Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2012-2013
Kamerstuk 33605-XIII nr. 1

Gepubliceerd op 8 mei 2013



33 605 XIII Jaarverslag en slotwet Ministerie van Economische Zaken 2012

Nr. 1 JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN (XIII)

Aangeboden 15 mei 2013

Gerealiseerde verplichtingen van EZ verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x 1 mln)

Gerealiseerde verplichtingen van EZ verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x 1 mln)

Gerealiseerde uitgaven van EZ verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x 1 mln)

Gerealiseerde uitgaven van EZ verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x 1 mln)

Gerealiseerde ontvangsten van EZ verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x 1 mln)

Gerealiseerde ontvangsten van EZ verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x 1 mln)

INHOUDSOPGAVE

   

blz.

     

A.

ALGEMEEN

5

1.1

AANBIEDING EN DECHARGEVERLENING

5

1.2

Leeswijzer

9

     

B.

HET BELEIDSVERSLAG

11

1.3.1

De Beleidsprioriteiten

11

     

1.3.2

De Beleidsartikelen

25

 

11. Goed functionerende economie en markten

25

 

12. Een sterk innovatievermogen

35

 

13. Een excellent ondernemingsklimaat

47

 

14. Een doelmatige en duurzame energievoorziening

57

 

15. Een sterke internationale concurrentiepositie

71

 

16. Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

82

 

17. Groen onderwijs van hoge kwaliteit

98

 

18. Natuur en regio

106

     

1.3.3

De Niet-beleidsartikelen

120

 

40. Apparaat

120

 

41. Nominaal en Onvoorzien

122

     

1.3.3

De Bedrijfsvoeringsparagraaf

123

     

C.

JAARREKENING

126

1.4.1

Departementale verantwoordingsstaat

126

1.4.2

Samenvattende verantwoordingsstaat inzake Baten-lastendiensten van het Ministerie van Economische Zaken

127

1.4.3

Toelichting bij de samenvattende verantwoordingsstaat inzake Baten-Lastendiensten

128

 

Agentschap NL (AgNL)

128

 

Agentschap Telecom (AT)

136

 

Dienst ICT Uitvoering (DICTU)

141

 

Dienst Landelijk Gebied (DLG)

146

 

Dienst Regelingen (DR)

152

 

Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA)

157

1.4.4

Saldibalans EZ per 31 december 2012

164

     

D.

BIJLAGEN

174

1

Toezichtsrelaties en ZBO’s/RWT’s

174

2

Europese geldstromen

186

3

Tabel Evaluatie- onderzoeksbijlage

193

4

Overzicht niet-financiële informatie over inschakeling van externe adviseurs en tijdelijke personeel (externe inhuur)

197

5

Lijst van afkortingen

199

A. ALGEMEEN

1.1 AANBIEDING EN DECHARGEVERLENING

AAN de voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Hierbij bied ik, mede namens de staatssecretaris van Economische Zaken en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, het departementale jaarverslag van het jaar Ministerie van Economische Zaken (XIII) over het jaar 2012 aan.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Economische Zaken decharge te verlenen over het in het jaar 2012 gevoerde financiële beheer.

Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Rekenkamer met betrekking tot:

  • a. het gevoerde financieel beheer en materieelbeheer;

  • b. de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;

  • c. de financiële informatie in het jaarverslag;

  • d. de betrokken saldibalans;

  • e. de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

  • f. de in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

  • a. het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2012;

  • b. het voorstel van de slotwet dat met het onderhavige jaarverslag samenhangt;

  • c. het rapport van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot het onderzoek van de centrale administratie van ’s Rijks schatkist en van het Financieel jaarverslag van het Rijk;

  • d. de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2012 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2011, alsmede met betrekking tot de Saldibalans van het Rijk over 2012 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, tweede lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, derde lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

1.2. Leeswijzer

De leeswijzer gaat in op de volgende onderwerpen:

  • 1. Opbouw jaarverslag;

  • 2. Ondergrens toelichtingen;

  • 3. Controlenormen financiële en niet-financiële gegevens;

  • 4. Groeiparagraaf.

1. Opbouw jaarverslag

Het jaarverslag bevat een beleidsverslag, een jaarrekening en een aantal bijlagen. Deze bevatten informatie over de in 2012 gerealiseerde beleidsresultaten en de budgettaire realisatiegegevens van het Ministerie van Economische Zaken (EZ).

In het onderdeel beleidsprioriteiten van het beleidsverslag wordt verantwoording afgelegd over de volgende actielijnen:

  • Inzetten op de top en Nederland internationaal sterk positioneren;

  • Ruimte bieden aan innovatief ondernemerschap;

  • Bevorderen van duurzame welvaart, met oog voor mens en natuur;

  • Werken aan duurzame productie en ketens in land- en tuinbouw en visserij;

  • Werken aan een toekomstbestendige energievoorziening.

De jaarrekening bestaat uit de departementale verantwoordingsstaat, de samenvattende verantwoordingsstaat baten-lastendiensten, de jaarverantwoordingen van de baten-lastendiensten en de saldibalans.

2. Ondergrens toelichtingen

Voor wat betreft het toelichten van significante verschillen in de uitgaven, ontvangsten en verplichtingen in de realisatie versus de vastgestelde begroting 2012 wordt een ondergrens van € 3 mln gehanteerd. In sommige gevallen, waar politiek relevant, worden ook posten toegelicht beneden deze ondergrens.

De opgenomen realisatiegegevens in de tabellen «budgettaire gevolgen van beleid» gaan, net als in de vorige jaarverslagen, terug tot het jaar t-3 (2009). Dit in afwijking van het RBV-model 3.22 waarin de realisatie teruggaat tot het jaar t-4 (2008).

3. Controlenormen financiële en niet-financiële gegevens

Het jaarverslag bevat zowel financiële als niet-financiële gegevens (kengetallen en indicatoren). Deze gegevens zijn aan verschillende controlenormen onderhevig. De controle van financiële informatie is gebaseerd op normen zoals deze voortvloeien uit de Comptabiliteitswet 2001 en de Rijksbegrotingsvoorschriften 2013 (RBV). De controle van beleidsinformatie en informatie over de bedrijfsvoering is gebaseerd op normen zoals deze voortvloeien uit de RBV. Ter borging van de betrouwbaarheid van de informatie inzake de prestatiegegevens in de begroting en het jaarverslag, heeft de Auditdienst Rijk (ADR) net als in voorgaande jaren een audit uitgevoerd.

4. Groeiparagraaf

Op 20 april 2011 is de Tweede Kamer akkoord gegaan met een aanpassing van de presentatie van de Rijksbegroting onder de naam «Verantwoord Begroten» (TK, 31 865, nr. 26). De nieuwe presentatie geeft meer inzicht in de financiële informatie, de rol en verantwoordelijkheid van de minister en laat een duidelijke splitsing tussen apparaat en programma zien.

De begroting 2012 was een overgangsjaar waarin de Rijksbegroting deels volgens de systematiek van Verantwoord Begroting is opgesteld. Dit jaarverslag is vormgegeven conform de voorschriften van Verantwoord Begroten voor zover deze in de begroting 2012 al waren doorgevoerd. De beleidsartikelen 13 (Een excellent ondernemingsklimaat) en 17 (Groen onderwijs van hoge kwaliteit) zijn volledig opgezet conform Verantwoord Begroten. In de overige beleidsartikelen zijn de onderdelen «Algemene doelstelling» en «Rol en verantwoordelijkheid» conform Verantwoord Begroten vormgegeven. Het EZ-jaarverslag over 2013 zal voor het eerst, net als de begroting 2013, volledig volgens de richtlijnen van Verantwoord Begroten worden opgesteld.

B. HET BELEIDSVERSLAG

1.3.1 De Beleidsprioriteiten

2012 in één oogopslag

Ondanks de economische crisis en de demissionaire status van het kabinet in een groot gedeelte van het jaar heeft het Ministerie van Economische Zaken (EZ) in 2012 veel bereikt. In dit beleidsverslag worden de acties van EZ uiteengezet. Hieronder volgen de belangrijkste resultaten van EZ in 2012. Nadere toelichting volgt in de paragrafen 1 tot en met 5.

1. Inzetten op de top en Nederland internationaal sterk positioneren.
  • In 2012 zijn met de negen topsectoren Innovatiecontracten afgesloten, om met name de private investeringen in onderzoek en ontwikkeling te verhogen.

  • De 19 Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s) zijn van start gegaan. De samenwerking met decentrale overheden op het Topsectorenbeleid is versterkt en geconcretiseerd via vijf landsdelige actieagenda’s.

  • Via de Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) zijn in 2012 170 buitenlandse investeringsprojecten binnengehaald. Deze waren goed voor € 930 mln aan investeringen en 5.166 arbeidsplaatsen.

  • Met de overname van NedCar door VDL en de productie van de MINI voor BMW zijn 1.500 banen voor Limburg en Nederland behouden. EZ speelde een belangrijke rol in het proces naar een nieuwe toekomst voor NedCar.

  • Internationale kansen zijn geboden voor het Nederlandse bedrijfsleven, onder meer door de organisatie van negen handelsmissies en een transitiefaciliteit voor opkomende markten.

2. Ruimte bieden aan innovatief ondernemerschap.
  • Dankzij het Programma Regeldruk Bedrijven is de administratieve lastendruk voor ondernemers conform de Voortgangsrapportage Regeldruk naar verwachting ruim 11% lager in vergelijking met 2010 (doelstelling is 10%). Dit komt neer op een besparing van naar verwachting bijna € 850 mln. En in 2012 zijn de inhoudelijke nalevingkosten met ruim € 100 mln verminderd.

  • Door middel van de Research & Development Aftrek (RDA) zijn investeringen in innovatie van 13.860 ondernemingen en zelfstandigen ondersteund.

  • Met het Innovatiekrediet MKB+ is in totaal € 52 mln bij ondernemingen gefinancierd in innovatieprojecten. In december is het fund-of-funds gelanceerd dat voor de komende jaren in totaal € 150 mln aan risicokapitaal voor snel groeiende innovatieve ondernemingen beschikbaar stelt.

  • Via EFRO-programma’s is sinds 2007 innovatie bij ruim 13.000 bedrijven gestimuleerd, zijn meer dan 3.000 starters ondersteund en is circa € 595 mln aan private investeringen gestimuleerd.

  • Door de uitgifte van frequentieruimte voor mobiele communicatie is een stimulans gegeven aan concurrentie op dat gebied. Met de veiling is het aantal beschikbare frequenties voor mobiele communicatie met 40% toegenomen en is een technisch efficiëntere verdeling tot stand gebracht.

3. Bevorderen van duurzame welvaart, met oog voor mens en natuur.
  • In 2012 is het Decentralisatieakkoord Natuur afgerond, ook financieel via de afrondingsovereenkomsten Investeringsbudget Landelijk Gebied. Het wetsvoorstel om de ILG-periode formeel af te ronden is in 2012 ingediend bij de Tweede Kamer1.

  • Het Wetsvoorstel Natuurbescherming, waarin de natuurregelgeving wordt vereenvoudigd en de decentralisatie van bevoegdheden gerealiseerd, is in 2012 bij de Tweede Kamer ingediend. Dit wetsvoorstel zal worden herzien in lijn met het Regeerakkoord.

  • De Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) is door de Raad van State beoordeeld als werkzaam en (juridisch) houdbaar. Het wetsvoorstel om de PAS mogelijk te maken is ook voor advies voorgelegd aan de Raad van State.

  • Het kabinet heeft in 2012 71 Green deals gesloten met burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties, om duurzame projecten te stimuleren.

  • Het investeren in Biodiversiteit is gestimuleerd door de Subsidieregeling voor Biodiversiteit en Bedrijfsleven voor innovatieve ondernemers, 23 Green deals biodiversiteit en vier studies in het kader van The Economics of Ecosystems and Biodiversity (TEEB).

  • Het nieuw opgerichte Nederlandse Contactpunt heeft het Nederlandse bedrijfsleven en andere belanghebbenden actief geïnformeerd over de OESO-richtlijnen voor Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen en de (praktische) toepassing ervan. De implementatie is gestart.

4. Werken aan duurzame productie en ketens in land- en tuinbouw en visserij.
  • De exportwaarde van de Nederlandse agrofoodsector is 2012 gegroeid tot ruim € 75 mld. Nederland importeert voor circa € 50 mld aan landbouwproducten van de wereldmarkt, zodat een agrarisch handelsoverschot van € 25 mld resulteert.

  • Het antibioticagebruik in de veehouderij is in het eerste halfjaar van 2012 verminderd met 51% ten opzichte van het referentiejaar 2009. De reductiedoelstelling van 50% ten opzichte van 2009, vastgesteld voor 2013, is mogelijk in 2012 al gehaald.

  • De onderhandelingen in 2013 met de Europese Commissie over het Vijfde Actieprogramma Nitraatrichtlijn zijn in 2012 voorbereid. EZ werkt met I&M aan een verantwoorde mestafzet.

  • In 2012 was het doel om 6% integraal duurzame stallen te realiseren, op peildatum 1 januari was dat 4,5%. Alle sectoren laten een gestage groei zien, zij het met relatief grote verschillen tussen de sectoren. Het exacte percentage wordt bekend in voorjaar 2013.

  • Nederland, Vietnam, de Wereldbank en de Food and Agriculture Organization (FAO) hebben een succesvolle conferentie over climate smart agriculture georganiseerd in september 2012. Doel is een integrale aanpak van voedselzekerheid, gezonde voeding, klimaatverandering en groene groei, met name door publiek-private samenwerking.

  • Er is een duidelijke toename van de studenteninstroom binnen de richting levensmiddelen-technologie (topsector Agrofood). Ook liggen de inschrijvingen voor het Groen (V)MBO, HBO en WO gemiddeld hoger dan bij het overig onderwijs.

5. Werken aan een toekomstbestendige energievoorziening.
  • In maart 2012 is de Stimuleringsregeling Duurzame Energie (SDE+) met een verplichtingenbudget van € 1,7 mld opengesteld. 234 duurzame energieprojecten ontvingen een subsidiebeschikking. Het volledige budget is in de eerste fase toegekend voor een basisbedrag van maximaal € 0,07/kWh.

  • In het kader van het Topsectorenbeleid is het afgelopen jaar voor ruim € 170 mln aan projecten in energie-innovatie goedgekeurd.

  • Bij de nucleaire inrichtingen zijn stresstesten uitgevoerd, omdat veiligheid bij de toepassing van radioactieve materialen voorop staat. Implementatie van de uitkomsten van deze stresstesten vindt bij de verschillende inrichtingen in 2013 plaats.

  • In 2012 is het wetgevingstraject STROOM gestart om de gas- en elektriciteitswetgeving te stroomlijnen. De eerste tranche is aan de Tweede Kamer aangeboden.

  • Op 1 januari 2012 is de kleinschalige uitrol van de slimme meter gestart. De uitrol en de effecten van de slimme meter worden gemonitord. Begin 2013 wordt de eerste rapportage aan de Tweede Kamer aangeboden.

Het Beleidsverslag

Het ministerie staat voor een ondernemend Nederland met oog voor duurzaamheid. Het departement zet zich in voor een uitstekend ondernemersklimaat. Door de juiste randvoorwaarden te creëren en ondernemers de ruimte te geven om te vernieuwen en te groeien. Door aandacht te hebben voor onze natuur en leefomgeving. Door samenwerking te stimuleren tussen onderzoekers en ondernemers. Zo bouwen we onze topposities in landbouw, industrie, diensten en energie verder uit en investeren we in een krachtig en duurzaam Nederland.

Bij het aantreden van de nieuwe kabinetsploeg is de naam van het departement veranderd in het Ministerie van Economische Zaken (EZ), waarbinnen de landbouw een belangrijke economische sector vormt en de zorg voor duurzaamheid en natuur een belangrijke pijler.

Stand van de Economie

We hebben te maken met economisch moeilijke tijden. Nederland is voor de derde keer in vier jaar tijd in een recessie beland. De eerste twee kwartalen van 2012 groeide de Nederlandse economie nog licht, maar de daarop volgende twee kwartalen was er sprake van krimp. In heel 2012 daalde het bbp met 0,9%.2 Met name de afnemende binnenlandse bestedingen liggen hieraan ten grondslag. Huishoudens kampen met een dalende koopkracht en vermogensverliezen door de afnemende huizenprijzen. De consumptieve bestedingen daalden in 2012 dan ook voor het tweede jaar op rij. Daarnaast zijn bedrijven terughoudend met investeren en zelfs al zouden ze willen investeren, dan hebben ze niet altijd toegang tot het benodigde kapitaal. Na een stijging van 10,2% in 2011, zijn de bedrijfsinvesteringen in 2012 gedaald met 2,5%. Met name de sectoren die gericht zijn op het binnenland hebben last van de afnemende binnenlandse bestedingen. Zo daalde de productie in de bouwsector in 2012 met 8,6%. Daarnaast konden ook de detailhandel en de industrie niet ontkomen aan de krimp. De werkloosheid liep volgens de internationale eenuursdefinitie in december op tot 5,8 procent van de beroepsbevolking.3 Dat wil zeggen dat ruim een half miljoen personen die zouden willen werken zonder baan zitten. De werkloosheid is wel nog altijd laag in internationaal perspectief. Lichtpuntje is dat de uitvoer van goederen in 2012 is gestegen met 2,2%, hoofdzakelijk door de groei van de wederuitvoer.

De economische neergang in 2012 heeft een negatief effect voor 2013. Volgens de ramingen van het CPB zal de economie in 2013 met 0,5% krimpen. Pas in de tweede helft van 2013 zal er enig herstel optreden, voornamelijk vanwege de licht aantrekkende wereldhandel. In 2014 zal de economie naar verwachting met 1% groeien dankzij de uitvoer.

Ondanks deze moeilijke economische tijden heeft Nederland nog altijd een goede uitgangspositie. Nederland is een van de meest welvarende en concurrerende landen ter wereld. Het is daarom zaak om deze uitgangspositie te behouden en uit te breiden waardoor Nederland optimaal kan profiteren als de wereldeconomie verder aantrekt.

1. Inzetten op de top en Nederland internationaal sterk positioneren.

De Nederlandse economie, die behoort tot de leidende kenniseconomieën van de wereld, beschikt over unieke internationaal concurrerende sectoren. Vanuit deze topsectoren van onze economie4 kunnen ondernemers, onderzoekers en onderwijs ervoor zorgen dat Nederland een van de meest concurrerende en innovatieve landen ter wereld is en blijft. Het kabinet heeft de sectoragenda’s van de topteams met knelpunten en kansen vertaald naar een brede beleidsagenda5.

In 2012 heeft het kabinet Innovatiecontracten afgesloten met ondernemers, onderzoekers en onderwijsinstellingen in de topsectoren. Deze contracten beslaan de hele keten van fundamenteel onderzoek, toegepast onderzoek en valorisatie. Doel van deze contracten is om investeringen in onderzoek en ontwikkeling te stimuleren, met name vanuit de private sector.

Mede om de gestelde ambitie in de innovatiecontracten gezamenlijk te realiseren zijn in de topsectoren Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s) ingericht. TKI’s zijn structurele verbanden waarin partijen uit het bedrijfsleven, de wetenschap en de (semi-)publieke sector samenwerken om richting te geven aan onderzoek, innovatie en valorisatie (kennis, kunde, kassa). Deze zijn in 2012 van start gegaan. Om deze privaatpublieke samenwerking verder te stimuleren, introduceert de overheid in 2013 de generiek vormgegeven TKI-toeslag. De TKI-toeslagregeling is op 4 september 2012 gepubliceerd in de Staatscourant. TKI's die op de EZ-begroting staan, hebben op 30 november 2012 een aanvraag voor TKI-toeslag ingediend voor een totaalbedrag van € 83 mln. De reeds bestaande privaatpublieke samenwerkingsverbanden, waaronder de TTI’s, worden in de TKI's ondergebracht. Voor een aantal TTI’s is voor de transitieperiode extra budget beschikbaar gesteld.

De economische agenda’s van de regio’s zijn door van landsdelige actieagenda’s verbonden met de agenda’s van de topteams, ter versterking van innovatie en concurrentiepositie. Zo zijn onder andere al regionale bijdragen geleverd via de projecten Wetsus, DOME en Holst en aan de Centra voor Innovatief Vakmanschap.

De Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) zet zich in om buitenlandse bedrijven (met name hoofdkantoren en R&D-centra) en hoogwaardige, strategische investeringen naar Nederland te halen. Bedrijven en kennisinstellingen worden actief betrokken bij het acquisitiebeleid. Via de NFIA zijn in 2012 170 buitenlandse investeringsprojecten binnengehaald. Deze waren goed voor € 930 mln aan investeringen en 5.166 arbeidsplaatsen. Hiermee was 2012 een uitstekend jaar waarin ruimschoots aan de hiervoor gestelde streefwaarden is voldaan. Met de overname van NedCar door VDL en de productie van de MINI voor BMW zijn 1.500 banen voor Limburg en Nederland behouden. EZ speelde een belangrijke rol in het proces naar een nieuwe toekomst voor NedCar. De doorstart van NedCar kan als een succes worden beschouwd van een nieuwe aanpak in het industriebeleid, waarbij de overheid zich vooral opstelt als bemiddelaar en katalysator tussen betrokken marktpartijen die in de toekomst willen investeren op basis van een solide businessplan. Ook de strategische acquisitieaanpak, gericht op de topsectoren, is verder doorontwikkeld op het gebied van Chemie en Agrofood. In 2012 zijn desbetreffende «pilot teams» betrokken geweest bij de realisatie van respectievelijk negen en twee projecten, waaronder uitbreiding van productie in Rotterdam van het chemiebedrijf Invista (VS) en een internationaal hoofdkantoor in Amstelveen voor Dawn Foods (VS).

Voor het Nederlandse bedrijfsleven zijn internationale kansen geboden door middel van economische diplomatie. In 2012 zijn negen handelsmissies georganiseerd, onder andere naar Brazilië, Turkije, Zuid-Duitsland, Azerbeidzjan en Israel. Ook is 2012 samen met Buitenlandse Zaken een transitiefaciliteit opgezet. De transitiefaciliteit is bedoeld om via inzet van Nederlandse kennis en kunde de overgang van een bilaterale ontwikkelingsrelatie naar economische samenwerking mogelijk te maken. Vooralsnog is de transitiefaciliteit opengesteld voor drie voormalige partnerlanden (en middeninkomenslanden): Colombia, Zuid-Afrika en Vietnam. In 2012 had EZ onder de transitiefaciliteit een budget van € 5 mln beschikbaar. Hiermee zijn Nederlandse bedrijven ondersteund bij betreden en versterken van hun positie in de transitielanden.

2. Ruimte bieden aan innovatief ondernemerschap.

Het Midden- en Kleinbedrijf (MKB) is van groot belang voor de Nederlandse economie en werkgelegenheid. Het kabinet zorgt er met het bedrijfslevenbeleid voor dat ondernemers de ruimte krijgen om te innoveren, te investeren en te exporteren. Daarbij passen geen onnodige regels en bureaucratie. Het kabinet verbetert de toegang tot financiering en de publieke dienstverlening. Zo bouwt de overheid aan een uitstekend ondernemings- en vestigingsklimaat.

EZ helpt ondernemers via verschillende instrumenten aan betere toegang tot kapitaal, waaronder de algemene garantieregelingen als de Borgstellingsregeling voor het MKB (BMKB) en de garantieregelingen Garantie Ondernemingsfinanciering (GO) en de Groeifaciliteit. Na de recordbenutting van de BMKB van € 909 mln in 2011 is de benutting in 2012 teruggelopen tot € 486 mln. In termen van het aantal verstrekte borgstellingskredieten is de daling echter minder groot: In 2012 zijn 2.640 nieuwe borgstellingskredieten verstrekt, tegen 4.325 in 2011. De lagere benutting van de BMKB hangt samen met een lagere activiteit in de MKB financieringsmarkt, waarbij de effecten voor het kleinbedrijf het grootst zijn. De BMKB kent juist veel gebruikers uit het kleinbedrijf. Daarnaast zijn per begin 2012 enkele verruimingen in het kader van de kredietcrisismaatregelen teruggedraaid. De benutting van de GO in 2012 is gedaald (€ 179 mln gefiatteerd) ten opzichte van de benutting in 2011 (€ 240 mln gefiatteerd). Ook deze lagere benutting kan worden verklaard vanuit de lagere activiteit op de financieringsmarkt. Met name factoren als verminderde investerings- en risicobereidheid van bedrijven en banken spelen hierbij een rol De benutting van de Groeifaciliteit is over het gehele jaar uitgekomen op € 13,1 mln tegenover € 11,6 mln in 2011. Qredits Microfinanciering Nederland heeft in 2012 1.133 microkredieten verstrekt. Dat is een stijging ten opzichte van 2011 met 13,3%.

Op 1 januari 2012 is het Innovatiefonds MKB+ van start gegaan. Via dit revolverende fonds voor innovatiefinanciering is € 500 mln beschikbaar voor risicokapitaal en leningen in de periode 2012 tot en met 2015. Bedrijven betalen deze financieringen terug wanneer hun investering succesvol is en daarmee kunnen weer andere ondernemers worden geholpen. Met het innovatiekrediet is bij ondernemingen in totaal € 52 mln gefinancierd in innovatieprojecten. In december is samen met het Europees Investeringsfonds (EIF) en de Participatie Maatschappij (PM) Oost-Nederland het fund-of-funds gelanceerd dat voor de komende jaren in totaal € 150 mln aan risicokapitaal beschikbaar stelt voor snel groeiende innovatieve ondernemingen. Voor technostarters is in totaal € 32 mln aan risicokapitaal beschikbaar gekomen. Hieraan draagt EZ € 16 mln bij.

Verschillende (fiscale) regelingen stimuleren de investeringen in kennis en innovatie. Ondernemers krijgen via de Wet bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO) extra belastingaftrek voor de loonkosten van R&D-personeel. Via de nieuwe Research & Development Aftrek (RDA) is sinds dit jaar een extra belastingaftrek geïntroduceerd in de inkomsten- of vennootschapsbelasting voor de overige R&D-kosten en uitgaven. Waar de WBSO aangrijpt op de loonkosten voor S&O activiteiten, ondersteunt de RDA investeringen in de niet-loon component van onderzoek en innovatie, zoals de aanschaf van laboratoriumapparatuur.

Het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) draagt bij aan innovatie, werkgelegenheid en duurzame economische groei in specifieke regio’s. Via EFRO-programma’s is sinds 2007 innovatie bij ruim 13.000 bedrijven gestimuleerd, zijn meer dan 3.000 starters ondersteund en is circa € 595 mln aan private investeringen gerealiseerd. Het programmabeheer is verbeterd: het aantal fouten is in 2012 onder de foutmarge van 2% gebleven. De Nederlandse inzet bij de onderhandelingen over de structuurfondsen programmaperiode 2014–2020 is grotendeels gehonoreerd: de structuurfondsen worden nagenoeg volledig ingezet voor de Europa 2020-doelen. Met de andere EU-fondsen, provincies, steden, bedrijfsleven en kennisinstellingen wordt in kaart gebracht hoe EFRO in de nieuwe periode kan worden ingezet.

Het kabinet verbetert de dienstverlening aan ondernemers, onder andere door de voorbereiding van de fusie van 12 Kamers van Koophandel (KvK’s), KvK NL en Syntens tot één organisatie die vanaf 2014 – na inwerkingtreding van de nieuwe Wet op de KvK – onder andere de Ondernemerspleinen zal beheren en regisseren. In 2012 is het transitieproces richting de nieuwe organisatie gestart. De eerste (zogenaamde beta-)versie van het digitale Ondernemersplein is in november jl. gestart. Hier kunnen ondernemers informatie over het ondernemen vinden afkomstig van de KvK, Syntens en delen van AgentschapNL. Later zullen andere publieke partners worden aangesloten. Verder zijn de verplichte heffingen die de KvK ondernemers in rekening brengt met 10% gereduceerd, per 1 januari 2013 zijn deze afgeschaft.

Om ondernemerschap te stimuleren zet het kabinet zich in om de regeldruk tot een minimum te beperken. Dankzij het Programma Regeldruk Bedrijven is de administratieve lastendruk voor ondernemers ruim 11% lager in vergelijking met 2010 (doelstelling is 10%). Dit komt neer op een besparing van bijna € 850 mln. En in 2012 zijn de inhoudelijke nalevingkosten met ruim € 100 mln verminderd. Binnen het ICT programma «Slim geregeld goed verbonden» zijn in totaal 17 casussen succesvol afgerond tussen 2009 en 2012. Bij landelijke opschaling van deze casussen is de regeldruk in de betrokken informatie uitwisselingsprocessen tussen ondernemers en overheid afgenomen met minimaal 15%, structureel circa € 40 mln, en een verbeterde dienstverlening door de betrokken overheden gerealiseerd.

Het bevorderen van een gelijk speelveld tussen overheid en bedrijfsleven krijgt een impuls door de Wet Markt en Overheid, per 1 juli 2012 van kracht. Overheden kunnen bij economische activiteiten hierdoor geen oneigenlijk gebruik maken van publieke middelen. Dit zal concurrentievervalsing door overheden verminderen, wat met name het MKB ten goede zal komen.

Door de uitgifte van frequentieruimte voor mobiele communicatie is een stimulans gegeven aan concurrentie op dat gebied. Met de veiling is het aantal beschikbare frequenties voor mobiele communicatie met 40% toegenomen en een technisch efficiëntere verdeling tot stand gebracht. Tele2 heeft zich als nieuwkomer geschaard naast de bestaande partijen KPN, Vodafone en T-Mobile om de vierde aanbieder van mobiele communicatie in Nederland te worden. Met de nieuwe frequenties kunnen 4G netwerken worden aangelegd waarmee snelheden tot boven de 100 megabit per seconde (Mpbs) kunnen worden geleverd. Door implementatie van de gewijzigde Europese telecommunicatierichtlijnen in de Telecommunicatiewet is het regelgevend kader voor de telecommunicatiesector gemoderniseerd (onder andere meldplicht veiligheidsinbreuken, cookies, netneutraliteit). Vóór de zomer van 2013 stuurt het kabinet haar visie over e-privacy naar de Kamer. Hierin zal onder meer worden ingegaan op de bescherming van de privacy in de relatie tussen eindgebruiker en het particuliere bedrijfsleven.

3. Bevorderen van duurzame welvaart, met oog voor mens en natuur.

Welvaart en welzijn in Nederland gaan verder dan een uitmuntend ondernemingsklimaat. Een aantrekkelijke leefomgeving, voldoende bescherming voor consumenten en een duurzame economische ontwikkeling en een brede verantwoordelijkheid voor de wereld om ons heen zijn alle van belang. Het kabinet streeft naar groene groei. Het doel is om de toekomstige welvaart te vergroten, rekening houdend met schaarste van natuur en grondstoffen, en daarbij de belasting van het milieu te verlagen. Het kabinet kiest daarom voor een realistische en ambitieuze groene groeistrategie, waarin ruimte voor duurzaam ondernemen en zekerheid voor groene investeringen beide verankerd zijn. Daarnaast streeft het kabinet naar een circulaire economie met marktontwikkeling voor duurzame grondstoffen en hergebruik van schaarse materialen op Europese schaal.

In april 2012 is de cross-sectorale agenda Biobased economy (BBE) gepubliceerd (Innovatiecontract BBE) in het kader van het Topsectorenbeleid. Er is verder gewerkt aan de uitbouw van het BBE-netwerk, met extra aandacht voor het MKB. Omdat de Biobased Economy zich niet beperkt tot de landsgrenzen, is extra ingezet op de internationale contacten. Ook is gewerkt aan regionale BBE. Zo zijn de vier grote zeehavens in Nederland met elkaar in gesprek over onder andere de veranderingen in logistieke processen en infrastructuur door de komst van grote hoeveelheden biomassa. Verder zijn dit jaar vier regionale clusters in Nederland gevormd en is een provinciaal overleg over provinciale biobased investeringen gestart.

Daarnaast is het Programma Botsende Belangen opgestart. Na een eerste analyse van knelpunten konden 45 belemmeringen die BBE-ondernemers beperken, worden opgepakt en hiervan zijn inmiddels 21 opgelost.

Natuur draagt bij aan een welvarende samenleving en is belangrijk voor duurzame economische groei en welvaart. Een adequate bescherming van natuur en tegelijkertijd voldoende ruimte voor economische ontwikkeling is van groot belang. Het kabinet zet in op meer synergie van natuur met andere maatschappelijke sectoren, zoals economie, gezondheid en waterveiligheid.

In 2012 is het Decentralisatieakkoord Natuur afgerond, ook financieel via de afrondingsovereenkomsten Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG)6 Het wetsvoorstel om de ILG-periode formeel af te ronden7is in 2012 ingediend bij de Tweede Kamer. Het Wetsvoorstel Natuurbescherming, dat de natuurregelgeving moet vereenvoudigen, administratieve lasten reduceren en de decentralisatie van bevoegdheden zal realiseren, is eveneens in 2012 bij de Tweede Kamer ingediend8 maar zal in lijn met het Regeerakkoord nog worden herzien.

De provincies zijn in 2012 verder gegaan met de aanleg en het beheer van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De Kamer is over de voortgang separaat geïnformeerd.9 Over de aanwending van de € 200 mln natuurmiddelen uit het begrotingsakkoord zijn voor 2013 hoofdlijnenafspraken gemaakt met de provincies. De nadruk komt te liggen op projecten die bijdragen aan een robuuste EHS, inclusief verbindingen.

De systematiek van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS), bedoeld om het stifstofprobleem rond Natura2000-gebieden aan te pakken om zo de natuurkwaliteit te versterken en economische ontwikkeling te faciliteren, is door de Raad van State beoordeeld als werkzaam en (juridisch) houdbaar. Het wetsvoorstel om de PAS mogelijk te maken is inmiddels ook voor advies voorgelegd bij de Raad van State en met de provincies zijn afspraken gemaakt over het te volgen tijdpad. Inwerkingtreding van de PAS is voorzien voor 1 januari 2014. Inmiddels zijn 58 Natura2000-gebieden definitief aangewezen. De voorbereidingen voor definitieve aanwijzing van de overige gebieden zijn nagenoeg afgerond. Publicatie hiervan is voorzien voor 2013.

Het kabinet helpt met Green deals 10burgers, bedrijven, organisaties of andere overheden bij het realiseren van duurzame initiatieven die moeilijk van de grond komen. Het kabinet heeft in 2012 71 Green deals gesloten. De overheid stimuleert de totstandkoming van Green Deals op verschillende manieren: door partijen aan elkaar te koppelen, informatie te verstrekken, onduidelijke regels te schrappen of onduidelijkheden in vergunningverlening daar waar mogelijk weg te nemen. De verbinding tussen economie en ecologie is op verschillende manieren gestimuleerd, waaronder door de openstelling van de Subsidieregeling voor Biodiversiteit en Bedrijfsleven (voor innovatieve ondernemers die willen investeren in biodiversiteit), het sluiten van 23 Green Deals rond biodiversiteit en vier studies in het kader van The Economics of Ecosystems and Biodiversity (TEEB). TEEB voor bedrijven, bijvoorbeeld, laat in 9 sectoren handelingsperspectief zien voor bedrijven die anticiperen op de toenemende druk op biodiversiteit. Zij kunnen niet alleen hun bestaansrecht op lange termijn waarborgen, maar ook een First mover advantage creëren.

Het Nederlandse Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO)-beleid is er op gericht te bevorderen dat Nederlandse bedrijven zelf verantwoordelijkheid nemen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen. MVO betekent dat bedrijven een afgewogen en verantwoorde keuze maken op alle maatschappelijke issues die raken aan hun bedrijfsvoering: in Nederland en in het buitenland. Voor multinationale ondernemingen zijn de OESO-richtlijnen op het gebied van milieu, arbeidsomstandigheden, mensenrechten en corruptie het uitgangspunt. Het Nederlandse Contactpunt voor de OESO-richtlijnen heeft in 2012 het Nederlandse bedrijfsleven en andere belanghebbenden actief geïnformeerd over de richtlijnen en de (praktische) toepassing ervan. Tevens heeft het meerdere zaken van vermeende schendingen van de richtlijnen beoordeeld en/of in behandeling genomen. De SER IMVO commissie bracht in 2012 haar eindevaluatie van haar initiatief Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen uit.

