame-economie/green-deal . In 2014 worden de activiteiten gericht op: het verder ontwikkelen, beheren en monitoren van een portfolio van 150–200 Green Deals op de thema’s in het kader van het groene groei beleid; het uitrollen en verder opschalen van succesvolle green deals; het in 2013 gestarte traject rond de Green Deal 2.0 aanpak, wat zal leiden tot meer intensieve sturing op kwaliteit en impact van nieuwe initiatieven; het in kaart brengen en uitdragen van resultaten en zo mogelijk effecten van green deals.

Microfinanciering

Voor kleine bedrijven en startende ondernemers is het zogenaamde microfinancieringsbeleid ontwikkeld. Qredits (stichting Microfinanciering Nederland) biedt sinds 2009 microkredieten aan in heel Nederland tot maximaal € 50.000. EZ heeft hier financieel aan bijgedragen door het verstrekken van een (achtergestelde) lening en een garantstelling op de lening van de BNG aan Qredits. Doel is om vanaf 2016 2.500 kredieten per jaar te verstrekken. Voor het jaar 2012 werd deze grens, als pilot, verhoogd tot € 50.000. Naast het krediet is coaching een belangrijk onderdeel van het microfinancieringsbeleid. Qredits heeft hiervoor de afgelopen jaren met steun van EZ onder andere een vrijwillige coachpool opgezet.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2014

Streefwaarde

Planning

Bron

Aantal verstrekte microkredieten

610

2009

1.350

2.500

2016

Qredits

In 2013 en 2014 verstrekt Qredits kredieten tussen de € 50.000 en € 100.000 à € 150.000. Om dit mogelijk te maken heeft het kabinet € 30 mln uitgetrokken voor de vervolgfinanciering van Qredits. Deze maatregel is onderdeel van het stimuleringspakket.

Uitfinanciering subsidies

De volgende regelingen zijn inmiddels beëindigd en betreffen alleen nog uitfinanciering: Valorisatie/SKE, Beroepsonderwijs in bedrijf, Innovatieve scheepsbouw en Besluit Subsidie Regionale Investeringsprojecten.

Opdrachten

Onderzoek & ontwikkeling

Uit dit budget worden beleidsonderzoek, verplichte evaluaties van beleidsinstrumenten en beleidsdoorlichtingen gefinancierd. Een klein deel van dit budget wordt gebruikt voor beleidsvernieuwing middels kleinschalige experimenten.

ICT-beleid

Het regeerakkoord schetst een aantal belangrijke uitdagingen op ICT gebied. Zo moet de dienstverlening door overheden beter en moeten bedrijven en burgers uiterlijk in 2017 zaken die ze met de overheid doen – zoals het aanvragen van een vergunning – digitaal kunnen afhandelen. Daartoe worden toepassingen als het Digitale Ondernemersplein, e-herkenning en e-factureren, waarmee het voor bedrijven makkelijker wordt om hun zaken met de overheid te regelen, breed geïmplementeerd. Ook komt er een wettelijk kader (Wet op het Elektronisch Zakendoen) om het recht op elektronisch zakendoen voor bedrijven te regelen, inclusief het vastleggen van het (her)gebruik van een aantal digitale voorzieningen en van een aantal spelregels voor het digitale verkeer. Daarnaast komt er voor ondernemers die gebruik maken van het Ondernemingsdossier een eenmalige gegevensuitvraag om bedrijfsgegevens uit te wisselen met de overheid en zet het Kabinet in op tien publiek-private doorbraakprojecten, ondermeer gericht op het vergroten van het gebruik en de kennis van ICT door het midden- en kleinbedrijf, in de topsectoren en in sectoren als onderwijs en zorg.

Over de uitwerking van deze ambities uit het regeerakkoord, inclusief de stand van zaken van de acties uit de Digitale Agenda.nl en de Digitale Implementatie Agenda.nl, is de Tweede Kamer voor de zomer van 2013 nader geïnformeerd (TK, 29 515, nr. 70). Ook is hierbij ingegaan op de Roadmap ICT, die in het kader van het topsectoren beleid is opgesteld en sturing geeft aan de ICT-kennisbasis voor innovatieve ICT-producten, -diensten en ondernemerschap van (over)morgen.

Vermindering regeldruk voor bedrijven

Het programma Goed Geregeld, een verantwoorde vermindering van de regeldruk 2012–2017 beschrijft op welke wijze het kabinet de regeldruk wil terugdringen. Het programma is ingedeeld in zes actielijnen:

  • 1. Structurele verlaging van de regeldruk met € 2,5 mld.

  • 2. Minder regeldruk door betere (digitale) dienstverlening.

  • 3. Minder stapeling, slimmer toezicht.

  • 4. Merkbare vermindering regeldruk in regeldichte domeinen.

  • 5. Minder regeldruk door bestuurlijke samenwerking.

  • 6. Minder regeldruk door een georganiseerde Rijksoverheid.

Onder de eerste actielijn is een kwantitatieve doelstelling geformuleerd met betrekking tot een verlaging van de kosten die worden veroorzaakt door regeldruk. In 2017 dient een vermindering van de regeldrukkosten met in totaal € 2,5 mld te zijn gerealiseerd ten opzichte van 2012. Deze kwantitatieve doelstelling is een netto doelstelling: als het kabinet nieuwe regels invoert moeten extra regeldrukkosten worden gecompenseerd met extra regeldrukmaatregelen. Maar regeldruk gaat verder dan de aanpak van de kosten. Ook het voorkomen van onnodige regeldruk bij nieuwe wetten behoort tot het programma regeldruk bedrijven. Daarnaast wordt ingezet op het verminderen van regeldruk in specifieke branches en sectoren (bijvoorbeeld topsectoren, zorg en bouw), alsmede op het verbeteren van overheidsdienstverlening en het verminderen van toezichtslasten, onder meer door inzet van ICT. Voor een merkbare vermindering van de regeldruk is betrokkenheid van alle bestuurslagen van belang. Daarom werkt het kabinet samen met mede-overheden aan een verlaging van de regeldruk met bijvoorbeeld slimme inzet van ICT. Ook met de hervormingsagenda voor de rijksdienst om te komen tot een goedkopere en kleinere rijksdienst wordt ingezet op een verlaging van de regeldruk.

Het kabinet wil dat de regeldruk in 2017 voor alle doelgroepen met € 2,5 mld is verlaagd en in minimaal 15 regeldichte domeinen merkbaar is verminderd. In de brief van 25 april 2013 aan de Kamer heeft het kabinet de aanpak beschreven hoe deze doelstelling wordt gerealiseerd. Voor de realisatie van de kwantitatieve doelstelling vermindering regeldruk bedrijven zijn de effecten van voorgenomen maatregelen op de vermindering van regeldruk gekwantificeerd, zie aansluitende tabel. De bedragen zijn in miljoenen. De bedragen worden jaarlijks geactualiseerd zodat de voortgang ten aanzien van de doelstelling van € 2,5 mld te volgen is.

raming

2013

2014

2015

2016

2017

Bron

1. Netto verlaging administratieve lasten (cumulatief).

479

706

950

950

950

EZ

2. Netto verlaging inhoudelijke nalevingkosten (cumulatief)

28

15

109

285

285

 

Voor de kwantitatieve doelstellingen is onderstaande indicator beschikbaar:

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2014

Streefwaarde

Planning

Bron

Netto verlaging regeldruk (cumulatief).

2012

€ 2,5 mld

2017

EZ

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen (NBTC) en de United Nations World Tourism Organization (UNWTO)

EZ heeft voor de periode 2012–2015 een nieuw, meerjarig contract met het Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen (NBTC) afgesloten om het inkomend toerisme te bevorderen. EZ stelt in deze periode budget beschikbaar voor de internationale marketing van Nederland en internationale congreswerving. Het budget zal worden ingezet op de belangrijkste toeristische herkomstmarkten en doelgroepen. Daarnaast wordt bijgedragen in de overheadkosten van het secretariaat van de UNWTO.

Bijdragen aan instituten

Betreft een verzamelpost van verschillende kleine bijdragen aan diverse instituten, ten behoeve van het programma-onderzoek op het terrein van MKB en ondernemerschap, het kenniscentrum MVO Nederland en de Koning-Willem I prijs.

