Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2010-2011
Vergaderingnummer 12
Datum vergadering 20 december 2010
Gepubliceerd op 25 januari 2011
Inhoudsopgave

Gerelateerde informatie


Toon alle stukken over dossier Toon alle items in vergadering



Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2011) (32504);

het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2011) (32505);

het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale verzamelwet 2010) (32401).

De voorzitter:

Ik heet de staatssecretaris van Financiën van harte welkom in de Eerste Kamer.

De beraadslaging wordt geopend.

De heer Leijnse (PvdA):

Voorzitter. Het Belastingplan is een complex geheel van wetgeving. Het bevat wetsvoorstellen van zeer uiteenlopend gewicht, van zeer diverse betekenis en van groot en beduidend minder groot politiek belang. Het geheel heeft maar ten dele een zekere samenhang en leidende gedachten zijn er soms moeilijk in te ontdekken, behoudens misschien dat alle maatregelen bij voorkeur op 1 januari aanstaande moeten ingaan.

De Tweede Kamer heeft met dit gegeven weinig moeite: men kan daar immers alle voorstellen op zich bezien en zo nodig amenderen, en ook stemt men daar over de onderdelen van het plan afzonderlijk, zodat het gebrek aan samenhang en het verschillend belang van de onderdelen geen bezwaar is. Voor de Eerste Kamer ligt dat geheel anders. Deze Kamer heeft geen recht van amendement, noch stemt zij over de onderdelen van het pakket. Bij de besluitvorming in deze Kamer moet iedere fractie dus voor haar stemgedrag een saldoafweging maken: waar zijn we het mee eens, waarmee niet en hoe zwaar wegen die beide kanten in het geheel door?

Ik begin mijn betoog met deze vanzelfsprekendheden omdat recent weer is gebleken dat hierover veel misverstand bestaat. Het aannemen of afwijzen van het Belastingplan in deze Kamer en het voor- of tegenstemmen van afzonderlijke fracties daarbij zijn voorwerp geweest van veel speculaties en interpretaties vooraf. Zo hoort men wel de opvatting dat tegen het Belastingplan stemmen een soort staatsrechtelijke doodzonde is. Dat kan een zich verantwoordelijk gedragende fractie eigenlijk niet doen. Zo wordt fracties die overwegen om tegen te stemmen bij voorbaat voorgehouden dat zij daarmee verantwoordelijk zijn voor het niet doorgaan van allerhande zeer wenselijke mooie dingen voor de mensen die ook in het plan staan. Beide stellingen berusten op een misverstand.

De VVD-fractie in deze Kamer heeft de afgelopen drie jaar tweemaal tegen het integrale Belastingplan gestemd. De SP-fractie heeft dit zelfs driemaal gedaan. Naar mijn mening hebben beide fracties totaal verkeerde politieke opvattingen, maar dat maakt hun tegenstem tegen het Belastingplan niet tot onverantwoord politiek gedrag. Deze Kamer heeft het recht, wetsvoorstellen te beoordelen en te aanvaarden of dat na te laten. Iedere fractie in dit huis heeft daarmee het recht zijn eigen afweging te maken ten aanzien van alle wetten; dat is een onvervreemdbaar parlementair recht. Indien de regering haar voorstellen zo inricht dat deze afweging voor een van beide Kamers een saldering van onvergelijkbare voors en tegens wordt, is dat een verantwoordelijkheid van de regering. Het is de regering die een verwerping van het gehele pakket – en daarmee ook van maatregelen die op zichzelf zeer wenselijk zijn en brede parlementaire steun genieten – riskeert. Als men ongelukken van dit soort wil voorkomen, moet men de voorstellen zo samenvoegen dat deze Kamer in zijn beoordeling geen politieke appels met peren moet vergelijken. Kiest de regering ervoor, deze Kamer steeds weer voor het blok te zetten door van alles in het Belastingplan aan elkaar te koppelen, dan is zij ook voluit verantwoordelijk voor de gevolgen daarvan.

Dat brengt mij op een tweede wijdverbreid misverstand, namelijk dat de integrale stem van een fractie voor of tegen het Belastingplan mag worden uitgelegd als een stem voor of tegen ieder afzonderlijk onderdeel. De VVD-fractie in dit huis heeft, zoals gezegd, recentelijk tweemaal tegen het Belastingplan gestemd hoewel beide plannen majeure lastenverlichtingen voor de hogere inkomens en het midden- en kleinbedrijf bevatten. Niemand heeft de VVD verweten, de belangen van het mkb te grabbel te gooien en al zeker niet dat deze partij de hogere inkomens in de kou laat staan. De SP-fractie heeft, zoals gezegd, driemaal tegen het Belastingplan gestemd, hoewel alle drie de plannen belangrijke fiscale maatregelen bevatten ter ondersteuning van de koopkracht van de laagste inkomens. Niemand zal de SP verwijten dat zij niet opkomt voor de koopkracht van de laagste inkomens.

De reden dat een voor- of tegenstem ter zake van het Belastingplan niet zonder meer op ieder afzonderlijk onderdeel mag worden toegepast, ligt in het feit dat de regering na verwerping van het Belastingplan als geheel nog allerlei mogelijkheden heeft om de wens van de Kamer op onderdelen uit te voeren. Zo kan een koopkrachtreparatie op allerlei manieren plaatsvinden. Zou deze Kamer de fiscale koopkrachtreparatie van AOW'ers die in het voorliggende Belastingplan is opgenomen met het hele plan verwerpen, maar overigens in meerderheid uitspreken dat zij wel een koopkrachtreparatie voor AOW'ers wenst, dan is de regering gehouden, daarvoor na 1 januari andere wegen te zoeken. En zo is het op zeer veel punten in het Belastingplan: alternatieven zijn voorhanden en een stem tegen het Belastingplan kan heel wel een stem voor die alternatieven zijn.

Voorzitter. U zult na dit betoog begrijpen dat de PvdA-fractie nog geen standpunt heeft bepaald ten aanzien van het voorliggende Belastingplan. Onze afweging zal worden gemaakt na de tweede termijn van dit debat en afhangen van de wijze waarop de regering omgaat met een aantal onderwerpen en overwegingen die ik hierna aan de orde wil stellen. Laat ik beginnen met een thema dat in deze Kamer eerder veel aandacht heeft gekregen: de integrale Vpb-heffing op de woningcorporaties. Deze heffing is in 2008 ingevoerd, maar niet dan nadat deze Kamer in een door mij medeondertekende motie van geachte afgevaardigde de heer Essers enige bedenkingen tot uitdrukking had gebracht over de mogelijk negatieve effecten ervan op de positie van de woningcorporaties. Wellicht indachtig die motie heeft de Inspecteur der Belastingen in een aantal gevallen vrijstelling van de heffing verleend waar het corporaties betrof die geheel of grotendeels woningen verschaffen aan ouderen en zorgbehoeftigen. Het lijkt in het kader van het ouderen- en zorgbeleid verstandig de investeringscapaciteit van deze corporaties niet door belastingheffing te beperken. In die zin kan men de door de inspecteur verleende vrijstellingen dus ook politiek billijken. De minister heeft echter eind 2009 anders beschikt. Hij meent dat het beroep op de vrijstellingsbepaling in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 niet kan worden gehonoreerd. De dertien zorgcorporaties die het betreft, zijn daardoor met terugwerkende kracht alsnog onder de Vpb-heffing gebracht. Daarbij gebruikt de minister als argument dat voor het verlenen van de vrijstelling de betreffende corporaties allereerst lichamen van algemeen nut moeten zijn. Waarom de minister de zorgcorporaties op voorhand niet als zodanig beschouwt, blijft vaag. Dit volgt niet uit de letter van de wet, noch uit de geest. De minister had hier dus ook voor een andere wetsinterpretatie kunnen kiezen en de inspecteur kunnen volgen. Die noodzaak klemt temeer omdat een voorgenomen wijziging van het financieringsregime van de zorgcorporaties het eveneens moeilijker zal maken voldoende investeringscapaciteit op te bouwen. Mijn fractie meent dan ook dat de regering er verstandig aan zou doen het beleidsbesluit van 8 december 2009 in te trekken en de vrijstellingsmogelijkheid voor zorgcorporaties in stand te laten.

Nu wij het toch over beleidsbesluiten hebben – een term waarvan ik nog niet eerder had gehoord, maar die weidse perspectieven blijkt te openen – springt natuurlijk ook het beleidsbesluit DV-10-339M, gepubliceerd in de Staatscourant van 2 september 2010, in het oog. In dit besluit keurt de minister goed dat het verlaagde btw-tarief met ingang van 1 oktober 2010 van toepassing is op renovatie en herstel van woningen. Dat besluit kwam niet als een verrassing, want de minister was toen al een paar keer uitgebreid op de verrekijk geweest om het volk deze boodschap te brengen. Het moet gezegd worden: de bijval voor dit besluit was en is zeer groot. Men kan altijd twisten over de effecten van tijdelijke belastingverlagingen. Worden zij wel in de prijzen doorgegeven? Zal de consument zich echt door een lagere prijs laten leiden? Ontstaat er wel meer werk of is het vooral verschuiving in de tijd? Per slot zijn die vragen niet objectief te beantwoorden. We kunnen het er echter wel over eens zijn dat een maatregel als deze een signaal is voor een bouwmarkt die het op dat moment bijzonder moeilijk had en dat dat signaal een positieve werking heeft, al was het maar puur psychologisch.

Het is in dit licht minder gelukkig dat de regering ook bij deze tijdelijke verlaging van het btw-tarief voor onderhoud en renovatie een uitzondering heeft gemaakt voor particuliere woningen die geen onroerend goed vormen, met name woonboten, woonarken en woonwagens. Het gaat hierbij om hetzelfde soort onderhoud en renovatie aan eveneens door particulieren bewoonde woningen. Die woningen zitten alleen niet aan de grond gefundeerd. De regering baseert deze uitzondering op een strikte uitleg van de Europese btw-richtlijn. Deze spreekt echter alleen van "particuliere woningen" en niet van "onroerend goed". Alle aangehaalde jurisprudentie die ziet op een strikte uitleg van het begrip "particuliere woning" heeft betrekking op situaties waarin er óf geen sprake is van een particulier, maar van een organisatie of instelling, óf geen sprake is van een woning, maar van een gebouw of behuizing. Er valt dus niet in te zien hoe zelfs bij een extreem strikte uitleg van het begrip "particuliere woning" uit de richtlijn, de woonboten, woonarken en woonwagens daar niet onder zouden vallen. Mijn fractie acht de antwoorden van de regering op dit punt verregaand onlogisch en onvoldoende en overweegt hierover in tweede termijn een Kameruitspraak te vragen.

Dat brengt mij als vanzelf bij een eerdere uitspraak van deze Kamer, en wel de vorige week aanvaardde motie-Noten betreffende de onderbrenging van de btw op podiumkunsten in het algemene tarief van 19%. De Eerste Kamer heeft zich in meerderheid tegen deze verhoging uitgesproken. Waarom? Niet omdat de wereld vergaat als de concert- en theaterkaartjes 13% duurder worden. Ook niet omdat de regering hier nu zo onzorgvuldig gehandeld zou hebben. Het kon allemaal beter, maar er zijn ook ergere dingen. Wat deze Kamer dwarszat is vooral de onevenredige cumulatie van korting op de kunstsubsidies en verhoging van de belastingafdracht op de kunsten, die bijeengenomen een gecoördineerde aanval op de economische basis van de kunstbeoefening in dit land lijken te zijn geworden. Maar meer nog heeft deze Kamer zich gestoord aan de opvatting over kunst die hierachter steekt en die in een term als "overbodige luxe" nog haar meest beschaafde uitdrukking vindt.

Nederland is langzamerhand het rijkste land van de Europese Unie geworden. Onze inkomens zijn gemiddeld het hoogst, onze werkloosheid het laagst en onze staatsschuld relatief een van de laagste in Europa. Maar met de overvloed groeit het onbehagen, om Schama's schitterende studie van de Nederlandse cultuur in de Gouden Eeuw weer eens aan te halen. Hoe rijker wij zijn, hoe ontevredener. Het gaat daarbij allang niet meer om de gerechtvaardigde klachten van 10% van de Nederlanders die hun kinderen in armoede zien opgroeien, of om de angst van duizenden mensen voor de onveiligheid in hun woonbuurt. Boven op de rechtvaardige onvrede is een dikke laag van verongelijktheid gekomen, een door niets gerechtvaardigde gekrenktheid, een afkeer van alles wat niet direct binnen onze opvattingen past, een ressentiment tegen wat anders en vreemd is. Religie, kunst en cultuur zijn van oudsher de gemakkelijkste objecten van het ressentiment. Zij trachten een zin, een betekenis te geven aan ons leven die uitgaat boven de platte werkelijkheid van alledag. Religie, kunst en cultuur zijn een onbehaaglijke kanttekening bij de materiële overvloed die ons is toegevallen. Ze stellen de kritische vraag of we deze rijkdom wel verdienen, of dit alles is om voor te leven. Van dat soort vragen houdt het ressentiment niet: weg ermee!

Hier ligt de diepere reden waarom deze Kamer zich in meerderheid tegen de voorgestelde btw-verhoging op de podiumkunsten heeft uitgesproken. Deze maatregel staat te zeer symbool voor de diepe buiging die het kabinet heeft gemaakt voor de misplaatste verongelijktheid in dit land, om een "Kamer van de Reflectie" ongemerkt te passeren. Deze Kamer past er in meerderheid voor, het ressentiment leidend te laten zijn. De regering heeft er de afgelopen week voor gekozen, dit signaal te negeren. De minister-president heeft weliswaar de mond vol van een "uitgestoken hand" naar de oppositie vanwege de noodzaak voor zijn minderheidskabinet "om met wisselende meerderheden te regeren". Maar zelfs bij zaken die budgettair of politiek van ondergeschikt belang lijken blijkt die "uitgestoken hand" volkomen leeg te zijn. Dan is dit kabinet toch een gewoon meerderheidskabinet en worden de laatste stemmen van de laatste populisten nog geteld om de parlementaire meerderheid veilig te stellen. Het kabinet heeft feitelijk geweigerd, de uitspraak van deze Kamer uit te voeren.

Moties van het parlement dienen te worden uitgevoerd, door welke van de twee Kamers zij ook zijn aanvaard. De koninklijke weg zou hier zijn geweest dat de regering afgelopen week een wetsvoorstel aan de Tweede Kamer had voorgelegd strekkende tot schrapping van de verplaatsing van de podiumkunsten naar het algemene btw-tarief uit het voorliggende Belastingplan. De Tweede Kamer had dan, rekening houdend met het gevoelen in deze Kamer, haar positie kunnen bepalen. Gezien de opstelling van de VVD in de media en zelfs bij de stemverklaringen hier vorige week, zou aanname van een dergelijk voorstel niet bij voorbaat uitgesloten zijn. In dat geval hadden wij het vandaag over dit onderwerp kort kunnen maken.

De regering heeft deze weg niet willen gaan. Dat de Tweede Kamer de novelle mogelijk zou hebben verworpen is daarvoor geen excuus. Wij kunnen slechts vaststellen dat de regering geen poging heeft gedaan om de uitspraak van deze Kamer uit te voeren. Maar het is nog niet te laat. De eerder aangehaalde verlaging per 1 oktober jongstleden van het btw-tarief op arbeidskosten bij renovatie en onderhoud laat zien dat zulks kennelijk bij beleidsbesluit kan worden geregeld. Wel vereist het legaliteitsbeginsel dat wetswijziging achteraf met terugwerkende kracht noodzakelijk is, maar de legalisering is niet aan een termijn gebonden, noch staat dit de inwerkingtreding van het besluit in de weg. Zo kan men dus bij ministerieel besluit zelfs halverwege het jaar een btw-tarief effectief verlagen. Indien het Belastingplan door deze Kamer wordt aanvaard, zal voor de podiumkunsten per 1 januari het algemene tarief van 19% van kracht worden. Het staat de regering vrij nog dezelfde dag een besluit te nemen om het tarief tijdelijk weer op 6% te stellen en vervolgens een wijziging van de Wet op de omzetbelasting voor te bereiden waarin dit "gelegaliseerd" wordt. Effectief zou daarmee de wens van deze Kamer worden uitgevoerd.

De Kamer kan niet volstaan met kennis te nemen van het feit dat de regering weigert, de uitdrukkelijke wens van deze Kamer uit te voeren. Haar uitspraken zijn niet vrijblijvend. Ik zou daarom de regering nog een kans willen geven om de motie-Noten naar de geest uit te voeren. De reactie van de staatssecretaris op mijn suggestie, dit naar analogie van de btw op renovatie en onderhoud te regelen bij beleidsbesluit, wacht ik met bijzondere belangstelling af. Wil de regering ook hierin de Kamer niet tegemoetkomen, dan zal ik in tweede termijn een nieuwe uitspraak aan de Kamer voorleggen van deze strekking.

Ik merkte eerder op dat religie, kunst en cultuur de gemakkelijkste objecten zijn van het ressentiment. In zijn moderne politieke gedaante heeft het ressentiment zich daarnaast evenzeer gekeerd tegen het milieu. Duurzaamheid en rentmeesterschap van onze leefomgeving moesten van de gedoogpartner van dit kabinet wat minder prominent worden in het beleid en dus kan er hier en daar in de milieusubsidies worden gesneden. Een klein, maar niet onbelangrijk element daarin is de voorgestelde vermindering van de fiscale tegemoetkoming voor groene en maatschappelijke beleggingen. Deze beleggingen zijn essentieel voor de financiering van belangrijke innovaties in duurzame land- en tuinbouw, energiebesparing et cetera. Het grote risico en lage rendement van deze noodzakelijke investeringen wordt door de fiscus terecht gecompenseerd met een vrijstelling van de vermogensrendementsheffing en een heffingskorting van 1,3%, tezamen een belastingsubsidie van 2,5%. Door een amendement van de ChristenUnie in de Tweede Kamer zal deze subsidie in 2011 nog 2,2% bedragen en daarna in drie jaar teruglopen naar alleen de vrijstelling van 1,2%. De Rabobank, die met bijna de helft van deze beleggingen in portefeuille marktleider is, heeft laten zien dat een tegemoetkoming van minimaal 2% nodig is om deze wijze van investeren rendabel te maken. Deze bank heeft er ook op gewezen dat innovatie en duurzaamheid in de land- en tuinbouw, waar ons land zich internationaal zo graag op laat voorstaan, niet zonder deze beleggingen kunnen. Mijn fractie is op deze gronden sterk gekant tegen de verlaging van de subsidies op groen en maatschappelijk beleggen. Zij meent dat met de stap die in het voorliggende Belastingplan wordt gemaakt naar verlaging van de heffingskorting tot 1% in 2011 de grens bereikt is. Het is budgettair mogelijk en uit duurzaamheidsoogpunt wenselijk dat het bij deze verlaging blijft, temeer daar de banken hebben aangegeven mogelijkheden te zien om het oneigenlijk beroep op de regeling te beperken door aanscherping van de voorwaarden. Ik verzoek de regering dan ook, uiterlijk bij indiening van het belastingplan voor 2012 voor te stellen, de heffingskorting op groen en maatschappelijk beleggen vanaf 1 januari 2012 te handhaven op 1%, met behoud van de vrijstelling.

Het Belastingplan bevat ook nu weer een pakket koopkrachtreparaties. Voor zover het de lagere inkomens en middeninkomens betreft, heeft de PvdA-fractie daar geen enkel bezwaar tegen. Door de gekozen fiscale instrumenten heeft het pakket echter ook belangrijke positieve koopkrachteffecten voor de bovenmodale en hogere inkomens. Sterker nog: van de totaal 1,55 mld. lastenverlichting voor de burgers komt 40% bij het hoogste kwart van de inkomens terecht en nog eens 30% bij het op een na hoogste kwart. Slechts een kleine 450 mln. belastingverlaging slaat neer bij de laagste inkomens en de lagere middeninkomens. Daarmee is deze wijze van koopkracht repareren nodeloos duur en de resultaten ervan slaan vooral neer op plaatsen waar zij niet of minder nodig zijn. Een kabinet dat geen gelegenheid voorbij laat gaan om te benadrukken dat wij moeten versoberen en dat de sanering van de overheidsfinanciën nu voor alles gaat, gooit hier achteloos 1 mld. over de balk.

De fractie van de Partij van de Arbeid is een groot voorstander van hantering van de fiscale instrumenten om de koopkracht en daarmee de binnenlandse bestedingen te ondersteunen. Het is echter bekend dat hoe hoger het gezinsinkomen, hoe minder een koopkrachttoename neerslaat in meer binnenlandse bestedingen, nog afgezien van de sociale onwenselijkheid van vergroting van de welvaartsverschillen. Als het kabinet de reparatie niet via de heffingskortingen aan de voet, maar via de tarieven had ingezet, zouden wij de lagere inkomens kunnen helpen en zouden wij veel geld kunnen besparen. Dat zou bezuinigingen elders overbodig hebben gemaakt. Ook met niet-fiscale middelen zou een bevredigende koopkrachtreparatie voor de lagere inkomens kunnen worden bereikt die aanmerkelijk goedkoper zou uitvallen dan de 1,55 mld. die wij nu voorgelegd krijgen. In dit licht heeft de fractie van de Partij van de Arbeid weinig goede woorden over voor het voorliggende koopkrachtpakket.