In een aantrekkelijke leefomgeving speelt ook een adequate bescherming van consumenten een belangrijke rol. De Consumentenautoriteit, die hierop toeziet, zal samen met de Nederlandse Mededingingsautoriteit en de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit opgaan in de nieuwe geïntegreerde markttoezichthouder op de niet-financiële markten, de Autoriteit Consument en Markt (ACM). De wettelijke taken en bevoegdheden van de drie toezichthouders zullen overgaan op de ACM. Nu de Eerste Kamer heeft ingestemd met de Instellingswet ACM, is de oprichting van de ACM per 1 april 2013 een feit.

Consumenten kopen steeds meer over de grens. Harmonisatie van hun rechten binnen Europa kan hieraan een belangrijke impuls geven en kan de kansen van het bedrijfsleven op de Interne Markt versterken. In het verlengde hiervan is samen met het Ministerie van V&J (eerstverantwoordelijk) gewerkt aan de implementatie van de richtlijn consumentenrechten. Het wetsvoorstel implementatie consumentenrechten en de bijhorende memorie van toelichting11 is aan de Tweede Kamer gezonden.

Consumenten hechten groot belang aan de kwaliteit van de dienstverlening van de klantenservice van onder meer telecom- en energiebedrijven. Het ministerie van Economische Zaken heeft naar de verschillende aspecten van die dienstverlening onderzoek gedaan. De onderzoeksresultaten12 zijn naar de Tweede Kamer gezonden. Deze informatie kan consumenten ondersteunen bij het maken van hun keuzes.

4. Werken aan duurzame productie en ketens in land- en tuinbouw en visserij.

Een duurzame landbouwproductie is essentieel voor duurzame welvaart in de toekomst. De topsectoren agrofood en tuinbouw leveren een cruciale bijdrage aan de economie. Nederland is de tweede agro-exporteur van de wereld en het agrocomplex verdient zijn geld voor een groot deel in het buitenland. De exportwaarde van de Nederlandse agrofoodsector is 2012 gegroeid tot ruim € 75 mld. Tegelijkertijd importeert Nederland voor zo’n € 50 mld aan landbouwproducten van de wereldmarkt, zodat een agrarisch handelsoverschot van € 25 mld resulteert. De agrosector is daarmee een belangrijke motor van de Nederlandse economie.

In september 2012 heeft Nederland samen met Vietnam, de Wereldbank en de FAO een succesvolle conferentie georganiseerd over climate smart agriculture. Dit onderwerp staat nu nadrukkelijk internationaal op de agenda en de conferentie krijgt een vervolg in Johannesburg in 2013. Inmiddels wordt algemeen erkend dat de uitdagingen op het gebied van voedselzekerheid, gezonde voeding, klimaatverandering en groene groei in samenhang bezien moeten worden, en dat climate smart agriculture een middel is om deze gecombineerde uitdaging het hoofd te bieden. Publiek-private samenwerking is daarvoor het meest geschikte instrument. Daarnaast zijn in 2012 de eerste publiek-private partnerschappen uit de Faciliteit Duurzaam Ondernemen en Voedselzekerheid opgezet met inbreng van EZ en zijn de ambassadeprogramma’s voor voedselzekerheid gestart in onder andere Ghana en Indonesië, waarbij nadrukkelijk de bijdrage van het Nederlandse bedrijfsleven wordt gezocht. Nederland heeft in de G20-bijeenkomsten over landbouw en voedselzekerheid met succes gepleit voor nauwere samenwerking met het bedrijfsleven om te komen tot verhoging van de landbouwproductie en voor het belang climate smart agriculture.

In Nederland wordt meer mest geproduceerd dan milieuverantwoord op Nederlandse bodem afgezet kan worden. Het kabinet pakt het mestoverschot aan door regulering van het gebruik van meststoffen en het aantal dieren in de veehouderij beperkt te houden. Met het demissionair worden van het kabinet Rutte I is besluitvorming over het stelsel van verantwoorde mestafzet en mestverwerking en over het vijfde actieprogramma Nitraatrichtlijn vertraagd. De huidige staatsecretaris heeft de Tweede Kamer per brief van 18 januari 201313geïnformeerd over de voornemens van haar en staatssecretaris Mansveld van I&M ten aanzien van het wetsvoorstel verantwoorde mestafzet. De inzet voor het vijfde actieprogramma Nitraatrichtlijn is in 2012 voorbereid en onderhandelingen vinden in 2013 plaats.

De doelstelling om in 2012 6% integraal duurzame stallen te realiseren (op peildatum 1 januari 2012 was dit percentage nog 4,5%) is waarschijnlijk gehaald. Op peildatum 1 januari 2012 was 4,5% van de stallen integraal duurzaam. Alle sectoren laten een gestage groei zien maar er zijn wel relatief grote verschillen tussen de sectoren. Het percentage loopt uiteen van 11,0% in de pluimveehouderij tot 7,0% in de varkenshouderij en 2,9% in de rundveehouderij. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat, in vergelijking met de varkens- en pluimveehouderij, in de rundveehouderij op dit moment geen regelgeving op het terrein van ammoniak en dierenwelzijn van kracht is die nieuwbouw of verbouw van stallen noodzakelijk maakt. Een deel van de integraal duurzame stallen is nog in aanbouw. Op dit moment is dat 1,7% van het totaal aantal stallen. Als al deze stallen in 2012 gerealiseerd worden zal het percentage integraal duurzame stallen eind 2012 6,2% bedragen. De rapportage met de exacte cijfers over peildatum 1 januari 2013 zal naar verwachting voorjaar 2013 verschijnen.

EZ heeft de Small Business Innovation Research (SBIR) opnieuw opengesteld, ter stimulering van innovatieve stallen. Het SBIR-programma is een aanbestedingsprogramma. Projecten vinden plaats in opdracht van de overheid en worden aanbesteed via tenders. Doelstelling is het ontwikkelen van innovatieve producten en diensten die bijdragen aan het oplossen van maatschappelijke vraagstukken. In 2012 zijn de voorstellen ingediend voor de tweede fase van de SBIR. De drie best scorende initiatieven komen in aanmerking voor de verdere uitwerking van hun ingediende plannen en ontvangen daarvoor een subsidiebedrag (maart 2013).

De totale verkoop van antibiotica voor veterinair gebruik is in het eerste half jaar van 2012 verminderd met 51% ten opzichte van het referentiejaar 2009. Dit geeft aan dat de reductiedoelstelling van 50% ten opzichte van 2009, vastgesteld voor 2013, mogelijk in 2012 al wordt gehaald.

De onderhandelingen voor het nieuwe Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) zijn in 2012 gestart, afronding is voorzien medio 2013. Nederland zet zich in voor versterking van de concurrentiekracht en het belonen van prestaties op het gebied van natuur, milieu en dierenwelzijn. Onderlinge verschillen in de inkomenssteun zullen in de periode tot 2020 geleidelijk verdwijnen. In het instrumentarium van het markt-en prijsbeleid komt meer ruimte voor de ondersteuning van producenten- en interbrancheorganisaties. Op een van de belangrijkste thema's, namelijk de vergroening van de inkomenssteun, lijkt ruimte gecreëerd om gecertificeerde duurzaamheidsinitiatieven te belonen. In het plattelandsbeleid is de mogelijkheid opgenomen om het agrarisch natuurbeheer op collectieve leest te schoeien. Dit laatste zal de basis zijn voor het nieuw te ontwikkelen agrarisch natuurbeheer in Nederland.

De onderhandelingen over de hervorming van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) zijn in 2012 voortgezet. Afronding is voorzien voor medio 2013. De Landbouw- en Visserijraad (de Raad) heeft in juni haar standpunt over de hervorming bepaald met het aannemen van een algemene oriëntatie (general approach). Dit is een niet-bindende afspraak die bedoeld is om het Europees Parlement (EP) een indicatie te geven van het standpunt van de Raad. In oktober in heeft de Raad een partiële algemene oriëntatie het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV). In oktober is in Brussel overeenstemming bereikt over verhoging van het aantal boomkorvissers dat de pulsvisserij mag beoefenen.

In mei 2012 ontving de Tweede Kamer de Nota Dierenwelzijn en Diergezondheid. Deze is controversieel verklaard. Desalniettemin is in 2012 wel gewerkt aan de implementatie van een aantal speerpunten die onverminderd belangrijk blijven zoals de aanpak van misstanden in de fokkerij, de aanpak van mishandeling en verwaarlozing en het verbeteren van transport en doden van dieren. Delen van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren met betrekking tot dierenwelzijn worden in 2013 vervangen door de Wet Dieren, inclusief de AMvB’s met bijbehorende uitvoeringsregeling (Besluit Houders van Dieren en Besluit Diergeneeskundigen). De positieflijst zoogdieren is onderdeel van de AmvB Houders van dieren. Ook de implementatie van de Europese regels over het huisvesten van zeugen wordt hierin opgenomen.

Het Groen onderwijs heeft in 2012 grote ondersteuning geboden aan de topsectoren Agrofood, Tuinbouw & Uitgangsmaterialen en de groene ruimte (natuur), onder andere door investeringen in Centers of Expertise gericht op Biobased Economy en Greenports en in twee Centra voor Innovatief Vakmanschap (MBO). De eerste resultaten omtrent voldoende gekwalificeerde beroepsbeoefenaren worden zichtbaar. Zo is een duidelijke toename geconstateerd van de studenteninstroom binnen de richting levensmiddelentechnologie (topsector Agrofood). Ook liggen de inschrijvingen voor het Groen (V)MBO, HBO en WO gemiddeld hoger dan bij het overig onderwijs. De aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt stond centraal in 2012 en zal ook in de komende jaren prominent op de agenda staan.

5. Een toekomstbestendige energievoorziening

Een schone en betrouwbare energievoorziening is essentieel voor duurzame economische groei. De energiesector is een belangrijke economische kracht die groei, banen en inkomsten oplevert. Nederland wordt op de lange termijn minder afhankelijk van fossiele brandstoffen en schakelt geleidelijk over op hernieuwbare energie. Met dit doel voor ogen streeft het kabinet naar een evenwichtige mix van verschillende vormen van energie. Dat verzekert een betrouwbare aanvoer van energie, voorkomt onnodig hoge energiekosten voor mensen en bedrijven en mobiliseert de kracht van de energiesector.

Het kabinet kiest voor een aandeel duurzame energie in 2020 van 16% en een volledig duurzame energievoorziening in 2050. Het huidige aandeel van duurzame energie in de Nederlandse productie is 4,3%. Belangrijk middel voor de bevordering van een groter aandeel duurzame energie is de Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie (SDE+), die in maart 2012 is opengesteld met een verplichtingenbudget van € 1,7 mld. Nederland zorgt door middel van de SDE+ dat de meest rendabele vormen van duurzame energie worden gestimuleerd. 234 duurzame energieprojecten ontvingen een subsidiebeschikking. Het volledige budget is in de eerste fase toegekend voor een basisbedrag van maximaal € 0,07/kWh.

Nederland streeft naar een CO2-reductie in 2020 van 20%. De implementatie van de CCS-richtlijn, de opslag van CO2, is afgerond.

In het kader van het Topsectorenbeleid is het afgelopen jaar voor ruim € 140 mln door de Minister van EZ beschikbaar gesteld voor projecten in energie-innovatie. Deze projecten liggen op verschillende terreinen, bijvoorbeeld wind op zee en smart grids, en zijn er onder andere op gericht om kostprijsreducties van duurzame technieken tot stand te brengen en de economische kansen van Nederlandse bedrijven te versterken. Hiernaast dragen marktpartijen ook zelf bij aan deze projecten.

Om lokale energie-initiatieven voor de meter mogelijk te maken is toegewerkt naar een beleidsvisie en fiscaal stimuleringsinstrumentarium, welke in het voorjaar van 2013 naar de Tweede Kamer gaan.

Op gebied van elektrisch vervoer blijkt Nederland te behoren tot de kopgroep bij de uitrol ervan. Het aantal geregistreerde elektrische auto’s groeide in 2012 van ruim 1.500 naar bijna 7.500 en het aantal publieke laadpunten verdubbelde tot zo’n 2.800 laadpunten, waaronder een groeiend aantal snellaadpunten. Via Green Deals is ingespeeld op de maatschappelijke vraag, met name op locaal niveau. Daarnaast zijn kansrijke speerpunten geïdentificeerd voor het vergroten van het verdienvermogen van ons land.

Veiligheid staat bij het gebruik van radioactieve materialen vanzelfsprekend voorop. Voor de kerncentrale Borssele en de andere nucleaire inrichtingen zijn in 2012 stresstesten uitgevoerd. De uitkomsten zijn opgenomen in actieplannen. De implementatie van deze actieplannen vindt in 2013 plaats. In april worden in Europees verband de actieplannen van de Europese kerncentrales onderling vergeleken.

Met behulp van de rijkscoördinatieregeling kunnen grote energie infrastructuurprojecten sneller worden gerealiseerd. Een snellere realisatie van energie-infrastructuurprojecten draagt bij aan de voorzieningszekerheid, werkgelegenheid en concurrentiepositie van Nederland.

In 2012 is de besluitvorming inzake de gasopslag Bergermeer en de hoogspanningsverbinding Randstad 380 kV Zuidring onherroepelijk geworden vanwege een voor het Rijk positieve uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Verder heeft definitieve besluitvorming plaatsgevonden over de hoogspanningsverbinding Randstad 380kV, Noordring, het transformatorstation Vijfhuizen, de aardgastransportleiding van Norg naar Groningen (NorgroN) en de aardgastransportleiding van Beverwijk naar Wijngaarden.

In 2012 is gewerkt aan een beleidsbrief om de Tweede Kamer te informeren over het voornemen van het (toenmalige) kabinet om deelprivatisering van Gasunie en TenneT toe te staan. Na de val van het kabinet is deze beleidsbrief aangehouden. Het onderwerp is niet opgenomen in het Regeerakkoord. Het kabinet zal nog een besluit nemen over deelprivatisering.

Op 1 januari 2012 is de kleinschalige uitrol van de slimme meter gestart. De uitrol en de effecten van de slimme meter worden gemonitord. Begin 2013 wordt de eerste rapportage aan de Tweede Kamer aangeboden.

De Elektriciteit- en gasregelgeving borgt de publieke belangen van voorzieningszekerheid en betaalbaarheid en heeft bijgedragen aan efficiënt beheer van de energienetten en daarmee aan concurrerende tarieven. Veelvuldige wijzigingen aan de Elektriciteits- en Gaswet hebben geleid tot complexe wetgeving. In 2012 is daarom een herziening van de Elektriciteits- en Gaswet gestart als onderdeel van de wetgevingsagenda STROOM. Hoofdbestanddeel van de wetgevingsagenda betreft een algehele herziening en samenvoeging van de Gaswet en de Elektriciteitswet 1998 om te komen tot wetgeving die duidelijker en eenvoudiger is, met minder regeldruk voor bedrijven en minder lasten voor de overheid. Wetgeving, bovendien, die op inzichtelijke manier voortvloeit uit de Europese wetgeving en die de transitie naar een duurzame energiehuishouding optimaal ondersteunt. De eerste tranche van de wetgevingsagenda STROOM is aan de Tweede Kamer aangeboden. Hierin zijn onder andere een aantal toezeggingen en voornemens uit het Energierapport 2011 uitgewerkt.

In 2012 is de Wet Voorraadvorming Aardolieproducten 2012 afgerond en door de Tweede en Eerste Kamer goedgekeurd. De wet betreft de implementatie van de Europese richtlijn en zal op 1 april 2013 in werking treden. Tevens is een politieke keuze (voorgenomen tracé of locatiekeuze) gemaakt voor de gasolieopslag in Twente, de hoogspanningverbinding Noord-West 380kV, de interconnector van Doetinchem naar Wesel, het transformatorstation in Breukelen en de uitbreiding van de Clauscentrale. Deze keuzes zullen in 2013 worden omgezet in formele besluiten. Voor de hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV zijn voorbereidingsbesluiten getroffen. De toekomstige samenstelling van G-gas (laag-calorisch gas) is vastgelegd. Op deze samenstelling zijn de eisen gebaseerd waaraan nieuw verkochte toestellen die onder de Gastoestellenrichtlijn vallen, moeten voldoen. Doordat na een overgangsperiode slechts toekomstbestendige toestellen op de markt komen, wordt het toestellenpark vervangen door de werking van de normale vervangingsmarkt.

Effectief energiebeleid is per definitie internationaal beleid. Energiediplomatie en internationale afspraken zijn dan ook belangrijk: de gevolgen van nationaal beleid gaan vaak over de landsgrenzen heen. Daarom is het overleg met onze buurlanden geïntensiveerd. Begin 2013 heeft overleg over verdere samenwerking met Duitsland plaatsgevonden; politiek overleg met andere buurlanden wordt ook geïntensiveerd. Belangrijke onderwerpen voor overleg een samenwerking zijn: subsidiesystemen, innovatie en verbeteringen in de grensoverschrijdende infrastructuur.

Door de Noordwest-Europese landen zijn verdergaande afspraken gemaakt over de samenwerking op het gebied van gas ter uitwerking en invulling van Europese netcode en richtsnoeren. Dit sluit aan bij de Nederlandse gasrotonde ambities, omdat daarmee de grensoverschrijdende handel in en het transport van gas wordt vereenvoudigd. In 2012 heeft het Franse beursbedrijf Powernext een aanwijzing als gasbeurs volgens de Gaswet gekregen. Samen met het Duitse EEX zal het een beurs voor TTF-gas opzetten. De wetgeving ter implementatie van het derde pakket energierichtlijnen is in juli 2012 in werking getreden. De onderliggende regelgeving is in 2012 in werking getreden. Hiermee is de implementatie van het derde pakket energierichtlijnen afgerond.

1.3.2 De Beleidsartikelen

11. Goed functionerende economie en markten

Algemene doelstelling

Voorwaarden voor een goed functionerende economie en markten, waaronder de markt voor elektronische communicatie.

Het Ministerie van Economische Zaken, heeft in haar streven naar optimale marktordening en het bevorderen van mededinging, gewerkt aan gedragsregels voor de overheid (Markt en Overheid), aan de totstandkoming van de Aanbestedingswet 2012 en het daarbij horende aanvullend beleid. Daarnaast was zij betrokken bij het verbeteren van de werking van specifieke markten zoals de gezondheidszorg, landbouw en financiële dienstverlening. Het Ministerie van Economische Zaken heeft ter versterking van het markttoezicht in Nederland een wetsvoorstel tot stroomlijning en vereenvoudiging van bevoegdheden, handhavingsinstrumenten en procedures (Stroomlijningswet ACM) ingediend bij de Eerste en Tweede kamer.

Per 1 april 2013 gaat de Autoriteit Consument en Markt van start. Deze nieuwe toezichthouder ontstaat door samenvoeging van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa), de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA) en de Consumentenautoriteit. Deze stap zal resulteren in een toename van de efficiëntie van het toezicht waardoor consumentenbelangen beter worden bewaakt.

Het regelgevend kader voor de telecommunicatiesector is gemoderniseerd door implementatie van de gewijzigde Europese telecommunicatierichtlijnen in de Telecommunicatiewet (onder andere meldplicht veiligheidsinbreuken, cookies, netneutraliteit).

Daarnaast heeft het Ministerie van Economische Zaken zich er op Europees niveau voor ingezet dat bellen in het buitenland op termijn niet meer kost dan bellen in Nederland.

Het Ministerie van Economische Zaken heeft een stimulans gegeven aan de concurrentie op de markt van mobiele communicatie door frequentieruimte te veilen. Deze frequentieveiling is in 2012 begonnen en in 2013 afgerond. De veiling heeft een technisch efficiëntere verdeling tot stand gebracht. Tele2 heeft zich als nieuwkomer geschaard naast de bestaande partijen KPN, Vodafone en T-Mobile om de vierde aanbieder van mobiele communicatie in Nederland te worden. Met de veiling is het aantal beschikbare frequenties voor mobiele communicatie met 40% toegenomen. Met de nieuwe frequenties kunnen 4G netwerken worden aangelegd waarmee snelheden tot boven de 100 megabit per seconde (Mpbs) kunnen worden geleverd.

Rol en verantwoordelijkheid

Goed functionerende markten dragen in belangrijke mate bij aan de economische groei. In een goed functionerende markt reageren vraag en aanbod effectief op elkaar. Zowel consumenten als bedrijven profiteren daarvan. Op goed functionerende markten ontstaat een optimale prijs-kwaliteitverhouding van goederen en diensten en hebben gebruikers voldoende keuzevrijheid. Daarnaast stimuleren goed werkende markten innovatie. Bedrijven worden in een gezonde concurrerende omgeving aangezet om de beste prijs – kwaliteitverhouding te bieden aan hun klanten.

Het Ministerie van Economische Zaken ziet het als haar taak eventuele belemmeringen voor het goed functioneren van economie en markten te verminderen of weg te nemen. Economische Zaken bevordert het goed functioneren van markten door het scheppen van randvoorwaarden. Economische Zaken waarborgt gezonde concurrentieverhoudingen op alle markten met behulp van de Mededingingswet en schept de voorwaarden waarbinnen concurrentie kan plaatsvinden met de Waarborgwet, de Winkeltijdenwet en de Metrologiewet. Daarnaast draagt het Ministerie van Economische Zaken bij aan een goede balans tussen de belangen van bedrijven en consumenten met generiek consumentenbeleid. Dit richt zich op het behouden en versterken van de positie van de consument door handhaving van collectieve inbreuken op wettelijke regels en het verminderen van informatie-assymetrie.

Vanwege het specifieke karakter en het maatschappelijke en economische belang is in de markt voor telecommunicatie en post separaat beleid noodzakelijk om tot een optimale marktordening te kunnen komen. In deze markt zijn separate (wettelijke) kaders opgesteld die de veiligheid, betrouwbaarheid, toegankelijkheid en transparantie borgen. Door te voorzien in de maatschappelijke behoefte aan statistieken door het Centraal Bureau voor de Statistiek ondersteunt de Minister van Economische Zaken het beleid ter bevordering van de efficiënte werking van markten.

Realisatie meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Kengetal: Index of Economic Freedom

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Ambitie 2011

Nederland

75,5

77,4

77

75

74,7

73,3

>70

Europees gemiddelde

66,3

66,8

66,3

66,8

66,8

66,1

Bovenstaande index geeft een indicatie hoe het met de economische vrijheid in een land is gesteld. Economische vrijheid wordt gemeten in 10 categorieën die uiteenlopen van de bescherming van eigendomsrechten en de aanwezigheid van corruptie tot het vrije verkeer van goederen, diensten, arbeid en kapitaal. De economische vrijheid in Nederland is relatief hoog en ligt ruim boven het Europees gemiddelde.

Markt en consumenten prestaties Nederland; kengetallen

Kengetallen

EU 27 Realisatie 2010

NL

Realisatie 2010

EU 27 Realisatie 2011

NL

Realisatie 2011

Ambitie 2011

1. Percentage consumenten dat zich voldoende beschermd acht

57%

69%

58%

74%

Voor al deze kengetallen geldt dat de ambitie is om boven het EU gemiddelde te blijven.

2. Percentage consumenten dat verkopers/ providers vertrouwt*

65%

77%

65%

68%

 

3. Percentage dat bij verkopers heeft geklaagd

13%

12%

14%

14%

 

4. Percentage consumenten tevreden met klachtafhandeling

52%

56%

58%

57%

 

5. Percentage consumenten dat het makkelijk vindt om via zelfregulering geschillen op te lossen

48%

51%

52%

57%

 

6. Consumentenomgevingindex

61

66

62

69

 

Bron: Europees Scoreboard Consumentenmarkten

* Het percentage consumenten dat verkopers/providers vertrouwt, verschilt van jaar tot jaar: 77% in 2008, 67% in 2009, 77% in 2010 en 68% in 2011. Het percentage gaat afwisselend omlaag en omhoog. De reeks is te kort om van een trend te spreken en vooralsnog ontbreekt een goede verklaring.

De 2012 waarden worden in mei 2013 gepubliceerd.

Nederland scoort relatief hoog in de internationale vergelijking op een aantal issues die raken aan het vertrouwen van consumenten. De Omgevingindex geeft een samengesteld beeld op verschillende indicatoren die te maken hebben met het consumentenvertrouwen.

Kengetal

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Ambitie 2012

1. Concurrentie markt mobiele telefonie (HHI-index)

Bron: TNO

3.763

3.874

3.802

3.721*

3.721

dalend

2. Percentage van de Nederlandse huishoudens dat toegang heeft tot breedbandinternet met een snelheid hoger dan 30 Mbs, cq. 100 Mbs

Bron: OPTA

   

30 Mbs:

niet gemeten

100 Mbs: niet gemeten

30 Mbs: niet gemeten

100 Mbs: niet gemeten

30 Mbs:96%

100 Mbs:95%

30 Mbs: 100%

100 Mbs: stijgend

3. Percentage van de Nederlandse huishoudens dat daadwerkelijk gebruik maakt van breedbandinternet met een snelheid hoger dan 30 Mbs, cq 100 Mbs

Bron: OPTA

   

30 Mbs: 5%

100 Mbs: 2%

30 Mbs: 20%

100 Mbs: 2%

30 Mbs: 22%

100 Mbs: 2%

30 Mbs: stijgend

100 Mbs: 50%

De Herfindahl Hirschman Index (HHI) geeft een indicatie van de marktconcentratie, die afhankelijk is van enerzijds het aantal partijen in de markt (hoe meer partijen, des te lager de HHI) en anderzijds de marktaandelen van deze partijen (hoe groter het marktaandeel van de marktleiders, des te hoger de HHI). Bij dalingen van de HHI kan dus gesproken worden van toegenomen concurrentie.

* dit betreft de waarde tot en met het tweede kwartaal 2012

De gerealiseerde waarden van 2012 hebben betrekking op de periode tot en met het tweede kwartaal. In maart zal TNO de definitieve waarden van 2012 publiceren. Met ingang van 2012 is opdracht gegeven om alle waarden te meten.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x 1 mln

2009

2010

2011

2012

Vastgestelde begroting 2012

Verschil

VERPLICHTINGEN

248,8

233,1

231,6

228,4

227,7

0,7

UITGAVEN

234,9

231,9

232,8

233,7

230,6

3,1

             

Programma-uitgaven

228,8

219,9

221,5

222,7

219,4

3,3

11.1 Optimale marktordening en mededinging bevorderen

23,0

23,2

25,9

25,7

26,3

–0,6

Bijdrage Metrologie

15,1

14,1

14,9

15,2

14,7

0,5

Raad Deskundige Nationale Meetstandaarden

0,1

0,1

0,0

0,0

0,1

– 0,1

PIANOo inclusief TenderNed

3,5

2,6

6,1

7,0

7,3

–0,3

Markt en Overheid

0,0

0,0

0,0

0,0

0,7

– 0,7

NMa / Dte

0,7

0,6

1,0

0,5

0,5

0,0

Bijdrage Nederlands Normalisatie Instituut

0,0

0,9

0,6

0,9

1,1

– 0,2

Raad voor Accreditatie

1,4

1,5

0,4

0,1

0,2

– 0,1

Prijzenwet

0,0

0,6

0,0

0,0

0,0

0,0

Onderzoek en opdrachten

2,2

2,9

2,9

2,0

1,7

0,3

11.3 Goede en betrouwbare netwerken en markten voor telecommunicatie- en post

4,4

4,5

3,9

10,2

12,0

–1,8

Bijdrage aan OPTA

2,4

2,2

1,9

2,4

2,5

– 0,1

Bijdrage aan internationale organisaties

2,0

2,3

2,0

1,9

2,5

– 0,6

Veiligheid en frequenties

0,0

0,0

0,0

5,9

7,0

– 1,1

11.4 Voorzien in maatschappelijk

behoefte aan statistieken

195,4

192,3

191,7

186,9

181,1

5,8

Bijdrage aan het CBS

195,4

192,3

191,7

186,9

181,1

5,8

             

Bijdragen baten-lastendiensten

12,1

12,0

11,3

11,0

11,2

–0,2

Toezicht Agentschap Telecom

6,6

5,7

5,7

5,9

5,8

0,1

Agentschap Telecom

5,5

6,0

5,3

5,1

5,4

– 0,3

Agentschap NL

0,2

0,2

0,3

0,0

0,0

0,0

             

ONTVANGSTEN

19,6

64,2

82,7

82,7

55,2

27,5

Ontvangsten NMa

1,6

10,0

3,3

4,4

0,0

4,4

High Trust

13,4

22,4

21,4

32,1

31,1

1,0

Diverse ontvangsten

4,6

31,8

58,0

46,2

24,1

22,1

Toelichting op de programma uitgaven

Operationele doelstelling 11.1 Optimale marktordening en mededinging bevorderen

Doelbereiking

Goed functionerende markten zijn de motor voor economische groei. Het Ministerie van Economische Zaken heeft met het oog op het belang van de consument en eindgebruiker op verschillende wijzen de marktwerking en de mededinging bevorderd. Een paar voorbeelden zijn: de Mededingingswet, inclusief de invoering van de Wet Markt en Overheid als aanpassing van de Mededingingswet, de werkzaamheden van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) en de totstandkoming van de Aanbestedingswet 2012.

Mededingingsbeleid (Mededingingswet en de NMa)

Per 1 april 2013 gaat de Autoriteit Consument en Markt (ACM) van start. Het samenvoegen van de NMA, OPTA en Consumentenautoriteit leidt tot een verbetering van de effectiviteit en efficiëntie van het markttoezicht in Nederland. Dit zal bijvoorbeeld resulteren in een verruiming van de mogelijkheden voor informatieverstrekking door de ACM op het gebied van mededinging met derde instanties, zoals het Openbaar Ministerie.

Parallel aan de Instellingswet ACM is een wetsvoorstel uitgewerkt dat leidt tot stroomlijning en vereenvoudiging van de procedures, bevoegdheden en handhavingsinstrumentarium van de ACM. Dit wetsvoorstel is in november 2012 aangenomen door de Ministerraad. In de memorie van toelichting van het wetsvoorstel zal op verzoek van de Tweede Kamer (TK II 2011/12, 24 095, nr. 305) mede worden ingegaan op de voor en tegens van het aanvullen van de bestuursrechtelijke handhaving van de Mededingingswet met de mogelijkheid van strafrechtelijke handhaving.

Op 1 juli 2012 zijn de wet tot aanpassing van de Mededingingswet ter invoering van gedragsregels voor de overheid (beter bekend als: Wet Markt en Overheid) en het besluit Markt en Overheid in werking getreden. De vier gedragsregels uit deze wet stellen voorwaarden die de overheid moet volgen bij het verrichten van economische activiteiten. Hiermee wordt een gelijk speelveld met het bedrijfsleven bevorderd en kunnen overheden bij deze economische activiteiten niet langer oneigenlijk gebruik maken van overheidsmiddelen. Daarnaast is een handreiking bij de wet opgesteld. Deze handreiking is een hulpmiddel bij de toepasbaarheid van de wet. De NMa, en vanaf 1 april de ACM, is toezichthouder op deze gedragsregels voor de overheid.

Aanbestedingsbeleid

Het parlement heeft in 2012 ingestemd met de nieuwe Aanbestedingswet. De geplande datum van inwerkingtreding is 1 april 2013.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Indicator

Referentie waarde

Peildatum

StreefWaarde 2012

Realisatie 2012

Bron

Gebruik elektronisch systeem voor aanbesteden wordt gemeengoed bij de overheid

Openbare aanbestedingen worden nog niet via TenderNed gepubliceerd

1 januari 2010

Alle openbare aanbestedingen worden via TenderNed gepubliceerd

35%

TenderNed, EZ

Sinds medio 2012 worden de meeste aanbestedingen van het Rijk aangekondigd via TenderNed. (het digitale rijksbrede aanbestedingssysteem) Ook decentrale overheden kondigden hun aanbestedingen in de loop van 2012 steeds vaker aan via TenderNed. In 2012 werden nog niet alle aanbestedingen via TenderNed aangekondigd omdat de nieuwe Aanbestedingswet, die de verplichting daartoe bevat, nog niet in werking was getreden. Naar verwachting treedt die wet per 1 april 2013 in werking.

In 2012 is fase 2 van het systeem voor elektronisch aanbesteden TenderNed afgerond. Hiermee kunnen ondernemingen documenten in het online bedrijvenregister laten opnemen en digitaal inschrijven op aanbestedingen, waardoor het systeem fungeert als een online marktplaats.

Metrologiewet

De onderhandelingen over de herziening van de Europese metrologische richtlijnen tussen de Europese Commissie, de lidstaten en het Europees parlement zijn nog niet afgerond. Door de complexiteit van de materie waarmee grote belangen zijn gemoeid heeft implementatie in de Metrologiewet nog niet plaatsgevonden. De geplande datum van implementatie is het tweede kwartaal van 2013.

Het consultatietraject voor de gemoderniseerde IJkwet Bonaire, St. Eustatius en Saba (BES) is in 2012 gestart. Het streven naar het inwerkingtreden in 2013 zal waarschijnlijk niet worden gehaald omdat het proces op strategische gronden later van start is gegaan dan oorspronkelijk was gepland. Dit is veroorzaakt door de beperkte capaciteit die op de BES-eilanden beschikbaar is voor dit werk. Prioriteit is gegeven aan het opleiden van medewerkers en het inrichten van de infrastructuur voor het IJkwezen.

Operationele doelstelling 11.2 Behouden en versterken positie van de consument

Doelbereiking

Goede wet- en regelgeving in Nederland beschermt consumenten tegen oneerlijke praktijken en geeft hen belangrijke rechten in de relatie met ondernemers. Consumenten maken steeds vaker gebruik van aanbiedingen over de grens. Het Ministerie van Economische Zaken zet zich samen met het Ministerie van Veiligheid en Justitie in voor adequate Europese regels, zodat consumenten ook in andere EU landen met vertrouwen kunnen consumeren. Wanneer dat vertrouwen beschaamd wordt is het eveneens van belang dat de toezichthouder, waar nodig in samenwerking met de Europese collega’s, effectief kan optreden.

Consumenten zijn gelijktijdig met de Tweede Kamer door middel van openbaarmaking van onderzoeksgegevens van het Ministerie van Economische Zaken geïnformeerd over de kwaliteit van de dienstverlening van de klantenservice van telecom- en energiebedrijven.

Daarnaast is een voorstel van wet voor Pandbeleningen aan de Tweede Kamer gezonden.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Indicator: De naamsbekendheid van ConsuWijzer

Waarde 2009

Streefwaarde 2012

Realisatie 2012

Bron

Percentage spontane naamsbekendheid

2%

6%

3%

ConsuWijzer

Percentage geholpen naamsbekendheid ConsuWijzer

23%

40%

47%

ConsuWijzer

Aantal bezoeken op website ConsuWijzer

2.000.000

2.200.000

2.200.000

Consuwijzer

De spontane naamsbekendheid blijft achter bij de begrote 6%. De reden hiervoor is de vermindering van het budget voor generieke communicatieacties. De Consumentenautoriteit heeft zich meer gericht op free publicity en het inzetten van concrete, themagerichte campagnes. Bij dit laatste kan gedacht worden aan de campagnes over telemarketing en de Online shopscan.

De realisatie van 2,2 mln bezoeken op de website van Consuwijzer is gebaseerd op basis van het aantal bezoeken gemeten in de eerste tien maanden van 2012 door middel van webanalyse en op een schatting van het aantal bezoeken voor de laatste twee maanden. Sinds eind oktober is ConsuWijzer namelijk gestopt met webanalyse nadat is gebleken dat de geïmplementeerde technische oplossing op de website niet volledig in overeenstemming was met de cookiebepaling in de Telecommunicatiewet.

Wet- en regelgeving, ter versterking van de positie van de consument

In 2012 is samen met het Ministerie van Veiligheid en Justitie (eerst verantwoordelijk) gewerkt aan de implementatie van de richtlijn consumentenrechten. Voor de implementatie van deze richtlijn is, gezien de complexiteit, iets meer tijd nodig gebleken dan verwacht. Het wetsvoorstel implementatie consumentenrechten en de bijhorende memorie van toelichting zullen begin 2013 aan de Tweede Kamer worden gezonden. De richtlijn dient uiterlijk 13 december 2013 in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd te zijn.

Operationele doelstelling 11.3 Goede en betrouwbare netwerken en markten voor telecommunicatie en post

Doelbereiking

In het in 2012 gehouden vierjaarlijkse Universal Postal Union (UPU) congres in Doha, Qatar zijn internationale afspraken gemaakt met betrekking tot post.