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Kamers van Koophandel/Ondernemerspleinen

Naar verwachting gaat het nieuwe ZBO (de nieuwe Kamer van Koophandel) per januari 2014 formeel van start, afhankelijk van de tijdige inwerkingtreding van de nieuwe wet op de KvK die momenteel parlementaire behandeling ondergaat. Het jaar 2013 is het overgangsjaar waarin door het nieuwe ZBO in oprichting wordt gewerkt aan de fusie van de huidige Kamers van Koophandel met Syntens. Tegelijkertijd wordt aan de opzet van de Ondernemerspleinen gewerkt. Het digitale ondernemersplein is sinds eind 2012 live. Vanaf 2013 wordt continu gewerkt aan doorontwikkeling en aansluiting van partners. De fysieke Ondernemerspleinen gaan in 2014 van start. Momenteel wordt gewerkt aan een prestatie dashboard aan de hand waarvan de prestaties van de Ondernemerspleinen in de toekomst zullen worden gemeten. Onderdeel hiervan zullen naar verwachting klantwaardering en bereik van het digitale ondernemersplein zijn.

Bijdrage aan agentschappen

Agentschap NL

Deze middelen zijn grotendeels voor de uitvoering van de garantie-instrumenten, zoals BMKB, Groeifinancieringsfaciliteit, GO en Borgstellingsregeling Scheepsnieuwbouw, uitvoering van de IND zelfstandigen- en BBH-regeling. Dit betreft activiteiten als beoordeling van aanvragen, voorlichting over de instrumenten, terugontvangen van kredieten, etc.

Logius

De bijdrage aan Logius bestaat uit een bijdrage aan het programma (Bureau)Forum Standaardisatie en het programma SBR (Standard Business Reporting). Verder is een aantal projecten in afrondende fase, zoals e-factureren.

Compensatiebeleid

Industrieel participatiebeleid

Het industrieel participatiebeleid (IP-beleid) dat medio 2012 is geïntroduceerd als opvolger van het compensatiebeleid heeft als doel om de capaciteiten van Nederlandse defensie- en veiligheidsgerelateerde bedrijven te waarborgen en versterken. Dit is noodzakelijk omdat er op de markt voor defensie- en veiligheidsmaterieel onvoldoende transparantie of een gelijk speelveld is. Het beleid is erop gericht om bij de aanschaf van buitenlands defensiematerieel door het Ministerie van Defensie de Nederlandse industrie en kennisinstellingen zo goed mogelijk te betrekken. De nadruk ligt daarbij op de prioritaire technologiegebieden die in de Defensie Industrie Strategie (DIS) zijn geïdentificeerd. Jaarlijks profiteren zo’n 200–250 Nederlandse bedrijven en instituten van het beleid.

Het introduceren van het IP-beleid is het gevolg van de EU-richtlijn 2009/81/EG voor verwerving op het gebied van defensie en veiligheid. Implementatie van de richtlijn heeft in Nederland vorm gekregen door de Aanbestedingswet op Defensie en Veiligheidsgebied die op 15 februari 2013 van kracht werd en het introduceren van het IP beleid. Samen met de richtlijn heeft de Europese Commissie de criteria met betrekking tot het eisen van compensatie door Lidstaten aangescherpt en tracht zij het gebruik door de lidstaten van artikel 346 VWEU terug te dringen. Het aantal aanbestedingen waarvoor «industrial participation» kan worden geëist neemt hierdoor af. Het uiteindelijke doel van de wijzigingen is een transparantere markt met meer open concurrentie die zal leiden tot meer mogelijkheden, ook voor de Nederlandse defensie- en veiligheidgerelateerde industrie, zonder dat daar inmenging van de overheid voor nodig is.

Bij het IP-beleid wordt per geval bekeken of er industriële participatie zal worden geëist. In deze gevallen wordt van de leverancier verlangd dat tenminste 60% van de contractwaarde wordt ingevuld met projecten die bijdragen aan de capaciteiten van Nederlandse bedrijven ten behoeve van het beschermen van essentiële veiligheidsbelangen.

De komende periode is in de realisatie van overeenkomsten sprake van een overgangssituatie tussen de afwikkeling van het oude compensatiebeleid en het nieuwe IP-beleid. Bestaande compensatieovereenkomsten worden wel op de oorspronkelijk overeengekomen voorwaarden afgewikkeld.

Door een aantal ontwikkelingen zal de gerealiseerde invulling van compensatie de komende jaren verder afnemen. Deze ontwikkelingen betreffen krimpende budgetten bij het Ministerie van Defensie, wijzigingen als gevolg van het nieuwe Industriële Participatie-beleid en de inwerkingtreding van de wet Aanbestedingen Defensie en Veiligheid. De streefwaarde zal dus naar beneden moeten worden bijgesteld. Op dit moment is nog onzeker op welk structureel niveau de streefwaarde kan worden gesteld. Voor 2014 is de streefwaarde € 350 mln.

De indicator «gerealiseerde invulling compensatieverplichtingen» geeft het bedrag weer dat door buitenlandse partijen bij Nederlandse bedrijven wordt besteed ter compensatie van bestedingen van het Ministerie van Defensie in buitenlands materieel.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Streefwaarde

Planning

Bron

Gerealiseerde invulling compensatie / IP-verplichting (5 jaars gemiddelde)

€ 481 mln

2012

€ 350 mln 1

2014

EZ

X Noot
1

met inachtname van het gestelde hierboven

Toelichting op de ontvangsten

Ontvangsten garanties/borgstellingen

De Staat ontvangt provisies van banken voor verleende borgstellingen en garanties. Daarnaast worden op deze instrumenten ook de terugbetalingen op eerdere verliesdeclaraties verantwoord alsmede de ontvangen rente die wordt ontvangen op rekeningen die bij banken worden aangehouden voor verliesdeclaraties. Bij de Garantie Ondernemingsfinanciering en de Borgstellingsregeling Scheepsnieuwbouw worden eventuele overschotten gestort in de interne begrotingsreserve van EZ. Eventuele tekorten kunnen worden aangevuld uit de interne begrotingsreserve.

Joint Strike Fighter (JSF)

De ontvangstenraming voor de Joint Strike Fighter (JSF) is gebaseerd op een afdrachtpercentage over de geleverde onderdelen door bedrijven die bij de productie en de instandhoudingsfase voor de Nederlandse Koninklijke Luchtmacht van de F-35 betrokken zijn.

Budgettair belang fiscale maatregelen

Bedragen x € 1 mln
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Zelfstandigenaftrek

1.654

1.706

1.725

1.501

1.516

1.530

1.545

Extra zelfstandigenaftrek starters

104

108

109

93

94

95

96

Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid

2

2

2

2

2

2

2

FOR, niet omgezet in lijfrente

58

57

57

58

58

58

58

Meewerkaftrek

9

8

8

7

7

7

7

Stakingsaftrek

19

19

19

18

18

18

17

Doorschuiving stakingswinst

214

220

232

245

259

273

289

Bedrijfsopvolgingsfaciliteit in successiewet

193

197

201

205

208

212

216

Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

366

371

384

394

406

419

431

Willekeurige afschrijving starters

8

8

8

8

8

8

 

Vrijstelling durfkapitaal forfaitair rendement

10

           

Heffingskorting durfkapitaal

3

           

Willekeurige afschrijving investeringen bedrijfsmiddelen

 

57

         

Persoonsgebonden aftrekpost durfkapitaal

5

4

4

3

3

2

1

Verlaagd BTW-tarief Logiesverstrekking (inclusief kamperen)

236

260

263

266

269

272

276

Verlaagd BTW-tarief Voedingsmiddelen horeca

1.207

1.371

1.387

1.402

1.418

1.434

1.450

BTW Kleine ondernemersregeling

120

123

130

137

145

153

161

Verlaagd accijnstarief kleine brouwerijen

1

1

1

1

1

1

1

Vrijstelling overdrachtsbelasting bedrijfsoverdracht in familiesfeer

15

16

16

16

17

17

17

14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Algemene doelstelling

Een internationaal concurrerende energievoorziening die betrouwbaar, veilig en duurzaam is.