Met de onnodige koopkrachtreparatie voor de hogere inkomens neemt het potverteren in het Belastingplan echter geen einde. Ook de verlaging van het algemene tarief in de vennootschapsbelasting van 25,5% naar 25% ten koste van 210 mln. is een volkomen overbodig cadeau aan het grote bedrijfsleven. De eerder als tijdelijk ingezette verlaging van het tarief voor winsten tot twee ton die met name bij het midden- en kleinbedrijf neerslaat, had en heeft onze instemming. De parallelle verlaging van het tarief voor hogere winsten met 0,5% mist echter elke grond. Alle ons omringende landen die voor de vestiging van internationale bedrijven een mogelijke concurrent zijn, hebben hogere tot aanzienlijk hogere tarieven. Ons land heeft het dus voor zijn vestigingsklimaat in het geheel niet nodig om met de prijs van de winstbelasting te concurreren. Gezien onze relatieve rijkdom en zeer lage werkloosheid, ook in vergelijking met de Europese buren, zou men deze wijze van oneigenlijke concurrentie eerder een vorm van asociaal en anti-Europees gedrag kunnen noemen: overvloed die vraagt om nog meer overvloed. Inmiddels neemt het onbehagen over onze internationale opstelling ook elders toe.

De fractie van de Partij van de Arbeid treft in het Belastingplan 2011 een paar dubieuze voorstellen aan. Wij wegen deze voorstellen zwaar, mede omdat zij in een aantal gevallen, hoe futiel ook, symbool staan voor een politiek sentiment dat wij ten principale afwijzen. Wij vinden op een aantal plaatsen ook voorstellen die onze volle instemming hebben. Mocht de Partij van de Arbeid aan het eind van dit debat komen tot een afweging waarbij de door ons verworpen voorstellen het meeste gewicht in de schaal leggen, dan zullen wij ons daarbij de vraag stellen of de positief gewaardeerde voorstellen gemist kunnen worden. In een aantal gevallen menen wij dat de wenselijke effecten van deze voorstellen ook op andere en wellicht betere wijze in en buiten de fiscaliteit teweeggebracht kunnen worden. Komt het tot een verwerping van het Belastingplan, dan zullen wij de regering aanspreken op haar verantwoordelijkheid om hierin ten spoedigste te voorzien. Ik wacht de antwoorden van de regering met belangstelling af.

De heer Essers (CDA):

Voorzitter. De leden van de CDA-fractie verheugen zich op een even goede samenwerking met staatssecretaris Weekers als zij in de afgelopen periode hebben gehad met zijn voorgangers Wijn en De Jager. Ongetwijfeld zal hij in de komende jaren zijn eigen stempel drukken op het fiscale beleid. In de memorie van antwoord menen wij reeds een eigen stijl van de nieuwe staatssecretaris te bespeuren. Regelmatig worden de vragenstellers van de commissie voor Financiën namelijk in die memorie door de staatssecretaris geprezen voor hun vragen. Zo zijn sommige vragen volgens de bewindspersoon "terecht", kan hij zich van enkele andere vragen voorstellen dat deze worden gesteld en een enkele keer is hij zelfs "blij" dat een bepaalde vraag wordt gesteld. Ofschoon een cynische geest kan opmerken dat dit betekent dat de vragen die door de staatssecretaris niet als zodanig zijn gekwalificeerd, mogelijk onterecht, onbegrijpelijk en al helemaal niet wenselijk zijn, dank ik de staatssecretaris toch graag voor deze van empathie blijk gevende wijze van beantwoording van onze vragen. Dat hebben wij zeker aan het einde van een kalenderjaar, wanneer traditioneel een karrenvracht aan fiscale wetgeving door ons in een erg korte tijd moet worden behandeld, wel nodig.

Evenals zijn voorgangers zullen wij deze staatssecretaris constructief-kritisch volgen. In dit verband zou ik graag een citaat aanhalen van de Duitse emeritus hoogleraar Klaus Tipke uit zijn bijdrage aan de dit jaar verschenen Festschrift naar aanleiding van de 70ste verjaardag van Tipke's promovendus en opvolger aan de universiteit van Keulen, Joachim Lang. Dit citaat ziet op de relatie tussen de democratie en het voor het belastingrecht en de rechtsstaat zo belangrijke gelijkheidsbeginsel: "Niemand sollte das Rechtsstaatsprinzip durch das demokratische Prinzip ausspielen wollen. Demokratie und Gerechtigkeit durch Gleichheit sind keine Gegensätze oder Wertungswidersprüche." Daarmee geeft Tipke aan dat het gelijkheidsbeginsel niet alleen tot de essentie van de rechtsstaat behoort maar ook een wezenskenmerk is van de democratie. Schendingen van het gelijkheidsbeginsel in de zin van het verlenen van ongerechtvaardigde fiscale privileges en ongelijke behandelingen van dezelfde gevallen kunnen dan ook nimmer democratisch worden gelegitimeerd door enkel de verwijzing naar een getalsmatige meerderheid in het parlement of naar een in een regeerakkoord opgenomen afspraak. Echte democratie betekent dat het gelijkheidsbeginsel wordt gerespecteerd, los van welke machtsargumenten dan ook. Wij kijken er daarom naar uit om het debat met de staatssecretaris op basis van inhoudelijke argumenten te voeren, uitgaande van de algemene rechtsbeginselen die zelfs aan het belastingrecht ten grondslag liggen.

De leden van de CDA-fractie kunnen zich in grote lijnen goed vinden in het belastingpakket 2011. Het fiscale wapen wordt op een goede wijze ingezet om de financieel-economische crisis te beteugelen. Dat geldt in het bijzonder voor de continuering van de verruiming van de verliesverrekening en de willekeurige afschrijving, alsmede voor de maatregelen ter ondersteuning van de woningmarkt. Ik noem in dit verband ook de verlaging van het vennootschapsbelastingtarief, de stimulering van speur- en ontwikkelingswerk, en de voortdurende nadruk op de stimulering van innovatie. Wij gaan ervan uit dat het een en ander niet ten koste gaat van de thematische innovatiegelden, want daarmee wordt het kind met het badwater weggegooid. Graag een bevestiging van de staatssecretaris.

Wij zijn blij dat de minister-president tijdens de algemene politieke beschouwingen in deze Kamer heeft toegezegd nader te onderzoeken in hoeverre er fiscale incentives kunnen worden bedacht om de aflossing van hypotheekschulden te stimuleren. Wij achten dit namelijk van groot belang voor de versterking van de financiële weerbaarheid van burgers.

Wij hebben kennisgenomen van het niet-doorgaan van een regeling voor vrijstelling van mkb-beleggingen, voornamelijk vanwege eenvoudsargumenten. Graag vernemen wij van de staatssecretaris of hij met ons van mening is dat het mkb nog steeds problemen heeft met de financiering en dat een fiscale stimulans van betekenis kan zijn. Is er al iets meer te zeggen over alternatieve mogelijkheden en de haalbaarheid daarvan?

In het verslag hebben wij enkele deels technische vragen gesteld over de uitwerking van een aantal maatregelen in het belastingpakket. Voor de beantwoording van deze vragen breng ik de staatssecretaris en zijn ambtenaren graag onze dank over. In het vervolg van mijn inbreng beperk ik mij tot de punten waartegen wij bezwaren hebben. Wij hopen en verwachten dat deze bezwaren in de loop van het debat worden weggenomen door de staatssecretaris.

In de eerste plaats kom ik op de kwestie die de laatste weken al veel aandacht heeft gekregen in de senaat: de aangekondigde btw-verhoging voor podiumkunsten per 1 januari 2011. Ik koppel dit onderwerp graag aan de gefaseerde afschaffing van de heffingskortingen voor onder andere groenbeleggingen en culturele beleggingen, alsmede aan de in het regeerakkoord aangekondigde toekomstige beperkingen van de aftrekbaarheid van giften in de inkomstenbelasting.

De leden van de CDA-fractie hebben kennis genomen van de politieke keuze van dit kabinet om in deze tijden van crises en bezuinigingen als overheid een stap terug te zetten in de culturele sector, door het terugbrengen van de subsidies aan deze sector. Wij ondersteunen het streven van het kabinet om tegelijkertijd het ondernemerschap binnen deze sector te vergroten. Wij hebben er echter moeite mee als het terugtreden van de overheid gepaard gaat met het opwerpen van financiële barrières voor particulieren om in deze sector te participeren.

De afschaffing van het lage btw-tarief voor podiumkunsten leidt tot een verhoging van de prijzen van de toegangskaartjes met 13%. Los van de mate van elasticiteit van de vraag naar podiumkunsten, komt deze prijsverhoging in ieder geval niet ten gunste van de cultuursector zelf. Ook al zijn potentiële bezoekers bereid om de hogere prijs te betalen, de extra bijdrage gaat naar de schatkist en niet naar de sector zelf, hoezeer de sector ook zijn best doet om bezoekers te trekken. Daarbij dient men zich te realiseren dat het niet alleen om kaartjes voor bijvoorbeeld de opera gaat. Een muziekvereniging die tot dusverre het lage btw-tarief moest afdragen over het honorarium dat de dirigent ontvangt voor concerten, wordt straks eveneens geconfronteerd met het 19%-tarief. Een carnavalsvereniging die een diskjockey wil inhuren voor een carnavalsdisco voor jongeren, wordt met een even grote prijsverhoging geconfronteerd. Hetzelfde geldt voor amateurtoneelopvoeringen en concerten van amateurkoren. Het is wel erg optimistisch om te denken dat dit kan worden terugverdiend door meer kaartjes te verkopen of door extra sponsoring binnen te halen. De indruk bestaat dat men bij deze maatregel aan de hier bedoelde sectoren van de cultuurwereld niet of nauwelijks heeft gedacht, dan wel dat men dacht daaraan voldoende tegemoet te komen door circussen, sport en bioscopen het lage tarief te laten behouden. Hoe kijkt de staatssecretaris hiertegen aan?

Terugkomend op de in mijn inleiding genoemde rechtsbeginselen, vind ik het jammer dat een redelijke overgangstermijn voor de verhoging van het btw-tarief ontbreekt. Het theaterseizoen loopt immers van september tot september. Uit een oogpunt van rechtszekerheid is het bezwaarlijk dat de sector halverwege het seizoen met een zo drastische btw-verhoging wordt geconfronteerd. De meeste contracten voor dit seizoen liggen immers al vast. Wij zouden het dan ook redelijk hebben gevonden als de btw-verhoging pas per 1 september van het volgend jaar zou ingaan. Dat kan worden gerealiseerd als de staatssecretaris de invoering van de voorgenomen maatregel opschort tot 1 september 2011. Naar onze inschatting hoeft dat niet zo veel extra te kosten. Veel kaartjes voor volgend jaar zijn immers al dit jaar verkocht tegen het lage tarief. Bovendien zou de staatssecretaris kunnen bepalen dat kaartjes die in 2011 worden verkocht voor het seizoen dat aanvangt na 1 september 2011, niet meer tegen het lage tarief mogen worden verkocht. De opschorting zou dan ook slechts gelden voor de kaartjes voor optredens van 1 januari 2011 tot 1 september 2011.

Uit de brief van de minister-president van heden blijkt dat de regering geen politieke ruimte ziet om te schuiven met de invoeringsdatum. Het lijkt er dan ook op dat dit onderdeel van het regeerakkoord een zodanig sterke politiek-symbolische betekenis heeft gekregen dat versoepelingen zoals door ons zijn voorgesteld, niet mogelijk zijn. In deze brief wordt ook opgemerkt dat opschorting in strijd zou zijn met het legaliteitsbeginsel en op gespannen voet zou staan met de strekking van de motie-Jurgens. Kan de staatssecretaris ons dit uitleggen? Hoe kan strijd ontstaan met het legaliteitsbeginsel of met de motie-Jurgens als deze Kamer als medewetgever met de regering zou overeenkomen dat opschorting tot 1 september 2011 uit een oogpunt van rechtszekerheid op zijn plaats is? In de brief merkt de minister-president zelf op dat een opschorting zonder wettelijke bepaling in theorie mogelijk is in situaties waarin sprake is van een tegemoetkoming.

Onze eindafweging van dit onderdeel van het Belastingplan zullen wij uitdrukkelijk koppelen aan de andere door ons in deze bijdrage aangeroerde punten die betrekking hebben op de culturele sector. In dit kader waarderen wij vanzelfsprekend de toezegging van het kabinet om de gevolgen voor de sector in de komende periode nauwkeurig te monitoren en te komen tot een heroverweging van dit onderdeel van het belastingpakket indien de evaluatierapporten daartoe aanleiding geven. Kan de staatssecretaris exact aangeven op basis van welke criteria deze evaluatie zal plaatsvinden? Met andere woorden: wanneer acht hij een heroverweging noodzakelijk? Binnen welke termijn is hij voornemens maatregelen te nemen indien door de monitoring en evaluatie komt vast te staan dat die heroverweging nodig is?

De heer Engels (D66):

Ik heb met belangstelling kennisgenomen van het prachtige citaat aan het begin van het betoog van de heer Essers, van een Duitse hoogleraar van wie de naam mij even is ontschoten.

De heer Essers (CDA):

Klaus Tipke.

De heer Engels (D66):

O ja, hoe kon ik dat vergeten. De heer Essers sprak ook over de waarde van rechtsbegin- selen. Hij vindt het jammer dat de kwestie van het overgangsrecht op deze wijze door het kabinet is behandeld. Dat zou immers in strijd kunnen zijn met het rechtszekerheidsbeginsel. Er is echter ook sprake van een politieke realiteit.

Dat zijn twee vaak tegenover elkaar staande elementen, die moeilijk te wegen zijn. De heer Essers legt de bal nu even bij de staatssecretaris. Ik ben maar een eenvoudige publiekrechtjurist, maar ik ben zo benieuwd naar het antwoord op de volgende vraag. Als wij het rechtszekerheidsbeginsel en de rechtsbeginselen van het belastingrecht heel serieus nemen, hoe serieus moeten wij dan in de optiek van de CDA-fractie politieke afwegingen nemen afgezet tegen zo'n rechtsbeginsel?

De heer Essers (CDA):

De heer Engels loopt al iets vooruit op de eindafweging die wij gaan maken. Ik kan hem antwoorden dat rechtszekerheid voor ons een uitermate belangrijk beginsel is bij wetgeving met terugwerkende kracht. Dan speelt dat echt een heel belangrijke rol. Ik kom daar nog op terug bij de woningcorporaties. Hier gaat het om voorgenomen wetgeving, maar die toch op een vrij korte termijn ingaat. Er is dus een zekere spanning, maar niet zo erg als bij terugwerkende kracht. Maar die spanning is er. Dat heb ik ook duidelijk verwoord. Ik daag de staatssecretaris dan ook uit om meer argumenten te geven dan alleen maar de politieke realiteiten, die wij met z'n allen kennen en die wij ook kunnen waarderen in het kader van dit Belastingplan.

De heer Engels (D66):

Als ik het goed zie, betekent dit dus dat de CDA-fractie dat beginsel erg serieus neemt en dat zij nog eens goed zou willen kijken naar het mogelijke antwoord van de staatssecretaris dat niet verder gaat dan het verhaal dat wij tot nu toe gehoord hebben. Ik ga dan ook maar niet vooruitlopen op de eindafweging, maar dan heeft de heer Essers, zo te horen, toch wel een probleem.

De heer Essers (CDA):

Ik heb dit punt natuurlijk niet voor niets naar voren gebracht. Het is een serieus punt en ik verwacht ook een heel serieus antwoord van deze staatssecretaris.

De heer Leijnse (PvdA):

De regering hanteert in de brief die ons vandaag bereikt heeft, twee argumenten om aannemelijk te maken dat zij niet per 1 januari kan afwijken van de wet die dan in werking treedt op het punt van de btw podiumkunsten, namelijk het legaliteitsbeginsel aan de ene kant en de motie-Jurgens en lagere regelgeving aan de andere kant. Hoor ik de heer Essers nu zeggen dat hij beide argumenten eigenlijk niet wisselt? Hij vraagt immers om nog weer een toelichting op die twee argumenten.

De heer Essers (CDA):

Ik vraag inderdaad om een toelichting op die twee argumenten. Die kan ik niet helemaal plaatsen in het kader van datgene wat hier wordt voorgesteld. Maar ik heb ook gezegd dat ik onze uiteindelijke afweging zal laten afhangen van het totale antwoord van de regering op al die punten die betrekking hebben op de culturele sector, waaronder dit punt.

De heer Leijnse (PvdA):

Dat laatste heb ik begrepen. Maar op het punt van het beroep op het legaliteitsbeginsel en de motie-Jurgens heeft de heer Essers kennelijk twijfel. Daar vraag hij immers om een nadere toelichting.

De heer Essers (CDA):

Zeker, dat heb ik ook zojuist gezegd.

Voorzitter. Ik vervolg mijn betoog. Soortgelijke zorgen als bij de btw-verhoging maken wij ons over de voorgenomen afschaffing van de heffingskortingen voor onder andere groenbeleggingen en culturele beleggingen. Met dit kabinetsplan wordt het huidige fiscale voordeel van 2,5% belastingvermindering, bestaande uit een heffingskorting plus vrijstelling in box 3, zowat gehalveerd. Het totale kapitaal dat thans in deze fondsen zit, is ongeveer 7 mld. Dat is allemaal particulier geld dat de overheid zelf niet meer in deze projecten hoeft te stoppen. Volgens de staatssecretaris in de memorie van antwoord heeft deze fiscale facilitering in het verleden zeker nut gehad, getuige ook de sterke groei van deze markt. Naar zijn mening is in de huidige situatie echter sprake van overstimulering, zodat de faciliteiten voor groene en andere beleggingen kunnen worden beperkt. De leden van mijn fractie vragen zich af waarop die overstimulering precies ziet. Mogelijk heeft dit te maken met het gegeven dat er in de loop van de tijd allerlei fondsen zijn bijgekomen die niet meer helemaal binnen de oorspronkelijke doelstelling passen.

De sector zelf (de Nederlandse Vereniging van Banken en LTO Nederland) acht het mogelijk om het ingelegde vermogen terug te brengen tot 5 mld. door de criteria voor het verstrekken van groenverklaringen, sociaal-ethische verklaringen of cultuurverklaringen aan te scherpen. Onlangs heeft de Nederlandse Vereniging van Banken dit nogmaals bevestigd. Ook het inhoudelijk verantwoordelijke ministerie van Infrastructuur en Milieu alsmede ambtenaren van Agentschap NL die belast zijn met de afgifte van verklaringen, zouden naar verluidt hebben bevestigd dat door een aanscherping van de gehanteerde criteria het volume in de betrokken regelingen kan worden verlaagd tot 5 mld. in 2012. Als de overstimulering inderdaad te herleiden is tot allerlei fondsen die eigenlijk niet passen binnen de oorspronkelijke doelstellingen, verdient het naar onze mening de voorkeur om die fondsen de toegang tot de volledige fiscale facilitering, dat wil zeggen de heffingskorting plus de vrijstelling, te ontzeggen. De daarmee vrijkomende budgettaire ruimte zou dan mogelijk kunnen worden ingezet om de huidige fiscale facilitering te behouden voor die fondsen die wel binnen de oorspronkelijke doelstellingen passen. Om niet het risico te lopen dat de animo voor deze "goede" fondsen zou wegvallen, roepen wij de staatssecretaris op om het aanbod van de sector te aanvaarden om te bezien in hoeverre aan het terugdringen van het onbedoelde gebruik handen en voeten kan worden gegeven. Een gelukkige omstandigheid in dit verband is dat als gevolg van het amendement-Slob het op nul zetten van deze heffingskortingen is gefaseerd over de periode 2011 tot en met 2014. Deze gefaseerde invoering biedt meer tijd voor de staatssecretaris om met de sector te overleggen over het aangereikte alternatief voor de volledige afschaffing van de heffingskortingen.

De tot dusverre door de staatssecretaris uitgesproken bedenking tegen dit voorstel dat het openeindekarakter van de regeling geen garantie biedt op een stabiele budgettaire opbrengst die een solide alternatief zou zijn voor de afschaffing van de heffingskortingen, is begrijpelijk, maar telt minder zwaar als het Belastingplan – inclusief de afschaffing van de heffingskortingen – eenmaal is aangenomen en de bewijslast dat er een solide alternatief mogelijk is voornamelijk op de sector komt te berusten. Als uit het overleg zou volgen dat dit solide alternatief inderdaad mogelijk is, zou vervolgens de wet weer kunnen worden gewijzigd. Wij roepen de staatssecretaris dan ook op om over dit alternatief zo spoedig mogelijk met de sector in overleg te treden. Onderdeel van dit overleg zou ook moeten zijn een monitoring en evaluatie van de gevolgen van de desbetreffende in het Belastingplan voorkomende maatregelen voor de hier bedoelde sectoren. Het spreekt voor zich dat wij over dit overleg en de daarbij horende evaluatie graag periodiek wensen te worden geïnformeerd.