Markt en regelgeving

Om betaalbare en gelijkwaardige toegang tot openbare telefonie voor doven en slechthorenden te realiseren, zal een partij worden aangewezen voor het verzorgen van een tekst- en beeldbemiddelingsdienst. In oktober 2012 is de selectieprocedure gestart, die naar verwachting voor de zomer 2013 eindigt met de aanwijzing van de verzorger van de tekst- en beeldbemiddelingsdienst. Zodra de bemiddelingsdienst operationeel is, zal zijn voldaan aan de vereisten uit de Europese Richtlijnen inzake de universele dienst en eindgebruikerrechten.

Frequentie- en antennebeleid

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Realisatie 2012

Bron

Het aantal vergunningscategorieën t.b.v. het gebruik van frequentiebanden

47

1 januari 2009

dalend

42

Agentschap Telecom

In internationaal kader worden voorbereidingen getroffen om het bovenste deel van de huidige UHF-omroepband (694–790 MHz) te bestemmen voor mobiele communicatie. Samen met Agentschap Telecom en de sector is een inventarisatie gestart van de behoefte en de beschikbaarheid aan frequenties voor omroeptoepassingen over de verschillende omroepbanden heen. Dit moet ruim voor afloop van de huidige vergunningstermijnen in 2017 leiden tot een standpunt ten aanzien van de toekomstige bestemming van de UHF-band.

Het jaar 2012 is een belangrijk voorbereidingsjaar geweest voor de uitrol van digitale (ether)radio. Vergunninghouders hebben een overeenkomst gesloten met een netwerkoperator voor de bouw van een digitaal radionetwerk dan wel voorbereidingen daartoe getroffen. Het Ministerie van Economische Zaken komt regelmatig met de vergunninghouders bijeen om afspraken te maken over de gezamenlijke introductie. Digitale (ether)radio zal in het derde kwartaal van 2013 van start gaan.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Realisatie 2011

Bron

Penetratiegraad van TDAB radio-ontvangers in huishoudens

<1%

2009

<1%

3%

CBS

De CBS publicatie heeft betrekking op de bevolking van 12 tot en met 74 jaar. De waarde van 2012 zal het CBS op 1 juli 2013 publiceren. De in de Rijksbegroting 2012 opgenomen raming 2012 zal worden herzien.

Een veilig en betrouwbaar netwerk

De volgens het Regulatory Framework for Electronic Communications verplichte melding aan de overheid van verstoringen in telecomnetwerken is ingevoerd. De verstrekking van informatie over verstoringen aan het publiek is nog niet gerealiseerd. Aangezien nog niet is vastgesteld hoe dit het best kan gebeuren en welke gegevens van aanbieders nodig zijn. De vertraging is ontstaan omdat besloten is te wachten op de realisatie van de hierboven genoemde verplichte melding, om te voorkomen dat overlap ontstaat in de aanlevering van gegevens voor beide systemen. In 2013 zal de verdere ontwikkeling plaatsvinden.

Het programma veilig elektronisch zakendoen dat is omgevormd tot het programma digiveilig, is van start gegaan. Doel is het borgen van veilig gebruik van ICT. In het programma, dat wordt uitgevoerd door het onafhankelijk platform van overheid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties, ECP, worden in publiek-private werkgroepen activiteiten ontplooid op ondermeer het terrein van bewustwording, privacy en de aanpak van botnets. Een botnet betreft een netwerk van computers die besmet is met een bot en dat vaak gebruikt wordt om illegale acties uit te voeren, zoals het verzenden van spam.

Eind 2012 hebben de Internet Service Providers (ISP's) de vereniging «Abuse Information Exchange» opgericht, en is gestart met het bouwen van een antibotnetcentrum dat medio 2013 operationeel is. Het centrum verzamelt en verwerkt op een centraal punt informatie over botnetbesmettingen waarmee aangesloten ISP's hun klanten sneller en gerichter kunnen helpen bij het ontsmetten van hun PC's. Het Ministerie van Economische Zaken heeft een startsubsidie gegeven en zal in 2013 de effectiviteit van Abuse Information Exchange meten aan de hand van een internationaal vergelijkend onderzoek.

Het Ministerie van Economische Zaken is in gesprek met de ICT-industrie over het ontwikkelen van veilige hard- en software producten ter bevordering van cyber security. Dit heeft nog niet geleid tot concrete nieuwe standaarden. In 2013 zal het Ministerie van Economische Zaken haar gesprekken met de industrie voortzetten, waarbij in gezamenlijk overleg de mogelijkheid voor een standaard voor het ontwikkelen van veilige software wordt verkend.

Operationele doelstelling 11.4 Voorzien in maatschappelijke behoefte aan statistieken

Doelbereiking

Het voorzien in statistisch onderzoek ten behoeve van praktijk, beleid en wetenschap en het openbaar maken van de onderzoeksresultaten en samengestelde statistieken.

Het outputprogramma van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) zoals opgenomen in het Jaarplan voor 2012 van het CBS is gerealiseerd.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Indicatoren

Definitie

Streefwaarde 2012

Realisatie 2012

Realisatie van de publicatiekalender

Realisatie: Percentage op de geplande datum gepubliceerde persberichten en gerealiseerde leveringen aan Eurostat.

90% van publicatiekalender op of voor geplande publicatiedatum gehaald.

Persberichten: 94%

Eurostat: 90%

Aantal formele correcties op publicaties

Aantal persberichten dat met een (nieuw) persbericht wordt gecorrigeerd.

Maximaal 3 persberichten per jaar met correcties.

0 persberichten met correctie

1. Afwijking van voorlopige en definitieve cijfers

     

a. economische groei

Het aantal keer dat de definitieve kwartaalcijfers voor de economische groei van een jaar meer dan 0,75 procentpunt afwijken van de flash-ramingen voor de kwartalen van dat jaar.

Voor minstens drie kwartalen van het jaar moet de afwijking minder zijn dan 0,75 procentpunt.

4 kwartalen < 0,75% voor het jaar 2009.

b. internationale handel

Het aantal afwijkingen van meer dan 4% tussen de voorlopige en definitieve cijfers van de onderdelen van de 6-wekenversie van de maandcijfers van de internationale handel.

80 procent van de afwijkingen moet minder zijn dan 4 procent.

87,5% afwijkingen < 4% voor het jaar 2011

c. bevolkingsgroei

Deelindicator jaarcijfer: de absolute afwijking van de som van de voorlopige maandcijfers van de bevolkingsgroei met het definitieve jaarcijfer. Deelindicator maandcijfers: het aantal keren dat de definitieve cijfers van de bevolkingsgroei voor de maanden van het voorafgaande kalenderjaar meer dan 4.000 afwijken van de voorlopige cijfers.

Voor minstens 8 maanden moet de afwijking minder zijn dan 4.000 én de afwijking van het gecumuleerd jaartotaal moet minder dan 16.000 zijn.

12 maanden met afwijking < 4.000

Gecumuleerd jaartotaal: 4.446

2. Administratieve lasten verlaging/reductie enquêtedruk

Uitkomst van de jaarlijkse administratieve lasten zoals gemeten door de «enquêtedrukmeter» (EDM).

De administratieve last door enquêtedruk voor het bedrijfsleven mag in 2011 niet meer bedragen dan de lastendruk in 2010 en wordt zoveel mogelijk gereduceerd in lijn met de doelstelling om in 2015 een reductie tussen de 20% en 30% te realiseren1

Enquêtedruk 2010: € 19 mln

Enquêtedruk 2011: € 19 mln

Bron: CBS

X Noot
1

Zoals nader toegelicht in de Voortgangsrapportage regeldruk bedrijven van Prinsjesdag 2011 vereist de realisatie van deze doelstelling zowel wijzigingen uitgevoerd door het CBS als wijzigingen in de Europese regelgeving. Op basis van haalbaarheidsonderzoeken, waarbij ook inzicht wordt verkregen in de hiermee gepaard gaande kosten, vindt nog definitieve besluitvorming plaats.

De door het CBS veroorzaakte lastendruk over 2011 (zoals in 2012 is gemeten) bedraagt € 19 mln. Door de geleidelijke toename van de internationale handel in goederen met EU-lidstaten sinds 2009 zijn meer bedrijven boven de waarnemingsdrempel uitgekomen, waardoor zij verplicht werden hierover aangifte voor de statistiek te doen (Intrastat). Daarnaast werd er in 2011 een relatief groot aantal meerjaarlijkse enquêtes tegelijkertijd uitgevoerd. Hier tegenover staat een daling van de lastendruk bij de productiestatistieken, de één na grootste veroorzaker van lastendruk, als gevolg van een herontwerp van productieprocessen dat de afgelopen jaren heeft plaatsgevonden. Al met al is de lastendruk in 2011 op hetzelfde niveau gebleven als in 2010. Gecorrigeerd voor meerjaarlijkse enquêtes continueert het CBS de dalende lijn in de lastendruk.

Samen met het Ministerie van Economische Zaken zet het CBS in op verdere lastenreductie bij Intrastat, dat de helft van de totale administratieve lasten van het CBS veroorzaakt en waarvan de lastendruk naar verwachting stijgt als gevolg van het aantal bedrijven dat boven de waarnemingsdrempel uitkomt. Europese besluitvorming over de aanpassing van Intrastat zal op zijn vroegst in 2014 plaatsvinden.

De bijdrage aan het CBS is in 2012 met € 5,8 mln verhoogd. Deze middelen zijn aangewend voor onder andere nieuwe statistische verantwoordelijkheden in het kader van Caribisch Nederland, voor compensatie van de gestegen pensioenpremies en voor loon- en prijscompensatie.

Toelichting op de ontvangsten

Ontvangsten Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa)

De toename in de ontvangsten bij de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) van € 4,4 mln wordt met name veroorzaakt doordat de NMa in 2012 bouwfraudeboetes heeft ontvangen welke in de oorspronkelijke begroting 2012 niet waren geraamd.

Diverse ontvangsten

Het verschil in diverse ontvangsten van € 22,1 mln is grotendeels veroorzaakt door ontvangsten uit vergunningen voor de landelijke digitale radio-omroep. In de zomer van 2011 zijn verlengde FM – vergunningen uitgereikt waardoor in 2012 € 19,6 aan niet voorziene gelden (incl. wettelijke rente) zijn ontvangen. Tot slot kan € 1,9 mln worden verklaard doordat het bedrag van de eindafrekening over 2011 van het Agentschap Telecom lager was dan de eerder betaalde voorschotbedragen. Dit is met name veroorzaakt door een aantal niet ingevulde fte’s.

12 Een sterk innovatievermogen

Algemene doelstelling

Een sterker innovatievermogen van de Nederlandse economie

Nederland heeft een 5e positie in het Innovation Union Scoreboard bereikt. Daarmee is Nederland koploper van een groep landen die tot de «innovatievolgers» worden gerekend, achter de «innovatieleiders» Zweden, Duitsland, Denemarken en Finland. Binnen de kengetallen waar de positie in het Innovation Union Scoreboard door wordt bepaald, scoort Nederland bovengemiddeld bij onder andere de publieke Research & Development – uitgaven, het aandeel innovatieve bedrijven, het aantal aangevraagde octrooien en het aantal geregistreerde handelsmerken. Nederland heeft een benedengemiddelde score bij onder andere de private Research & Development -uitgaven en de omzet die bedrijven behalen met nieuwe en verbeterde producten.

Rol en verantwoordelijkheid

Innovatie is een belangrijke bron voor de welvaartsgroei van de Nederlandse economie. Innovatie verhoogt de productiviteit van Nederlandse bedrijven, heeft een positief effect op de Nederlandse concurrentiepositie en draagt bij aan het oplossen van maatschappelijke vraagstukken. De Research & Development-uitgaven zijn een belangrijke inputfactor voor innovatie. In het Nationaal Hervormingsprogramma 2011 heeft Nederland zich ten doel gesteld dat in 2020 2,5% van het Bruto Binnenlands Product aan Research & Development wordt uitgegeven. Hiermee is gekozen voor een ambitieuze doelstelling, waarbij rekening is gehouden met de Nederlandse sectorstructuur.

Met het bedrijvenbeleid wordt beoogd om een verhoging van de private Research & Development intensiteit te realiseren en de innovatiekracht van Nederland te versterken. Via publiek-private samenwerking, bevordert het kabinet dat publiek gefinancierde kennisontwikkeling maximaal benut kan worden door het bedrijfsleven. Kennisbenutting door het bedrijfsleven is immers een essentiële schakel in de keten kennis-kunde-kassa. Daarbij wordt de publieke kennisontwikkeling in sterkere mate gericht op de topsectoren.

Innovatie is een zaak van bedrijven, die daartoe (financiële) risico’s nemen. Omdat bedrijven zich de bijkomende maatschappelijke baten niet volledig kunnen toe-eigenen, bestaat het risico dat zij minder innoveren dan maatschappelijk gezien gewenst is. Het Ministerie van Economische Zaken bevordert daarom private R&D en innovatie mede met financiële instrumenten. Hiervoor worden fiscale instrumenten, kredieten en subsidies ingezet.

De innovatieprestaties van de Nederlandse economie staan sterk onder invloed van externe factoren. De innovatiegraad van bedrijven en het succes van innovaties worden sterk bepaald door (internationale) marktontwikkelingen en strategische afwegingen die bedrijven daarbij maken. De opgave voor het Ministerie van Economische Zaken is om met kennis- en innovatiebeleid bedrijven een gunstig innovatieklimaat te bieden.

Realisatie meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Realisatie 2011

Bron

R&D-uitgaven als % van het BBP

1,82%

2009

1,8%

2,04%

CBS

– waarvan private sector

0,85%

2009

0,9%

1,15%

 

– waarvan publieke sector

0,96%

2009

0,9%

0,88%

 

De getoonde uitsplitsing van Research & Development-uitgaven naar publieke en private sector heeft betrekking op de plaats van uitvoering. De referentiewaarde voor de private sector is iets lager dan in de begroting voor 2012 was weergegeven, als gevolg van een lichte opwaartse bijstelling van de waarde van het Bruto Binnenlands Product over 2009 door het Centraal Bureau voor de Statistiek. Door revisies in de R&D-statistiek van het Centraal Bureau voor de Statistiek zijn de uitkomsten voor 2011 niet goed vergelijkbaar met die voor 2009.

De sterke stijging van de private Research & Development-uitgaven in 2011 ten opzichte van 2009 is grotendeels het gevolg van een revisie in de R&D-statistiek van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Door een verbreding van het R&D-begrip en het toevoegen van bedrijven met minder dan 10 werkzame personen aan de bedrijvenpopulatie in de R&D-statistiek wordt onderzoek van een groter aantal bedrijven dan voorheen geteld als Research & Development. Het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft ook een revisie toegepast bij de Research & Development-uitgaven van hogeronderwijsinstellingen. De baten van hogeronderwijsinstellingen die als grondslag dienen voor de berekening van de onderzoeksuitgaven van deze instellingen zijn versmald. Hierdoor zijn de Research & Development-uitgaven in de publieke sector in 2011 lager dan volgens de oude berekeningsmethode het geval was in 2009. Gecorrigeerd voor de revisie komt het cijfer voor 2011 iets hoger uit dan het cijfer voor 2009 (namelijk 2011: 0,98% van het BBP)

Kengetallen: Innovatieprestaties van Nederland

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 20121

Ambitie

Innovation Union Scoreboard: positie van Nederland binnen EU27-landen

10e

9e

9e

8e

7e

5e

Positie verbeteren

Aantal bij WIPO aangevraagde octrooien, per mln personen van de beroepsbevolking (Nederland)

504

492

503

457

391

442

 

Aantal bij WIPO aangevraagde octrooien: Positie Nederland binnen OECD

6e

6e

5e

6e

10e

8e

Positie verbeteren

Bron: Europese Commissie (Innovation Union Scoreboard 2013). In het Innovation Union Scoreboard 2013 zijn de scores per lidstaat opnieuw berekend voor de jaren 2008–2011. Dit maakt dat Nederland in 2008 en 2010 op een andere plek in de ranglijst stond dan in eerdere jaarverslagen en EZ-begrotingen aan de Kamer is gemeld. De positie in het jaar 2007 is ontleend aan de voorgaande editie van het Innovation Union Scoreboard (de editie uit het jaar 2012).

Bron:WIPO voor het aantal aangevraagde octrooien en OECD voor de omvang van de beroepsbevolking. De cijfers voor het aantal octrooiaanvragen per miljoen personen van de beroepsbevolking wijken licht af van de reeks in de begroting voor 2012, als gevolg van een neerwaartse bijstelling van de cijfers voor de omvang van de beroepsbevolking door de OECD. De positie van Nederland bij dit kengetal is in 2009 en 2010 een plaats hoger uitgekomen dan in de begroting voor 2012 vanwege een opwaartse bijstelling door de OECD van de cijfers over de omvang van de beroepsbevolking in Israël. Het laatste heeft ertoe geleid dat Israël in die jaren een positie onder Nederland heeft gekregen. Met ingang van 2012 geeft de indicator de bij WIPO aangevraagde octrooien en niet zoals in de jaren daarvoor het aantal aangevraagde Europese octrooien.

X Noot
1

Het Innovation Union Scoreboard met betrekking tot 2012 is de jaargang met de titel Innovation Union Scoreboard 2013. De WIPO-cijfers voor 2012 zijn voorlopig.

De relatieve score van Nederland binnen het Innovation Union Scoreboard (IUS) van de Europese Commissie is in de periode 2007–2012 verbeterd; van de 10e naar de 5e plaats. Dit is te danken aan verbeteringen van Nederland op een groot aantal onderliggende kengetallen in de afgelopen jaren.

Het aantal WIPO-octrooiaanvragen is sinds 2009 afgenomen. Recent onderzoek van NL-Octrooicentrum geeft aan dat dit vooral komt doordat een klein aantal grote bedrijven, die een groot deel van de Nederlandse aanvragen voor hun rekening nemen, sindsdien een andere octrooistrategie volgen die meer op kwaliteit gericht is en actiever zijn in andere technologische sectoren met een lagere octrooidichtheid. In 2012 is de neerwaartse ontwikkeling bij het aantal octrooiaanvragen omgebogen naar een stijging. Dat is samengegaan met een verbetering van de positie van Nederland binnen de OECD van een 10e naar een 8e plaats.

Kengetal

Realisatie 2004

Realisatie 2006

Realisatie 2008

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Ambitie

Aandeel innoverende bedrijven:

           

– Industrie (EU27-gemiddelde)

42

42

42  (44)

53 (44)

n.b.

Aandeel verhogen

– Diensten (EU27-gemiddelde)

29

32

31 (35)

44 (35)

n.b.

Aandeel verhogen

Aandeel innoverende bedrijven dat (de laatste drie jaar) technologisch heeft samengewerkt met publieke partijen:

           

– Researchinstellingen (EU27-gemiddelde)

9

8

10 (6)

6 (6)

n.b.

Bovengemiddelde positie handhaven

– Universiteiten (EU27-gemiddelde)

12

11

14 (10)

8 (11)

n.b.

Bovengemiddelde positie handhaven

n.b.= niet beschikbaar (de innovatie-enquête wordt alleen over even jaren gehouden)

Bron: Eurostat (uitkomsten van innovatie-enquêtes)

Het aandeel innoverende bedrijven in de Nederlandse industrie en dienstverlening is bij de meting over 2010 fors hoger dan in de vorige edities van de innovatie-enquête. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (dat de innovatie-enquête voor Nederland uitvoert) verklaart dit voor een belangrijk deel uit het feit dat de laatste editie voor het eerst gebruikmaakte van digitale enquêteformulieren. Van de grotere groep innoverende bedrijven blijkt een kleiner aandeel samen te werken met een kennisinstelling.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 mln

2009

2010

2011

2012

Vastgestelde begroting 2012

Verschil

VERPLICHTINGEN

949,5

755,9

976,1

655,5

708,5

–53,0

UITGAVEN

667,7

723,9

883,7

745,8

814,2

– 68,4

             

Programma-uitgaven

603,9

647,8

806,7

670,7

748,4

– 77,7

12.1 Bevorderen van publiek/private kennisontwikkeling voor topsectoren en maatschappelijke vraagstukken

486,8

524,2

679,3

547,2

583,2

– 36,0

– Institutioneel onderzoek

46,4

62,0

211,1

222,4

207,6

14,8

– Lucht- en Ruimtevaart

99,4

88,7

133,1

71,2

81,7

– 10,5

– Internationaal innoveren

32,7

22,1

12,5

7,7

3,8

3,9

– Innovatieprogramma’s / Topsectoren

158,3

214,2

228,7

205,0

244,0

– 39,0

– Overig

102,7

63,4

70,6

38,5

42,2

– 3,7

– Onderzoek en opdrachten

4,5

3,4

3,3

2,4

3,9

– 1,5

– Kenniswerkers / High Tech Topprojecten

42,8

70,4

20,0

0,0

0,0

0,0

12.2 Meer bedrijven die meer (technologische) kennis ontwikkelen, delen en benutten

117,1

123,6

127,4

123,5

165,2

– 41,7

– Innovatie Prestatie Contracten

26,1

32,1

30,2

44,0

41,2

2,8

– Innovatiefonds: innovatiekrediet

16,9

19,1

35,8

27,3

56,7

– 29,4

– Innovatiefonds: risicokapitaal

16,6

14,1

10,5

12,4

27,4

– 15,1

– Oude financieringsinstrumenten

14,9

20,0

13,5

1,7

0,0

1,7

– Syntens

33,0

33,0

32,5

31,5

30,9

0,6

– Eurostars

1,3

2,2

4,2

5,7

7,6

– 1,9

– Bijdragen organisaties

0,6

1,3

0,8

0,7

1,3

– 0,6

– Overig

7,6

1,8

0,0

0,3

0,0

0,3

             

Bijdragen baten-lastendiensten

63,9

76,1

77,0

75,2

65,8

9,4

Bijdrage aan AgentschapNL

63,9

76,1

77,0

75,1

65,8

9,3

Bijdrage aan Agentschap Telecom

0,0

0,0

0,0

0,1

0,0

0,1

             

ONTVANGSTEN

197,7

180,3

44,5

70,5

45,2

25,3

Diverse ontvangsten

4,1

12,1

4,5

21,9

1,6

20,3

Ontvangsten uit het FES

152,2

128,7

0,0

0,0

0,0

0,0

Ontvangsten luchtvaartkredietregeling

0,0

0,3

1,9

0,2

0,2

0,0

Ontvangsten Technische Ontwikkelingsprojecten

8,1

7,6

5,4

3,9

10,0

– 6,1

Ontvangsten Rijksoctrooiwet

33,4

31,3

31,6

36,8

29,2

7,6

Ontvangsten Innovatiekredieten

     

6,6

2,1

4,5

Ontvangsten Eurostars

0,0

0,4

1,1

1,1

2,1

– 1,0

Toelichting op de verplichtingen

Het lagere verplichtingenrealisatie (€ 53,0 mln) wordt met name veroorzaakt door:

Innovatieprogramma’s/Topsectoren (– € 27 mln), waarvan:

  • Innovatieprogramma’s Algemeen: door het beëindigen van de innovatieprogramma’s eind 2011 zijn de verplichtingenbudgetten die nog betrekking hadden op die programma’s, en die niet werden ingezet ten behoeve van de Topsectorenaanpak, verlaagd met € 20,8 mln.

  • Innovatieprogramma Veiligheid: alle verplichtingen met betrekking tot dit innovatieprogramma zijn reeds in 2011 aangegaan, waardoor het verplichtingenbudget 2012 met € 13,7 mln is verlaagd.

  • Topsector HighTech Systems Materials: ten behoeve van diverse initiatieven, zoals Joint Technology Initiatives en Eurekaclusters, is het budget in 2012 per saldo verhoogd met € 5,6 mln.

Institutioneel onderzoek (€ 49,7 mln), waarvan:

  • Bijdrage TNO (€ 19,7 mln). Dit betreft deels een technische correctie, deels een aanpassing in verband met de transitie van Embedded Systems Institute in het topsectorenproces en een overheveling van SZW-budget naar EZ.

  • Bijdrage Nederlands Lucht en Ruimtevaartlaboratorium (€ 29,6 mln). Met het penvoerderschap is ook de afspraak van het Rijk naar Economische Zaken overgekomen om te zorgen dat het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (NLR) zijn huisvesting weer op aanvaardbaar peil kan brengen.

Bijdrage aan AgNL (– € 54,3 mln)

De opdrachten aan AgNL werden tot en met 2012 voorafgaand aan het uitvoeringsjaar verstrekt. Met ingang van 2013 wordt dit tijdens het uitvoeringsjaar gedaan.

Lucht- en Ruimtevaart (– € 10,0 mln)

De onderuitputting van in totaal € 10,2 mln wordt veroorzaakt door diverse mutaties. De belangrijkste zijn het doorschuiven van € 23 mln aan verplichtingenruimte naar latere jaren ten behoeve van de Ministerconferentie 2012 bij de tweede suppletoire begroting. Daarnaast is het Ruimtevaartbudget opgehoogd met € 12,8 mln. Dat in verband met het opheffen van het Nederlands Instituut voor Vliegtuigontwikkeling en Ruimtevaart (NIVR), waarbij de liquide middelen aan de begroting zijn toegevoegd.

Het Innovatiefonds (– € 8,1 mln)

De benutting van het Innovatiekrediet is in 2012 toegenomen ten opzichte van 2011. Er is in 2012 een bedrag van € 52,9 mln verplicht. Echter de raming voor 2012 was € 95,5 mln vanwege de verwachte vraag in verband met het vervallen van subsidies vanuit de Innovatieprogramma’s. Deze vraag is vooralsnog achtergebleven. Verder is bij tweede suppletoire begroting het InnovatiefondsMKB+ opgehoogd met € 35 mln. Dit budget wordt beschikbaar gesteld voor het nieuwe Fund-of-funds (in totaal € 100 mln). Fund-of-funds is een initiatief dat speciaal is gericht op snelgroeiende innovatieve bedrijven om deze beter toegang te verschaffen tot risicokapitaal. Via een bijdrage uit het Fund-of-funds en een bijdrage van het EIF kunnen nieuwe investeringsfondsen worden gestart.

Toelichting op de programma-uitgaven

Operationele doelstelling 12.1 Bevorderen van publiek/private kennisontwikkeling voor topsectoren en maatschappelijke vraagstukken

Doelbereiking

Institutioneel Onderzoek

  • De publiek-private onderzoeksprogramma’s bij TNO, Dienst Landbouwkundig Onderzoek en de Grote Technologische Instituten hebben een meerjarig karakter. In 2012 is de vrijkomende ruimte in deze programma’s zoveel mogelijk ingezet voor nieuw onderzoek in overeenstemming met de Innovatiecontracten van de Topsectoren. In 2012 is een begin gemaakt met het harmoniseren van de governance van de genoemde instituten.

    In september 2012 is de toeslagregeling voor Topconsortia van Kennis en Innovatie gepubliceerd. Met de toeslagregeling kunnen de TKI's die in de begroting van Economische Zaken zijn opgenomen een aanvraag indienen voor TKI-toeslag. In 2012 is voor € 83 mln aan TKI-toeslag aangevraagd.

Ruimtevaart

  • Met de oprichting van een satellietdataportaal bij het Netherlands Space Office (NSO) in maart 2012 is een begin gemaakt met het beschikbaar stellen van ruimtevaartdata aan organisaties voor maatschappelijke en economische doeleinden. Met diverse organisaties binnen en buiten de overheid zijn gesprekken gestart over het gebruik van satellietdata voor uiteenlopende toepassingen. Het betreft in het bijzonder organisaties op het gebied van waterbeheer (kwaliteit en kwantiteit) en energie. De benutting van het NSO-portaal kan verder verhoogd kunnen worden als ook de Topsectoren de ruimtevaartdata gaan benutten voor hun ambities.

  • Nederland heeft tijdens de European Space Agency Ministersconferentie op 20 en 21 november 2012 te Napels voor € 127 mln ingeschreven op European Space Agency (ESA)-programma's voor de periode 2013–2015. De Tweede Kamer is hierover schriftelijk geïnformeerd (TK, 24 446, nrs. 51 en 53 d.d. 15 november 2012, respectievelijk 7 december 2012).

Zevende Kaderprogramma (KP7)

Bij Economische Zaken is de aandacht uitgegaan naar het verbinden van KP7 met het nationale innovatiebeleid, in het bijzonder de economische topsectoren, het op peil houden van de deelname van Nederlandse partijen in KP7 en het verbeteren van de bedrijfsdeelname aan KP7. Dit is met succes bereikt door in de Europese onderhandelingen de werkprogramma's te beïnvloeden ten gunste van de behoeftes van potentiële Nederlandse deelnemers en door het verzorgen via het bij Agentschap NL ondergebrachte Expertisecentrum Internationaal Onderzoek en Innovatie (EIOI) van advieswerkzaamheden en informatievoorziening over het kaderprogramma te verzorgen, waarmee zo’n 3.000 deelnemers zijn bereikt. Het retourpercentage is nu 7,0% ofwel € 2,3 mld over 2007–2012 (was medio 2012 nog 6,9% en € 2,1 mld). De competitie om geld is buitengewoon scherp. Van de Nederlandse aanvragen krijgt alleen de beste 23% subsidie (gemiddeld). Bij aanvragers die zich vooraf lieten adviseren door EIOI steeg dat naar 36%). EIOI NL heeft zich in het bijzonder gericht op potentiële Midden- en Kleinbedrijf-deelnemers. Ook dat heeft resultaat opgeleverd, Midden- en Kleinbedrijf deelname in het onderdeel Coöperation is licht gestegen naar 15,5%. Daarnaast betaalt de Europese Commissie mee aan Eurostars, het technologieprogramma van ruim 30 landen voor hightech Midden- en Kleinbedrijf. In 2012 kregen 31 Nederlandse Midden- en Kleinbedrijven hieruit een bijdrage voor hun internationale projecten.

In 2012 is in het bijzonder aandacht uitgegaan naar discussies in de Raad voor Concurrentievermogen in reactie op het commissievoorstel over het toekomstige Europese financieringsprogramma voor onderzoek en innovatie «Horizon 2020: het kaderprogramma voor onderzoeken innovatie» voor de periode van 2014 tot en met 2020. Het kabinetsstandpunt hieromtrent is op 15 april 2011 door de Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap naar de Tweede Kamer gestuurd. Op veel punten heeft Nederland met succes onderhandeld, zo is het aandeel van het budget dat het MKB moet kunnen verwerven in Horizon 2020 verhoogd van 15% naar 20% van het budget van pijlers II (industrieel leiderschap) en III (maatschappelijke uitdagingen).

In 2012 zijn Europese Innovatiepartnerschappen (EIP’s) op grote maatschappelijke uitdagingen zoals gezond ouder worden, water, grondstoffen, landbouw en smart cities opgestart of nader uitgewerkt. Economische Zaken heeft in nauwe samenwerking met onder andere Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Volksgezondheid Welzijn en Sport en Infrastructuur & Milieu via de Raad de Nederlandse inzet in deze EIP’s verzorgd. Bij de uitwerking van de EIP’s wordt in het bijzonder aandacht gegeven aan het leggen van de verbinding met de economische topsectoren.

Toelichting budgettaire verschillen

Het budgettaire verschil op Operationele Doelstelling 12.1 van € 36,0 mln wordt met name veroorzaakt door:

  • Institutioneel onderzoek. Voor het Nederlands Lucht en Ruimtevaartlaboratorium (NLR) is een eerste bijdrage geleverd van € 5,0 mln om de huisvesting weer op een aanvaardbaar peil te brengen. Hiervoor is in de periode 2012–2015 een bedrag nodig van € 30,0 mln. Verder is aan Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO) een aanvullende bijdrage verstrekt onder andere ten behoeve van de transitie van ESI en is prijsbijstelling uitgekeerd, samen € 7,2 mln.

  • Lucht- en Ruimtevaart. Het niet benutte budget (€ 10,5 mln) is bijna volledig toe te schrijven aan Ruimtevaart. De kasonderuitputting is veroorzaakt door diverse mutaties. De belangrijkste zijn de ophoging van het Ruimtevaartbudget met € 12,8 mln. Dat in verband met het opheffen van het Nederlands Instituut voor Vliegtuigontwikkeling en Ruimtevaart (NIVR). Daarnaast is in het jaar 2012 de overschrijding van het ruimtevaartbudget in 2011 gecompenseerd (betreft een bedrag van in totaal € 25,4 mln).

  • Internationaal innoveren. De uitfinanciering van in het verleden aangegane verplichtingen is sneller verlopen dan oorspronkelijk geraamd. Hierdoor is € 3,9 mln meer betaald dan aanvankelijk voorzien.

  • Innovatieprogramma’s / Topsectoren. De Eurekaclusterprojecten zijn pas eind 2012 verplicht, daarnaast is de uitfinanciering van het innovatieprogramma Point One/Phase 2 trager verlopen dan voorzien. In totaal is de daarmee samenhangende kas van € 18,1 mln niet meer in 2012 betaald. Bij de start van diverse voormalig FES-projecten in 2011 is vertraging ontstaan, waardoor middelen in 2012 niet meer uitbetaald zijn. Het betreft hier BE-Basic (€ 7,4 mln), Top Institute for Food and Nutricion (€ 6,8 mln) en COMMIT (€ 2,8 mln). Ook bij het innovatieprogramma Logistiek is vertraging opgetreden. In overleg met Technologische Topinstituut Dinalog, dat het programma Logistiek uitvoert, is tot een aanzienlijk aanpassing van de budgetten besloten. Deze aanpassing vloeit voort uit een veel tragere opstart van de projecten dan aanvankelijk was voorzien. Daarom is in nauw overleg tussen Economische Zaken en Dinalog ook besloten tot een verlenging van de programmaperiode binnen het totaal gereserveerde budget. Hierdoor is € 6,9 mln niet in 2012 tot uitbetaling gekomen.

  • Overig. Dit betreft met name vertraging in de uitfinanciering van reeds aangegane verplichtingen voor Nanolab en Smartmix.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2012

Realisatie 2012

Bron

Topsectoren: % van rijksmiddelen TNO/GTI’s voor topsectoren1

Niet van toepassing

Niet van toepassing

48%

52,6%

EZ

X Noot
1

De indicator heeft betrekking op de rijksmiddelen voor TNO/GTI’s inclusief de middelen voor de wettelijke taken van TNO en DLO. Percentage is gebaseerd op de committeringsbrieven aan de instituten.

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2012

Realisatie 2011

Bron

Klanttevredenheid TNO cofinanciering (schaal van 1–10)

7,2

2010

8,0

7,2

TNO

Klanttevredenheid NLR (schaal van 1–10)

8,7

2009

8,2

8,68

Hussaarts/ De Vos

Voor de klanttevredenheid van TNO en NLR zijn de gegevens over 2011 opgenomen. De cijfers over 2012 komen in juni 2013 beschikbaar.

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2012

Realisatie 2012

Bron

Ruimtevaart geo-return (juste retour)

1,15

2009

1,07

1,07

ESA

Dit betreft het cumulatieve cijfer vanaf 1 januari 2000 tot en met 30 juni 2012.

Operationele doelstelling 12.2 Meer bedrijven die meer (technologische) kennis ontwikkelen, delen en benutten

Doelbereiking

Fiscaal instrumenten RDA/WBSO

  • 2012 heeft in het teken gestaan van de inwerkingtreding van het nieuwe generieke instrument Innovatiefonds Midden- en Kleinbedrijf (MKB)+ en het nieuwe fiscale innovatie-instrument Research & Development Aftrek (RDA). De RDA is een extra fiscale aftrek gericht op materiële uitgaven aan R&D (kosten en uitgaven) die wordt verrekend middels de inkomsten- of de vennootschapsbelasting. De RDA is een aanvulling op de op loonkosten gerichte WBSO. In 2012 heeft Agentschap NL aan 13.860 ondernemingen en zelfstandigen een RDA-beschikking afgegeven. Voorts is in 2012 de evaluatie van het fiscale innovatie-instrument Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO) afgerond. Uit de evaluatie volgt onder meer dat het aantal bedrijven dat gebruikmaakt van de WBSO de afgelopen jaren sterk is toegenomen. Met de RDA, WBSO en de Innovatiebox beschikt Nederland met ingang van 2012 over een sterk fiscaal innovatiepakket dat een aanjagend effect heeft op binnen- en buitenlandse R&D-investeringen in Nederland. Deze generieke instrumenten staan open voor alle innoverende bedrijven in Nederland, van zelfstandigen tot midden- en kleinbedrijf (MKB) tot multinational, van starter tot familiebedrijf. Het maakt bij deze instrumenten niet uit hoe groot de onderneming is of uit welke bedrijfssector de onderneming komt. Het MKB maakt absoluut en relatief goed gebruik van bijvoorbeeld de WBSO: 97% van de circa 20.000 gebruikers komt uit het MKB, goed voor ruim 70% van het budget. Ter illustratie: uit Centraal Bureau voor de Statistiek-gegevens volgt dat het aandeel van het MKB in de totale private R&D-uitgaven in Nederland circa 36% is (2010). Met andere woorden, het aandeel MKB in de WBSO is twee keer hoger dan het MKB-aandeel in de private R&D-uitgaven.