Om deze doelstelling te bereiken zet EZ financiële instrumenten in zoals subsidies en garanties maar ook niet financiële instrumenten zoals het stroomlijnen van de energie- en gaswet om de werking van de energiemarkt te verbeteren, de regeldruk te verminderen en efficiënter toezicht mogelijk te maken.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is op grond van de Elektriciteitswet en de Gaswet verantwoordelijk voor het energiebeleid. Daarnaast is de Minister van EZ op grond van de Kernenergiewet eerstverantwoordelijk voor nucleaire veiligheid en stralingsbescherming. Hieruit vloeien de volgende verantwoordelijkheden voort:

Financieren

  • Het voeren van het financieel instrumentarium op de beleidsterreinen duurzame energie, energiebesparing en het gebruik van innovatieve energietechnologieën.

(Doen) uitvoeren

  • Het vergroten van het aandeel duurzame energie.

  • Het reguleren van de nucleaire veiligheid en de beveiliging bij: alle nucleaire installaties, de toepassing en het vervoer van radioactief materiaal en het het reguleren van een veilig en toekomstbestendig beheer van radioactief afval in Nederland.

  • Het reguleren van een adequate bescherming van de samenleving tegen stralingsrisico's bij de toepassing en het vervoer van radioactieve stoffen.

  • Het voorbereid zijn op een nucleair of (stralings)incident en bij crises bijdragen aan de uitvoering van de nationale crisisbesluitvorming.

  • Het doen van metingen, monitoring en onderzoek naar straling ter onderbouwing van besluiten van het bevoegd gezag.

  • Het doen van berekeningen en het doen van metingen en onderzoek naar straling in crisissituaties.

  • Het uitoefenen van toezicht op de nucleaire installaties waar radioactieve stoffen en ioniserende straling worden toegepast.

  • Het uitoefenen van toezicht op het vervoer van splijtstoffen en radioactieve materialen).

Regisseren

  • Het regisseren van de realisatie van grote energie – infrastructuur projecten die onder de rijkscoördinatieregeling vallen; dit betekent als projectminister samen met de Minister van Infrastructuur en Milieu verantwoordelijk voor de ruimtelijke inpassing van projecten en voor de coördinatie van benodigde projecten.

  • Het stimuleren van een goed werkende Europese energiemarkt met een adequate infrastructuur.

  • Het creëren van randvoorwaarden waardoor de energievoorziening internationaal kan concurreren en het verdienpotentieel van de energiesector ten volle wordt benut.

  • Het creëren van randvoorwaarden voor een doelmatige en verantwoorde winning van onze bodemschatten.

  • Het stimuleren van de transitie naar een duurzame en betrouwbare energievoorziening.

  • Het coördineren van het energiebesparingsbeleid via de verschillende vakministers en het stimuleren van energiebesparing in de industrie en energiesectoren.

  • Het stimuleren van de ontwikkeling en gebruik van innovatieve energietechnologieën.

  • Het stimuleren van de verdergaande reductie van CO2 – uitstoot van energiebedrijven en industrie.

Kengetal HHI en C3

De C3 is het gezamenlijk marktaandeel van de drie grootste leveranciers. De mate van concentratie op de kleinverbruikersmarkt voor elektriciteit en gas vormt een indicatie voor de concurrentie op die markten. Een indicator hiervoor is de Herfindahl-Hirschman Index (HHI). Een markt met een HHI onder de 1.800 punten wordt gezien als een competitieve markt en een markt met een index tussen de 1.800 en 8.000 punten wordt gezien als een geconcentreerde markt.

Kengetal

2009

2010

2011

2012

Ambitie 2014

1. Concentratiegraad in de retailsector elektriciteit

– HHI

2.285

2.263

2.456

2.338

Stabiliseren tussen 1800–2500

– C3

81%

81%

85%

83%

Daling/lager

2. Concentratiegraad in de retailsector gas

– HHI

2.187

2.158

2.344

2.258

Stabiliseren tussen 1800–2500

– C3

76,4%

79%

83%

81%

Daling/lager

Bron: ACM

Kengetal

2009

2010

2011

2012

Elektriciteitsstoring in minuten per jaar

26,5 min

34 min

23 min

27 min

Bron: Netbeheer Nederland

Toelichting

Het aantal storingsminuten per huishouden per jaar geeft een indicatie van de leveringszekerheid van elektriciteit.

Beleidswijzigingen

  • Overeenkomstig de brief van 19 april 2013 (TK, 32 645, nr. 51) wordt aan de oprichting van een onafhankelijke Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming, die zal voldoen aan Europese en internationale regelgeving. Het ligt in de verwachting dat deze onafhankelijke autoriteit in 2014 als organisatie zal gaan functioneren.

  • In het Energieakkoord, dat onder leiding van de voorzitter van de Sociaal Economische Raad (SER) tot is gekomen, hebben kabinet, werkgevers, werknemers, milieuorganisaties, energiebedrijven, provincies, gemeenten en vele andere organisaties de basis gelegd voor een breed bedragen, robuust en toekomstbestending energiebeleid. Partijen zetten zich in om de volgende doelen te realiseren:

    • Een besparing van het finale energieverbruik met gemiddeld 1,5% per jaar;

    • 100 Petajoule aan energiebesparing in het finale energieverbruik van Nederland per 2020;

    • Een toename van het aandeel van hernieuwbare energieopwekking (nu 4%) naar 14% in 2020;

    • Een verdere stijging van dit aandeel naar 16% in 2023;

    • Ten minste 15.000 voltijdsbanen, voor een belangrijk deel in de eerstkomende jaren te creëren.

    Met het Energieakkoord worden belangrijke stappen gezet op weg naar een duurzame energievoorziening en krijgt de economie op korte termijn een stevige impuls. Met het Energieakkoord nemen alle betrokken partijen gezamenlijk de verantwoordelijkheid op zich om te komen tot grote investeringen die leiden tot energiebesparing, meer duurzamen energie en extra werkgelegenheid. Tegelijkertijd zal de energierekening voor burgers en bedrijven lager zijn dan voorzien in het regeerakkoord.

  • Om tegemoet te komen aan de maatschappelijke wens om ook in bestaande situaties bewoners te ontlasten van hoogspanningsverbindingen biedt het kabinet vanaf 2017 een structurele oplossing voor de meest directe gevallen van wonen in de buurt van hoogspanningsverbindingen (TK, 31 574, nr. 29). Het voorstel is een combinatie van het ondergronds brengen van verbindingen (verkabeling) en het uitkopen van woningen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

VERPLICHTINGEN

2.289.462

3.509.393

3.899.850

360.437

366.230

363.172

346.075

Waarvan garantieverplichtingen

147.225

43.350

         

UITGAVEN

1.085.460

1.316.043

1.538.633

1.623.310

1.832.740

1.965.568

2.228.905

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

86%

       
               

Subsidies

857.264

1.091.265

1.331.133

1.430.135

1.646.971

1.761.577

2.029.364

– Topsectoren Energie

29.792

42.896

45.787

57.193

27.809

30.806

31.606

– Energie-innovatie (IA)

56.868

31.658

19.749

7.872

2.370

2.361

2.361

– Green Deal

225

20.775

28.692

4.950

18.751

   

– Energieakkoord

   

35.000

45.000

55.000

60.000

50.000

– MEP

619.608

528.000

470.000

380.000

288.000

200.700

62.000

– SDE

100.954

285.372

417.496

526.488

669.475

684.357

702.831

– SDE+

 

79.040

171.060

295.261

485.540

685.500

1.081.500

– Compensatie Energie-intensieve bedrijven (ETS)

   

78.000

78.000

78.000

78.000

78.000

– CCS

5.531

42.700

39.047

20.557

9.915

8.242

9.955

– Hoge Flux Reactor

7.250

7.250

7.250

7.250

8.111

8.111

8.111

– Aanschafsubsidie zonnepanelen

21.339

29.332

         

– Elektrisch rijden

2.154

4.123

2.210

1.120

     

– Caribisch Nederland

1.304

4.665

11.500

4.500

4.000

3.500

3.000

– Overige subsidies

12.239

15.454

5.342

1.944

     

Opdrachten

24.654

28.998

27.268

23.476

18.678

11.335

8.303

– O&O bodembeheer

2.897

5.366

666

666

666

666

666

– Joint implementation

14.787

7.214

2.308

       

– Straling

5.006

11.043

11.456

6.260

4.874

4.313

4.225

– Pallas

154

1.600

9.100

13.100

9.500

3.000

 