De heer Koffeman (PvdD):

Begrijp ik goed dat de heer Essers zegt dat de nu voorgestelde zachte landing in vier jaar er eigenlijk niet toe zou moeten leiden dat wij met de groenfondsen aan de grond geraken, maar dat de dalingsprocedure idealiter gebruikt zou moeten worden om een doorstart te maken?

De heer Essers (CDA):

Ik zou in ieder geval de gewonnen tijd willen gebruiken om het aanbod van de sector te onderzoeken om het beslag met 2 mld. terug te brengen, om na te gaan of wij daarmee de goede fondsen kunnen sparen, in die zin dat de heffingskortingen voor die fondsen behouden blijven.

De heer Koffeman (PvdD):

Dus het heeft de nadrukkelijke voorkeur van de heer Essers om een kwalitatieve volumebeperking na te streven in plaats van afschaffing van de regeling?

De heer Essers (CDA):

Ik leg dit aan de staatssecretaris voor. Dit lijkt mij een zeer voor de hand liggend alternatief. Als er in de loop van de tijd fondsen zijn bijgekomen die eigenlijk niet passen binnen de doelstelling en je zou op die manier budgettaire ruimte vrijmaken om de heffingskortingen voor de goede fondsen te sparen, zou ik dat graag aan de staatssecretaris voorleggen en zijn mening daarover vernemen.

Een laatste punt in dit verband ziet op de giftenaftrek in de inkomstenbelasting. Vorig jaar heb ik met staatssecretaris De Jager bij de behandeling van de nieuwe schenk- en erfbelasting een intensief debat gevoerd over de definitie van algemeen nut beogende instellingen, de ANBI's. Uitkomst van dat debat was dat in die gevallen waarin de doelstellingen van een instelling niet primair zijn gericht op de particuliere belangen van de leden, maar de doelstellingen en de feitelijke activiteiten zodanig zijn dat er sprake is van een culturele instelling, die instelling nog steeds kan kwalificeren als een ANBI. Dit is door de staatssecretaris nader ingevuld als "het veelvuldig naar buiten treden, bijvoorbeeld bij regionale en landelijke evenementen, en zich daarbij richten op een publiek buiten hun eigen ledenkring of leefgemeenschap". Toegezegd is verder dat repeteren onder het algemeen nut kan vallen als het repeteren is bestemd voor het naar buiten treden. Dit is van belang voor onder meer muziekverenigingen, schutterijen, koren en dergelijke. Ik heb begrepen dat door de overkoepelende federaties van muziekverenigingen in Nederland thans constructief overleg wordt gevoerd met de Belastingdienst over een zogenaamde omstandighedencatalogus op grond waarvan kan worden vastgesteld of een muziekvereniging aan de ANBI-vereisten voldoet. Van harte hoop ik dat dit overleg tussen de muziekwereld en de Belastingdienst tot een bevredigende uitkomst zal leiden.

Voor giften aan verenigingen die niet als ANBI kwalificeren, is thans alleen nog maar aftrek mogelijk als deze giften kwalificeren als periodieke giften, dat wil zeggen giften in de vorm van vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen die eindigen uiterlijk bij overlijden, aan niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen verenigingen of daarvan vrijgestelde verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid en die ten minste 25 leden hebben. Uit het regeerakkoord kan worden afgeleid dat het kabinet van plan is om deze periodieke giften aan de hier bedoelde verenigingen, niet zijnde ANBI's, af te schaffen. De leden van de CDA-fractie staan zeer kritisch ten opzichte van dit voornemen van het kabinet. Graag vernemen deze leden dan ook van de staatssecretaris een nadere motivering voor dit plan. In het bijzonder zijn zij geïnteresseerd in de mogelijke effecten die effectuering van dit voornemen zou kunnen hebben voor al die verenigingen in de culturele wereld en de sportwereld, die veelal van vrijwilligers en dit soort giften afhankelijk zijn.

Een ander punt betreft de behandeling van woningcorporaties, in het bijzonder de corporaties die zich toeleggen op ouderenhuisvesting. De heer Leijnse heeft daaraan een aantal woorden gewijd. In het kader van de behandeling van het Belastingplan 2008 heeft de Eerste Kamer unaniem de motie-Essers aangenomen die onder andere inhield dat de fiscale behandeling van woningbouwcorporaties ten principale dient te worden vastgelegd in een wet op de maatschappelijke onderneming. De verwachting was toen dat die wet er in 2008 zou komen. Inmiddels is het wetsvoorstel door de regering ingetrokken. De integrale vennootschapsbelastingplicht voor woningbouwcorporaties is sinds 2007 niet meer ten principale ter discussie gesteld. In het verlengde hiervan speelt op dit moment de problematiek van een kleine groep – ongeveer 20 – woningbouwcorporaties die zich toelegt op ouderenhuisvesting. Op grond van een beleidswijziging dreigt voor deze groep de vrijstelling van vennootschapsbelasting, vastgelegd in artikel 5, lid 1, onderdeel c, sub twee, Wet op de vennootschapsbelasting 1969, met ingang van 1 januari 2011 te vervallen. Naar verwachting zal het niet meer van toepassing zijn van deze vrijstelling de getroffen woningbouwcorporaties nopen tot een forse reductie van de herontwikkeling en nieuwbouw ten behoeve van de ouderenhuisvesting. Daarbij dient te worden bedacht dat de winst die deze corporaties maken tijdens een projectperiode dient te worden gereserveerd om toekomstige herinvesteringen mogelijk te maken. Het belasten van deze "winsten" met vennootschapsbelasting brengt deze herinvesteringen in gevaar. Er lijkt ook geen goede reden te bestaan voor het intrekken van deze vrijstelling in een periode waarin er veel behoefte is aan nieuwbouw voor ouderen en het nu net de trend is om wonen en zorg van elkaar te scheiden. Daar komt bij dat de argumentatie om de vrijstelling in te trekken in strijd lijkt te zijn met de wettekst. De door de staatssecretaris gestelde eis dat behalve huisvesting ook zorg moet worden verleend, komt immers niet voor in artikel 5, lid 1, onderdeel c, sub 2, Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Het argument dat geen sprake zou zijn van een instelling van weldadigheid of van algemeen nut lijkt ook niet te worden gesteund door de jurisprudentie. Ik mag in dit verband ook nog expliciet verwijzen naar HR 6 november 1957, BNB 1958/50 en, van recenter datum, Hof Den Bosch 24 januari 2008, V-N 2008/35.18, tegen welke uitspraak de staatssecretaris niet in cassatie is gegaan.

Niet voor niets heeft de wetgever in het verleden een subjectieve vrijstelling in de wet opgenomen voor het verlenen van huisvesting aan "bejaarden, gebrekkigen of wezen". Dat is de terminologie die in de wet staat; ietwat gedateerd. Omvat dit niet per definitie specialistische huisvesting die extra voorzieningen meebrengt en daardoor veel duurder is dan gewone huisvesting? De ouderenhuisvesters verstrekken die huisvesting tegen zodanig lage prijzen, dat er geen enkele concurrentie van beleggers en commerciële partijen lijkt plaats te vinden. Is dit niet een principieel verschil met verhuur van reguliere woonruimte? Het verstrekken van gespecialiseerde huisvesting aan bejaarden en behoeftigen onder de gemelde voorwaarden dient naar onze mening dan ook wel degelijk de behartiging van een algemeen belang. Dat geldt temeer nu deze huisvesting in een behoorlijk aantal gevallen plaatsvindt op medische indicatie. De stelling in het besluit van 8 december 2009 dat instellingen die zich nagenoeg uitsluitend bezig houden met de verhuur van bejaardenwoningen nimmer onder de vrijstelling kunnen vallen, lijkt dan ook te absoluut en te ongenuanceerd; daardoor zou de vrijstelling feitelijk een dode letter worden. Wij roepen de staatssecretaris dan ook op om dit beleidsbesluit vooralsnog niet uit te voeren, maar op korte termijn hierover in overleg te treden met de sector. Dit past ook binnen doel en strekking van de reeds genoemde motie-Essers, waarin wordt uitgegaan van een standstill van de huidige situatie totdat er een algehele evaluatie van de belastingplicht van woningcorporaties plaatsvindt. Wij vernemen overigens graag van de staatssecretaris binnen welke termijn wij deze overall evaluatie tegemoet kunnen zien.

De heer Leijnse (PvdA):

Mag ik de heer Essers vragen of het toeval is dat hij het onderwerp van algemeen nut beogende instellingen en het fiscale regime ten aanzien daarvan en het onderwerp van de zorglocaties direct achter elkaar behandelt?

De heer Essers (CDA):

Dat is geen toeval. Het gaat natuurlijk om het begrip "algemeen nut", maar dat is wel essentieel voor de discussie rond de zorgcoöperaties. Je moet daarbij de term algemeen nut wel koppelen aan het doel en de strekking van de vrijstelling van de vennootschapsbelasting. Het heeft natuurlijk geen zin om eerst te eisen dat er algemeen nut moet zijn om vervolgens bij de onderdelen te zeggen dat dit kan bestaan uit het verstrekken van huisvesting aan bejaarden. Als je zegt dat het alleen om algemeen nut gaat en je geen rekening houdt met de passage ten aanzien van het verstrekken van huisvesting, zit er iets fundamenteel fout.

De heer Leijnse (PvdA):

Dat laatste kan ik volgen. Het ging mij echter om het begrip "lichamen van algemeen nut" of "algemeen nut beogende instellingen". De vraag is of in die twee samenstellingen het begrip "algemeen nut" een kennelijk generieke betekenis heeft.

De heer Essers (CDA):

Ik denk dat er een algemene gedachte achter zit. Toch aarzel ik om te bevestigend op uw vraag te antwoorden, omdat het nu net bij dit onderwerp voor die woningcorporaties de discussie zou vertroebelen. Het begrip "algemeen nut" of "instelling van weldadigheid" moet je namelijk juist koppelen aan de doel en de strekking van die specifieke vrijstelling in de vennootschapsbelasting, waarbij rekening is gehouden met het verstrekken van huisvesting aan ouderen, gebrekkigen en wezen.

De heer Leijnse (PvdA):

Daarmee komt u weer terug bij uw aanvankelijke redenering, namelijk dat er, als de interpretatie van dat algemene deel van die bepaling zo strikt is als dat zij nu wordt gemaakt, sprake is van een loze bepaling.

De heer Essers (CDA):

Zeker.

De leden van de CDA-fractie kijken uit naar de startnotitie van de staatssecretaris, waarin zijn voornaamste fiscale beleidsdoelstellingen zullen worden opgenomen. Wij zijn verheugd dat hij de vereenvoudiging van het belastingstelsel hoog in het vaandel heeft staan. Wij kunnen in dit verband volledig de veronderstelling van de staatssecretaris in de memorie van antwoord beamen dat de huidige bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet in de praktijk zeer lastig uitvoerbaar is. Wij moedigen de staatssecretaris dan ook aan om zijn aanbod in de memorie van antwoord, om deze regeling desgewenst eenvoudiger te maken, door te zetten. Hij zal daarbij de CDA-fractie aan zijn zijde vinden. Maar ook de huidige bedrijfsopvolgings- en doorschuivingsregelingen in de inkomstenbelasting blinken bepaald niet uit door consistentie en helderheid. Er is echt behoefte aan een integrale, coherente regeling hiervan.

Bezwaarlijk vinden wij ook de grote fiscale gevolgen die verbonden kunnen zijn aan de samenlevingsvorm die mensen wensen te kiezen of aan de beslissing om wel of niet van echt te scheiden. Naar onze mening zou de fiscaliteit zoveel mogelijk neutraal moeten zijn ten aanzien van de gekozen samenlevingsvorm. In het verslag hebben wij een aantal gevallen aan de staatssecretaris voorgelegd waarin van deze neutraliteit geen sprake is. Als gevolg van bijvoorbeeld het nieuwe partnerbegrip per 1 januari 2011 vervalt per die datum het aloude concept "duurzaam gescheiden leven". Dit betekent dat vanaf 1 januari 2011 duurzaam gescheiden levende echtgenoten die geen formeel verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed hebben gedaan bij de rechtbank, gekwalificeerd zullen worden als partners. Het achterwege laten van een dergelijk verzoek komt, naar verluidt, vaak voor. Om religieuze redenen kan men bijvoorbeeld besluiten om niet van echt te scheiden. Dit betekent onder andere dat met ingang van 1 januari 2011 artikel 2.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001 weer van toepassing wordt en dat de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen geacht worden voor de helft bij beide echtgenoten op te komen, tenzij de echtgenoten om een andere verdeling verzoeken.

Deze wijziging betekent ook dat voor de aangiften van beide echtgenoten voortaan de informatie nodig is van de andere echtgenoot. Dit kan in de praktijk – vooral bij gestoorde verhoudingen – tot allerlei problemen leiden om deze informatie te achterhalen. Daarbij zij men erop bedacht dat dit nieuwe partnerbegrip ook gaat gelden voor de toeslagen, zodra dit nieuwe partnerbegrip voor de Awir in werking is getreden. De inkomens van beide duurzaam gescheiden levende echtgenoten tellen dan mee voor de hoogte van de toeslag. Dit zal voor menig duurzaam gescheiden levend echtpaar dus betekenen dat men óf minder toeslag zal ontvangen óf te veel ontvangen toeslag moet terugbetalen. De suggestie van de staatssecretaris in de memorie van antwoord dat deze categorie belastingplichtigen dan maar officieel moet scheiden van tafel en bed, bevestigt eigenlijk alleen maar de ongewenste invloed die in dit geval van de belastingheffing uitgaat op keuzes die eigenlijk uitsluitend binnen de privésfeer van belastingplichtigen zouden moeten blijven. Zijn er geen alternatieven voor deze regeling te bedenken? Zo vragen wij de staatssecretaris. Bovendien vragen wij ons af of over deze mogelijke effecten al voldoende is gecommuniceerd met de burgers. Zijn zij hierover afdoende geïnformeerd?

Een ander voorbeeld in deze sfeer ziet op de doorschuifregelingen bij een overgang krachtens erfrecht en krachtens huwelijksvermogensrecht van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen die behoren tot een huwelijksgoederengemeenschap. Bij een overgang krachtens erfrecht geldt de doorschuifregeling voor de inkomstenbelasting alleen voor het aan de aandelen toe te rekenen ondernemingsvermogen. Over het aan de aandelen toe te rekenen beleggingsvermogen dient derhalve te worden afgerekend. Bij een overgang krachtens huwelijksvermogensrecht is er voor de inkomstenbelasting echter een doorschuifregeling zonder beperkingen. Op onze vraag of deze situatie geen aanleiding kan geven tot fiscaal geïndiceerde echtscheidingen, antwoordt de staatssecretaris dat hij dat niet verwacht, aangezien de aanleiding van een huwelijk of echtscheiding doorgaans niet is gelegen in het tot stand brengen van een bedrijfsoverdracht. In zijn algemeenheid kunnen wij dat bevestigen, maar uit de praktijk bereiken ons wel degelijk geluiden van gevallen waarin man en vrouw in het zicht van het overlijden van de terminaal zieke man zich tot de notaris wenden, om nog bij leven de huwelijksgoederengemeenschap te verdelen en de aanmerkelijkbelangaandelen, inclusief het deel toe te rekenen aan beleggingsvermogen, toe te delen aan de waarschijnlijk langstlevende. In één geval gaat het om een belastingbedrag van ongeveer € 750.000 dat tijdens het leven van de langstlevende niet hoeft te worden afgerekend. Graag horen wij een reactie hierop van de staatssecretaris.

Een andere in de praktijk tot veel problemen aanleiding gevende regeling is de terbeschikkingstellingsregeling van artikel 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001. De in de fiscale verzamelwet aangebrachte aanpassing van deze regeling bij gemeenschap van goederen leidt weer tot enkele extra complicaties, zoals ook de memorie van antwoord leert naar aanleiding van een aantal door ons in het verslag gestelde vragen. In dit verband roep ik de staatssecretaris op om in zijn startnotitie nog eens expliciet aandacht te besteden aan deze problematiek.

Bij de behandeling van vorige belastingplannen heb ik het al vele malen aan de orde gesteld en ik doe dat thans weer: in de fiscale literatuur zijn diverse uitgewerkte voorstellen te vinden om door invoering van een rechtsvormneutrale ondernemingswinstbelasting veel van de thans voorkomende problemen in de belastingheffing van ondernemers en directeuren-grootaandeel- houders op te lossen. Graag verwijs ik bij wijze van voorbeeld naar de eind van deze maand uit te komen special van het Tijdschrift Fiscaal Ondernemingsrecht, waarin de voorstellen in het dit jaar uitgekomen rapport van de Studiecommissie belastingstelsel "Continuïteit en vernieuwing" uitgebreid worden besproken. Het zou jammer zijn en een gemiste kans betekenen als de staatssecretaris gevolg zou geven aan de suggestie van deze studiecommissie om geen verder onderzoek te doen naar een rechtsvormneutrale ondernemingswinstbelasting. De door de studiecommissie naar voren gebrachte bezwaren tegen een dergelijke belasting, namelijk de verschillen met de civielrechtelijke werkelijkheid en eventuele internationale complicaties, zijn gedateerd en al diverse malen in de literatuur weerlegd. De voordelen van het geschetste stelsel van een rechtsvormneutrale ondernemingswinstbelasting zijn echter legio. Doordat er recht wordt gedaan aan de verschillende functies van winstinkomen, te weten consumptie, investeren, reserveren en oudedagsvoorziening, vervalt de bestaansgrond van vele thans bestaande ondernemingsfaciliteiten, zoals de zelfstandigenaftrek en de mkb-winstvrijstelling. Deze faciliteiten kunnen worden ingeruild voor een laag ondernemingswinstbelastingtarief, waardoor het fiscale stelsel rechtvaardiger en eenvoudiger wordt, belastingplichtigen minder afhankelijk worden van hun adviseurs en ook de administratieve lasten kunnen afnemen. Ook de terbeschikkingstellingsregeling kan aanmerkelijk worden vereenvoudigd, terwijl de gebruikelijkloonregeling zelfs kan worden afgeschaft in het geval alle betalingen tussen de winstgenieters, dat wil zeggen ib-ondernemer en directeuren-grootaandeelhouders, en de onderneming van aftrek worden uitgesloten. Het mogelijk oneigenlijk gebruik van de volksverzekeringen kan op andere wijze worden gepareerd. De rechtsvormkeuze wordt op deze wijze ontdaan van fiscale factoren, met als gevolg dat het risico van mismatches aanzienlijk wordt teruggebracht. Politiek belangrijk is ook dat niet alleen in de fiscale wetenschap, maar ook bij onder andere werkgevers- en werknemersorganisaties grote steun bestaat voor de geleidelijke ontwikkeling van ons belastingstelsel in de richting van een rechtsvormneutrale ondernemingswinstbelasting. Daartoe verwijzen wij naar het in het rapport van de studiecommissie opgenomen verslag van een hoorzitting met onder meer VNO-NCW, MKB-Nederland, FNV, het Platform Zelfstandige Ondernemers (PZO) en het Register Belastingadviseurs. Er is wel eens minder draagkracht geweest voor fiscale voorstellen die inmiddels allang zijn doorgevoerd! Graag roepen wij de staatssecretaris dan ook op om serieus verder onderzoek te blijven doen naar dit voorstel, dat op een zo brede maatschappelijke en wetenschappelijke steun kan rekenen, als een reëel alternatief voor de toekomst van de belastingheffing van ondernemingen.

Wij kijken met belangstelling uit naar de beantwoording van de zijde van de staatssecretaris.

De heer Reuten (SP):

Voorzitter. Ik begin met een voorwoord dat de context van het debat van vandaag en morgen markeert. De SP-fractie is teleurgesteld over het antwoord dat het kabinet vandaag heeft gegeven over de in deze Kamer onlangs aanvaarde moties. Geen woord over de hypotheekrenteaftrek, geen woord over alternatieven voor de bezuinigingen op sociale werkvoorziening en Wajong, een rammelend antwoord over de btw-verhoging op de podiumkunsten. Hieruit spreekt geen behoefte aan constructieve samenwerking met deze Kamer. Zo'n opstelling van het kabinet legt ook een zware hypotheek op dit debat. Een kabinet dat dat met deze Kamer doet, verspeelt het om krachtvol aan te dringen op aanneming van haar eigen voorstellen bij deze Kamer.