  • De Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk is in 2011/2012 geëvalueerd en doet wat hij beoogt: de private investeringen in R&D bevorderen. Uit de evaluatie is gebleken dat het verlengen van de eerste schijf bedrijven tot meer speur- en ontwikkelingswerk heeft aangezet. Op basis van de evaluatie is er daarom voor gekozen om voor 2013 de eerste schijf te verlengen naar € 200.000 (was € 110.000). Deze maatregel is met name van belang om het MKB meer mogelijkheden te bieden om door te groeien, omdat vooral de kleinere tot middelgrote bedrijven van een schijfverlenging profiteren. Verder is met het oog op het vestigingsklimaat, het plafond evenals in voorgaande jaren vastgesteld op € 14 mln. Het tarief in de eerste schijf is verlaagd naar 38% (van 42%) en het starterstarief naar 50% (was 60%). Dat sluit aan op de uitkomst van de evaluatie dat de effectiviteit van hogere percentages beperkter is.

Indicator

2010

2011

2012

Streefwaarde 2012

Bron

Aantal S&O-arbeidsjaren

73.660

75.330

79.560

73.700

AgNL

Aantal ondernemers met een S&O-verklaring

19.450

20.530

22.220

19.450

AgNL

Aantal ondernemers met een S&O-verklaring die gebruik maken van de startersfaciliteit

4.180

4.040

3.940

4.180

AgNL

Waar gesproken wordt over ondernemers betreft het aantal ondernemingen, kennisinstellingen en zelfstandige ondernemers.

Het aantal aanvragers dat gebruik maakt van de startersfaciliteit is licht gedaald van 4.040 in 2011 naar 3.940 in 2012. Dat is onder de streefwaarde. Aangezien er zich geen significante wijzigingen hebben voorgedaan in de regeling, kan dit uitsluitend worden toegeschreven aan de slechte economische situatie.

Innovatiefonds MKB+

Het Innovatiekrediet is vanaf 2012 operationeel als pijler van het Innovatiefonds MKB+ en is opengesteld voor ondernemingen groter dan het MKB. Met de lancering van het Fund-of-funds als een andere pijler van het InnovatiefondsMKB+ wordt de later-stage risicokapitaalmarkt voor snel groeiende innovatieve ondernemingen verbeterd.

Innovatie Prestatie Contracten

De in de begroting genoemde acties voor de Innovatie Prestatie Contracten zijn uitgevoerd. Daarnaast is MKB samenwerking meer op topsectoren gericht (zoals aangekondigd in de Bedrijfslevenbrief van april 2012) door de Innovatie Prestatie Contracten (IPC) 2012 te laten aansluiten bij topsectoren via een extra tendercriterium en daarnaast een nieuwe MKB regeling voor innovatie van de topsectoren te ontwikkelen vanuit beschikbaar budget voor IPC's.

SBIR

Het topsectorenbeleid heeft niet de verwachte impuls gebracht. Verschillende topsectoren (HTS, Chemie, Creatieve industrie) hebben weliswaar in hun voorstellen opgenomen om fors met SBIR in te zetten op innovatief ondernemerschap, maar door de beperkte financiële ruimte is dat niet mogelijk gebleken. In 2012 zijn twee SBIR projecten gestart. Hier bleek SBIR de beste aanpak die paste bij de betreffende beleidsuitdaging en waren ook de bijbehorende middelen aanwezig. Het totale budget dat hierbij hoort is € 4,5 mln, waarbij EZ het opdrachtgevende ministerie is. Het gaat om een SBIR rond «Vergroten van cybersecurity om grote schade en maatschappelijke ontwrichting te voorkomen» en een SBIR met als thema «Variabele aardgassamenstelling vraagt nieuwe producten en diensten». Ook is in 2012 opdracht gegeven voor twee 2e fasen van eerder gestarte SBIR’s, één door het Ministerie van Defensie (« Veiliger maken van landoptreden voor Defensie personeel», € 1,9 mln) en één door het Ministerie van EZ («Ontwikkeling van integraal duurzame stal- en houderijsystemen», € 1,9 mln).

De kennis en ervaring die in Nederland met SBIR zijn opgedaan, betalen zich uit in Europese context. Afgelopen jaar zijn er twee PCP (Pre-Commercial Procurement) projecten met Nederlandse deelname gestart die gedeeltelijk met EU-middelen worden gefinancierd. Dit betreft een PCP project met deelname door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport («SILVER», allereerste EU PCP-project) en een project met deelname door Rijkswaterstaat. AgNL verzorgt bij beide PCP projecten de ondersteuning.

In 2012 is met de TO2 instituten gesproken over de mogelijkheden van verbreding van de TNO-SBIR naar hun instituut. Aanvankelijk was er wel enige belangstelling, met name van ECN en Deltares. Deltares heeft ook ideeën geleverd voor het TNO-SBIR-event 2012, maar er bleken geen middelen te kunnen worden vrijgemaakt om ermee door te gaan. ECN heeft, ook om financiële redenen, al eerder besloten om niet mee te doen.

Toelichting budgettaire verschillen

Het budgettaire verschil op Operationele Doelstelling 12.2 van € 41,7 mln wordt met name veroorzaakt door:

  • De benutting van het Innovatiekrediet is in 2012 toegenomen ten opzichte van het jaar 2011. Er is in 2012 een bedrag van € 53 mln verplicht. Echter de raming was voor 2012 € 95 mln vanwege de verwachte vraag door het vervallen van de subsidies vanuit de Innovatieprogramma’s. Deze vraag is vooralsnog beperkt gebleven. Als gevolg van deze lagere verplichtingenrealisatie in het kader van het Innovatiekrediet zijn er ook minder kasmiddelen besteed. Daarnaast zijn er in het kader van de Seedcapital regeling in 2011 minder verplichtingen aangegaan dan oorspronkelijk geraamd, waardoor het beroep op deze geraamde kasmiddelen in 2012 ook lager is. In totaal is € 44,3 mln onbesteed gebleven. Aangezien sprake is van een fondsconstructie zullen deze middelen beschikbaar blijven voor het Innovatiefonds MKB+.

  • Verder is er onderbesteding ter grootte van € 1,9 mln opgetreden bij de Eurostars, terwijl bij de Innovatievouchers respectievelijk de Innovatie Prestatie Contracten sprake was van € 1,7 mln, respectievelijk € 2,8 mln hogere dan geraamde kasuitgaven.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

2011

Streef-Waarde 2012

Realisatie 2012

Bron

Aantal bedrijven dat gebruik maakt van regelingen

25.5001

2010

20.500

20.000

22.500

AgNL

X Noot
1

Deze waarde is inclusief het aantal bedrijven dat gebruik maakte van crisismaatregelen en niet gecontinueerde subsidieregelingen zoals innovatievouchers en de innovatieprogramma’s. In de begroting was voor 2010 een aantal van 26.350 opgenomen. Thans blijkt dat dit cijfer verlaagd dient te worden naar 25.500. In 2011 is dus sprake van een daling van 5.000 deelnemers ten opzicht van 2010.

De daling over 2011 wordt volledig verklaard door het wegvallen van de voucherregeling, de crisismaatregelen en de subsidieregelingen binnen de innovatieprogramma’s. De groei over 2012 kan volledig worden toegeschreven aan de groei van het aantal bedrijven dat gebruik maakt van de WBSO.

 

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Realisatie 2012

Bron

Omvang van de private R&D-uitgaven ondersteund met een innovatiekrediet

€ 111 mln

2009

€ 285 mln

€ 159 mln

AgNL

Omvang gestimuleerd risicokapitaal voor innovatieve bedrijven

€ 39 mln

2009

€ 74 mln

€ 32 mln

AgNL

De omvang van de private R&D-uitgaven ondersteund met een innovatiekrediet bleven achter bij de raming. Op basis van een geraamde omvang van de door de overheid te verstrekken Innovatiekredieten (€ 95 mln) werd de omvang van de private R&D ondersteund met een innovatiekrediet geraamd op € 285 mln. Door het achterblijven van de vraag naar Innovatiekrediet in 2012 (realisatie € 52,9 mln) blijven ook de private R&D-uitgaven ondersteund met een innovatiekrediet fors achter bij de raming (€ 159 mln).

De omvang van het gerealiseerde gestimuleerd risicokapitaal voor innovatieve bedrijven betreft alleen de SEED-regeling. De lancering van het Fund of Funds vond later plaats dan verwacht waardoor de realisatie in 2012 (€ 32 mln) lager is dan de streefwaarde (€ 74 mln) waarin ook de geraamde realisatie van Fund-of-Funds was meegenomen.

 

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Realisatie 2012

Bron

Klanttevredenheid Syntens (schaal van1–10)

8,0

2010

8,0

8,0

Syntens/ROMA Marktonderzoek

Indicator

Referentiewaarde 20111

Raming 2012

Realisatie 2012

Bron

Aantal door de aanbestedende

dienst uitgevoerde innovatie

gerichte aanbestedingen

44

50

n.n.b.2

EZ

X Noot
1

De referentiewaarde over 2011 is in 2011 gemeten met cijfers uit 2010.

X Noot
2

De realisatie 2012 is nog niet bekend. Dit cijfer zal in de loop van 2013 beschikbaar komen.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Realisatie 2012

Bron

Klanttevredenheid TWA-Netwerk (schaal van 1–10)

8,5

2010

7,5

8,9

TWA / AgNL

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Realisatie 2012

Bron

Klanttevredenheid NL-OC (schaal van 1–10)

7,7

2010

7,5

7,9

NL-OC / AgNL

Toelichting op de ontvangsten

De hogere ontvangstenrealisatie van € 25,3 mln wordt veroorzaakt op de volgende onderdelen:

  • Diverse ontvangsten. Deze post betreft met name terugontvangen bedragen vanuit de Innovatie Prestatie Contracten en de ontvangst van het saldo van het Nederlands Instituut voor Vliegtuigontwikkeling en Ruimtevaart dat EZ als gevolg van de liquidatie toekomt.

  • Technische Ontwikkelingsprojecten. Deze ontvangsten zijn afhankelijk van het commerciële succes van in het verleden gegeven bijdragen aan Technische Ontwikkelings Projecten en daardoor moeilijk in te schatten.

  • Ontvangsten innovatiekredieten. De terugontvangsten op verstrekte kredieten zijn sneller ontvangen dan geraamd.

  • De hogere octrooiontvangsten worden deels veroorzaakt door ontvangsten die nog betrekking hadden op 2011 en deels doordat sprake is van een structureel hoger niveau van de ontvangsten. Dit laatste is er de reden van geweest waarom de geraamde ontvangsten bij Miljoenennota structureel zijn verhoogd met € 2 mln.

Toelichting op de bijdragen aan baten-lastendiensten

De hogere bijdrage van € 9 mln wordt met name veroorzaakt door extra opdrachten die gedurende het jaar aan Agentschap NL zijn verstrekt. De belangrijkste opdracht hierbij was voor de uitvoering van de Research and Development Aftrek, die per 1 mei 2012 in werking is getreden.

13 Een excellent ondernemingsklimaat

Algemene doelstelling

Randvoorwaarden scheppen voor een excellent ondernemingsklimaat.

Om deze doelstelling te bereiken heeft het Ministerie van Economische Zaken financiële instrumenten ingezet, zoals borgstellingen en garanties. De financiële instrumenten verbeteren de toegang tot financiering voor het Nederlandse bedrijfsleven, wat nodig is om te kunnen investeren en groeien. Juist ondernemingen die investeren en groeien, hebben een positief effect op economische groei en werkgelegenheid. Onder deze doelstelling valt ook het stimuleren van de juiste voorwaarden voor het goede benutting van ICT. Innovatie met ICT wordt gerealiseerd door de acties uit de Digitale Implementatie Agenda.nl (TK, 26 643 nr. 217). Innovatie in ICT krijgt een stimulans door het uitvoeren van de Roadmap ICT (TK, 32 637 nr. 22). De resultaten op het terrein van Regeldrukvermindering zijn genoemd in de Voortgangsrapportage Regeldruk die in mei 2012 naar de Tweede Kamer is gestuurd (TK, 29 515 nr. 338). Hieruit blijkt onder meer de verwachting dat de administratieve lasten eind 2012 met ruim 11% zijn verminderd ten opzicht van 2010.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Economische Zaken is vanuit een faciliterende rol verantwoordelijk voor het scheppen van randvoorwaarden voor een excellent ondernemingsklimaat door:

  • Het ondersteunen van de toegang tot (risico)kapitaal voor bedrijven;

  • De coördinatie en facilitering van het kabinetsprogramma «vermindering regeldruk voor bedrijven»;

  • Het stimuleren van een ambitieuze en duurzame ondernemerschapscultuur;

  • Het stimuleren van een veilige bedrijfsomgeving;

  • Het waarborgen van een internationaal level playing field;

  • Het stimuleren van de juiste voorwaarden voor de benutting van ICT voor en door bedrijven.

Uitgangspunt is ondernemers en de markt zelf zo veel mogelijk hun werk te laten doen door te zorgen dat de randvoorwaarden op orde zijn. Daarom worden in dialoog met bedrijven knelpunten en kansen in kaart gebracht en worden deze samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties waar mogelijk ter hand genomen. De Minister van Economische Zaken is daarbij de gesprekspartner van het bedrijfsleven en het aanspreekpunt voor sectoren, branches en individuele bedrijven. Oplossen van knelpunten door de overheid is economisch gelegitimeerd indien er bijvoorbeeld sprake is van externe effecten, informatie asymmetrie of verstorend gedrag van (internationale) overheden. Hiervoor zet de minister onder andere financiële instrumenten in zoals garanties en subsidies aan bedrijven en instellingen.

Ondernemingsklimaat van Nederland; kengetallen

Global Competitiveness Index

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Ambitie

Positie van Nederland

9e

8e

7e

5e

Top 5

Bron: World Economic Forum

         

Ondernemersquote

2009

2010

2011

2012

 

Nederland

12,1%

12,1%

12,4%

12,4%

 

EU15-gemiddelde

11,8%

       

Bron: EIM

         

Investeringsquote van bedrijven

2009

2010

2011

2012

 

Nederland

14,1%

13,5%

13,9%

13,5%

 

Bron: CPB

         

Positie in de ranglijst voor digitale economieën

2009

2010

2011

2012

 

Nederland

3

5

n.n.b.

n.n.b

Top 5

Bron: Economist Intelligence Unit

         

Bron: Global Information Technology Report (World Economic Forum)1

   

11

6

Top 5

Aandeel snelle groeiers

2004/2007

2005/2008

2006/2009(2 )

2007/2010(3)

 

Nederland

11,0%

13%

8%

7%

 

Bron: EIM

         
X Noot
1

Wat betreft het kengetal digitale economieën in de Rijksbegroting: hier maakte we tot en met 2010 gebruik van de jaarlijkse ranking van de Economist/ E readiness monitor. Sinds 2010 is er echter geen update meer verschenen. Vanwege de behoefte aan een jaarlijks cijfer is gekozen voor het Global Information Technology Report van het World Economic Forum die wel jaarlijks rapporteert.

X Noot
2

Definitie snelle groeiers: 50–1.000 werkzame personen en minimaal 60% werkgelegenheidsgroei in 3 jaar tijd

X Noot
3

Definitie snelle groeiers: Vanaf 10 werkzame personen en minimaal 72,8% werkgelegenheidsgroei in 3 jaar tijd.

Beleidsconclusies

Borgstelling MKB-kredieten (BMKB)

Na de recordbenutting van € 909 mln in 2011 is de benutting van de BMKB in 2012 teruggelopen tot € 486 mln. In termen van aantal verstrekte borgstellingskredieten is de daling echter minder groot: er zijn in 2012 2.640 nieuwe borgstellingskredieten verstrekt, tegen 4.325 vorig jaar.

De lagere benutting van de Borgstellingsregeling Midden en Kleinbedrijf (BMKB) is te wijten aan een lagere activiteit in de MKB financieringsmarkt, waarbij de effecten voor het kleinbedrijf het grootst zijn, zoals ook blijkt uit de meest recente EIM financieringsmonitor14. De BMKB kent juist veel gebruikers uit het kleinbedrijf. Daarnaast zijn per begin 2012 enkele versoberingen doorgevoerd in de regeling, met name door het terugdraaien van verruimingen in het kader van de kredietcrisismaatregelen. Dit heeft naar verwachting een dempend effect gehad op het gebruik van de regeling. Met steun van het Europees Investerings Fonds (EIF) kon in 2012 het budget worden verhoogd naar € 1 mld indien de vraag naar het instrument groter zou zijn dan de verplichtingenruimte. Hiervan is vanwege de lagere benutting geen gebruik gemaakt.

Mede naar aanleiding van een amendement van het toenmalig Kamerlid Koppejan15, is de BMKB in oktober 2012 opengesteld voor andere financiers dan banken. In eerste instantie is € 25 mln uit het budget van de BMKB gereserveerd voor deze financiers, middels een apart subsidieplafond. Deze maatregel geldt in beginsel tot ultimo 2013. De verwachting is dat rond het 1e kwartaal 2013 de eerste niet-bancaire financiers, mits zij voldoen aan de toetredingseisen, tot de regeling zullen toetreden.

Groeifinancieringsfaciliteit

Met de Groeifinancieringsfaciliteit worden bedrijven geholpen bij het aantrekken van risicodragend vermogen door garanties te verstrekken op achtergestelde leningen van banken en op aandelen van participatiemaatschappijen. De Groeifinancieringsfaciliteit is in 2007, kort voor het begin van de kredietcrisis, operationeel geworden en kan ondernemingen in een groeifase, bij bedrijfsovernames en bij herstructureringen helpen bij het aantrekken van risicokapitaal. Uit de vorig jaar uitgevoerde evaluatie blijkt dat de toegevoegde waarde van de regeling met name ligt bij de sterk groeiende kleinere ondernemingen. Gedurende de looptijd van de regeling is groei van een onderneming de meest voorkomende reden geweest voor het inzetten van de Groeifinancieringsfaciliteit. Vanaf 2009 zijn ook herstructureringen een belangrijke plaats in gaan nemen. Aannemelijk is dat dit samenhangt met de crisis. De belangrijkste bevinding uit de evaluatie is dat de Groeifinancieringsfaciliteit een duidelijke functie vervult voor het MKB. Het MKB dat van de regeling gebruik heeft gemaakt zou in veel gevallen niet zonder de regeling gefinancierd zijn.

De Groeifinancieringsfaciliteit is van toenemend belang voor bedrijven die op zoek zijn naar risicokapitaal, alsook voor participatiemaatschappijen die op zoek zijn naar middelen voor nieuwe fondsen. In 2012 zijn er dan ook vijf nieuwe partijen toegetreden. De benutting is licht gestegen ten opzichte van 2011.

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

De benutting van de Garantie Ondernemingsfinanciering (GO) is in 2012 gedaald (€ 179 mln gefiatteerd) ten opzichte van de benutting in 2011 (€ 240 mln gefiatteerd). Gezien de bijdrage die deze regeling levert aan het verbeteren van bedrijfsfinanciering van ondernemingen, heeft het nieuwe kabinet besloten de GO permanent te maken en hiervoor jaarlijks € 400 mln verplichtingenbudget beschikbaar te stellen.

Borgstelling Scheepsnieuwbouw

De borgstelling Scheepsnieuwbouw is in 2012 niet opengesteld. Dit zal rond het 1e kwartaal 2013 plaatsvinden, zodat het level playing field voor de Nederlandse scheepsbouw wordt bevorderd.

Valorisatie

In 2012 is voor het Valorisatieprogramma € 15 mln gepubliceerd, per project wordt maximaal € 5 mln subsidie verleend. Het betreft een tijdelijke regeling (2010 tot en met 2012) die het mogelijk maakt om een valorisatie-infrastructuur op te zetten waarvan de exploitatie kostendekkend is. 2012 is formeel het laatste jaar van aanvragen. In 2012 zijn drie valorisatieplannen gehonoreerd van consortia uit Amsterdam, Maastricht en Noordoost-Brabant met in totaal € 15 mln. Het totaalbudget is uitgeput en daarmee is de subsidieregeling voor wat betreft de aanvraagperiode formeel gesloten.

Veiligheid

Voor de regeling Veiligheid Kleine Bedrijven uit 2011 zijn in 2012 de subsidies voor veiligheidsmaatregelen toegekend die voortkwamen uit de beveiligingsscans in 2011. In 2012 heeft het Ministerie van Veiligheid en Justitie € 9 mln beschikbaar gesteld voor de objectieve veiligheidsscans en daarmee samenhangende beveiligingsmaatregelen. Economische Zaken heeft voor de uitvoering van de regeling gezorgd. De evaluatie van de regeling is op 10 mei 2012 aan de Tweede Kamer aangeboden door de Minister van Veiligheid en Justitie, mede namens Economische Zaken.

Het handboek Winkelstraatmanagement, waarin kennis en ervaringen van gemeenten en ondernemers zijn gebundeld, is op 6 juni jongstleden aan de Tweede Kamer aangeboden en verspreid onder intermediairs zoals brancheorganisaties en Kamers van Koophandel.

De evaluatie van de experimentenwet Bedrijveninvesteringszones is op 28 december jongstleden aan de Tweede kamer aangeboden. In totaal zijn met deze wet tussen 2009 en 2012 zo’n 112 bedrijveninvesteringszones (BIZ) opgericht. Een BIZ maakt het mogelijk dat ondernemers gezamenlijk kunnen investeren in een veilige en aantrekkelijke bedrijfsomgeving, waarbij alle ondernemers meebetalen.

EZ is trekker van het Convenant Aanpak Criminaliteit Transportsector. Het aantal ladingdiefstallen in Nederland is het eerste halfjaar van 2012 met 59% gedaald. Het zogenaamde «zeilsnijden» is zelfs met 75% afgenomen. Het totale beeld van de diefstallen in het wegtransport – inclusief de voertuigen en containers – laat een daling zien van bijna 40%. De publiek-private samenwerking tussen 11 partijen is een succes.

Biobased Economy (BBE)

In het kader van de Biobased Economy is in april 2012 de cross sectorale agenda gepubliceerd (Innovatiecontract BBE) in het kader van het Topsectorenbeleid. Het cross sectorale Topconsortium voor Kennis en Innovatie BBE is opgericht en heeft een Raad van Toezicht met vertegenwoordiging vanuit alle relevante topsectoren. De Biobased Economy kent belemmerende wet- en regelgeving en vaak ook botsende belangen. In 2012 is het Programma Botsende Belangen opgestart. Na een eerste analyse van knelpunten konden 45 belemmeringen die BBE ondernemers beperken, worden opgepakt en zijn er reeds 21 opgelost. Tevens zijn voor drie van de vijf fundamentele vraagstukken verkenningen uitgevoerd: importheffingen ethanol, plantveredeling en certificering.

De Biobased Economy is ook door het nieuwe Kabinet benoemd in het Regeerakkoord en maakt deel uit van het Groene Groei traject dat door het kabinet wordt opgepakt.

Small Business Innovation Research (SBIR)

Nederland heeft door de crisis minder financiële ruimte om SBIR’s te doen. Ondanks dat worden nog steeds jaarlijks 3–5 nieuwe SBIR’s gestart. Daarmee loopt het totale aantal SBIR’s dat is gestart sinds 2004 inmiddels in 2013 op naar 35 met een totale omvang van € 71 mln.

Een beperkte enquête onder SBIR bedrijven die inmiddels hun project hebben afgerond heeft recent laten zien dat 95% van die bedrijven omzetgroei heeft met de resultaten van hun uitgevoerde SBIR. 35% heeft aangegeven dat dit een grote omzetgroei is en 45% dat het een redelijke omzetgroei is. Ook verwacht 35% dat door de SBIR resultaten meer personeel zal worden aangetrokken en heeft inmiddels 60% inmiddels daadwerkelijk personeel aangetrokken.

ICT

Door slimmer te werken met ICT krijgen bedrijven kansen om efficiënter te werken én te groeien. Het Ondernemingsdossier wordt opgeschaald naar meerdere branches, zoals de Horeca, Recreatie en de Rubber en Kunststofindustrie. De dienstverlening van de overheid wordt verbeterd doordat ondernemers vanaf november 2012 via een eerste versie van het Digitale Ondernemersplein op één plek terecht kunnen voor hun overheidszaken. In 2012 is het traject om te komen tot een Wet op het Elektronisch Zaken doen verder doorgezet. Hierdoor wordt de overheidsdienstverlening ook via de elektronische weg toegankelijk voor ondernemers. Eind 2012 is bovendien het programma «Slim geregeld goed verbonden» afgesloten. In totaal zijn er 17 casussen succesvol afgerond in de looptijd van het programma (2009–2012). Bij landelijke opschaling van deze casussen is de regeldruk in de betrokken informatie uitwisselingsprocessen tussen ondernemers en overheid afgenomen met minimaal 15%, structureel circa € 40 mln, en een verbeterde dienstverlening door de betrokken overheden.

Met de ICT roadmap is in januari 2012 een aantal acties in pps (publiek private samenwerking) aangekondigd die de komende jaren vanuit de topsectoren worden opgepakt. Er zijn zes gezamenlijke thema’s gedefinieerd waar het ICT onderzoek zich op gaat richten. Dit betreft onder meer «ICT om op te vertrouwen», dat zich richt op veilige en vitale ICT, privacy en e-Identiteit, «ICT-systemen voor monitoring en control» gericht op zogenaamde embedded systems en sensor netwerken, «ICT voor een verbonden wereld» door standaardisatie en interoperabiliteit, open data en diensten en «Data, Data, Data», waarin de exploratie van gegevens in de cloud centraal staat. Door openbare overheidsgegevens als open data te ontsluiten voor hergebruik creëert de overheid marktkansen. In 2012 zijn inventarisaties gedaan welke datasets geschikt zijn om te ontsluiten als open data. De komende jaren (2013 – 2017) levert hergebruik van open overheidsdata € 200 mln per jaar op voor ondernemers.

In 2012 is het rapport «Fundament op orde»16 uitgebracht, dat in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken is opgesteld. In dit rapport worden de kansen en bedreigingen van cloud computing op een rij gezet. De risico’s die aan cloud computing gerelateerd zijn, zijn per definitie grensoverschrijdend en vergen idealiter een Europese dan wel internationale aanpak. In de «EU cloud strategie17», die op 27 september 2012 is gepubliceerd, wordt verder ingezet op bijvoorbeeld de economische kansen van cloud computing en activiteiten om door dataprotectie en standaardisering in internationaal verband privacy-aspecten beter te borgen.

Vermindering van Regeldruk

Met minder regels en meer gemak met regels heeft het kabinet de ruimte voor ondernemers in 2012 vergroot. Eind 2012 liggen de administratieve lasten voor bedrijven conform de Voortgangsrapportage Regeldruk (Kamerstuk 29 515 nr. 338) naar verwachting ruim 11% lager in vergelijking met 2010 (doelstelling is 10%). Dit komt neer op een besparing van naar verwachting bijna € 850 mln. Daarnaast zijn in 2012 de inhoudelijke nalevingkosten met ruim € 100 mln verminderd. Om de toezichtlasten voor bedrijven te verminderen is begin 2012 de inspectievakantie ingevoerd bij de samenwerkende Rijksinspecties. Dit betekent dat er door onderlinge samenwerking en informatie-uitwisseling tussen Rijksinspecties en tussen inspecties en bedrijven maximaal twee inspectiebezoeken per jaar plaatsvinden bij bedrijven die de regels goed naleven en waar risico’s aanvaardbaar zijn.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 mln

2009

2010

2011

2012

Vastgestelde begroting 2012

Verschil 2012

Verplichtingen

1.026,1

1.683,4

1.370,4

977,4

1.976,0

– 998,6

Waarvan garantieverplichtingen

862,4

1.459,5

1.192,9

679,3

1.876,3

– 1.197,0

Uitgaven

265,3

260,9

271,5

312,2

243,6

68,6

             

Subsidies(-regelingen)

           

– BMKB (garantie)

55,6

65,5

73,6

126,3

33,5

92,8

– Groeifinancieringsfacilitieit (garantie)

1,8

0,5

2,4

2,3

20,0

– 17,7

– Garantie Ondernemingsfinanciering (garantie)

46,4

8,2

11,9

16,4

51,0

– 34,6

– Borgstelling Scheepsnieuwbouw (garantie)

0,0

0,0

0,0

0,0

10,0

– 10,0

– Valorisatie

0,0

0,0

11,0

11,8

18,6

– 6,8

– Bevorderen ondernemerschap

6,6

10,8

6,6

7,7

3,9

3,8

– Onderwijs en ondernemerschap

12,8

21,2

16,8

13,5

15,3

– 1,9

– Microfinanciering

9,8

5,1

0,9

0,8

2,2

– 1,5

– Programma Biobased Economy

0,1

2,8

5,6

12,5

9,8

2,7

– Actieplan veilig ondernemen

2,9

17,4

8,2

8,5

3,0

5,5

– Innovatieregeling scheepsbouw

5,1

5,8

10,1

5,5

5,6

– 0,1

– BSRI

18,1

14,0

9,4

9,7

13,7

– 4,1

– Overig

1,0

0,2

0,0

1,4

0,5

0,9

             

Opdrachten

           

– Onderzoek & ontwikkeling

7,6

5,7

8,9

3,9

1,6

2,4

– ICT & MKB

3,3

1,5

0,4

0,1

0,5

– 0,4

– PRIMA

24,7

71,4

21,0

11,5

16,6

– 5,1

– ICT flankerend beleid

21,3

23,7

14,1

17,4

7,7

9,7

– Beleidsvoorbereiding en evaluaties

11,2

13,5

17,9

5,5

2,8

2,7

– Opdrachten Logius

0,0

11,1

10,7

7,5

2,2

5,3

– Regiegroep Regeldruk/ACTAL

0,8

0,6

4,9

1,2

2,5

– 1,3

             

Bijdragen aan baten-lastendiensten

           

Bijdrage aan Agentschap NL

9,9

12,9

12,3

8,4

2,2

6,2

             

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

           

– Bijdrage NBTC

18,3

17,3

18,4

15,2

15,0

0,2

– Bijdrage UNWTO

0,2

0,2

0,0

0,3

0,2

0,1

– Bijdragen aan instituten

7,8

6,4

6,2

6,7

5,2

1,5

             

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

           

– Kamers van Koophandel

0,0

0,0

0,0

18,5

0,0

18,5

             

Ontvangsten

57,0

109,0

77,8

41,8

105,8

– 64,0

– Borgstelling Scheepsnieuwbouw

0,0

0,0

0,0

0,0

10,0

– 10,0

– BMKB

20,1

26,5

32,7

23,7

25,2

– 1,5

– Groeifinancieringsfacilitieit

0,0

1,4

1,9

2,2

16,0

– 13,8

– Garantie Ondernemingsfinanciering

0,0

8,2

13,2

13,4

51,0

– 37,6

– Joint Strike Fighter

0,0

0,5

0,6

0,9

2,3

– 1,4

– Diverse ontvangsten

36,9

72,4

29,4

1,7

1,3

0,3

Toelichting financiële instrumenten

Toelichting op de verplichtingen

De lagere aangegane verplichtingen van circa € 1 mld worden voornamelijk veroorzaakt door lagere realisatie van garantieverplichtingen (– € 1.176 mln) dan geraamd.

  • Voor de Groeifinancieringsfaciliteit zijn voor € 155 mln minder garantieverplichtingen aangegaan.

  • Voor de Borgstellingsregeling Midden en Kleinbedrijf (BMKB) zijn € 220 mln minder garantieverplichtingen aangegaan dan geraamd en is voor € 30 mln een storting gedaan in de begrotingsreserve voor eventuele toekomstige tegenvallende schadebetalingen

  • Voor de Garantie Ondernemersfinanciering (GO) was in de ontwerpbegroting geen verplichtingenbudget geraamd. Ten laste van de niet benutte verplichtingenruimte in 2011, die bij de 1e suppletoire begroting aan het verplichtingenbudget voor 2012 van de GO werd toegevoegd, is voor circa € 170 mln aan garantieverplichtingen aangegaan.

  • De aangepaste Garantiefaciliteit Scheepsbouw was in 2012 nog niet opengesteld waardoor voor  € 1 mld geen garantieverplichtingen zijn aangegaan. Naar verwachting zal de publicatie van de regeling in 2013 plaatsvinden.

  • Naast lagere garantieverplichtingen is ten behoeve van de Kamers van Koophandel/Ondernemerspleinen de bijdrage voor 2013 toegezegd met een omvang van € 148 mln en voor het nieuwe Handelsregister is € 6,2 mln beschikbaar gesteld.

  • Voor het instrument Bevorderen Ondernemerschap zijn voor € 8,5 mln meer verplichtingen aangegaan dan geraamd. Oorzaak hiervan is onder andere de overboeking van € 5,5 mln door het Ministerie van OCW ten behoeve van het Centrum Innovatief Vakmanschap.

Toelichting op de uitgaven

Toelichting op de subsidies

  • Als gevolg van het economisch klimaat zijn er in 2012 meer schadedeclaraties ingediend voor de Borgstelling Midden- en Klein Bedrijf dan aanvankelijk verwacht. Hierdoor is er in 2012 circa € 62,8 mln meer uitgegeven aan schadedeclaraties dan oorspronkelijk geraamd. De verwachting is dat ook de komende jaren tekorten zullen optreden. Daarom is in 2012 daarnaast € 30,0 mln gestort in de ingestelde begrotingsreserve als buffer voor toekomstige tegenvallende schadebetalingen.

  • Het beroep op de Garantie Ondernemingsfinanciering bleef achter bij de raming. Hierdoor is € 34,6 mln minder uitgegeven dan geraamd. In relatie tot deze lagere uitgavenrealisatie staan ook lagere ontvangsten op deze garantie van in totaal € 37,6 mln.

  • Als gevolg van een lagere benutting van de Groeifinancieringsfaciliteit, die zich richt op het buffervermogen van bedrijven, is € 17,7 mln minder uitgegeven. Tegenover deze lagere uitgavenrealisatie staat ook een lagere ontvangst van € 13,8 mln.

  • De hogere uitgaven voor het Actieplan Veilig Ondernemen worden met name verklaard door de bijdrage van het Ministerie van Veiligheid en Justitie van € 4,3 mln.

  • Voor Valorisatie is € 6,8 mln minder uitgegeven dan oorspronkelijk geraamd. De oorzaak hiervan is gelegen in een lagere kasuitfinanciering op reeds aangegane projecten dan oorspronkelijk geraamd. Daarnaast is het subsidieplafond van de regeling per 1 oktober 2012 verlaagd met € 10,0 mln, wat eveneens doorwerkt in een lager benodigd kasbudget.

  • De hogere uitgaven voor het instrument Bevorderen Ondernemerschap van € 3,7 mln worden veroorzaakt door een hogere kasuitfinanciering op reeds aangegane projecten, daarnaast is van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen in 2012 een kasbudget van € 1,1 mln ontvangen voor het Centrum Innovatief Vakmanschap.

  • Voor de Garantiefaciliteit Scheepsbouw is € 10,0 mln minder uitgegeven dan oorspronkelijk geraamd. Tegenover deze lagere uitgaven staan ook lagere ontvangsten van € 10,0 mln. Deze regeling was in 2012 nog niet opengesteld. Het gesprek met de Europese Commissie en de banken over deze regeling is inmiddels afgerond, publicatie van de regeling zal naar verwachting in 2013 plaatsvinden.

  • Voor het Besluit Subsidies Regionale Inversteringsprojecten (BSRI) is € 4,1 mln minder uitgegeven dan geraamd, als gevolg van een vertraging in de kasuitfinanciering van reeds aangegane projecten.

Toelichting op de opdrachten

  • Voor ICT-beleid is € 9,7 mln meer uitgegeven dan geraamd. Deze hogere uitgaven worden verklaard door het uitfinancieren van verplichtingen uit voorgaande jaren.