– Onderzoek en opdrachten

1.810

3.775

3.738

3.450

3.638

3.356

3.412

Bijdragen aan agentschappen

43.095

44.803

34.998

32.040

30.072

27.883

26.565

– Agentschap NL

42.342

40.584

31.012

28.127

27.379

26.736

26.064

– NVWA

753

695

693

692

692

691

691

– Kern Fysische Dienst

 

3.524

3.293

3.221

3.154

3.085

3.016

Nog te verdelen taakstelling

       

– 1.153

– 2.629

– 3.206

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

86.418

114.306

113.106

113.106

113.106

113.106

113.106

– Doorsluis COVA heffing

86.418

111.000

111.000

111.000

111.000

111.000

111.000

– TNO bodembeheer

 

3.306

2.106

2.106

2.106

2.106

2.106

Bijdragen aan mede-overheden

         

28.000

28.000

– Uitkoop

         

28.000

28.000

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

74.029

36.671

32.128

24.553

23.913

23.667

23.567

– ECN/NRG

73.557

35.348

31.347

23.794

22.957

22.657

22.557

– Diverse instituten

472

1.323

781

759

956

1.010

1.010

               

ONTVANGSTEN

11.960.294

13.466.811

12.165.411

11.185.411

10.959.411

10.243.411

10.036.761

– COVA

86.436

111.000

111.000

111.000

111.000

111.000

111.000

– SDE+

 

100.000

200.000

320.000

494.000

678.000

1.074.000

– Aardgasbaten

11.839.743

13.250.000

11.850.000

10.750.000

10.350.000

9.450.000

8.850.000

– Ontvangsten zoutwinning

2.350

1.761

1.761

1.761

1.761

1.761

1.761

– Diverse ontvangsten

31.765

4.050

2.650

2.650

2.650

2.650

 

Budgetflexibiliteit

Subsidies: Van het totale subsidiebudget is 95% juridisch verplicht. Dit percentage is hoog als gevolg van uitfinanciering van t/m 2013 aangegane verplichtingen, met name langlopende uitbetalingen op reeds afgegeven beschikkingen in het kader van de MEP/SDE en verplichtingen die in 2011, 2012 en 2013 zijn aangegaan op de SDE+.

Opdrachten: Van het opdrachtenbudget is 45% juridisch verplicht. Het betreft uitfinanciering van in voorgaande jaren afgegeven beschikkingen, met name in het kader van Joint Implementation en kernenergie.

Bijdragen aan agentschappen: Het budget betreft de financiering van de opdracht 2014 aan Agentschap NL, Kernfysische Dienst en de NVWA en is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s: Op dit onderdeel is geen sprake van budgetflexibiliteit. Het betreft met name de doorsluis van de COVA-heffing op aardolieproducten, bedoeld voor het dekken van de kosten van het aanhouden van voorraden. Dit is gebaseerd op nationale en internationale wetgeving.

Bijdragen (inter)nationale organisaties: Van het beschikbare budget voor (inter)nationale organisaties is 69% juridisch verplicht. De bijdrage aan ECN betreft een al langlopende gevestigde en op overeenkomsten gebaseerde subsidierelatie ten behoeve van energieonderzoek. Dit betekent dat er op dit onderdeel sprake is van enige budgetflexibiliteit, zij het beperkt op de korte termijn.

Interne begrotingsreserve

Stand interne begrotingsreserve per 31 december 2012 (x € 1.000)

Interne begrotingsreserve Geothermie

11.357

De interne begrotingsreserve voor de garantieregeling Geothermie is bedoeld om het budget voor deze regeling meerjarig in te kunnen zetten en een eventuele mismatch in de tijd tussen inkomsten en uitgaven op te vangen. Om gebruik te kunnen maken van de garantieregeling Geothermie betalen marktpartijen een premie aan de uitvoerder van de regeling (Agentschap NL) die wordt gestort in de interne begrotingsreserve.

Nederlandse inzet voor nucleaire veiligheid en stralingsbescherming

Aan het einde van dit beleidsartikel is de Nederlandse inzet voor nucleaire veiligheid en stralingsbescherming weergegeven.

Toelichting op de financiële instrumenten

Subsidies

Topsector Energie

De topsector energie richt zich op de verduurzaming van de energievoorziening en de versterking van de toegevoegde waarde van de energiesector voor de Nederlandse economie. De focus ligt daarbij op bio-energie, energiebesparing in industrie en gebouwde omgeving, gas, intelligente netten, wind op zee en zonne-energie. De gezamenlijke onderzoeks- en innovatieagenda van bedrijven en kennisinstellingen, verwoord in de in april 2012 afgesloten innovatiecontracten, waarborgt aansluiting van onderzoek op de behoeften vanuit de markt. De Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s) voeren deze agenda uit. EZ stimuleert en ondersteunt de topsector energie met reguliere innovatiemiddelen en een speciaal voor innovatie afgezonderd deel van de SDE+ middelen.

Voornaamste acties in 2014:

Het verder aanscherpen van het onderzoeks- en innovatieportfolio van de TKI’s en het verbreden van de deelname van bedrijven, vooral van het midden- en kleinbedrijf (MKB). Die grotere betrokkenheid komt ook tot uiting in een goede deelname van de Nederlandse energiesector aan het 8e Europese Kaderprogramma «Horizon 2020», dat in 2014 van start gaat.

Innovatieprogramma voor demonstratieprojecten

In het energieakkoord voor duurzame groei is bepaald dat er overheidsmiddelen beschikbaar komen voor een innovatieprogramma voor demonstratieprojecten die gericht zijn op versnelling van commercialisering vanuit de Topsector Energie ten behoeve van de export. Het budget hiervoor loopt op van € 25 mln in 2014 tot structureel € 50 mln vanaf 2017.

Energie-innovatie (Innovatie Agenda Energie)

Dit betreft de uitfinanciering van een groot aantal specifieke innovatieprogramma’s die in de periode 2008–2011 zijn opgestart met een eenmalige impuls vanuit het Fonds Economische Structuurversterking (FES). De Innovatie Agenda is inmiddels vervangen door de topsector energie.

Kengetal

2009

2010

2011

2012

2013

Ambitie 2014

Private R&D-investeringen (uitgedrukt in % van omzet) 1

Bron: CBS

n.v.t.

2.4%

n.v.t.

n.n.b

n.v.t.

n.v.t.

Aantal deelnemende bedrijven bij TKI 2

Bron: AgNL

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

333

 

10% groei t.o.v. 2013

Kwaliteit van het Nederlandse energieonderzoek gemeten als retourpercentage van het zevende EU kaderprogramma thema energie 3

7,5%

6,8%

7,4%

7,0%

 

6,9%

Bron: AgNL

X Noot
1

Onderzoek naar private R&D investeringen vindt elke twee jaar plaats. Voor 2009, 2011 en 2013 zijn daardoor geen investeringen beschikbaar. De cijfers over 2012 komen in de zomer van 2014 beschikbaar.

X Noot
2

In september 2012 zijn de TKI ’s opgericht. Daardoor zijn er geen gegevens beschikbaar voor de jaren 2009 tot en met 2011.

X Noot
3

De cijfers betreffen cumulatieve cijfers vanaf de start van het zevende kaderprogramma in 2007. De realisatie 2011 heeft betrekking op de periode 2008 tot en met 2011. Het retourpercentage in KP7 energie voor Nederland is 7,4%. Dit is ruim boven de Nederlandse bijdrage aan het kaderprogramma thema energie van circa 5%. Bron: «Nederland in KP7», AgentschapNL, 2011.

Compensatie Energie-intensieve bedrijven (ETS)

Door de introductie van het Europese Emissiehandelssysteem (ETS) wordt de CO2-prijs prijs door de elektriciteitsproducenten aan de elektriciteitsgrootgebruikers doorberekend. Elektriciteitgrootgebruikers die internationaal concurreren kunnen in veel gevallen die CO2- kosten (ook wel indirecte kosten genoemd) niet doorberekenen omdat de concurrenten buiten de EU die kosten niet hebben. Naast verstoring van het gelijke speelveld leidt dit tot een CO2- weglek risico (het verplaatsen van bedrijven met veel directe of indirecte CO2 uitstoot naar landen waar de uitstoot van CO2 geen prijs heeft). Voor de compensatie van de indirect kosten in het kader van het ETS is vanaf 2014 jaarlijks een bedrag beschikbaar van € 78 mln op de EZ begroting.