Dat neemt niet weg dat ik de staatssecretaris dank voor de uiterst snelle en adequate beantwoording van onze vragen uit het voorlopig verslag. In twee dagen tijd leverde de staatssecretaris 63 bladzijden tekst aan antwoorden op een reeks soms toch wel lastige vragen van de commissie voor Financiën. Onze vervolgvragen werden even snel beantwoord. Chapeau!

Nu heeft de staatssecretaris dat niet in zijn eentje moeten doen. Gelukkig hebben we nog veel gedegen ambtenaren op het ministerie van Financiën. Ambtenaren die thans met de mond van deze VVD-staatssecreta- ris spreken. Dat vind ik wat minder, maar ik duid het hun niet euvel. Mijn fractie rekent wat dit betreft op betere tijden. Maar helaas, als dit kabinet de rit uitzit, heeft een op de zes ambtenaren het veld moeten ruimen, en bovendien moeten de blijvers het met minder salaris doen; dat steekt. Ook gij Franciscus! Ook gij Marcus en Maximus! Zo bevroed ik uw ambtenaren te denken. "Uw" ambtenaren, het zijn natuurlijk de ambtenaren van het volk.

Bravo dat ook dit kabinet inzet op verscherping van de belastingwetgeving aangaande het oneigenlijk gebruik daarvan. Jammer toch dat er straks 5000 minder belastingambtenaren zijn om het te controleren en effectueren. Wat de ene hand neemt, geeft de andere, zo lijkt het. Graag hoor ik van de staatssecretaris hoe hij die ontslagen fikst en in hoeverre zijn dagelijkse omgang met ambtenaren erdoor beïnvloed wordt. Dat lijkt mij wel relevant omdat wij het kabinet, zij het op enige afstand, toch graag willen beoordelen.

Tot zo ver mijn niet-leuke inleidende opmerkingen. De rest is ook niet leuk. Ik ga niet opnieuw lamenteren over de veelheid aan belastingmaatregelen die wij in drie weken tijd moeten verstouwen – het is al eerder opgemerkt – en ik beperk mij noodzakelijkerwijs tot zes hoofdonderwerpen en een drietal korte opmerkingen.

Ten eerste moet het begrotingstekort van de overheid omlaag. Ik ga nu niet in op het macro-economisch verstandige tempo daarvan, maar ik wijs erop dat mijn fractie in de broze nationale en internationale omstandigheden geen voorstander is van het hoge tempo dat dit kabinet voorstaat. Hoe dan ook, ik begin met aan te geven hoe mijn fractie het probleem voornamelijk zou oplossen, namelijk door een vermogensbelasting. De 10% huishoudens met het grootste vermogen heeft het vermogen in zeventien jaar tijd zien toenemen van ruim 200 mld. naar ruim 700 mld. Dat is een stijging van 350%, zo blijkt uit cijfers die de staatssecretaris ons heeft verstrekt. De 7% met het grootste vermogen bezit ruim 50% van het vermogen van Nederlandse huishoudens, ruim 600 mld. Met een vermogensbelasting van 3% op deze topvermogens stijgen de belastinginkomsten met 18 mld. Dat bedrag kennen we, toch?

Van het pakket maatregelen van 18 mld. dat het kabinet in petto heeft, draagt volgens het CPB bijna de helft niet bij aan effectieve verlaging van het tekort. Dat komt onder andere door lagere groei en hogere werkloosheid als gevolg van het kabinetsbeleid. Met een vermogensbelasting van slechts 1,5% op de topvermogens komen we dus beter uit dan met de kabinetsvoorstellen. Ik vraag de staatssecretaris om dit alternatief mee te nemen in de toegezegde startnotitie.

Ik zal nu in mijn punten twee tot en met zes ingaan op enkele maatregelen die het kabinet wel neemt.

Ten tweede stelt het kabinet een pakket belastingverlagingen in 2011 voor van in totaal ruim 3 mld. Daarmee lijkt het kabinet zijn verordonneerde noodzaak tot gigantische bezuinigingen te versterken. Het kabinet bereikt daarmee wat deels expliciet en deels impliciet op zijn agenda staat: minder collectief bekostigde voorzieningen en meer individueel bekostigde voorzieningen. Is onze interpretatie correct dat dit inderdaad het hoofdbestanddeel van de agenda van dit kabinet is?

Ten derde is de agenda waarover ik zonet sprak de onze niet, maar ideologisch zou deze nog te billijken zijn als de verschuiving van voorzieningen tenminste gelijk zou worden verdeeld over de diverse inkomensgroepen. Dat is echter niet het geval. Uit de door het CPB berekende koopkrachtontwikkeling blijkt juist een versterking van de reeds fors ongelijke verdeling. Gemiddeld leveren huishoudens in vijf jaar 2,5% aan koopkracht in, maar gemeten naar de mediaan leveren tweeverdieners en eenpersoonshuishoudens met een inkomen boven € 64.000 niets in, zo laat het kabinet ons weten in de memorie van antwoord. We hebben het hier over de 25% huishoudens met het hoogste inkomen. De hogere inkomens binnen deze groep huishoudens gaan er zelfs op vooruit. Ik acht dit niet eervol en in die zin ook "oneerlijk". Ik verzoek de staatssecretaris om het beleid op dit punt te herzien.

De staatssecretaris heeft in antwoord op onze schriftelijke vragen aangegeven dat de mediaan van de koopkracht in de hoogste inkomenscategorieën, bij een tariefverhoging in de vierde schijf van 52% naar 54%, over vijf jaar opgeteld zou dalen met 1,25%. Dat is nog steeds slechts de helft van de gemiddelde daling. Het dunkt ons dat dit het minste is wat we van de hogere inkomens kunnen vragen in de huidige omstandigheden. Ik vraag de staatssecretaris om op dit punt in 2011, en ingaande 2012, een aldus gemotiveerde wetswijziging in te dienen. Zo nodig overweeg ik om in tweede termijn een motie op dit punt voor te leggen.

Ten vierde stelt het kabinet voor, de vennootschapsbelasting te verlagen, een belastingderving van 480 mln. In de afgelopen decennia zagen we een deels sluipende verlaging van de vennootschapsbelasting. Dit kabinet doet daar nog een schepje bovenop. Leuk voor de bedrijven en hun aandeelhouders. Minder vennootschapsbelasting betekent immers meer nettowinst die de aandeelhouders ten goede komt, of in hogere dividenden of in een hoger bedrijfsvermogen en dus hogere aandeelwaarde. De staatssecretaris kan het, neem ik aan, toch niet minder leuk voorstellen? Of wel? Maar de overheidsinkomsten moeten ergens vandaan komen. Leuke maatregelen voor de bedrijven impliceren dat burgers relatief meer belasting moeten gaan betalen. Ik vraag de staatssecretaris om in de toegezegde startbrief, dan wel de startnotitie, zijn visie uiteen te zetten over de verhouding die hij voorstaat tussen belastingen op de omzet, belastingen op inkomen gedifferentieerd naar inkomen van bedrijven en van natuurlijke personen, maar ook belastingen op vermogen.

De voorgestelde daling van de vennootschapsbelasting impliceert ook een daling van dit tarief voor bankbedrijven. Uit de memorie van antwoord blijkt dat banken bovendien bovengemiddeld profiteren van de verlaging. Mijn fractie is in het bijzonder tegen de vennootschapsbelastingverlaging voor banken. Deze lijkt mij ook inconsistent met de kabinetsvisie. Blijkens de memorie van antwoord is "het kabinet voorstander van een bankenbelasting, mits deze in Europees verband wordt ingevoerd en niet ten koste gaat van de kredietverlening aan bedrijven". Wel, EU-land Groot-Brittannië voert per 2011 een bankbalansbelasting in van 0,5 pro- mille oplopend tot 0,75 promille in 2014 die dan ruim 10 mld. opbrengt. Ik vraag de staatssecretaris in te gaan op deze inconsistentie, mede tegen de achtergrond van de lagere vennootschapsbelastingtarieven in omringende landen. In dit verband vraag ik de staatssecretaris om een korte notitie over de voor- en nadelen van de mogelijkheid om banken de gelegenheid te geven om een deel van de door hen te betalen vennootschapsbelasting af te dragen in de vorm van aandelen. Ik opper alvast twee punten. Dit heeft als voordeel dat banken hun vermogen kunnen versterken. De Staat kan vervolgens beslissen deze aandelen aan te houden, dan wel deze te verkopen. Het bankvermogen blijft dan uiteraard in stand.

Ten vijfde acht mijn fractie het verwerpelijk dat dit kabinet gigantische bezuinigingen gaat doorvoeren, terwijl de hypotheekrenteaftrek geheel in stand blijft. De standaard premie- en inkomstenbelastingschijven lopen van 33% via 42% tot 52%. Ik vertel de staatssecretaris niets nieuws. Veel mensen met hogere inkomens benadrukken het marginale belastingtoptarief van 52%. Uit de memorie van antwoord blijkt dat inkomens van bijvoorbeeld € 90.000 zonder hypotheekrenteaftrek gemiddeld 40% belasting betalen. Maar met een doorsnee hypotheekrenteaftrek betalen zij gemiddeld slechts 28% belasting.

Graag worden wij door de staatssecretaris geïnformeerd over de wijze waarop hij, aangaande de hypotheekrenteaftrek, de door deze Kamer aanvaarde motie-De Boer c.s. gaat uitvoeren, inclusief het tijdpad ervan. Ook hoor ik graag hoe hij de intentie van de motie gaat implementeren, met name aangaande de zijn terrein betreffende constatering dat de huidige hypotheekrenteaftrek hogere inkomens sterk bevoordeelt en aangaande de kwestie van substantiële vermindering van het huidige beslag van de hypotheekrenteaftrek op de algemene middelen.

Ten zesde ligt er een aanvaarde motie waarin de Kamer zich verzet tegen verhoging van het btw-tarief op podiumkunsten. Ik ga er uiteraard van uit dat de staatssecretaris in het debat van morgen met ons een manier gaat vinden om deze motie uit te voeren; daar zijn ook voldoende mogelijkheden toe. Dat zullen we morgen zien. Om uiteenlopende redenen is het kabinetsvoorstel om tevens de btw op beeldende kunst te verhogen hierbij ondergesneeuwd geraakt, mede doordat het kabinet in zijn stukken, beginnend bij de memorie van toelichting, steeds schreef over "kunstvoorwerpen en voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten". Uit de kabinetsnota van afgelopen vrijdag blijkt echter dat het in hoofdzaak niet om de kunst- en antiekhandel gaat – die viel al onder het hoge tarief – doch om verkoop van beeldende kunst door, voornamelijk, de maker (schilders, beeldhouwers enzovoorts). Veelal betreft dit mensen die een inkomen tegen de armoedegrens hebben.

Nu kan de staatssecretaris aanvoeren dat beeldende kunst voornamelijk gekocht wordt door de hogere inkomensgroepen – dat is waarschijnlijk correct – maar toch niet in die mate dat beeldend kunstenaars er ruim van kunnen leven. Te vrezen valt dat de maatregel velen onder de armoedegrens doet belanden of noopt tot staken van deze cultuurproductie. Om kort te gaan: mijn fractie vraagt de staatssecretaris de toezegging om, mocht het Belastingplan door deze Kamer aanvaard worden, de betreffende btw-verhoging via een beleidsbesluit per 1 januari 2011 terug te draaien. Het gaat dan inzonderheid om de Wet op de omzetbelasting 1968, Tabel I, onderdeel a, post 29, lid b, onder 1°, inclusief de eventuele intermediair van de maker, daarbij in het bijzonder de zelfstandige beeldend kunstenaar. Graag hoor ik van de staatssecretaris of hij hiertoe bereid is. Ik voer nog aan dat het hier om arbeidsintensieve prestaties gaat die qua arbeidsintensiteit vergelijkbaar zijn met veel van de posten uit onderdeel b van de genoemde Tabel I, die gaat over activiteiten die onder het lage tarief vallen.

Overigens las ik dit weekeinde op de webpagina van de rijksoverheid, groot ingekaderd op de introductiepagina, het nieuwsbericht met de kop: "De Wet Werk en Inkomen Kunstenaars (WWIK) wordt op 1 januari 2012 afgeschaft". Onvoldoende duidelijk is dat het om een wetsvoorstel-in-de-maak gaat. Ik verzoek het kabinet om de burgers duidelijker voor te lichten. Deze staatssecretaris kijk ik op het onderhavige geval overigens niet aan. Hij mij ook niet, constateer ik. C'est bon.

Mijnheer de voorzitter, ik ga nu over tot nog een drietal punten die ik slechts kort aanstip. Ik begin met punt zeven. In het schriftelijk verslag heb ik het ongenoegen van mijn fractie kenbaar gemaakt aangaande de uitbreiding van de werkkostenregeling, met een beslag van 186 mln. Ik ben überhaupt geen voorstander van de regeling – ook niet van de bestaande – omdat het in feite gaat om een vergoeding dan wel een gift van de werkgever aan de werknemer, inclusief personeelsfeesten en kerstpakketten. Ik zie niet in waarom alle belastingbetalers daaraan moeten bijpassen. En als het dan toch moet, zou het toch het minste moeten zijn om de regeling eenvoudig te houden, dat wil zeggen: een vast percentage van de loonsom. Het huidige voorstel compliceert dat wat eenvoudig had kunnen zijn. Ik vraag de staatssecretaris de regeling volgend jaar te hervereenvoudigen en om het geheel van de werkkostenregeling af te bouwen en de loonbelasting overeenkomstig te verlagen.

Ik kom bij punt acht. Meermaals heb ik bij de behandeling van het belastingplan gelamenteerd over het samenloopartikel. In het voorliggende Belastingplan betreft dit artikel XXX. Dat stelt dat indien belastingwetten niet of niet juist geregeld zijn, die wetten bij ministeriële regeling kunnen worden gewijzigd. Ik wil de principiële discussie hierover niet heropenen. Niettemin vraag ik de staatssecretaris om aan het artikel de volgende zin toe te voegen in geval van wijziging: "In voorkomend geval wordt het parlement hiervan bij brief in kennis gesteld."

Ten slotte, punt negen. Aangaande de inwerkingtreding van fiscale wetten vraag ik de staatssecretaris de toezegging deze voortaan als volgt te formuleren. "Inwerkingtreding: op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld, met dien verstande dat lastenverzwarende voorstellen niet met terugwerkende kracht in werking kunnen treden. De regering informeert het parlement bij brief over het voorgenomen tijdstip c.q. de voorgenomen tijdstippen." Uiteraard is de implicatie hiervan dat de Eerste Kamer dan ruimte heeft om specifieke voorstellen te doen aanhouden c.q. deze per novelle te doen wijzigen. Dit punt heeft senator Leijnse ook aangeroerd.

Ik zie uit naar de antwoorden van de staatssecretaris en het debat daarover.

De heer De Boer (ChristenUnie):

Voorzitter. Deze bijdrage is namens de fracties van ChristenUnie en SGP.

Onze fracties hebben met belangstelling kennisgenomen van de antwoorden die de staatssecretaris gegeven heeft op de gestelde vragen. Wij waarderen de snelheid waarmee de memorie van antwoord ons werd toegestuurd en ook de uitgebreidheid van de beantwoording. Toch blijven er, wat niet ongebruikelijk is, nog enkele zaken over die we graag thans aan de orde stellen.

We starten met enkele algemene opmerkingen. Zoals we onlangs al aangaven bij de algemene financiële beschouwingen, zijn onze fracties het met het kabinet eens dat er fors moet worden bezuinigd op de rijksbegroting. De situatie is er wat dat betreft de laatste weken ook niet beter op geworden. Recente financiële ontwikkelingen in andere landen binnen de EU en de mogelijke gevolgen daarvan voor ons land, baren het kabinet terecht zorgen. Maar ook andere ontwikkelingen, zoals de bescheiden resultaten op de klimaatconferentie in Cancún, geven te denken, bijvoorbeeld als het gaat over het belang van de verdere vergroening van ons belastingstelsel. We geven daarmee aan, dat het inderdaad een goede zaak kan zijn indien het instrument van belastingen wordt ingezet om negatieve ontwikkelingen positief te beïnvloeden. Maar daarbij blijft ook overeind, dat het instrument van de belastingen gebruikt kan en moet worden voor het tegengaan van ongewenste ontwikkelingen inzake de koopkracht van burgers, zeker van hen die het financieel gezien moeilijk hebben. Bij de beoordeling van het Belastingplan 2011 en de Overige Fiscale Maatregelen 2011 zullen we dan ook de genoemde aspecten betrekken. De wetten die we nu bespreken, vallen eigenlijk uiteen in de maatregelen die reeds zijn voorbereid door het kabinet-Balkenende/Rouvoet en de maatregelen die daaraan zijn toegevoegd als gevolg van het regeerakkoord van het kabinet-Rutte/Verhagen. Het zal dan ook niet vreemd zijn dat we een flink aantal delen van het Belastingplan positief benaderen. Niet in de laatste plaats denken we daarbij aan de mogelijkheden voor verdere stimulering van name het midden- en kleinbedrijf, maar ook aan de maatregelen ter bevordering van de woningmarkt. Ook het gegeven dat dit kabinet meer verantwoordelijkheid bij de samenleving wil leggen en daarom het particulier initiatief, ook wat betreft financiële verantwoordelijkheid, wil vergroten, is in principe een goede zaak. En dat geldt ook voor het vooruit willen zien naar financiële ontwikkelingen, zoals een mogelijke herziening – en dan een vereenvoudiging – van het belastingstelsel. Die ontwikkelingen mogen interessant worden genoemd. Maar dan beginnen zo langzamerhand toch wel de vragen en opmerkingen te komen.

Om te beginnen noem ik de herziening van het belastingstelsel. We vroegen daar ook al schriftelijk naar. Opvallend is de ons inziens defensieve reactie van de staatssecretaris. Bij motie is in de Tweede Kamer gevraagd om bij een visie op het toekomstig belastingstelsel en de effecten daarvan ook de draagkracht van gezinnen te betrekken. Ik neem aan dat dit gebeurt, want die motie is met algemene stemmen aanvaard door de Tweede Kamer. Bij de algemene financiële beschouwingen in deze kamer vroegen onze fracties of de visie op de woningmarkt die ontwikkeld wordt van invloed is op de herziening van het belastingstelsel. Het antwoord van de staatssecretaris is klip-en-klaar: nee, die wordt er niet bij betrokken. Daarbij perkt de staatssecretaris de woningmarkt meteen in tot de hypotheekrenteaftrek. Dat lijkt ons defensief struisvogelgedrag. Want hoe je het ook wendt of keert, nog deze maand gaf het SCP in het dikke rapport Wisseling van de wacht met gegevens onderbouwd aan, dat "de massaliteit van het eigenwoningbezit onder jong en oud en de toenemende financiering daarvan met vreemd vermogen betekent dat in de toekomst de aanspraak op hypotheekrenteaftrek nog verder zal toenemen". Als je dus de hypotheekrenteaftrek niet ter discussie wilt stellen, dan moet je toch zeker bij een herziening van het belastingstelsel wel aangeven, waar je de financiële gevolgen van die te verwachten hogere aftrek neer wilt leggen. Oftewel: hoe wil je dan de middelen verkrijgen? Verhoging van belasting elders bijvoorbeeld? Zo ja, waar denkt de staatssecretaris dan aan? Toch geen verdere aantasting van de draagkracht van gezinnen? Het is goed, op dit punt zo spoedig mogelijk transparant te zijn ten opzichte van de burgers. We begrepen overigens dat de herziening van het belastingstelsel ook gebruikt kan worden om naar onze mening oneigenlijke belastingen zoals de drinkwaterbelasting, te beëindigen. Hebben we dat goed begrepen?

Mede gelet op de tijd, sluit ik mij aan bij de vragen van de heer Essers namens de CDA-fractie over het nieuwe partnerbegrip zoals dat in de memorie van antwoord wordt uiteengezet. Onze fracties zijn uiteraard benieuwd naar de antwoorden van de staatssecretaris op die vragen.

In antwoord op vragen van ons stelt de regering dat zij het standpunt van Eurocommissaris Semeta om het huidige btw-stelsel te moderniseren, steunt. Wat is de inzet van de regering bij die zogenaamde modernisering? En wat moeten we ons voorstellen bij de opmerking dat een modernisering van de btw kan zorgen voor een steviger belastinggrondslag? Betekent dat dat de regering via de modernisering van de btw in Europees verband de belastingdruk wil verhogen? Dat zal toch niet het geval zijn? Graag ontvangen we op dit punt een duidelijk antwoord. De actualiteit van dit onderwerp wordt overigens nog onderstreept door de SC-mail van vorige 17 december jongstleden getiteld Europese discussie over de toekomst van de btw. Daarin wordt zelfs al een sluitingsdatum voor een publieke raadpleging genoemd, namelijk 31 mei 2012. Graag krijgen wij van de staatssecretaris een reactie op de inhoud van deze SC-mail. We vroegen ook naar de gevolgen van het amendement dat in de Tweede Kamer is aangenomen met de nobele bedoeling de zogenaamde Edelweissroute onmogelijk te maken. Ook de staatssecretaris geeft gemotiveerd aan dat door dit amendement de uitvoeringspraktijk ingewikkelder wordt. De staatssecretaris spreekt zelfs over het in belangrijke mate compliceren van de uitvoeringspraktijk door aanname van dit amendement. We zijn dat met hem eens. Onze vervolgvraag is dan ook op welke wijze hij de negatieve gevolgen van dit amendement denkt te voorkomen en hoe hij het werkelijke probleem van de Edelweissroute denkt op te lossen, want er moet natuurlijk wel wat worden gedaan.