  • De lagere uitgaven voor PRIMA van € 5,1 mln worden veroorzaakt door een lagere uitfinanciering van verplichtingen uit voorgaande jaren.

  • De hogere uitgaven aan Logius € 5,3 mln worden veroorzaakt door de extra werkzaamheden buiten het (structurele) programma (Bureau) Forum Standaardisatie € 2,2 mln, zoals SBR (Standard Business Reporting), e-factureren, e-Herkenning.

Toelichting op de bijdragen aan baten-lastendiensten

Er is voor € 6,2 mln meer uitgegeven aan de bijdrage aan baten-lastendiensten in verband met de uitvoeringskosten van met name de Groeifinancieringsfaciliteit, Garantie Ondernemingsfinanciering, Veiligheid Kleine Bedrijven, Valorisatie, Bevorderen Ondernemerschap en Biobased Economy.

Toelichting op de bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

De uitgaven ten behoeve van de Kamers van Koophandel waren in de Ontwerpbegroting nog niet opgenomen. In 2012 is € 18,5 mln aan uitgaven gerealiseerd. Dit betreft een bijdrage aan de Kamers van Koophandel/Ondernemerspleinen van € 15 mln om aan de eerste financieringsbehoefte te voldoen. Voor de financiering van het nieuwe Handelsregister is € 3,5 mln uitgegeven.

Toelichting op de ontvangsten

De lagere ontvangstenrealisatie van € 64 mln wordt met name verklaard door:

  • De geraamde ontvangsten voor de Borgstelling Scheepsnieuwbouw zijn niet gerealiseerd omdat de garantieregeling nog niet is opengesteld. Naar verwachting zal de regeling in 2013 worden gepubliceerd.

  • De ontvangsten voor de Groeifinancieringsfaciliteit zijn € 13,8 mln lager dan geraamd. De oorzaak hiervan is gelegen in het feit dat in 2012 en voorgaande jaren de omvang van de afgegeven garanties achterbleef bij de oorspronkelijke raming, wat lagere provisieontvangsten tot gevolg heeft.

  • De ontvangsten voor de Garantie Ondernemersfinanciering zijn € 37,7 mln lager dan geraamd. Dit is het gevolg van een lagere omvang van afgegeven garanties in 2012 en voorgaande jaren dan geraamd, wat doorwerkt in lagere provisie-ontvangsten.

Indicator

Referentie waarde

Peildatum

Raming 2012

Realisatie 2012

Bron

Aantal verstrekte microkredieten

610

2009

1.500

1.133

Qredits

Qredits heeft in 2012 1.133 kredieten verstrekt. Dit is 13,3% minder dan Qredits had verwacht (1.500). Het aantal aanvragen is in 2012 wel met 16% gestegen ten opzichte van 2011.

De belangrijkste reden dat er minder kredieten zijn verstrekt is dat er minder kredieten zijn goedgekeurd. In 2011 werd 26% van de aanvragen goedgekeurd, in 2012 was dat 24%.

Qredits verwacht dat zowel het aantal aanvragen als de kwaliteit van de aanvragen in 2013 zullen toenemen.

De eind 2012 geïntroduceerde coachingsproducten (zoals persoonlijke begeleiding voor de start en e-learning, schrijven ondernemersplan) zullen bijdragen aan een kwaliteitsverbetering van de aanvragen. De verwachting is dat daardoor een groter percentage van de aanvragen gehonoreerd kan worden. Daarnaast is er in het najaar van 2012 een campagne («Wanneer beginnen we») geweest. De eerste tekenen dat er meer mensen bereikt worden zijn zichtbaar, het aantal websitebezoekers neemt namelijk toe.

Qredits verwacht volgend jaar 1.500 kredieten te verstrekken. Dit is minder dan bij de start verwacht werd, maar wel een stijging ten opzichte van 2012.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Realisatie 2012

Bron

Verschil in omzet-ontwikkeling deelnemers en referentiegroep

22%-punt

2011

25%-punt

n.n.b1

CBS

X Noot
1

n.n.b: (nog niet bekend)

De realisatie van de indicator Verschil in omzetontwikkeling deelnemers en referentiegroep wordt niet jaarlijks gemeten. Het programma groeiversneller wordt dit jaar 2013 geëvalueerd. Realisatiegegevens zullen na afronding van de evaluatie beschikbaar komen.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming

2012

Realisatie 2012

Bron

Netto verlaging van administratieve lasten (cumulatief in procenten).

0% (nulmeting)

2011

10%

11,3%

EZ

De bron van de netto verlaging Administratieve Lasten is de voortgangsrapportage Programma Regeldruk Bedrijven, juni 2012. Het genoemde cijfer betreft derhalve de geraamde verwachting medio 2012. Eind 2012 zal de reductie naar verwachting ruim 11% bedragen.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Realisatie 2012

Bron

Gerealiseerde invulling compensatieverplichtingen

€ 547 mln

2010

Minimaal € 450 mln

€ 380 mln (€ 481 mln)

EZ

De indicator geeft het bedrag weer waarmee buitenlandse industriële partijen, door middel van bestedingen bij Nederlandse bedrijven, hun verplichtingen hebben vervuld jegens EZ ter compensatie van aanschaffingen van buitenlands materieel door het Ministerie van Defensie ( ) = 5 jaars voortschrijdend gemiddelde.

Met het compensatiebeleid wordt verzekerd dat de aanschaf door het Ministerie van Defensie van buitenlands defensiematerieel voor 100% wordt gecompenseerd met orders voor de Nederlandse industrie. Hierbij streeft EZ naar een zo hoog mogelijk percentage opdrachten voor het defensie gerelateerde bedrijfsleven. De implementatie van de EU-richtlijn 2009/81/EEG in de Aanbestedingswet op het terrein van Defensie en Veiligheid heeft tot een aanpassing van het compensatiebeleid geleid. Medio 2012 is dit herzien in Industrieel Participatie (IP) beleid. Hierbij is de eis tot 100% compensatie, vanwege de beperking tot industriële participatie in het defensie- en veiligheidsdomein, omgezet in een eis van tenminste 60% IP.

In 2012 is voor € 380 mln aan compensatieverplichtingen ingevuld, waarmee het 5-jaars voortschrijdende gemiddelde komt op € 481 mln. Vanwege het aflopen van enkele grote projecten en het dalende investeringsbudget van Defensie vertoont de gerealiseerde compensatie een daling over de afgelopen jaren. De prestatie-indicator (5-jaars gemiddelde) ligt voor 2012 echter nog boven de streefwaarde.

Interne begrotingsreserves

Interne Begrotingsreserve BMKB

 

Stand 1/1/2012

0

Storting in 2012 t.b.v. toekomstige verliesdeclaraties

€ 30.000.000

Stand 31/12/2012

€ 30.000.000

   

Interne Begrotingsreserve Garantie Ondernemersfinanciering

 

Stand 1/1/2012

€ 63.357.866

Storting saldo inkomsten en uitgaven in 2012 GO Cure

€ 165.011

Stand 31/12/2012

€ 63.522.877

   

Interne Begrotingsreserve Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouw

 

Stand 1/1/2012

€ 25.000.000

Stand 31/12/2012

€ 25.000.000

14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Algemene doelstelling

Een internationaal concurrerende energievoorziening die betrouwbaar, veilig en duurzaam is.

Het Ministerie van Economische Zaken creëert de randvoorwaarden voor een concurrerende energiemarkt en een doeltreffend reguleringskader voor het netbeheer, vergroot de voorzieningszekerheid wanneer de inzet van marktwerking alleen niet voldoende is en realiseert de transitie naar een duurzame energiehuishouding. Marktpartijen investeren in infrastructuur en productiecapaciteit. De betrouwbaarheid van onze energievoorziening wordt verder bevorderd door op nationaal, regionaal en Europees niveau de verdere integratie van de energiemarkten te coördineren. Betaalbare energie wordt daardoor op efficiënte wijze afgeleverd bij de eindgebruiker. Ten behoeve van het bevorderen van de voorzieningszekerheid wordt door EZ een breed aanbod van energiebronnen bevorderd.

Een groeiend aandeel hernieuwbare energie, meer grensoverschrijdend transport en een toename van decentraal opgewekte energie vragen om een toekomstvast wettelijk kader, waarin de taken en verantwoordelijkheden die noodzakelijk zijn voor het realiseren van die transitie helder zijn vastgelegd. De voor deze transitie benodigde stroomlijning, optimalisering en modernisering van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet is vervat in het wetgevingstraject STROOM. Dit wetgevingstraject STROOM is in 2012 gestart, de eerste tranche is aan de Tweede Kamer aangeboden. In dit wetsvoorstel ligt de nadruk op de voornemens die in het kader van het Energierapport 2011 zijn aangekondigd.

Daarnaast is ter stimulering van de duurzame energieproductie in maart 2012 de Stimuleringsregeling Duurzame Energie (SDE+) met een subsidieplafond van € 1,7 mld opengesteld. Er is aan 234 duurzame energieprojecten een subsidiebeschikking afgegeven. Daarnaast heeft het kabinet in 2012 71 Green Deals gesloten met burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties om duurzame projecten te stimuleren.

Rol en verantwoordelijkheid

  • Het zodanig ordenen van de energiemarkten dat maximaal wordt bijgedragen aan een betaalbare, betrouwbare en efficiënte energievoorziening;

  • Het creëren van de randvoorwaarden waardoor leverings- en voorzieningszekerheid van energie gewaarborgd kan worden;

  • Het bevorderen van de totstandkoming van een evenwichtige brandstofmix gericht op transitie naar een duurzame energievoorziening en voorzieningszekerheid;

  • Het creëren van randvoorwaarden voor een doelmatige winning van onze bodemschatten;

  • Het bevorderen van de veiligheid van het transport van energie en van de energieproductie;

  • Het bevorderen van de ontwikkeling en het gebruik van innovatieve energietechnologieën ten behoeve van de verduurzaming van de energievoorziening;

  • Het stimuleren van duurzame energieproductie;

  • Het vergroten van de energie-efficiëntie in de sectoren industrie en energie;

  • Het stimuleren van de verdergaande reductie van CO2 uitstoot van energiebedrijven en industrie;

  • Het creëren van randvoorwaarden waardoor onze energievoorziening internationaal kan concurreren en het verdienpotentieel van de energievoorziening ten volle wordt benut;

  • Zorg dragen voor de nucleaire veiligheid van alle nucleaire installaties in Nederland

  • Zorg dragen voor een adequate bescherming van de samenleving tegen stralingsrisico’s

  • Zorg dragen voor de nucleaire veiligheid bij de toepassing en het vervoer van radioactief materiaal en het beheer van radioactief afval

  • De Minister van Economische Zaken is verantwoordelijk voor de internationale dimensie van het energiebeleid. Het Ministerie van Economische Zaken en het Ministerie van Buitenlandse Zaken trekken samen op bij het bevorderen van de internationale energievoorzieningszekerheid. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is betrokken op grond van zijn verantwoordelijkheid voor geopolitieke, veiligheidspolitieke en ontwikkelingspolitieke vraagstukken.

Realisatie meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Kengetallen

Realisatie 2009

Realisatie2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

1. Gewonnen volume aardgas kleine velden

Bron: TNO

34 mld Sm3

32 mld Sm3

29,2 mld Sm3

28 mld

Sm3

2. Aantal boringen exploratie en evaluatie onshore en offshore

Bron: TNO

15

12

18

17

3. Aantal boringen productie onshore en offshore

Bron: TNO

28

35

39

29

4. Elektriciteitsstoring in minuten per jaar

Bron: EnergieNed / Netbeheer Nederland

26,5 min.

34 min.

23 min.

27 min.

5. Productie aardgas totaal

Bron: TNO

74 mld Sm3

86 mld Sm3

79 mld Sm3

78 mld Sm3

6. Euro/dollarkoers

Bron: CPB

1,39

1,33

1,39

1,291

7. Olieprijs (dollar/vat)

Bron: CPB

61,5

79,5

111,3

1111

8. Beursprijs van TTF-gas (euro/MWh)

Bron: APX Endex

13,3

16,1

22,7

23,8

X Noot
1

betreft voorlopige waarden

De eerste drie kengetallen en kengetal 5 geven een indicatie van de aardgaswinningen in standaard m3. (Sm3). In de voorzieningszekerheid is het namelijk van belang dat het aardgas dat zich bevindt in de Nederlandse velden ook wordt gewonnen. Kengetal 4 geeft een indicatie van de leveringszekerheid van elektriciteit die van diverse factoren afhankelijk is. De laatste drie kengetallen zijn de bepalende factoren voor de geraamde aardgasbaten. Deze zijn enerzijds afhankelijk van de aardgasprijs welke gerelateerd is aan de olieprijs, de euro/dollarkoers en de prijs die onafhankelijk tot stand komt op onder andere gasbeurzen, en anderzijds het volume van verkopen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 mln

2009

2010

2011

2012

Vastgestelde begroting 2012

Verschil

VERPLICHTINGEN

1.934,3

8.177,9

3.155,5

2 289,5

360,6

1.928,9

Waarvan garantieverplichtingen

 

339,0

21,3

147,2

0,0

147,2

UITGAVEN

1.082,9

1.065,9

1.027,7

1.085,5

1.337,6

– 252,2

             

Programma-uitgaven

1.045,5

1.027,7

990,7

1.042,4

1.310,6

– 268,2

14.1 Optimale ordening en werking van de energiemarkten in de Noord-west Europese context

33,1

8,8

4,5

0,0

0,0

0,0

– Stadsverwarming

33,1

8,8

4,5

0,0

0,0

0,0

14.2 Bevorderen van de voorzieningszekerheid

97,3

91,1

93,7

91,5

96,9

– 5,4

– Doorsluis COVA-heffing

93,5

88,6

89,3

86,4

93,0

– 6,6

– Onderzoek en ontwikkeling bodembeheer

3,7

2,4

4,0

2,9

2,8

0,1

– Bijdragen aan diverse instituten

0,1

0,1

0,4

0,5

1,1

– 0,6

– Voorzieningszekerheid BES

0,0

0,0

0,0

1,3

0,0

1,3

– Slimme meters

0,0

0,0

0,0

0,4

0,0

0,4

14.3 Bevorderen van een duurzame en veilige energievoorziening

915,2

927,8

892,6

950,9

1.213,8

– 262,9

– CO2-reductie

           

– Joint Implementation/CO2-reductie

53,5

12,4

13,1

14,8

36,4

– 21,6

– Carbon Capture and Storage

3,0

21,0

12,4

5,5

81,2

– 75,7

– Kernenergie en stralingsbescherming

           

– Straling

0,0

0,0

3,2

5,0

20,2

– 15,1

– Pallas

0,0

0,0

0,0

0,2

0,0

0,2

– Diverse programma’s (HFR)

8,3

8,2

8,2

7,3

8,1

– 0,9

– Energie innovatie

           

– Bijdrage aan ECN/NRG

44,6

56,0

37,2

73,6

38,6

34,9

– Energie-innovatie

56,7

67,6

57,7

80,1

82,3

– 2,2

– Green Deal

0,0

0,0

0,0

0,2

0,0

0,2

– Transitiemanagement

20,6

31,1

16,1

8,4

13,2

– 4,8

– Duurzame energieproductie

           

– MEP

697,9

668,1

658,9

619,6

634,0

– 14,4

– SDE (+)

2,9

29,5

57,5

107,8

279,8

– 172,0

– Geothermie (garantie)

 

5,3

6,1

0,0

0,0

0,0

– Duurzame warmte

9,4

18,7

13,1

3,1

5,2

– 2,1

– Overige uitgaven duurzame warmte

3,6

1,5

4,2

2,2

8,1

– 5,9

– Zonnepanelen

0,0

0,0

0,0

21,3

0,0

21,3

– Besluit subsidies investeringen kennisinfrastructuur

11,8

4,0

1,6

0,0

4,9

– 4,9

– Onderzoek en opdrachten

2,8

4,1

3,3

1,8

1,7

0,1

– Bijdrage Algemene Energie Raad

0,1

0,3

0,0

0,0

0,1

– 0,1

Bijdragen baten-

lastendiensten

37,4

38,2

37,0

43,1

27,0

16,1

– Bijdrage Agentschap NL

37,4

38,2

36,6

42,3

26,6

15,7

– NVWA

0,0

0,0

0,4

0,8

0,4

0,4

             

ONTVANGSTEN

9.540,6

5.790,7

11.299,4

11.960,3

12.249,9

– 289,6

COVA

93,5

88,6

89,3

86,4

93,0

– 6,6

SDE+

           

Ontvangsten uit het FES

128,2

238,1

       

Diverse ontvangsten

26,1

117,4

41,6

31,8

55,2

– 23,4

Aardgasbaten

11.012,9

7.657,5

11.165,6

11.839,7

12.100,0

– 260,3

Bijdrage aan het FES

– 1.724,2

– 2.313,8

       

Ontvangsten zoutwinning

3,8

2,4

2,4

2,4

1,8

0,6

Terugontvangsten Agentschap NL

0,3

0,5

0,5

0,0

0,0

0,0

Toelichting op de verplichtingen

In totaal is de verplichtingen ruimte in 2012 met € 1.928,9 mln opgehoogd. Dit is een saldo van een aantal verplichtingen mutaties waarvan onderstaande de belangrijkste zijn:

  • Aan de Stimulering Duurzame Energieproductie+ (SDE+) is in 2012 circa € 1,849 mln aan verplichtingenruimte toegevoegd. Per 13 maart 2012 is de SDE+ opengesteld met een subsidieplafond van € 1,7 mld. Daarnaast is er € 149 mln toegevoegd om te voldoen aan aanvragen uit 2011 die niet tijdig verwerkt konden worden.

  • Het Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA) garantieplafond is omhoog bijgesteld met € 140 mln zodat het Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten aan haar gestegen voorraadverplichting kan voldoen. De gestegen voorraadplicht voor het Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten betekende een stijging van de aankoop van olieproducten, hogere ticketkosten en hogere opslag- en verzekeringskosten waardoor de kredietbehoefte van het Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten is gestegen. De aankoop van ruwe olie en olieproducten wordt namelijk door het Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten gefinancierd door middel van leningen bij het Ministerie van Financiën, waarbij het Ministerie van Economische Zaken garant staat. Om de gestegen kredietbehoefte van de Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten te faciliteren is het Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten garantieplafond van het Ministerie van Economische Zaken aan Financiën met € 140 mln verhoogd.

  • Voor de garantieregeling geothermie wordt circa € 47 mln aan verplichtingenruimte vanuit 2012 doorgeschoven naar 2013. De reden hiervoor is dat de aanpassingen van de garantieregeling meer tijd in beslag nemen dan van te voren ingeschat. Gevolg hiervan is dat de derde openstelling van de regeling niet eind 2012 heeft plaatsgevonden maar verschoven wordt naar 2013.

  • De overige verplichtingenmutaties betreffen een aantal verhogingen en verlagingen die samenhangen met de uitgavenmutaties.

Toelichting op de programma-uitgaven

Operationele doelstelling 14.1 Optimale ordening en werking va de energiemarkten in de Noord-west Europese context

Doelbereiking

De overheid creëert de randvoorwaarden voor een concurrerende energiemarkt om ervoor te zorgen dat leveranciers efficiënt produceren, afnemers een efficiënte prijs betalen en vraag en aanbod zo goed mogelijk op elkaar af worden gestemd. Daarnaast zorgt de Rijksoverheid voor een doeltreffend reguleringskader voor het netbeheer om te bereiken dat de netten de markt tegen redelijke tarieven en voorwaarden faciliteren.

Door de verdere integratie van de Noordwest Europese markt is in 2012 ingezet op een betere coördinatie van nationale besluiten ten aanzien van de energievoorziening. Belangrijk voorbeeld hiervan is de «Energiewende» in Duitsland, die een belangrijk effect heeft op de Nederlandse energiemarkt. Nederland heeft in 2012 gewerkt aan Europese en regionale afstemming van onder meer leveringszekerheidsvraagstukken, bijvoorbeeld binnen het Pentalaterale Platform.

Elektriciteits- en Gaswet (EM)

De Elektriciteitswet en de Gaswet dienen voor het realiseren van een goed functionerende elektriciteits- en gasmarkt. In het Energierapport (TK, 2010–2011, 31 510, nr. 45, blz. 49) is aangekondigd dat het Kabinet de werking van de energiemarkt wil verbeteren door de regeldruk te verminderen en efficiënter toezicht (door NMa) mogelijk te maken. De steeds nauwere verbindingen met het Europese energiebeleid vragen bovendien om een wetgevend kader dat op inzichtelijke wijze is geënt op Europese richtlijnen. In 2012 is het wetgevingstraject STROOM gestart. De eerste tranche van wetgeving is in 2012 aan de Tweede Kamer aangeboden. In dit wetsvoorstel ligt de nadruk op de voornemens die in het kader van het Energierapport 2011 zijn aangekondigd.

In 2012 is in Europa overeenstemming bereikt over het zogenaamde «Infrastructuurpakket» (dit is regelgeving rondom investeringen in infrastructuur). In 2013 zal de benodigde implementatieregelgeving worden voorbereid. In 2012 is op Europees niveau geen specifieke regelgeving tot stand gebracht rond intelligente netten. Wel is overeenstemming bereikt over de richtlijn Energie-efficiëntie. Hierin zijn onder andere nadere voorschriften opgenomen over de inzet van op afstand uitleesbare meters.

De wetgeving ter implementatie van het derde pakket energierichtlijnen is in juli 2012 in werking getreden. Hiermee is de implementatie van het derde pakket energierichtlijnen afgerond. Daarnaast worden in verband met de aanpassingen die in de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet in 2012 zijn gedaan, in 2013 regels uitgewerkt over de waardebepaling van elektriciteits- of gasnetten die bijvoorbeeld van een particuliere eigenaar moeten worden overgedragen aan een netbeheerder.

Op 1 januari 2012 is de kleinschalige uitrol van de slimme meter gestart. Om de uitrol en de effecten van de slimme meter in kaart te brengen is een monitor gestart. Begin 2013 zal een eerste rapportage van de monitor aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Prestatie-indicatoren

Realisatie 2008

Realisatie2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Bron

1. Concentratiegraad in de retailsector elektriciteit:

           

– HHI

2.279

2.285

2.263

2.465

2.375

Energiekamer

– C3

81%

81%

81%

85%

83%

Energiekamer

2. Concentratiegraad in de retailsector gas:

           

– HHI

2.104

2.187

2.158

2.344

2.278

Energiekamer

– C3

79%

79%

79%

83%

82%

Energiekamer

In 2010 was er een overname van een middelgrote speler door één van de drie grote marktpartijen, waardoor in 2011 zowel de C3 als de Herfindahl Hirschman Index (HHI) in 2011 voor elektriciteit en gas stegen. Deze cijfers zijn in de eerste helft van 2012 weer iets gedaald. De cijfers van 2012 hebben betrekking op het eerste halfjaar van 2012. De cijfers voor geheel 2012 worden in maart verwacht.

Warmtewet (EM)

De geplande afronding van de parlementaire behandeling van de herziening van de Warmtewet heeft in 2012 niet plaatsgevonden. De verwachting is dat deze behandeling wel in 2013 zal worden afgerond waarna de Warmtewet en bijbehorende lagere regelgeving in werking kan treden.

Europese en Noordwest Europese fora

Binnen het Pentalaterale Gas Platform wordt door overheden, toezichthouders en de beheerders van het landelijk gastransport net (TSO's) samengewerkt om de regionale marktkoppeling en voorzieningszekerheid te bevorderen. Het pentalaterale platform (België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en Nederland) heeft in 2012 gesproken over de door de Europese Commissie voorgestelde richtlijn voor congestiemanagement in aardgastransmissienetten, alvorens deze medio 2012 werd vastgesteld. Verder is gesproken over de netcode voor capaciteits allocatie mechanismen waarover in 2013 wordt besloten. Ook heeft het pentalaterale gasplatform in het kader van Verordening (EG) 994/2010 betreffende maatregelen tot veiligstellen van de gaslevering hun nationale preventieve actieplannen en noodplannen met elkaar gedeeld en besproken. Deze worden eind 2012 in te dienen bij de Europese Commissie. Daarnaast is in het platform besproken op welke wijze Nederland invulling wilde geven aan de uit de verordening volgende reverse flow verplichting (verplichting aan transmissiesysteembeheerders om ervoor te zorgen dat op alle grensoverschrijdende verbindingen gas in twee richtingen kan stromen). Tot slot is er ingestemd met het voornemen een vrijstelling te verlenen aan de beheerder van landelijk gastransportnet.

Binnen het Pentalaterale Energy platform is in 2012 gewerkt aan de vervolgstap voor marktkoppeling. Het is de verwachting dat het zogenaamde «flow based marktkoppelingssysteem» beter rekening zal houden met de onderlinge afhankelijkheden tussen landen en met dit systeem zal meer capaciteit aan de markt beschikbaar kunnen worden gesteld. Invoering van dit systeem is voorzien in 2013.

Hiernaast zijn door de Noordwest-Europese landen verdergaande afspraken gemaakt over de samenwerking op het gebied van gas ter uitwerking en invulling van Europese netcode en richtsnoeren. Dit sluit aan bij de Nederlandse gasrotonde ambities, omdat daarmee de grensoverschrijdende handel in en het transport van gas wordt vereenvoudigd.

Operationele doelstelling 14.2 Bevorderen van de voorzieningszekerheid

Doelbereiking

Energievoorzieningszekerheid is een publiek belang dat niet automatisch door de markt wordt gewaarborgd. EZ probeert om deze reden de randvoorwaarden te creëren om in elk geval de eigen bodemschatten optimaal te benutten. Daarnaast is de rol van de overheid het benutten van economische kansen voor energie zoals het totstandbrengen van zakelijke transacties met de energieproducerende landen.

Het bevorderen van voorzieningszekerheid is een continu proces, gericht op het instandhouden van en werken aan een energie-infrastructuur die past bij de (toekomstige) ontwikkeling van de Nederlandse economie. Met het oog daarop is in 2012 onder meer het convenant met mijnbouwondernemingen uitgevoerd, dat uiteindelijk moet leiden tot extra gasproductie, is onderzoek gestart naar de risico's en gevolgen van mogelijke steenkool- en schaliegaswinning in Nederland, wordt de Rijkscoördinatieregeling ingezet om te komen tot vernieuwing en uitbreiding van netwerken en vindt intensieve samenwerking met onze buurlanden plaats met het oog op voorzienings- en leveringszekerheid. Tenslotte zijn stappen gezet om Nederland in de toekomst gereed te maken om gas van veranderde samenstelling veilig te kunnen gebruiken.

Mijnbouwwet (EM)

In 2012 is verdere uitvoering gegeven aan een convenant welke met mijnbouwondernemingen gesloten is, ter stimulering van een actieve benutting van vergunningen voor de winning van aardolie en aardgas op het continentaal plat. Ook zijn diverse voorkomens van aardgas op het continentaal plat aangewezen als marginaal gasvoorkomen waarop een financiële stimuleringsregeling (investeringsaftrek) van toepassing is. Naar aanleiding van ervaringen bij aardwarmteprojecten waarbij ook olie of gas werd opgepompt, is in samenwerking met Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) bezien of nadere regelgeving en procedures nodig zijn ten aanzien van de bij deze projecten vereiste kennis en kunde om mijnbouwkundige problemen aan te pakken en de veiligheid te waarborgen.

Een andere actie in 2012 is geweest dat in consultatierondes met provincies, gemeenten, lokale en nationale belangengroepen, actiegroepen, burgers en industrie is gewerkt aan de formulering van de vragen voor het aan de Tweede Kamer toegezegde onderzoek naar de mogelijke risico’s en gevolgen van het opsporen en winnen van schalie- en steenkoolgas in Nederland in termen van veiligheid voor mens, natuur en milieu. Omdat gebleken is dat de kosten van het onderzoek boven de Europese aanbestedingsgrens zouden uitkomen, moest de EU-aanbestedingsprocedure worden doorlopen en is het onderzoek Europees aanbesteed.

In 2012 is door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu en het Ministerie van Economische Zaken – in overleg met belanghebbenden zoals provincies, gemeenten, waterschappen, burgers en bedrijven gewerkt aan de totstandkoming van de Structuurvisie Ondergrond waarin de verschillende gebruiksmogelijkheden van de ondergrond zichtbaar worden gemaakt en waarin een afwegingskader wordt gegeven voor de ruimtelijke ordening van de ondergrond. Najaar 2012 is besloten deze structuurvisie te verdiepen en te verbreden. Deze ontwerp structuurvisie zal eind 2013 door de verantwoordelijke bewindspersonen zijn vastgesteld.

Rijkscoördinatieregeling

Op grond van de Rijkscoördinatieregeling (coördinatie van het Rijk op energie-infrastructuur van onder andere gasleidingen, windparken, elektriciteitscentrales etc.) heeft het Ministerie van Economische Zaken in 2012 de regie gevoerd over een groot aantal projecten van nationaal belang, waaronder:

  • afronding besluitvorming Noordring Randstad 380 kV. In september zijn de inpassingsplannen voor Randstad 380kV Noordring en Transformatorstation Vijfhuizen vastgesteld, momenteel loopt een beroep bij de Raad van State. Uitspraak is voorzien in de tweede helft van het jaar.

  • voor de projecten Zuid-West 380 kV, Noord-West 380 kVen de interconnector Doetinchem-Wesel zijn de voorkeurstracés door de ministers in 2012 vastgelegd in een voorbereidingsbesluit. Momenteel wordt verdere besluitvorming voorbereid;

  • besluitvorming gasleiding Gasunie van Beverwijk naar Wijngaarden is in het 4e kwartaal afgerond, het inpassingsplan is vastgesteld, momenteel loopt een beroep bij de Raad van State. Uitspraak is voorzien in de tweede helft van dit jaar;

  • besluitvorming COBRA-kabel (interconnector met Denemarken) is aangehouden, Milieueffectrapportage(MER) dient nog te worden opgesteld;

  • aantal windparken, besluitvorming is aangehouden, op dit moment wordt, mede op verzoek van de Tweede Kamer, een Structuurvisie wind op land gemaakt waarin eventuele locaties voor grootschalige windprojecten worden beschreven;

  • gaswinning onder de Waddenzee (exploratiefase); de ontwerpbesluiten zijn rond de zomer 2012 ter inzage gelegd, besluitvorming wordt momenteel afgerond;

  • voorbereiden besluitvorming ten aanzien van nieuwe kerncentrale Borssele, Begin 2012 hebben Delta en Rheinisch-Westfälisches Elektrizitätswerk (RWE) bekend gemaakt de door hen opgestarte procedures om te komen tot een nieuwe kerncentrale in Borssele uit te stellen.

Regels ten aanzien van veiligheid van transportinfrastructuur

In de Elektriciteits- en gaswet is geëxpliciteerd dat netbeheerders zorg moeten dragen voor de bescherming voor hun netten. Met het expliciteren van de beschermingstaak in de elektriciteits-en gaswet wordt ook nadrukkelijk duidelijk gemaakt dat netbeheerders de tariefruimte krijgen om efficiënte beschermingsmaatregelen te nemen. Voorafgaand aan deze wetswijziging is in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken onderzocht welke aanvullende veiligheidsmaatregelen Gasunie en Tennet moeten nemen om hun kritische infrastructuur te beschermen tegen een aantal specifieke, door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) aangedragen terroristische dreigingen. De voorgestelde maatregelen die voortkomen uit de rapporten zijn in 2012 overgenomen door Tennet en Gasunie en worden de komende periode geïmplementeerd. De Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) beoordeelt achteraf in het corresponderende tariefbesluit of de maatregelen efficiënt zijn. Indien dit het geval is dan krijgen Tennet en Gasunie de gemaakte kosten vergoed in de tarieven, omdat het nemen van deze maatregelen onderdeel uitmaakt van hun wettelijke beschermingstaak.

Strategische aardolievoorraden

De nieuwe wet voorraadvorming aardolieproducten 2012 (Wva 2012) is in 2012 door de Tweede en Eerste Kamer goedgekeurd. Op 17 januari 2013 is de wet gepubliceerd in het Staatsblad. De implementatie van de aan de wet ten grondslag liggende Europese richtlijn had echter vóór 1 januari 2013 moeten plaatsvinden. Dit was niet haalbaar omdat aan het ontwerpen van het wetvoorstel een lang traject vooraf ging. Aangezien de belangen van betrokken partijen erg groot waren is door EZ de tijd genomen om tot een zo goed mogelijk voorstel te komen waarbij zoveel mogelijk rekening gehouden is met alle uiteenlopende belangen. De wet zal naar verwachting op 1 april 2013 in werking treden tezamen met een algemene maatregel van bestuur.

De daling in uitgaven van € 6,6 mln op het instrument «doorsluis COVA heffing» is het gevolg van een lagere voorraadheffing ontvangsten uit hoofde van de het Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA). De ontvangsten zijn afgenomen als gevolg van een lager binnenlands verbruik van olie producten door de aanhoudende economische crisis. Aangezien de hoogte van de uitgaven gelijk zijn aan de heffinginkomsten zijn de uitgaven met een gelijk bedrag bijgesteld.

Internationale Energie Voorzieningszekerheid

De nadruk in het energie voorzieningszekerheidsbeleid is de afgelopen jaren komen te liggen op Europese samenwerking en in het bijzonder op intensieve samenwerking met de buurlanden. Ambtelijke en politieke contacten met Duitsland, België, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen zijn in 2012 geïntensiveerd door middel van expertbijeenkomsten en hoogambtelijke bezoeken. Doel is om hechter samen te werken op het gebied van leveringszekerheid, marktkoppeling en afstemming van instrumenten. Daarnaast wordt op dit moment door de lidstaten gediscussieerd over de modernisering van het Energy Charter, om zodoende de aantrekkelijkheid van het Charter voor landen buiten Europa te vergroten. Tenslotte is ook het afgelopen jaar breed internationaal ingezet op de Golfregio (politieke missie), het Kaspische Zeegebied (ambtelijke en politieke missies naar Azerbeidjan), Rusland (bilaterale jaar 2013) China, Brazilië en de VS. Aandacht voor mondiale vraagstukken blijft essentieel. Grote veranderingen in olie- en gasproductie zijn gaande en zullen vergaande invloed hebben op internationale geopolitieke en concurrentieverhoudingen.

Programma Gasrotonde

In 2012 heeft het Ministerie van Economische Zaken zich samen met Energie Beheer Nederland en de olie- en gasindustrie ingezet voor maximale opsporing en winning van de in de Nederlandse ondergrond aanwezige olie- en gasreserves in kleine velden off- en onshore. In 2012 heeft het Franse beursbedrijf Powernext een aanwijzing als gasbeurs volgens de Gaswet gekregen. Samen met het Duitse EEX zal het een beurs voor Title Transfer Facility (TTF) -gas opzetten.

Gaskwaliteit

Het Ministerie van Economische Zaken heeft besloten meer tijd te geven aan bedrijven die nog bezig zijn met de nodige aanpassingen om de veranderende gassamenstelling te kunnen accommoderen. Dit heeft het Ministerie van Economische Zaken besloten op basis van de bevindingen van het Projectbureau Nieuw Aardgas met betrekking tot de voortgang van de door de eindgebruikers verrichte aanpassingen. Het Ministerie van Economische Zaken heeft de transitie tot eind 2013 verlengd.

Verder is de toekomstige samenstelling van Groningengas (G-gas) vastgelegd. Op deze samenstelling zijn de eisen gebaseerd waaraan nieuw verkochte toestellen, die onder de Gastoestellenrichtlijn vallen, moeten voldoen. Doordat na een overgangsperiode slechts toekomstbestendige toestellen op de markt komen, wordt het toestellenpark vervangen door de werking van de normale vervangingsmarkt.

Operationele doelstelling 14.3 Bevorderen van een duurzame en veilige energievoorziening

Doelbereiking

Uitgangspunt op de middellange termijn zijn de doelstellingen 20% CO2 reductie en 14% duurzame energie productie in 2020. Om dat te bereiken volgt Economische Zaken meerdere sporen: bevorderen van energiebesparing, bevorderen van CO2 emissie reductie, reguleren van een veilige toepassing van kernenergie, bevorderen van de ontwikkeling en het gebruik van innovatieve energietechnologieën ten behoeve van de verduurzaming van de energievoorziening en stimulering van duurzame energieproductie.