Green Deal

Het kabinet zet de Green Deal aanpak verstevigd voort met als doel groene groei te versnellen.

De Green Deal aanpak is een onderdeel van het groene groei beleid van het kabinet. Dat beleid is gericht op het scheppen van de juiste randvoorwaarden en prikkels voor het vergroenen van economie en samenleving. Green Deals bieden bedrijven, burgers en organisaties een laagdrempelige mogelijkheid om samen met de overheid te werken aan groene groei. Initiatieven uit de samenleving staan aan de basis van de Green Deal-aanpak. Centrale gedachte is dat de overheid initiatieven faciliteert en versnelt door het wegnemen van knelpunten. Knelpunten kunnen liggen op het vlak van toegang tot financiering, wet- en regelgeving, netwerkvorming en kennis & informatie. Succesvolle deals en oplossingen worden opgeschaald naar andere locaties, partijen en sectoren en zetten zo een vliegwiel in werking. Er zijn sinds 2011 al bijna 150 Green Deals afgesloten, met meer dan 440 partijen op het terrein van energie, water, grondstoffen, bio-diversiteit en mobiliteit.

Van deze 150 afgesloten Green Deals bevinden zich circa 50 deals op het terrein van energie. De onderwerpen van deze energie deals zijn zeer divers, variërend van energiebesparing tot elektrisch vervoer. Aangezien het initiatieven uit de samenleving zijn, is er op voorhand geen inzicht mogelijk in welk type energiedeals er in 2014 zullen worden afgesloten.

De deals hebben veelal een looptijd van drie jaar en zijn volop in uitvoering. Een compleet overzicht van Green Deals is te vinden op: http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/duurzame-economie/green-deal .

Voornaamste acties in 2014:

  • Verder ontwikkelen, beheren en monitoren van een portfolio van 150–200 Green Deals op de thema’s in het kader van het groene groei beleid.

  • Uitrollen en verder opschalen van succesvolle green deals.

  • Afronden van de green deals die in 2011 zijn gestart.

  • Het in 2013 gestarte traject rond de Green Deal 2.0 aanpak zal leiden tot meer intensieve sturing op kwaliteit en impact van nieuwe initiatieven.

  • In kaart brengen en uitdragen van resultaten en zo mogelijk effecten van green deals.

Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie (MEP)/ Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE)

Dit betreft de uitfinanciering van verplichtingen die in het verleden in het kader van de Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie (MEP) en Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE) zijn aangegaan. De MEP-subsidie is verleend aan elektriciteitsproducenten met wind-, zon- en waterkracht en biomassa. Producenten hebben hiervoor tot 18 augustus 2006 een subsidieaanvraag in kunnen dienen. Projecten met MEP-beschikkingen ontvangen MEP-subsidie tot aan het einde van de subsidietermijn. De MEP-subsidie geldt voor een periode van 10 jaar. Aan het eind van de looptijd wordt de definitieve subsidie vastgesteld.

De regeling SDE is de opvolger van de MEP. De SDE is een exploitatiesubsidie die de onrendabele top (het verschil tussen de kostprijs van duurzame energie en fossiele energie) vergoedt voor projecten op het gebied van hernieuwbaar gas en hernieuwbare elektriciteit en is daarmee breder dan de MEP. In 2011 is de SDE omgevormd en aangepast tot de Stimuleringsregeling duurzame energieproductie (SDE+).

Duurzame energieproductie/SDE+

Dit kabinet zet in op een kosteneffectieve uitrol van hernieuwbare energie. Hiervoor is een grote inspanning vereist. De SDE+ beoogt het aandeel duurzame energie in Nederland op een kosten effectieve wijze te vergroten. De SDE+ richt zich op de opties hernieuwbare elektriciteit, groen gas en hernieuwbare warmte en subsidieert het verschil tussen de kostprijs van duurzame energie en fossiele energie, de zogenaamde onrendabele top. De kosteneffectiviteit wordt bereikt door de introductie van concurrentie tussen verschillende vormen van duurzame energie en door goedkopere projecten voorrang te verlenen bij het verkrijgen van subsidie. De totale uitgaven zijn afhankelijk van de beschikbare projecten en de ontwikkeling van de energieprijs. Ook wordt onderzocht op welke wijze bij- en meestook van biomassa in kolencentrales gestimuleerd kan worden.

Voornaamste acties in 2014:

Uitvoeren van de SDE+ en de rijkscoördinatieregeling voor windprojecten groter dan 100 MegaWatt. Implementatie structuurvisies wind op land en wind op zee. Het realiseren van noodzakelijke randvoorwaarden voor de uitrol van wind op zee.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Streefwaarde

Planning

Bron

Duurzame energieproductie

4,2%

2011

16%

2023

CBS

Begrotingsreserve duurzame energieproductie (MEP/SDE/SDE+)

Er wordt met ingang van 2013 een interne begrotingsreserve ingesteld ten behoeve van de beschikbare middelen voor duurzame energieproductie (MEP/SDE/SDE+ en andere). Deze begrotingsreserve is bestemd voor onbesteed gebleven middelen als gevolg van vertraging van projecten en uitgevallen, reeds verplichte projecten die door andere projecten worden vervangen. Door storting in de begrotingsreserve blijven middelen voor subsidiëring van duurzame energie beschikbaar voor het realiseren van de doelstelling.

Carbon Capture and Storage (CCS)

Om op de lange termijn te komen tot een volledig duurzame energievoorziening zal afvang, gebruik en opslag van CO2 (Carbon Capture and Storage, CCS) onvermijdelijk zijn. CCS kan worden toegepast bij de industrie en ook bij gas- en kolencentrales. In het Energieakkoord voor duurzame groei is bepaald dat de rijksoverheid het initiatief zal nemen om te komen tot een lange termijn visie op de positie van CCS in de transitie naar een volledig duurzame energievoorziening.

Nederland behoort, samen met enkele andere landen, Europees en wereldwijd tot de koplopers op het gebied van CCS. Nederlandse onderzoeksinstellingen en bedrijven die betrokken zijn geweest bij de voorbereiding of uitvoering van grootschalige CCS-projecten, kunnen die kennis en ervaring wereldwijd benutten. Dat is goed voor onze economie en voor het klimaat.

Het beleid bestaat uit het steunen van onderzoek en het opzetten van een grootschalig demonstratieproject met opslag onder zee. Het gaat om het ROAD project; hierbij wordt CO2 afgevangen bij de nieuwe E.ON kolencentrale op de Maasvlakte en de CO2 wordt 20 km buiten de kust in een leeg gasveld opgeslagen. Het Rijk draagt € 150 mln aan cofinanciering bij.

Hoge Flux Reactor (HFR)

De HFR in Petten is eigendom van de Europese Commissie en wordt geëxploiteerd door de Nucleair Research Group (NRG). De exploitatie van de HFR wordt ondersteund door een reeks aanvullende onderzoeksprogramma's. De voor de HFR opgenomen middelen betreffen de Nederlandse bijdrage aan het «aanvullend programma» van het Joint Research Centre van de Europese Commissie, dat in de HFR wordt uitgevoerd. Het voornaamste doel van het aanvullend onderzoeksprogramma 2012–2015 van de HFR, is een constante en betrouwbare neutronenflux voor experimentele doeleinden te leveren. De totale bijdrage van Nederland, Frankrijk en België voor het aanvullend programma 2012–2015, plus de verwachte commerciële inkomsten (uit de commerciële productie van radio-isotopen voor medische diagnoses), waarborgt een afdoende operationele begroting om de kosten voor de exploitatie van de reactor in de periode 2012–2015 te dekken.

Aanschafsubsidie Zonnepanelen

In 2012 en 2013 is de tijdelijke subsidieregeling voor investeringen in zonnepanelen voor kleinverbruikers opengesteld. Kleinverbruikers konden een subsidie ontvangen van 15% van de prijs van de aangeschafte materialen, tot een maximum van € 650,–.