Een zaak die we ook al eerder aan de orde stelden, is de heffingskorting in box 3 voor zowel maatschappelijke als culturele beleggingen. De geleidelijke afbouw daarvan die overeengekomen is met de Tweede Kamer, is een goede stap. We vroegen de regering schriftelijk om de ontwikkeling van deze fondsen te monitoren. Het antwoord was dat de regering wel wil optreden als postbode, namelijk door het toezenden aan de Kamer van door anderen gedane monitoring. Dat is voor onze fracties wel een erg eenvoudig antwoord. Monitoring betekent immers ook het beoordelen van gevolgen van ingezet beleid aan de hand van concrete gegevens en het zo nodig treffen van aanvullende of corrigerende maatregelen. We vragen daarom nogmaals om monitoring van deze maatregel, inclusief de gevolgen van het amendement-Slob. Het moge waar zijn dat de Triodosbank – de staatssecretaris noemt deze bank zelf – op de website een positief verhaal heeft, maar de werkelijkheid is toch dat de grote banken, die 80% van het volume in groenfinancieringen voor hun rekening nemen, aangeven dat zij op basis van deze maatregel zullen besluiten om de groenfondsen te sluiten, omdat er onvoldoende fiscaal voordeel is om een significant lagere financiering aan groenprojecten te kunnen aanbieden. Vandaar dat in samenwerking tussen het ministerie van Financiën en betrokken organisaties een monitoring vanaf 2011 gewenst is, teneinde conclusies te betrekken bij het Belastingplan 2012. Kan de staatssecretaris dit toezeggen?

Dan komen onze fracties bij een onderwerp dat ons en andere fracties zeer bezighoudt: de beoogde bezuinigingen op cultuur. In de publiciteit springt daarbij de btw-verhoging van 6% naar 19% voor podiumkunsten met name in het oog. We stelden daarover al schriftelijke vragen. We willen het onderwerp echter, zoals we eerder deden bij andere onderwerpen, in een breder perspectief plaatsen, namelijk in dat van andere bezuinigingen op cultuur in de komende jaren. We merkten al op dat niet ontkomen kan worden aan bezuinigingen. Dat geldt naar de mening van onze fracties voor veel beleidsterreinen, waaronder ook cultuur. Bekijken we echter de bezuinigingen op cultuur, dan komt ook de vraag naar boven of deze evenwichtig zijn en of deze bezuinigingen, om de woorden van de fractievoorzitter van de VVD bij de algemene politieke beschouwingen te gebruiken, niet de bijl zetten aan de wortels van onze culturele infrastructuur. Immers, deze regering wil op veel culturele terreinen bezuinigen. Ten eerste is vorige week in de Tweede Kamer gesproken over een bezuiniging van 200 mln. Ten tweede hebben we bij het Belastingplan te maken met afschaffing van de heffingskorting op culturele beleggingen op termijn. Ten derde hebben we in het Belastingplan te maken met de btw-verhoging op podiumkunsten van 6% naar 19%, nota bene reeds met ingang van 1 januari 2011; over 12 dagen dus! Ten vierde wil de regering als klap op de vuurpijl in 2013 een streep zetten door de giftenaftrek voor de sociaal belang behartigende instellingen. Ik blijf ook de term SBBI's gebruiken, omdat die ook op de site van de Belastingdienst wordt gebruikt. In het regeerakkoord (32417, nr. 15) wordt immers op pagina 63 gemeld dat met ingang van 2013 alleen nog belastingaftrek zal gelden voor ANBI's met renseigneringsplicht, wat vanaf 2013 40 mln. moet opleveren. Weg SBBI's.

Overzien we dit hele palet van deze vier bezuinigingen bij cultuur, dan begrijpen onze fracties dit kabinet op dit punt niet meer. Het kabinet wil immers meer verantwoordelijkheden bij de burger leggen. Dat is prima. Het kabinet wil daartoe het particuliere initiatief stimuleren. Dat is uitstekend. De feiten zijn echter dat direct of indirect het particuliere initiatief wordt geblokkeerd of tegengewerkt. Het wordt geblokkeerd als het gaat om de btw-verhoging. Die zal onherroepelijk leiden tot minder bezoek aan voorstellingen en tot het in problemen brengen van zeker kleinere schouwburgen. Als je uit ervaring weet – en dat weet ik – hoe met name kleinere en middelgrote schouwburgen moeten woekeren met hun financiële mogelijkheden, houd je je hart vast over de gevolgen van deze maatregel. We verwachten dan ook dat de staatssecretaris nader ingaat op de mogelijkheden om deze maatregelen in ieder geval te mitigeren.

Ik kom bij de brief die ons vandaag is toegestuurd waarin staat dat het kabinet dat eigenlijk ook wel wil doen, met dien verstande dat het de gevolgen van de maatregel wil monitoren. Het kabinet schrijft: "Wanneer blijkt dat de maatregel onevenredig schade toebrengt aan de sector, dan zal het kabinet dit nadrukkelijk bezien, mede in het kader van de uitwerking van de Fiscale Agenda 2011-2015 (de zogenaamde startbrief), die zoals u bekend, in het volgend voorjaar aan de Tweede Kamer wordt gezonden." Ik wil graag een toelichting hebben op wat "onevenredig schade toebrengen" is. Je kunt niet monitoren en maatregelen aanzeggen als je niet weet wat je wilt monitoren en op welke wijze je dat wilt doen. Hoe wil de staatssecretaris monitoren? Wat is "onevenredige schade"? Dat moet dit voorjaar 2011 – dat is over ongeveer drie à vier maanden – bekend zijn. Het voorjaar duurt wel tot juni, maar laten we zeggen dat eind maart ook al voorjaar is. Dat is op korte termijn. Ik nodig de staatssecretaris echt uit om de laatste alinea van deze brief van de minister-president, die ondertekend is door minister Opstelten, nadrukkelijk toe te lichten en te zeggen wat de mogelijkheden zijn. Daar zeg ik ook bij dat monitoring ertoe kan leiden dat maatregelen moeten worden aangepast en gecorrigeerd. Ik denk daarbij aan de maatregel die we enkele jaren geleden ook gecorrigeerd hebben, namelijk de vliegbelasting. Ik vond die correctie overigens niet correct, maar het is wel gebeurd. Er is toen gezegd dat de gevolgen zodanig waren dat de maatregel werd ingetrokken. Ik weet niet waarom dat dit nu ook niet het geval zou kunnen zijn. Nogmaals, graag een uitbundige toelichting.

Het particulier initiatief wordt tegengewerkt met de beoogde afschaffing van de heffingskorting op culturele beleggingen. Daarover hebben hiervoor ook al om monitoring gevraagd. Zowel het particulier initiatief als de betrokkenheid van de burger wordt sterk tegengewerkt. Dat komt aan de orde bij het afschaffen van de giftenaftrek voor SBBI's. Dit betekent dat voor bijvoorbeeld zangkoren, muziek- en harmonieverenigingen – dan hebben we het nog niet eens over andere SBBI's zoals kinderboerderijen – giftenaftrek vanaf 2013 voorbij is.

Op 2 december schreef de staatssecretaris voor OCW nog: "Het regeerakkoord onderstreept het belang van amateurkunst." Dat stond op pagina 3 van stuk 32500-VIII, nr. 74. Uit het beoogde omgaan met SBBI's spreekt het omgekeerde. Natuurlijk, ook wij weten dat de aftrekregeling van giften voor ANBI's en SBBI's verkeerd kan worden gebruikt. Als misbruik kan worden tegengegaan, is dat prima; graag zelfs. Levert dat geld op, dan is dat mooi meegenomen. Maar deze bezuiniging op amateurkunst zomaar laten meeliften, gaat onzes inziens te ver. We horen graag van de staatssecretaris of hij bereid is, deze maatregel ten aanzien van de SBBI's zo niet uit te voeren. Hij heeft genoeg tijd om zo nodig een andere dekking te vinden voor de in het regeerakkoord opgenomen bezuiniging.

Onze fracties hebben dus vier bezuinigingen op kunst genoemd. Alles bij elkaar genomen moeten we stellen: dit pakket is niet evenwichtig. We verwachten dat de staatssecretaris meedenkt op dit voor ons aangelegen punt.

We hebben ons in onze bijdrage beperkt tot een aantal punten. Inderdaad, het Belastingplan 2011 omvat, zoals we reeds stelden, een aantal goede maatregelen. Met name de aanvullingen op het oorspronkelijke Belastingplan en de door ons genoemde maatregelen uit het regeerakkoord die een relatie hebben met maatregelen in het Belastingplan 2011, wegen bij onze fracties echter zwaar. We verwachten dan ook dat de staatssecretaris onze bezwaren nauwkeurig zal wegen en dat hij zal trachten ze weg te nemen.

De heer Koffeman (PvdD):

Voorzitter. Vorige week portretteerde HP/De Tijd het kabinet Rutte als een "corpsballenkabinet", waarmee gedoeld werd op het relatief grote aantal kabinetsleden dat in Leiden gestudeerd heeft en het grote aantal van hen dat lid was van Minerva. Wat daarvan ook zij, het kabinet laat in het voorliggende Belastingplan zien met overtuiging te kiezen voor ontgroening.

In dit huis werd twee jaar geleden met een overgrote meerderheid de motie-Schuurman aangenomen. In deze motie, genummerd 31.700 B, wordt geconstateerd dat de kredietcrisis in samenhang met andere crises moet worden opgelost en dat wereldomspannende problemen om een gecoördineerd optreden vragen. De Eerste Kamer wilde dat er een breed gedragen analyse zou komen van onder meer de vraagstukken van voedsel- en energieschaarste en klimaat. Collega Schuurman bekritiseerde ook de enorme salarissen en bonussen in de vrije sector en pleitte voor een extra belastingtarief boven de 52% voor salarissen boven de zogenaamde balkenendenorm. Hij hekelde de westerse cultuur als een "geestloze, oppervlakkige, materialistische cultuur van technische overmoed, machtswellust en hebzucht". De motie die uit die analyse voortvloeide, werd gesteund door alle leden in dit huis, met uitzondering van die van de VVD-fractie.

De breed gedragen analyse van de samenhang van vraagstukken van voedsel- en energieschaarste en klimaatproblemen is er nog steeds niet, maar niet omdat het tijd gekeerd zou zijn en de urgentie geweken; integendeel! Het tij is hooguit gekeerd in electorale zin. We hebben te maken met een kabinet dat mogelijk wordt gemaakt door de ontkenners van het klimaatprobleem, die inzetten op goedkope biefstuk en kolencentrales voor Henk en Ingrid. Noch de kool, noch de geit wordt gespaard door het kabinet, dat heel hard duidelijk lijkt te willen maken dat het afgelopen moet zijn met linkse hobby's zoals zonnepanelen, windenergie, plantaardige eiwitten, kunst en cultuur, een diervriendelijke veehouderij, beter openbaar vervoer en het respecteren van natuurdoelstellingen. Voor het eerst in lange tijd hebben we een kabinet dat vecht tegen windmolens. Hoewel de partij van Henk en Ingrid nog niet in dit huis vertegenwoordigd is, werpt dit fenomeen zijn schaduw al wel vooruit.

Dat er bezuinigd moet worden, is voor vrijwel iedereen duidelijk, maar de vraag is waarop. Wie denkt aan extra belastingheffing, denkt om te beginnen aan redelijke overgangstermijnen. De SGP-fractie wees er onlangs in dit huis op dat een redelijke overgangstermijn werd voorzien toen de btw voor de reissector werd verhoogd. Dat gebeurt in het huidige geval niet, terwijl de termijn van invoering, een halve maand, aanzienlijk korter is. Nog los van die termijn: wie zoekt naar extra belastinginkomsten en tegelijkertijd de crises in samenhang wil bestrijden, zoekt naar sturingsmechanismen om die doelstelling te bereiken. Daarbij zou het voor de hand liggen, het vliegverkeer te ontmoedigen door accijns te heffen op vliegtuigbrandstof, die nog altijd belastingvrij is, tot verbazing van velen. De Nederlandse staat loopt alleen al op buitenlandse vluchten 130 mln. per jaar mis door deze accijnsvrijstelling. Het zou voor de hand liggen, de 3,5 kg CO2 die well to wheel vrijkomt bij de verbranding van 1 liter diesel toe te rekenen aan de gebruiker. De CDA-fractie ging in eerste aanleg akkoord met de afschaffing van rode diesel en met het principe om elke gebruiker van diesel, automobilist of agrariër, dezelfde prijs voor een liter brandstof te laten betalen. Dat zou volgens de CDA-fractie tot 2015 maar liefst een besparing van 200 mln. opleveren. De VVD en de electorale overwegingen van het CDA zorgden er echter voor dat het CDA daarop terugkwam, waardoor de milieuonvriendelijke rode dieselsubsidie gewoon gehandhaafd bleef.

Het is onbegrijpelijk dat het lage btw-tarief voor de relatief milieuonvriendelijk werkende sierteelt in stand gehouden wordt en dat de externe kosten van de productie van dierlijke eiwitten niet worden doorberekend aan de eindgebruikers. Recent onderzoek van het Instituut Voor Milieuvraagstukken van de Vrije Universiteit toonde aan dat de prijs van bijvoorbeeld varkensvlees veel te laag is. Een methode om de externaliteiten in de prijzen op te nemen, is de invoering van een Pigou-belasting. Een dergelijke belasting corrigeert het falen van de markt als gevolg van externaliteiten. Het tarief van de Pigou-belasting zou voor conventioneel varkensvlees gemiddeld minimaal € 2,06 per kg moeten bedragen. Dat is 31% van de consumentenprijs. Een verhoging van het btw-tarief van 6% naar 19%, zoals voorgesteld door VROM-topambtenaar Bernard ten Haar voor de Studiecommissie Belastingstelsel, is in ieder geval onvoldoende om alle externe kosten te internaliseren.

Het is onbegrijpelijk dat een liberaal kabinet aangevuld met rentmeesters, een situatie in stand houdt waarin de belastingbetaler onvrijwillig donateur moet zijn van de bio-industrie. Wie gelooft in het ordenende principe van de vrije markt, zou alle externe kosten van productie ook aan die productie toe moeten rekenen. Dat zijn liberale beginselen. Het kabinet doet echter het omgekeerde. Het blijft de vervuiler uit de wind houden door de externaliteiten voor rekening van de belastingbetaler te laten komen, terwijl het duurzame initiatieven zoals de groenregeling drastisch wil versoberen. Dit levert geen geld op, maar kost geld; heel veel geld en niet alleen dat. Het kabinet zegt dat het de rekeningen van dit beleid niet wil doorschuiven naar de kinderen, maar doet het omgekeerde.

De verborgen subsidies op vieze energie waarvoor onder anderen Liesbeth van Tongeren aandacht vraagt, bestaan uit allerhande financiële voordeeltjes voor producenten van fossiele energie en grootgebruikers van energie. Het leeuwendeel bestaat uit belastingkortingen. De accijnsvrijstelling op kerosine voor de luchtvaart, het verlaagde tarief van de energiebelasting voor de energie-intensieve industrie en de vrijstelling van de kolenbelasting voor energieproducenten zijn slechts enkele van de vele steunmaatregelen. Elke belastingbetaler draagt naar schatting € 800 per jaar bij aan het in stand houden van vieze energie. Het is buitengewoon cynisch dat het kabinet op geen enkele wijze zijn belastinghervorming in wenst te zetten voor een vergroening van het belastingstelsel en daarmee een verduurzaming van onze samenleving, maar inzet op het schrappen van maatregelen die de duurzaamheid bevorderen.

Het waren niet in de eerste plaats de milieuorganisaties die bezwaar maakten tegen de afschaffing van de heffingskorting op maatschappelijk beleggen, maar vooral LTO Nederland, Bouwend Nederland, Aedes, EnergieNed en de Nederlandse Vereniging van Banken. Hun argumenten zijn en waren overtuigend. Met € 1 minder overheidsinkomsten wordt binnen de regeling ruim € 40 aan innovatieve investeringen gestimuleerd. Vorig jaar onderstreepten EU-Commissaris Kroes en toenmalig staatssecretaris De Jager de positieve bijdrage van groen beleggen aan het streven van de EU naar een groenere economie. Onderzoek van KPMG en CE Delft heeft aangetoond dat de opbrengsten van groen beleggen door bijvoorbeeld CO2-reductie feitelijk hoger zijn dan de door de overheid gederfde belastinginkomsten. De evaluatie van 2007 laat zien dat de groenregeling effectief en efficiënt is.

Met de afschaffing van de heffingskorting verwacht de overheid jaarlijks 120 mln. te bezuinigen. Op basis van het huidige totaal belegde vermogen en de realistische aanname dat 80% van alle particuliere investeerders hun heffingskorting volledig kunnen gebruiken, is er sprake van 80 tot 90 mln. aan gederfde inkomsten. Daar staan belastinginkomsten tegenover. De met de regeling groen beleggen mogelijk gemaakte projecten leverden in de periode 2005 tot 2009 jaarlijks ongeveer 160 mln. aan btw op. Daarnaast genereren zij vooral in de agrarische sector en in de bouw veel nieuwe werkgelegenheid. Deze baten zullen waarschijnlijk vervallen indien de investeringen door het wegvallen van de regeling niet langer plaats kunnen vinden of de investeringen verkleind worden. Dit zal ertoe leiden dat de gewenste bezuiniging niet wordt bereikt. In de sectoren energie en bouw zullen de verwachte investeringen in groenprojecten drastisch terugvallen.

Het kabinet wekt de indruk aan maatschappelijke bezwaren tegemoet te komen door een zachte landing voor de groenfinanciering te bieden, maar hierbij gaat het letterlijk om uitstel van executie. Oogmerk van het kabinet is en blijft om een duurzame en uiterst succesvolle regeling af te schaffen, zelfs als dit minder oplevert dan de afschaffing kost. Het heeft er meer dan de schijn van dat er een daad gesteld moet worden tegen duurzaamheid en dat is kwalijk voor wie zegt geen rekeningen te willen doorschuiven naar toekomstige generaties. Kan de staatssecretaris aangeven waarom het erop lijkt dat met het nieuwe kabinetsbeleid alles van waarde op zijn weerloosheid getoetst moet worden? Kan de staatssecretaris ons een overzicht geven van de nieuwe maatregelen die per saldo een positief duurzaamheidseffect opleveren en waarmee geprobeerd wordt de crises in samenhang op te lossen? Daarvoor hebben alle fracties in dit huis, met uitzondering van die van de VVD, een lans gebroken.

Op grond waarvan verwacht de staatssecretaris dat de Eerste Kamer het Belastingplan goedkeurt, als 61 leden in dit huis hun dringende wens om de crises in samenhang te bestrijden, niet gehonoreerd zien? Dit moment is daar bij uitstek geschikt voor, want het gaat om het uitstippelen van nieuw financieel beleid. Graag een reactie van de staatssecretaris.

Ik breek graag ook een lans voor het behoud van het lage btw-tarief in de kunst- en cultuursector. De btw-verhoging schept veel fiscale onduidelijkheden en juridische problemen voor de overheid. Zo blijft de belasting op zwaar lichamelijk werk staan op 6%. Dit leidt tot de rare situatie dat iemand tegen een btw-tarief van 6% je huis komt behangen, terwijl een decorbouwer voor hetzelfde werk 19% btw moet afdragen. De logica ontbreekt dus ten enenmale.

In dit huis hebben ook de fracties van de VVD en het CDA te kennen gegeven moeite te hebben met de drastische verschraling in de kunst- en cultuursector. Dit wekt eveneens de indruk dat er een daad gesteld moet worden, meer dan dat er een forse bezuiniging moet worden gerealiseerd. Dit beleid heeft meer weg van kapitaalvernietiging dan van bezuinigen. De overheid die zegt meer verantwoordelijkheid bij de burger te willen neerleggen, bemoeilijkt tegelijkertijd het mecenaat en draait maatschappelijke financiering de nek om, zij het via een zogenaamd zachte landing.