De sporen energiebesparing en CO2 reductie dienen vooral de doelstelling 20% CO2 reductie in 2020. Kernenergie is een overbruggingstechniek naar een duurzame energievoorziening, waarbij geen CO2 wordt uitgestoten. Het innovatiespoor dient zowel de CO2 doelstelling als de doelstelling van 16% duurzame energie in 2020. Het spoor duurzame energieproductie dient de doelstelling voor duurzame energie.

In maart 2012 is de SDE+ regeling opengesteld met een verplichtingenbudget van € 1,7 mld. 234 duurzame energieprojecten ontvingen een subsidiebeschikking. Het volledige budget is in de eerste fase toegekend voor een basisbedrag van maximaal € 0,07/kWh. De duurzame energieprojecten zullen bij realisatie naar verwachting 0,7%-punt bijdragen aan de doelstelling voor duurzame energie. Met het toekennen van subsidiebeschikkingen is het voor 2012 gestelde doel van het stimuleren van duurzame energieproductie bereikt.

CO2-reductie

Op het instrument Joint-Implementation is in 2012 € 21,6 mln minder uitgegeven dan begroot. Dit heeft als voornaamste reden dat de openstaande verplichtingen niet geheel tot uitbetaling zijn gekomen vanwege vertragingen in de afwikkeling van lopende projecten.

Op het CO2 afvang en opslag (Carbon Capture Storage (CCS)) instrument is in 2012 € 75,7 mln minder uitgegeven dan oorspronkelijk begroot. Voor 2012 was een voorschotbetaling voorzien voor het Rotterdam Opslag en Afvang Demonstratieproject (ROAD)-project. Aangezien voor dit project nog geen definitieve go/no go beslissing is genomen, zullen de betalingen naar verwachting in latere jaren plaatsvinden.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Realisatie 2012

Bron

1. CO2-uitstoot sectoren industrie/energie

94 Mton

1990

109,2 Mton

109,2 Mton

Agentschap NL, Nederlands nationaal toewijzingsplan broeikasemissierechten 2008–2012

– waarvan: absoluut plafond sector industrie/energie voor bedrijven die vallen onder het emissiehandelssysteem

   

86,8 Mton

86,8

Mton

Agentschap NL, Nederlands nationaal toewijzingsplan broeikasemissierechten 2008–2012

2. Vermeden CO2 -uitstoot voor 2012 via Joint-Implementation (JI) en gegroende Assigned Amount Units (AAU’s)

nvt

nvt

3,6

4

Agentschap NL,,de contracten

Kernernergie en stralingsbescherming

Op 23 januari 2012 heeft Delta aangegeven haar plannen voor een nieuwe kerncentrale de komende twee tot drie jaar niet door te zetten. Kort daarna heeft ook Rheinisch-Westfälisches Elektrizitätswerk (RWE) bekend gemaakt de komende jaren geen rol te zullen spelen in de ontwikkeling van een nieuwe kerncentrale. Beide bedrijven geven aan dat hun besluit te maken heeft met de aanhoudende economische crisis. DELTA merkt daarbij op dat zodra de omgevingsfactoren verbeteren het project weer zal worden opgepakt. Aangezien voor het kabinet veiligheid en zorgvuldigheid bij het omgaan met kernenergie voorop staan, zal onverkort worden doorgegaan met het up-to-date brengen van de veiligheidseisen voor (nieuwe) kerncentrales.

Op 20 januari 2012 heeft het Kabinet het principebesluit genomen om de vervanging van de Hoge Flux Reactor in Petten te faciliteren door, evenals de provincie Noord-Holland, € 40 mln beschikbaar te stellen voor de eerste fase van het oprichten van de Pallas-reactor. Tijdens deze eerste fase wordt een businessplan opgesteld, worden private investeerders gevonden en moeten de noodzakelijke vergunningen, waaronder die op basis van de Kernenergiewet, worden verkregen. Om zeker te stellen dat ook de Pallas-reactor aan de meest recente veiligheidseisen gaat voldoen worden de hiervoor genoemde veiligheidseisen voor kerncentrales aangevuld met de veiligheidseisen voor onderzoeksreactoren.

In verband met de doorlichting van de kernenergieregelgeving en de mogelijk daaruit voortvloeiende herziening van de regelgeving is besloten om de tijdelijke Ministeriële regeling vooralsnog niet om te zetten naar het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen. Deze regeling zal daarom tijdig voor juli 2013 worden verlengd.

Evenals voorgaande jaren worden in 2013 de vergunningen van bestaande nucleaire inrichtingen weer geactualiseerd. Hierbij is het principe van «continuous improvement» uitgangspunt zodat de stand van de techniek met betrekking tot de veiligheid geborgd wordt.

De Ministerraad heeft de Minister van Economische Zaken gemachtigd het ontwerpbesluit voor de implementatie van de in 2011 vastgestelde Euratom-Richtlijn voor radioactief afval, na voorhang en voorpublicatie ter advisering aan de Raad van State voor te leggen.

Op het «straling» instrument is in 2012 € 15,1 mln minder uitgegeven dan oorspronkelijk begroot. Dit houdt verband met enerzijds de vertraging die is opgetreden in de vergunningaanvraag voor de nieuwe kerncentrale en anderzijds de overheveling van een deel van het budget naar het Pallas project om deze afzonderlijk op de begroting zichtbaar te maken. De start van het Pallas-project is vervolgens vertraagd.

Collectieve dosis door lozing van radioactieve stoffen naar lucht

Realisatie 2010: 30 mensSv.

Toelichting

De collectieve dosis is de som van de individuele doses ontvangen door de Nederlandse bevolking. Het histogram geeft de collectieve dosis door lozingen naar lucht. De variaties in de collectieve doses per jaar worden onder andere bepaald door de variaties in de specifieke radioactiviteit van de gebruikte grondstoffen en de doorzet ervan in de betreffende procesindustrie. Het gaat in het bijzonder om de fosfor en staalproductie. Aangezien er 2 kunstmestfabrieken aan de Nieuwe Waterweg gesloten zijn is de emissie naar water 0 geworden. Om deze reden heeft de grafiek die betrekking had op zowel lucht als water plaatsgemaakt voor bovenstaande staafdiagram welke alleen de collectieve dosis door lozing naar lucht weergeeft.

Energie-Innovatie/ Topsector energie

Er is gebleken dat de kosten van het ruimen van het historisch radioactief materiaal op het terrein van het Energie Centrum Nederland (ECN) in Petten sterker kunnen oplopen dan aanvankelijk gedacht. Dit komt onder meer vanwege verdere uitloop van het project, afvoer van meer vaten hoog radioactief afval dan voorzien en tegenvallers bij de Europese aanbesteding van de ompakinstallaties. Daarom is de beschikbare voorziening van ECN voor de kosten van het ruimen van historisch radioactief in 2012 in totaal met € 34,9 mln verhoogd.

In eerste instantie heeft er een splitsing plaatsgevonden van het Green Deals instrument uit Energie-Innovatie zodat deze apart op de begroting van het Ministerie van Economische Zaken zichtbaar is. In de begroting lijkt het echter dat deze, in het voorjaar, gebudgetteerde middelen niet besteed zijn. De financiële bijdragen van het Ministerie van Economische Zaken die zijn toegezegd in Green Deals met gemeenten (Amsterdam en Rotterdam) en provincies (Flevoland, Groningen, Drenthe, Limburg, Noord-Brabant, Zeeland) zijn overgeboekt naar het Provinciefonds en het Gemeentefonds van Binnenlandse Zaken. Hierdoor is een groot deel van de voor Green Deals aangegane verplichtingen en gerealiseerde uitgaven niet in de financiële verantwoording van Economische Zaken zichtbaar, waardoor het lijkt alsof de budgetten niet besteed zijn. De aangegane verplichtingen en gerealiseerde uitgaven komen echter tot uiting in de financiële verantwoording van Binnenlandse Zaken.

Bij het instrument Transitiemanagement, welke uit enkel uitfinanciering van lopende projecten bestaat, is afgelopen jaar een onderbesteding van € 4,8 mln opgetreden. Dit komt doordat sommige projecten goedkoper zijn uitgevallen en/of geen vervolg hebben gehad.

Kengetallen Energie-Innovatie

2010

2011

Aantal betrokken partijen

190

n.b.

Uitgelokte investeringen (totaal, in € mln)

675

n.b.

Bron: Agentschap NL

Toelichting

De kengetallen van 2011 zullen ook niet beschikbaar komen. De cijfers van 2011 zijn namelijk niet goed te gebruiken voor een meerjarige trend omdat 2011 een overgangsjaar was waarin Energie-Innovatie subsidies afliepen en Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI's) nog niet opgestart waren. Bovendien was voor dat jaar het idee om de Energie- Investeringsaftrek (EIA) mee te nemen in de cijfers, wat zeker voor het aantal partijen een volledig vertekend beeld zou opleveren (waarbij alles dat niet EIA is naar de marge verdwijnt). Daarnaast wijkt de insteek van het Topsectorenbeleid ook dusdanig af van eerdere subsidies dat ze niet zijn te vergelijken met cijfers van voor 2011. In de begroting 2013 zijn deze kengetallen komen te vervallen.

Duurzame energieproductie

De kasuitgaven Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie (MEP) zijn in 2012 € 14,4 mln lager uitgevallen dan het begrote bedrag (€ 634 mln). De lagere uitgaven zijn het gevolg van lagere subsidiabele producties dan waarmee in de begroting is gerekend. Dit bedrag zal in de jaren na 2012 alsnog tot uitbetaling komen.

Op het Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE) instrument lagen de uitgaven over 2012 in totaal € 172,0 mln lager dan geraamd. Dit is veroorzaakt door het niet tot betaling komen van subsidieprojecten omdat deze geen doorgang vonden en vertraging in de oplevering van projecten waardoor de uitfinanciering voor een deel zal verschuiven van de jaren 2012–2017 naar de jaren 2018–2031. Vrijvallende middelen zijn aangewend voor het oplossen van financiële problematiek op de EZ begroting en daarnaast hebben ze gediend tot het invullen van de taakstelling uit het Regeerakkoord 2010 in de eerste jaren. Een per saldo neutrale kasschuif is toegepast op de vrijvallende middelen zodat ze in het juiste kasritme konden worden ingezet welke de raming van het jaar 2012 heeft verlaagd ten gunste van latere jaren.

In maart is de SDE+ regeling 2012 in vijf fasen opengesteld met een verplichtingenbudget van € 1,7 mld. Om de kosteneffectiviteit van de regeling te vergroten konden in 2012 voor het eerst projecten met hernieuwbare warmte productie een aanvraag indienen en is een extra fase toegevoegd van € 0,07/kWh (gevolgd door € 0,09/kWh, € 0,11/kWh, € 0,13/kWh, € 0,15/kWh). Ook krijgen SDE+ projecten voortaan subsidie over de geproduceerde duurzame energie die voor eigen gebruik wordt ingezet.

De op de post overige uitgaven duurzame warmte geraamde kasbudgetten zijn ingezet voor het programma elektrische auto en zijn overgeboekt ten behoeve van de Top-sectoren en de Rijkscoördinatieregeling. Daarnaast is kasbudget overgeheveld ten behoeve van andere onderdelen in verband met ontstane kastekorten.

Naar aanleiding van het Begrotingsakkoord is in het voorjaar budget toegevoegd aan de EZ begroting voor een tijdelijke subsidieregeling voor de aanschaf van zonnepanelen door kleinverbruikers. Dit is een subsidie van 15% van de aanschafprijs tot een maximum van € 650,–. Voor dit instrument was in het voorjaar een budget beschikbaar gesteld van € 22 mln. Er is minder uitgegeven dan geraamd (€ 21,3 mln). Dit verschil betreft bijna volledig het budget dat afgezonderd is voor de uitvoering van de regeling door Agentschap Nederland.

Op het instrument «Besluit Subsidies Investeringen Kennisinfrastructuur» is € 4,9 mln minder uitgegeven dan begroot. Dit heeft als reden dat op deze voormalige FES-regeling in 2012 geen declaraties zijn ingediend.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Realisatie 2011

Bron

Duurzame energieproductie

2,4%

2005

n.v.t.

4,3%

CBS

Toelichting

Het beleid van het kabinet is om het aandeel hernieuwbare energie te doen toenemen. In 2005 bedroeg dit aandeel 2,4% en dit liep mede door het beleid van het Ministerie van Economische Zaken op tot 4,3% in 2011. Daarbij moet worden aangemerkt dat er op dit moment veel nieuwe duurzame projecten aankomen (sommige zijn iets vertraagd) die zullen leiden tot productie van hernieuwbare energie. In de jaren vanaf 2012 wordt afgezien van projecten die nu al in voorbereiding zijn een verdere forse toename verwacht. Het beleid van het huidige kabinet is immers gericht op het realiseren van een aandeel van 16% in 2020. Daartoe is fors extra budget in het Regeerakkoord ingezet voor de realisering van die doelstelling.

Het CBS zal de waarde van 2012 in april publiceren.

Toelichting op de bijdragen aan baten-lastendiensten

Bijdragen aan Agentschap NL

In totaal is de bijdrage aan Agentschap NL in 2012 met € 15,7 mln verhoogd. Het beschikbare bedrag voor de uitvoering is voor het uitvoeringsjaar en in meerjarig perspectief aangepast.

Toelichting op de ontvangsten

De lagere ontvangstenrealisatie in 2012 van € 289,6 mln wordt met name veroorzaakt door:

Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA)

De ontvangsten van de voorraadheffing COVA vielen € 6,6 mln lager uit dan geraamd door een lagere heffingsgrondslag als gevolg van een lager binnenlands verbruik van olieprodukten door de economische crisis.

Diversen ontvangsten

Op de post diversen ontvangsten is € 23,4 mln minder binnen gekomen dan geraamd. Dit komt voornamelijk doordat de ontvangsten van de geveilde CO2 veilingrechten lager uitgevallen zijn dan geraamd. De oorzaak hiervan is dat er sprake was van een lagere CO2-prijs ten opzichte van de prijs gebruikt bij de raming. Verslechterde economische omstandigheden en een groot aanbod van rechten hebben gezorgd voor deze prijsdaling.

Aardgasbaten

De tegenvaller in de aardgasbaten wordt veroorzaakt door een lagere gasprijs dan geraamd. In de raming bedroeg deze voor 2012 26 eurocent per kubieke meter gas, terwijl uiteindelijk een bedrag van 24 eurocent is gerealiseerd. Hiernaast viel de eindafrekening in 2012 over 2011 lager uit dan geraamd. De hogere olieprijs, lagere wisselkoers van de dollar en de hogere dan geraamde productie konden de effecten hiervan niet compenseren.

15 Een sterke internationale concurrentiepositie

Algemene doelstelling

Een sterke concurrentiepositie, open wereldeconomie en duurzame globalisering.

Voor de Nederlandse economie was 2012 een moeilijk jaar. Volgens het Centraal Plan Bureau bedraagt de krimp van het Bruto Binnenlands Product over 2012 0,9%18. De uitvoer, exclusief energie, is als enige Bruto Binnenlands Product-component gegroeid met 2,2%. Het Centraal Plan Bureau verwacht dat het Bruto Binnenlands Product over 2012 zal uitkomen op een krimp van ongeveer 1%. Het ziet er naar uit dat de uitvoer als enige Bruto Binnenlands Product-component (bescheiden) is gegroeid (tussen 2 en 3%). Dit is zonder meer positief als men de ontwikkeling van de wereldhandel in aanmerking neemt; over 2012 wordt naar verwachting een zeer beperkte groei van de wereldhandel gerealiseerd (tussen 0 en 1%). Bovendien is in diverse andere landen van de eurozone, die belangrijke Nederlandse afzetmarkten vormen, eveneens sprake van economische krimp (IMF verwachting voor het Bruto Binnenlands Product van de eurozone over 2012 is – 0,5%). Op basis van voorlopige cijfers lijkt de export naar geheel Europa desondanks min of meer op peil te zijn gebleven, terwijl de exportgroei voornamelijk in Azië is gerealiseerd. Onder de gegeven omstandigheden beantwoordt dit aan onze algemene doelstellingen voor de Nederlandse exportprestaties.

Er is vooruitgang geboekt met de internationale dimensie van het topsectorenbeleid. Per topsector zijn internationaliseringsstrategieën opgesteld, die vervolgens zijn uitgewerkt in marktbewerkingsplannen voor de door elke topsector aangewezen prioritaire buitenlandse markten. Deze plannen vormen de basis voor de invulling van de strategische reisagenda van het kabinet en voor de werkzaamheden van de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland.

Economische Zaken neemt deel aan een publiek-privaat overleg om de publieke waterketen te laten bijdragen aan internationale operators-contracten voor drinkwater en waterzuivering. In deze miljardenmarkt kunnen Nederlandse consortia niet deelnemen, omdat het de publieke waterketen ontbreekt aan een constructie om samen met geïnteresseerde private bedrijven op zulke operator-contracten in te schrijven. Onder de naam «Rembrandt Water» wordt een wettelijke en financiële basis voor deze constructie uitgewerkt.

Er zijn in 2012 nieuwe stappen gezet, die de openheid van de wereldeconomie bevorderen voor het internationaal opererend bedrijfsleven. Op handelspolitiek terrein is in 2012 weer beweging gekomen in de multilaterale onderhandelingen over enkele deelakkoorden van de World Trade Organization (WTO) Doharonde.

Rol en verantwoordelijkheid

Nederland heeft als relatief kleine, open handelsnatie de Europese markt hard nodig. De invloed van de EU op onze economie reikt veel verder dan de interne markt. De EU stelt ook kaders voor het nationale beleid van de 27 lidstaten. Het is essentieel dat deze beleidskaders coherent zijn en goed aansluiten op de structuur van de Nederlandse economie en samenleving. Naast het coördineren van nationaal economisch beleid, moet Nederland gebruik maken van de toegevoegde waarde van instrumenten op EU-niveau.

Economische Zaken ondersteunt het Nederlandse bedrijfsleven in kansrijke sectoren en markten. Nederlandse ondernemers lopen vaak tegen problemen aan wanneer zij internationale activiteiten ondernemen. Deze problemen komen voort uit markt- en systeemimperfecties die leiden tot hogere transactiekosten. Economische Zaken gaat deze markt- en systeemimperfecties tegen, door zowel op bilateraal niveau te onderhandelen met individuele landen als op multilateraal niveau in de Europese Unie, de World Trade Organisation, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en in het kader van de G20 om op deze manier handelsbarrières weg te nemen, de internationale economische rechtsorde te versterken en hiaten in internationale regels aan te pakken.

In ontwikkelingslanden worden tekorten aan voedsel, water, energie en grondstoffen onder andere veroorzaakt door onvoldoende toegang tot internationale markten. Daarom is verruiming van toegang tot de wereldmarkt in het bijzonder erg belangrijk voor deze landen.

De Minister is verantwoordelijk voor:

  • het bevorderen van het functioneren van de Europese interne markt en het toezicht daarop en het verzorgen van het beleid en advies op het gebied van staatssteun;

  • het zorg dragen voor coherente EU beleidskaders voor (nationaal) economisch beleid;

  • het ontwikkelen van coherent en voor Nederland optimaal beleid in de Raad van Concurrentievermogen;

  • de Nederlandse inbreng in de EU op het terrein van concurrentievermogen, energie, telecom en landbouw- en visserij;

  • het stimuleren van verdere vrijmaking van het internationale handels- en investeringsverkeer en versterking van de internationale economische rechtsorde;

  • het bevorderen van kaders voor internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen;

  • de exportcontrole van strategische goederen en sancties;

  • het Nationale Contact Punt (NCP) voor de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen.

  • het vorm en inhoud geven aan economische diplomatie, economische missies en inkomende en uitgaande bezoeken op hoogambtelijk en politiek niveau, met bijzondere aandacht voor de economische topsectoren;

  • het faciliteren van ambities om synergie te bereiken tussen ontwikkelingsdoelstellingen en de belangen van het Nederlandse bedrijfsleven, mede in het kader van de topsectorenagenda’s (onder andere Agrofood, Tuinbouw, Water);

  • het behandelen van klachten over oneerlijke concurrentie waar Nederlandse bedrijven in het buitenland mee te maken hebben;

  • het voeren van het (financieel) instrumentarium op de beleidsterreinen export- en investeringsbevordering, marktfacilitatie (onder andere Transitiefaciliteit) en markttoegang;

  • het aantrekken van buitenlandse bedrijven.

Realisatie meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Kengetal

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Ambitie 2012

Realisatie 2012

Grootste ontvangers Buitenlandse Directe investeringen

       

– Positie van Nederland

9

11

Top 10

nnb1

Grootste exporteurs goederen

       

– Positie van Nederland

5

5

Top 5

nnb1

Bron: UN COMTRADE, World Trade Monitor van de World Trade Organisation

X Noot
1

nnb: nog niet bekend, de cijfers zullen medio juli 2013 beschikbaar komen in het uit te brengen World Trade Report

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 mln

2009

2010

2011

2012

Vastgestelde begroting 2012

Verschil

VERPLICHTINGEN

144,1

142,4

105,1

34,6

109,3

– 74,7

UITGAVEN

116,8

124,0

118,0

109,4

132,7

– 23,3

             

Programma-uitgaven

70,3

76,7

72,9

64,9

82,8

– 17,9

15.1 Bevorderen van vrij internationaal handelsverkeer en versterken van de mondiale economische rechtsorde, met aandacht voor maatschappelijke verantwoordelijkheid

15,8

18,2

10,0

18,0

9,2

8,8

Bijdragen organisaties

4,5

4,3

4,9

14,6

4,9

9,7

Beleidsondersteuning

2,2

2,2

1,5

1,2

1,6

– 0,4

Overig

9,1

11,7

3,6

2,2

2,7

– 0,5

Programma Internationalisering Beroepsonderwijs (PIB)1

           

15.2 Bevorderen van goede beleidskaders gericht op het versterken van het concurrentievermogen en de interne markt van de EU

0,0

0,0

0,0

0,0

0,1

– 0,1

Onderzoeksbudget Bureau Europa

0,0

0,0

0,0

0,0

0,1

– 0,1

15.4 Gericht ondersteunen van de internationalisering van het Nederlandse bedrijfsleven, aantrekken van hoogwaardige buitenlandse investeringen, versterken van het draagvlak voor globalisering en bijdragen aan duurzame ontwikkeling, onder andere voedselzekerheid en water

54,5

58,5

62,9

46,9

73,5

– 26,6

Programma Samenwerking en Opkomende Markten1

19,3

9,6

6,6

7,8

1,8

6,0

Overige programmatische aanpak

13,1

10,1

12,0

10,3

5,1

5,2

Internationaal excelleren Package4Growth (ODA)

0,0

0,0

0,0

1,4

9,4

– 8,0

Internationaal excelleren Package4Growth (non-ODA) / Finance International Business

0,3

5,0

13,7

4,8

16,1

– 11,3

Internationaal excelleren 2g@there

0,0

8,9

11,2

8,6

11,2

– 2,6

Publiek Private Samenwerking

0,0

0,0

0,0

0,0

0,1

– 0,1

Transitiefaciliteit

0,2

0,0

0,0

0,1

5,0

– 4,9

2 Explore1

2,6

5,8

0,6

0,2

0,7

– 0,5

Prepare2start (Starters in International Business)

9,0

9,2

11,3

7,2

7,5

– 0,3

Acquisitie van buitenlandse bedrijven

1,5

1,7

1,9

2,1

2,5

– 0,4

Trustfunds1

0,0

0,0

0,0

0,4

 

0,4

Programma Uitzending Managers1

1,9

2,3

0,0

0,2

0,7

– 0,5

Bijdragen aan organisaties

0,0

0,0

0,0

0,0

8,4

– 8,4

Instrumentele uitgaven (CPA en SBU)

6,6

5,9

5,6

3,8

5,0

– 1,2

Bijdragen baten-lastendiensten

46,5

47,3

45,1

44,5

49,9

– 5,4

Bijdrage Agentschap Nederland

46,5

47,3

45,1

44,5

49,9

– 5,4

             

ONTVANGSTEN

5,4

4,9

9,1

4,9

11,8

– 6,9

Gemengde kredieten

2,0

1,5

1,6

1,6

0,7

0,9

Package4growth

     

0,0

10,0

– 10,0

Diverse ontvangsten

3,4

3,4

7,5

3,3

1,1

2,2

X Noot
1

Betreft uitfinanciering van reeds aangegane verplichtingen.

In 2012 is gewerkt aan de omvorming van het instrumentarium voor internationaal ondernemen met als doel de samenhang en complementariteit van het instrumentarium te vergroten en in de loop van 2012 een integraal pakket bedrijfsleven instrumenten open te stellen. Door de complexiteit van sommige programma’s heeft het nieuwe instrumentarium vertraging opgelopen en konden niet alle instrumenten tijdig worden opengesteld. De eerste resultaten van het nieuwe instrumentarium zijn daardoor nog niet volledig zichtbaar in 2012. Dit heeft als gevolg gehad dat zowel de verplichtingen- als uitgavenramingen voor 2012 bij Najaarsnota 2012 zijn bijgesteld.

Toelichting op de verplichtingen

De lagere verplichtingenrealisatie is met name veroorzaakt door:

Bijdrage Agentschap Nederland

Omdat opdrachten aan de baten-lastendiensten administratief niet meer in jaar t-1 maar in jaar t worden verstrekt, is de verplichtingenrealisatie in 2012 € 41,3 mln lager uitgevallen. Dit betreft een technische aanpassing, de verplichting wordt in 2013 alsnog vastgelegd.

Package4Growth/Finance International Business

Het non-ODA deel van het instrument Package4Growth is in 2012 omgezet in het nieuwe instrument Finance International Business (FIB). Vertraging in de uitwerking van het nieuwe instrument, heeft er voor gezorgd dat er in 2012 ook vertraging is opgetreden in het aangaan van verplichtingen (€ 13,7 mln).

Package4Growth ODA

De ODA-middelen zijn in 2009 aan de EZ-begroting toegevoegd om in te zetten via de kennisverwervingsmodule van Package4Growth op China en India, ten behoeve van de transitie van een ontwikkelingsrelatie naar een economische relatie. In 2012 stond € 7,4 mln geraamd. Omdat China en India niet meer vanuit ODA gefinancierd worden, was het in 2012 niet mogelijk om verplichtingen aan te gaan op het ODA-budget. Het beleid voor Buitenlandse Handel is, op grond van het Regeerakkoord VVD-PvdA «Bruggen slaan», overgegaan naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken als onderdeel van de nieuwe programmabegroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. In dat kader wordt bezien hoe de resterende ODA-middelen op een goede manier kunnen worden ingezet.

Prepare2Start (Starters in International Business)

Het instrument Starters in International Business is een nieuw instrument voor Starters op buitenlandse markten. Oorspronkelijk stond er € 8 mln geraamd. Door de veranderde focus en de late start van het nieuwe instrument zijn minder verplichtingen aangegaan, maar wordt het door de beschikbare middelen wel mogelijk extra in te zetten op Strategische beurzen, onder andere voor de Topsectoren. Dit zal in 2013 een vervolg krijgen.

Transitiefaciliteit

In 2012 is samen met Buitenlandse Zaken/Ontwikkelingssamenwerking gewerkt aan de vormgeving van de Transitiefaciliteit. De Transitiefaciliteit heeft als doel de bilaterale ontwikkelingsrelatie om te vormen naar economische samenwerking, middels inzet van Nederlandse Kennis. Doordat dit instrument pas in de loop van 2012 is gestart konden in 2012 niet alle verplichtingen tijdig worden aangegaan (€ 4,5 mln).

Toelichting op de programma-uitgaven

Operationele doelstelling 15.1 Bevorderen van vrij internationaal handelsverkeer en versterken van de mondiale economische rechtsorde, met aandacht voor maatschappelijke verantwoordelijkheid

Doelbereiking

Er zijn in 2012 nieuwe stappen gezet die de openheid van de wereldeconomie bevorderen voor het internationaal opererend bedrijfsleven. Op multilateraal vlak is in 2012 weer beweging gekomen in de onderhandelingen over enkele deelakkoorden van de WTO Doharonde, specifiek handelsfacilitatie en enkele regelingen voor Minst Ontwikkelde Landen. Economische Zaken draagt actief bij aan discussies hieromtrent in Brussel en Geneve. Het doel is om eind 2013 deze deelakkoorden succesvol af te ronden tijdens de negende WTO Ministeriële Conferentie te Indonesië. Het WTO systeem staat als regelgevend kader voor de wereldhandel overeind. De recente toegang van de Russische Federatie in augustus 2012 tot de WTO levert nieuwe markttoegang op en meer rechtszekerheid. Tevens is de EU gestart met de voorbereidingen op onderhandelingen over een plurilaterale overeenkomst op het gebeid van diensten. Naast de EU nemen 20 landen deel (onder meer de Verenigde Staten, Japan, Chili, Pakistan, Zwitserland). Het streven is om meer markttoegang met elkaar af te spreken alsmede om elkaars regelgeving op gebied van diensten op elkaar af te stemmen. Economische Zaken streeft ernaar dat dit initiatief uiteindelijk in het WTO-systeem wordt opgenomen wanneer er voldoende WTO-leden toetreden.

Met betrekking tot vrijhandelsakkoorden heeft de EU, als eerste bouwsteen in de ASEAN regio, bilaterale onderhandelingen met Singapore afgerond in december 2012. Andere belangrijke momenten in 2012 vormden de start van onderhandelingen met Georgië, Armenië, Moldavië en Vietnam alsook de formele ondertekening van de vrijhandelsakkoorden met Colombia/Peru en Centraal Amerika. Voorbereidingen voor toekomstige onderhandelingen met Japan, de Verenigde Staten en Marokko zijn gestart.

Op het gebied van investeringsbescherming werden de onderhandelingen voor een EU-Verordening voor een transitieregime voor bestaande investeringsbeschermingsakkoorden (IBO’s) afgerond. EZ heeft zich met succes sterk gemaakt voor het behouden van de Nederlandse IBO’s. Deze blijven in beginsel bestaan tenzij ze door EU IBO’s vervangen worden. Een tweede succes is de afronding van de IBO onderhandelingen met Azerbeidzjan medio september 2012. De intentie is om deze IBO in de loop van 2013 te ondertekenen.

Op het gebied van de controle op de uitvoer van strategische goederen is in 2012 aangescherpte regelgeving voor doorvoer van militaire goederen door Nederland geïntroduceerd. Dit bestaat uit een uitbreiding van de vergunningplicht bij doorvoer en introductie van twee algemene doorvoervergunningen. De regelgeving voor overdrachten van militaire goederen binnen de EU is gewijzigd door de implementatie van een Europese richtlijn inzake intraverkeer. Voor deze EU-overdrachten zijn vier algemene overdrachtsvergunningen gepubliceerd. Daarnaast kunnen bedrijven een certificering aanvragen waardoor ze eenvoudiger vanuit andere EU-lidstaten militaire goederen toegeleverd kunnen krijgen.

De gezamenlijke invoering met het Ministerie van Financiën van een volledig geautomatiseerd systeem voor de administratie en behandeling van vergunningaanvragen voor strategische goederen heeft in 2012 vertraging opgelopen, de nieuwe streefdatum is eind 2013.

De bijdrage van Economische Zaken aan duurzame globalisering krijgt in belangrijke mate vorm via het beleid op het gebied van Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen. Met de Sociaal Economisch Raad (SER) is constructief kritisch overleg gevoerd over de voortgang van zijn internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO) initiatief. De acceptatie van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) Richtlijnen als normatief kader en de wens van de sociale partners om het initiatief voort te zetten – met due diligence als thema voor 2013 – zijn verwelkomd. Via de Vereniging van Beleggers in Duurzame Ontwikkeling zijn in een groot aantal aandeelhoudersvergaderingen van beursgenoteerde bedrijven de OESO Richtlijnen expliciet onder de aandacht gebracht. Binnen de OESO speelt Nederland een leidende rol op het vlak van de verheldering van de relevantie van de OESO Richtlijnen voor de financiële sector. De bevordering van de naleving van de OESO Richtlijnen is voorts een centraal thema bij de – in 2012 aangevangen – voorbereiding van het Nationaal Actieplan voor de implementatie van de UN Principles for Business and Human Rights (Ruggie). Voorts heeft Nederland tijdens zijn voorzitterschap van de Voluntary Principles on Security and Human Rights (VP’s) de organisatie van dit initiatief op het vlak van due diligence in de extractieve industrie helpen versterken.

Toelichting budgettaire verschillen

De hogere realisatie is met name het gevolg van een administratieve verschuiving binnen artikel 15. De raming van de uitgaven voor de internationale contributies voor onder andere United Nations Environment Programme (UNEP) en Food and Agriculture Organization (FOA) op artikelonderdeel 15.4, is verplaatst naar artikelonderdeel 15.1. Daar worden ook de andere internationale contributies voor de WTO en de OESO geraamd.

Operationele doelstelling 15.2 Bevorderen van goede beleidskaders gericht op het versterken van het concurrentievermogen en de interne

Doelbereiking

De Europese Unie verkeert op dit moment in de heftigste economische crisis sinds de Tweede Wereldoorlog. Het bruto binnenlands product (BBP) in de Europese Unie kromp in 2012 met 0,3% en meer dan één op de vijf Europese burgers is werkloos. De jeugdwerkloosheid is in sommige lidstaten zelfs boven de 50% gestegen. EZ heeft zich in 2012 ingezet voor het versterken van het groei- en concurrentievermogen van de Europese Unie en het verbeteren van het budgettair en macro-economisch toezicht in de Europese Monetaire Unie (EMU).

Het afgelopen jaar zijn enkele belangrijke besluiten genomen om de economische stabiliteit in de Europese Unie te verbeteren. In 2012 heeft het tweede Europese semester plaatsgevonden, met als aftrap de publicatie van de Annual Growth Survey door de Europese Commissie, waarin vijf prioriteiten voor groeiversterking in 2012 zijn opgenomen. Vervolgens is in april 2012 door de Minister van Economische Zaken het Nationale Hervormingsprogramma gepresenteerd, waarin Nederland haar maatregelen op de landenspecifieke aanbevelingen uiteen heeft gezet. Zo zijn er in 2012 belangwekkende stappen gezet ter vermindering van het buitensporig tekort op de overheidsbegroting, door de pensioensgerechtigde leeftijd stapsgewijs te verhogen, door samenvoeging van regelingen aan de onderkant van de arbeidsmarkt om het stelsel van sociale zekerheid meer activerend te maken, door innovatie te stimuleren in het kader van het topsectorenbeleid en door het recht op renteaftrek te beperken tot hypotheken met annuïtaire aflossing. Met betrekking tot economische beleidscoördinatie heeft Economische Zaken in EU-verband gepleit voor het optimaal inzetten van bestaande instrumenten. Daarbij kan worden gedacht aan het versterken van de macro-economische onevenwichtighedenprocedure via meer automatisme bij het opleggen van sancties.

Economische Zaken heeft zich ingespannen om het groei- en concurrentievermogen van de Europese Unie te versterken. De Minister-President en de Minister van Economische Zaken hebben, gezamenlijk met gelijkgestemde lidstaten, de voorzitter van de Europese Commissie en de voorzitter van de Europese Raad hiertoe opgeroepen. Nederland zet in op het versterken van de interne markt, verminderen van de administratieve lasten, stimuleren van innovatie, het vergemakkelijken van de toegang tot kapitaal voor bedrijven en goede toegang tot markten buiten de Europese Unie. Dit vraagt om maatregelen zowel op Europees als op nationaal niveau.

Met name op het gebied van de interne markt is er in 2012 de nodige voortgang bereikt. Ter ere van het twintigjarige bestaan van de interne markt ontving de Minister van Economische Zaken op 19 oktober Europees Commissaris Barnier en een groot aantal ondernemers van zowel multinationale ondernemingen als het Midden- en Kleinbedrijf (MKB).