Elektrisch rijden

In privaat-publieke samenwerking bevordert het plan «Elektrisch rijden in de versnelling» de introductie van elektrisch vervoer, zodat op den duur een zelfdragende markt kan ontstaan. Het plan richt zich op samenwerking met een aantal focusgebieden (andere overheden), uitrol van voertuigen in kansrijke marktsegmenten, ontwikkeling van adequate en steeds betaalbaarder infrastructuur en het stimuleren van de ontwikkeling van verdienpotentieel. In samenwerking met andere departementen zorgt EZ voor gunstige randvoorwaarden: onder andere fiscaal beleid, het bewaken van een open marktmodel voor oplaaddienstverlening en eigen aankoop- en aanbestedingsbeleid van het Rijk.

Overige subsidies

Dit betreft de uitfinanciering van verplichtingen van reeds beëindigde subsidieregelingen. Dit betreft met name de uitfinanciering van het Besluit Subsidies Investeringen Kennisinfrastructuur (BSIK), Transitiemanagement en duurzame warmte.

Garanties

Geothermie

Geothermie of aardwarmte betreft het winnen van warmte uit diepe aardlagen. Het potentieel van geothermie is 11 petajoule (PJ) in 2020. Het ontbreken van een (betaalbare) verzekering is momenteel een belangrijk knelpunt voor de toepassing van aardwarmte. De garantieregeling Geothermie heeft als doel het afdekken van het risico dat het boren van putten voor de toepassing van aardwarmte niet succesvol is. De overheid dekt dit risico af door middel van het uitgeven van garanties aan marktpartijen. De derde openstelling van de garantieregeling heeft plaatsgevonden in het voorjaar van 2013. Er wordt beoogd dat marktpartijen het risico op termijn zelf gaan afdekken.

Opdrachten

O&O bodembeheer

Dit betreft opdrachten ten behoeve van de Mijnraad en de Technische commissie bodem beweging (Tcbb) en diverse opdrachten in verband met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (WABO).

Joint Implementation

CO2-reductie wordt ingevuld via aankoop van onder andere Joint Implementation (JI)-rechten in het buitenland. De kern van JI is dat landen met reductieverplichtingen deze in andere landen kunnen realiseren. De oorspronkelijke doelstelling voor de vermeden CO2-uitstoot is 20 Mton, te realiseren over de periode 2008–2012. Over de periode 2008–2011 is inmiddels 17 Mton gerealiseerd en geleverd via JI en gegroende Assigend Amount Units.

De uiterlijke termijn voor levering van emissierechten gegenereerd tijdens de Kyoto periode is 2015. In het najaar van 2013 zullen de voorlopig definitieve cijfers beschikbaar komen of Nederland haar Kyotodoelstelling heeft gehaald.

Straling en Nucleaire Veiligheid

Bij de beoordeling van nucleaire inrichtingen en bij de toepassing van ioniserende straling, het vervoer van radioactief materiaal en het beheer en de verwijdering van radioactief afval heeft veiligheid de hoogste prioriteit. De nationale regelgeving waarop deze veiligheid is gebaseerd wordt herschreven tot toekomstbestendige wet- en regelgeving.

Ook de beoordeling van de vergunningaanvragen voor de nieuwe onderzoeksreactor Pallas en de onderzoeksreactor Oyster gebeurt op basis van actuele veiligheidseisen en regelgeving. Deze Nederlandse veiligheidseisen zijn gebaseerd op de meest recente internationale richtlijnen en worden vastgelegd in een ministeriële richtlijn.

De voorbereiding op eventuele nucleaire ongevallen wordt aangepast, zodat die internationaal beter geharmoniseerd is.

Op grond van de Europese richtlijn 2011/70/Euratom is Nederland verplicht een nationaal programma over het beleid voor radioactief afval en verbruikte splijtstof te maken. Aan dit programma wordt verder gewerkt opdat het augustus 2015 aan de Europese Commissie kan worden voorgelegd.

Op grond van Europese richtlijnen moet elke EU-lidstaat ten minste om de tien jaar een zelfevaluatie uitvoeren van de nationale nucleaire wet- en regelgeving en van de bevoegde regelgevende autoriteit. Deze zelfevaluatie wordt door het Internationaal Atoomenergieagentschap beoordeeld in een «Integrated Regulatory Review Service (IRRS)». Eind 2014 zal een IAEA-IRRS-missie Nederland bezoeken. De Kernenergiewet en de daarop gebaseerde regelgeving zal, mede in verband met deze zelfevaluatie, in 2014 en volgende jaren integraal worden herzien en toekomstbestendig worden gemaakt. Ook zal de nieuwe EU-richtlijn over stralingsbescherming worden geïmplementeerd.

Voor het verhogen van de internationale nucleaire beveiliging worden bijdragen geleverd aan de «Nuclear Security Summit 2014» en de «Nuclear Industry Summit». Beide internationale conferenties worden eind maart 2014 gehouden.

Pallas

Een excellente en solide nucleaire kennisinfrastructuur in Nederland is van groot belang voor de nucleaire gezondheidszorg, een verantwoorde toepassing van kernenergie en voor de ontwikkeling van hernieuwbare energie. Het kabinet en de provincie Noord-Holland investeren elk maximaal € 40 mln in het project Pallas met als doel de realisatie van een nieuwe onderzoeksreactor in Petten. Deze bijdrage is bedoeld voor het ontwerp, de aanbesteding en de vergunningprocedure van de reactor. Voor de realisatie van de onderzoeksreactor is een nieuwe, onafhankelijke organisatie opgericht. Deze heeft de opdracht gekregen om te zorgen voor een gezonde businesscase. De bouw en exploitatie van de reactor moet volledig privaat met risicodragend kapitaal worden gefinancierd. Daarbij geldt dat de gemaakte kosten voor ontwerp, aanbesteding en vergunningprocedure door de private investeerders moeten worden terugbetaald.

Onderzoek en opdrachten

Dit betreft kleinere onderzoeksopdrachten – veelal met een looptijd van minder dan één jaar – die dienen ter ondersteuning van het energiebeleid en die veelal gericht zijn op beantwoording van één specifieke vraag (al dan niet op verzoek van de Tweede Kamer).

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Doorsluis Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA) heffing

Het crisisbeleid op het gebied van de olievoorzieningszekerheid dient verstoringen in de olieaanvoer op te vangen. Door de Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA) en het oliebedrijfsleven worden in opdracht van EZ strategische olievoorraden aangehouden in lijn met hetgeen hierover geregeld is in de Wet voorraadvorming aardolieproducten (Wva) 2012.

De uitgavenreeks op de EZ-begroting betreft de doorsluis van de ontvangen voorraadheffingen naar de COVA. De voorraadheffing is een heffing ingesteld op aan accijns van minerale oliën onderworpen aardolieproducten. De heffing bedraagt momenteel € 8,– per 1.000 liter benzine en diesel en wordt door de Minister van Financiën geheven en ingevorderd door de Belastingdienst. De Minister van EZ keert de opbrengst van heffing uit aan de stichting COVA ter dekking van de operationele kosten en financieringslasten van de COVA.

Per 1 april 2013 is de Wva 2012 van kracht geworden en in lijn met de bepalingen in de nieuwe Wva 2012 is een verhoging van de voorraadheffing doorgevoerd. In deze wet is onder andere de EU Richtlijn 2009/119/EU over strategische aardolievoorraden geïmplementeerd.

TNO bodembeheer

Dit betreft een bijdrage aan TNO voor de adviestaak voortvloeiend uit de Mijnbouwwet en Mijnbouwregeling. De adviserende taak ligt op het vlak van het opsporen en winnen van delfstoffen (olie, gas en steenzout) en aardwarmte en het opslaan van stoffen in de (diepe) ondergrond van Nederland.

Bijdragen aan mede-overheden

Uitkoopregeling

Woningen die direct onder de hoogspanningslijnen staan van 220 en 380 kV verbindingen en 110 en 150 kV buiten de bevolkingskernen, komen in aanmerking voor uitkoop. Het Rijk stelt vanaf 2017 geld beschikbaar voor een uitkoopregeling aan de betrokken gemeenten als die besluiten tot verwijderen van de woonfunctie. De regeling heeft een looptijd van vijf jaar (TK, 31 574, nr. 29).

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Energie Onderzoekcentrum Nederland (ECN)/ Nuclear Research Group (NRG)

Energie Onderzoekcentrum Nederland (ECN) ontwikkelt hoogwaardige kennis en technologie voor een efficiënte en duurzame energievoorziening en brengt deze naar de markt. ECN stelt hiertoe haar onderzoeksprogrammering in belangrijke mate op samen met bedrijven in de Topsector Energie. Het gaat hier om € 17 mln van de € 22,9 mln die voor ECN bestemd is. Daarnaast ondersteunt de kennisbasis en onafhankelijke positie van ECN de ontwikkeling en uitvoering van energiebeleid. Voor de Nuclear Research Group (NRG) betreft het onderzoeksactiviteiten op het gebied van de nucleaire veiligheid, radioactief afval en stralingsbescherming. Centraal daarbij staat de ontwikkeling van kennis, producten en processen voor veilige toepassing van nucleaire technologie voor energie, milieu en gezondheid.

Diverse instituten

Nederland participeert in een aantal internationale organisaties of programma’s, die zich bezig houden met voorzieningszekerheid. Het gaat dan om het International Energy Agency (IEA), het Energy Charter Treaty (ECT), het International Energy Forum, het Gas Exporting Countries Forum en het Nederlands Polair Programma. Daarnaast is Nederland samen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken en een aantal bedrijven partner in het Clingendael International Energy Programme (CIEP).

Voornaamste acties in 2014:

Versteviging van de samenwerking in Noordwest Europa. Via het Pentalaterale forum wordt ingezet op het versterken van de marktintegratie en de leveringszekerheid in Noordwest Europa. Hiernaast wordt ook bilateraal meer naar samenwerking gezocht met onze buurlanden als Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en België vanwege belangen die Nederland respectievelijk Nederlandse bedrijven daar hebben. Specifiek de intensivering van verdere samenwerking met Duitsland op politiek niveau zal in 2014 aan de orde zijn. Belangrijke onderwerpen voor overleg en samenwerking zijn: subsidiesystemen, innovatie en verbeteringen in de grensoverschrijdende infrastructuur.

In 2014 zal een ad hoc high-level conferentie in Den Haag worden georganiseerd onder voorbehoud van de voortgang van het moderniseringsproces van het Energy Charter.

Toelichting op de ontvangsten

COVA

Betreft ontvangsten uit hoofde van de voorraadheffing COVA, zoals toegelicht bij de uitgavenpost «Doorsluis COVA heffing».

SDE+

De uitgaven van de subsidie SDE+ worden gefinancierd via een opslag op de energierekening. Deze is in 2013 ingegaan, in het jaar dat de eerste substantiële betalingen uit hoofde van de SDE+ worden verwacht.

Aardgasbaten

De raming van de aardgasbaten voor 2012 en verder is gebaseerd op het meest recente scenario van het CPB uit de concept-Macro Economische Verkenning (concept-MEV). De volgende variabelen zijn hierbij relevant:

Verwachting 2013–2014
 

2013

2014

Productie aardgas totaal (mld m3)

Bron: TNO

79

71

Euro/dollarkoers

Bron: CBS/CPB

1,31

1,32

Olieprijs (dollar/vat)

Bron: CBS/CPB

105,6

103

Beursprijs van TTF-gas (eurocent/ m3)

Bron: APX Endex

26

26

Kengetallen

2009

2010

2011

2012

1. Gewonnen volume aardgas kleine velden

Bron: TNO

34 mld m3

32 mld m3

29 mld m3

28 mld m3

2. Aantal boringen exploratie onshore en offshore

Bron: TNO

15

12

18

17

3. Aantal boringen productie onshore en offshore

Bron: TNO

28

35

39

29

4. Productie aardgas totaal

Bron: TNO

74 mld m3

86 mld m3

79 mld m3

78 mld m3

5. Euro/dollarkoers

Bron: CBS/CPB

1,39

1,33

1,39

1,29

6. Olieprijs (dollar/vat)

Bron: CBS/CPB

61,5

79,5

111,3

111,7

7. Beursprijs van TTF-gas (eurocent/ m3)

Bron: APX Endex

13,0

15,8

22,7

23,8

  • 1 t/m 4 In het kader van voorzieningszekerheid is het van belang dat het aardgas dat zich bevindt in de Nederlandse kleine velden ook wordt gewonnen. Dit omvat zowel het produceren van reeds ontdekte velden (kengetal 1, 3 en 4) als het exploreren van nieuwe velden (kengetal 2). EZ stelt de randvoorwaarden middels een concurrerend mijnbouwklimaat, marktpartijen nemen de productie en exploratie voor hun rekening. Kengetal 1 geeft de totale hoeveelheid gewonnen gas uit kleine velden (onshore en offshore). Kengetal 4 geeft de totale aardgasproductie in Nederland weer, dus aardgas gewonnen uit kleine velden en het Groningerveld.

  • 5 t/m 7 De bepalende factoren voor de geraamde aardgasbaten zijn de aardgasprijs en het volume van de verkopen. De aardgasprijs is gerelateerd aan enerzijds de prijs van olie in dollars in combinatie met de euro/dollar-koers en anderzijds aan de prijs van gas die onafhankelijk van de olieprijs op de markt tot stand komt op onder andere gasbeurzen.

Budgettair belang fiscale maatregelen

Met de Energie-investeringsaftrek (EIA) stimuleert EZ investeringen in energiebesparing in of bij bedrijfsgebouwen, processen en transportmiddelen, duurzame energie en energie-advies. Deze investeringen zijn deels aftrekbaar van de fiscale winst. Ten opzichte van het historisch verbruik of het gemiddeld gangbare energiegebruik bij nieuwbouw moeten investeringen in energiebesparing per jaar per geïnvesteerde euro een bepaalde hoeveelheid energie besparen. Alleen de nieuwste typen bedrijfsmiddelen komen hierdoor in aanmerking. De EIA stimuleert zo de marktintroductie van een nieuwe generatie efficiënte bedrijfsmiddelen.

In het energieakkoord voor duurzame groei is opgenomen dat het budget van de EIA-regeling wordt beperkt (oplopend tot € 50 mln per 2017) om financiële ruimte te maken voor een innovatieprogramma voor demonstratieprojecten die gericht zijn op versnelling van commercialisering vanuit de Topsector Energie ten behoeve van de export. Om meer middelen beschikbaar te houden voor investeringen in energiebesparing en energie-efficiëntieverbetering in het bedrijfsleven, is in het Energieakkoord voor duurzame groei opgenomen dat de EIA-regeling zoveel mogelijk wordt gericht op investeringen in energiebesparing.

Bedragen x € 1 mln
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Energie-investeringsaftrek (EIA)

96

151

111

106

101

101

101

Nederlands inzet voor nucleaire veiligheid en stralingsbescherming

In de overzichtsconstructie wordt een onderscheid gemaakt in het aantal formatieplaatsen van de diensten die onder de directe verantwoordelijkheid van de Minister van Economische Zaken vallen en de formatieplaatsen van de diensten die onder de directe verantwoordelijkheid van andere ministeries vallen.

Ministerie van Economische Zaken

  • Programmadirectie Nucleaire Installaties en Veiligheid

    De programmadirectie heeft tot taak:

    • Het zorgdragen voor het aansluiten bij internationale ontwikkelingen waaronder de inzichten van EU en IAEA.

    • Het zorgdragen voor internationaal afgestemd beleid voor voorzorg en nazorg bij nucleaire rampen.

    • Het zorgdragen voor een robuust beleidskader voor nieuwe nucleaire installaties.

    • Het zorgdragen voor actuele en toegesneden kemenergie- en stralingsbeschermingsregelgeving.

    • Het zorgdragen voor nucleaire veiligheid, in het bijzonder na de lessen van Fukushima.

    • Het zorgdragen voor adequate en proportionele beveiliging van nucleaire installaties, transporten radiologische bronnen.

    • Het zorgdragen voor het verlenen van vergunningen op grond van de Kernenergiewet.

    • Het zorgdragen voor het radioactief afval, ontmanteling van installaties en het beleid om te komen tot een eindberging.

    • Het zorgdragen voor bescherming van mens en milieu tegen ioniserende straling.

  • Agentschap NL

    Het agentschap verricht een aantal taken:

    • Adequate vergunningverlening en afhandeling van meldingen leveren een belangrijke bijdrage aan het beleidsdoel (mens en milieu beschermen tegen ioniserende straling door het gebruik van radioactieve stoffen en toestellen).