Een kabinet dat wil binden, moet oppassen met hak- en breekwerk. Daar ziet het op dit moment niet naar uit. Het is de bijl aan de wortel van onze culturele infrastructuur, zoals de fractievoorzitter van de VVD het tijdens de algemene politieke beschouwingen duidde. Waarom zouden we de aftrek van giften aan sociaal belang behartigende instellingen schrappen en de giftenaftrek voor Algemeen Nut Beogende Instellingen op de tocht zetten? Dit beleid is penny wise, planet foolish: alle fiscale maatregelen om duurzaamheid en sociale cohesie te bevorderen, worden achterwege gelaten of zelfs in de wielen gereden.

Nog steeds worden wij in radiospotjes ertoe opgeroepen om ons geld te beleggen bij vlootmaatschap.nl, waarmee via fiscale voordelen 50% vermogenstoename wordt beloofd. Als de staatssecretaris in dit huis zegt dat de kleine lettertjes veel minder rooskleurige verwachtingen scheppen, nodig ik hem uit om paal en perk te stellen aan dit soort uitingen. Wij hebben ons namelijk juist voorgenomen om nieuwe financiële schandalen te voorkomen en burgers daartegen in bescherming te nemen. Graag een reactie. Ik zie de antwoorden van de staatssecretaris met belangstelling tegemoet.

De heer Ten Hoeve (OSF):

Voorzitter. Overal in Europa wordt bezuinigd en moeten de belastingen omhoog. Nederland bezuinigt ook, want ook wij moeten de door de crisis veroorzaakte budgettekorten en de daardoor sterk opgelopen staatsschuld, terug zien te brengen. Desondanks laten de belastingplannen een lastenverlichting zien; we gaan minder belasting betalen en dat komt deels ten goede aan het bedrijfsleven. Dat is op zich een goede zaak, omdat we juist nu moeten zorgen dat wij concurrerend blijven. Het komt ook ten goede aan gezinnen, want het heeft tot effect dat in het komend jaar de koopkrachtvermindering voor huishoudens over het algemeen binnen redelijke perken blijft. Het verbaast niet dat koopkrachtvermindering een keer onvermijdelijk zou zijn, maar het is een compliment waard dat het door deze belastingmaatregelen nog zo beperkt kan blijven. Dat is een compliment waard aan dit kabinet, maar ook aan het vorige kabinet, dat de belastingvoornemens immers grotendeels heeft voorbereid. Op de echt hogere inkomens kom ik nog terug.

Het koopkrachtbeeld is nooit een garantie voor individuen, maar in de tabellen komt al uit dat de categorie van de AOW'ers er het slechtste van afkomt. Het wetsvoorstel voor een korting van 8% op de partnertoeslag wordt vandaag ook behandeld. Als dit wetsvoorstel wordt aangenomen, kan het koopkrachtverlies voor tweepersoonshuishoudens die getroffen worden en die niet al te ver boven de grens van € 1700 per maand zitten, wel eens fors hoger worden dan de 0,75% die voor de categorie als totaal berekend is. Dan kan volgens mij oplopen tot 2,5% of 3,5%. Het effect van cumulatie met andere maatregelen is nog niet echt duidelijk. Dat er iets uitkomt wat hoger is dan gebruikelijk in onze koopkrachtplaatjes, is wel duidelijk.

Dan kom ik op de lastenvermindering voor het bedrijfsleven, die voor een belangrijk deel bestaat uit de structurele verlaging van de vennootschapsbelasting naar 20% voor de eerste € 200.000 en naar 25% voor de winst daarboven. Dat is een lastenverlaging waar in deze tijd, maar ook structureel, best wat voor te zeggen is. Het worden bovendien heel mooie ronde percentages in niet meer dan twee schijven. Over eenvoud gesproken! Wat wil je nog meer? Toch is er een maar. De regering constateert zelf al dat wij daarmee voorlopig nogal wat lager zitten dan de landen om ons heen. Oost-Europa heeft ook lage tarieven, Ierland ook. Maar zij hebben ook, en waarschijnlijk nog veel meer dan wij, de noodzaak om concurrerend te blijven of, zoals bij Ierland, weer te worden. De fiscale autonomie van de Europese landen, die ook door onze minister zo fel en principieel wordt verdedigd als onvervreemdbaar deel van de staatssoevereiniteit, kan ook heel makkelijk tot ongezonde onderlinge tariefconcurrentie leiden. Onze tariefsverlaging maakt het natuurlijk voor Ierland niet makkelijker. Van de Nederlandse minister en staatssecretaris kan niet worden verwacht dat zij daar in het fiscale beleid echt rekening mee houden, want de minister en staatssecretaris zijn natuurlijk verantwoordelijk voor het Nederlandse belang. Zou het juist daarom niet goed zijn om Europa hierop meer invloed te geven, en dan niet alleen, zoals nu lijkt te gaan gebeuren, om erop te letten dat de belastingen hoog genoeg zijn om aan het Groei- en Stabiliteitspact te kunnen voldoen, maar ook om te kijken of wij de belastingen niet zo laag vaststellen dat een ander daardoor problemen krijgt met dit pact? Bij de btw zijn Europese grenzen gesteld. Zou zoiets volgens de staatssecretaris niet ook bij de Vpb moeten?

Dat neemt niet weg dat wij natuurlijk zelf verantwoordelijk zijn voor de inrichting van ons belastingsysteem en dat ook blijven, zelfs als de EU daar verstandige grenzen aan zou stellen. De staatssecretaris gaat een startnotitie schrijven over wenselijke aanpassingen in ons belastingsysteem. Daar zal ik met veel belangstelling naar uitkijken. Het belangrijkste uitgangspunt wordt dan wat mij betreft eenvoud, maar dat wist de staatssecretaris ook al. Dan is er minder gedetailleerde rechtvaardigheid, maar dan is het makkelijker toe te passen voor de belastinguitvoerder, en makkelijker te begrijpen voor de belastingbetaler. Dat is dus goedkoper en waarschijnlijk ook minder makkelijk te manipuleren, en uiteindelijk misschien wel juist rechtvaardiger. Een tweede uitgangspunt, dat voor een deel parallel loopt aan het eerste, is voor mij "terughoudendheid in gebruik van fiscaal instrumentarium voor niet-fiscale doelen", zoals de Raad van State het formuleert. Wij gebruiken de belastingen voortdurend juist wél om specifieke doelen na te streven. Wij hebben een laag btw-tarief om de bouw te stimuleren, rode diesel om de land- en tuinbouw wat extra te helpen, een energiebelasting die voor kleinverbruikers hoog maar voor grootverbruikers heel laag is om de energie-intensieve industrie te helpen terwijl diezelfde belasting nota bene moet dienen om het energieverbruik te beperken. Verder noem ik nog aparte en heel succesvolle regels voor schone auto's in verband met de vergroening enz. enz. Alles is bedoeld om met fiscale middelen niet-fiscale doelen na te streven. Dat komt de eenvoud natuurlijk niet echt ten goede.

Wij komen natuurlijk nooit helemaal af van het gebruik van belastingen om de economische processen in een door ons gewenste richting te sturen. Het zou wel goed zijn om wat meer in te zetten op eenvoud en wat minder op al die andere doelstellingen. Een uniform btw-tarief voorkomt een hoop administratieve lasten en behandelt alle goederen en diensten gelijk. De basisidee van goedkope levensmiddelen – daar ging het om – is verwaterd doordat in de loop van de tijd van alles onder het lage tarief is gebracht. Voor armoedebeleid is dat lage tarief eigenlijk niet meer nodig en niet geschikt. Een uniform ib-tarief zou ook mooi zijn. De tweede en derde schijf zijn al bijna aan elkaar gelijk en vormen dus al een heel stuk vlaktaks, ware het niet dat de premies volksverzekeringen daar op een gecompliceerde manier doorheen lopen en tot aparte tarieven en zelfs tot aparte schijfgrenzen leiden voor ouderen. Daar is natuurlijk wel een oplossing voor, namelijk verder fiscaliseren.

Voorzitter. ik noemde vorige week al de inkomstenbelasting voor de BES-eilanden een verademing, en dat herhaal ik hier graag. Daar is gekozen voor een uniform ib-tarief, maar wel met een hoge vrije voet en een extra tarief voor heel hoge inkomens. De motivering is als volgt: dit werkt simpel, het ontziet de armen, het belast de erg rijken en het behandelt alle anderen gelijk. Aftrek, voor zover nodig, kan alleen tegen het uniforme tarief. Zo'n motivering klinkt mij goed in de oren!

De regering heeft het, hoop ik, ook niet direct over dat hogere tarief voor hoge inkomens als zij in de memorie van antwoord schrijft: "Met de inzet van het fiscale instrument bij excessieve beloningen moet voorzichtig worden omgegaan." Bij die zin ging het over de Vpb, en daar ben ik het met de regering wel eens. Maar bij de ib ligt dat wat mij betreft anders. Daar is een duidelijke regeling, een extra hoog tarief voor hoge inkomens, verre te verkiezen boven de ingewikkelde regelingen die het vorige kabinet in stelling heeft gebracht tegen inkomens die in onze maatschappij echt als te hoog worden beschouwd. Juist hier loont eenvoud en duidelijkheid. De huidige tarieven en schijven hebben te weinig vat op de echt hogere inkomens. Dat blijkt ook uit de berekeningen in de memorie van antwoord naar aanleiding van vragen van de SP.

Ik heb nog enkele specifieke onderwerpen. De btw-verhoging voor podiumkunsten en handel in kunstvoorwerpen heeft veel stof doen opwaaien. Ik denk ook inderdaad dat daar iets mis gaat. Vandaar dat ik de motie daarover ook getekend heb. Voor de duidelijkheid: het hoge btw-tarief is het algemene tarief. Er moeten goede redenen zijn om bepaalde goederen en diensten in het lage tarief onder te brengen. Wat mij betreft, moeten dat heel goede redenen zijn. Ik herhaal nog maar eens de Raad van State dat terughoudendheid past bij het gebruik van een belastingmiddel om niet-fiscale doelen te dienen. In principe zie ik dus geen enkel bezwaar om de sector van de vrijetijdsbesteding weer normaal te gaan belasten. Maar de helft van de sector, waaronder de podiumkunsten, normaal belasten en de andere helft, waaronder heel directe concurrenten als de bioscopen, in het lage tarief laten, dat lijkt wel heel vreemd. Hebben wij echt heel goede redenen om bioscopen, circussen en voetbal wel extra te faciliteren en het theater niet? Daar ontbreekt naar mijn gevoel toch elke redelijkheid. Daar komt nog bij dat de maatregel zo plotseling wordt ingevoerd dat ook daaruit grote problemen ontstaan voor een sector die toch op langere termijn moet plannen en contracteren. Dat zijn goede redenen om tegen dit onderdeel van het Belastingplan groot bezwaar te hebben.

Ik was het wel eens met de heer Leijnse die naar aanleiding van de brief van de regering concludeerde dat zij eigenlijk geen echte poging lijkt te hebben gedaan om aan de motie te voldoen. Niet door het indienen van een novelle. Misschien dat er wel wat gesondeerd is, maar dat zien wij niet. Ik was ook onder de indruk van de nog vragenderwijs gestelde conclusies en argumenten van collega Essers met betrekking tot het legaliteitsbeginsel en de consequenties van de motie-Jurgens. Als op deze vragend gestelde argumenten "ja" gezegd mag worden, rechtvaardigt dat een beleidsbesluit. Dat kan dan niet meer in strijd met het legaliteitsbeginsel genoemd worden. Als wij het goed vinden, wat zou de motie-Jurgens dan nog!

Als de invoering van deze btw-verhoging uitgesteld zou kunnen worden met een beleidsbeslissing, dan geeft dat tegelijk de tijd om over de btw na te denken. De startnotitie moet ook begin volgend jaar komen. Wanneer deze btw-verhoging beter ingebed zou kunnen worden in een totaal btw-beleid, zou zij daar aanzienlijk acceptabeler van kunnen worden.

Met het tweede wat controversiële onderdeel van het plan, de afschaffing van de heffingskortingen voor maatschappelijke belegging en durfkapitaal en de aftrekmogelijkheid voor verliezen op durfkapitaal, heb ik wat minder moeite. Ook hier geldt weer dezelfde aanbeveling van de Raad van State: terughoudend zijn met fiscale faciliteiten voor niet-fiscale doeleinden. Alhoewel ik daar eerlijkheidshalve wel bij mag zeggen dat ik ten behoeve van vergroening en verduurzaming best bereid ben tot wat minder terughoudendheid. Maar ook voor wat betreft de groene beleggingen heb ik de neiging het hier voorlopig met de regering eens te zijn dat de overblijvende faciliteit, vrijstelling van het box 3-tarief, in de huidige omstandigheden flink wat stimulans biedt. De motie-Slob heeft bovendien het overvalkarakter van de maatregel al weggenomen. Desondanks kan monitoring zinvol blijven en dat belooft de regering ook.

Over de verlaging vennootschapsbelasting heb ik al gesproken. Ik heb daar wat gemengde gevoelens bij omdat de neiging bestaat om deze belasting als concurrentiemiddel in te zetten in een Europa dat juist gezamenlijk het optimum zou moeten zoeken. Maar ik kan de regering wel volgen als zij het nu aanbieden van een structurele regeling op het gekozen niveau, een nuttig middel vindt om het Nederlandse bedrijfsleven vastigheid te bieden.

En verder, voorzitter, hoop ik dat de werkkostenregeling snel populair wordt, want die zorgt voor vereenvoudiging als wij tenminste niet nog meer apart er naast gaan regelen.

Ik ben blij dat de faciliteiten voor de mkb-beleggingen niet doorgaan, want die zouden voor heel ingewikkelde regelgeving hebben gezorgd. Daar is vorig jaar al uitgebreid voor gewaarschuwd. In dit verband verbaast mij ook niet dat de Bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet uitvoeringsproblemen geeft, want ook die is te ingewikkeld gemaakt en ook daarvoor had ik vorig jaar al gewaarschuwd. Wat zal de staatssecretaris tegen dit laatste doen? Heeft hij daarvoor plannen?

Als allerlaatste opmerking: ik blijf van mening dat de hypotheekrenteaftrek moet worden aangepast, om budgettaire redenen, zeker, maar ook om zijn invloed op het functioneren van de woningmarkt en zeker ook om de stimulans die er van uitgaat tot het aangaan en vooral ook het aanhouden van hoge schulden. En dat is iets waartegen juist vorige week ook het IMF weer eens uitdrukkelijk waarschuwde.

Ik zal de beantwoording van de staatssecretaris graag aanhoren.

De heer Engels (D66):

Voorzitter. Aan de coalitieakkoorden en het financieel-economische beleid van het kabinet hebben wij als Eerste Kamer in de vorm van algemene financiële en algemene politieke beschouwingen al twee debatten gewijd. Het vandaag voorliggende Belastingplan 2011 is inmiddels in de Tweede Kamer breed en diepgaand behandeld. Ik wil daarover in algemene zin dan ook slecht enkele opmerkingen maken.

De eerste is dat de lastenverzwaringen wat ons betreft een weinig consistente indruk maken. Wij zien nauwelijks generieke maatregelen, bijvoorbeeld in de btw, maar wel veel accenten op specifieke terreinen als cultuur en groen. Juist ook op die beide sectoren zien wij de cumulatieve effecten van lastenverhoging en bezuiniging.

De tweede algemene opmerking is dat ook in het fiscale beleid geen koppeling is gelegd met de noodzakelijke hervormingen op terreinen als wonen, arbeid en energie. Tot onze spijt hebben wij gezien hoe volstrekt vast het debat daarover zit, nu aan de overzijde één Tweede Kamerlid de sleutel voor beleidsaanpassingen in handen heeft, maar deze blijkbaar goed heeft opgeborgen. Wij moeten daardoor vrezen dat er wellicht enig perspectief is op de gezondmaking van de openbare financiën, maar allerminst op een herstel van de economie. Graag vraag ik de staatssecretaris op deze opmerkingen te reageren.

Ik beperk mij nu verder nog tot twee kwesties die mijn fractie in de schriftelijke voorbereiding heeft aangesneden. Het gaat om de heffingskorting voor groene beleggingen en, uiteraard, om de btw-maatregel voor de podiumkunsten. Daaraan voorafgaand wil ik de staats- secretaris graag dank zeggen voor wijze waarop hij heeft geprobeerd zo goed mogelijk op de verschillende inbrengen te reageren.

De aanvankelijk voorgenomen afschaffing van de heffingskorting van 1,3% in box 1 voor groene en sociaal-ethische beleggingen is als gevolg van het amendement-Slob omgezet in een gefaseerde afbouw in vier jaar. De maatschappelijke en economische effecten worden daardoor minder scherp en voor de korte termijn geeft dat enige rust op de spaar- en beleggingsmarkt. De pijn voor spaarders met meerjarige contracten wordt verzacht en ook aan de leenkant is de pijn minder hevig. Maar het is de vraag of het over vier jaar overblijvende fiscale voordeel van 1,2% vrijstelling op de vermogensrendementsheffing in box 3 op de langere termijn voldoende perspectief biedt om deze groene regelingen met succes te kunnen blijven uitvoeren. Zowel groene beleggers als groene en innovatieve ondernemers komen ontegenzeggelijk in een moeilijker positie. Als spaarders zich uit deze markt terugtrekken loopt de funding voor groene en sociaal-ethische investeringen terug met alle gevolgen van dien.

In dat licht zag ik wel iets in het voorstel van LTO en NVB zoals geformuleerd in hun brief van 27 november. Dat was een kostenneutraal verhaal bestaande uit twee elementen: een stapsgewijze verlaging van de heffingskorting tot 0,8% en een verlaging van het groene beleggingsvolume van 8 mld. naar 5 mld. Het kabinet kwalificeert dit voorstel echter als een openeinderegeling en heeft het om die reden terzijde gelegd. Dat besluit is moeilijk te begrijpen. Uit een nagezonden bericht van LTO en NVB blijkt dat op ambtelijk rijksniveau en volgens het agentschap dat de groenverklaringen afgeeft dit scenario deugdelijk en uitvoerbaar is. Ook de goede collega Essers wees daarop, als ik het mij goed herinner. Waarom grijpt de staatssecretaris deze mogelijkheid, die de derving van inkomstenbelasting neutraliseert, om op deze bijzondere en belangrijke markt continuïteit en stabiliteit te handhaven niet aan? Waarom niet voorop lopen in het waarborgen van een betrouwbare overheid? Waarom niet de kans grijpen om nog scherper afgebakende en daarmee de meest innovatieve projecten te blijven stimuleren? Als er al sprake was van overstimulering, dan is daarvan in de voorgestelde situatie geen sprake meer. Ik zal en wil nooit staatssecretaris van Financiën worden, maar anders zou ik het wel weten. Ik hoor graag meer over de afhoudende instelling van de staatssecretaris. Ik roep hem op om alsnog aan de slag te gaan met deze creatieve en coöperatieve voorstellen. Ik zie dat de staatssecretaris lacht. Ik beschouw dat als positief.

Hier speelt overigens nog een meer algemene kwestie. Het lijkt erop dat cultuur en groen in de vuurlinie van de bezuinigingsplannen terecht zijn gekomen. Het lijkt er al evenzeer op dat dit vooral uit de koker van de derde coalitiepartner komt, die deze beleidsterreinen blijkbaar ziet als elitaire hobby's. Deze bezuinigingen moeten met andere woorden worden begrepen als een afrekening. Dat is voor de D66-fractie een nieuw, maar geen aanvaardbaar perspectief voor een overheid die, hoezeer ook gepolitiseerd, uiteindelijk de publieke zaak voorop dient te stellen. Tot de publieke zaak behoort nadrukkelijk de verantwoordelijkheid voor een op duurzaamheid gericht overheidshandelen. Een duurzame toekomst is geen uitgangspunt om mee te marchanderen. In de richting van de staatssecretaris merk ik op dat dit gevoelen in deze Kamer naar mijn waarneming breed leeft.

Ik kom te spreken over de btw-maatregel. Tegen de voorgenomen verhoging van de btw op de podiumkunsten bestaan veel bezwaren. Ik noem de afbakening van de betrokken sector en de effecten, zoals de verhoging van administratieve lasten, mogelijke vraaguitval en veranderende concurrentieverhoudingen. Mijn fractie moet vaststellen dat de gedachtewisseling hierover weinig verrassend verloopt. Het eendimensionale antwoord is kort gezegd dat er nu eenmaal bezuinigd moet worden en dat de overheidsbemoeienis met de cultuur en de kunstensector moet verminderen. Dat tekent de defensieve en ideologische toonzetting in de coalitieafspraken. Mijn fractie is het met de Raad van State eens dat de motivering van deze maatregel met een eenzijdige verwijzing naar het regeerakkoord te dun is. Bovendien geldt dat als de overheidsfinanciën en de economie zich op den duur weer herstellen, onze cultuurwaarden intussen substantieel verschraald zijn en onze samenleving geestelijk verarmd is. Voor zover op onderdelen nader op de geschetste problemen wordt ingegaan is de reactie over het algemeen dat de effecten niet goed kunnen worden ingeschat, maar waarschijnlijk wel zullen meevallen. Ook dat zijn geen argumentaties die mijn fractie overtuigen. Zij is met de Raad van State van oordeel dat de effecten van de maatregel onvoldoende doordacht en in beeld gebracht zijn. Ik vraag de staatssecretaris of hij niet gewoon wil toegeven dat voor deze maatregel geen redelijke argumenten voorhanden zijn. Nu lacht hij overigens niet.