Economische Zaken heeft binnen Nederland een coördinerende en aanjagende rol als het gaat om het verbeteren van de interne markt. Economische Zaken monitort de voortgang van alle relevante voorstellen binnen de interne markt en heeft zich in de Raad voor Concurrentievermogen ingezet voor een spoedig akkoord op de voorstellen die voortgekomen zijn uit de Single Market Act I, in het bijzonder de afronding van de onderhandelingen over het unitair octrooi. Hierdoor wordt het aanzienlijk eenvoudiger en goedkoper voor ondernemers om hun uitvindingen in 25 EU-landen beschermd te krijgen. Dit zal een nieuwe impuls kunnen geven aan de innovatiekracht van de EU. Economische Zaken heeft zich hiervoor ingespannen, mede vanwege het hoge aantal octrooiaanvragen dat in Nederland plaatsvindt. Van alle EU-landen neemt Nederland de vijfde plaats in op de ranglijst van octrooiaanvragen. Op de wereldranglijst staat Nederland op de negende plek. Ook op het gebied van het aanbestedingenpakket zijn in de Raad door inzet van Economische Zaken belangrijke stappen gezet. Op veel punten zijn de richtlijnen aangepast in lijn met de Nederlandse inzet. Zo kan de mededingingsprocedure met onderhandelingen ruimer worden toegepast en wordt de Eigen Verklaring voor de hele EU toepasbaar. Ook worden de lidstaten verplicht om elektronisch aanbesteden te realiseren binnen tweeënhalf jaar nadat de implementatietermijn van de richtlijn afloopt en het voorgestelde nationaal toezichtorgaan is geschrapt. Om de prioriteiten voor het nieuwe actieprogramma voor de interne markt te beïnvloeden, heeft Economische Zaken een brief aan de Europese Commissie gestuurd waarin Nederland zijn prioriteiten ten aanzien van de interne markt uiteen heeft gezet. Deze Single Market Act II is in oktober 2012 gepubliceerd door de Commissie.

Ook in de Energie- en Telecomraad en de Landbouw- en Visserijraad heeft Economische Zaken zich ingezet voor het versterken van de concurrentiekracht van de EU en voor groene groei van de EU-economie. In de Energie- en Telecomraad heeft die inzet zich gericht op energie- en klimaatdoelstellingen en een goede werking van de energie- en telecommunicatiemarkt. In de Landbouw- en Visserijraad is veel tijd gewijd aan de (nog niet afgeronde) onderhandelingen over de hervorming van het Gemeenschappelijk Landbouw- en Visserijbeleid. Economische Zaken streeft daarbij naar een landbouw- en visserijsector van de EU die op wereldniveau toonaangevend is en concurrerend blijft, met een focus op innovatie en verduurzaming.

Operationele doelstelling 15.3 Bevorderen van internationaal ondernemen en ondersteunen van het Nederlandse bedrijfsleven in kansrijke markten en sectoren en

Operationele doelstelling 15.4 Gericht ondersteunen van de internationalisering van het Nederlandse bedrijfsleven, aantrekken van hoogwaardige buitenlandse investeringen, versterken van het draagvlak voor globalisering en bijdragen aan duurzame ontwikkeling, onder andere voedselzekerheid en water

Doelbereiking

2012 was een jaar van veel veranderingen; veel instrumenten zijn aangepast en op grond van het Regeerakkoord VVD-PvdA «Bruggen slaan» is het besluit genomen dat er een Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking is gekomen op het Ministerie van Buitenlandse zaken.

Een van de doelstellingen voor 2012 was de samenhang en complementariteit van het instrumentarium Internationaal Ondernemen te vergroten. Hiertoe is in de loop van 2012 een nieuw integraal pakket bedrijfsleven instrumenten opengesteld, is de dienstverlening ingericht op basis van een modulaire aanpak en zijn in 2012 onderstaande essentiële wijzigingen in het instrumentarium Internationaal Ondernemen doorgevoerd. Door de complexiteit van sommige programma’s heeft het nieuwe instrumentarium vertraging opgelopen, konden niet alle instrumenten tijdig worden opengesteld en zijn in 2012 nog niet alle resultaten meetbaar. Met de overgang van buitenlandse handel naar de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking wordt de samenhang tussen de producten en diensten op het snijvlak van buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking verder in kaart gebracht.

Op basis van de resultaten van de evaluatie die in 2011 is uitgevoerd en op basis van gesprekken met bedrijven en met topsectoren is een begin gemaakt met de nieuwe publiek-private aanpak. Het 2g@there programma is beëindigd en opgevolgd door een instrument voor publiek-private samenwerking, Partners for International Business (PIB). Deze nieuwe publiek-private samenwerking sluit aan bij het beleid voor de topsectoren. Vraagsturing en kans-signalering staan hierbij centraal. Door een actieve rol van het postennetwerk bij PIB wordt de internationale participatie van de Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen uit de topsectoren in voornamelijk de opkomende markten vergroot.

De subsidiemogelijkheid voor Collectieve Promotionele Activiteiten (CPA), volgens de open tendersystematiek, is stopgezet en omgezet in een modulaire vorm onder de publiek-private aanpak.

Het instrument Prepare2Start is vervangen door het instrument Starters in International Business. De succesvolle elementen zijn behouden gebleven, evenals het doel om het aantal nieuwe ondernemers te vergroten door starters op verschillende manieren bij te staan. Het belangrijkste verschil ten opzichte van het oude Prepare2Start is dat de focus ligt op het advies- en begeleidingstraject van de ondernemer en zijn internationaliseringsstrategie en de financiële component beperkt is. In 2012 is de modulaire aanpak onder andere effectief gebleken door naar gelang de behoefte van het Nederlandse bedrijfsleven de gewenste mix van informatie en adviesproducten Internationaal Ondernemen in te kunnen zetten en de dienstverlening hierdoor relatief gemakkelijk op- en af schaalbaar te maken. Voor de doorontwikkeling van het nieuwe «Startpakket Internationaal Ondernemen» zal ook de verdere oplevering van de Ondernemerspleinen een grote rol spelen.

Een van de belangrijkste knelpunten in zaken doen op de opkomende markten is gelegen in de financiering van investeringsprojecten van Nederlandse bedrijven. Package4Growth is daarom omgevormd tot de co-investeringsfaciliteit Finance International Business. Daarnaast is samen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken een Transitiefaciliteit vormgegeven voor de (bijna-) middeninkomenlanden, ten behoeve van de transitie van een ontwikkelingsrelatie naar een economische relatie. Het beleid voor Buitenlandse Handel is onderdeel geworden van de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en in dat kader wordt in 2013 bezien hoe de Transitiefaciliteit verder vorm krijgt.

In 2012 hebben 14 economische missies onder leiding van een bewindspersoon en/of op hoog ambtelijk niveau plaatsgevonden. Onder andere naar Brazilië, Colombia, India, Turkije en Zuid-Korea. In de bezochte landen vergt succesvol zakendoen een lange adem. Niettemin heeft ongeveer 25% van de bedrijven al opdrachten kunnen boeken ter waarde van totaal € 100 mln19. Daarnaast zijn vanuit de overheid verscheidene succesvolle economische missies met bedrijvendelegaties georganiseerd (onder andere naar Birma, Irak, Marokko en Qatar) en vond een handelsmissie naar Tanzania plaats. Ook in deze landen blijken goede kansen aanwezig voor Nederlandse bedrijven in onder meer de watersector, de landbouw- en voedselverwerkende industrie en de sectoren logistiek/infrastructuur en energie.

Via het Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) zijn in 2012 170 buitenlandse investeringsprojecten binnengehaald. Deze waren goed voor € 930 mln aan investeringen en 5.166 arbeidsplaatsen. Hiermee was 2012 een uitstekend jaar waar aan de hiervoor gestelde streefwaarden ruimschoots is voldaan.

Bijzondere aandacht was er voor hoogwaardige projecten (waaronder hoofdkantoren). Hoogwaardige investeringen zijn projecten waar de Nederlandse economie het meest van profiteert. 49% van de projecten die NFIA heeft binnengehaald kwalificeren zich als hoogwaardig.

Wat betreft herkomst komt de helft van de projecten uit Azië en ongeveer een derde uit de Verenigde Staten. Naar verwachting zullen de opkomende markten de komende jaren steeds belangrijkere investeerders worden. Om NFIA hier nog beter op aan te sluiten is in 2012 een nieuw kantoor in São Paulo geopend, het eerste NFIA kantoor in Brazilië.

De strategische acquisitieaanpak is verder doorontwikkeld in 2012. De pilotprojecten Chemie en Agrofood zijn betrokken geweest bij de realisatie van respectievelijk negen en twee projecten in 2012. Er werden voor deze pilots projectteams opgezet waarbij de strategische acquisitie experts en de reguliere NFIA-projectmanagers gezamenlijk werkten aan nieuwe en bestaande projecten. Ook is de inbedding van de strategische aanpak in het reguliere acquisitiewerk verder bevorderd.

Tot slot heeft in 2012 een aantal bijeenkomsten van de werkgroep Vestigingsklimaat plaatsgevonden. In deze werkgroep hebben Rijk, regio en vertegenwoordigers van internationale investeerders in Nederland zich het afgelopen jaar bezig gehouden met de «zachtere» factoren van het vestigingsklimaat, zoals Engelstalige dienstverlening door de overheid en het inventariseren van de behoefte naar internationale scholen.

Toelichting budgettaire verschillen

In 2012 zijn een aantal programma’s afgerond. Dit heeft ertoe geleid dat bij het Programma Samenwerking Oost-Europa en de Overige Programmatische Aanpak de kasrealisatie hoger is dan geraamd (totaal € 11,3 mln).

Daar staat tegenover dat door de aanpassing van het instrumentarium voor internationaal ondernemen vertraging is opgetreden in de uitfinanciering van de nieuwe instrumenten Finance International Business (FIB, € 6 mln) en de transitiefaciliteit (€ 4,9 mln).

Voor een verklaring van de lagere realisatie op het instrument Package4Growth ODA (€ 8 mln) en Package4Growth non-ODA (€ 5,3 mln) wordt verwezen naar het daarover gestelde onder het kopje verplichtingen.

Voor de lagere realisatie (€ 8,4 mln) op het instrument Bijdragen aan Organisaties wordt kortheidshalve verwezen naar het daarover gestelde onder artikelonderdeel 15.1.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Indicator

Raming 2012

Realisatie 2012

Bron

Aantal bedrijven dat succesvol internationaliseert met behulp van een van de producten gericht op (individuele) begeleiding van bedrijven

1.750

nnb1

AgNL

X Noot
1

nnb: nog niet bekend. Door de veranderde focus en de late start van het nieuwe instrument voor Starters (Starters in International Business) is er voor 2012 nog geen realisatiecijfer bekend voor deze indicator.

Indicator

Raming 2012

Realisatie 2012

Bron

Aantal startende clusters op kansrijke marktsector combinaties

4

0

AgNL

In de ontwerpbegroting 2012 is aangekondigd dat het instrument 2g@there over zou gaan in een nieuw instrument voor publiek-private samenwerking. De verwachting was dat binnen 2g@there in 2012 vier clusters op kansrijke marktsector combinaties zouden starten. In de loop van 2012 is het instrument Partners for International Business gestart welk heeft geresulteerd in 12 convenanten met clusters van bedrijven. Het beschikbare budget voor het vervallen instrument 2g@there is alleen gebruikt voor financiering van verplichtingen binnen reeds, in voorgaande jaren, gestarte projecten. De in de begroting 2012 aangekondigde vormgeving van een nieuwe indicator voor het vernieuwde instrumentarium zal onderdeel uitmaken van de begrotingsvoorbereiding 2014.

Partners for International Business (PIB)

Indicator

Raming

2012

Streefwaarde

Realisatie

2012

Aantal convenanten met clusters van bedrijven, (waarvan tenminste 80% binnen de topsectoren en focuslanden)?

11

11

12

In de Staatscourant zijn 11 convenanten gepubliceerd. In 2012 zijn er in totaal 12 convenanten afgesloten.

Indicator

Raming 2012

Realisatie 2012

Bron

Aantal aangetrokken projecten

150

170

AgNL

Investeringsbedrag aangetrokken projecten (x € mln)

625

930

AgNL

Aantal arbeidsplaatsen aangetrokken projecten (nieuw + behoud)

3.000

5.166

AgNL

Toelichting op de bijdragen aan baten-lastendiensten

Bijdrage Agentschap Nederland

De lagere kasrealisatie van € 5,4 mln is met name het gevolg van een kleiner opdrachtenpakket dan waarmee in de raming rekening is gehouden.

Toelichting op de ontvangsten

Package4Growth/Finance International Business

Door de lagere kasrealisatie is het in 2012 niet nodig geweest een onttrekking aan de interne reserve te doen. Als gevolg hiervan is de realisatie op de ontvangsten voor het instrument Package4Growth/Finance International Business € 10 mln lager dan geraamd. Deze middelen blijven beschikbaar voor het instrument Finance International Business.

16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Algemene doelstelling

Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Rol en verantwoordelijkheid

Het Ministerie van Economische Zaken streeft naar internationaal toonaangevende, concurrerende, sociaal verantwoorde, veilige en dier- en milieuvriendelijke agro-, visserij- en voedselketens. Nederland is de tweede agro-exporteur in de wereld en de agrofoodsector is goed voor 10% van het Bruto Nationaal Product.

De producenten zijn primair verantwoordelijk voor hun producten en productiewijze. Zij opereren op basis van normen en kaders die de overheid stelt en die goeddeels hun grondslag vinden in internationale, met name Europese regelgeving. Het Ministerie van Economische Zaken heeft als doel:

  • Het versterken van de positie van de Nederlandse agrarische en visserijketen;

  • Het zorg dragen voor hoogwaardig groen onderzoek;

  • Het voeren van adequaat fytosanitair beleid en het zeker stellen van goede gewasbescherming;

  • Het stimuleren van een duurzame veehouderij en visserij;

  • Het borgen van diergezondheid en dierenwelzijn;

  • Het zeker stellen van een adequate en duurzame voedselvoorziening/voedselzekerheid op nationaal, Europees en mondiaal niveau.

De Minister van Economische Zaken is vanuit een bewakende en faciliterende rol verantwoordelijk voor:

  • Het stimuleren en faciliteren van ondernemerschap en het scheppen van een goed ondernemersklimaat in de agrofoodsector en het wegnemen van belemmeringen;

  • Het corrigeren van de negatieve externe effecten van de landbouw en de visserij (het zogenaamde marktfalen);

  • De zorg voor een gelijk speelveld op het gebied van handelsafspraken met betrekking tot agroproducten;

  • Het voorkomen dat onveilig voedsel de volksgezondheid bedreigt en kan leiden tot verstoring van de (inter)nationale handel.

Op het terrein van gewasbescherming, mestbeleid en waterbeleid werkt het Ministerie van Economische Zaken samen met het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Op het gebied van voedselveiligheid werkt Ministerie van Economische Zaken nauw samen met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Realisatie meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Kengetal

Realisatie 2006

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Ambitie 2012

Positie Nederland op ranglijst van landen met het hoogste netto handelsoverschot

         

Positie handhaven

Brazilië

24.6

37.3

35.3

40.2

51.0

 

Argentinië

14.8

25.4

19.5

24.1

31.6

 

Nederland

18.3

21.6

21.3

22.1

24.2

 

Thailand

10.7

15.3

14.1

17.9

24.9

 

Bron: Lei/United Nations Commodity Trade Statistics Database (Corntrade)

Netto handelsoverschot

Nederland is in 2011 naar de vierde plaats gezakt. Het netto handelsoverschot van Nederland groeit nog steeds maar het netto handelsoverschot van Thailand is sneller gegroeid. Qua agrarische export is Nederland nog wel steeds de tweede exporteur ter wereld, Ook is Nederland het eerste land van Europa qua omvang van handelsoverschot voor agrarische producten. De bedragen in de tabel zijn in miljarden euro’s.

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2012

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Bron

1. Verhouding duurzame investeringen ten opzichte van totale Investeringen

           

– Totaal investeringen

€ 4 mld

2007

€ 4 mld

€ 3,7 mld

 

LEI

– Totaal duurzame investeringen

€ 2 mld

2007

€ 2,5 mld

€ 0,7 mld

 

LEI

– Verhouding duurzaam – totale investeringen

0,50

2007

0,63

0,20

 

LEI

2. Maatschappelijke appreciatiescore

7,7

2009

8,0

 

7,5%

TNS/NIPO

3. Mate van vertrouwen van consumenten in voedsel

3,3

2008

3,4

 

3,4

NVWA monitor

4. EU-OIE vrije status

7

2009

7

 

7

EU en OIE

Verhouding duurzame investeringen totale investeringen

De gegevens hebben betrekking op de ralisatie 2011. In 2011 zijn de totale investeringen in productiemiddelen 7% hoger geworden van € 3,45 mld in 2010 naar € 3,7 mld in 2011, vooral dankzij meer investeringen in gebouwen, machines en werktuigen. Maar de duurzame investeringen zijn ruim 40% gedaald tot € 727 mln in 2011. De verhouding totale – duurzame investeringen is in 2011 naar 20% gedaald. Dit komt vooral doordat minder is geïnvesteerd in duurzame stallen. Investeringen zijn ook geremd door de slechte economische situatie in vooral de glastuinbouw, varkens- en leghennenhouderij.

Maatschappelijke appreciatiescore

De gemiddelde waardering voor de agrarische sector van de Nederlander is in 2012 ruim voldoende, een 7,5. Dit is een iets lagere waardering dan in vorige jaren.

Mate van vertrouwen van consumenten in voedsel

Gelet op het feit dat de meting naar het vertrouwen van de consument geen grote schommelingen kent, is uit oogpunt van efficiency besloten om de frequentie van de metingen te verlagen. Er zal niet meer jaarlijks, maar om de twee jaar een meting worden uitgevoerd. Om die reden is eind 2012 geen meting uitgevoerd.

Dit betekent dat de score van 2011 zijnde 3,4 op een schaal van 5 ook voor 2012 wordt toegepast.

EU-OIE vrije status

Nederland is vrij van een aantal dierziekten en heeft hier een officiële erkenning voor verkregen van de OIE en/of de EU. Om de door de EU en de OIE verleende erkenningen te behouden moeten bepaalde bewakingsonderzoeken worden uitgevoerd en moet direct actie worden ondernomen om Nederland vrij te houden van deze dierziekten. De raming 2012 is gebaseerd op de waarde van 2011. Deze verwachting is in 2012 behaald. Niet voor elke ziekte wordt ieder jaar een formele schriftelijke bevestiging van de status afgegeven. Voor enkele ziekten zoals bijvoorbeeld Mond- en Klauwzeer (MKZ) is de status wel te verifiëren via de website van de OIE of de vaststelling door de OIE.

De uitgaven en prestaties die samen met de uitvoering van deze en andere bewakings- en monitoringsprogramma’s en de in 2011 bestreden incidenten van besmettelijke dierziekten worden verantwoord in het jaarverslag van het Diergezondheidsfonds.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 mln

2009

2010

2011

2012

Vastgestelde begroting 2012

Verschil

VERPLICHTINGEN

689,9

816,0

885,4

696,1

538,7

157,4

Waarvan garantieverplichtingen

14,7

52,0

58,7

43,4

 

43,4

UITGAVEN

629,7

777,7

867,3

613,8

556,0

57,8

             

Programma-uitgaven

386,2

543,7

622,0

382,9

367,8

15,1

16.1 Versterken concurrentiekracht en verduurzaming agroketens en visserij

81,8

176,5

124,6

112,2

97,2

15,0

– Agrarisch ondernemerschap en ondernemersklimaat

27,4

27,7

13,9

24,6

12,4

12,2

– Duurzame veehouderij

12,7

11,0

31,2

29,4

27,2

2,2

– Mestbeleid

0,4

3,6

5,8

7,2

8,9

– 1,7

– Visserij

9,5

11,1

13,2

13,9

7,7

6,2

– Plantaardige productie (Glastuinbouw en open teelten)

22,1

14,0

24,3

23,4

29,7

– 6,3

– Agrarische innovatie en overig

9,7

8,0

23,3

13,7

11,3

2,4

– Interne Begrotingsreserves

 

101,1

12,9

   

0,0

16.2 Borgen voedselveiligheid en -kwaliteit

21,6

16,8

15,4

12,8

14,3

– 1,5

– Risicomanagement voedselproductie

4,0

5,6

4,4

4,8

4,2

0,6

– Voedselkwaliteit en transparantie in de keten

3,6

8,0

11,0

7,6

9,2

– 1,6

– Nieuwe technologieën

0,1

0,3

0,0

0,2

0,5

– 0,3

Destructie

13,4

2,6

 

0,0

 

0,0

– Overig

0,5

0,3

 

0,2

0,4

– 0,2

16.3 Plant- en diergezondheid

18,7

72,4

25,6

23,9

26,8

– 2,9

– Verminderen milieulast gewasbeschermingsmiddelen

4,0

2,3

3,2

3,1

2,7

0,4

– Borgen plantgezondheid

1,3

5,2

2,1

1,0

1,2

– 0,2

– Verbeteren dierenwelzijn van productiedieren en gezelschapsdieren

4,3

5,7

4,8

5,8

6,1

– 0,3

– Preventieve diergezondheid

0,2

0,4

0,6

0,6

0,9

– 0,3

– Bewaken, monitoren en early warning veterinaire veiligheid

7,2

5,9

8,2

7,0

9,0

– 2,0

– Crisisorganisatie en -management

 

4,4

4,8

6,4

6,9

– 0,5

– Overig (incl. Q-koorts in 2011)

1,7

48,5

1,9

0,0

0,0

0,0

16.4 Kennisontwikkeling en innovatie ten behoeve van het groene domein

224,4

225,4

209,1

187,4

183,9

3,5

– Kennisbasis

44,4

44,0

43,3

43,0

43,1

– 0,1

– Onderzoeksprogrammering

94,7

91,3

80,0

73,5

60,8

12,7

– Onderzoeksprojecten

4,1

2,9

3,3

3,6

7,2

– 3,6

– Wettelijke onderzoekstaken

52,4

51,5

51,2

52,0

51,9

0,1

– Basisfinanciering overige kennisinstellingen

1,0

0,6

0,6

0,5

2,0

– 1,5

– Vernieuwen onderzoeksinfrastructuur

11,6

11,9

16,5

5,5

8,4

– 2,9

– Ontwikkelen kennisbeleid

7,9

13,7

7,6

4,8

5,7

– 0,9

– Innovatieprojecten

5,2

5,9

3,3

1,2

1,0

0,2

– InnovatieNetwerk

3,1

3,6

3,3

3,3

3,8

– 0,5

16.5 Borgen voedselzekerheid en internationaal en Europees landbouwbeleid

39,7

52,6

247,3

46,7

45,6

1,1

– Borgen voedselzekerheid en duurzame voedselsystemen

0,8

0,0

1,7

4,7

2,2

2,5

– Medebewind productschappen

28,1

26,0

23,6

21,4

26,0

– 4,6

– Apurement

10,6

26,4

52,0

20,5

17,2

3,2

– Interne begrotingsreserve

 

0,0

170,0

0,0

 

0,0

– Overig

0,2

0,2

 

0,0

0,2

– 0,2

             

Bijdragen baten-lastendiensten

243,5

234,0

245,3

230,7

188,2

42,5

– Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit

133,4

118,0

136,9

125,0

93,2

31,8

– Dienst Regelingen

109,3

104,0

96,6

93,2

83,7

9,5

– Agentschap NL

0,0

0,0

0,0

5,8

4,1

1,7

– Dienst Landelijk Gebied

0,8

3,0

0,4

0,3

0,2

0,1

– Rijksrederij

0,0

9,0

11,4

6,4

7,0

– 0,6

             

ONTVANGSTEN

323,5

308,0

306,9

302,6

336,9

– 34,3

Douanerechten op landbouwproducten

270,3

246,0

258,1

251,0

303,0

– 52,0

EU-ontvangsten

6,6

8,0

3,4

4,4

5,7

– 1,3

Bijdragen derogatie

0,0

5,0

4,4

4,6

4,5

0,1

Ontvangsten visserij

0,2

13,0

8,5

7,2

5,0

2,2

Ontvangsten leges

0,0

0,0

0,0

0,0

4,0

– 4,0

Interne begrotingsreserve

14,5

5,0

11,7

10,0

 

10,0

Sectorbijdrage I&R, art. 68

0,0

1,0

0,0

0,0

2,1

– 2,1

Overige ontvangsten

31,9

30,0

20,8

25,4

12,8

12,6

Toelichting op de verplichtingen

De hogere verplichtingen zijn een gevolg van hogere uitgaven (met name bijdragen aan baten-lastendiensten) maar zijn ook veroorzaakt door het later vastleggen van een deel van de DLO-programmering. Deze verplichting wordt normaal in het voorafgaand jaar aangegaan. In 2011 is dit niet geheel gebeurd voor 2012, aangezien de Innovatiecontracten Topsectorenbeleid toen nog niet gereed waren. De € 51 mln verplichtingen die hieraan zijn gekoppeld zijn in 2012 aangegaan. Verder zijn voor € 43,4 mln garantieverplichtingen aangegaan in het kader van de garantiefaciliteit Landbouw die niet in de oorspronkelijke begroting zijn opgenomen.

Toelichting op de programma uitgaven

Operationele doelstelling 16.1 Versterken concurrentiekracht en verduurzaming agroketens en visserij

Doelbereiking

Mede door de val van het kabinet Rutte I is de uitwerking van de visie lange termijn mestbeleid in het stelsel van verantwoorde mestafzet en mestverwerking, en van het vijfde actieprogramma Nitraatrichtlijn vertraagd. Staatssecretaris Dijksma heeft de Tweede Kamer per brief van 18 januari 2013 (TK II 2012/13, 33 322 nr. 8) geïnformeerd over de voornemens van haar en staatssecretaris Mansveld van I&M ten aanzien van het wetsvoorstel verantwoorde mestafzet. De inzet voor het vijfde actieprogramma Nitraatrichtlijn is in 2012 voorbereid en onderhandelingen vinden in 2013 plaats. In 2012 is onder andere de Evaluatie Meststoffenwet 2012 (zie TK, II 2011/12 33 037 nr. 21) en de monitoringsrapportage derogatie Nitraatrichtlijn (TK, II 2011/12, 33 037 nr. 35) volgens planning uitgevoerd.

Palingvissers hebben op grond van de regeling schadevergoeding dioxinepaling een tegemoetkoming ontvangen ter derving van inkomensverlies als gevolg van het vangstverbod voor paling.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2012

Realisatie

2011

Realisatie 2012

Bron

1. Realisatie normen fosfaat

78 mln kg

2002

15 mln kg

50 mln kg

 

CBS

2. Realisatie normen stikstof

420 mln kg

2002

345 mln kg

351 mln kg

 

CBS

3. % integraal duurzame stallen

0-meting

2008

6%

4,5%

 

WUR

4. Voorzorgsniveau Schol

205.000 ton

2005

518.000 ton

476.100 ton

589.341 ton

ACOM

5. Voorzorgsniveau Tong

41.000 ton

2005

36.900 ton

34.700 ton

46.700 ton

ACOM

6. Hoeveelheid alternatief gewonnen mosselzaad

2.000 ton

2006

10.000 ton

 

11.540 ton

bureau Marinx

7. Aandeel duurzame energie in glastuinbouw

0,5%

2003

1,4%

1,8%

 

LEI

8. Energie-efficiency index glastuinbouw

100%

1990

45%

48%

 

LEI

9. Energie-efficiency index voedings- en genotmiddelen-industrie (VGI)

100%

2005

88%

89,3

 

Agentschap NL

10. % innoverende agrarische bedrijven

11,6%

2006

15%

12%

 

LEI

Mestbeleid, normen fosfaat en stikstof

De indicatoren «realisatie normen fosfaat» en «realisatie normen stikstof» geven de bodemoverschotten voor beide stoffen op Nederlandse landbouwgronden weer. Zij zijn een maat voor het berekende verlies aan mineralen naar landbouwgrond, na aftrek van de opname door landbouwgewassen en vervluchtiging van stikstof. De realisatiecijfers voor 2012 zijn nog niet beschikbaar.

De realisatie fosfaat 2011: De raming voor 2011 uit de begroting 2011 (20 mln kg fosfaat) is te laag gebleken. De aanvoer van fosfaat met meststoffen als weergegeven door het CBS was hoger dan op grond van de bij het opstellen van de begroting bekende gegevens. Het CBS wijst op het in 2010 en volgens de voorlopige cijfers over 2011 toegenomen gebruik van fosfaatkunstmest ten opzichte van het (naar achteraf lijkt) incidenteel zeer lage gebruik in 2009 bij vrijwel evenveel aanvoer met dierlijke mest en afvoer met gewassen als reden 50 mln kg fosfaat (voorlopige cijfers).

De realisatie stikstof in 2011 is 351 mln kg stikstof volgens voorlopige cijfers. De raming voor stikstof voor 2011 uit de begroting 2011 (370 mln kg) is op basis van de voorlopige cijfers voor 2011 ruim gehaald.

% integraal duurzame stallen

Op peildatum 1 januari 2012 was 4,5% van de stallen integraal duurzaam. Alle sectoren laten een gestage groei zien maar er zijn wel relatief grote verschillen tussen de sectoren. Het percentage loopt uiteen van 11,0% in de pluimveehouderij tot 7,0% in de varkenshouderij en 2,9% in de rundveehouderij. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat, in vergelijking met de varkens- en pluimveehouderij, in de rundveehouderij op dit moment geen regelgeving op het terrein van ammoniak en dierenwelzijn van kracht is die nieuwbouw of verbouw van stallen noodzakelijk maakt. Het aantal duurzame stallen vertoont een stijgende trend. Een deel van de integraal duurzame stallen is nog in aanbouw, op dit moment is dat 1,7% van het totaal aantal stallen. Als al deze stallen in 2012 gerealiseerd worden zal het percentage integraal duurzame stallen eind 2012 6,2% bedragen. De rapportage met de exacte cijfers over peildatum 1 januari 2013 zal naar verwachting eind april 2013 uitgebracht worden (Bron: monitoring integraal duurzame stallen, peildatum 1 januari 2012, van der Peet et al.).

Voorzorgsniveau Schol en Voorzorgsniveau Tong

De realisatie van de voorzorgsniveaus voor tong en vooral schol vertonen een zeer gunstige ontwikkeling. De positieve werking van de meerjarige beheerplannen wordt in deze cijfers zichtbaar. De ontwikkeling van het tongbestand gaat minder snel dan het scholbestand, maar groeit gestaag. De cijfers voor 2012 betreffen voorlopige cijfers uit het juni advies 2012. Definitieve cijfers van de International Council for the Exploration of the Sea (ICES) volgen medio 2013.

Hoeveelheid alternatief gewonnen mosselzaad

In 2012 is 11.540 ton ingevangen. De raming van 10.000 ton in 2012 is dus ruimschoots gehaald. Goede kweekomstandigheden hebben hieraan een belangrijke bijdrage geleverd.

Aandeel duurzame energie in glastuinbouw

Het aandeel duurzame energie steeg in 2011 met 0,2% tot 1,8%. Voor de raming voor het beoogde doel in 2020 uit het Agroconvenant (20%) zijn nog 18 procentpunten nodig. De realisatiecijfers 2012 worden in september 2013 gepubliceerd.

Energie-efficiency index glastuinbouw

De energie efficiency is in 2011 met 2% verslechterd en bedroeg 48% ten opzichte van 1990. Dit betekent dat de glastuinbouw in 2011 52% minder primaire brandstof per eenheid product gebruikte dan in 1990. De index zat daarmee 5% af van het doel van 43% voor 2020 uit het Agroconvenant.

Energie-efficiency index voedings- en genotmiddelen-industrie (VGI)

De besparingsindex in 2011 is 89,3 (ten opzichte van 100 in 2005). Dit komt neer op een totale besparing van 10,7%, ofwel 1,9% per jaar. Dit betreft alleen procesefficiency maatregelen.

De besparingsindex over 2012 kan nog niet worden gegeven aangezien hierover nog niet is gerapporteerd door de bedrijven.

% innoverende agrarische bedrijven

In vergelijking met 2010 is het «percentage innoverende agrarische bedrijven" (percentage bedrijven dat product- of procesinnovaties heeft doorgevoerd in het betreffende jaar) in 2011 van 14,1% naar 12% gedaald. De daling heeft te maken met de ongunstiger gemiddelde bedrijfsresultaten van alle land- en tuinbouwbedrijven te samen in 2011 ten opzichte van 2010. Ook zullen hoogstwaarschijnlijk de gevolgen van de financiële crisis en het lastiger rondzetten van de financiering het innovatieklimaat ongunstig beinvloed hebben. Het realisatiecijfer voor 2012 is medio 2013 beschikbaar.

Toelichting budgettaire verschillen

Agrarisch ondernemerschap en ondernemersklimaat

De hogere uitgaven worden voornamelijk veroorzaakt door een storting van € 2 mln in de Reserve Borgstelingsfaciliteit voor toekomstige uitgaven voor flankerend beleid voor pelsdierhouders. Verder meeruitgaven (€ 1,1 mln) aan de demoregeling proefprojecten Gemeenschappelijk Landbouwbeleid.

Voorts zijn meeruitgaven (€ 8,4 mln) gedaan aan uitkeringen op verliesdeclaraties op basis van de Garantstelling Landbouw. Dit bedrag zou normaliter uit de Reserve Borgstellingsfaciliteit onttrokken zijn, maar is nu gedekt uit andere onderdelen van artikel 16 om het garantiekapitaal in de reserve op peil te houden.

Mestbeleid

De lagere uitgaven voor het mestbeleid in 2012 van € 1,7 mln worden met name veroorzaakt door het uitstel van invoering van het nieuwe beleid voor de regulering van de mestproductieomvang.

Visserij

De hogere uitgaven hangen samen met uitgaven (€ 3,9 mln) aan onder meer de Regeling Schadevergoeding dioxinepaling/krab (spoor 2 en spoor 3) en de hogere kasrealisatie (€ 2,3 mln) dan oorspronkelijk geprognosticeerd op subsidieregelingen van het Europees Visserij Fonds. Deze uitgaven zijn voor het grootste deel onttrokken aan de interne begrotingsreserve visserij.

Plantaardige productie (Glastuinbouw en open teelten)

Lagere uitgaven hangen onder meer samen met het niet doorgaan van de energienetwerken (€ 3,5 mln), omdat hiervoor geen Europese goedkeuring is verkregen. Daarnaast lagere uitgaven aan de Investeringsregeling Energiebesparing (IRE) van € 1,4 mln. Verder is het budget van de innovatieagenda energie (€ 1,2 mln) overgeheveld naar artikelonderdeel 16.40 voor onderzoek op het gebied van energiebesparing in de glastuinbouw. En voor de rest daadwerkelijk lagere uitgaven op dit terrein.

Interne begrotingsreserve Borgstellingsfaciliteit

Bedragen in €

Interne begrotingsreserve Borgstellingsfaciliteit

Stand 1/1/2012

49.186.394

+ bijschrijving rente

+ 116.007

+ storting Flankerend beleid pelsdierhouders

+  2.000.000

+ reguliere storting

+ 2.123.000

+ inkomsten garantie provisies

+ 98.000

Stand 31/12/2012

53.523.401

Deze reserve is bedoeld om de verliesdeclaraties te betalen voor afgegeven garantiestellingen aan banken waarmee innovatieve en duurzame investeringen in de landbouw en visserij worden gefaciliteerd. Hiervoor is een reguliere storting gedaan van € 2,1 mln. Daarnaast is de jaarlijkse storting van € 2 mln gedaan die benodigd is voor het flankerend beleid bij het eventuele verbod op de pelsdierhouderij (amendement van Gerven/Dijsselbloem, TK, 2010–2011, 32 609 XIII, nr 4). De verliesdeclaraties 2012 ad. € 8,4 mln zijn uit de onderuitputting op artikel 16 betaald, onttrekking uit de reserve heeft daarom niet plaatsgevonden. Zie ook de toelichting bij Agrarisch ondernemerschap en ondernemingsklimaat.

Interne begrotingsreserve Landbouw

Bedragen in €

Interne begrotingsreserve Landbouw

Stand 1/1/2012

38.916.828

+ bijschrijving van rente

91.819

+ storting Subsidie fijnstofmaatregelen

+ 10.695.000

+ storting Luchtwassers

+ 697.000

+ storting Jonge Agrariërs

+ 795.000

– onttrekking multifunctionele landbouw

– 238.000

– onttrekking VAMIL

– 408.000

– onttrekking Investeringsregeling duurzame stallen

– 2.679.000

– onttrekking SBIR biobased/agrologistiek

– 554.000

– onttrekking bijdrage Ctgb

– 1.038.000

Stand 31/12/2012

46.278.648

Fijnstofmaatregelen

Het budget voor de regeling fijnstofmaatregelen is beschikbaar gesteld in de periode 2009–2010 en vanuit een bijdrage van artikel 18 in 2012. De openstellingen van de fijnstofregeling in 2009 en 2010 werden pas vanaf 2010 en 2011 uitgefinancierd en bovendien waren er minder aanvragen dan verwacht. Vandaar dat besloten is tot nieuwe openstellingen in 2012 en 2013 (ieder € 10 mln). Om kasbudget voor deze laatste openstellingen beschikbaar te houden is het niet gebruikte deel 2012 gestort in de reserve.