    • Het secretariaat van de stuurgroep en projectgroep van het programma STRAVEN (=Straling en ventilatie) en het contractbeheer van ondersteunende opdrachten aan derden. De uitvoering van de werkzaamheden staat verder toegelicht in het Programma van Eisen (PvE), dat is opgesteld op grond van de in voorgaande jaren beschreven taken en werkzaamheden.

    • Uitvoering van het stelsel van borging van de stralingsdeskundigheid in Nederland.

  • Kernfysische Dienst (KFD)

    • De KFD oefent toezicht uit op de nucleaire industrie en op alle andere branches waarin radioactieve stoffen en ioniserende straling wordt toegepast.

    • De KFD oefent toezicht uit op het vervoer van splijtstoffen en radioactieve materialen.

  • Crisismanagement: het voorbereid zijn op een nuclair of (stralings)incident en bij crises bijdragen aan de uitvoering van de nationale crisisbesluitvorming.

  • Het Staatstoezicht op de Mijnen is op het gebied van de stralingsbescherming belast met het toezicht op de naleving van de kernenergiewetgeving bij verkenningsonderzoek naar delfstoffen en de opsporing of winning van delfstoffen.

  • Het cluster straling op het RIVM omvat een drietal structurele projecten. Van de structurele projecten is er:

    • één gericht op de inhoudelijke beleidsondersteuning van wettelijke taken straling (WEST),

    • één op het uitvoeren van de milieumonitoring straling, en

    • één vormt het (voornamelijk materieel) budget voor uitbestedingen, aanschaffingen en metingen ten behoeve van het onderzoek naar ventilatie en radon in woningen (VERA-II).

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

  • De Directie Gezond en Veilig Werken draagt zorg voor het beleid op het gebied van de stralingsbescherming. Als het gaat om de stralingsbescherming van werknemers, bepaalt de Minister van SZW de kaders, ontwikkelt hij het beleid en is hij verantwoordelijk voor (inter)nationale wet- en regelgeving en de normstelling.

  • De directie Arbeidsomstandigheden van de Inspectie SZW is op het gebied van de stralingsbescherming verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving door werkgevers en werknemers van wet- en regelgeving op het gebied van arbeidsomstandigheden, met inbegrip van stralingsbescherming, alsmede het in verband daarmee opsporen van strafbare feiten.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

  • Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.

  • Geneesmiddelen en medische technologie.

Ministerie van Veiligheid en Justitie

Verantwoordelijk voor het stelsel van rampen- en crisisbeheersing.

Ministerie van Defensie

Inspectie militaire gezondheidszorg. Vergunningverlening militair nucleair transport en nucleair aangedreven vaartuigen.

Nederlandse Douane

Controle van goederen gebeurt met geavanceerde controlemiddelen, waaronder ook detectieapparatuur voor nucleaire straling. In voorkomende gevallen wordt na een detectiealarm contact gezocht met de KFD. De verdere opvolging van een dergelijk alarm is voor rekening van de KFD.

Nederlandse inzet voor nucleaire veiligheid en stralingbescherming
     

fte

Departement

Begroting

Activiteit

2013

2014

2015

2016

Ministerie van Economische Zaken

70,2

72,7

73,6

73,62

Programmadirectie NIV

XIII

Beleid en vergunningverlening

36,3

36,3

36,3

36,3

Agentschap NL

XIII

Uitvoeren van wettelijk verplichte vergunningswerkzaamheden

12,9

12,9

12,9

12,9

Kernfysische Dienst

XIII

Toezicht op nucleaire inrichtingen en vervoer van splijtstoffen en radioactieve materialen

38,8

38,8

38,8

38,8

Crisismanagement

XIII

Voorbereiding op en beheersing van (dreigende) nucleaire crises

2

2

2

2

Staatstoezicht op de Mijnen

XIII

Stralingsbescherming en monitoring

1,2

1,2

1,2

1,2

Autoriteit Consument en Markt

XIII

Inzet deskundigheid bij nucleaire incidenten. Controle op radioactiviteit in voedsel

4

4

4

4

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

34,2

34,2

34,2

34,2

RIVM

XVI

Beleidsondersteuning, monitoring straling en back office radiologische informatie

32,9

32,9

32,9

32,9

Beleidsdirecties

XVI

Beleid en crisismanagement

1,3

1,3

1,3

1,3

Belastingdienst

0

0

0

0

Douane

IX

Controle vergunningen. Detectie van radioactiviteit in goederen 1

0

0

0

0

Ministerie van Veiligheid en Justitie

1,2

1,2

1,2

1,2

 

VI

Nucleaire veiligheid, rampen- en crisisbeheersing

1,2

1,2

1,2

1,2

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

3

3

3

3

 

XV

Stralingsbescherming en monitoring

3

3

3

3

Ministerie van Defensie

8

8

8

8

 

XV

Vergunningverlening nucleair transport en nucleair aangedreven vaartuigen

8

8

8

8

             

Ondersteuning Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingbescherming

8,0

7,8

7,8

7,8

X Noot
1

Voor de controles van goederen beschikt de Douane over geavanceerde controlemiddelen, waaronder detectie-apparatuur op mogelijke nucleaire straling. De detectie vindt vrijwel volledig geautomatiseerd plaats. In voorkomend geval wordt na een detectie-alarm contact gezocht met de Inspectie Leefomgeving en Transport, die de verdere opvolging van een dergelijk alarm voor haar rekening neemt.

16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Algemene doelstelling

EZ streeft naar internationaal toonaangevende, concurrerende, sociaal verantwoorde, veilige en dier- en milieuvriendelijke agro-, visserij- en voedselketens.

Rol en Verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is verantwoordelijk voor:

Stimuleren

  • Het versterken van de positie van de Nederlandse agrarische en visserijketen en het stimuleren van groene economische groei via energie- en klimaatbeleid voor de landbouw (artikelonderdeel 16.1).

  • Het stimuleren van een adequate en duurzame voedselvoorziening/voedselzekerheid op Europees en mondiaal niveau alsmede het bijdragen aan het Europese en internationale landbouw- en visserijbeleid (artikelonderdelen 16.1 en 16.5).

Regisseren

  • Het borgen van voedselveiligheid en voedselkwaliteit (artikelonderdeel 16.2). Producenten en partijen uit de voedselketen zijn primair verantwoordelijk voor hun producten en productiewijze. Zij opereren op basis van normen en kaders die de overheid stelt en die goeddeels hun grondslag vinden in internationale, met name Europese regelgeving. De Minister van VWS is verantwoordelijk voor wetgeving voor voedselveiligheid, met uitzondering van wetgeving voor het slachten van dieren en het keuren en uitsnijden van vlees, waar de Minister van EZ verantwoordelijk voor is. De Minister van EZ is voorts verantwoordelijk voor de controle op en handhaving van de regels voor de veiligheid van voedsel in de primaire productie en slachterijfase.

  • Het zeker stellen van goede gewasbescherming, alsmede het borgen van diergezondheid en dierenwelzijn (artikelonderdeel 16.3).

(Doen) uitvoeren

  • Het doen uitvoeren van adequaat fytosanitair beleid (artikelonderdeel 16.3).

  • Het doen uitvoeren van kennisontwikkeling en financieren van innovatie ten behoeve van het groene domein (artikelonderdeel 16.4).

Bij het verder vormgeven van het Europees Landbouwbeleid voor de periode 2014–2020 heeft de minister de rol om te zorgen dat de Nederlandse inbreng met betrekking tot versterking concurrentiekracht, vergroening en verduurzaming goed tot hun recht komen. In de Beleidsagenda en bijlage 4.3 Europese geldstromen wordt hierop nader ingegaan.

Beleidsinformatie

Kengetal

2009

2010

2011

2012

Ambitie

1. Maatschappelijke appreciatiescore

Bron:TNS/NIPO

7,7

7,7

7,5

7,5

7,7

2. Mate van vertrouwen consumenten in voedsel

Bron:NVWA monitor

3,4

3,4

3,4

3,4

3. Plant Breeders Index

Bron: Community Plant Variety Office CPVO

32%

32%

33%

31%

Circa 32%

4. Aantal octrooiaanvragen in de agrarische sector en verwerkende industrie

Bron: NLOctrooicentrum

6,8%

7,4%

   

Circa 7,4%

5. % Handelssaldo agrarisch ten opzichte van totaal handelssaldo Nederland

Bron: LEI

59%