Daarnaast zijn door verschillende objectieve deskundigen ernstige juridische bedenkingen ingebracht. Ten eerste het ontbreken van een vorm van overgangsrecht, wat in de sfeer van behoorlijke en zorgvuldige wetgeving toch een belangrijke omissie is. Zeker nu, zoals de Raad van State terecht signaleert, het achterwege laten van een overgangsregeling slechts onderbouwd is met budgettaire argumenten. De wetgever dient in onze ogen het niet opnemen van een overgangsmodaliteit expliciet en transparant af te wegen tegen rechtsbeginselen als gelijkheid en rechtszekerheid. Het kabinet wekt nu de indruk te handelen op basis van willekeur. Dat is uit een oogpunt van publieke betrouwbaarheid riskant. De legitimatie van het overheidshandelen vormt immers een belangrijk element in de mate van vertrouwen dat in de samenleving bestaat ten opzichte van het openbaar bestuur. Het verweer van de staatssecretaris dat de mogelijkheid dat men voor in 2010 verkochte kaartjes nog het oude tarief kan hanteren als een overgangsregeling moet worden beschouwd, zal hij toch ook zelf niet echt serieus kunnen nemen.

Een tweede juridische bedenking is de mogelijke strijd met het in de toepasselijke Europese btw-richtlijn opgenomen fiscale neutraliteitsbeginsel. Ondernemers die dezelfde handelingen verrichten mogen inzake de btw-heffing niet verschillend worden behandeld, aldus ook het Europese Hof van Justitie. Op dit punt reageert de staatssecretaris met de doodeenvoudige mededeling dat het hierbij niet om dezelfde handelingen gaat. Dat behoeft toch wel enige uitleg. Het is bovendien sterk de vraag of dat de Europese Commissie ervan zal weerhouden een inbreukprocedure te overwegen, met name in het licht van de aangekondigde verdere Europese maatregelen om tot harmonisatie van btw-heffingen te komen. Deze juridische problemen wegen voor mijn fractie zwaar. Om die reden vraag ik de staatssecretaris nadrukkelijk om in zijn antwoord daarop dieper in te gaan.

Uiteindelijk en in de kern speelt hierbij nog iets anders, namelijk de fundamentele vraag naar de plaats en de rol van kunst en cultuur. Kunst en cultuur vervullen een universele maatschappelijke functie. Zij kunnen de ruwheid en lelijkheid om ons heen verzachten en troost bieden bij angst en verdriet. Zij stimuleren zelfreflectie en genuanceerd denken, net als in het onderwijs. Zij kunnen mensen verbinden, net als in de sport. Kunst en cultuur zijn, kortom, publieke functies die bijdragen aan goed burgerschap en een beschaafde samenleving. Daar mag de overheid, dus ook dit kabinet, zich naar het oordeel van de D66-fractie niet van afkeren.

Mijn fractie heeft het kabinet om die reden nadrukkelijk gevraagd de maatregel in deze vorm te heroverwegen en een aangepast voorstel te ontwikkelen. Formeel is dat mogelijk door het nemen van een ministerieel beleidsbesluit; het is eerder aan de orde geweest. In het debat met de Tweede Kamer zijn voldoende, op zichzelf valide dekkingsmogelijkheden voor een alternatief voorbijgekomen. De politieke en staatsrechtelijke betekenis van de hier vorige week aangenomen motie-Noten c.s. is in dit verband evident. Uiteindelijk ligt hier de vraag naar de politieke wil van kabinet en coalitie.

In de brief van het kabinet die wij aan het begin van de avond ontvingen, meldt de waarnemend minister-president dat aan de motie-Noten slechts tegemoetgekomen kan worden door middel van een novelle. Een ministerieel besluit om de btw-maatregel op te schorten of anders in te vullen zou vanwege de gelding van het legaliteitsbeginsel slechts genomen kunnen worden op basis van een formele wet. Het kabinet geeft vervolgens aan dat de daarvoor benodigde novelle door de Tweede Kamer niet aanvaard zal worden, zodat een formeelwettelijke grondslag voor besluiten over andere modaliteiten ontbreekt. Om die reden zou de motie niet kunnen worden uitgevoerd.

Het is de vraag of deze benadering sluitend is. Strikt formeel behoeven bindende regels van lagere wetgevers inderdaad een wettelijke grondslag. Deze rechtsstatelijke eis geldt naar mijn oordeel op voorhand echter niet voor bijvoorbeeld een ministerieel beleidsbesluit om een maatregel uit het Belastingplan per 1 januari niet in te voeren. Dat is een besluit met interne werking, niet naar buiten gericht of burgers bindend. Het levert evenmin een afwijking op van een formele wet. Een dergelijk ministerieel besluit kan tot doel hebben, al dan niet via de lijn van formele wetgeving achteraf of op termijn, tot een eventueel aangepast regime op het punt van de btw-maatregel te komen. Ik meen dat dit staatsrechtelijk niet ongeoorloofd is. De verwijzing van het kabinet naar het obstakel van de motie-Jurgens is op zich plezierig, want het laat zien dat het kabinet moties van de Eerste Kamer niet negeert. Die motie staat echter in de context van de implementatie van bindende Europese regelgeving bij AMvB of ministeriële verordening die afwijkt van geldende formele wetgeving, zonder nadrukkelijke tussenkomst van de formele wetgever. Dat probleem is hierbij niet aan de orde. In dat licht vraag ik de staatssecretaris binnen de ministerraad nog eens te bezien of de hierbij genoemde route staatsrechtelijk begaanbaar is – wij denken dat dit zo is – en of een dergelijke route politiek ook acceptabel is.

Kortom: mijn fractie acht de brief in deze vorm niet dermate tegemoetkomend dat daarmee zonder meer met het Belastingplan kan worden ingestemd. Mijn fractie wacht de reactie van de staatssecretaris met buitengewoon veel belangstelling af.

Mevrouw Böhler (GroenLinks):

Voorzitter. Het Belastingplan is bij uitstek geschikt om te toetsen of de regering bezig is met creatief boekhouden of met regeren. Bezuinigen is immers geen doel op zich, maar slechts een middel, evenzo als lastenverzwaring of lastenverlichting. GroenLinks is dan ook benieuwd naar de overkoepelende beleidsvisie die aan het Belastingplan en de overige fiscale maatregelen ten grondslag ligt. Kan de staatssecretaris toelichten welke beleidsvisie achter de maatregelen schuilt?

Over die maatregelen gesproken: ik wil ingaan op drie thema's, te weten duurzaamheid, lastenverlichting en belasting op kunst en cultuur. Ik begin met duurzaamheid. De huidige minister van Financiën en tevens voorganger van deze staatssecretaris stond ooit bekend als "de groene staatssecretaris", maar van groen en duurzaam belastingbeleid is weinig meer over. De vliegtaks was al afgeschaft, voordat die goed en wel in werking was getreden, en de langverwachte kilometerheffing komt er niet. In plaats daarvan rijden we straks met 130 over de drukke snelwegen, met alle negatieve effecten voor het milieu van dien. Waar is het credo "de vervuiler betaalt" gebleven? Onderschrijft de regering dat uitgangspunt eigenlijk nog wel? En zo ja, hoe wil de regering dit dan vormgeven in de toekomst?

Een belangrijk voorbeeld voor de manier hoe met duurzaamheid wordt omgegaan, is de afschaffing van de heffingskorting op maatschappelijk en groen beleggen. Wij zijn weliswaar blij met de wijzigingen door het amendement, zodat er een soort zachte landing komt, maar het feit blijft dat de heffingskorting op maatschappelijk en groen beleggen wordt afgeschaft, zij het langzamer dan de regering oorspronkelijk van plan was, namelijk pas over vier jaar. De vrijstelling – dat wil ik er meteen bij zeggen – in box 3 wordt gehandhaafd, maar de afschaffing van de heffingskorting zal niet zonder gevolgen blijven. Wij begrijpen die stap ook niet helemaal. De regering heeft zelf toegegeven dat juist de heffingskorting een duidelijk herkenbare stimulans is geweest om in groen en maatschappelijk ethische beleggingen te beleggen. Wat is dan eigenlijk de reden om die heffingskorting niet overeind te laten? Is het enkel en alleen een bezuinigingsmaatregel? Of zit ook hier weer een beleidsvisie achter die ik niet kon zien? In de memorie van antwoord spreekt de staatssecretaris in dit verband van een overstimulering. Andere sprekers hebben daar volgens mij ook al naar verwezen. Ik begrijp dat niet helemaal. Wat bedoelt de staatssecretaris met "overstimulering"? Is de staatssecretaris bereid – ik sluit mij ook hier aan bij vele andere sprekers – om de gevolgen van de afschaffing van de heffingskorting, nu die over een aantal jaren wordt verspreid, jaarlijks te laten evalueren? Daarmee bedoel ik toch ook echt meer dan het doorsturen van monitoringrapporten van anderen aan deze Kamer. Ik bedoel een onafhankelijke evaluatie die de regering laat uitvoeren en die vervolgens aan de Kamer ter beschikking wordt gesteld. Is de staatssecretaris bereid om op dat punt een toezegging te doen? Zo niet, dan overweeg ik in tweede termijn een motie op dat punt in te dienen. Er zijn twee heel kleine lichtpuntjes wat de duurzaamheid betreft en die wil ik niet onvermeld laten: de bpm-regeling die overeind blijft en het stimuleren van elektrische auto's, maar dat is al met al toch echt bar weinig als het om duurzaamheid gaat.

Dan kom ik op het onderwerp lastenverlichting. De ondernemers van Nederland zijn ongetwijfeld blij met dit kabinet, want ondernemerschap wordt goedkoper gemaakt. In de memorie van toelichting op het Belastingplan staat onder punt 3 het kopje: (Innovatief) ondernemerschap. Het woordje "innovatief" staat hierbij niet voor niets tussen twee haakjes, want er komt, behalve de intensivering van het al bestaande WBSO, niet veel terecht van het fiscaal stimuleren van innovatie. De belangrijkste maatregel is namelijk de verlaging van de vennootschapsbelasting in het algemeen en deze maatregel komt ten goede aan alle ondernemingen met een jaarwinst van meer dan € 200.000. Of deze ondernemingen vernieuwen of niet, is volstrekt irrelevant. Dan profiteren ook nog eens de grote ondernemingen meer van deze maatregelen dan de kleine. Als klap op de vuurpijl profiteren banken en verzekeringsmaatschappijen met een daling van circa 1,9% meer dan gemiddeld van de daling van de vpb-last. Zij profiteren veel meer dan gemiddeld het geval is. Is de staatssecretaris eigenlijk van mening dat hierdoor verantwoord ondernemerschap wordt gestimuleerd? Het komt mij voor dat het tegenovergestelde het geval is. Want ondanks de kredietcrisis, waarin de banken toch echt meer dan de gemiddelde ondernemer een kwalijke rol hebben gespeeld, worden de banken nu meer dan de gemiddelde ondernemer beloond met een belastingverlaging. Kan de staatssecretaris dit uitleggen?

Dan de woningmarkt. Onder het kopje "woningmarkt" treffen wij ook een aantal maatregelen aan, allemaal ten gunste van de eigenaren van woningen en onafhankelijk van de waarde van de woning. Ik heb hierover twee aanvullende vragen. Wat de verlaging van het btw-tarief voor verbouwing en renovatie betreft, komt het mij voor dat dat niet geldt voor architecten, maar ik weet niet of ik dat juist heb begrepen. Kan de staatssecretaris mij hier helpen? En wat woonboten en andere roerende woningen betreft, kan ik mij alleen maar aansluiten bij collega Leijnse. Ik begrijp gewoonweg niet waarom het lage btw-tarief voor verbouwing en renovatie niet zou moeten gelden voor dit type woningen. Graag dus nog een keer een poging van de staatssecretaris om mij dit uit te leggen.

Dan de koopkracht. Het moet mij toch echt van het hart dat ik met verbazing de toelichting op de effecten van het koopkrachtpakket heb gelezen in de memorie van antwoord. De staatssecretaris schrijft hier: "De bovenste twee kwartielen krijgen ongeveer 1,1 mld. van de 1,55 mld. Dat is circa 70% van de belastingverlaging, en het hoogste kwartiel heeft een belastingverlaging van circa 40%." De politieke keuze om hoge inkomsten meer belastingvoordeel te gunnen is de onze niet, dat moge duidelijk zijn, en ook de toelichting van de staatssecretaris – ik zei het al – stuit ons toch enigszins tegen de borst. Want als argument voor die ongelijke verdeling van de voordelen geeft de regering aan dat de bovengemiddelde inkomens ook meer belasting betalen – ja, zo ken ik er nog wel een paar – om vervolgens uit te leggen dat het bovenste kwartiel overigens slechts 1,6% minder belasting betaalt en de laagste twee gemiddeld 4,8% minder. Als ik niet zou weten dat de staatssecretaris van christelijken huize is, zou ik zeggen dat dit een liberaal verkooppraatje is. Als ik namelijk nu € 1000 belasting moet betalen en straks 4,8% minder, heb ik een voordeel van € 50. Dat is toch echt minder dan iemand die € 10.000 belasting betaalt en straks € 160 meer krijgt.

Nogmaals, het zijn onze politieke keuzes niet, maar als er een meerderheid voor is, moeten wij hiermee leven. Maar wees eerlijk en laat de misleidende reclame alsjeblieft achterwege.

Dan het onderwerp kunst en cultuur. Het pièce de résistance van dit Belastingplan, de btw-verhoging op kunst en cultuur. Eerst een algemene vraag. De kunstsector, zo zegt de regering, moet minder afhankelijk worden van de overheid. Vaak wordt dan verwezen naar de Verenigde Staten. Als wij ervan uitgaan dat dat een goed beleid is, hoe past dan een verhoging van de belasting op juist die kunst bij dit beleid? Want juist in de VS worden de belastingen laag gehouden om private sponsoring te stimuleren. Dus ik snap niet hoe je die twee met elkaar in overeenstemming kunt brengen. En indien de kunst dan minder afhankelijk dient te worden van de overheid, zal de kunstsector dus op zoek moeten gaan naar sponsoring, bijvoorbeeld door grote ondernemingen. Er stond laatste in de krant dat de Deutsche Bank – ik lees dat natuurlijk met bijzonder veel genoegen, u begrijpt het wel, omdat ik zelf van Duitse origine ben – een sponsoringcontract heeft afgesloten met het Concertgebouworkest. Zij noemen dat corporate social responsibility. Is de regering van plan om dit soort sponsoring in de toekomst te stimuleren door belastingmaatregelen?

Dan de btw-verhoging op de podiumkunsten. Er is al veel over gezegd en met name ook over de reactie van de regering op de motie-Noten. De weigering van de regering om hiermee ook maar iets te doen, heeft de verhouding met de Eerste Kamer meteen op scherp gezet, en dat is jammer. Er is geen sprake van een uitgestoken hand van de regering naar de oppositie of de Eerste Kamer toe, maar van een klap in het gezicht. Dat belooft niets goeds voor de verhoudingen in de toekomst. Ik wil de staatssecretaris net als de andere collega's die dat ook hebben gedaan toch nog eens nadrukkelijk verzoeken om te bekijken of het niet mogelijk is om via een beleidsbeslissing toch tegemoet te komen aan deze door de Kamer aangenomen motie.

Vele collega's zijn al ingegaan op de waarde van kunst en cultuur voor de Nederlandse samenleving en de bezwaren die kleven aan de verhoging. Ik wil hieraan nog het volgende toevoegen. Ook vanuit het oogpunt van kwaliteit van wetgeving kleeft namelijk een groot aantal bezwaren aan de verhoging. Een aantal van deze bezwaren is al genoemd. Is er überhaupt sprake van behoorlijk bestuur, gezien de korte termijn waarop de btw wordt verhoogd, binnen veertien dagen? De verhoging is ook niet tijdig aangekondigd en er is geen overgangsregeling. Ik kan niet begrijpen waarom deze maatregel niet gewoon per 1 september is ingevoerd. Iedereen weet toch dat het culturele jaar niet gelijkloopt met het kalenderjaar?

In dit verband roep ik de staatssecretaris graag de verhoging van de assurantiebelasting in herinnering. In zijn brief van 20 november schrijft hij hierover het volgende. "Op grond van de derde nota van wijziging is overgangsrecht getroffen in verband met de verhoging van het tarief van de assurantiebelasting. De verzekeringsbranche heeft aangegeven dat de maatregel pas vanaf 1 maart 2011 kan worden toegepast omdat verzekeringsmaatschappijen hun premienota's tot twee maanden voor de prolongatiedatum van de verzekering opmaken. Daarom is de ingangsdatum van de verhoging van het tarief verschoven van 1 januari 2011 naar 1 maart 2011." Als je dit leest, vraag je jezelf toch echt af waarom een soortgelijke overweging niet ook voor de podiumkunsten is gemaakt. Iedereen weet dat de contracten al zijn afgesloten voor het hele seizoen, tot 1 september. Hierbij moeten dezelfde overwegingen gelden als bij de assurantiebelasting. Kortom, waarom was het niet mogelijk om in ieder geval tot 1 september te wachten met de invoering?

De verhoging is mogelijk ook strijdig met EU-richtlijnen, in het bijzonder met het beginsel van fiscale neutraliteit. Collega Engels heeft daar al op gewezen. De memorie van antwoord is wat mijn fractie betreft veel te kort door de bocht. De staatssecretaris stelt dat er geen sprake is van schending van fiscale neutraliteit en vergelijkt daarbij een sportwedstrijd met een cabaretuitvoering, maar daar gaat het echt niet om. Het gaat erom dat er concurrentie bestaat van podiumkunsten met soortgelijke culturele evenementen, bijvoorbeeld in circussen of bioscopen. In dat opzicht kan de fiscale neutraliteit wel degelijk worden betwist. Ik verzoek de staatssecretaris om nog eens goed te kijken naar het advies van De Brauw Blackstone Westbroek. Kan hij met deugdelijke argumenten onderbouwen waarom de verhoging geen juridische problemen zal opleveren?

Over kwaliteit gesproken, we hebben ook een probleem met de effectiviteit van de maatregel. Er is 48 mln. aan extra inkomsten voor de schatkist geraamd, maar daarbij is ervan uitgegaan dat de verhoging geen enkel negatief effect zou hebben op de verkoop. Ik vraag me af of dat realistisch is. Het komt me vreemd voor dat het verlagen van het btw-tarief in de bouw voor de regering aanleiding is om uit te gaan van een toename van het aantal renovaties en verbouwingen, terwijl een verhoging van de btw in de kunstsector niet tot een afname van de verkoop zou leiden. Kan de staatssecretaris dit verschil in inzicht uitleggen?

De btw op beeldende kunst en antiek wordt eveneens verhoogd. Collega Reuten heeft er al op gewezen dat dit ook de kunstenaars treft. Dat is onwenselijk. Ook in dezen hebben wij echter vooral problemen met de veronderstelde effectiviteit van de maatregel. Het btw-tarief op beeldende kunst en antiek, zeker in de handel, is in andere landen veel lager. In Engeland is het bijvoorbeeld 5%. Er wordt nu reeds gebruikgemaakt van de mogelijkheid om via dat land beeldende kunst en antiek in Nederland te verkopen. Als het verschil tussen Engeland en Nederland straks niet meer 1% bedraagt, zoals nu, maar 13%, moet je ervan uitgaan dat de meeste handel via deze route zal plaatsvinden. Waarom is hiermee geen rekening gehouden? Ik ga ervan uit dat er echt minder inkomsten in de schatkist zullen belanden dan de geschatte 42 mln. Graag een reactie hierop.

Nu het over btw-maatregelen gaat, verneem ik ook graag de visie van de regering op het groenboek over btw. Andere sprekers hebben het reeds genoemd. De Europese Commissie heeft op 2 december het startschot gegeven voor een modernisering van het btw-stelsel; wellicht wil men zelfs een uniform stelsel. Graag wil ik hierop een reactie van de staatssecretaris.

Tot slot: er staat helaas weinig in het Belastingplan dat GroenLinks bevalt en veel dat ons niet zint. Voordat ik echter een eindoordeel geef, wacht ik graag het antwoord van de staatssecretaris af.

De vergadering wordt van 21.40 uur tot 21.45 uur geschorst.