Investeringsregeling duurzame stallen

De intensiveringsmiddelen voor de duurzame stallen zijn in 2009 en 2010 beschikbaar gesteld, terwijl de uitfinanciering van de openstellingen van deze regeling doorlopen naar 2013. Om kasbudget beschikbaar te houden voor de betalingen op deze openstellingen in 2013 is in 2012 het niet gebruikte kasbudget van deze regeling in de reserve landbouw gestort.

College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb)

Op het budget voor de bijdrage aan het Ctgb is een structureel tekort (na aftrek van de bijdragen van de departementen I&M, VWS en SZW) van € 1 mln. De onttrekking uit de reserve had tot doel dit tekort voor 2012 te dekken. Voor 2013 wordt eenzelfde onttrekking voorzien, waarmee het Ctgb-aandeel in de reserve is uitgeput. EZ zal met voorstellen komen om het tekort voor 2014 en verder structureel te dekken.

Interne begrotingsreserve Visserij

Bedragen in €

Interne begrotingsreserve Visserij

Stand 1/1/2012

26.870.965

+ bijschrijving van rente

+ 63.314

+ storting EVF as 2

+ 81.000

– onttrekking EVF as 1

– 1.974.000

– onttrekking EVF as 3

– 707.000

– onttrekking visserijprojecten

– 2.443.000

Stand 31/12/2012

21.891.278

Er is per saldo € 2,6 mln onttrokken aan de interne begrotingsreserve Visserij om de nationale cofinanciering van het Europees Visserij Fonds (EVF) aan te vullen. Hiervoor is de reserve ook bedoeld. Daarnaast is circa € 2,4 mln onttrokken ter dekking van de kosten gemoeid met de aalcompensatievergoeding die uitgekeerd is aan vissers die getroffen zijn door vervuiling van visstanden met dioxine. Hiermee was in de begroting geen rekening gehouden.

Operationele doelstelling 16.2 Borgen voedselveiligheid en -kwaliteit

Doelbereiking

  • Het Voedingscentrum Nederland heeft de informatievoorziening voor consumenten verzorgd op het gebied van voedselveiligheid, voedselkwaliteit en voedselverspilling. Ook Milieu Centraal heeft een deel van de informatievoorziening (met name tegengaan voedselverspilling) verzorgd.

  • Met betrekking tot verminderen van voedselverspilling in de keten is ingezet op het benutten van economische kansen voor bedrijven. Met de Small Business Innovation Research program (SBIR) Voedselverspilling heeft EZ de economische kansen gefaciliteerd.

  • EZ heeft in 2012 het laatste jaar van het Platform Verduurzaming Voedsel gefinancierd. In totaal (over 3 jaar) zijn er 51 pilots gefinancierd die betrekking hebben op verduurzaming van de voedselketen. Het gaat daarbij om verschillende sectoren, van AGF tot vleesverwerkende industrie.

  • Het schooljaar 2012–2013 is het laatste schooljaar waarin Smaaklessen door de overheid worden gefinancierd. Per 1 januari 2013 bedraagt het aantal gerealiseerde «Smaaklessen-scholen» 3.240.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Realisatie 2012

Bron

1. Mate van afname van antibiotica-gebruik in de dierhouderij

Antibiotica-gebruik in 2009

2009

20% reductie (t.o.v. 2009)

Ruim 20%

SDa/LEI

2. Nalevingsniveau HACCP-verplichting

80%

April 2009

80%

83%

(prognose)

NVWA

3. Aantal basisscholen met smaaklessen

Beperkt aantal

2005

3000

3240

EZ

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Realisatie 2011

Bron

4. Vermindering voedselverspilling

83 – 151 kg

2009

89 – 210 kg

Alterra

Mate van afname van antibiotica-gebruik in de dierhouderij

De doelstelling voor de reductie van het veterinaire gebruik van antibiotica is een reductie van 20% in 2011 en 2012 en met 50% in 2013 ten opzichte van het gebruik in het referentiejaar 2009. De gerealiseerde waarde in 2012: In de eerste helft van 2012 daalde de totale verkoop van antibiotica voor veterinair gebruik met 51% ten opzichte van dezelfde periode in het referentiejaar 2009. Dit indiceert dat de reductiedoelstelling van 50%, vastgesteld voor 2013 mogelijk al in 2012 is behaald. De streefwaarde van 20% reductie is in 2012 ruimschoots gerealiseerd. Bron: Kamerbrief november 2012, TK 29 683 nr. 142 en de bijlage bij deze Kamerbrief (Lei Maran rapportage over trends in veterinary antibiotic use in the Netherlands.

Nalevingsniveau HACCP-verplichting

Er is weinig verandering opgetreden in de schatting van de realisatie van het nalevingspercentage HACCP in vergelijking met voorgaande jaren. De prognose voor 2012 bedraagt 83%, de realisatie wordt in mei 2013 vastgesteld.

Aantal basisscholen met smaaklessen

De ramingswaarde voor 2012 was 3.000 scholen met smaaklessen. Het aantal scholen met smaaklessen per 1 januari 2013 bedraagt 3.240. Bron: Tussenrapportage Smaaklessen en Schoolgruiten 2012–2013; tabel 1 en 2.

Vermindering voedselverspilling

De doelstelling is geformuleerd om tussen 2009 en 2015 20% minder voedsel te verspillen. In 2009 bedraagt de verspilling van voedsel per hoofd van de bevolking tussen 83 en 151 kg. In 2011 bedraagt per hoofd van de bevolking de verspilling tussen de 89 en 210 kg. Om de doelstelling / streefwaarde te bereiken moet er 17–31 kg per persoon minder verspild gaan worden. Vooralsnog ligt Nederland niet op schema om dit doel in 2015 te halen. Deze indicator heeft betrekking op wat in de hele voedselketen verspild wordt (van boer tot consument) omgerekend per hoofd van de bevolking.

Operationele doelstelling 16.3 Plant- en diergezondheid

Doelbereiking

Een uitbraak van een bestrijdingsplichtige dierziekte heeft grote maatschappelijke en economische gevolgen. EZ heeft daarom enerzijds geïnvesteerd in het voorkomen ervan (preventie) en anderzijds in het tijdig opsporen ervan via gerichte monitoringsonderzoeken. Deze inspanningen hebben onder andere hun waarde bewezen bij de detectie en opvolging van de uitbraak van het Schmallenbergvirus in 2011/2012.

Het snel en adequaat kunnen reageren op dierziekten draagt in belangrijke mate bij aan het minimaliseren van de consequenties ervan. In 2012 is daarom verder geïnvesteerd in het opstellen en up-to-date houden van beleidsdraaiboeken op het gebied van diverse bestrijdingsplichtige dierziekten (onder andere Aviaire Influenza (AI), Mond- en Klauwzeer (MKZ), Klassieke Varkenspest (KVP) en Q koorts) en de paraatheid van de crisisorganisatie. Dit laatste heeft onder andere vorm gekregen via een bestuurlijke crisisoefening Afrikaanse Paardenpest samen met de paardensector.

In 2012 zijn de voorstellen van de Europese Commissie voor herziening van de nieuwe Fytorichtlijn en Verkeersrichtlijnen niet verschenen. Deze worden nu in 2013 verwacht.

Besloten is om de exportinspecties vanaf 2013 uit te laten voeren door ambtenaren van de NVWA om daarmee het internationale vertrouwen in het Nederlandse fytosanitaire stelsel verder te versterken.

Er is ingezet op versterking van de markttoegang fytosanitair voor derde landen, de uitbreiding van de beschikbare personele inzet is gerealiseerd.

Voor het uitgangsmateriaal wordt gewerkt aan herstel en versterking van de balans tussen kwekersrecht en octrooirecht. De wetswijziging waarmee een beperkte veredelingsvrijstelling in de Rijksoctrooiwet wordt geïntroduceerd, is naar de Tweede Kamer gezonden.

De beleidsdoelstelling van het verminderen van de milieulast van gewasbeschermingsmiddelen is door PBL (Plan Bureau voor de Leefomgeving) in 2012 geëvalueerd. Er is veel vermindering gerealiseerd (85%), maar de doelstelling van 95% is niet gehaald. In november 2012 is een Nationaal Actieprogramma (NAP) gepresenteerd, waarin acties en maatregelen staan conform een nieuwe EU verplichting op het duurzame gebruik van middelen. In breder kader beoogt de staatssecretaris een Nieuwe Nota Duurzame Gewasbescherming die dit voorjaar de Kamer zal bereiken.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Indicator

Referentie waarde

Peil datum

Raming 2012

Realisatie 2012

Bron

Aantal beleidsdraaiboeken voor bestrijdingsplichtige ziekten en voedselkwaliteit

5

2005

12

12

EZ

Deze indicator is gebaseerd op het aantal goedgekeurde beleidsdraaiboeken. Voor 2012 is de raming gehaald. De realisatie bedraagt 12 beleidsdraaiboeken.

Bron: http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/dieren/preventie-en-bestrijding dierziekten/beleidsdraaiboeken-dierziekten

Operationele doelstelling 16.4 Kennisontwikkeling en innovatie ten behoeve van het groene domein

Doelbereiking

  • De agenda’s van de topsectoren Agrofood en Tuinbouw/uitgangsmaterialen zijn gezamenlijk met bedrijfsleven en de kennisinstellingen verder doorvertaald in onderzoeksprogramma’s Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO) en Publieke- private samenwerking (PPS)-constructies.

  • Er is een nieuwe visie ontwikkeld op agro kennisarrangementen.

  • Er is een nieuwe aanpak agro-innovatie ontwikkeld. De beleidsinspanningen hebben zich in de eerste plaats gericht op programma’s en projecten die voortkomen uit de agenda’s van de topsectoren Agrofood en Tuinbouw/uitgangsmaterialen.

Toelichting budgettaire verschillen

Onderzoeksprogrammering

De hogere uitgaven houden verband met uitvoering van diverse projecten waarvoor bij 1e en 2e suppletoire wet budgetten vanuit betrokken begrotingsartikelen en -onderdelen zijn overgeheveld naar dit onderdeel. Meeruitgaven bij Agroketens en Visserij waren onder andere voor Ondersteuning Taskforce multifunctionele landbouw, Programma stikstof, Dierenwelzijn en Kenniskringen visserij. Op het gebied van Voedsel, dier en consument werd onder andere meer besteed in het kader van onderzoek Schmallenbergvirus. Op het gebied van internationale samenwerking was er een belangrijke meerbesteding in het kader van de ontwikkeling van de agrarische sector in Afghanistan.

Onderzoeksprojecten

De lagere uitgavenrealisatie voor niet-DLO onderzoeksprogramma’s houdt verband met uitvoering van diverse projecten binnen andere onderdelen artikel 16 waarvoor bij 1e en 2e suppletoire wet budgetten zijn overgeheveld (€ 2,3 mln) en minderbesteding in verband met vertraging van projecten (€ 1,3 mln).

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Realisatie 2011

Bron

Mate van vraagsturing van groen onderzoek door maatschappelijke actoren (beleid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties)

70%

2009

75%

85%

PROSU

Bron PROSU, vraagsturing meting 2009, 2010 en vraagsturing meting 2011, 2012

Realisatie betreft het jaar 2011. Realisatie 2012 komt in het najaar van 2013 beschikbaar.

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2012

Realisatie 2012

Bron

Positief oordeel visitatiecommissies

100%

2009

100%

100%

Visitaties

Bron Visitatiecommissies, visitatierapporten, betreft in de periode 2007 tot en met 2012 uitgevoerde visitaties.

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2012

Realisatie 2011

Bron

Kennisbenutting door beleid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties

85%

2009

85%

80%

PROSU

Bron PROSU, kennisbenutting meting 2009, 2010 en kennisbenutting meting 2011, 2012.

Realisatie betreft het jaar 2011. Realisatie 2012 komt in het najaar van 2013 beschikbaar.

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2012

Realisatie 2011

Bron

Plant Breeders index

32%

2009

>32%

33%

CPVO

Bron Community Plant Variety Office (CPVO), Annual report 2009, 2010 en Annual report 2011, 2012.

Betreft het percentage Nederlandse aanvragen Kwekersrecht van het totaal aantal aanvragen voor de EU. De resultaten over 2012 komen later in 2013 beschikbaar.

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2012

Realisatie 2010

Bron

Aantal octrooiaanvragen in de agrarische sector en verwerkende industrie

7,3%

2008

7,3%

7,4%

NL Octrooi-centrum

Betreft het percentage Nederlandse octrooiaanvragen van het totaal aantal internationale aanvragen (bij de World Intellectual Property Organization (WIPO) en bij het Europees Octrooibureau) ingediend voor de agrarische sector en verwerkende industrie. Bron NL-Octrooicentrum, Octrooi-informatie als indicator voor Innovatie in Food & Agri 2008, 2011 en Octrooi-informatie als indicator voor Innovatie in Food & Agri 2010, 2013. Realisatiecijfer betreft jaar 2010. In verband met de bescherming van octrooi-informatie stelt NL-Octrooicentrum deze informatie met vertraging beschikbaar. De gegevens over 2011 worden in 2014 gepubliceerd, die over 2012 in 2015.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Realisatie 2012

Bron

Aantal innovatienetwerken en bedrijfsprojecten groene sector gestart met bijdrage uit publieke middelen

115

2010

120

155

Dienst Regelingen

Specificatie regelingen referentiewaarde 2010: Samenwerking bij innovatie 34, Nieuwe uitdagingen Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB) 23, Innovatienetwerken 58. Specificatie regelingen realisatie 2012: Samenwerking bij innovatie 0, Nieuwe uitdagingen Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB) 33, Innovatienetwerken 122.

Operationele doelstelling 16.5 Borgen voedselzekerheid en internationaal en Europees landbouwbeleid

Doelbereiking

  • De onderhandelingen voor het nieuwe Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) zijn in 2012 gestart. Medio 2013 zullen de onderhandelingen naar verwachting worden afgerond. Individuele verschillen van de inkomenssteun zullen in de periode tot 2020 geleidelijk verdwijnen. In het instrumentarium van het markt-en prijsbeleid komt meer ruimte voor de ondersteuning van producenten- en interbrancheorganisaties. Ten aanzien van de vergroening van de inkomenssteun lijkt ruimte gecreëerd om gecertificeerde duurzaamheidsinitiatieven te belonen. In het plattelandsbeleid is de mogelijkheid opgenomen om het agrarisch natuurbeheer op collectieve leest te schoeien.

  • In september 2012 is financiële en personele ondersteuning gegeven voor het organiseren van een succesvolle conferentie georganiseerd over climate smart agriculture samen met Vietnam, de Wereldbank en de FAO.

  • Samen met het Nederlandse bedrijfsleven zijn projecten opgestart vanuit de ambassades in onder andere Egypte, Ghana, Indonesië en Kenia in het kader van programma’s voor landbouwontwikkeling en voedselzekerheid.

  • De Stichting Access to Seeds Index is met ondersteuning van EZ opgestart om te komen tot een Index waarin het mondiale zaadverdelingsbedrijfsleven, waaronder een aantal Nederlandse bedrijven, wordt gerangschikt aan naar hun inspanningen om boeren en tuinders in ontwikkelingslanden toegang tot goed zaaizaad en uitgangsmateriaal te bieden.

  • De maatschappelijke dialoog over de wereldvoedselproblematiek is actief opgezocht middels het ondersteunen van debatbijeenkomsten en verschillende publieksgerichte activiteiten op Wereldvoedseldag.

Toelichting budgettaire verschillen

Medebewind productschappen

Het verschil wordt veroorzaakt door lagere uitvoeringskosten van de productschappen voor de uitvoering van de EU-regelingen als gevolg van de afbouw van bepaalde marktordeningsregelingen zoals de suikerrestitutieregeling en de zuivelrestitutieregeling.

Het resterende budget van € 4,5 mln is via een kasschuif doorgeschoven naar de begroting 2013 om het tekort op het budget voor de productschappen in dat jaar te dekken.

Apurement

De hogere uitgaven worden veroorzaakt doordat er in 2012 een aantal audits van de Commissie over voorgaande jaren is afgesloten met een correctiebesluit. Wanneer audits worden afgesloten en of daarbij sprake zal zijn van financiële correcties is bij de vaststelling van de begroting maar zeer ten dele in te schatten. Over de volgende audits zijn correctiebesluiten vastgesteld: Toeslagrechten (2007 – 2010), Randvoorwaarden (2005 – 2008), Plattelandsontwikkeling (2007–2009), Slachtpremie (2007–2008), Exportrestitutie (2007).

Interne begrotingsreserve apurement

Bedragen in €

Interne begrotingsreserve apurement

 

Stand 1/1/2012

170.000.000

Onttrekking

– 3.195.000

Stand 31/12/2012

166.805.000

De reserve is bestemd voor door de Europese commissie opgelegde correctievoorstellen op ingediende declaraties. In 2012 is door de Europese commissie voor een bedrag van € 20,5 mln aan correctievoorstellen opgelegd. Het beschikbare budget voor 2012 was € 17,3 mln. Conform afspraken met het Ministerie van Financiën is het verschil ad. € 3,2 mln onttrokken aan de begrotingsreserve.

Toelichting op de bijdragen baten-lastendiensten

Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA)

De hogere bijdrage aan de NVWA houdt voor € 11,4 mln verband met een bijdrage in het exploitatietekort van de NVWA over 2012 (reactie op motie Jacobi). Zoals gemeld in de begroting 2013 komen de opbrengsten van de fusie vertraagd beschikbaar. Hierdoor is er sprake van hogere materiële en personele kosten (huisvesting, Informatie Communicatie Technologie (ICT) en personele kosten ten gevolge van de fusie). Hierop is een maatregelenpakket gevormd. Onderdeel hiervan betreft de afkoop van huurcontracten van niet langer benodigde huisvesting. Voor de hier aan verbonden kosten is de al bestaande voorziening voor afstoot panden op de balans van de NVWA verhoogd met met € 10 mln. Verder is de bijdrage verhoogd met € 1 mln ter dekking van personeelskosten van NVWA directeuren die bij voormalig Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) gefinancierd werden uit de Bestuursdienst en met € 1,8 mln ter compensatie van extra pensioenheffing Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) in verband met economische crisis.

Daarnaast is er een hogere bijdrage van € 2,8 mln voor gederfde inkomsten als gevolg van het niet kunnen doorberekenen van kosten boven het maximumplafond voor het roodvleesconvenant en bijdragen in tekorten op de niet-kostendekkende tarieven voor kleine slachterijen. Het restant van € 4,8 mln betreft met name een verhoging van de bijdrage om het budget in evenwicht te brengen met het vastgestelde opdrachtenpakket. De dekking voor deze laatste posten is vrijgemaakt vanuit andere onderdelen binnen artikel 16.

Dienst Regelingen

De hogere bijdrage hangt samen met het in overeenstemming brengen van het budget met het opdrachtenpakket. Dit is ook aangegeven in de brief van 21 jan 2013 aan de Tweede Kamer (de reactie motie Jacobi). Het betreft voornamelijk de financiering van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) en de uitvoering van het mestbeleid. Het merendeel van het DR opdrachtenpakket heeft immers betrekking op de uitvoering van EU verplichtingen en Europese financiering.

Toelichting op de ontvangsten

De lagere ontvangstenrealisatie van € 34,3 mln wordt veroorzaakt door het volgende:

Douanerechten op landbouwproducten

Als gevolg van de economische crisis in Europa is sprake van een afname van de hoeveelheid ingevoerde landbouwproducten. Dit leidt tot lagere landbouwheffingen.

Ontvangsten leges

Bij begrotingsvoorbereiding 2012 is vorig jaar de ontvangstenbegroting verhoogd ten behoeve van het bruto zichtbaar maken in de begroting van de ontvangsten inzake leges mest en leges Grondkamers. Deze verhoging blijkt onterecht en is bij 1e suppletoire begroting teruggedraaid aangezien Dienst Regelingen deze ontvangsten in mindering brengt van de uitgaven en ook zodanig in de jaarrekeningen verwerkt.

Interne begrotingsreserve

De onttrekkingen uit de interne begrotingsreserves landbouw en visserij hangen samen met de hogere uitgaven op Operationele Doelstelling 16.1. Voor de reserve landbouw betreft het hier vooral de investeringsregeling duurzame stallen, projecten in het kader van de multifunctionele landbouw, tekorten op de financiering van het College voor de Toelating van Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden (Ctgb), de VAMIL-compensatieregeling en de Small Business Innovation Research (SBIR) Agrologistiek/biobased (€ 4,9 mln). Bij de reserve visserij gaat het vooral om een onttrekking ter dekking van de uitgaven voor de regeling dioxinepaling/krab (spoor 2 en spoor 3) en uitgaven voor subsidieregelingen in het kader van het Europees Visserij Fonds (€ 5,1 mln).

Overige ontvangsten

De hogere ontvangsten bestaan onder andere uit terugontvangen subsidievoorschotten, hogere inkomsten provisies agrarische schadeverzekering en hogere boete-inkomsten vanuit mestbeleid Voorts zijn meerontvangsten gerealiseerd uit aflossing van een lening aan DLO als gevolg van het aflopen in 2011 van de aflossingsvrije periode.

Het Productschap Vis heeft een bijdrage geleverd voor het schelpdierenonderzoek en het onderzoek naar de effecten van de garnalenvisserij in Natura-2000 kustgebieden. Tevens heeft de provincie Gelderland een bijdrage geleverd ten behoeve van het uitvoeren van fijnstofmaatregelen in de landbouw. Vanuit de EU zijn ontvangsten gerealiseerd in het kader van het Wettelijk Visserijbeleid die zijn ingezet voor de uitvoeren van de Wettelijke Onderzoekstaken Visserij. Tenslotte heeft de Nederlandse ambassade in Kabul via het Ministerie van Buitenlandse Zaken een bijdrage geleverd voor een groen onderwijsproject in Afghanistan.

17 Groen onderwijs van hoge kwaliteit

Algemene doelstelling

Doel is Groen onderwijs van hoge kwaliteit. Hierbij streeft de minister naar:

  • Voldoende gekwalificeerde beroepsbeoefenaren voor het agrofoodcomplex en de groene ruimte.

  • Kennisverspreiding en -benutting ten behoeve van EZ-beleid, met een actieve bijdrage van het groen onderwijs.

Het Groen onderwijs is zich meer en meer aan het heroriënteren op haar positie en ondersteuning van de topsectoren Agrofood, Tuinbouw & Uitgangsmaterialen en de groene ruimte (natuur). Deze omslag wordt gevraagd vanuit het beleid en het bedrijfsleven. Het beleidsinstrumentarium is erop gericht om vanuit vraagsturing de behoeften van de topsectoren en de groene ruimte zo goed mogelijk in te vullen. Daarnaast gaat het om een actieve betrokkenheid van het groene onderwijs bij maatschappelijke opgaven.

De aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt stond centraal in 2012 en zal ook in de komende jaren prominent op de agenda staan. De Human Capital Agenda’s voor de groene topsectoren zijn in uitvoering gebracht. Kansen en beperkingen zijn geïnventariseerd binnen het veld en worden aangepakt. Denk hierbij aan mogelijkheden om vakkrachten voor de klas te krijgen, waarbij in collectief verband de interpretatieruimte rondom regelgeving gericht op naleving onderwijstijd is verkend en vastgelegd in praktische voorbeelden.

Er is geïnvesteerd in Centers of Expertise gericht op Biobased Economy en Greenports. Deze zijn tot stand gekomen mede dankzij een financiële impuls vanuit de overheid. Binnen het Middelbaar beroepsonderwijs (MBO) is geïnvesteerd in de totstandkoming van twee Centra voor Innovatief Vakmanschap gericht op de twee groene topsectoren. De verdere uitrol zal in 2013 plaatsvinden. De beide groene topsectoren beschikken dan over kennis en innovatie centra, waarin het Hoger beroepsonderwijs (HBO) en Middelbaar Beroeps Onderwijs (MBO) samen met het (Groen) bedrijfsleven participeren.

De eerste resultaten omtrent voldoende gekwalificeerde beroepsbeoefenaren worden zichtbaar. Zo is een duidelijke toename geconstateerd van de studenteninstroom binnen de richting levensmiddelentechnologie (topsector Agrofood) en ligt de deelname aan het Groen (V)MBO, HBO en Wetenschappelijk Onderwijs (WO) in verhouding gemiddeld hoger dan bij het overig onderwijs.

In 2012 zijn ook prestatieafspraken gemaakt met de Hogere Agrarische Scholen en Wageningen Universiteit over studierendement en profilering. Het Groen HBO en WO was hierop goed voorbereid gelet op de eerdere totstandkoming van het Sectorplan Hoger Agrarisch Onderwijs (HAO) 2011–2015. De ontwikkel- en schakelrol van het HAO in de groene onderwijskolom is hierbij versterkt. De ingediende plannen zijn positief beoordeeld door de Reviewcommissie Hoger Onderwijs en Onderzoek.

Binnen de Groene Kennis Coöperatie, het samenwerkingsverband van groen onderwijs, onderzoek, en praktijkwereld, is via vraaggestuurde kennisprogramma’s aansluiting gezocht bij de kennisvraag en arbeidsbehoeften vanuit de sector op landelijk en regionaal niveau. Via de regeling Kennisverspreiding en innovatie groen onderwijs heeft het Groen onderwijs innovatieve projecten uitgevoerd.

Het Ministerie van Economische Zaken heeft ingezet op een betere ontsluiting van ontwikkelde kennis middels kennisverspreidingsprojecten. De focus hierbij was duurzame ontwikkeling.

Voorbeelden zijn Smaaklessen voor het basisonderwijs, Bedrijfsnetwerken biologische landbouw, en Verbetering van dierenwelzijn in de veehouderij.

Via Natuur- en milieueducatie is basiskennis over duurzaamheid, groen, voedsel, water, energie etcetera via regionale arrangementen bij basis- en voortgezet onderwijs, bedrijven en burgers onder de aandacht gebracht, dit in samenwerking met andere overheden.

Rol en verantwoordelijkheid

Voldoende gekwalificeerde beroepsbeoefenaren voor het agrofoodcomplex en de groene ruimte

  • Door bekostiging van het in stand houden van, op actuele beroepssituaties gerichte, voorzieningen voor onderwijs aan (toekomstige) beroepsbeoefenaren in de groene sector (stelselverantwoordelijkheid). De groene instellingen functioneren binnen het wettelijk stelsel dat voor het gehele onderwijs geldt. Hierbij wordt Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) conform gehandeld.

  • Via overleg en gerichte subsidies borgen van een hoog kwaliteitsniveau van onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

  • Via gerichte subsidies en overleg met onderwijsinstellingen op basis van arbeidsmarktonderzoek voorwaarden scheppen om te voldoen aan de forse vervangingsvraag en de transitie naar een groene economie. Afspraken maken met instellingen over bevorderen doorstroom, verminderen aantal voortijdige schoolverlaters, om- her- en bijscholing, aanspreken van nieuwe groepen met name in de (rand)stedelijke omgeving.

  • Door middel van gerichte subsidies en afstemming met onderwijsinstellingen en het werkveld. Versterken van kwalificerende functies van het groen (voorbereidend) beroepsonderwijs voor de sector voedsel en groen.

  • In overleg met de instellingen accentueren van ondernemerschap waardoor leerlingen na afronding van hun opleiding een basis hebben voor de start van een eigen bedrijf in het groene domein.

Kennisverspreiding en -benutting ten behoeve van EZ-beleid, onder meer door actieve inzet van het groen onderwijs.

  • Door middel van overlegvormen en gerichte subsidies stimuleren van kennisuitwisseling tussen bedrijven, maatschappelijke organisaties, overheden, onderzoek en onderwijs (stimuleren van de gouden driehoek in de groene sector).

  • Door middel van overlegvormen en gerichte subsidies stimuleren van kennisverspreiding en -benutting ter ondersteuning van de topsectoren Tuinbouw & Uitgangsmaterialen en Agrofood. Bijvoorbeeld de totstandkoming en borging van Greenports, Food Valley, Duurzame Veehouderij en Precisielandbouw.

  • Kaders stellen voor, initiëren en subsidiëren van Natuur- en milieueducatie en het programma Leren voor Duurzame Ontwikkeling, die gezamenlijk vanaf 2013 onder een nieuw programma Duurzaam Door worden vormgegeven.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Realisatie 2011

Bron

Aanbod adequaat voor de vraag op de arbeidsmarkt

48 %

2009

49 %

1 %

ROA

De rapportage verschijnt tweejaarlijks, het laatst bekende realisatiecijfer is van 2011. De volgende publicatie verschijnt in augustus 2013. Voor de indicator «aanbod adequaat voor de vraag op de arbeidsmarkt» wijkt het resultaat sterk af van de streefwaarde. In de agrarische beroepsklasse zullen op de middellange termijn (grote) problemen ontstaan om voldoende vakkrachten, vertegenwoordigers en bedrijfshoofden te vinden. Voor 99% van de werkenden in de agrarische beroepen worden nu knelpunten onderkend, waarvan bij 54% van de werkenden grote tot zeer grote knelpunten. Het bevorderen van de aansluiting onderwijs arbeidsmarkt (door opstellen Human Capital Agenda’s, instellen Centra voor Innovatief Vakmanschap, inzet op loopbaanoriëntatie), het interesseren van nieuwe potentiële leerlinggroepen (aanboren culturele diversiteit), het tegengaan van voortijdig schoolverlaten en het vergroten van doorstroom naar hogere opleidingsniveaus zijn ingezet als middelen om het verwachte tekort te beperken.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Realisatie 2011

Bron

Aantal aandachtvelden Wageningen Universiteit in top 5 op basis internationale citatie-impactscore

2

2010

2

1

ISI Web of Knowledge The Thomson Corpo-ration

Het laatst beschikbare realisatiecijfer betreft het jaar 2011.

Beleidsconclusies

De volgende in de begroting 2012 opgenomen actiepunten zijn in 2012 conform beleidsinzet verlopen:

Algemeen onderwijsbeleid

  • De Agrarische Opleidingscentra (AOC) zijn in 2012 gestart met de voorbereidingen van de nieuwe experimenten vanuit het Ministerie van OCW met doorlopende leerlijnen Voortgezet Middelbaar Beroepsonderwijs (VMBO)/Middelbaar Beroepsonderwijs (MBO). De beoogde startdatum is 1 augustus 2014.

  • Het Hoger Agrarisch Onderwijs en Wageningen Universiteit zijn gestimuleerd om actief in te spelen op de doelen van de strategische agenda hoger onderwijs, onderzoek en wetenschap met als speerpunten 1) studiecultuur, studiesucces en onderwijskwaliteit, 2) een meer geprofileerd en gedifferentieerd onderwijsaanbod, 3) onderzoek: meer profiel en meer impact, 4) bekostiging: belonen van kwaliteit en profiel.

Onderwijs en beroepspraktijk

  • De meerjarenafspraken 2011–2015 met het Groen onderwijs: School als Kenniscentrum fase I inclusief kennisverspreiding, internationalisering en professionalisering, zijn door de Groene Kennis Coöperatie, het samenwerkingsverband groen onderwijs en onderzoek, uitgevoerd.

  • Het aantal regionale kennisprogramma’s waarin ondernemers, overheden en instellingen samenwerken is verbreed.

  • In Groene Kennis Coöperatie-verband hebben de Agrarisch Opleidingscentra, Hoger Agrarisch Onderwijs en WUR (Wageningen Universiteit en Research) nadere afspraken gemaakt over behoud en versterking van de primaire opleidingen (opleidingen voor de oorspronkelijke landbouwberoepen), behoefte aan voorzieningen voor praktijkleren en een keurmerk hiervoor.

  • Met het oog op snellere circulatie van actuele kennis is gestimuleerd dat studenten en docenten betrokken worden bij innovatieve programma’s van/voor het bedrijfsleven en andere doelgroepen. Samenwerking tussen onderwijs en onderzoek is verder geïntensiveerd. Bij de beoordeling van de werkplannen Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO) is sterker dan voorgaande jaren de nadruk gelegd op vraaggestuurde samenwerking tussen groen onderwijs, onderzoek en bedrijfsleven.

  • Het Agro-opleidingshuis is versterkt met de Hortibedrijfsschool om de scholing voor de tuinbouwsectoren te verbeteren. Bezien wordt of dit concept kan worden verbreed naar de voedingsindustrie.

  • Het sectorplan Hoger Agrarisch Onderwijs 2011–2015 met doel actief in te spelen op maatschappelijke veranderingen, ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, stelselontwikkelingen hoger onderwijs en het topsectorenbeleid is geïmplementeerd. De ontwikkel- en schakelrol van het Hoger Agrarisch Onderwijs in de groene onderwijskolom is versterkt. De internationale oriëntatie groene instellingen en samenwerking met bedrijfsleven is gestimuleerd. Onder andere om stedelijke en allochtone jongeren te interesseren voor de sector en groen onderwijs is ingezet op Sectororiëntatie en imagoverbetering.

Ontwikkeling en Beheer Natuurkwaliteit

Het Kennisnetwerk Ontwikkeling en Beheer Natuurkwaliteit (OBN) heeft concreet bruikbare aanbevelingen opgeleverd voor maatregelen gericht op efficiënt natuurbeheer, wegnemen van belemmeringen voor de economie, vergroten doelrealisatie Natura 2000, biodiversiteit en kaderrichtlijn water en tot slot voor kansen om natuurdoelen te koppelen met andere maatschappelijke belangen (veiligheid, klimaatverandering, waterkwaliteit- en kwantiteit.

Natuur- en Milieueducatie

  • Het jaarprogramma 2012 Natuur- en milieueducatie /Leren voor Duurzame Ontwikkeling, als overgangsjaar van lopende programma’s 2008–2011, is uitgevoerd. Hierin was aandacht voor lokale/regionale arrangementen op gebied van biodiversiteit, voedsel, energie en water. Een op Informatie Communicatie Technologie gebaseerde kennisinfrastructuur (Groen Gelinkt), het verbinden van Natuur- en milieueducatie /Leren voor Duurzame Ontwikkeling aan het groene kennissysteem via Groene Kennis Coöperatie programma’s als Regionale Transitie en Groene Kennis voor Burgers en professionalisering van de sector zijn verder ontwikkeld. Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft aan dit jaarprogramma bijgedragen vanuit haar rijksverantwoordelijkheid op het thema duurzaamheid.

  • Er is een meerjarenvisie op Natuur- en milieueducatie (NME)/Leren voor Duurzame Ontwikkeling (LvDO) voor de periode ná 2012 ontwikkeld en een uitvoeringsconvenant tussen Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten en werkveld opgesteld. De werkvelden NME en LvDO zullen in een nieuwe stijl onder de titel «Duurzaam Door: sociale innovatie voor een groene economie» worden voortgezet.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 mln

2009

2010

2011

2012

Vastgestelde begroting 2012

Verschil

Verplichtingen

793,4

798,7

792,8

805,1

779,0

26,1

waarvan garantieverplichtingen

     

9,0

 

9,0

Uitgaven

777,7

774,1

775,4

788,4

780,9

7,5

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

           
             

Bekostiging

           

Wageningen Universiteit

159,6

157,4

162,2

165,5

155,4

10,1

HBO-groen

63,5

64,7

67,5

78,1

66,2

11,9

MBO-groen

149,6

144,7

146,4

152,1

147,7

4,4

VOA

9,1

9,3

11,4

11,8

9,5

2,3

Wachtgelden

 

12,5

12,3

13,2

12,6

0,6

VMBO-groen

292,9

287,9

278,6

276,3

297,6

–21,4

Aequor

8,1

8,0

7,2

7,2

6,6

0,6

             

Subsidies

           

Groene Kennis Coöperatie

4,3

5,0

5,5

5,1

4,1

1,0

School als Kenniscentrum

33,6

31,4

30,5

26,8

37,3

–10,5

Kennisverspreiding en innovatie groen onderwijs

5,4

3,8

5,6

5,7

6,2

–0,5

Aanvullende onderwijssubsidies

41,7

36,0

34,6

32,8

25,9

6,9

Ontwikkeling en beheer natuurkwaliteit

1,7

2,7

2,7

1,7

1,6

0,1

NME/Leren voor Duurzame Ontwikkeling

4,3

5,5

5,0

7,5

4,0

3,5<