De heer Biermans (VVD):

Voorzitter. Voordat ik inga op de voorliggende wetsvoorstellen eerst een punt van orde. AI enkele jaren pleit de Eerste Kamer, gelet op de eindejaarsdrukte, voor een grotere spreiding van fiscale wetsvoorstellen gedurende het jaar. De vorige staatssecretaris heeft die wens honorerend, het wetsvoorstel fiscale verzamelwet 2010 royaal voor het zomerreces naar de Tweede Kamer gezonden. Dank daarvoor aan de vorige staatssecretaris. Door toedoen van de Tweede Kamer is het wetsvoorstel toch weer pas onlangs bij onze Kamer ingediend. Zo worden we opnieuw opgezadeld met die ongewenste cumulatie. Dat vinden de leden van de VVD-fractie bijzonder spijtig. Het is niet de eerste keer dat een wetsvoorstel buitengewoon lang onderweg is bij de Tweede Kamer. Vaak is het dan zo dat de Eerste Kamer zo'n wetsvoorstel onder grote druk moet afwerken. Recente voorbeelden zijn de fiscale BES-wetgeving en het wetsvoorstel inzake het verdrag ter voorkoming van dubbele belasting tussen het Verenigd Koninkrijk en Nederland. Het is onze wens dat de behandelingstijd van fiscale wetsvoorstellen wat eerlijker over beide Kamers verdeeld wordt. Een wens die u misschien aan uw collega van de Tweede Kamer wilt overbrengen. Het verheugt ons uiteraard dat deze staatssecretaris toegezegd heeft de door de vorige staatssecretaris ingezette spreiding van wetsvoorstellen over het jaar, voort te zetten.

Allereerst wil ik de staatssecretaris en zijn ambtenaren hartelijk danken voor de reactie op de door mijn fractie in het verslag aangedragen thema's. Andere partijen hebben dit ook gedaan. Het is bijzonder knap dat zo veel werk in zo korte tijd verzet kan worden.

Wij hebben dit jaar een Belastingplan met bijbehorende wetsvoorstellen dat door twee kabinetten is gemaakt. De voorstellen van het kabinet van CDA en ChristenUnie zijn aangevuld met maatregelen uit het regeerakkoord Vrijheid en verantwoordelijkheid van het kabinet van VVD en CDA. Wij prijzen het vorige kabinet omdat het zijn verantwoordelijkheid heeft opgepakt en een, zeker voor een demissionair kabinet, degelijk pakket maatregelen heeft neergelegd. Het huidige kabinet heeft dat pakket aangevuld met een aantal extra opbrengstgenererende maatregelen.

Die maatregelen betreffen allereerst het introduceren van het algemene btw-tarief voor podiumkunsten, kunstvoorwerpen en voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten. Structureel levert deze maatregel een opbrengst van 90 mln. op. De bijdrage van de podiumkunsten daaraan is 48 mln. Wij staan achter deze maatregel, die als doel heeft overheidsbemoeienis met de culturele sector te beperken. Het lage btw-tarief is overigens een bijzonder tarief en dient daarom met grote terughoudendheid te worden toegepast. Met deze maatregel keren we terug naar de situatie van een jaar of tien geleden, toen ook het normale btw-tarief van toepassing was op podiumkunsten. Mijn fractie heeft wel grote moeite met de termijn waarop de maatregel wordt ingevoerd. Midden in het theaterseizoen wordt de sector opgezadeld met een btw-verhoging, die vrijwel niet meer doorberekend kan worden aan de bezoekers. Dat betekent een opbrengstenvermindering, die veelal een-op-een tot een verlies bij de sector leidt. Wij hebben ons de vraag gesteld of hier sprake is van een fatsoenlijk wetgevingstraject en zijn tot de conclusie gekomen dat daarvan geen sprake is. Naar onze mening zou deze op zich gewenste maatregel aan het begin van het volgende seizoen moeten ingaan. In de memorie van antwoord lezen we dat het invoeren van de maatregel per 1 september 2011 32 mln. kost. Wij twijfelen aan de hoogte van dit bedrag. Het zal naar onze mening aanmerkelijk lager zijn ten gevolge van de vóór 1 januari 2011 verkochte kaartjes. Tot nog toe weigert de regering om een andere ingangsdatum te kiezen en te verdedigen. In de kabinetsbrief van vandaag wordt de motivatie van die houding gegeven. Begrijpelijk maar tevens erg teleurstellend.

Een andere opbrengstgenererende maatregel behelst de afschaffing van de heffingskorting voor maatschappelijke beleggingen en voor beleggingen in durfkapitaal alsmede de afschaffing van de persoonsgebonden aftrek voor verliezen op directe beleggingen in durfkapitaal. Deze maatregel levert structureel 120 mln. op. De heffingskorting is een zeer succesvolle maatregel geweest. Een kwart miljoen particuliere spaarders en beleggers hebben 7 mld. geïnvesteerd in 4000 projecten. De regering is van mening dat deze beleggingen ook zonder die fiscale stimulans een goede toekomst hebben. De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat die overweging een goede motivatie is om aan de fiscale stimulering een einde te maken. Dergelijke stimulansen moeten niet eindeloos doorlopen, maar dienen periodiek kritisch tegen het licht te worden gehouden. En als de maatregelen zijn uitgewerkt of hun doel hebben bereikt, dienen ze te verdwijnen. Van vele kanten is echter betoogd dat het afschaffen van de heffingskorting het einde van die beleggingen betekent. Zo zouden banken als Rabobank, ABN AMRO en ING met die producten stoppen. Kan de staatssecretaris nog eens onderbouwen waarom hij niet bevreesd is voor het verdwijnen van deze beleggingen? Wij juichen het overigens toe dat via een amendement van de Tweede Kamer een overgangsregeling is getroffen.

De verhoging van de assurantiebelasting levert na terugsluis aan de bedrijven 190 mln. op. In feite is de assurantiebelasting een bijzondere vorm van btw met een tarief van circa 9,5%. Een verhoging van die belasting lijkt net als een verhoging van de tabaksaccijns een panacee om een gat in de belastingopbrengst te vullen. Wellicht wordt het tijd om het algemene btw-tarief op verzekeringen van toepassing te verklaren onder gelijktijdige afschaffing van een aantal belastingen met een geringe opbrengst. Hoe kijkt de staatssecretaris tegen dit vereenvoudigingsvoorstel aan?

Het Belastingplan en de daarbij behorende wetten bevatten ook een aantal maatregelen ter bestrijding van constructies en fraude. Wij juichen deze maatregelen toe. In de praktijk bestaat er echter nog steeds onzekerheid over de bij de voorliggende wetsvoorstellen geïntroduceerde term "samenstel van rechten en verplichtingen" in de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Wij twijfelen of wij de staatssecretaris om een nadere duiding daarvan moeten vragen. Misschien is het beter om genoegen te nemen met de vaagheid die deze term in zich heeft. Misschien moet de praktijk leren leven met de wettelijke onzekerheid van open normen, die door de rechtspraak uiteindelijk na weging van de feiten wordt opgelost. Wettelijke regelingen kunnen daarmee meeveren met de rechtsontwikkeling. Daarmee wordt ook voorkomen dat wettelijke regelingen steeds aangepast moeten worden en daarmee steeds ingewikkelder worden. Ik maak de vergelijking met de open norm voor goed koopmansgebruik, die decennialang zijn toegevoegde waarde heeft geleverd. Ik vraag de staatssecretaris om de term toch nog maar eens toe te lichten.

De maatregel voor de winstvennootschappen is voor ons acceptabel. Wel ontvangen we graag een reactie op het artikel van mr. A. Rambhadjan en enkele van zijn collega's in NTFR over artikel 20a van de Wet Vpb, de binnenjaarse verliesverrekening.

Met name dankzij de inspanningen van de Tweede Kamerfractie van de SP wordt de fiscale wetgeving verrijkt met maatregelen tegen de Edelweissroute.

De maatregelen tot bevordering van innovatief ondernemerschap hebben onze instemming. Zonder ondernemers geen welvaart! Hetzelfde geldt voor de maatregelen ter tijdelijke ondersteuning van de woningmarkt. Over de tijdelijke verlaging van het btw-tarief voor renovatie van woningen is al veel gezegd. Niet overtuigend is de motivatie van de staatssecretaris waarom bijvoorbeeld woonboten buiten de regeling moeten vallen. Zijn antwoord op onze vraag naar een evaluatie van de gentlemen's agreement ter zake is ronduit ontwijkend. Als globaal vastgesteld zou worden dat een dergelijke overeenkomst in de praktijk goed werkt, zou deze vaker als hulpmiddel ingezet kunnen worden bij de uitvoering van maatregelen en het creëren van draagvlak daarvoor.

In het Belastingplan zijn ook terecht maatregelen ter herstel van de koopkracht van burgers en compenserende maatregelen voor het bedrijfsleven ter waarde van circa 2 mld. opgenomen.

De heer Reuten (SP):

Meestal interrumpeert senator Biermans mij tijdens mijn inbreng in eerste termijn als hij het ergens niet mee eens is. Vandaag heeft hij dat niet gedaan. Ik ben blij met zijn instemming met mijn bijdrage. Ik wilde nog even weten of hij het eens is met onze constatering dat de koopkracht voor de hogere inkomens niet daalt. De lagere inkomens gaan er in koopkracht op achteruit, maar de hogere inkomens niet. Die constatering deelt de heer Biermans? Ik vraag het even voor alle zekerheid. Ik wist het al omdat hij mij niet geïnterrumpeerd heeft, maar toch.

De heer Biermans (VVD):

Ik meen uit de cijfers die de staatssecretaris verstrekt heeft die conclusie te mogen trekken. Overigens is het wel een bijzonder evenwichtig pakket dat in dit Belastingplan is neergelegd. Ik neem aan dat de heer Reuten dat deelt, want hij reageert ook niet.

Voorzitter. Ik kom bij enkele losse punten. Ik vraag de staatssecretaris nog eens zijn beleid ter zake van de afvalstoffenbelasting van monostromen uit te leggen. Waarom kunnen monostromen niet onder het lage tarief vallen? Nu worden die afvalstoffen veelal naar Duitsland geëxporteerd om daar gestort te worden en mist Nederland daardoor inkomsten. Als de staatssecretaris met zijn reactie bezig is, kan hij wellicht ook een reactie geven op de brief van 16 december 2010 van de Vereniging Afvalbedrijven.

Ouderenhuisvesting valt als het aan de staatssecretaris ligt niet langer onder een vrijstelling voor de Vpb. De motivatie van de staatssecretaris is dat een zorgcorporatie met louter verhuur van vastgoed geen lichaam van algemeen nut is. Ik ga niet helemaal in op dit thema, want enkele andere woordvoerders hebben dat al uitstekend gedaan. Ik beperk me tot de volgende vragen. Ziet de staatssecretaris het wel goed? Zou het niet zo zijn dat ouderenhuisvesting zonder de inzet van die lichamen überhaupt niet gerealiseerd wordt? En zou dat niet de reden moeten zijn waarom die lichamen wél onder een vrijstelling zouden moeten vallen?

Er komt een onderzoek naar de wijze waarop de stimuleringsmaatregelen in de bpm, de mrb en de bijtelling ook in de verdere toekomst een stimulans kunnen blijven om steeds te kiezen voor de zuinigste auto. Er is volgens de leden van mijn fractie alle reden om het gehele fiscale stelsel rond de auto te heroverwegen, uiteraard met behoud van een robuuste belastingopbrengst. De vraag is ook of de belastingheffing van motorrijtuigen nog wel evenwichtig is. Waarom moet er een vrijstelling motorrijtuigenbelasting voor schone auto's bestaan? Die maken toch ook gebruik van het wegennet? Waarom vallen schone lpg-auto's nog altijd onder het hoge tarief? Dezelfde vraag geldt voor schone dieselauto's. Het wijzigen van de definitie van zuinige auto's levert rechtsonzekerheid en gevoelens van onrechtvaardigheid op. Wat is daaraan te doen?

De staatssecretaris heeft ook aan onze Kamer een startnotitie toegezegd. Grote vergezichten zal hij daarin niet schetsen, zo heeft hij ons laten weten. Wij vinden dat een gemiste kans. Wat is er op tegen om los van de bestaande regelgeving te filosoferen over een idealer belastingstelsel? Daarmee bepaal je toch ook de richting, waar je op middellange en korte termijn met de bestaande belastingwetgeving naar toe moet gaan. Namens de leden van mijn fractie formuleer ik dan maar zelf een aantal vergezichten waarmee de staatssecretaris hopelijk malgré tout rekening wil houden.

Wij moeten de belastingwetgeving eenvoudiger maken. Dat kan – ik heb dat al eerder betoogd – door meer met open normen te werken. Laat de rechtspraktijk toch de weg van redelijke en billijke belastingheffing vinden. Wij moeten meer indirecte en minder directe belastingen heffen. Dat komt het meer en langer werken ten goede. Ik merk hierbij op dat het Nederlandse toptarief tot de hoogste tarieven van Europa behoort en dat dit tarief bovendien al bij 1,2 maal het gemiddelde inkomen moet worden betaald.

De heer Reuten (SP):

Indirecte belastingen vormen een vlak tarief. Bij een vlak tarief moeten de mensen met het laagste inkomen inderdaad langer werken, want anders kunnen zij niet meer rondkomen. Het klopt dus wat u zegt. U weet overigens net zo goed als ik dat het marginale tarief van 52% niet het gemiddelde tarief voor mensen met een hoog inkomen is. Dat gemiddelde ligt meer in de orde van grootte van 30% tot 40%.

De heer Biermans (VVD):

Ik ben onder de indruk van deze aanvulling op mijn betoog. Ik heb dat zelf niet opgeschreven omdat ik het redelijk logisch vond. Mijn volgende zin is dat het laten vervallen van het lage btw-tarief belastingtechnisch consequenties heeft. Het toptarief voor de inkomstenbelasting begint al te tellen bij 1,2 maal het gemiddelde inkomen. Ik zei al dat dit een van de hoogste tarieven binnen Europa is. Uiteraard heeft dit allerlei gevolgen voor de koopkracht. Daar moet ook rekening mee gehouden worden. Daar kom ik later nog op terug.

De heer Reuten (SP):

Het tarief is misschien nominaal Europees gezien wel hoog, maar effectief niet. Door de aftrekposten zijn de effectieve tarieven in Nederland veel en veel lager. Dat weet u net zo goed als ik.

De heer Biermans (VVD):

Aftrekposten leiden er inderdaad toe dat er minder belasting wordt betaald. Daar is niets tegen in te brengen.

Wij moeten het bijzondere lage btw-tarief minder gaan gebruiken. De toepassing van het lage tarief scheelt 8 mld. aan belastingopbrengsten. Het toepassen van één tarief van bijvoorbeeld 16,5% werkt geweldig vereenvoudigend. Bovendien kunnen door meeropbrengst belastingen worden geschrapt. Als voorbeelden van te schrappen belastingen noem ik de grondwaterbelasting, de afvalstoffenheffing, natuurlijk – daar komt zij weer – de erf- en schenkbelasting, en de dividendbelasting. Die laatste heffing, waarvan zelfs de staatssecretaris niet zeker weet wat zij opbrengt, werkt buitengewoon vestigingsplaatsverstorend.

Ook wil ik graag enkele maatregelen noemen die minder fantasie of misschien minder politieke durf vereisen. De grondslag voor de inkomstenbelasting kan verbreed worden door afschaffing van de giftenaftrek, de levensloopregeling, de spaarloonregeling en de FOR. Ik noem ook neutralisering van het onderscheid tussen vreemd en eigen vermogen voor de Vpb. Het wordt trouwens sowieso tijd dat deze discussie eindigt. De onrust over aanstaande wijzigingen levert nu al grote economische schade op. De volgende maatregel is, snoeien in het woud van ondernemingsvrijstellingen. In dit kader noem ik de herinvoering van het 20%-stakingstarief. Het is aardig om dit verband te verwijzen naar de Kamerbreed aanvaarde motie-Rensema en dit dat beoogde. Ik noem ook afschaffing van de gebruikelijk loonregeling en afschaffing of in elk geval vergaande vereenvoudiging van de tbs-regeling. In dit verband verwijs ik nog eens naar de Nexia-voorstellen. Verder noem ik vereenvoudiging van de BOR. De bedoeling van die regeling is dat bedrijfsoverdrachten fiscaal niet bemoeilijkt worden. Dat is goed voor de economie. Schrap daarom alle beperkende en detaillerende voorwaarden. Tot slot noem ik terugdringing van de armoedeval ter bevordering van de arbeidsparticipatie. Om deze reden dienen ook de kortingen en toeslagen drastisch verminderd te worden; iets wat overigens de staatssecretaris niet alleen hoeft te verdedigen. Ook de minister-president wil dat.

Het is ook goed om alvast te noemen wat wij als VVD-fractie in elk geval niet willen. Wij willen de meeropbrengst van het laten vervallen van faciliteiten niet gebruiken om meer overheidsuitgaven te financieren. Wij willen geen aantasting van de hypotheekrenteaftrek. Wij willen geen verdere instrumentalisering van de belastingwetgeving, bijvoorbeeld in verband met de klimaataanpak. Ook de heer Ten Hoeve had het over deze verdere instrumentalisering. De vliegtaks heeft heel duidelijk aangetoond dat je via nationale wetgeving nauwelijks iets bereikt. Voor de SP zeg ik met name dat wij niet meer en geen hogere belastingheffing op vermogen willen. Als laatste punt noem ik de afschaffing van de omkeerregeling; dat willen we ook niet. Ik heb me geweldig beperkt in mijn wensen. Ik heb er nog veel meer, maar dit is in elk geval een mooi begin. Wij wachten de reactie van de staatssecretaris in alle vertrouwen af.

De heer Yildirim (Fractie-Yildirim):

Voorzitter. Tijdens de algemene politieke beschouwingen van twee weken geleden heeft mijn fractie haar visie gegeven op het kabinetsbeleid en de voorgenomen maatregelen om te komen tot bezuinigingstaakstellingen. Ik heb toen in het kort ons ongenoegen geuit over de bezuinigingen op sociale werkvoorzieningen, AOW, natuur en cultuur. Het zijn maatregelen die de armen in Nederland armer, en de rijken rijker maken. Zij doen de tweedeling toenemen. Mijn fractie heeft dan ook veel moties gesteund om de pijn die de kabinetsmaatregelen in de samenleving veroorzaken, enigszins te verzachten. Wij zijn benieuwd naar de reactie van de staatssecretaris op de aangenomen moties in relatie tot het voorliggende voorstel.

In de filosofie van dit kabinet dient iedereen bij te dragen. De een kan echter meer bijdragen dan de ander. Daar is geen rekening mee gehouden. Dat betekent dat de tweedeling in Nederland zal toenemen. Daardoor zullen ook de haat en de verdeeldheid in de samenleving worden gestimuleerd. Bij stimulering en toename van haat en verdeeldheid in de samenleving heeft slechts een van de kabinetspartners baat, die tevens de politieke ideologie aan dit kabinet geeft.

Zonder al te veel in detail te treden, wil ik kort enkele kanttekeningen plaatsen. Zo is mijn fractie van mening dat de voorliggende bezuinigingsmaatregelen niet evenwichtig zijn. In het belastingvoorstel wordt bijvoorbeeld gepleit voor verlaging van de vennootschapsbelasting, waarvan alleen de kapitaalkrachtige ondernemers beter worden. Wat betekent dat voor de kleine zelfstandige ondernemer? Waarom heeft het kabinet geen concrete maatregelen opgenomen in de voorliggende voorstellen, zodat hun positie enigszins verder kan verbeteren? Waarom maakt het kabinet via belastingplannen groen beleggen niet aantrekkelijker in plaats van daarop te gaan korten? Het kabinet bezuinigt al drastisch op natuur en milieu. De verlaging van het btw-tarief op renovatie en verbetering van woningen, waarmee het kabinet de Kamer probeert tegemoet te komen, spreekt ons aan; mijn fractie staat er sympathiek tegenover. Maar tegelijkertijd vraagt mijn fractie zich af waarom het kabinet het btw-tarief op de cultuursector drastisch verhoogt. Immers, ook de cultuursector heeft in deze economisch barre tijden extra steun nodig. Aan de ene kant wordt drastisch bezuinigd, aan de andere kant verhoogt het kabinet het btw-tarief drastisch. Daarmee wordt de cultuursector dubbel aangepakt.

De voorliggende bezuinigingen in verschillende belastingwetten kan alleen op steun van mijn fractie rekenen als de verhoging van de btw op cultuur wordt afgeschaft. Niet alleen grotere ondernemers, maar ook startende zelfstandige ondernemers moeten er beter van worden. Groen beleggen moet, ondanks toenemende bezuinigingen op natuur, via belastingwetten aantrekkelijk blijven. Het moet gestimuleerd worden om te investeren in groen ondernemen. Bij de bezuinigingsmaatregelen moet worden gestart met het aanspreken van de financieel meest daadkrachtigen voor een bijdrage in plaats van met maatregelen die leiden tot een tweedeling.

Voorzitter. Tot zover. Ik wacht de reactie van de staatssecretaris af.

De beraadslaging wordt geschorst.

Sluiting 22.15 uur

Inhoudsopgave

Er is geen inhoudsopgave aanwezig.


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl