Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2004-2005
Kamerstuk 29767 nr. 14

Gepubliceerd op 10 november 2004



29 767
Wijziging van enkele belastingwetten (Belastingplan 2005)

nr. 14
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG1

Ontvangen 1 november 2004

Inleiding

Met belangstelling hebben wij kennisgenomen van de vragen van nagenoeg alle fracties over het Belastingplan 2005. Deze vragen hebben betrekking op het Belastingplan inclusief de eerste nota van wijziging. Deze nota van wijziging omvat een groot deel van de fiscale voorstellen van de aangenomen motie Verhagen c.s. (Kamerstukken II 2004/2005, 29 800, nr. 4). Wij stellen het zeer op prijs dat U gehoor heeft willen geven aan ons verzoek om de vormgeving van het wegnemen van het onbedoeld van grijze kentekens via een tweede nota van wijziging aan Uw Kamer te mogen aanbieden en uw vragen ter zake op te nemen in een nader verslag. Inmiddels hebben wij het nader verslag ontvangen. De nota naar aanleiding van het nader verslag zal Uw Kamer op de afgesproken datum, 2 november, ontvangen. Door deze fasering is het mogelijk de schriftelijke voorbereiding van het Belastingplan 2005 zo optimaal mogelijk te laten verlopen.

Wij constateren dat de vragen in dit verslag over de volle breedte van het belastingplan gaan. Er zijn zeer veel vragen gesteld. Bijna alle onderwerpen in het Belastingplan komen aan de orde. Dit stelt ons in de gelegenheid – waar nodig en gevraagd – de achtergronden van de diverse voorstellen nog eens toe te lichten. Anderzijds is het, ondanks de enorme inzet van onze medewerkers, mogelijk dat als gevolg van de tijdplanning er nog mogelijke oneffenheden in de beantwoording van de vragen kan zitten. Dit kan dan bij het geplande wetgevingsoverleg, 15 november a.s., wat ons betreft terugkomen.

Bij de beantwoording van de vragen wordt zo veel mogelijk de volgorde van het verslag aangehouden. Wij hebben echter geconstateerd dat met name vragen rondom het vpb-pakket in verschillende paragrafen van het verslag zijn opgenomen. Voor de overzichtelijkheid is ervoor gekozen deze vragen zo veel mogelijk gecentreerd te beantwoorden. Vervolgens is op de oorspronkelijke plaats van de vraag in het verslag een verwijzing opgenomen naar de paragraaf waar die vraag is beantwoord.

Integrale visie structuur belastingen

De leden van de PvdA-fractie missen in het Belastingplan 2005 een afgewogen meerjarenvisie van het kabinet. Wij betreuren het dat deze leden de samenhang van de voorgestelde maatregelen in dit Belastingplan met de algemene doelstellingen en structuurhervormingen van het algemene kabinetsbeleid voor deze regeerperiode, zoals neergelegd in het Hoofdlijnenakkoord, thans niet kunnen onderkennen. Het fiscale beleid in de komende jaren is gericht op vergroting van de arbeidsparticipatie, gerichte inkomensondersteuning, ondersteuning van eigen verantwoordelijkheid en keuzevrijheid, versterking van de concurrentiepositie en verdere vergroening van het fiscale stelsel. Daarnaast is het streven binnen de belastingstructuur te komen tot robuustere belastinggrondslagen, lagere tarieven, eenvoud in belastingregelgeving en uitvoering, en vermindering van administratieve lasten. Daarbij zal er altijd spanning zijn tussen enerzijds verbreding en vereenvoudiging en anderzijds de wens tot gerichte sturing en compensatie, alsmede voorkoming van inkomenseffecten en overkill. In de inleiding van de memorie van toelichting van dit belastingplan is aangegeven op welke wijze dit belastingplan bijdraagt aan deze doelen.

Met betrekking tot de vraagtekens die deze leden plaatsen bij de effectiviteit van het Vpb-pakket, nu er sprake is van uitsluitend lastenverschuiving binnen de ondernemerssfeer merken wij het volgende op.

Als gevolg van de steeds verder internationaliserende wereldeconomie neemt het belang van vestigingsplaatsconcurrentie toe. Belemmeringen in het vrije verkeer van goederen, diensten, arbeid en kapitaal tussen landen worden weggenomen waardoor de mobiliteit van productiefactoren is toegenomen. Het vestigingsklimaat van een land is belangrijk voor het aantrekken van directe buitenlandse investeringen.

Door het verlagen van het Vpb-tarief naar 30% in 2007 en het ophogen van de zelfstandigenaftrek met 36% in 2007 staat ons voor ogen het verbeteren van de concurrentiepositie van het bedrijfsleven en daarmee het Nederlandse vestigingsklimaat. Het effectieve Vpb-tarief komt door deze verlaging op 27% in 2007.

Een verlaging van het effectieve Vpb-tarief leidt tot een grotere prikkel voor bedrijven om te investeren doordat het netto rendement toeneemt. Indien de kapitaalkosten dalen als gevolg van een Vpb-verlaging zullen meer investeringsprojecten rendabel zijn. Bij een grotere kapitaalgoederenvoorraad neemt de kapitaalintensiteit van de productie en daarmee de arbeidsproductiviteit en economische groei toe. De toename van de investeringen zorgt eveneens voor een toename van de werkgelegenheid.

Internationale bedrijven zullen bij een verlaging van het (effectieve) Vpb-tarief eerder kiezen voor Nederland als locatie voor hun investeringen.

De keuze voor Nederland wordt dan zichtbaar in een hogere toestroom van directe buitenlandse investeringen. Deze hogere instroom van directe buitenlandse investeringen leidt tot een hogere concurrentie-intensiteit en daardoor tot een hogere economische groei en meer werkgelegenheid. Empirische studies bevestigen dat een een verlaging van het effectieve Vpb-tarief en leidt tot hogere directe buitenlandse investeringen1. De studies verschillen wel in de mate van gevoeligheid. Berekeningen laten zien dat bij een verlaging van het effectieve tarief met 1%-punt de directe buitenlandse investeringen met 0,3% tot en met 4,3% toenemen2. De mediaan in de onderzochte studies ligt op 2,4%. Het effectieve tarief, dit in antwoord op vragen van de leden van de D66-fractie, wordt berekend door te kijken naar een nieuwe investering met een bepaalde mix van financiering met eigen en vreemd vermogen. Bij financiering met eigen vermogen is het effectieve tarief gelijk aan het statutaire tarief. Bij financiering met vreemd vermogen ligt het effectieve tarief lager, omdat de rente over het vreemd vermogen aftrekbaar is. Ook wordt bij de berekening van het effectieve tarief rekening gehouden met het geldende afschrijvingsregime.

Een positief effect op de economie kan zich voordoen als een verlaging van het nominale Vpb-tarief ertoe leidt dat de fiscale winst van internationaal opererende ondernemingen in Nederland stijgt. Internationaal opererende bedrijven proberen door «tax planning» hun totale belastingdruk te minimaliseren. Zij doen dit door kosten te laten neerslaan of te creëren in landen met een hoog tarief en opbrengsten te laten neerslaan in landen met een laag tarief. Het nominale Vpb-tarief kan op deze wijze van invloed zijn op de in een bepaald land berekende fiscale winst terwijl geen verandering in het productie- en verkoopproces plaatsvindt. Via een grotere grondslag van de Vpb nemen de belastingontvangsten toe en kunnen de belastingtarieven worden verlaagd zonder dat het begrotingssaldo (verder) verslechtert.

Ten slotte zorgt een verlaging van het effectieve Vpb-tarief naast de omschreven doorwerking via de aanbodzijde van de economie (investeringsbeslissing en locatiekeuze) eveneens voor veranderingen aan de vraagzijde van de economie. Een daling van het Vpb-tarief betekent lagere productiekosten voor in Nederland gevestigde bedrijven en, bij een gelijkblijvende winstopslag, tot lagere prijzen. Hierdoor verbetert de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven ten opzichte van hun buitenlandse concurrenten en nemen de exporten toe. De aanwezigheid van multinationals lokken veelal vervolginvesteringen en additionele handelsstromen uit1. Door de toenemende vraag zal ook de productie toenemen, dit in antwoord op een vraag van de leden van de SGP-fractie die betrekking had op verbeterde concurrentie positie aangaande de import en export. Tevens stijgt hierdoor de werkgelegenheid en de reële lonen.

Wij zijn derhalve van mening dat het voorgestelde Vpb-pakket een positief effect heeft op de werkgelegenheid en de groei in Nederland.

De leden van de PvdA-fractie vragen of dit pakket niet het toegeven aan de race to the bottom met tarieven is. Ook de leden van GroenLinks zijn deze mening toegedaan, blijkens een vraag op bladzijde 16 van het verslag. In dit verband willen de leden van de PvdA-fractie weten of op de Informele Ecofin in Scheveningen afspraken zijn gemaakt om een race to the bottom voor vennootschapsbelastingtarieven te voorkomen.

Laat er geen misverstand over bestaan dat ook wij tegen een race to the bottom voor de tarieven van de vennootschapsbelasting zijn. Daar staat echter tegenover dat wij het ons niet kunnen veroorloven om met ons tarief van de vennootschapsbelasting in de hoogste regionen te blijven. Tijdens de informele Ecofin zijn geen afspraken gemaakt om een race to the bottom voor de tarieven van de vennootschapsbelasting te voorkomen. Wel is daar gesproken over de mogelijkheden om tot een gemeenschappelijke grondslag voor de vennootschapsbelasting in Europa te komen. Daarbij hebben wij, zoals ook bij eerdere gelegenheden, het standpunt ingenomen dat een zinvolle discussie alleen mogelijk is indien naast de grondslagen ook de tarieven in de beoordeling worden meegenomen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een Europese bandbreedte voor het tarief. Op deze wijze blijft een gezonde mate van concurrentie op het gebied van vestigingsklimaat tussen de lidstaten mogelijk. Het instrument van een bandbreedte voor het tarief wordt in Europees verband ook bij andere belastingen toegepast. Bij de omzetbelasting, waar voor het algemene tarief een minimumpercentage van 15 geldt, is in een gentleman's agreement tussen de lidstaten overeengekomen dat zij er naar zullen streven het tarief niet hoger te stellen dan 10 procentpunten boven het minimumpercentage. Op de informele Ecofin heeft de Europese Commissie twee non papers gepresenteerd over de vennootschapsbelasting. De eerste non paper gaat over een Common Consolidated EU Corporate Tax Base (CCB). De tweede gaat over Home State Taxation (HST). De uitkomst van de discussie op de informele Ecofin is dat de Commissie is uitgenodigd een werkgroep op te starten waarin de gemeenschappelijke grondslag voor de vennootschapsbelasting kan worden besproken. De tarieven worden hierin vooralsnog niet betrokken omdat men eerst meer duidelijkheid wil over de vraag hoe een gemeenschappelijke grondslag er uit kan zien. Naar verwachting zullen deze discussies een lange adem vergen en de invloed van deze ontwikkeling op het huidige traject van aanpassing van de nationale wetgeving – de leden van de D66-fractie vragen hiernaar – is vanwege het verschil in tijdpad beperkt maar wel onderwerp van studie.

Het afwachten op Europese resultaten betekent dat het relatieve vestigingsklimaat verder zal verslechteren. Om aantrekkelijk te blijven voor investeringen is het onder meer van belang dat het fiscale vestigingsklimaat wordt versterkt. Een aanpassing van de Vpb is daarom wenselijk. Hiermee kan tevens het imago van Nederland worden verbeterd.

De leden van de PvdA-fractie willen voorts weten hoe de voorgestelde verlaging van de VPB zich verhoudt tot de in internationaal perspectief gezien hoge loonkosten in Nederland. Een verlaging van de lastendruk op arbeid zou volgens de PvdA-fractie meer voor de hand liggen omdat dit structureel beter is voor de werkgelegenheid en het economisch herstel.

Het CPB heeft in de MEV 2002 de economische effecten van een verlaging van de Vpb vergeleken met de economische effecten van een verlaging van de loon- en inkomstenbelasting. Deze vergelijking wijst uit dat de economische effecten van een verlaging van de Vpb op middellange termijn ongeveer gelijk zijn aan de economische effecten van een verlaging van de loon- en inkomstenbelasting. De economische groei neemt bij een verlaging van de Vpb na 6 jaar met 1% toe en bij een verlaging van de loon- en inkomstenbelasting met 1,1%. De werkgelegenheidsgroei (in arbeidsjaren) bedraagt na 6 jaar in het geval van een verlaging van de Vpb 1,1% en in het geval van een verlaging van de loon- en inkomstenbelasting 1,4%. Op lange termijn is de economische groei bij een verlaging van de Vpb hoger dan bij een verlaging van de loon- en inkomstenbelasting. Voorts wordt er op gewezen worden dat de contractloonontwikkeling primair de verantwoordelijkheid is van de sociale partners. Overigens zal ook in 2005 de WAO-premie voor werkgevers dalen conform de afspraken in het Strategisch Akkoord. De horizon van het kabinet is duidelijk langer dan die van de PvdA-fractie.

Naar aanleiding van een vraag van deze leden merken wij op dat de voorgestelde aanpassingen in de Vpb een eerste stap in een proces voor verdere veranderingen in de Vpb zijn. Op dit moment zijn wij bezig – zoals al is gemeld in het Belastingplan 2005 – met een heroriëntatie Vpb-2007. Wij zullen met een richtinggevende nota de Kamer informeren over onze voornemens met de Vpb. Hierin zal ook een visie over de Vpb worden uiteengezet – dit in antwoord op een vraag van de leden van de PvdA-fractie – waarbij opnieuw zal worden gestreefd naar een budgettair neutraal pakket.

Deze leden vragen voorts om een onderbouwing van de gevolgen van het belastingplan 2005 met betrekking tot de verhouding tussen, naar wij de vraag interpreteren, IB-ondernemers en Vpb-ondernemers. In het Nederlandse belastingstelsel is het maximum tarief in box I voor belastingplichtigen die voor eigen rekening en risico ondernemen (zelfstandigen) ongeveer gelijk aan de geaccumuleerde druk van vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting voor belastingplichtigen die ondernemen door tussenkomst van een besloten vennootschap (aanmerkelijkbelanghouders). De samenhang tussen de IB en de Vpb laat zich echter niet enkel aan de hand van het tarief vergelijken. De praktijk wijst uit dat er een winstniveau is waarbij het fiscaal aantrekkelijker is door tussenkomst van een vennootschap te ondernemen dan voor eigen rekening en risico. Het Vpb-pakket 2005–2007 brengt naar onze inschatting een beperkte verschuiving met zich van het winstniveau waarbij het fiscaal aantrekkelijker is door tussenkomst van een vennootschap te ondernemen dan voor eigen rekening en risico. In zoverre verwachten wij geen vlucht in de Vpb-sfeer. Volledigheidshalve zij nog opgemerkt dat in het geval een bepaalde rechtsvorm (perceptueel) aantrekkelijker wordt, die rechtsvorm zonder fiscale belemmeringen van betekenis kan worden opgezocht door gebruik te maken van de faciliteiten voor de geruisloze inbreng en de geruisloze terugkeer. Tenslotte spelen voor een ondernemer bij de keuze tussen IB of Vpb andere factoren dan enkel fiscale factoren een rol.

De leden van de PvdA-fractie vragen voorts naar de rol van de fiscaliteit in termen van rangorde bij de keuze voor vestiging in een bepaald land. Ook de leden van de SP-fractie vragen hierna in paragraaf «Economische infrastructuur», onderdeel verlaging winstbelasting, van het verslag.

De aantrekkelijkheid van Nederland als vestigingsplaats voor investeringen van internationale bedrijven is afhankelijk van verschillende factoren. Via vragenlijsten aan ondernemers wordt geprobeerd inzicht te krijgen in het belang van deze factoren. Uit de consulteerde onderzoeken is gebleken dat het belang van de fiscaliteit toeneemt voor bedrijven bij keuze voor vestiging in een bepaald land. Zo werd de hoogte van de vennootschapsbelasting in een studie van Ernst & Young uit 1993 slechts door circa 17% van de managers een zeer belangrijke factor genoemd. Vervolgens blijkt uit een vergelijkbaar onderzoek van de Wereldbank uit 1997 dat de hoogte van de winstbelasting echter als belangrijkste vestigingsplaatsfactor uit de bus kwam1.

In tabel 1 staat de uitkomst van een recent onderzoek door Ernst & Young (2004) onder 513 managers van Europese, Amerikaanse en Aziatische multinationals.2 Uit dit onderzoek blijkt dat 45% van de respondenten de belastingdruk een zeer belangrijke factor vindt bij de vestigingsplaatskeuze. De in de verschillende onderzoeken genoemde vestigingsplaatsfactoren komen meestal grotendeels overeen, maar het belang van deze factoren verschilt nogal eens. {tab1Tabel 1 belangrijkste vestigingsplaatsfactoren volgens managers van multinationals (% respondenten dat een factor zeer belangrijk/redelijk belangrijk vindt)

 Zeer belangrijkRedelijk belangrijk
Kwaliteit van transport en logistieke infrastructuur55%31%
Kwaliteit telecommunicatie51%34%
Arbeidskosten50%35%
Kwaliteit van de beroepsbevolking50%35%
Nabijheid van de markt48%27%
Belastingdruk45%38%
Flexibiliteit van de arbeidsmarktwetgeving42%40%
Beschikbaarheid van bedrijfslocaties, kosten van grond en regelgeving34%36%
Speciale faciliteiten voor buitenlandse investeringen32%35%

Bron: Ernst & Young, 2004

Uit de bovenstaande tabel blijkt dat transport, infrastructuur, telecommunicatie en arbeidskosten belangrijke factoren zijn. Het belang van het fiscale vestigingsklimaat in de strijd om directe buitenlandse investeringen lijkt wel degelijk toe te nemen doordat de andere factoren minder onderscheidend zijn of in belang afnemen. De afname van transportkosten en het toenemende belang van ICT zorgen ervoor dat nabijheid van de markt minder belangrijk wordt voor veel bedrijven3. Daarnaast hebben steeds meer landen een goede fysieke infrastructuur, een goed opgeleide beroepsbevolking met goede kennis van vreemde talen. Een andere indicatie dat het fiscale vestigingsklimaat aan belang wint is de in de tijd toegenomen gevoeligheid van kapitaalstromen voor verschillen in de vennootschapsbelasting4. Op lange termijn is – zoals hiervoor in antwoord op een vraag van de PvdA-fractie de economische groei bij een verlaging van de Vpb hoger dan bij een verlaging van de loon- en inkomstenbelasting. Uit het voorgaande blijkt dat het fiscale klimaat (ongeacht de aard van de activiteiten van de onderneming) in de loop der tijd een belangrijker rol, is gaan spelen bij de vestigingsplaatskeuze van bedrijven. Dit in tegenstelling tot wat de auteurs Kuipers en Jepma in de ESB (nr. 2004/4436) beweren over de importantie van het belastingniveau op basis van een onderzoek uit 1993, zo antwoorden wij ook de leden van de fractie van GroenLinks op een vraag gesteld in de paragraaf «Economische infrastructuur» van het verslag.

De leden van de PvdA vragen voorts naar uitvoerigere toelichting op de vergroeningsvoorstellen. Hapsnap wordt nu vooral het MKB zwaar getroffen, zo stellen deze leden.

Een belangrijke kabinetsdoelstelling is het behoud van de ontkoppeling tussen groei en milieudruk. Het beleid is erop gericht om de Kyoto-doelstelling en andere internationale doelstellingen te halen. Een verdergaande vergroening van het fiscale stelsel is hierbij een belangrijk instrument mits de inzet van dit instrument effectief en efficiënt is. In dit verband is in het Hoofdlijnenakkoord al een verhoging van de energiebelasting opgenomen. Daarnaast heeft het kabinet onderzoek gedaan naar verdere vergroeningsmaatregelen op korte termijn. Dit heeft geresulteerd in een concreet pakket aan maatregelen. Deze maatregelen richten zich zowel op het gebied van energie en verkeer en vervoer. Enerzijds gaat het om het verdere internaliseren van milieukosten door bijvoorbeeld een verhoging van de energiebelasting, afschaffen van accijnsvrijstelling op binnenlandse vliegtuigvluchten en beperken van de fiscale voordelen van het grijze kenteken. Anderzijds worden via differentiaties in bestaande groene belastingen en door middel van positieve prikkels milieuvriendelijke technologieën en motorbrandstoffen ondersteund, bij voorbeeld door stimulering van roetfilters, van EuroIV-motoren en van zwavelvrije diesel. Milieuvriendelijke keuzes worden hierdoor beloond. Dit pakket leidt per saldo tot een reductie van zowel CO2 uitstoot als de uitstoot van NOx en fijn stof. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan het realiseren van onze beleidsopgaven voortvloeiende uit internationale (milieu)verplichtingen. Voorts merken wij op dat de verhoging van de energiebelasting onderdeel uitmaakt breder pakket aan maatregelen gericht op een verlaging van de lastendruk op ondernemingen. Bij de vormgeving van de verhoging van de energiebelasting is daarmee rekening mee gehouden door de lasten met name te laten neerslaan bij het bedrijfsleven. Het totaal van maatregelen van dit Vpb-pakket leidt voor het MKB per saldo tot een lastenverlichting van € 380 mln. Hiermee wordt ook de verhoging van de energiebelasting voor het MKB naar onze mening in een beter perspectief gezet.

Koopkracht

Naar aanleiding van vragen van de leden van de PvdA-fractie waarom het kabinet eenzijdig de lasten op laag en middelbetaalde arbeid via tarieven verhoogt in plaats van de hogere inkomens meer te belasten en daarbij ook grote aftrekposten te betrekken merken wij het volgende op.

Het lastenbeeld 2005 geeft naar de mening van het kabinet een evenwichtig beeld te zien. De sterkste schouders dragen volgens het kabinet ook de zwaarste lasten. Voor een goede beoordeling is het van belang te kijken naar het totale pakket aan maatregelen voor 2005, die het lastenbeeld voor de burgers bepalen en waarvan de fiscale maatregelen onderdeel uit maakt. In dit verband wordt verwezen naar de Begrotingshoofdstuk XV van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor 2005. Zo heeft het kabinet er naar gestreefd de negatieve koopkrachtontwikkeling voor de kwetsbare groepen zo veel mogelijk te beperken door een pakket van maatregelen gericht op ondersteuning van ouderen met een laag inkomen en gezinnen met kinderen en een laag inkomen. Deze maatregelen worden voor een groot deel gefinancierd uit de afschaffing van de pc-privéregeling en van het dubbel spaarloon. Dit zijn maatregelen die met name de hogere inkomens raken. Ook in een meerjarig perspectief (2001–2004) laat het koopbeeld een nivellering zien. Dit nivellerende beeld treedt op tussen werkenden met een laag inkomen en de hogere inkomens. Tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen 28 en 29 september jl. en de Algemene Financiële Beschouwingen op 5 en 6 oktober jl. heeft het kabinet aangegeven waarom de voorstellen van deze leden om tot een zwaardere belasting van hogere inkomens te komen niet acceptabel vindt. Dit geldt voor de verhoging van de hoogste tarieven, de beperking van de hypotheekrenteaftrek en de aftopping van de aftrek van pensioenpremies.

Deze leden vragen voorts naar een nadere studie naar een meer solidaire lastenverdeling tussen hoge en lage inkomens en tussen verschillende generaties alsmede alternatieven. In de Verkenning naar nieuwe mogelijkheden vanuit het belastingstelsel 2001 en de daarbij behorende bijlagen zijn op deze terreinen al de nodige verkenningen uitgevoerd. Wij mogen daarnaar verwijzen. Dit geldt ook voor de vlaktaks. In die verkenning zijn namelijk de mogelijkheden van een verdergaande grondslagverbreding en -verschuiving bezien in ruil voor lagere tarieven, met als meest vergaande variant een vlaktaks. Daarbij zijn ook grote aftrekposten betrokken waaronder de hypotheekrenteaftrek. Zoals bij diverse gelegenheden is al aangegeven, is een verdere aanscherping van de hypotheekrenteaftrek bij dit kabinet niet aan de orde. Ook heeft het kabinet geen voornemens met betrekking tot de vlaktaks.

De leden van de SP-fractie zijn van mening dat het fiscale pakket laat zien dat het kabinet in deze moeilijke economische omstandigheden niet de wil heeft om de meest kwetsbare mensen te ontzien.

Uit initiële berekeningen voor het koopkrachtbeeld 2005, zo antwoorden wij deze leden, blijkt dat bepaalde kwetsbare groepen (zoals minima met kinderen en ouderen met geen of een klein aanvullend pensioen) geconfronteerd zouden worden met een relatief grote koopkrachtverslechtering. Daarom heeft het kabinet besloten om aanvullende maatregelen te treffen. Het kabinet heeft een koopkrachtpakket samengesteld waarin sociale minima met kinderen en AOW'ers zonder of met een klein aanvullende pensioen er in het standaard koopkrachtbeeld duidelijk minder op achteruitgaan dan andere standaardgroepen. Dat wordt onder andere gerealiseerd door een verhoging van de kinderkorting, de ouderenkorting en de jonggehandicaptenkorting en van een brutotoeslag op de AOW. Daarnaast geldt dat vooral veel AOW'ers met een eigen huis voordeel zullen ondervinden van de materiële implementatie van het wetsvoorstel-Hillen, omdat het met name deze groep is die zijn hypotheekschuld heeft afgelost. In aanvulling hierop is ook aandacht besteed aan de koopkrachtpositie van chronisch zieken. Er is een budget van € 25 miljoen beschikbaar gesteld voor een versoepeling van de maatregelen voor zittend ziekenvervoer en zelfzorgmiddelen. Daarnaast wordt een extra bijdrage van € 25 miljoen gegeven aan de bijzondere bijstand.

In dit verband vragen deze leden naar een reactie van het kabinet op het resultaat uit een enquête van Intomart dat eenderde van de gezinnen met kinderen bezuinigt op gewone levensmiddelen zoals kaas, fruit en groenten.

Uit het onderzoek komt naar voren dat huishoudens met kinderen vaker moeite hebben met rondkomen dan huishoudens zonder kinderen. Dit probleem wordt door het kabinet onderkend. Om deze redenen zijn en worden in 2005 diverse heffingskortingen, gericht op gezinnen met kinderen, verhoogt. Het gaat onder andere om de kinderkorting en de combinatiekorting. Op deze wijze wordt met fiscale instrumenten gericht de koopkracht van deze groep ondersteund.

De leden van de SP-fractie vragen bovendien waarom de derde en vierde schijf niet verhoogd zijn in plaats van de tweede schijf. Met de invulling van het koopkrachtpakket is gestreefd naar een zo evenwichtig mogelijk inkomensbeeld. Met een verhoging van de ouderenkortingen en de aanvullende kinderkortingen zijn de negatieve effecten voor de zwakste groepen zo beperkt mogelijk gehouden. Ter financiering van het koopkrachtpakket dient o.a. de verhoging van het tarief tweede schijf. Verhoging van het tarief tweede schijf genereert meer opbrengsten dan een verhoging van het tarief derde en vierde schijf. Doordat ook een verlenging van de eerste schijf onderdeel vormt van het koopkrachtpakket, zijn de negatieve effecten van een verhoging tarief tweede schijf zeer beperkt voor de sociale minima en de lage inkomens. Een tariefsverhoging van het tarief derde en vierde schijf met 1%, waarnaar de leden van de SP-fractie vragen levert beperkte opbrengsten op waardoor het tarief eerste en tweede schijf beperkt kan dalen. Tevens vragen ze naar de effecten van een tariefsverlaging van de eerste en tweede schijf in plaats van een verhoging van de heffingskorting. Een verhoging van de algemene heffingskorting werkt positiever uit voor de lagere inkomens dan een verlaging van het tarief eerste en tweede schijf. Bij een verhoging van de algemene heffingskorting gaat het namelijk om een nominaal bedrag per huishouden (wat procentueel gunstiger uitwerkt voor lagere inkomens dan voor hogere inkomens).

De leden van de fractie van GroenLinks vragen nader in te gaan op de niet gemaakte keuzes bovenin het inkomensgebouw (hypotheekrenteaftrek, fiscale faciliëring van luxe pensioenen voor hoge inkomens en de zogenoemde 30%-regeling), die prof. Dr. L. G. M. Stevens in zijn traditionele Fiscale Beleidsnotities (Weekblad Fiscaal Recht, 30 september 2004, nr. 6593) noemt.

Zoals hiervoor is aangegeven, is tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen respectievelijk de Algemene Financiële Beschouwingen over de Miljoenennota 2005, met name bij de reactie op de tegenbegrotingen, door de Minister-president ad interim respectievelijk de ondergetekenden uitgebreid ingegaan op deze onderwerpen en het standpunt van het kabinet ter zake. Met betrekking tot de hypotheekrenteaftrek heeft bovendien in het voorjaar een Algemeen overleg met de Tweede Kamer plaatsgevonden, waarin de bewindslieden van Financiën uitvoerig hebben gereageerd op de standpunten van de verschillende fracties ten aanzien van de hypotheekrenteaftrek en het standpunt van het kabinet hebben uiteengezet. Ten aanzien van de 30%-regeling wordt ook verwezen naar de brief van de eerste ondergetekende van 8 oktober jl. terzake van antwoorden op kamervragen van mevrouw Kant over de 30%-regeling.

Wij zijn verheugd over de waardering van de leden van de ChristenUnie voor de voorgestelde gerichte inkomensondersteuning ten aanzien van kwetsbare groepen. Wel vragen zij om een goede beoordeling te kunnen geven en vergelijking van de ontwikkelingen te kunnen maken of de regering gegevens kan verstrekken over de gemiddelde koopkrachtontwikkeling berekend over de laatste 5, 10 respectievelijk 15 jaar van alle groepen die in de tabel uit de MEV worden onderscheiden.

In de bijlage A6 («inkomens en prijzen») van de MEV 2005 staat de koopkrachtontwikkeling van een aantal standaardhuishoudens over de laatste 15 jaar weergegeven. De tabel 2 hieronder geeft de totale koopkrachtmutatie over vijfjaars perioden weer.

Tabel 2 Totale koopkrachtmutatieontwikkeling in verschillende perioden (1990–2005)

(%)1990–19941995–19992000–2005
Modaal alleenstaand2
Twee verdieners, 1½x modaal met kinderena..2
Minimum plus15
Minimumuitkeringsgerechtigde met kinderen– 1¼7
Idem, zonder kinderen– 1½2

a weergegeven vanaf 1997

Bron: MEV 2005

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen voorts of de verlaging van de aanslagdrempel voor de inkomstenbelasting van € 217 naar € 40 effect heeft op de koopkracht van mensen met een laag inkomen. Deze maatregel zal, zo antwoorden wij deze leden, geen effect hebben op het standaardkoopkrachtbeeld. Wel zal de maatregel, mede gezien de budgettaire opbrengst van € 90 mln, als niet standaardeffect invloed hebben op de koopkracht van huishoudens. Voor mimina inkomens die in het standaardkoopkrachtbeeld worden gepresenteerd zoals bijstandsgerechtigden en AOW-ers zonder aanvullend pensioen is de loonheffing gelijk aan de eindheffing, zij hebben derhalve geen last van de maatregel met betrekking tot de verlaging van de aanslagdrempel. Naar verwachting zullen vooral «fiscale partners» nadeel ondervinden van de maatregel. Zij kunnen in de huidige situatie de verdeling van aftrekposten en Box III inkomen optimaliseren totdat een van de partners net onder de aanslaggrens blijft. Het voordeel hiervan bedraagt dan maximaal € 217. In de nieuwe situatie zal deze optimalisatie nog mogelijk zijn maar slechts maximaal € 40 voordeel opleveren.

Naar aanleiding van vragen van de leden van de SGP-fractie over de verhouding tussen maatregelen ten behoeve van het verbeteren van het ondernemingsklimaat en maatregelen gericht op kwetsbare groepen merken wij het volgende op.

De maatregelen inzake het Vpb-pakket zijn in aantal inderdaad omvangrijker dan de koopkrachtmaatregelen. Hieruit mag echter niet worden afgeleid dat in dit Belastingplan de voorkeur wordt gegeven aan het aantrekkelijk maken het ondernemingsklimaat. Het Vpb-pakket is namelijk een budgettair neutraal pakket; een pakket dat grotendeels door het bedrijfsleven zelf moet worden betaald. Om de dekking van de voorgestelde verlaging van het Vpb-tarief en de verhoging van de zelfstandigenaftrek te realiseren is een groot aantal maatregelen noodzakelijk.

Voor de koopkrachtondersteuning van kwetsbare groepen is daarentegen € 380 mln aan extra middelen door het kabinet uitgetrokken. Het kabinet wil de negatieve koopkrachteffecten voor deze groepen beperkt houden. Zoals hiervoor ook is aangegeven, zijn de belangrijkste fiscale maatregelen in dit kader zijn de verhoging van de algemene heffingskorting, de verhoging van de ouderenkortingen, de verhoging van de kinderkorting, de verhoging van de jonggehandicaptenkorting en de verlenging van de eerste schijf. Een andere maatregel is de verhoging van de bruto-AOW. Specifiek voor chronisch zieken is er € 25 mln beschikbaar gesteld voor maatregelen inzake zittend ziekenvervoer en zelfzorgmiddelen. Daarnaast wordt een extra bijdrage van € 25 mln gegeven aan de bijzondere bijstand. De positie van deze kwetsbare groepen heeft dus alle aandacht van dit kabinet.

Arbeidsmarkt- en inkomensbeleid

1. Verhoging tarief eerste en tweede schijf

De leden van de PvdA-fractie vragen naar de rechtvaardiging om alleen AWBZ-premie te heffen over de eerste en tweede schijf.

De heffing van de AWBZ-premie over twee schijven is historisch te verklaren. De AWBZ premie was tot 1990 een door werkgevers betaalde opslagpremie op de AOW-premie. Na de Oort-herziening in 1990 zijn de diverse volksverzekeringen/opslagpremies samen met de loon- en inkomstenbelasting ondergebracht in de eerste schijf van de loonheffing. In 1999 is deze eerste schijf in tweeën geknipt waardoor de volksverzekeringen vanaf dat jaar over de eerste en (nieuwe) tweede schijf werden geheven. Deze leden vragen voorts wat de AWBZ-premie zou zijn als deze werd geheven over alle schijven met aanpassing van de belastingtarieven. In tabel 3 wordt de gevraagde belasting- en premiestructuur gepresenteerd.

Tabel 3 Belasting- en premietarieven voorstel PvdA

 2005alternatief PvdA
AOW-tarief17,90%17,90%
AWBZ-tarief13,45%9,75%
ANW-tarief1,25%1,25%
Belastingtarief 1e schijf1,80%5,50%
Belastingtarief 2e schijf9,35%13,05%
Belastingtarief 3e schijf42,00%32,25%
Belastingtarief 4e schijf52,00%42,25%
   
Totaal tarief 1e schijf34,40%34,40%
Totaal tarief 2e schijf41,95%41,95%
Totaal tarief 3e schijf42,00%42,00%
Totaal tarief 4e schijf52,00%52,00%

Deze leden vragen tevens naar de tegenargumenten om de AWBZ over alle belastingschijven te heffen. Hierbij kan gedacht worden aan het feit dat als de AWBZ over alle belastingschijven wordt geheven dit ook zou gelden voor de andere volksverzekeringen AOW en ANW. Wat betreft de AOW-premie zou dit tot forse herverdeling kunnen leiden. Ouderen met een fors aanvullend pensioen zullen bijvoorbeeld een voordeel hebben omdat zij de AOW-premie niet betalen maar wel voordeel hebben van de corresponderende daling van het belastingtarief in de derde en vierde schijf. Voor ouderen met een klein aanvullend pensioen zal een nadeel optreden aangezien het belastingtarief in de eerste schijf stijgt. Tevens zullen er forse effecten optreden bij een relatief kleine groep personen die wel belastingplichtig zijn maar niet premieplichtig of vice versa. Het gaat hierbij om circa 65 000 belastingplichtigen. AWBZ-premieheffing over vier schijven kan bovendien gezien worden als een stap in de richting van fiscalisering. Fiscalisering van volksverzekeringen staat op gespannen voet met de verzekeringsgedachte.

De leden van ChristenUnie informeren waarop de stelling is gebaseerd dat op basis van de huidige ramingen ook na het terugdraaien van de premieverhoging van 0,3% het AWBZ-fonds in 2005 over een positief inkomenssaldo en voldoende vermogen beschikt. Zij vragen zich af hoe dit zich verhoudt tot de gedachte dat de kosten van de AWBZ alleen maar toenemen en tot de tegenvaller bij Voorjaarsnota in de financieringsontwikkeling. Daarbij vragen de leden zich af of er halverwege volgend jaar niet alsnog een verhoging moet worden verwacht. Tot slot vragen de leden zich af of de omzetting van de premieverhoging in tarief eerste en tweede schijf niet vooral ingegeven is door budgettaire opbrengst van 330 miljoen.

In de berekeningen van het CPB ten behoeve van de MEV 2005 wordt geraamd dat het AWBZ-fonds in 2005 na het terugdraaien van de 0,3% premieverhoging nog altijd over een positief inkomenssaldo van 1,7 miljard beschikt. Het vermogenstekort in de AWBZ loopt daarmee terug van 2,4 naar 0,7 miljard. De kosten van de AWBZ nemen volgend jaar weliswaar toe, maar de premies bevinden zich inmiddels op een meer dan lastendekkend niveau. Het AWBZ-tarief is de afgelopen jaren namelijk sterk gestegen van 10,25% in 2002 naar 13,4% in 2004 als gevolg van afspraken uit het Strategisch Akkoord en het Hoofdlijnenakkoord. Ook in 2005 zal het tarief nog altijd 0,05%-punt hoger liggen dan het gemiddelde niveau in 2004. De financieringsachterstand zoals die bij Voorjaarsnota is gemeld had betrekking op het feit dat het verschil dat in een bepaald jaar kan bestaan tussen het budget en de uitgaven van verzekeraars en zorgkassen ultimo 2003 hoger was uitgekomen dan in de Miljoenennota was voorzien. Door verwerking in de Voorjaarsnota is deze financieringsachterstand meegenomen in bovengenoemde cijfers van de MEV. Het kabinet voorziet op dit moment geen premiestijging halverwege volgend jaar.

De AWBZ-premieverhoging van 1 juli 2004 wordt per 1 januari omgezet in een evengrote verhoging van het tarief eerste en tweede schijf. De budgettaire opbrengst die hiervan het gevolg is wordt veroorzaakt doordat in 2005 de tariefsverhoging betrekking heeft op het gehele jaar, terwijl in 2004 alleen de opbrengsten van een half jaar werden gerealiseerd.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar de reden voor de keuze van de regering voor zowel een verlenging van de eerste schijf als een verhoging van het tarief van de eerste schijf. De leden van de D66-fractie vragen in dit verband in paragraaf «Arbeidsmarkt- en inkomensbeleid, onderdeel Aanvullende koopkrachtmaatregelen, van het verslag of het voor minima in dit geval niet interessanter om het tarief van de eerste schijf minder te verhogen.

In het Belastingplan 2005 wordt voorgesteld om het tarief van de eerste schijf met 0,85% te verhogen en de eerste schijf met € 400 te verlengen. Het verhogen van het tarief van de eerste schijf levert € 1,2 miljard op en de verlenging van de eerste schijf kost € 185 miljoen, zo antwoorden wij de leden van de D66-fractie. De verhoging van het tarief van de eerste schijf komt vooral voort uit afspraken uit het Belastingplan 2004, het Strategisch Akkoord en het Hoofdlijnenakkoord. Om de koopkracht van AOW'ers en sociale minima te verbeteren heeft het kabinet een breed palet aan maatregelen genomen. Eén van deze maatregelen was de verlenging van de eerste schijf. Voor dit laatste is bewust gekozen. Wanneer namelijk de verlenging van de eerste schijf wordt teruggedraaid en in plaats daarvan het tarief van de eerste schijf wordt verlaagd, dan profiteren daar vooral mensen van die een parttime baan hebben met inkomsten onder de grens van de eerste schijf. Iedereen met een inkomen boven de grens van de eerste schijf gaat er in inkomen op achteruit. Aangezien uitkeringsgerechtigden, AOW'ers en alleenstaande ouders een inkomen boven de grens van de eerste schijf hebben, gaan ook de minima er op achteruit.

De vraag van deze leden waarom is er voor gekozen om de eerste schijf met 400 euro te verlengen, terwijl ook de te betalen belasting toeneemt hebben wij gecombineer met een reactie van de leden van de D66-fractie over het zelfde onderwerp in het onderdeel Aanvullende koopkrachtmaatregelen.

2. Verhogen algemene heffingskorting

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen waarom de algemene heffingskorting wordt gebruikt voor de compensatie van de verhoging van de energiebelasting. De verhoging van de algemene heffingskorting is een effectief terugsluisinstrument gebleken voor lage inkomens. Zoals hiervoor is aangegeven, heeft een verhoging van de algemene heffingkorting een relatief gunstig koopkracht effect voor de mensen met lage inkomens. Maar ook met name ouderen met alleen AOW kunnen met een verhoging van de algemene heffingskorting worden bereikt. Deze ouderen betalen weinig belasting en premies, waardoor een verdere verlaging van het belastingtarief in de 1e schijf of een verhoging van de ouderenkorting door hen niet volledig kan worden benut. Deze groep ouderen profiteert het meest van een verhoging van de algemene heffingskorting, omdat door het mechanisme van de netto-netto koppeling de bruto AOW wordt verhoogd. Langs die weg kunnen ook deze ouderen adequaat voor de verhoging van de energiebelasting worden gecompenseerd.

3. Aanvullende koopkrachtmaatregelen

De leden van de PvdA-fractie vragen naar een reactie op de stelling dat koopkrachtplaatjes en lastendrukbeelden steeds meer een vertekend beeld geven door verkleining van het ziekenfondspakket en hogere eigen bijdragen. Zij verzoeken de regering daarbij expliciet aan te geven welke vertekening tussen de verschillende inkomensgroepen plaatsvindt. Deze leden willen voorts graag weten hoeveel alleenstaande ouderen met alleen AOW, zonder no-claim teruggave en huursubsidie er zijn met een koopkrachtverlies van 2,2%. Vormen deze ouderen een doelgroep van het kabinetsbeleid voor kwetsbare groepen, zo vragen zij.

In de reguliere koopkrachtoverzichten is rekening gehouden met het gemiddelde inkomenseffect van een verkleining van het ziekenfondspakket en hogere eigen bijdragen. De spreiding van de niet standaard effecten zijn opgenomen in de cumulatieparagraaf van Begrotingshoofdstuk XV (2005) van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Hierin is ook de spreiding van de no-claim maatregel opgenomen. Op een verzoek van de heer Vendrik bij de Algemene Financiële Beschouwingen 2005 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Kamer 12 oktober jl. een brief1 gestuurd waarin de spreiding van de inkomenseffecten voor 2005 wordt weergegeven. Wij willen deze leden daarnaar verwijzen. Dit geldt ook voor de effecten voor de huursubsidiemaatregelen en de inkomenseffecten van chronisch zieken en gehandicapten. Bij de begrotingsbehandeling van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen de inkomenseffecten uitgebreid aan de orde komen.

Naar aanleiding van een vraag van deze leden over het koopkrachteffect van de verhoging van de fiscale jonggehandicaptenkorting met € 100 een positief effect bevestigen we dat deze verhoging inderdaad een positief effect van 1% op de koopkracht van de groep jonggehandicapten heeft.

De leden van de PvdA-fractie vragen voorts naar de kosten van een verhoging van de ouderenkorting met € 60 (zonder rekening te houden met verzilveringsproblematiek). Een verhoging van de (algemene) ouderenkorting met € 60 gaat gepaard met een budgettaire derving van ongeveer € 110 mln, ervan uitgaande dat iedereen profiteert. Een verhoging van de algemene ouderenkorting sorteert geen effect voor AOW-paren zonder aanvullend pensioen, doordat zij een verzilveringsprobleem kennen. Overigens is in het koopkrachtpakket de algemene ouderenkorting met € 30 verhoogd, waar ook AOW-paren zonder aanvullend pensioen van kunnen profiteren vanwege de bruto-verhoging van de AOW. Verder is gevraagd naar de kosten van een extra heffingskorting van € 60 voor 65-plussers met uitsluitend AOW t/m een AOW + € 5000. Zonder rekening te houden met de verzilveringsproblematiek kost deze extra heffingskorting ongeveer € 75 mln.

Door deze leden wordt tevens naar enkele varianten waarbij de algemene kinderkorting verder wordt verlaagd met respectievelijk 20, 30 en 40 euro ten behoeve van een verdere verhoging van de aanvullende kinderkorting. In onderstaande tabel staan de inkomenseffecten weergegeven van een budgetneutrale schuif tussen de algemene kinderkorting en de aanvullende kinderkorting, waarbij de algemene kinderkorting met respectievelijk 20, 30 en 40 euro wordt verlaagd. Deze schuif werkt nivellerend uit voor het koopkrachtbeeld (zie tabel 4).

Tabel 4 inkomenseffecten budgetneutrale schuif algemene en aanvullende kinderkorting

InkomenseffectenSchuif kinderkorting (– € 20 alg. kk, + € 50 aanv. kk) Schuif kinderkorting (– € 30 alg. kk, + € 76 aanv. kk) Schuif kinderkorting (– € 40 alg. kk, + € 100 aanv. kk)
Budgetneutraal   
Actieven   
Alleenverdiener mk   
modaal0,1%0,2%0,3%
2*modaal– 0,1%– 0,1%– 0,1%
    
Tweeverdiener   
modaal + ½ *modaal mk– 0,1%– 0,1%– 0,1%
2* modaal + ½ *modaal mk0,0%0,0%0,0%
    
Alleenstaande ouder   
WML0,0%0,0%0,0%
modaal0,1%0,2%0,2%
    
Inactieven   
Sociale minima   
paar mk0,2%0,3%0,4%
alleenstaande ouder0,2%0,3%0,4%

Zij vragen voorts naar de kosten van een verhoging van de ouderenkorting met € 60 (zonder rekening te houden met verzilveringsproblematiek).

De verhoging van de algemene ouderenkorting met € 60 gaat gepaard met een kostenbedrag van ongeveer € 110 mln. Echter, een verhoging van de algemene ouderenkorting sorteert geen effect voor de AOW-paren zonder aanvullend pensioen, doordat zij een verzilveringsprobleem kennen. Overigens is in het koopkrachtpakket de algemene ouderenkorting met € 30 verhoogd, waar ook AOW-paren zonder aanvullend pensioen van kunnen profiteren vanwege de bruto-verhoging van de AOW. Verder is gevraagd naar de kosten van een extra heffingskorting van € 60 voor 65-plussers met uitsluitend AOW t/m een AOW + € 5000. Zonder rekening te houden met de verzilveringsproblematiek kost deze extra heffingskorting ongeveer € 75 mln.

De kosten van de verhoging van de algemene heffingskorting met € 30, waarnaar deze leden vragen, bedraagt 365 mln.

De leden van de PvdA-fractie vragen in het verlegngde hiervan hoe dit budget specifiek kan worden ingezet voor inkomensgroepen onder modaal. De algemene heffingskorting, waarvoor het kabinet gekozen heeft, is, zoals eerder in de nota is aangegeven, bij uitstek het instrument om alle lage inkomens te bereiken. Aangezien het om een vast bedrag gaat werkt dit namelijk relatief gunstiger uit voor hen. Om bepaalde groepen lage inkomens te bereiken zijn er enkele fiscale instrumenten beschikbaar. Het gaat hierbij dan om de kinderkortingen, ouderenkortingen en de jonggehandicaptenkorting.

Het antwoord op de vraag van deze leden of het kabinet kan bevestigen dat de energierekening voor gezinnen volgend jaar met € 150 zal stijgen, hangt sterk af van de aardgasprijsontwikkeling voor 2005 die grotendeels afhankelijk is van de ontwikkelingen op de oliemarkt. Daarnaast is de toename van de energiekosten afhankelijk van het aardgas- en elektriciteitsverbruik van huishoudens. Het CPB gaat in de Macro Economische Verkenningen voor 2005 uit van een gemiddelde aardgasprijs voor kleinverbruikers van € 0,527 per m3 en een gemiddelde elektriciteitsprijs voor kleinverbruikers van € 0,197.

Indien wordt uitgegaan van een gemiddeld aardgasverbruik van 2 000 m3 en een gemiddeld elektriciteitsverbruik van 3 200 kWh voor een gemiddeld huishouden (gezin met twee partners en twee kinderen), dan zou daardoor in 2005 een stijging van de energiekosten kunnen optreden van ca. € 120. Daarvan komt ca. € 24 door verhoging van de energiebelasting. Deze verhoging wordt echter gecompenseerd door een verhoging van de algemene heffingskorting met € 13. Een gemiddeld huishouden (met twee partners) wordt derhalve voor een bedrag van€ 26 gecompenseerd voor de verhoogde energiebelasting. De budgettaire opbrengst van de verhoging van de energiebelasting wordt volledig teruggesluisd.

Het verhoogde prijspeil van aardgas en elektriciteit wordt door het CPB opgenomen in de inflatiecijfers (cpi) en werkt daardoor voor alle inkomensgroepen op gelijke wijze uit. Indien de ruwe olieprijs zich in 2005 op het huidige hoge niveau zou handhaven, zouden de energiekosten in 2005 inderdaad kunnen toenemen met ca. € 150 in plaats van € 120. De overheidsinkomsten zouden dan in de vorm van hogere aardgasbaten toenemen. Daarbij geldt de vuistregel dat een niet-incidentele stijging van de ruwe olieprijs met $ 1 een structurele toename van de aardgasbaten van € 130 mln oplevert. Tegenover deze eventuele meevaller staan echter tegenvallers. Hogere olieprijzen remmen de economische groei. Dit resulteert in hogere werkloosheidsuitgaven en tegenvallende belastingopbrengsten. In de MEV 2005 (blz. 20) is weergegeven dat het effect van een olieprijs van $ 45 in plaats van $ 35 op het EMU-saldo per saldo nihil is.

Tevens willen de leden van de PvdA-fractie weten of er bij de koopkrachtcorrecties in het Belastingplan 2005 rekening gehouden met het feit dat het budget voor de bijzondere bijstand met 75 miljoen is verlaagd.

In 2005 is het budget van de bijzondere bijstand structureel met 25 miljoen verhoogd. Dat het budget voor de bijzondere bijstand desondanks 75 miljoen lager uitkomt, komt omdat een tweetal eenmalige bijdragen aan het budget in 2004 zijn weggevallen1. Tegenover deze daling van het budget staat dat de minister van VWS 25 miljoen euro inzet voor verzachtende maatregelen op het terrein van zelfzorggeneesmiddelen en zittend ziekenvervoer.

Het inkomenseffect van de wijziging in het budget voor de bijzondere bijstand is sterk afhankelijk van de invulling die gemeenten aan de regeling geven. Met inkomenseffecten van veranderingen in de bijzondere bijstand wordt dan ook nooit rekening gehouden worden in het koopkrachtbeeld.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of de nadere analyse van een 10%-tarief voor ouderen, zoals voorgesteld door de leden van de CDA-fractie, gereed is ten einde te kunnen betrekken bij verdere behandeling van het Belastingplan 2005.

De eerste ondergetekende heeft tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen 2005 aangegeven de gevraagde analyse samen te nemen met de analyse van de suggestie van de heer Rouvoet inzake de invoering van een afdrachtvermindering voor werkgevers ten behoeve van ouderen. Deze analyses zullen naar verwachting in de loop van volgend jaar naar de Tweede Kamer worden gezonden. Deze kunnen derhalve niet worden betrokken bij de behandeling van dit belastingplan.

Deze leden vragen naar de analyse die ten grondslag ligt aan de afschaffing van de loonkostensubsidies.

Bij het Belastingplan 2003 en ook bij de behandeling in het voorjaar van het inmiddels ingetrokken wetsvoorstel versnelde afschaffing SPAK is hier al uitgebreid bij stil gestaan en ook bij het wetsvoorstel . Ook toen is er op gewezen dat uit IBO-onderzoek2 van de IBO-werkgroep Toekomst van het arbeidsmarktbeleid naar voren komt dat de werking van de SPAK weinig doeltreffend is (hoge dead-weightloss: minder dan 8% van de laag betaalden zou anders niet aan het werk zijn gekomen). Tevens wordt in hetzelfde onderzoek aangegeven dat zich structurele problemen aan de aanbodzijde zullen gaan voordoen. Een van de aanbevelingen van deze werkgroep was dat het beleid zich vooral zou moeten richten op de vergroting van de arbeidsparticipatie.

Het kabinet zet daarom in op aanbodstimulering in plaats van generieke vraagstimulering. Het algemene arbeidsmarktbeleid van dit kabinet richt zich op het terugdringen van belangrijkste factoren die de arbeidsparticipatie belemmeren, zoals de armoedeval, onvoldoende mogelijkheden tot het combineren van arbeid en zorg en scholing.

In de nota Visie Arbeidsmarktbeleid wordt de visie van het huidige arbeidsmarktbeleid uitgebreid toegelicht. Deze nota geeft een analyse van de belemmerende factoren voor de arbeidsmarkt met name aan de onderkant van de arbeidsmarkt alsmede een overzicht van het beleid per belemmering. Deze nota geeft ook antwoord op de vraag van de leden van GroenLinks over de doelstelling voor langdurig werklozen. In de nota wordt helder gemaakt dat het kabinet afstand doet van het doelgroepenbeleid. Langdurig werklozen worden niet langer als doelgroep behandeld, maar de belemmeringen waar langdurig werklozen mee te maken hebben worden zo veel als mogelijk weggenomen. Het UWV beschikt bijvoorbeeld over een uitgebreid reïntegratie-instrumentarium met sluitende aanpak om de afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen.

Zij willen voorts weten in hoeverre het kabinetsbeleid mede heeft geleid tot de noodzaak van verlaging van de loonkosten voor de groep langdurig werklozen. Door de krapte op de arbeidsmarkt in de afgelopen jaren hebben werkgevers de CAO-loonschalen aan de onderkant van de arbeidsmarkt fors verhoogd. Hierdoor hebben langdurig werklozen (vooral zij die weinig productief zijn) thans veel minder kans om in te stromen in de arbeidsmarkt. Verlaging van de laagste CAO-lonen is derhalve noodzakelijk. De noodzaak tot het matigen van de loonkosten geldt overigens niet alleen voor de groep langdurig werklozen, maar voor het hele loongebouw. Te hoge loonkosten schaden de Nederlandse concurrentiepositie. De ontsporing van de loonkosten ten opzichte van onze concurrenten heeft een aantal oorzaken. Hoge loonstijgingen gingen niet gepaard met een evenredig hoge groei van de arbeidsproductiviteit. Bovendien werd de noodzaak van loonmatiging onvoldoende ervaren omdat de werkloosheidsgroei beperkt bleef.

Op de vraag van de leden van fractie van GroenLinks met hoeveel de loonkosten zijn gestegen merkt de regering het volgende op. De afname van de SPAK betekent voor de betreffende arbeidsplaatsen een toename van de loonkosten van ca. 3% per jaar. Bij de afdrachtvermindering langdurig werklozen (VLW) bedraagt deze stijging van 2003 op 2004 nog geen 0,5%. Tegenover de stijging van de loonkosten aan de onderkant staat echter ook een dempend effect in de vorm van de arbeidskorting. Een toename van de loonkosten is overigens ook niet uniek voor de onderkant. De hogere inkomens worden bijvoorbeeld geconfronteerd met hogere lasten via de toename van de AWF premie van 2004 op 2005. Door de franchise ondervinden lagere inkomens hier geen last van. Ook de pensioenpremies nemen in die periode toe.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen voorts om de achterliggende cijfers bij een passage over de buitengewone uitgavenregeling in een brief van de minister van SZW1. Uit tabel 1 van die brief blijkt dat in 2003 er 1,6 mln belastingplichtigen buitengewone uitgaven hebben opgevoerd bij hun aangifte Inkomstenbelasting. Als gevolg van de wijzigingen uit het belastingplan 2004 zal het aantal belastingplichtigen die deze aftrekpost opvoeren, afgezien van autonome effecten2, in 2004 blijven groeien. Dit wordt onder andere veroorzaakt doordat bij het Belastingplan 2004, op verzoek van de Tweede Kamer, het chronisch ziekenforfait toegankelijker is gemaakt en de vermenigvuldigingsfactor voor de inkomensdrempel is geplaatst. Door deze maatregelen komen personen met lage inkomens en hoge zorgkosten eerder in aanmerking voor aftrek van buitengewone uitgaven. Per saldo is gerekend met een toename van het aantal personen dat gebruik zal maken van het chronisch ziekenforfait van 50 000 naar 200 000. Voor 2004 wordt daarom rekening gehouden met circa 1¾ mln belastingplichtigen die buitengewone uitgaven opvoeren in hun aangifte.Op basis van de voor de berekeningen gebruikte steekproef van 150 000 (geanonimiseerde) elektronische aangiften 2003 treft u in tabel 5 de gevraagde grondslagen voor de specifieke uitgaven aan.

Tabel 5 Raming onderverdeling specifieke uitgaven 2003 (€ mln)

Categorie<65>65Totaal
Huisapotheek/medicijnen502576
Dieet7645121
Vervoer9746143
AWBZ50136186
Kleding/beddengoed442771
Hulpmiddelen ogen/oren185142327
Hulpmiddelen overig302555
Extra gezinshulp194766
Verzorgingstehuis24042
Totaal5535331 087
waarvan in 1e en 2e schijf t.b.v. vermenigvuldigingsfactor252393646

Deze leden hebben voorts bij bovengenoemde brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid nog vragen over de twee positief uitpakkende voorbeelden in tabel 2 van die brief. Ze vragen zich hierbij af of de persoon in het eerste rekenvoorbeeld een aanvullende ziektekostenverzekering heeft.

Hierop kan geen eenduidig antwoord worden gegeven. Voor de voorbeeldberekeningen is aangesloten bij de bedragen zoals die door het CPB in het zogenaamde microtaxmodel gebruikt worden voor de berekeningen van de koopkracht. Hierbij wordt bij ZFW verzekerden, waar deze persoon deel van uitmaakt, ondermeer gerekend met een gemiddelde nominale ZFW-premie van € 308 en gemiddeld € 82 uitgaven aan ziektekosten die sinds 2004 niet meer in het standaardpakket zitten. Van dit laatste bedrag kan een deel via aanvullende verzekeringen gedekt worden. In de CPB-raming wordt daarnaast verder geen rekening gehouden met aanvullende verzekeringen aangezien deze als derde zorgcompartiment meelopen in de particuliere consumptie. Geraamd wordt dat er gemiddeld voor € 132 per persoon per jaar aan aanvullende ZFW verzekeringen worden betaald1. In het voorbeeld is met dit laatste bedrag geen rekening gehouden. Indien dit wel meegenomen zou worden zou het netto voordeel in het voorbeeld toenemen van € 211 naar € 255.

De leden van de GroenLinks-fractie willen voorts dit voorbeeld doorgerekend zien waarbij wordt verondersteld dat in 2003 recht op het chronisch ziekenforfait bestond. Deze persoon zou in 2003 alleen aanspraak kunnen maken op het chronisch ziekenforfait als zowel in 2001 als 2002 er circa € 800 aan overige ziektekosten gemaakt zouden zijn. Deze persoon zou dan geen voor- en of nadeel van de maatregelen uit het Belastingplan 2004 hebben. Dit komt doordat zowel in de oude als nieuwe situatie het chronisch ziekenforfait van toepassing is en deze persoon tevens buiten de reikwijdte van de vermenigvuldigingsfactor valt (inkomensgrens). Defacto wijzigt er dan niets voor deze persoon.

Tevens vragen deze leden hoe reëel het is dat voor echtparen onder de 65 jaar er voor € 1500 aan specifieke uitgaven gemaakt wordt zoals in het tweede voorbeeld is verondersteld. In tabel 6 is op basis van de eerder genoemde steekproef (150 000) de verdeling naar hoogte van de specifieke uitgaven opgenomen.

Tabel 6 Verdeling hoogte specifieke uitgaven

Bedrag specifieke uitgavenAantal < 65Aantal >= 65Totaal aantal
€ 0–€ 750703 258530 5591 233 817
€ 750–€ 1500136 675125 220261 895
€ 1500 >52 06759 220111 287
Totaal aantal892 000715 0001 607 000

Uit deze tabel blijkt dat er ruim 110 000 belastingplichtigen zijn die minimaal € 1 500 aan specifieke uitgaven hebben, circa 52 000 hiervan zijn onder de 65 jaar.

De leden van GroenLinks-fractie vragen voorts of verondersteld is dat dit echtpaar in 2003 geen gebruik maakt van de buitengewone uitgaven. Het antwoord hierop is ontkennend. Verondersteld is alleen dat in 2003 geen recht bestaat op het chronisch ziekenforfait. Indien wordt verondersteld dat in 2003 aanspraak wordt gemaakt op buitengewone uitgaven, zoals de leden van GroenLinks vragen, wijzigen de uitkomsten van het voorbeeld niet. Als met de laatste vraag wordt bedoeld dat in 2003 wordt verondersteld dat er recht bestaat op het chronisch ziekenforfait zal aanvullend verondersteld moeten worden dat in 2001 en 2002 buitengewone uitgaven zijn opgevoerd. Indien in 2003 voor één van beiden partners het chronisch ziekenforfait van toepassing was zou het positieve inkomenseffect van het tweede voorbeeld € 194 bedragen. Indien voor beiden het chronisch ziekenforfait in 2003 van toepassing was zou een nadeel van € 194 resteren.

De beantwoording van de vraag van de leden van de D66-fractie over het tarief van de eerste schijf hebben wij meegenomen in onze reactie op een soortgelijke vraag in onderdeel «Verhoging tarief eerste en tweede schijf».

De leden van de fractie van de ChristenUnie waarderen het dat het kabinet koopkrachtmaatregelen heeft getroffen die de inkomensontwikkeling van AOW-ers, sociale minima en gezinnen met kinderen verbeteren. Zij vragen hierbij naar een verklaring voor de genomen maatregelen. Allereerst kunnen we hierbij aangeven dat het Belastingplan 2005 alleen de fiscale maatregelen uit het koopkrachtpakket voor 2005 presenteert. Overige maatregelen zoals de toeslag op het AOW-pensioen zitten hier niet in. Een totaal overzicht van de koopkrachtmaatregelen is opgenomen in de meerbedoelde begroting 2005 van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Tevens stellen deze leden dat het pakket niet evenwichtig is en vragen de regering uit te leggen of hogere inkomens niet meer hadden kunnen bijdragen. Het kabinet is van mening dat het totale koopkrachtbeeld zoals dat resulteert evenwichtig is. Minima, ouderen en gezinnen met kinderen gaan er in 2005 duidelijk minder op achteruit dan de hogere inkomens.

Deze leden vragen voorts waarom de kinderkorting niet op het huidige niveau is gehandhaafd. De beoogde beleidsrelevante verhoging met € 34 van de algemene kinderkorting ten tijde van het belastingplan 2004 is niet doorgegaan ten behoeve van een verhoging van de aanvullende kinderkorting. Hierdoor blijft het niveau van de algemene kinderkorting in 2004 (€ 110) in 2005 gehandhaafd (€ 113 inclusief de toepassing van de tabelcorrectiefactor). Deze schuif van de algemene kinderkorting naar de aanvullende kinderkorting werkt nivellerend uit voor het koopkrachtbeeld, waar huishoudens met kinderen tot en met modaal van profiteren.

Naar aanleiding van een vraag van deze leden zou de volledige uitbetaling van de kinderkortingen op het niveau van 2005 ongeveer € 60 mln kosten.

Het doet ons genoegen dat de leden van de fracties van de ChristenUnie, van de SP en van de SGP hun waardering hebben uitgesproken voor de voorgestelde compensatieregeling voor gehandicapten in het kader van de aanpak van de zogenoemde grijze kentekens.

De leden van de SP-fractie vragen zich af of zij het juist zien, dat de compensatieregeling verder is verruimd in de eerste nota van wijziging. Deze leden vragen verder naar de mogelijkheid dat zorginstellingen gebruik maken van de regeling, nu zij geen gebruik kunnen maken van de aftrek in de winstbelastingen.

De regeling is aangepast in de eerste en tweede nota van wijziging teneinde een betere aansluiting op de praktijk te realiseren. Dit betekent dat voor situaties waarin de gehandicapte niet zelf de kentekenhouder is, het criterium van het bestaan van een nog nader in te vullen zorgrelatie is vervangen door het objectief eenvoudig vast te stellen criterium, dat het verzoek door gehandicapte en kentekenhouder gezamenlijk wordt ingediend. De relatie tussen gehandicapte en kentekenhouder behoeft dus niet te worden getoetst. Dit impliceert, zoals de leden van de SP-fractie terecht concluderen, dat de kentekenhouder zowel een familielid als een vrijwilliger kan zijn, die een aangepaste bestelauto heeft voor het vervoer van één of meer gehandicapten. Is sprake van een bestelauto ten behoeve van meer gehandicapten, dan kan de regeling worden toegepast op basis van een gezamenlijk verzoek van de kentekenhouder en de betrokken gehandicapten.

De compensatieregeling voor ondernemers is zodanig vormgegeven, dat ook zorginstellingen daarvoor in aanmerking kunnen komen. In deze compensatieregeling wordt niet langer uitgegaan van een aftrek in de winstbelastingen, maar van een teruggaaf van BPM en een eigen, lager tarief in de motorrijtuigenbelasting voor ondernemers in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968.

De leden van de fractie van de ChristenUnie stellen een «Combinatiekorting Nieuwe Stijl» voor, waarbij de fiscale stimulans om arbeid en zorg te combineren wordt gemaximeerd tot 56 uur. Deze leden willen met dit voorstel de spagaat wegnemen waarin ouders zouden verkeren door enerzijds het stimulerende beleid om deel te nemen aan het arbeidsproces en anderzijds de zorg van hun kinderen. Dit is niet de lijn van het kabinet. Wij willen partners namelijk niet belemmeren om meer te gaan werken. Dus bij meer dan 56 uren werken hoort ook een combinatiekorting. Het voorstel van deze leden belemmert dit.

Invoering van het door genoemde leden voorgestelde urencriterium zou zeer moeilijk uitvoerbaar zijn voor de Belastingdienst. Het is voor hen namelijk bijna niet mogelijk om het aantal uren dat een belastingplichtige daadwerkelijk werkt te controleren. Daarnaast zijn een werkgever en werknemer niet wettelijk verplicht een arbeidscontract op te stellen. Het is daarbij niet ongebruikelijk om in bepaalde sectoren, zoals bijvoorbeeld de zorg, met parttimers die op oproepbasis werken, 0-urencontracten overeen te komen of met vaste medewerkers 28-uren contracten, maar met een oproepmogelijkheid tot 40-uren in de week, af te sluiten.

In antwoord van een vraag van de leden van de SGP-fractie over het effect van de maatregelen in de kinderkortingen voor de modale inkomens wordt opgemerkt dat de grens van de aanvullende kinderkorting op een inkomen van € 30 225 ligt. Dit betekent dat modale inkomens (€ 29 218) nog recht hebben op de aanvullende kinderkorting. De modale inkomens profiteren dan ook van de verhoging van de aanvullende kinderkorting ondanks het feit dat de algemene kinderkorting niet wordt verhoogd.

Deze leden willen voorts een overzicht van de belastingdruk voor kostwinnersgezinnen in vergelijking met tweeverdienergezinnen vanaf 2001. In tabel 7 treffen deze leden de volgende gevraagde cijfers:

A. De belastingdruk voor kostwinnersgezinnen

B. De totale belastingdruk bij een tweeverdienersgezin waarvan het totale inkomen gelijk is aan de inkomenscategorieën bij de kostwinnersgezinnen.

C. De totale belastingdruk bij een tweeverdienersgezin waarbij de meestverdiener een inkomen heeft dat gelijk is aan de inkomenscategorieën bij de kostwinnersgezinnen.

Tabel 7 Belastingdruk per huishouden naar huishoudentype en inkomen in % verzamelinkomens1

Huishoudens20012002200320042005
A. Kostwinnersgezinnen met kinderen     
Mimimum4,83,42,21,10,0
Modaal19,319,319,117,717,6
1½*modaal26,426,426,226,326,6
      
B. Tweeverdieners met kinderen (totaal inkomen)     
Mimimum6,75,14,43,82,9
Modaal16,316,115,914,414,2
1½*modaal21,621,521,420,720,8
      
C. Tweeverdieners met kinderen (ink. meestverdiener)    
Mimimum (totaal inkomen = 1½*WML)12,711,510,99,28,1
Modaal (totaal inkomen = 1½*modaal)21,621,521,420,720,8
1½*modaal (totaal inkomen = 2¼* modaal)27,027,026,826,526,7

1 Bij tweeverdieners is, conform de CPB systematiek bij koopkrachtberekeningen, verondersteld dat in tweeverdienershuishoudens 66,6% van het inkomen wordt verdiend door de ene partner en 33,3% door de andere partner.

Tevens vragen de leden van de SGP-fractie bij welke inkomensverdeling binnen een tweeverdienershuishouden de totale belastingdruk gelijk is aan de belastingdruk bij kostwinners bij een bruto inkomen van 30 000 respectievelijk 45 000 euro. Waar in de CPB-systematiek gerekend wordt met een standaard inkomensverdeling binnen tweeverdienershuishoudens van 2/1 zou de door de SGP gevraagde verhouding 85/15 dienen te zijn om bij een bruto-inkomen van 30 000 euro eenzelfde belastingdruk van 19,9% te bewerkstelligen als bij een kostwinnersgezin. Bij een bruto-inkomen van 45 000 euro zou deze verhouding 9/1 dienen te zijn voor een gelijke belastingdruk van 26,9%.

4. Vervallen dubbel spaarloon/verhoging eindheffing spaarloon werkgevers

De leden van de fractie van het CDA en de VVD hebben begrip voor het vervallen van het dubbel spaarloon maar vragen de regering wel in te gaan op de gevolgen van het afschaffen van dubbel spaarloon voor starters op de arbeidsmarkt en voor diegenen die overstappen van een werkgever die geen spaarloonregeling aanbiedt naar een werkgever die dat wel doet.

De mogelijkheid van het dubbel spaarloon wordt afgeschaft door te bepalen dat alleen van een spaarloonregeling gebruik gemaakt kan worden bij de werkgever bij wie de werknemer op 1 januari van het kalenderjaar in dienstbetrekking is en bij welke werkgever bij de inhouding van loonbelasting de algemene heffingskorting wordt toegepast. Dit betekent voor starters op de arbeidsmarkt die niet op 1 januari hun dienstbetrekking aanvangen dat zij in het jaar na de aanvang van de dienstbetrekking voor het eerst gebruik kunnen maken van de spaarloonregeling.

Voor werknemers die overstappen naar een andere werkgever en bij de eerste werkgever op 1 januari in dienstbetrekking waren, betekent deze regeling dat zij bij de tweede werkgever het eerste jaar geen gebruik kunnen maken van de door die werkgever aangeboden spaarloonregeling. Zij hebben immers gebruik kunnen maken van het spaarloon bij de eerste werkgever.

In beide, hierboven beschreven gevallen zijn dit consequenties die het gevolg zijn van de keuze om het dubbel spaarloon af te schaffen op een wijze die leidt tot een zo beperkt mogelijke stijging van administratieve lasten voor het bedrijfsleven. Door aan te sluiten bij de keuze van de werknemer bij welke werkgever hij zijn algemene heffingskorting te gelde maakt en de datum van 1 januari, kan de werkgever eenvoudig vaststellen of een werknemer gebruik kan maken van de spaarloonregeling. De stijging van administratieve lasten voor het bedrijfsleven blijft hierdoor beperkt. De Belastingdienst kan bij het reguliere toezicht op de naleving van de Wet op de loonbelasting 1964 op eenvoudige wijze bezien of een en ander correct is verlopen.

De leden van de CDA-fractie vragen naar een reactie op de suggestie om het spaarloon bij slechts een werkgever op te bouwen. Ook de leden van de VVD-fractie en de D'66-fractie vragen hiernaar, zij verwijzen hierbij naar een reactie van de Nederlandse orde van belastingadviseurs. Een dergelijke regeling die feitelijk overeenkomt met de door de regering voorgestelde regeling zonder de 1 januari eis leidt tot (veel) hogere administratieve lasten en ook tot extra uitvoeringskosten. Een dergelijke regeling zou betekenen dat werkgevers per werknemer aan de Belastingdienst moeten aangeven of die werknemer gebruik heeft gemaakt van de spaarloonregeling en tot welk bedrag. Indien een werknemer blijkt bij meer dan één werkgever het maximale spaarloonbedrag of in totaal het maximum spaarloonbedrag overschrijdt, moet dit gecorrigeerd worden. Binnen de loonheffing is dit niet mogelijk omdat beide werkgevers van een werknemer een spaarloonregeling mogen aanbieden en de werkgever niet kan weten dat een werknemer nog een andere dienstbetrekking heeft. Een dergelijke correctie kan alleen op het niveau van de werknemer plaatsvinden door de werknemer in zijn aangifte inkomstenbelasting het genoten spaarloon te laten opgeven. Bij dubbel spaarloon zou dit dan leiden tot een aanslag inkomstenbelasting.

Een dergelijke regeling leidt tot een verzwaring van de administratieve lasten vanwege de extra informatieverplichting van de werkgevers. Voorts leidt dit tot een aanzienlijke vergroting van de uitvoeringskosten voor de Belastingdienst, omdat «correctie» van dubbel spaarloon dan zou moeten plaatsvinden via het aangiftebiljet voor de inkomstenbelasting. Dit zou gepaard gaan met extra aangiftes en controles en tot correcties in gevallen waarin het dubbele spaarloon niet of niet juist is verantwoord in de aangifte. Tevens zou dan de uiteindelijk ten onrechte betaalde werkgeverheffing geretourneerd moeten worden. De leden van de CDA-fractie vragen tevens naar de budgettaire effecten van haar voorstel. De maatregelen in het Belastingplan 2005 beperken het gebruik van spaarloon met circa 400 000 maal de maximale inleg van € 613. Geschat wordt dat het voorstel van deze leden dit zou beperken tot 350 000. De hiermee corresponderende budgettaire kosten bedragen, rekening houdend met de verhoogde eindheffing, circa € 6 mln. Dit is afgezien van de bovenbeschreven forse uitvoeringslasten voor werkgevers, werknemers en Belastingdienst.

De leden van de fractie van PvdA vragen in dit kader hoeveel werknemers het spaarloonvoordeel door deze maatregel zullen mislopen. Ook de leden van de D66-fractie vragen hiernaar. Door de maatregelen in het Belastingplan 2005 zal het spaarloon beperkt worden met 400 000 maal de inleg. Circa 350 000 hiervan heeft betrekking op personen die twee banen hebben of gedurende het jaar van baan wisselen. De restcategorie van 50 000 heeft betrekking op starters, bepaalde seizoenswerkers etc.

Ten aanzien van uitzendkrachten heeft deze regeling, zo antwoorden wij de leden van de PvdA-fractie geen specifieke gevolgen omdat die in dienstbetrekking zijn bij het uitzendbureau en langs die weg gebruik kunnen maken van een spaarloonregeling. Wel is het zo dat het vervallen van het dubbel spaarloon ook voor uitzendkrachten met een gelijktijdige of volgtijdelijke dienstbetrekking geldt. Seizoenswerkers die niet permanent in dienst zijn, vallen vanaf 2005 inderdaad niet meer onder het spaarloon als ze niet per 1 januari 2005 in dienst zijn. Voor seizoenswerkers met een 0-urencontract, die dus wel formeel het hele jaar in dienst zijn, verandert er overigens niets.

Wij zijn van mening dat in de weging van belangen de gekozen wijze van vervallen van het dubbel spaarloon goed verdedigbaar is. Dit houdt verband met de beperkte consequenties die het vervallen van het dubbel spaarloon voor deze groep heeft. Die consequenties zijn beperkt vanwege een aantal redenen.

Ten eerste kan seizoenswerk ook in een zodanige periode (bijvoorbeeld in de winter) plaatsvinden dat de seizoenswerker wel gebruik kan maken van de spaarloonregeling. Ten tweede is het zo dat er alleen geen gebruik kan worden gemaakt van een spaarloonregeling bij seizoenswerk, als er ook op 1 januari geen andere dienstbetrekking was. In veel gevallen zal naast het seizoenswerk bijvoorbeeld uitzendwerk worden gedaan. Langs die weg kan dan alsnog gebruik gemaakt worden van de spaarloonregeling. Ten derde kan worden opgemerkt dat de groep seizoenswerkers veelal bestaat uit studenten, scholieren en bijverdieners. Het is zeer de vraag is of deze groep wel aan een spaarloonregeling meedoet. Immers, bij de lagere inkomenscategorieën is het gebruik van de spaarloonregeling erg laag. Dit komt mede omdat er in 2005 circa € 6 100 verdiend moet worden om genoeg belasting te betalen zodat volledig van het spaarloon geprofiteerd kan worden. Tenslotte kan nog worden opgemerkt dat in een deel van de gevallen seizoenswerkers sowieso niet deel kunnen nemen aan een spaarloonregeling omdat bij seizoenswerk geen spaarloonregeling wordt aangeboden. Dit vloeit voort uit het feit dat werkgevers tijdelijk personeel kunnen uitsluiten van deelname aan de spaarloonregeling, uiteraard zolang de spaarloonregeling voor tenminste driekwart van de overige werknemers van de werkgever openstaat.

De leden van de PvdA-fractie willen voorts weten hoe het vervallen van het dubbel spaarloon zich verhoudt tot de jaarlijkse keuze van de werknemer tussen de spaarloonregeling en de levensloopregeling. Zij vragen of, bezien in het licht van de verhoging van het eindheffingspercentage van het spaarloon van 15% naar 25% en de mogelijke afschaffing van spaarloonregelingen door de werkgever vanwege de kostenverhoging, er dan nog wel een keuze overblijft.

Indien een werknemer als gevolg van deze maatregel in een bepaald jaar geen gebruik kan maken van de spaarloonregeling, dan kan hij gebruik maken van de levensloopregeling.

Ondanks het hogere eindheffingspercentage kan de werkgever de werknemer nog steeds de mogelijkheid bieden via de spaarloonregeling op fiscaal gunstige wijze te sparen voor erkende bestedingsdoelen. Het voordeel van de spaarloonregeling, de lagere belastingheffing, blijft bestaan maar wordt alleen minder. Het is wel zo dat door de verhoging van het eindheffingspercentage de omstandigheden veranderen op basis waarvan werkgevers hun keuze maken een spaarloonregeling aan te bieden. Dit zal er in een aantal gevallen toe leiden dat werkgevers geen regeling meer aanbieden. Gezien het feit dat de regeling nog steeds voordelen biedt, zal dit aantal naar verwachting beperkt zijn. Werkgevers zullen eerder kiezen voor een aanpassing in de spaarloonregeling in die zin dat de te sparen bedragen worden beperkt. De keuzemogelijkheid waarover deze leden spreken blijft derhalve behouden.

Naar aanleiding van een vraag van deze leden merken wij op dat de eindheffing is een heffing van de werkgever. Of en in hoeverre de werkgever de eindheffing verhaalt op de werknemer is niet bekend. Hierover zijn de afgelopen jaren bij het spaarloon geen signalen binnengekomen.

De leden van de D66-fractie hebben op zich geen probleem met het vervallen van het dubbele spaarloon maar vragen zich af hoe de gekozen regeling, in het bijzonder de situatie dat in sommige gevallen niet meer éénmaal het maximumspaarbedrag kan worden gespaard, zich verhoudt tot het rechtsgelijkheidsbeginsel. Verder vragen deze leden of en in hoeverre werknemers die van baan wisselen de mogelijkheid hebben om het gehele spaarloonbedrag bij een van de twee werkgevers te sparen.

Het gelijkheidsbeginsel houdt in dat gelijke gevallen gelijk worden behandelend en ongelijke gevallen ongelijk naarmate van de ongelijkheid. In de voorgestelde regeling kunnen alle werknemers die op 1 januari in dienstbetrekking zijn en bij die werkgever ook de heffingskortingen te gelde maken van de spaarloonregeling gebruik maken. Wij achten die niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Deze regeling is op deze wijze vormgegeven om de administratieve lasten voor het bedrijfsleven tot een minimum te beperken.

Werknemers die van baan wisselen kunnen, indien de spaarloonregeling van die werkgever dit toestaat, bij de eerste werkgever het maximum van het spaarloonbedrag sparen. Indien bij de eerste werkgever het maximum van de spaarloonregeling niet is bereikt, kan dit bij de tweede werkgever in de voorgestelde regeling niet meer worden aangevuld tot het maximum in het jaar van de wisseling.

5. Vervallen PC-privéregeling

De leden van de PvdA-fractie vragen of het forfaitair belasten van de privé-besparing niet eenvoudiger is dan de voorgestelde bepaling dat de computer geheel belast is indien die computer niet geheel en niet nagenoeg geheel zakelijk wordt gebruikt.

Er is juist omwille van de eenvoud gekozen voor het criterium geheel of nagenoeg geheel. Op deze wijze blijven computers die louter zakelijk worden gebruikt buiten de heffing. Het aanvullende criterium «nagenoeg geheel» zorgt ervoor dat de werkgever bij zeer incidenteel privé-gebruik niet meteen de gehele computer in de heffing hoeft te betrekken. De werkgever dient aannemelijk te maken dat de computer geheel (of nagenoeg geheel) zakelijk wordt gebruikt om deze onbelast te kunnen vergoeden, verstrekken of ter beschikking te stellen. Hierbij geldt de vrije bewijsleer. In dit kader kan bijvoorbeeld worden gedacht aan situaties waarin technische voorzieningen zijn aangebracht aan de computer die privé-gebruik als zodanig bemoeilijken, de werknemer via de computer toegang heeft tot het intranet van de werkgever, hij via de computer geen vrije internettoegang heeft, er op de computer geen software anders dan bedrijfsmatige software op staat, de werknemer ook niet de mogelijkheid heeft er software op te zetten en hij geen eigen randapparatuur kan aansluiten. Van een computer die op de werkplek achterblijft, zal doorgaans aannemelijk zijn dat die voldoet aan de norm. Indien het gaat om een computer die (ook) thuis kan worden gebruikt dient aannemelijk gemaakt te worden dat de computer geheel of nagenoeg geheel zakelijk wordt gebruikt. Dit ook in antwoord op een vraag van de leden van de SGP-fractie hoe de handhaving van de voorgestelde regeling gaat plaatsvinden.

Bij de voorgestelde regeling ligt de nadruk dus niet op het vaststellen van de omvang van het zakelijk gebruik, maar veel eerder op het aannemelijk maken dat er geen sprake is van privé-gebruik of niet meer dan een verwaarloosbaar privé-gebruik. Indien de werkgever het (nagenoeg) zakelijk gebruik niet aannemelijk kan maken dan is de computer geheel belast. Het op deze wijze afschaffen van de zogenoemde pc-privéregeling leidt tot een administratieve lastenverlichting van € 1 mln. Indien de precieze omvang van het zakelijk gebruik vastgesteld dient te worden, al dan niet omdat er een andere norm dan geheel of nagenoeg geheel wordt opgenomen, zullen er hoge administratieve lasten ontstaan en zal dit bovendien leiden tot een onuitvoerbare regeling. Het is in dergelijke situaties immers zowel voor werkgever en werknemer als voor de Belastingdienst praktisch onmogelijk om kwantitatief vast te stellen wat de mate van zakelijk gebruik en privé-gebruik is.

Hierbij dient tevens opgemerkt te worden dat de opbrengsten van een forfaitaire regeling lager zouden zijn omdat computers en dergelijke apparatuur en bijbehorende apparatuur dan toch nog deels onbelast vergoed zouden kunnen worden.

Wij zijn verheugd over het feit dat de leden van de D66-fractie het eens zijn met het kabinet dat het doel van de pc-privéregeling is bereikt. Volgens de leden van de D66-fractie moet de overheidsinzet nu gericht zijn op het versterken van de ICT-infrastructuur en het stimuleren van diensten via internet en breedband.

In de begroting van het ministerie van Economische Zaken is aangeven dat de inzet thans gericht is op het scheppen van voorwaarden voor de ontwikkeling en toepassing van een hoogwaardig aanbod van netwerken en diensten voor elektronische communicatie. Breedband is daarbij van strategisch belang voor de economische en maatschappelijke ontwikkeling van Nederland en geeft een impuls aan de kenniseconomie. De mogelijkheden en voordelen van breedbandinfrastructuren en -toepassingen voor sociaal-maatschappelijke terreinen als bijvoorbeeld onderwijs worden als cruciaal aangemerkt. Voor Breedband is er in 2005 een budget van € 13,3 mln beschikbaar. Begin volgend jaar wordt een actieplan voor het stimuleren van diensten in maatschappelijke sectoren aan de Tweede Kamer gestuurd. In overleg met de betrokken vakdepartementen wordt bezien:

– welke autoriteiten binnen de sector een aanjagende rol kunnen vervullen en met welk mandaat;

– hoe invulling kan worden gegeven aan de voorstellen die de Impulscomissie doet voor concrete voorbeeldprojecten;

– hoe de beschikbare middelen gezamenlijk kunnen worden ingezet.

Momenteel beziet het ministerie van Economische Zaken of en zo ja hoe een financieel instrument moet worden ingezet voor de aanleg van breedbandnetwerken. Hierbij wordt gedacht aan een garantiefonds. Het kan innovatie stimuleren en op technologieneutrale en open wijze een impuls geven aan de ontwikkeling van een volgende generatie netwerken die vanuit marktpartijen en overheden zelf worden geïnitieerd.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben begrip voor de afschaffing van de pc-privéregeling, maar vragen zich af wat de gevolgen zijn voor lagere inkomensgroepen en gezinnen met schoolgaande kinderen.

De pc-privéregeling is in 1997 in het leven geroepen om ontwikkelingen als de elektronische snelweg en het telewerken te stimuleren. De doelstelling van de regeling was dat het bezit en gebruik van computers gemeengoed zou worden. Aan deze doelstelling is voldaan nu 80% van de huishoudens een computer bezit. Dit percentage is mede te danken aan de pc-privéregeling. Uit gebruikgegevens omtrent de pc-privéregeling blijkt dat de sociale minima geen gebruik maakt van deze regeling. Verder is de regeling door een klein percentage in de groep alleenstaande (ouder) met een wettelijk minimum loon gebruikt, te weten 2%. Hieruit leiden wij af dat de gevolgen van afschaffing van de regeling voor de lagere inkomensgroepen en gezinnen met schoolgaande kinderen een klein effect sorteert.

Zij vragen zich af of de regering het een goede gedachte vindt om met scholen en ouderorganisaties in gesprek te gaan over het bereiken van die categorie ouders die wegens financiële problemen moeite hebben een voor de school geschikte PC aan te schaffen.

Onderzoek van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wijst uit dat scholen die gebruik van de PC «voorschrijven», de leerlingen daartoe ook in de gelegenheid stellen met de op school aanwezige ict-infrastructuur. Een «eigen» pc is niet noodzakelijk voor het bereiken van een diploma. Er is derhalve geen harde noodzaak om over een pc te beschikken. Verder blijkt uit informatie van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen dat verschillende grote gemeenten de aanschafkosten van een PC vergoeden in de bijzondere bijstand, indien de PC thuis wordt gebruikt ten behoeve van het onderwijs. Het komt het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen voor dat de uitkeringsverlenende instanties beter in positie zijn om te bepalen of mensen in aanmerking komen voor specifieke ondersteuning. Ook vanwege deze voorziening is een aparte regeling via de scholen niet wenselijk. Bovendien ziet het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap problemen met de rol van de scholen en ouderorganisaties ten aanzien van de uitvoering van het voorstel. Scholen en ouderorganisaties zouden bijna gedwongen om een inkomenstoets te doen.

Deze leden willen voorts weten of mensen die hun pc hebben aangeschaft vóór 27 augustus 2004, 17.00 uur, maar pas later daarvan een factuur hebben ontvangen, nog in aanmerking komen voor de vervallen pc-privéregeling.

Bepalend is het moment waarop de computer in gebruik is genomen of verplichtingen tot aanschaf van de computer zijn aangegaan. Indien een betrokkene aannemelijk kan maken dat hij de pc voor genoemd tijdstip heeft aangeschaft, dan komt hij nog in aanmerking voor de regeling. Het moment van aankoop kan bijvoorbeeld aannemelijk worden gemaakt door een orderbevestiging waarop een datum en een tijdstip zijn vermeld en waaruit blijkt dat en wanneer de werknemer onvoorwaardelijk een koopovereenkomst is aangegaan. Ook op de factuur zelf kan het tijdstip van de aankoop zijn vermeld.

De leden van de SGP-fractie vragen of het afschaffen van de pc-privéregeling en het dubbel spaarloon ook ten goede komt aan de IB-ondernemer. Wij kunnen dit bevestigen. De opbrengst van het grondslageffect op premies (werkgeversdeel) werknemerverzekeringen wordt mede ingezet ter financiering van een verhoging van de zelfstandigenaftrek en verhoging van de MIA.

Economische infrastructuur

1. Inleiding

Het doet ons deugt dat de leden van de fracties van het CDA, VVD en D66 positief zijn over ons voornemen tot het verlagen van het Vpb-tarief en het verhogen van de zelfstandigenaftrek.

De leden van de CDA-fractie vragen of gedetailleerd inzicht kan worden gegeven in verhouding tussen de lastenontwikkeling in de IB-sfeer en in de Vpb-sfeer. Een dergelijke berekening kan op vele manier gemaakt worden. In de IB-sfeer hangt de heffing bijvoorbeeld af van persoonlijke omstandigheden zoals het aanwezig zijn van kinderen etc (kinderkorting). Bij de Vpb-heffing zouden veronderstellingen met betrekking tot de box II heffing gemaakt kunnen worden. In grafiek 1 is de gevraagde microvergelijking weergegeven tussen de Vpb-heffing en IB-heffing (box I). Hierbij gelden de volgende veronderstellingen:

• Bij elk winstniveau is de Vpb-heffing op 100 verondersteld, de lijnen in de grafiek geven weer welke IB-heffing (box I) daarbij hoort. De dunne lijn betreft het basisbeeld 2005 exclusief het Vpb-pakket. De dikke lijn betreft de structurele situatie in 2007 na het Vpb-pakket (inclusief eerste en tweede nota van wijziging).

• Voor de IB-heffing wordt uitgegaan van een kostwinner zonder kinderen.

• Geabstraheerd wordt van het salaris voor een directeur grootaandeelhouder (DGA) en de eventuele heffing in box II (aanmerkelijk belang) en box III (sparen en beleggen).

Grafiek 1 Geïndexeerde heffing IB voor 2005 basis en 2007 incl VPB-pakket (VPB-heffing = 100)kst-29767-14-1.gif

De wijzigingen van het Vpb-pakket werken voor ondernemers met een winst tot € 33 000 relatief iets gunstiger uit voor IB-ondernemers. Daarna zal dit omslaan in een relatief voordeel voor Vpb-ondernemers. Dit laatst komt door de progressiviteit van de IB in box I en het feit dat het instrument zelfstandigenaftrek relatief gunstiger uitpakt voor lagere winsten. Uit de grafiek blijkt tevens dat, onder de gegeven veronderstellingen en beperkingen in deze berekening, het omslagpunt1 waarbij Vpb-ondernemerschap interessanter wordt ten opzichte van IB-ondernemerschap verschuift van een brutowinst van circa€ 68 000 naar € 57 000. Tenslotte spelen voor een ondernemer bij de keuze tussen IB of Vpb andere factoren dan enkel fiscale factoren een rol.

2. Verhoging winstbelasting

De leden van de fracties van het CDA en de VVD vragen in te gaan op het commentaar van de NOB, waarin wordt gesteld dat de verlaging van het tarief van de vennootschapsbelasting nog niet in de in de berekening van de terugkeerreserve tot uitdrukking komt. Door in artikel 3.54a Wet IB 2001 een factor van 65% te handhaven, wordt, aldus het NOB, een verhoudingsgewijs grote terugkeerreserve gevormd. De NOB is van mening dat deze factor overeenkomstig de Vbp-tariefsverlaging dient te worden verhoogd.

In antwoord kan worden opgemerkt dat de factor van 65% in artikel 3.54a, derde lid, Wet IB 2001 niet op zichzelf moet worden bezien, maar in samenhang met de factor van 35% die is opgenomen in artikel 4.34, vijfde lid, wet IB 2001. Doordat die factoren elkaars complement zijn, wordt het vervreemdingsvoordeel voor de berekening van de terugkeerreserve verminderd met in totaal 100% van het bedrag dat op grond van artikel 14c Wet op de vennootschapsbelasting 1969 voor de heffing van de vennootschapsbelasting buiten aanmerking blijft. Het doorwerken van de tariefsverlaging in de percentages in de genoemde twee artikelen zou daarom per saldo geen gevolgen hebben voor de omvang van de terugkeerreserve. Daarom is ook geen sprake van een belemmering voor de toepassing van de terugkeerfaciliteit, dit in antwoord op de betreffende vraag van de leden van de fractie van de VVD. Gelet op de inzichtelijkheid van de bepalingen ligt het echter, zo antwoorden wij deze leden, voor de hand om de percentages af te stemmen op het dan geldende Vpb-tarief. Dit zal gebeuren in de derde nota van wijziging bij de nota naar aanleiding van het nader verslag.

De reactie op de vragen van de leden van de CDA-fractie over de BTW-constructies is vervlecht in het betoog over dit onderwerp in paragraaf Economische infrastructuur, onderdeel financieringsmaatregelen, sectie BTW-constructies.

De leden van de CDA-fractie vragen voorts nader in te gaan op het voornemen van de regering om ter dekking van de Vpb-verlaging een taakstelling voor ondernemers op te nemen inzake «subsidies». Er vindt de komende periode overleg tussen betrokken departementen plaats, waarna in het voorjaar van 2005 besluitvorming plaatsvindt en de invulling van de taakstelling kan worden verwerkt in de begroting 2006. We kunnen hierop niet vooruit lopen.

De leden van fracties van de PvdA en de SGP vragen naar de verdelingseffecten van Vpb-pakket bij het MKB en Grootbedrijf vóór en ná de motie Verhagen. In tabel 8 treft u deze aan.

Tabel 8 Verdelingseffecten VPB-pakket 2005–2007 in (€ mln)

 LastenverzwaringLastenverlichtingSaldo (-/- = lastenverlichting)
 200520062007200520062007200520062007
BP 2005         
MKB9741 2721 4601 1291 5201 740– 155– 248– 280
Grootbedrijf401528595526705800– 125– 177– 205
Particulier/oneigenlijk/onbedoeld31642646551010311416455
Totaal1 6902 2252 5201 6602 2352 55030– 10– 30
Na motie Verhagen         
MKB8221 0121 0879941 3051 466– 172– 294– 379
Grootbedrijf392433453526705799– 133– 271– 346
Particulier/oneigenlijk/onbedoeld50688592051010501875910
Totaal1 7202 3302 4601 5252 0202 275195310185

Tevens vragen de leden van de PvdA-fractie naar de specifieke verdelingseffecten van de verlaging van het Vpb-tarief. Hierbij vragen ze of bevestigd kan worden dat 60% van de verlaging terecht komt bij het grootbedrijf. In tabel 9 treft u deze specifieke verdeling aan. Uit de tabel blijkt dat 42% van de Vpb verlaging terecht komt bij het grootbedrijf, we kunnen het vermoeden van de PvdA dan ook niet onderschrijven.

Tabel 9 Verdelingseffecten verlaging VPB-tarief 2007 (€ mln)

Categorie Lastenverlichting via VPB-verlaging
MKB1 083
Grootbedrijf797
Totaal1 880
Grootbedrijf in % totaal42%

De beantwoording van de vraag van de leden van de SP-fractie inzake de rol van de fiscaliteit bij de keuze van de vestigingplaats hebben we meegenomen in ons betoog in paragraaf 2 van deze nota.

Deze leden vragen zich voorts af waarom niet is gekeken naar andere vormen van verbetering van het vestigingsklimaat zoals verbetering van het onderwijs of de culturele sector.

De verbetering van de Nederlandse concurrentiepositie en het Nederlandse vestigingsklimaat is een belangrijk speerpunt van het kabinet. Het fiscale vestigingsklimaat is hiervan een belangrijk onderdeel. Maar ook onderwijs, de culturele sector, bereikbaarheid, ruimte om te wonen en werken, een goed ondernemingsbestuur en administratieve lasten zijn belangrijke vestigingsplaatsfactoren. Het kabinet heeft dan ook op al deze terreinen plannen gepresenteerd die de internationale concurrentiekracht van Nederland behouden en waar nodig versterken.

De leden van de LPF-fractie hebben een aantal vragen inzake verrekenprijsmetode.

Multinationals hanteren zogenaamde verrekenprijzen voor interne transacties die plaatsvinden tussen (internationale) onderdelen binnen de multinational die aan elkaar gelieerd zijn. Als de hoogte van deze interne verrekenprijzen afwijkt van de prijzen die zouden gelden tussen twee onafhankelijke derden, slaat te veel belastbare winst van de multinational neer in het ene of het andere land waarin de multinational actief is. Om dit laatste te voorkomen dient de prijsstelling «at arm's length» te zijn. Dit betekent dat de interne verrekenprijzen moeten worden vergeleken met de prijzen die zijn overeengekomen bij vergelijkbare transacties. De LPF fractie vraagt zich af of voor bepaalde activiteiten binnen een onderneming een bepaalde verrekenprijsmethode wordt gebruikt. Dit is niet het geval, althans niet in het algemeen. De Belastingdienst schrijft de belastingplichtige geen verrekenprijsmethode voor. De belastingplichtige is in beginsel vrij in de keuze van een verrekenprijsmethode, mits de gekozen methode leidt tot een «arm's length-uitkomst» voor de specifieke transactie. Dit is in overeenstemming met paragraaf 1.68 van de OESO-richtlijnen voor verrekenprijzen. Een en ander is ook weergegeven in paragraaf 2 van het Besluit Verrekenprijzen van 20 maart 2001.

De hierboven genoemde vergelijking met prijzen die ook tussen onafhankelijke derden zijn overeengekomen bij vergelijkbare transacties, kan leiden tot een reeks van verschillende waarden. De bandbreedte («range») van mogelijke waarden hierbij wordt bepaald door het verschil tussen de kleinste en grootste waarde. De Belastingdienst hanteert niet één algemeen geldende bandbreedte van acceptabele waarden. Voorop staat dat de belastingplichtige de door haar gehanteerde verrekenprijs moet onderbouwen. Met betrekking tot het «cost-plus»-voorbeeld van de leden van de LPF-fractie dient derhalve op basis van specifieke feiten en omstandigheden van het geval te worden beoordeeld of de uitkomst «at arm's length» is. In dit verband wordt ook verwezen naar paragraaf 1.2 van het Verrekenprijsbesluit van 30 maart 2001.

Op het betoog van de leden van de fractie van GroenLinks inzake de «race to the bottom» en vestigingskeuze zijn wij in paragraaf 2 van deze nota, te samen met andere vragen, nader ingegaan.

Wij zijn verheugd over de instemming van de leden van de D66-fractie over verlaging van de voorgenomen verlaging van het Vpb-tarief. Op hun specifieke vraag inzake het effectieve tarief wordt in paragraaf 2 ingegaan. Dit geldt ook voor hun vraag inzake de common base discussie.

De leden van de D66 fractie vragen zich voorts af wanneer het kabinet de motie Giskes (29 210, nr. 80) ten uitvoer brengt en wanneer plannen verwacht kunnen worden om het fiscale instrumentarium beter in te richten op het stimuleren van de kenniseconomie.

Het belangrijkste directe fiscale instrument ter stimulering van de kenniseconomie is op dit moment de WBSO. Het kabinet is van mening dat de WBSO al een goed werkend instrument is, wat ook uit verscheidene evaluaties van de WBSO is gebleken. De meest recente evaluatie dateert uit 2002. Uit onderzoek is toen naar voren gekomen dat de WBSO een positieve bijdrage levert aan de bevordering van speur- en ontwikkelingswerk door bedrijven in Nederland. Eind vorig jaar kwamen uit de politiek en het bedrijfsleven negatieve signalen over de uitvoering van de WBSO. Naar aanleiding van deze signalen is een werkgroep onder onafhankelijk voorzitterschap van professor Geppaart opgericht, die de stroomlijning van de uitvoering van de WBSO ter hand heeft genomen. De bevindingen van deze werkgroep worden binnen afzienbare tijd gepresenteerd.

Daarnaast wordt in de nog lopende heroriëntatie op de vennootschapsbelasting bezien of er mogelijkheden zijn de kenniseconomie via de fiscaliteit te stimuleren, waarbij tevens de genoemde motie in ogenschouw wordt genomen.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe Nederland zich de afgelopen jaren heeft ontwikkeld op ander ranglijsten voor aantrekkelijke vestigingslanden dan die van het IMD, welke in de memorie van toelichting wordt aangehaald.

Naast de ranglijst van het IMD – die is genoemd in de memorie van toelichting van het onderhavige wetsvoorstel – zijn er nog twee instituten die op dezelfde wijze – breed scala aan factoren – een ranking opstellen, het gaat hier om The Economic Intelligence Unit (EIU) en World Economic Forum (WEF). De EIU positioneert Nederland op tweede plaats en WEF voor het jaar 2004 op de twaalfde plaats voor de jaren 2003 en 2004.

De leden van de SGP-fractie ontvangen graag een toelichting op de gevolgen van het Vpb-pakket voor het vestigingklimaat en de Nederlandse economie, alsmede voor de concurrentiepositie van het MKB. In paragraaf 2 van deze nota zijn deze aspecten reeds nader toegelicht. Deze leden vragen voorts om een toelichting op de afnemende agglomeratievoordelen van Nederland als gevolg van de uitbreiding van de Europese Unie (EU) en of het economische vestigingsklimaat niet veel belangrijker is.

Door de uitbreiding van de EU richting het oosten is een trend waarneembaar waarbij het economische centrum verschuift naar Zuid-Duitsland. Nederland komt hierdoor relatief meer geografisch excentrischer te liggen. Daar staat tegenover dat Nederland nog steeds de «Mainport to Europe» is door de aanwezigheid van de haven van Rotterdam en Schiphol. De fysieke positie (agglomeratievoordeel) is één van de factoren die bepalend is voor het vestigingsklimaat en staat daardoor niet op zichzelf.

In antwoord op de bezorgdheid van de SGP-fractie dat de maatregelen van het Vpb-pakket vooral nadelig zouden uitpakken voor de bouwnijverheid wordt opgemerkt dat, na verwerking van de Motie Verhagen c.s., bij de bouwnijverheid een lastenverlichting van € 7 mln wordt verwacht. Dit is in de toelichting op de tweede nota van wijziging weergegeven.

Naar aanleiding van een vraag van deze leden over de terugsluis van de opbrengst van de aanpassing van het belastingregime voor grijze kentekens merken wij het volgende op.

In de tweede nota van wijziging op het Belastingplan 2005 wordt het belastingvoordeel van grijze kentekens voor ondernemers gehandhaafd. Wel wordt het onbedoelde gebruik van dit belastingvoordeel door particulieren met een bestelauto weggenomen. Het oorspronkelijke doel van dit gunstige belastingregime was het bedrijfsmatig vervoer van goederen niet te belasten met BPM en onder een verlaagd MRB-tarief te laten vallen. Het was dus nooit de bedoeling dat ook particulieren van dit belastingvoordeel zouden kunnen profiteren. Door de voorgestelde maatregelen wordt dit onbedoelde voordeel weggenomen. Wij zien dan ook geen aanleiding om een deel van de opbrengst van de aanpassingen weer terug te sluizen naar diezelfde groep. Voor gehandicapten die voor hun vervoer zijn aangewezen op de bestelauto's, zullen de aanpassingen van het belastingregime voor grijze kentekens geen gevolgen hebben. Hiervoor zijn in overleg met de CG-raad compensatiemaatregelen getroffen. Met deze maatregelen is structureel € 10 mln gemoeid.

3. Financieringsmaatregelen

Autokostenfictie

De leden van de CDA-fractie vragen om een kwantificering van de exacte gevolgen voor de administratieve lasten van het voorstel om de autokostenfictie te laten lopen via de loonbelasting. De leden van de PvdA-fractie informeren of zij het goed begrijpen dat door het feit dat in sommige gevallen fiscaal niet correct wordt omgegaan met de ter beschikking gestelde auto een maatregel is ontworpen die geheel op de werkgever wordt afgewenteld. De werkgever wordt volgens deze leden volkomen verantwoordelijk gesteld voor het controleren van het privé-gebruik. Mocht een werknemer toevallig in de loop van het jaar een maand teveel privé hebben gereden, dan moet de werkgever het loon over de afgelopen maanden weer gaan bijstellen, aldus deze leden, en er kan verschil van mening bestaan of het bewijs nu wel of niet is geleverd. Heeft de werkgever een en ander fout ingeschat dan volgt een boete. De leden van de PvdA-fractie vragen zich dan ook af of de werkgever hier niet een onredelijke verantwoordelijkheid opgedragen heeft gekregen die veel kosten en administratieve lasten teweeg brengt. Het College van Belastingadviseurs (Financieel Dagblad van 16 oktober jl.) schat de extra kosten voor werkgevers op € 300 miljoen per jaar en stelt dat de toename van de administratieve lasten veel hoger zullen uitpakken dan de in de Nota van Wijziging genoemde € 12,75 miljoen. Graag ontvangen de leden van de PvdA-fractie een reactie van de regering hierop. Zij zien voorts graag inzichtelijk gemaakt waaruit het huidige misbruik van het autokostenforfait bestaat. De leden van de fractie van de ChristenUnie willen weten of zij het goed begrijpen dat de toename van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven van € 12,75 mln. in 2006 alleen nog maar de lasten voor de overheid betreffen en nog niet de lasten van de werkgevers. Voorts vragen zij hoe groot de regering de stijging van de administratieve lasten voor werkgevers inschat nu de autokostenfictie niet langer via de inkomstenbelasting, maar via de loonbelasting zal lopen.

In reactie op de vragen van de leden van de CDA-fractie, de leden van de PvdA-fractie en de leden van de fractie van de ChristenUnie merken wij op dat het opnemen van de autokostenfictie in de loonbelasting ertoe leidt dat de werkgever voor werknemers die hij een auto ter beschikking heeft gesteld moet gaan bijhouden of, en zo ja welke, bijtelling daarvoor bij het loon moet plaatsvinden. Dit is op zichzelf genomen geen wezensvreemd element in de loonbelasting; de loonbelasting is naar zijn aard een voorheffing op de inkomstenbelasting van de individuele werknemer. In de loonbelasting wordt dan ook op veel onderdelen rekening gehouden met de uit het dienstverband voortvloeiende omstandigheden van die individuele werknemer. Genoemd kan worden bijvoorbeeld de bepalingen omtrent onkostenvergoedingen, pensioenpremies en het spaarloon. De fiscale behandeling van de auto die door een werkgever aan zijn werknemer ter beschikking wordt gesteld, was tot nog toe een uitzondering op het voorheffingssysteem van de loonbelasting. Aan deze uitzonderingspositie wordt nu een einde gemaakt, zodat de bijtelling voor de ter beschikking gestelde auto als een normaal onderdeel van het loon in de loonbelasting wordt betrokken. Gevolg daarvan is onder meer dat de Belastingdienst meer mogelijkheden krijgt om situaties aan te pakken waarin de werknemer nu nog ten onrechte geen aangifte doet van de bijtelling voor de ter beschikking gestelde auto.

Bijtelling voor een door de werkgever aan zijn werknemer ter beschikking gestelde auto moet plaatsvinden indien de werknemer in een jaar meer dan 500 niet-zakelijke kilometers met die auto maakt. Werknemers die niet meer dan 500 zakelijke kilometers rijden, moeten daarvan doen blijken door middel van een kilometeradministratie of door daarvoor op andere wijze bewijs te leveren. De praktijk wijst uit dat werkgevers in toenemende mate bereid zijn om ten behoeve van hun personeel afspraken te maken over het leveren van bewijs. Op verzoek van de praktijk is daarom in het besluit van 15 juni 2001, RTB2001-793, punt 2 toegestaan dat met de inspecteur van de werkgever afspraken kunnen worden gemaakt over de bewijsvoering. Ook maken werknemers relatief vaak gebruik van een verklaring van hun werkgever om het bewijs te leveren. In het besluit van 9 april 2004, CPP2004-19 M is naar aanleiding van toezeggingen daarover bij de behandeling van het Belastingplan 2004 invulling gegeven aan de voorwaarden waaraan een verklaring van de werkgever moet voldoen. Overigens rijden veel werknemers die van hun werkgever een auto van de zaak ter beschikking gesteld hebben gekregen daarmee per jaar meer dan 500 niet-zakelijke kilometers, zodat bij hen een bijtelling dient plaats te vinden.

Indien een werknemer een bijtelling krijgt, dient de werkgever voor de loonbelasting allereerst de cataloguswaarde van de auto vast te stellen. Vervolgens dient hij op basis van de cataloguswaarde de hoogte van de bijtelling te berekenen. De bijtelling wordt voortaan tot het loon gerekend. Van het loon wordt vervolgens op grond van de loonbelastingtabel loonbelasting ingehouden.

Zoals in de nota van wijziging is beschreven, zijn de met de gemoeide handelingen samenhangende administratieve lasten berekend op € 12 miljoen. Het betreft hier de kosten die het bedrijfsleven naar verwachting voor de uitvoering van de regeling moet maken en dus niet de uitvoeringskosten van de Belastingdienst. Nu de autokostenfictie onder de loonbelasting wordt gebracht, dienen ook de werkzaamheden van de werknemer voor een kilometeradministratie of een andere wijze van bewijs als uitvloeisel van de verplichting van de werkgever tot de administratieve lasten van het bedrijfsleven te worden gerekend. Hiermee is bijna 9 mln. gemoeid. De overige ruim 3 mln. heeft betrekking op verwerking van het loongegeven in de loonadministratie. De administratieve-lastenberekening is gemaakt op grond van het Standaard Kosten Model Loonbelasting.

De leden van de fracties van het CDA, de VVD, D66 en de ChristenUnie vragen wat de gevolgen zijn voor de premies voor de werknemersverzekeringen van het tot het fiscale loon rekenen van de auto. In lijn hiermee vragen de leden van de PvdA-fractie of daarmee een groot loonelement wordt geïntroduceerd in de premiegrondslag. Voorts vragen de leden van de VVD-fractie om een gemotiveerde reactie op het commentaar van VNO-NCW met betrekking tot de passages over het premieloon voor de werknemersverzekeringen.

Als gevolg van de Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in sociale verzekeringswetten (Walvis) werken wijzigingen in de Wet op de loonbelasting 1964 door in de grondslag voor het premieloon en voor de uitkeringen. De premie- en uitkeringsgrondslag voor de werknemersverzekeringen neemt door het onder de loonbelasting brengen van de ter beschikking gestelde auto toe met circa € 825 miljoen toe. Deze effecten hogere premie- en uitkeringsgrondslag zullen worden bezien in het kader van het totale lastenbeeld 2006 en de premievaststelling 2006. Anders dan VNO-NCW zich af vraagt, zijn wij niet voornemens de auto van de zaak alsnog buiten het premieloon houden. Dit zou immers discoördinatie met het fiscale loon betekenen. Het kabinet acht dit onwenselijk. Bovendien zou het haaks staan op de wet Walvis. Het VNO-NCW vraagt ook of de werkgever verplicht is om correctieberichten te sturen als het bewijs door de werknemer niet geleverd is dat minder dan 500 privé-kilometers zijn gereden en inhouding moet plaatsvinden ter zake van eerdere tijdvakken. Als een werknemer geen bewijs levert dat minder dan 500 privé-kilometers zijn gereden, dan vallen de voordelen van de ter beschikking gestelde auto onder het loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964. Als een werkgever heeft aangegeven dat dit niet het geval is, dan is dus sprake van een onjuiste aangifte en dan dient de werkgever deze aangifte te corrigeren met een correctiebericht.

De leden van de VVD-fractie betreuren het dat de BTW die, wegens privé-gebruik auto, niet voor aftrek in aanmerking komt, thans nog steeds 19% over de 25%-bijtelling bedraagt, terwijl dit laatste percentage per 2004 is vastgesteld op 22%. Zij vragen om gemotiveerd aan te geven of de regering voornemens is tot een aanpassing over te gaan aan het percentage 22.

Naar wij aannemen, doelen deze leden op het Besluit van 22 januari 2004, nr. CPP2003/2802M. Daarin is goedgekeurd dat de forfaitaire formule 12% (dus niet 19%) van 25% van de catalogusprijs mag worden gehanteerd bij het bepalen van de BTW-correctie voor het privé-gebruik van een auto die aan een werknemer ter beschikking is gesteld. Aldus behoeft niet te worden uitgegaan van het werkelijke privé-gebruik. De motivering waarom toen voor de BTW-correctie is aangesloten bij 25% en niet bij 22%, is terug te vinden in het antwoord op een gelijkluidende Kamervraag (Kamerstukken II 2003/04, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 1029). Kort gezegd komt deze motivering erop neer dat het woon-werkverkeer van de werknemer met een bedrijfsauto op grond van BTW-jurisprudentie (uitleg nationaal en EU-recht) moet worden aangemerkt als privé-gebruik, dit in tegenstelling tot de IB. Een hoger correctiepercentage privé-gebruik voor de BTW is dus gerechtvaardigd. Er bestaat geen voornemen thans tot een aangepaste berekeningswijze over te gaan, te meer niet nu in de omstandigheden niets is gewijzigd Zoals de leden van de ChristenUnie-fractie veronderstellen moet de werkgever straks de catalogusprijs van de auto van de zaak vaststellen en daarover maandelijks loonbelasting berekenen. Voor auto's die niet ouder zijn dan vijftien jaar is de catalogusprijs met inbegrip van de omzetbelasting en de belasting van personenauto's en motorrijwielen de waarde die de grondslag vormt voor de bepaling van het voordeel. De catalogusprijs is bij de werkgever bekend of eenvoudig te achterhalen.

Deze leden vragen voorts wat de gevolgen zijn voor inkomensafhankelijke regelingen van het ook als loon in de zin van de loonbelasting aanmerken van voor privé-doeleinden ter beschikking gestelde auto's.

Het antwoord op deze vraag is afhankelijk van de vormgeving van de inkomensafhankelijke regeling. Als het loonbegrip van de Wet op de loonbelasting 1964 de grondslag vormt voor de desbetreffende regeling, zoals bij een aantal van de regelingen waar de leden naar verwijzen het geval is, telt het voordeel van de ter beschikking gestelde auto op de reguliere wijze mee voor deze regelingen. Een uitzondering vormt de grondslag voor de pensioenen. Het voordeel van een ter beschikking gestelde auto wordt niet tot het pensioengevend loon gerekend.

Voor de duidelijkheid merken wij op dat inkomensafhankelijke regelingen doorgaans het inkomen in de zin van de inkomstenbelasting (of het in box 1 vallende deel daarvan) en niet het loon in de zin van de loonbelasting als grondslag hebben. Thans maakt de bijtelling voor het privé-gebruik onderdeel uit van het belastbare inkomen uit werk en woning (box1) en er wordt daardoor doorgaans al rekening gehouden bij de inkomensafhankelijke regelingen.

Compensatieregeling gehandicapten

Met instemming hebben wij kennis genomen van de blijheid bij de leden van de SP-fractie over de compensatieregeling voor gehandicapte. De vragen die zij daarover nog hebben zijn eerder in deze nota beantwoord.

De leden van de SGP-fractie vragen zich af of de maatregel zal gelden voor iedere gehandicapte die aan de voorwaarden voldoet, en hoe alle rechthebbenden bereikt zullen worden. De regeling geldt voor alle gehandicapten die voor het vervoer van zichzelf en het gelijktijdig vervoer van een niet-opvouwbare rolstoel zijn aangewezen op het gebruik van een aangepaste bestelauto. Het maakt daarbij geen verschil of de gehandicapte zelf kentekenhouder is of niet, en evenmin of de gehandicapte gebruik maakt van de bestelauto als bestuurder of als passagier in de cabine. Om de nieuwe regeling onder de aandacht te brengen van de rechthebbenden zal deze groep via diverse kanalen worden benaderd. Daarbij zullen ook de CG-raad en andere organisaties een rol spelen die bij de opzet van de regeling betrokken zijn. Verder zal de belastingdienst, naast de gebruikelijke informatiecampagne over het belastingplan, gericht informatie over de regeling verspreiden.

Met betrekking tot de vraag van de leden van de SGP-fractie hoe de regeling er uit zal zien en wat wordt bedoeld met een realisering «met gesloten beurs» merken wij het volgende op. Voor toepassing van de regeling is van belang of sprake is van een gehandicapte, die voor zijn vervoer is aangewezen op een niet-opvouwbare rolstoel en op een daarvoor aangepaste bestelauto. De hierop toegespitste criteria, opgesteld in overleg met de betrokken organisaties en diensten, worden uitgewerkt in de lagere regelgeving. Bij het verzoek zullen bescheiden moeten worden overgelegd waarmee het voorgaande kan worden aangetoond. De regeling zal gelden voor één bestelauto per gehandicapte. Wordt aan de voorwaarden voldaan, dan kan vervolgens voor de motorrijtuigenbelasting het lagere tarief direct worden toegepast. Voor de BPM zal de belastingdienst zijn medewerking verlenen aan een mogelijke realisering «met gesloten beurs» voor nieuw te registreren bestelauto's. In overleg met de betrokken organisaties en de branche wordt bezien of een opzet mogelijk is, waarbij de auto-aanpasser het kenteken aanvraagt en, uitgaande van een positieve beschikking op het teruggaafverzoek, de BPM ter zake niet eerst behoeft te betalen. Om één en ander mogelijk te maken is overigens maatwerk nodig van de betrokken diensten en ondernemers, deels buiten de geautomatiseerde systemen om. Daarnaast blijft uiteraard ook de gebruikelijke procedure mogelijk (voldoening op aangifte door de importeur, gevolgd door een teruggaaf van BPM aan de kentekenhouder). Voor gebruikte bestelauto's zal de regeling in beginsel altijd worden gerealiseerd via daadwerkelijke teruggaaf. Dit is slechts anders indien voor de gebruikte bestelauto al eerder BPM-teruggaaf is verleend en voor de auto voldaan blijft worden aan de voorwaarden voor teruggaaf. Ook in een dergelijk geval is sprake van realisering van de teruggaaf «met gesloten beurs».

Aftrekbaarheid gemengde kosten verlagen van 90% naar 75%

De leden van de PvdA-fractie willen weten of kleinere ondernemingen voor de kostenverhoging van de verhoogde aftrekbeperking opdraaien. Verder willen zij weten wat de mening is van de regering over de suggestie van het MKB om het afkoopregime geheel af te schaffen. In antwoord hierop wordt opgemerkt dat de huidige aftrekbeperking van gemengde kosten gericht is op de ondernemer en dus terecht komt bij IB-ondernemers en Vpb-ondernemingen met meewerkende aanmerkelijk belanghouders. De aftrekbeperking heeft tot gevolg dat groepen met minder kosten de aftrekbeperking eerder zullen voelen. Hieronder treft u een overzicht van ondernemingen met veel en weinig gemengde kosten in de oude en nieuwe regeling.

Tabel 10 Gemengde kosten voor en na aftrekbeperking van 90% naar 75%

 Gemengde kosten 
 4 0008 00012 00016 00020 00024 000
Aftrekbare kosten bij 90%3 6007 20010 80014 40018 00021 600
Aftrekbare kosten met afkoop € 1 6002 4006 40010 40014 40018 40022 400
Aftrekbare kosten bij 75%3 0006 0009 00012 00015 00018 000
Aftrekbaren kosten met afkoop € 4 00004 0008 00012 00016 00020 000

Het afkoopregime is met het oog op vereenvoudiging van de administratie in het leven geroepen. Om langdurige discussies met de inspecteur te voorkomen werd de mogelijkheid geboden dit af te kopen door een bedrag aan de winst toe te voegen. De suggestie van het MKB om het afkoopregime af te schaffen heeft een negatief effect op de administratieve lasten. Introductie van het huidige keuzeregime leverde destijds een administratieve lastenbesparing op van ongeveer € 68 mln.

Verhogen heffings- en invorderingsrente met 1%-punt

De leden van de PvdA-fractie vragen met betrekking tot de verhoging van de heffingsrente met 1%-punt of het evenwicht tussen het tarief van de heffingsrente en de invorderingsrente wordt losgelaten en tot welke problemen van juridische aard dit zal leiden.

In antwoord op deze vraag wordt opgemerkt dat in de Nota van Wijziging (in artikel XIXb, onderdeel B) een wijziging is opgenomen van artikel 29 van de Invorderingswet 1990. Deze wijziging strekt ertoe dat het percentage van de invorderingsrente eveneens met 1%-procent wordt verhoogd. Hierdoor wordt bewerkstelligd dat voor de heffings- en invorderingsrente hetzelfde rentepercentage geldt, zodat met betrekking tot het rentepercentage het evenwicht tussen beide rentesoorten gehandhaafd blijft.

De leden van de SP-fractie constateren dat de heffingsrente opnieuw wordt verhoogd en merken terzake op dat voorkomen moet worden dat een zodanige verhoging voortdurend wordt gebruikt als een verkapte belastingverhoging. In verband hiermee vragen deze leden of het kabinet kan aangeven of met de laatste verhoging van de heffingsrente wat haar betreft de grens is bereikt.

In antwoord op de vraag van deze leden kan worden opgemerkt dat er geen plannen bestaan om het voor de heffings- en invorderingsrente geldende rentepercentage opnieuw te verhogen.

De leden van de SP-fractie vragen naar de achtergrond en de budgettaire opbrengst van € 100 mln bij het onderbrengen van de autokostenfictie in de loonbelasting.

Deze door de motie Verhagen voorgestelde maatregel is, zoals deze leden vermoeden, positief voor het tegengaan van fraude. Door deze maatregel wordt de verantwoordelijkheid en controle van het opgeven van de autokostenfictie bij de werkgever neergelegd. Geschat wordt dat door deze maatregel op circa 50 000 extra (ook voor privé-doeleinden ter beschikking gestelde) auto's de autokostenfictie wordt toegepast. Deze leden vragen zich voorts af of deze maatregel niet veel eerder kon worden genomen. In het verleden is veelvuldig gekeken naar een dergelijk maatregel. In de jaren tot en met 2003 is de autokostenfictie tot een ingewikkelde regeling uitgegroeid met diverse staffels en aparte regimes voor zakelijk verkeer, woon-werkverkeer, en privé-kilometers. Hierin zaten in de loop der jaren steeds meer privé gerelateerde elementen, die de werkgever in principe niet aangaan, waardoor uitvoering via de loonbelasting ongewenst was en de werkgever met hoge administratieve lasten zou opzadelen. Voor elke werknemer met een auto van de zaak die meer dan 500 privé-kilometers maakt en voor een lagere bijtelling in aanmerking wilde komen zou een nauwgezette kilometeradministratie moeten worden bijgehouden. Vanaf 2004 is dit stelsel fors versimpeld, er geldt één uniform tarief van 22% waarbij uitsluitend bij een privé-gebruik van minder dan 500 kilometer per jaar een afwijkend regime geldt (0%). Voor 2004 en 2005 is deze maatregel oorspronkelijk niet voorgesteld aangezien dat dan bovenop de wijzigingen in de onbelaste reiskostenvergoedingen van 2004 zou komen. Dit zou de loonadministratiesystemen van ondernemers teveel belasten. De motie Verhagen stelt voor deze maatregel vanaf 2006 in te voeren, door middel van de eerste nota van wijziging heeft het kabinet dit verzoek overgenomen.

Voorts willen wij ingaan op de vraag van de leden van de SP-fractie of de maximumleeftijd van 65 jaar voor het recht op de zelfstandigenaftrek nog wel van deze tijd is. Recentelijk is in de (bijlage bij de) brief van 23 februari 2004 aan de Tweede Kamer over mogelijke uitbreiding van het verbod op leeftijdsdiscriminatie (Kamerstukken II, 2003/2004, nr. 29 442, nr. 1) op dit punt ingegaan. Het laten vervallen van deze leeftijdsgrens zou op het eerste zicht passen in de tijdgeest om ouderen te stimuleren langer te werken maar er kleven nogal wat haken en ogen aan. Een belangrijke doelstelling van de zelfstandigenaftrek is om een deel van de winst niet te belasten om zodoende kapitaal beschikbaar te maken om te reserveren voor toekomstige investeringen of consumptie. De reden dat de grens van 65 jaar is opgenomen is dat bij zelfstandigen van 65 jaar en ouder de behoefte aan die reserveringsmogelijkheden in de regel niet meer zal bestaan, althans minder dringend zal zijn. Gewezen kan worden op het feit dat vanaf 65-jarige leeftijd geen AOW-premie meer is verschuldigd en dat een AOW-uitkering genoten kan worden, zodat het inkomen van de detreffende belastingplichtige zeker ingeval van doorwerken geenszins hoeft af te nemen. Indien de leeftijdsgrens in de zelfstandigenaftrek zou vervallen, zou als gevolg van een combinatie van de hiervoor genoemde aspecten voor een zelfstandige die een gelijkblijvend winstinkomen blijft genieten, het netto inkomen bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar fors toenemen. Wanneer de zelfstandigenaftrek wordt uitgebreid naar personen ouder dan 65, dit in antwoord op de vraag daarover van deze leden, zal dit leiden tot een budgettaire derving oplopend van € 47 mln in 2005 naar € 50 mln in 2007 aan belastingen en premies volksverzekeringen.

Energiebelastingen

De leden van de LPF-fractie vragen of, in het kader van een goed vestigingsklimaat, de tarieven van elektriciteit en energie kunnen worden aangegeven die bedrijven naar omvang moeten betalen in België, Duitsland en Engeland i.v.m. Nederland.

Er spelen vele aspecten een rol bij de keuze van een bedrijf om zich te vestigen in een land, waarvan de energieprijs en energiebelastingtarieven er slechts twee zijn. Voor veel bedrijven zullen andere factoren dan deze bepalend zijn. Wij zijn dan ook van mening dat de discussie rond het vestigingsklimaat niet zou moeten worden verengd tot een discussie over de energieprijzen en energiebelastingen.

De energieprijs bestaat voor een deel uit het kale product, de «commodity», en voor een deel uit andere kostenposten zoals transport, zekerheid in capaciteit en belastingen. In ieder land is van oudsher een eigen invulling gegeven aan de verrekening van deze kostenposten over verschillende deelsectoren van afnemers. Ook de grenzen van de categorieën afnemers komen niet overeen in Europa. Dat bemoeilijkt het maken van een internationale vergelijking. De Europese Commissie geeft jaarlijks een (omvangrijk) Benchmark-rapport1 uit *), waarin een groot aantal van deze kostenposten en de ontwikkelingen daarin staan beschreven. Het aandeel van de «commodity» varieert voor elektriciteit tussen de 33 en 66% van de eindprijs (middelgrote industrie: verbruik 24 GWh/j).

Voor de gevraagde landen gelden voor het kalenderjaar 2005 de volgende elektriciteitsprijzen (commodity, notering dd 26 oktober 2004)

België39.66 €/MWh
Duitsland34.64
Frankrijk33.99
Nederland41.06
Verenigd Koninkrijk48.83 (04–2005–04–2006)

Voor de gasprijzen zijn op Europees niveau op korte termijn onvoldoende gegevens te achterhalen om een vergelijking te maken.

Wat betreft de belastingcomponent van de energietarieven is het voorts van belang erop te wijzen dat recent in Europees verband, onder meer ten behoeve van een goede werking van de interne markt, een richtlijn Energiebelastingen is geaccordeerd. Deze richtlijn schrijft minimumtarieven voor waar alle lidstaten aan moeten voldoen. Boven deze minimumtarieven zijn lidstaten vrij in hun tarieven. Bij de introductie en de respectievelijke verhogingen van de energiebelasting in Nederland zijn steeds andere belastingen zoals de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting verlaagd, met als doel om sectoren te compenseren voor de extra lasten zodat deze er per saldo financieel niet op achteruit gaan. Dergelijke terugsluismaatregelen zouden in de vergelijking moeten worden betrokken.

Daarnaast is ook de systematiek die de verschillende ons omringende landen hanteren voor hun energiebelasting steeds een andere. Daarbij gelden vrijstellingsmogelijkheden en gereduceerde tarieven, ondermeer op basis van convenanten, die zozeer verschillen dat een eenvoudige vergelijking van tarieven niet goed mogelijk is.

De leden van de fractie van de LPF stellen vragen over cijfers van het EIM naar aanleiding van het pakket aan maatregelen ter financiering van de Vpb-tariefverlaging. Deze leden vrezen dat de rekening bij het MKB neergelegd wordt. De leden van de fractie van D66 vragen zich in dit verband af of een verdere staffeling binnen de energiebelasting mogelijk is om het midden- en kleinbedrijf meer te ontzien.

De cijfers van het EIM waar de leden van de fractie van de LPF naar verwijzen, zijn niet meer actueel. In het oorspronkelijke Vpb-pakket ontstond een lastenverlichting voor het MKB van € 280 mln. Tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen 2005 is door de Tweede Kamer de meerbedoelde motie Verhagen c.s. aangenomen, waardoor het pakket aan lastenverzwarende maatregelen ter financiering van het Vpb-pakket is gewijzigd. Onder meer de BPM- en MRB-maatregelen met betrekking tot de bestelauto's zijn aangepast, waardoor alleen nog het onbedoelde gebruik bij particulieren wordt aangepakt. Daarnaast wordt de energiebelasting met € 100 mln minder verhoogd. Dit resulteert per saldo in een nog positiever lastenbeeld voor het MKB, te weten € 379 mln; zie ook hiervoor tabel 8. Wij delen derhalve niet de vrees van de leden van de fractie van de LPF dat de rekening bij het MKB wordt neergelegd. Een nadere wijziging in de financiering van het Vpb-pakket is naar onze mening dan ook niet aan de orde.

Om dezelfde reden zien wij geen noodzaak om het midden- en kleinbedrijf via verdere verstaffeling te ontzien, waar de leden van de fractie van D66 naar vragen. Daarnaast zou uitbreiding van de staffel in de energiebelasting leiden tot extra uitvoeringskosten voor de belastingdienst en tot extra administratieve lasten bij de energiebedrijven die voor de energiebelasting belastingplichtig zijn.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar de gewijzigde energiebelastingtarieven voor de glastuinbouwsector na verwerking van de motie Verhagen c.s. Ook vragen deze leden hoe de voorgenomen verhoging van het tarief van de EB zich verhoudt tot de optredende inkomenseffecten bij glastuinders als gevolg van de liberalisering van de energiemarkt.

In onderstaande tabel 11 worden de verlaagde EB-tarieven voor de sector glastuinbouw weergegeven, zoals deze luiden na verwerking van de motie Verhagen c.s.

Tabel 11 Tarieven energiebelasting op aardgas voor de glastuinbouwsector in 2004 en 2005 in eurocenten per m3

 20042005
0–5 000 m31,2951,378
5 000–170 000 m31,2071,917
170 000–1 000 000 m31,1441,573
1 000 000–10 000 000 m31,131,15
> = 10 000 000 m30,750,76

Er is bij de verhoging van de energiebelasting geen rekening gehouden met de liberalisering van de energiemarkten. De rijksoverheid heeft geen invloed op de hoogte van de marktprijzen die bij bedrijven en huishoudens in rekening worden gebracht.

De EB-tarieven voor glastuinders worden in 2005 als gevolg van de generieke verhoging van de EB-tarieven weliswaar verhoogd, maar de sector wordt gelijktijdig gecompenseerd door verlaging van de Vpb-tarieven, verhoging van de zelfstandigenaftrek alsmede door verhoging van het budget voor de milieu-investeringsaftrek (MIA).

Zowel de leden van de ChristenUnie-fractie als de leden van de PvdA-fractie vragen om een reactie op de berekeningen van Arcares met betrekking tot lastenverzwaring voor zorginstellingen door verhoging van de energiebelasting. Zij vragen of het kabinet bereid is hiervoor compensatie te bieden.

De verhoging van de energiebelasting leidt voor de gehele zorgsector tot een lastenverzwaring van ca. € 16 mln. Deze lastenverzwaring is ca. € 4 mln lager dan in de oorspronkelijke kabinetsvoorstellen als gevolg van de motie Verhagen. Volgens de ons ter beschikking staande gegevens behoren ongeveer 40 000 bedrijven/instellingen tot de zorgsector. Hiervan uitgaande zou gemiddeld per bedrijf/vestiging sprake zijn van een lastenverzwaring van ca. € 400. Uiteraard zal zich daarbij een zekere spreiding voordoen rond dit gemiddelde. De door Arcares weergegeven eerste inschatting van de gevolgen van de verhoging van de energiebelasting kunnen wij aan de hand van de ons ter beschikking staande gegevens echter niet verklaren. De energiebelasting kent overigens een regeling op grond waarvan non-profitinstellingen, die aan bepaalde voorwaarden voldoen, om een teruggaaf van de helft van de betaalde energiebelasting kunnen verzoeken bij de belastingdienst. Deze teruggaafregeling is destijds in het leven geroepen om instellingen die geen gebruik kunnen maken van terugsluis via de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting en die niet reeds op andere wijze voor prijsstijgingen worden gecompenseerd toch gedeeltelijk te compenseren voor de verhoging van de energiebelasting.

BTW constructies

Naar aanleiding van de vraag van de leden van de D66-fractie en van de CDA-fractie over de problematiek van de BTW-constructies kan het volgende worden opgemerkt. De laatste jaren wordt een toenemend (oneigenlijk) gebruik geconstateerd van BTW-constructies door bij voorbeeld banken, verzekeringsmaatschappijen, ziekenhuizen, waterschappen en andere (voor de BTW) vrijgestelde ondernemers en niet-belastingplichtige publiekrechtelijke lichamen. Deze vrijgestelde ondernemers en niet-belastingplichtige lichamen, die in het BTW-stelsel als eindverbruikers worden beschouwd en daarom de BTW-druk op hun bestedingen dienen te dragen, hebben geen recht op aftrek van hun input-BTW. Om toch aftrek te bereiken, zetten zij voor hun kostbare investeringen belastingbesparende constructies op, die er, kortweg gezegd, op neerkomen dat door middel van het tussenschuiven van een zogenoemd constructievehikel – dat wel aftrek van input-BTW kan claimen – de BTW-druk op die investeringen aanzienlijk wordt gemitigeerd.

Het kabinet is voornemens te komen met een aantal maatregelen om deze constructies te bestrijden. In dit verband hebben wij recent Brussel verzocht om een machtiging om te mogen afwijken van de zogenoemde Zesde BTW-richtlijn; vervolgens zullen daarop gebaseerde en flankerende maatregelen worden getroffen. De aanpak beoogt een sterke preventieve werking te hebben.

De leden van de beide fracties vragen voorts om een toelichting op de budgettaire kant van dit voorstel. Naarmate de ervaring met het gebruik van de constructies toeneemt, zullen de samenhangende kosten van de constructie voor de ondernemer steeds verder dalen. Het toepassen van een constructie zou dan ook steeds interessanter worden voor relatief kleine investeringen. Het maximale «budgettaire risico» van de constructies wordt geraamd op € 750 mln. Door de aangekondigde maatregelen wordt dit risico weggenomen en wordt voor 2005 een opbrengst verwacht van € 50 mln, voor 2006 en latere jaren € 100.

Opschoning BPM-accessoirelijst

De leden van de fractie van de SGP vragen hoe de keuzes in het schrappen van bepaalde accessoires uit de regeling in de BPM worden gemaakt. In de motie Verhagen c.s. is aangegeven dat de accessoireregeling in haar geheel komt te vervallen. Een voorstel terzake is in de eerste nota van wijziging op dit wetsvoorstel opgenomen.

4. Versoepeling bedrijfsoverdracht en tariefverlaging instelling algemeen nut

Bedrijfsoverdrachten

Het verheugt ons dat de fracties van CDA, PvdA, VVD en D66 te spreken zijn over de voorgestelde versoepelingen die ertoe dienen om de bedrijfsopvolgingsproblematiek te verzachten. We zullen hierna ingaan op de door de verschillende fracties gestelde vragen.

De leden van de CDA-fractie vragen wat de integrale visie waarom in de motie Van Vroonhoven was gevraagd, inhoudt. In de rapportage «Bedrijfsoverdracht; continuïteit door fiscaliteit» die uitvoering geeft aan de motie Van Vroonhoven (TK 28 607, 2003/2004, nr. 49), is ingegaan op deze vraag. Het algemene uitgangspunt is dat de fiscale heffing geen beletsel mag zijn voor economisch gewenste bedrijfsoverdrachten. Indien de liquiditeitspositie van de overdrager niet gelijk opgaat met het moment waarop belasting betaald moet worden, kan sprake zijn van een belemmering. Hieruit volgt echter niet automatisch dat er voor de fiscus een rol is weggelegd als financier van bedrijfsoverdrachten. Terughoudendheid is namelijk gepast als het zou gaan om liquiditeitsproblemen die in wezen neerkomen op financieringsproblemen. Zoals in de rapportage is toegelicht, is de conclusie dat de bestaande faciliteiten grosso modo in lijn zijn met het genoemde uitgangspunt, al is bij de vormgeving van bepaalde faciliteiten uit overwegingen van eenvoud en doelmatigheid gekozen voor een generiek karakter. Hiermee hebben wij ook de vraag van deze leden of de nu voorgestelde maatregelen in de integrale visie passen, beantwoord. Overigens kan worden opgemerkt dat in de rapportage wordt aangegeven dat de fiscaliteit niet het majeure knelpunt bij bedrijfsoverdrachten is.

Deze leden vinden het verder van belang om de inzet van bedrijfsopvolgingsfaciliteiten te richten op de overnemende partijen aangezien daar vaak de (liquide) problemen zitten en het een feit is dat er meer aanbieders van bedrijven zijn dan vragers. Zowel in de brief «In actie voor ondernemers» als in de eerdergenoemde rapportage – dit in reactie hierop – is ingegaan op het stijgende aantal bedrijfsoverdrachten dat ons te wachten staat. Een cruciaal aspect daarbij is de tijdige voorbereiding van de verkoop door ondernemers, juist ook omdat er niet automatisch een koper is maar deze moet worden gezocht. Het kabinet acht het dan ook van groot belang om de bewustwording van ondernemers op dit vlak te vergroten en wil daarbij graag de helpende hand bieden. De bedrijfsoverdracht zelf blijft vanzelfsprekend de primaire verantwoordelijkheid van de ondernemer. Daarnaast kan de financiering van de overname van een bestaand bedrijf lastig zijn. Dit is primair de kwestie of de koper in staat is om de financiering rond te krijgen. De fiscale afrekening voor de verkoper van het bedrijf speelt hierbij slechts in afgeleide zin, bij voorbeeld indien de continuïteit van de onderneming in gevaar zou kunnen komen doordat er niet aanstonds liquide middelen van de koper worden ontvangen terwijl de verkoper wel belasting is verschuldigd. Voor deze situatie is de doorschuifregeling in het leven geroepen. Deze is toepasbaar ongeacht de vraag of er liquide middelen worden ontvangen van de koper. Het zou ook denkbaar zijn om een uitstelregeling te creëren voor die verkopende ondernemers die dit ook echt nodig hebben. Voor startende ondernemers zijn er andersoortige faciliteiten zoals de startersaftrek, willekeurige afschrijving voor startende ondernemers en de regeling durfkapitaal. Een uitbreiding van deze faciliteiten sorteert niet altijd het gewenste effect omdat deze ondernemers niet altijd belasting zijn verschuldigd.

Verruiming bedrijfsopvolgingsregeling schenking- en successierecht

De leden van de CDA-fractie vragen om in te gaan op de vraag of de voorgestelde verruiming van de vrijstelling bij bedrijfsopvolging in de Successiewet 1956 in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Hierover kunnen wij het volgende opmerken.

Het bestaan van een faciliteit voor bedrijfsopvolging, met de daaraan inherente ongelijke behandeling van vermogensbestanddelen, vindt zijn rechtvaardiging in het algemeen belang dat gemoeid is met de continuïteit van ondernemingen. Er is geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel mits de vormgeving van de faciliteit geschikt is voor het beoogde doel en de faciliteit niet ruimer is dan nodig is om het gekozen doel te bereiken. Hoe ruim de faciliteit in dit kader mag zijn, valt niet exact te bepalen, ook al omdat het een generieke faciliteit is en de ondernemingen waarop zij van toepassing zal zijn, verschillend van aard zijn. Desalniettemin hebben wij de indruk dat, zoals ook elders in deze nota is aangegeven, de liquiditeitsproblemen die ten gevolge van de heffing van successie- of schenkingsrecht bij bedrijfsopvolging kunnen ontstaan met deze verhoging in voldoende mate zijn weggenomen. Een verdere verhoging of zelfs een volledige vrijstelling zou, nog afgezien van andere ongewenste neveneffecten, naar ons oordeel over zijn doel heen schieten. Dan zou inderdaad de vraag of er sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel, terecht gesteld kunnen worden. In dit verband zouden wij ook willen wijzen op het negatieve oordeel dat de Raad van State, op grond van een soortgelijke overweging, in het verleden heeft uitgesproken over een volledige vrijstelling voor ondernemingsvermogen in de vermogensbelasting (Kamerstukken II 1994–1995, 23 940, nr. 3, blz. 10).

De leden van de VVD-fractie vragen naar de visie van de regering over de gedachte om in de nabije toekomst te streven naar een volledige vrijstelling van successie- en schenkingsrecht bij bedrijfsoverdrachten. De leden van D66-fractie vragen hoe de regering denkt over een verdere verruiming van de vrijstelling op de langere termijn.

Wij zijn van mening dat met de nu voorgestelde verhoging van de vrijstelling, in combinatie met de mogelijkheid van uitstel van betaling voor het verschuldigde successie- of schenkingsrecht, de liquiditeitsproblemen bij bedrijfsopvolging in voldoende mate zijn weggenomen voorzover die door deze belastingen worden veroorzaakt. Een verdere verhoging van de vrijstelling zou voorts, zoals is aangegeven in de notitie «Bedrijfsoverdracht: continuïteit door fiscaliteit» (Kamerstukken II 2003–2004, nr. 66), de kans op onbedoeld gebruik doen toenemen. Wij overwegen thans dan ook geen verdere verhoging van de vrijstelling.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar de gevolgen van de invoering van inkomenstoeslagen of toeslagrechten voor de bedrijfsovername in de land- en tuinbouwsector en voor welke waarde deze rechten voor de heffing van successie- en schenkingsrecht in aanmerking zullen worden genomen.

Toeslagrechten zullen bij vererving voor de heffing van successierecht in beginsel in aanmerking worden genomen voor de waarde in het economische verkeer. De toeslagrechten zullen veelal deel uitmaken van een onderneming. In dat geval kan in het kader van de bedrijfsopvolgingsregeling de zogenoemde «voortzettingswaarde» aan de orde komen. Bij de vaststelling van de voortzettingswaarde zullen het recht op de toeslagen en de jaarlijkse uitkeringen daarvan een rol spelen. Het is te vroeg om nu al te zeggen wat de exacte gevolgen zijn van de introductie van de toeslagrechten voor de vaststelling van de voortzettingswaarde. Hierover zal ondermeer nog overleg tussen de landbouworganisaties en de Belastingdienst worden gevoerd.

Bij overdracht tijdens leven van toeslagrechten speelt dezelfde problematiek. Hierbij kan nog wel de kanttekening worden geplaatst dat heffing van schenkingsrecht alleen aan de orde komt wanneer toeslagrechten of een onderneming waartoe deze rechten behoren worden overgedragen, tegen een lagere waarde dan die in het economische verkeer. Ook hierbij kan onder omstandigheden de voortzettingswaarde van belang zijn.

De leden van de SGP-fractie vragen hoe het percentage van 50% bij de vrijstelling voor bedrijfsoverdrachten in de Successiewet 1956 tot stand is gekomen en of hiermee alle fiscale problemen bij de bedrijfsopvolging voorbij zijn.

Hoe ruim de vrijstelling precies moet zijn om problemen bij de bedrijfsopvolging te voorkomen, valt niet exact te bepalen, ook al omdat het een generieke faciliteit is en de ondernemingen waarop zij van toepassing zal zijn, verschillend van aard zijn. Wij hebben echter de indruk dat, zoals ook hiervoor is aangegeven, de liquiditeitsproblemen die ten gevolge van de heffing van successie- of schenkingsrecht bij bedrijfsopvolging kunnen ontstaan, met deze verhoging in voldoende mate zijn weggenomen.

De leden van de SGP-fractie vragen een overzicht van vergelijkbare regelingen voor bedrijfsopvolging in de successiewetgeving van andere Europese landen.

Een overzicht van regelingen voor bedrijfsopvolging in de successiewetgeving van de voornaamste Europese landen (België, Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk) en van de Verenigde Staten is opgenomen in een notitie die op 26 oktober 2001 aan de Kamer is gezonden (Kamerstukken II 2001–2002, 27 789, nr. 7, blz. 13 t/m 20). Wij hebben de gegevens over de regelingen voor bedrijfsopvolging in die landen geactualiseerd en opgenomen in bijlage 1 bij deze nota.

Doorschuifregeling

Het voorstel om de termijn bij de doorschuiffaciliteit naar 2 jaar te verkorten kan op steun van de leden van de VVD-fractie rekenen. Ook de leden van de PvdA fractie juichen de voorgestelde versoepelingen van de doorschuifregeling in principe toe. Op de vraag van laatstgenoemde leden of de voorgestelde versoepeling tot een toename van bedrijfsoverdrachten zal leiden, kunnen wij antwoorden dat het aantrekkelijker wordt gemaakt om een bedrijfsoverdracht met gebruikmaking van de doorschuiffacliteit te laten verlopen. Naar verwachting zal dan ook in meer gevallen de doorschuifregeling worden toegepast.

De leden van de PvdA-fractie, de VVD-fractie, de D66-fractie en de ChristenUnie-fractie hebben vragen over de noodzaak van de termijn van 2 jaar in de doorschuifregeling en vragen zich af of deze termijn niet kan vervallen. De PvdA-fractie vraagt hierbij om een reactie op de suggestie van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs. De leden van de ChristenUnie-fractie merken hierbij op dat in de tuinbouw en wellicht ook in andere sectoren mogelijk behoefte bestaat aan een nog kortere overdrachtsperiode dan 2 jaar. Deze vragen willen wij als volgt beantwoorden.

Bij overdracht van een IB-onderneming is normaliter door de verkoper inkomstenbelasting verschuldigd over de daarbij behaalde stakingswinst. Als gevolg van de bestaande doorschuiffaciliteit gaat de koper verder met de oude boekwaarden en hoeft de verkoper niet af te rekenen met de fiscus. Om van de doorschuiffaciliteit gebruik te kunnen maken, dient de overdracht plaats te vinden aan een natuurlijk persoon die ten minste 36 maanden als ondernemer winst uit die onderneming heeft genoten of als werknemer1 in die onderneming werkzaam is geweest. Tijdens de parlementaire behandeling van het Ondernemerspakket 2001 (Kamerstukken II, 2000/2001, 27 209, nr. 4 en 6) is uitgebreid ingegaan op de redenen om de 36-maandeneis in de wet op te nemen. Met deze eis wordt gewaarborgd dat de band tussen de overdragende ondernemer en degene aan wie wordt overgedragen een voldoende duurzaam karakter heeft. Mede-ondernemerschap betekent dat de onderneming al gedeeltelijk voor rekening en risico van de voortzetter komt. De voorwaarde dat de vertrekkende en de inkomende ondernemer een tijdlang moeten samenwerken, is bovendien in het belang van de kennisoverdracht. Daarnaast wordt door het opnemen van de termijn, onbedoeld gebruik (gewone verkooptransacties zonder fiscale afrekening) voorkomen. Uitgangspunt is dat bij een «gewone» verkoop fiscale afrekening dient plaats te vinden. In de oriënterende gesprekken met verschillende organisaties ten behoeve van de eerdergenoemde rapportage is er aandacht gevraagd voor het feit dat de 36-maandeneis als lang wordt ervaren. In dit verband is door hen verkorting of afschaffing van deze eis bepleit. Een afschaffing van deze termijn is een brug te ver met name gelet op het uitgangspunt dat bij een «gewone» verkoop fiscale afrekening dient plaats te vinden. Voor de vrij breed gedragen wens tot verkorting van de termijn ligt dit aanzienlijk genuanceerder. Daarom hebben wij voorgesteld deze met ingang van 1 januari 2005 te verkorten tot 2 jaar.

De gedachte om de termijn van 2 jaar te vervangen door de voorwaarde dat de voortzetter de onderneming continueert – de leden van de D66-fractie vragen hiernaar – lijkt op het eerste zicht aantrekkelijk, maar een belangrijke vraag daarbij is welke consequenties het zou moeten hebben als de voortzetter niet aan deze voorwaarde voldoet. Moet dit ertoe leiden dat de verkoper alsnog wordt belast over de stakingswinst? Of betekent dit dat de voortzetter wordt belast over zijn eigen stakingswinst? Indien de voortzetter wordt belast over zijn stakingswinst is in wezen geen sprake van een sanctie aangezien dit onder het huidige recht ook al het geval is als de voortzetter de onderneming niet continueert. Een vraag die in het verlengde hiervan ligt, is hoe lang de voortzetter de onderneming zou moeten continueren.

Voorts vraagt de VVD-fractie of wij willen ingaan op het voorstel van het NOB om de twee termijnen van de stakingsaftrek en doorschuifregeling in samenhang te bezien. Ten eerste kan worden opgemerkt dat de stakingsaftrek alleen kan worden genoten bij staking van een gehele onderneming. Ten tweede kan een ondernemer slechts stakingsaftrek toepassen met betrekking tot de voordelen terzake van een aan hem doorgeschoven onderneming indien hij die onderneming drie jaar heeft voortgezet. Deze driejaarseis die ook al onder de Wet IB 1964 bestond, dient ertoe misbruik te voorkomen. Deze driejaarseis geldt niet alleen indien de doorschuiffaciliteit voor mede-ondernemer of werknemer is toegepast maar geldt ook indien de doorschuiffaciliteit bij ontbinding van de huwelijksgemeenschap of overlijden is toegepast. Er is dan ook geen verband tussen de termijn waaraan moet zijn voldaan voor de doorschuiffaciliteit voor mede-ondernemer of werknemer en de termijn in casu bij de stakingsaftrek. Voor een aanpassing van de driejaarseis zie ik dan ook geen reden.

Op de vraag van de leden van de fractie van het CDA om een nadere toelichting te geven op de raming van de budgettaire effecten van de verruiming van de doorschuiffaciliteit kunnen wij het volgende antwoorden.

Voor deze raming is aangesloten bij de systematiek van de jaarlijkse raming van de doorschuiffaciliteiten ten behoeve van de bijlage over belastinguitgaven in de Miljoenennota. Deze systematiek komt er kort gezegd op neer dat – op basis van een aantal veronderstellingen – een berekening wordt gemaakt van de resultante van de belastingderving die optreedt als gevolg van het niet belasten van de stakingswinst en de toekomstige belasting- en premieopbrengst als gevolg van lagere afschrijvingen in verband met het fiscaal doorschuiven van de (lagere) boekwaarde van de onderneming. Voor de raming van de budgettaire effecten van de thans voorgestelde maatregel om de termijn van drie jaar te verkorten tot twee jaar is vervolgens als extra veronderstelling aangenomen dat als gevolg van deze maatregel 25% meer ondernemers van de doorschuiffaciliteit gebruik zullen maken.

De doorschuifregeling kan momenteel ook worden toegepast bij overdracht van een zelfstandig deel van een onderneming mits het niet-overgedragen deel op zichzelf nog een onderneming vormt. Een van de voorgestelde versoepelingen is het laten vervallen van dat vereiste. In reactie op de vraag van de leden van de VVD-fractie, onder verwijzing naar het commentaar van de NOB of de fiscale afrekening naar de toekomst kan worden verschoven indien deze vermogensbestanddelen onder de terbeschikkingstellingsregeling gaan vallen, kan het volgende worden opgemerkt. Dit vereiste vervalt omdat dit tot extra financieringslasten voor de overnemer kan leiden, met name in de situatie dat partijen er bij voorbeeld de voorkeur aan zouden geven het onroerend goed niet mee over te dragen. Deze situatie kan zich om verschillende redenen voordoen, bij voorbeeld omdat de overdrager de desbetreffende vermogensbestanddelen in privé gaat gebruiken, omdat hij deze aan een andere partij gaat verhuren of verkopen of omdat hij deze gaat verhuren aan de opvolger. In laatstgenoemde situatie kunnen betrokkenen ervoor kiezen om of de doorschuifregeling op de gehele onderneming toe te passen of op een zelfstandig deel van de onderneming waarbij bij voorbeeld het onroerend goed overgaat naar box III en vervolgens wordt verhuurd aan de overnemer. Ook andere modaliteiten zijn denkbaar. In dit verband kan worden opgemerkt dat het niet te verwachten is dat de vermogensbestanddelen frequent onder de terbeschikkingsstellingsregeling zullen vallen. De terbeschikkingstellingsregeling zal bij een bedrijfsoverdracht aan de orde komen indien een onderneming wordt overgedragen aan een verbonden persoon (partner of minderjarig kind), waarbij de ex-ondernemer bij voorbeeld het pand zelf behoudt en het vervolgens ter beschikking blijft stellen aan de overgedragen onderneming. Deze situatie komt in de praktijk niet veelvuldig voor. Hierbij zij opgemerkt dat de ondernemer het veelal zelf in de hand heeft of hij na een bedrijfsoverdracht met de terbeschikkingstellingsregeling wordt geconfronteerd. Indien de onderneming wordt overgedragen aan een meerderjarig kind, is de terbeschikkingstellingsregeling slechts van toepassing indien het een maatschappelijk ongebruikelijke terbeschikkingstelling betreft. In dit kader kan nog worden gewezen op de parlementaire behandeling van de Veegwet Wet IB 20011. In het kader van de versoepelingen in de terbeschikkingstellingsregelingen is destijds toegezegd dat een maatschappelijk ongebruikelijke terbeschikkingstelling een soepele bedrijfsoverdracht niet in de weg mag staan. In de praktijk wordt geprobeerd richting te geven aan het begrip maatschappelijke ongebruikelijkheid. Het wordt onder andere zo uitgelegd dat bijvoorbeeld een pand of grond dat normaal wordt verhuurd, niet onder de maatschappelijk ongebruikelijke terbeschikkingstelling valt. Gelet op het voorgaande zien wij geen noodzaak om de fiscale afrekening te verschuiven tot het einde van de terbeschikkingstelling.

Naar aanleiding van de vraag van de leden van de SGP-fractie of deze versoepeling misbruik van de regeling niet veel eenvoudiger maakt, omdat op deze manier eenvoudig allerlei bestanddelen van de onderneming buiten de belastingheffing gehouden kunnen worden, merken wij op dat hiervan naar verwachting geen sprake zal zijn. Hierbij herhalen wij dat het moet gaan om een doorschuiving van een zelfstandig gedeelte van de onderneming waarbij moet zijn voldaan aan de termijn van 2 jaar en dat over de achterblijvende vermogensbestanddelen moet worden afgerekend. In dit verband merken wij nog – dit in reactie op een vraag van de leden van de VVD-fractie naar het NOB-commentaar dienaangaande – dat er met betrekking tot de achterblijvende vermogensbestanddelen geen specifieke voorwaarden gelden. De fiscale vraagstukken die hierbij spelen, zijn niet anders dan onder de huidige regelgeving.

Verlaging tarief Successiewet voor algemeen nut beogende instellingen

De leden van de PvdA-fractie, ChristenUnie-fractie en SGP-fractie vragen of de voorgestelde tariefverlaging voor algemeen nut beogende instellingen voor het successie- en schenkingsrecht van 11% naar 8% een eerste stap is naar een volledige vrijstelling van nalatenschappen en giften aan deze instellingen, zoals ook door de werkgroep Moltmaker geadviseerd.

De huidige behandeling van algemeen nut beogende instellingen in de Successiewet 1956 bestaat uit een heffing naar een tarief van 11%. Op die heffing zijn echter diverse uitzonderingen en versoepelingen van toepassing via een nogal gefragmenteerd stelsel van bijzondere bepalingen dat in de loop van de afgelopen decennia is ontstaan. De werkgroep Moltmaker heeft – kort samengevat – voorgesteld dit systeem te vervangen door een algehele vrijstelling waartegenover dan wel strengere eisen zouden worden gesteld waaraan algemeen nut beogende instellingen moeten voldoen. Dit zou in de voorstellen van de werkgroep moeten worden gecombineerd met een verscherping van het toezicht, eventueel gekoppeld aan een systeem van certificering. Wij staan op zich sympathiek tegenover het voorgestelde systeem zoals de werkgroep Moltmaker dit heeft voorgesteld. In het Strategisch Akkoord en Hoofdlijnenakkoord is € 80 mln gereserveerd voor herziening van de successiewetgeving. Het kabinet heeft er voor gekozen dit deels te besteden aan bedrijfsopvolging en deels aan tariefverlaging voor algemeen nut beogende instellingen. Wij zien in deze kabinetsperiode geen budgettaire ruimte om een verdere tariefverlaging voor te stellen.

Wat betreft de vraag van de leden van de SGP-fractie naar de strengere criteria voor de erkenning van algemeen nut beogende instellingen en het stelsel van certificering merken wij op dat hierop zal worden teruggekomen in de reeds langere tijd toegezegde notitie over dit onderwerp. De notitie is in een vergevorderd stadium en zal u op korte termijn worden toegezonden. Deze notitie zal overigens het karakter hebben van een discussienotitie waarin richtinggevende handvaten worden aangereikt om met de branche tot een nadere invulling van de criteria en het stelsel van certificering te komen. Er hebben overigens op ambtelijk niveau verkennende gesprekken met diverse organisaties uit de branche plaatsgevonden, zo beantwoorden wij de vraag daarnaar van de leden van de ChristenUnie-fractie.

5. Verruiming WBSO

Vorig jaar hebben onder andere de leden van het CDA-fractie een motie ingediend (Vroonhoven-Kok en Dezentjé Hamming, vergaderjaar 2003–2004, 29 210, nr. 84) waarin wordt verzocht de toegankelijkheid van de WBSO-regeling te bevorderen. De leden vragen naar de stand van zaken van deze motie.

Bovengenoemde motie was mede aanleiding om de Werkgroep stroomlijning uitvoering WBSO te starten. Deze ambtelijke werkgroep heeft de motie in haar werkzaamheden betrokken. Het rapport van de Werkgroep stroomlijning uitvoering WBSO bevindt zich in een afrondende fase. Voor de gesignaleerde knelpunten worden oplossingen aangedragen.

Verder willen de leden van het CDA weten hoe voorliggende wijzigingen van de WBSO kunnen bijdragen aan de toegankelijkheid van de WBSO. In het voorliggende voorstel wordt een verruiming in de voorwaarden voor het verkrijgen van de WBSO opgenomen. Het aantal vereiste aantal uren dat door zelfstandigen aan Speur- en ontwikkelingswerk dient te worden besteed wordt verlaagd van 625 naar 500 uur. In de praktijk is namelijk gebleken dat het voor kleine zelfstandigen moeilijk is om minimaal de vereiste 625 uur aan speur- en ontwikkelingswerk te besteden. Door deze maatregel neemt de toegankelijkheid van de regeling voor deze groep toe.

Het verheugt ons dat de leden van de VVD-fractie de voorgestelde maatregelen inzake de WBSO steunen. De VVD-fractie vraagt eveneens aandacht (net zoals het VNO-NCW) voor de beleidsregel die wordt opgesteld, zodat het begrip «technisch wetenschappelijk onderzoek» ruimer kan worden uitgelegd. De regering wordt gevraagd overleg te voeren met het bedrijfsleven over deze verruiming. De afgelopen maanden heeft er regelmatig overleg met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven (en het Innovatie-platform) plaatsgevonden over de invulling van de intensivering van de WBSO (waarbij ook het begrip «technisch wetenschappelijk onderzoek» aan de orde kwam). In de komende periode zal het bedrijfsleven betrokken blijven bij dit proces.

De leden van D66-fractie steunen van harte de verruiming van de WBSO en de verlaging van de urengrens. Wel vragen zij zich af in hoeverre de administratieve problemen van de regeling nu opgelost zijn. Tevens vragen zij of de afstemmingsproblemen tussen SenterNovem en de Belastingdienst met succes zijn aangepakt.

Mede naar aanleiding van negatieve signalen over de uitvoering van de WBSO is de Werkgroep stroomlijning uitvoering WBSO gestart. Deze ambtelijke werkgroep heeft onderzocht of zich bij de uitvoering van en de controle op de WBSO knelpunten voordoen. VNO-NCW merkt hierover op dat zij graag zou zien dat dit overleg op korte termijn succesvol wordt afgesloten en hoopt op een constructief overleg met gebruikers van de regeling. Zoals wij hiervoor al hebben gezegd in antwoord op de leden van de CDA-fractie, zal de Werkgroep stroomlijning uitvoering WBSO eind oktober haar rapport afronden. Hierbij heeft regelmatig overleg met ondernemers(organisatie) plaatsgevonden.

De leden van de ChristenUnie-fractie zijn positief over de mogelijkheid om meer procesinnovatie voor WBSO in aanmerking te laten komen en refereren hierbij aan de Industriebrief. Deze leden vragen zich af of het gehele bedrag van € 25 mln voor procesinnovatie beschikbaar is.

Van de intensivering van € 25 mln is € 23 mln beschikbaar voor procesinnovatie en € 2 mln voor het verlagen van de drempel van het aantal uren dat aan speur- en ontwikkelingswerk dient te worden besteed door zelfstandigen.

6. Vrijstelling overdrachtbelasting stedelijke herstructurering

De leden van de CDA-fractie merken op dat de wetgever ervan uitgaat dat de landelijk toegelaten instelling de woningen in eigendom houdt en deze later doorverkoopt (aan zittende huurders of – bij het vrijkomen van de woning – aan een particulier) of blijft verhuren. De leden wijzen er op dat het terugkopen door de oorspronkelijke corporatie gangbare praktijk is en binnen de doelstelling van de nieuwe regeling valt en vragen zich daarom af waarom voor het na enige tijd «terugkopen» van de woningen van de landelijke toegelaten instelling door de oorspronkelijke woningcorporatie niet onder de vrijstelling kan vallen.

Woningcorporaties hebben in veel gevallen onvoldoende liquide middelen tot hun beschikking om te investeren in stedelijke herstructurering, omdat hun vermogen in de «stenen» zit. De bedoelde vrijstelling voor de landelijk werkende toegelaten instelling is erop gericht dat woningcorporaties geld ter beschikking kunnen krijgen voor investeringen in stedelijke herstructurering doordat zij eenvoudig woningen kunnen verkopen aan de landelijk werkende toegelaten instelling. Dit geld moet geïnvesteerd worden, zodat het niet waarschijnlijk is dat er voldoende geld beschikbaar is om woningen van de landelijk werkende toegelaten instelling terug te kopen. Het «terugkopen» van woningen van de landelijk werkende toegelaten instelling door de woningcorporaties past niet binnen de doelstelling van deze vrijstelling, omdat de woningcorporaties dan minder in plaats van méér liquide middelen ter beschikking krijgen ten behoeve van stedelijke herstructurering. Wellicht ten overvloede merken wij op dat de subjectieve vrijstelling van overdrachtsbelasting voor woningcorporaties per 1 januari 2003 is vervallen. Omdat de bedoelde landelijke werkende toegelaten instelling speciaal bedoeld is om de stedelijke herstructurering een impuls te geven en deze enkel als tussenstation fungeert achten wij het wenselijk om deze specifieke verkrijgingen wél vrij te stellen van overdrachtsbelasting, maar een terugkoop niet.

De leden van de CDA-fractie verzoeken de regering een reactie te geven op de vraag waarom door woningcorporaties ingediende verzoeken tot analoge toepassing van de reorganisatievrijstelling (artikel 15, eerste lid, onderdeel h, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer) gelet op het «level playing field» momenteel worden aangehouden, en indien dit geschiedt met het oog op toekomstige wetgeving, waarom dit dan het feitelijk niet toepassen van een «level playing field» rechtvaardigt in de periode van beëindiging van de subjectieve vrijstelling van overdrachtsbelasting (1 januari 2003) tot de inwerkingtreding van toekomstige wetgeving.

Verzoeken van woningcorporaties om toepassing van de hardheidsclausule met betrekking tot de vrijstelling van artikel 15, lid 1, onderdeel h van de Wet op belastingen van rechtsverkeer die worden aangehouden, zijn bij ons niet bekend. Er zijn enkele verzoeken in behandeling die verband houden met de wijziging van het Besluit beheer sociale-huursector, dat binnenkort in het Staatsblad zal worden gepubliceerd. Die verzoeken zullen spoedig worden beantwoord.

Hoewel de leden van de PvdA-fractie op dit onderdeel kunnen instemmen met het kabinetsvoorstel, hebben zij nog enige vragen ten aanzien van aandachtswijken.

Opgemerkt kan worden dat in de op de dwingende Zesde BTW-Richtlijn (hierna: de Richtlijn) gebaseerde wetgeving inzake omzetbelasting prestaties als zodanig worden belast; de regelgeving (Richtlijn en Wet op de omzetbelasting 1968) kent niet de mogelijkheid om een bijzonder tarief vast te stellen per afzonderlijke regio of voor een bepaald gebied. Bovendien wijst de Richtlijn herstructurering van achterstandsgebieden niet aan als een prestatie waarop een verlaagd BTW-tarief mag worden toegepast. Nederland heeft derhalve niet de bevoegdheid een verlaagd BTW-tarief op investeringen in aandachtswijken toe te passen. Terzake kan ook worden verwezen naar de brief van de eerst ondergetekende aan de Tweede Kamer van 18 oktober 2004 (kenmerk WV 2004–319U).

Daarom is het dus ook niet mogelijk voorstellen terzake in het belastingplan op te nemen. Er zijn geen gevallen bekend waarin andere lidstaten – zoals bijvoorbeeld Ierland, Engeland en Frankrijk – op basis van artikel 27 van de Richtlijn (machtigingsprocedure om van de Richtlijn te mogen afwijken) «toestemming» hebben gekregen een bijzonder verlaagd gebiedsgericht BTW-tarief toe te passen. Genoemd artikel 27 geeft daarvoor ook geen ruimte; er kan alleen machtiging worden verleend voor afwijkende nationale regelingen of ter bestrijding van belastingfraude enontwijking of ten behoeve van vereenvoudiging van de OB-heffing in specifieke gevallen.

Zoals gezegd kan het Kabinet op het gebied van toepassing van het verlaagde BTW-tarief terzake geen voorstellen doen. Er zijn wel landen die een subsidieregeling terzake kennen waarbij in een enkel geval het bedrag van de te verstrekken (niet fiscale) subsidie is afgeleid van de BTW-component in de stichtingskosten. Mogelijk dat met de vraag op deze regeling gedoeld wordt.

Met de leden van de PvdA-fractie erkennen wij het belang van onderhoud van de private woningvoorraad. Wij staan echter afwijzend tegenover het voorstel van de leden van de fractie van de PvdA tot invoering van een onderhoudskostenaftrek in box I voor huizen met een bouwjaar vóór 1960 en in 56 aandachtswijken. Daarbij speelt een aantal overwegingen een rol. In de eerste plaats wordt, veronderstellende dat men het oog heeft op eigen woningen, bij de bepaling van de hoogte van het eigenwoningforfait al rekening gehouden met onderhoudskosten. Nu de onderhoudskosten in het eigenwoningforfait zijn versleuteld, zou een speciale regeling voor onderhoud tot een dubbele aftrek leiden. In de tweede plaats rijst de vraag of de kostenstructuur van woningen in de achterstandswijken zodanig verschilt van andere woningen van vóór 1960 (of ook wel daarna) dat een speciale regeling, zoals bij rijksmonumenten, op zijn plaats is. In het licht van het gelijkheidsbeginsel zou een dergelijke regeling dus kwetsbaar kunnen zijn.

Voorts is ook uit het oogpunt van uitvoering een onderhoudskostenaftrek niet gewenst. Bij de uitvoering van een dergelijke regeling moet onderscheid worden gemaakt tussen onderhoud van een woning en verbetering. Bij onderhoud gaat het om het houden of terugbrengen in de oorspronkelijke staat. Met de regeling die de geachte leden voor ogen hebben, zal zeker niet worden beoogd alle verbeteringen aan de woning fiscaal te bevoordelen. Anderzijds kunnen wij ons ook niet voorstellen dat alleen onderhoud wordt bedoeld. Voor de bewuste woningen zal vaak verbetering heel wenselijk zijn. Illustratief voor de conflicten die de afbakening tussen onderhoud en verbetering meebrengt, was het recht op aftrek van onderhoudskosten bij verhuurde woningen onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Met ingang van 1 januari 2001 is dit opgelost door verhuurde woningen tot de grondslag van box III te rekenen en een nettorendement (huuropbrengst minus zakelijke lasten, onderhoudskosten en afschrijving) van 4% te veronderstellen.

Het Kabinet is zeer verheugd met het feit dat de leden van de D66-fractie zeer te spreken zijn over de voorgestelde maatregelen om stedelijke herstructurering te stimuleren. De leden van de SGP-fractie willen graag uitleg over hoe omgegaan dient te worden met de verkoopwinsten of verliezen van de landelijke werkende toegelaten instellingen en aan wie die winsten ten goede komen.

Een landelijke werkende toegelaten instelling is gebonden aan het Besluit beheer sociale-huursector. Om die reden is deze instelling verplicht de woningen tegen marktwaarde minus een kleine vergoeding van de woningcorporaties over te nemen. Indien er winst gemaakt wordt, dient deze onder andere te worden ingezet voor het beheer van woningen. Dit betekent dat de aangekochte woningen en de nog niet verkochte woningen normaal onderhouden en beheerd moeten worden. Ook kan de landelijk werkende toegelaten instelling worden aangesproken op andere voorschriften uit het Besluit beheer sociale-huursector, bijvoorbeeld de leefbaarheid in de omgeving van de woningen die de landelijk werkende toegelaten instelling in eigendom heeft. Om woningen te kunnen aankopen worden door de landelijk werkende toegelaten instelling achtergestelde leningen afgesloten met woningcorporaties die wél voldoende liquide middelen ter beschikking hebben en die niet betrokken zijn bij stedelijke herstructurering. Omdat niet alle aankoopkosten extern kunnen worden gefinancierd zal naast de inzet van middelen ten behoeve van het beheer ook financiering uit eigen middelen plaats vinden. Mocht er winst overblijven dan wordt die uitgekeerd aan de woningcorporaties die de liquide middelen beschikbaar hebben gesteld. De winsten, voor zover deze gemaakt worden, dienen overigens te worden ingezet in het belang van de volkshuisvesting.

7. Vpb-plicht N.V. Bank Nederlandse Gemeenten (BNG) en Nederlandse Waterschapsbank N.V. (NWB)

De leden van de PvdA-fractie en de SGP-fractie vragen zich af of het opheffen van de vrijstelling voor de vennootschapsbelasting van de N.V. Bank Nederlandse Gemeenten en de Nederlandse Waterschapsbank N.V. zal leiden tot hogere lasten voor de burgers. In dat verband vragen de leden van de PvdA-fractie of leningen voor maatschappelijke voorzieningen duurder zullen worden, terwijl de leden van de SGP-fractie vragen naar de omvang van de financiële gevolgen voor de gemeenten en informeren of een gelijktijdige verhoging van het Gemeentefonds wordt beoogd.

Bedrijfseconomisch gezien is er onvoldoende grond voor de veronderstelling dat het opheffen van de vrijstelling van vennootschapsbelasting van de BNG en de NWB zal leiden tot hogere tarieven. Verder is de hoogte van de lokale lasten een kwestie van lokaal beleid, waarbij vele factoren een rol spelen. Het ligt niet in de verwachting dat de beëindiging van de Vpb-vrijstelling voor de BNG en de NWB tot hogere lasten voor de burgers zal leiden. Een verhoging van het Gemeentefonds is niet voorzien.

Milieu en mobiliteit

De leden van de CDA-fractie zijn tevreden met de vergroeningsmaatregelen die worden voorgesteld. Zij constateren met tevredenheid dat eindelijk in een wat breder kader fiscale prikkels worden ingezet om tot groener gedrag te komen. Het effect van deze maatregelen kan op voorhand natuurlijk niet worden vastgesteld. Deze leden hechten daarom zeer aan een nauwkeurige evaluatie waarbij de nu gestelde doelstellingen worden vergeleken met de uiteindelijke resultaten. Wat betreft de fiscale maatregelen in het kader van het groene autopakket is in de Beleidsnota Verkeersemissies van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aangegeven dat deze zullen worden geëvalueerd, in het bijzonder de maatregelen gericht op de milieudoelstellingen voor 2010. Meer in het algemeen worden volgens de richtlijnen van VBTB en RPE beleidsinstrumenten in principe eens in de vijf jaar geëvalueerd. De evaluatie van de faciliteiten voor het groen beleggen staat voor 2005 op het programma.

De leden de fractie van de PvdA-fractie vragen waarom de verhoging van de energiebelasting (EB) vooral gericht is op het middengebruik. De verhoging van de EB maakt in de kabinetsplannen deel uit van de financiering die wordt aangewend voor Vpb-verlaging. Vooral de tertiaire dienstensector profiteert van deze vpb-tariefoperatie. De dienstensector is geconcentreerd in het zogenoemde middengebruik (5 000–170 000 m3 resp. 10 000–50 000 kWh). Daarom zijn vooral de EB-tarieven in deze schijven verhoogd. Per saldo resulteert een acceptabel lastenbeeld voor het MKB en het grootbedrijf. Overigens betalen alle burgers en bedrijven – klein- én grootverbruikers – mee aan de EB-verhoging.

Een EB-tariefvariant die ook de verbruiksschijven boven 1 miljoen m3 resp. 10 miljoen kWh in de verhoging zou betrekken, zou vooral een lastenverzwaring betekenen voor de sector industrie die minder van een Vpb-tariefverlaging profiteert. Een verhoging van de tarieven uitgesmeerd over alle zakelijke verbruikers, waar deze leden naar vragen, zou leiden tot een tariefverhoging op aardgas vanaf een verbruik van 5 000 m3 met 1,2 eurocent en een tariefverhoging op elektriciteit vanaf een verbruik van 10 000 kWh met 0,4 eurocent. Overigens zou de extra opbrengst door de verhoging van het EB-tarief in de schijf vanaf 10 miljoen kWh gering zijn, omdat in deze schijf voor bedrijven die met de overheid het benchmarkconvenant of een meerjarenafspraak hebben afgesloten een vrijstelling geldt. Een dergelijke invulling van de EB-verhoging zou naar onze mening binnen het Vpb-pakket onevenwichtig zijn, omdat de lastenverzwaring in dat geval primair de sector industrie zou treffen zonder dat daar een adequate compensatie tegenover zou kunnen staan.

De leden van de PvdA-fractie denken, zo begrijpen wij, dat een dubbele verslechtering van de energie-investeringsaftrek door het kabinet wordt geaccepteerd, te weten een plafond en een lagere vergoeding. Naar ons oordeel is hiervan geen sprake. Bij brief van 4 oktober jl. van de Minister-President (kenmerk 04M469224) aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal inzake de uitvoering van de motie Verhagen c.s. heeft het kabinet aangegeven deze motie langs de lijnen opgenomen in die brief uit te voeren door middel van nota's van wijziging op het desbetreffende wetsvoorstel. Dit betekent het volgende voor de EIA. Aangenomen is dat de onderuitputting van € 60 mln op de EIA in 2003 zich in 2005 voortzet. Als vervolgens twee maatregelen worden genomen kan een totale besparing van € 100 mln vanaf 2005 op de EIA worden gerealiseerd. De eerste maatregel betreft het aanpassen van de Energielijst waaronder het uitsluiten van onbedoeld gebruik van de EIA voor windturbines. Hiermee dient een taakstellende besparing te worden behaald van € 20 mln. De tweede maatregel betreft een verlaging van het budget van de EIA met € 20 mln (verlaging van het percentage van 55% naar 44%). Als later zou blijken dat de onderuitputting zich niet volledig voortzet na 2003, zal het kabinet tot € 60 mln nadere (algemene) maatregelen ter dekking nemen. Op deze wijze blijft de milieudoelstelling zo veel mogelijk binnen bereik. Gelet op de twee maatregelen die voortvloeien uit de motie Verhagen c.s. is ons niet duidelijk waarop deze leden de conclusie baseren dat het MKB extra getroffen wordt. Wat betreft de vraag van deze leden of wij erkennen dat hiermee een relatief goedkope manier om besparingen (15 euro per ton CO2) te realiseren, ten onrechte wordt opgeofferd, merken wij op dat een ondernemer weliswaar minder EIA per geïnvesteerde euro krijgt maar dat dit geen consequenties behoeft te hebben voor het doorgaan van de investering. Of een investering rendabel is, hangt namelijk niet alleen af van de EIA maar ook van andere factoren zoals bij voorbeeld de olieprijs.

De leden van de SP-fractie vragen om een actualisatie van de milieu-effecten die samenhangen met maatregelen in het BP2005 na aanvaarding van de motie Verhagen c.s. Wij merken op dat ook na deze motie de maatregelen op middellange termijn een positieve bijdrage leveren aan het milieu. Nadere aanscherping van fiscale milieumaatregelen in dit belastingplan achten wij niet noodzakelijk.

Op de vraag van deze leden om de ecotaksvrijstelling voor grootverbruikers te schrappen, merken wij op dat dit kabinet de vrijstelling van de energiebelasting op elektriciteit voor convenantspartijen die een verbruik hebben van ten minste 10 miljoen kWh een jaar geleden heeft ingevoerd. Het ligt niet in de rede die vrijstelling thans weer af te schaffen, te meer daar de betrokken bedrijven door middel van het benchmarkconvenant of een meerjarenafspraak een forse inspanningsverplichting op zich hebben genomen ter reducering van CO2-emissies. Wij merken tot slot op dat deze vrijstelling ertoe heeft geleid dat het afgelopen jaar meer bedrijven zich bij het benchmarkconvenant hebben aangesloten.

In onderstaande tabel 12 worden de geactualiseerde milieu-effecten weergegeven.

Tabel 12 Milieueffecten Belastingplan 2005 op middellange termijn (2010) na motie Verhagen c.s.

Maatregeleneffect op CO2effect op NOxeffect op fijnstof
 in Mtonin Ktonin Kton
Verhogen energiebelasting– 0,20– 0,2 
Tegengaan oneigenlijk gebruik MRB- en BPM-voordeel grijze kentekens en verhogen MRB voor grijze kentekens– 0,02– 0,2– 0,02
opschonen bpm-accessoireslijst0,05  
stimulering roetfilters dieselauto's via de BPM  – 0,1
Differentiatie dieselaccijns naar zwavelgehalte   
stimulering van Euro IV en EURO V vrachtauto's en autobussen in de MIA1 – 2,0 à -5,0– 0,1
Verruiming regeling groen beleggen t.b.v. duurzaam bouwen2   
Accijns op kerosine voor binnenlandse vluchten3   

Bron: CE, Milieu en Natuurplanbureau (MNP)

1 effecten gebaseerd op berekeningen van MNP onder de veronderstelling dat dekking tot en met 2009 beschikbaar komt.

2 effecten vooral op lange termijn zichtbaar.

3 verwaarloosbaar effect.

De leden van de SP-fractie en de ChristenUnie-fractie vragen zich ten aanzien van de voorgestelde stimulering van zwavelvrije diesel af of één cent voordeel wel voldoende zal zijn en of het prijsverschil tussen beide soorten diesel (zwavelvrije diesel en andere) wordt opgeheven door deze differentiatie. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen voorts naar de precieze inhoud van de communautaire verplichting om vanaf 2005 zorg te dragen voor een voldoende beschikbaarheid van zwavelvrije dieselolie. Ook vragen zij wat kan worden verstaan onder «voldoende beschikbaarheid», hoelang deze verplichting al bekend is en waarom de aanbieders al niet zijn overgegaan tot de introductie van zwavelvrije dieselolie. Deze leden vragen ook naar de reden waarom de differentiatie in werking treedt met ingang van 1 juli 2005 en of niet gesproken zou moeten worden van zwavelarme diesel in plaats van zwavelvrije diesel. Tot slot vragen deze leden op welke termijn de schonere dieselmotoren beschikbaar zullen komen en of het op de markt brengen van die motoren afhankelijk wordt gesteld van de beschikbaarheid van zwavelvrije diesel.

In antwoord op deze vragen merken wij het volgende op. Het exacte kostprijsverschil tussen de zwavelvrije diesel en diesel met maximaal 50 mg/kg zwavel is niet bekend. Wel is bekend dat in Duitsland een stimuleringsregeling van 1,3 à 1,4 cent er toe heeft geleid dat de Duitse markt vrijwel in één keer is omgeschakeld naar zwavelvrije diesel. Van de Nederlandse brancheorganisatie is in een eerder stadium vernomen dat een stimuleringsregeling van één cent naar verwachting voldoende is om alle diesel voor het wegverkeer te doen vervangen door zwavelvrije diesel. Tot op heden hebben ons geen geluiden bereikt dat die veronderstelling niet juist zou zijn. Naar aanleiding van de vraag dienaangaande van de leden van de ChristenUnie-fractie merken wij op dat het niet onlogisch is om deze nieuwe diesel aan te duiden als zwavelvrije diesel. De term zwavelarme diesel is tot op heden gebruikt voor de brandstof met een zwavelgehalte van 50 mg/kg. Minder dan 10 jaar geleden bedroeg het maximaal toegestane zwavelgehalte nog 2000 mg/kg. Een zwavelgehalte van minder dan 10 mg/kg is nauwelijks nog meetbaar en reeds uit dien hoofde ligt de terminologie «zwavelvrij» voor de hand. Doel van de Europese wetgeving is volledige ontzwaveling. Om te toetsen of aan die eis wordt voldaan geldt de zeer strenge eis van 10 mg/kg. Overigens hechten wij eraan om te benadrukken dat het zwavelgehalte wordt uitgedrukt in een hoeveelheid zwavel per hoeveelheid brandstof (mg/kg) en niet – zoals de leden van de ChristenUnie-fractie mogelijk veronderstellen – in een hoeveelheid zwavel als emissie per kilometer (mg/km).

De communautaire verplichting waarop de leden van de ChristenUnie-fractie doelen houdt in dat de lidstaten er voor zorg dienen te dragen dat er in 2005 in voldoende mate en in voldoende mate geografisch verspreid zwavelvrije benzine en diesel verkrijgbaar is. Als de marktpartij(en) in een lidstaat uit eigener beweging in voldoende mate en in voldoende mate geografisch verspreid zwavelvrije brandstoffen aanbieden, is het doel van de richtlijn bereikt en heeft de lidstaat daarmee aan zijn verplichtingen voldaan. Voor benzine wordt nu reeds aan de communautaire verplichtingen voldaan. Eén grote oliemaatschappij biedt op vrijwel al haar tankstations in het gehele land al zwavelvrije benzine aan. Daarmee is in Nederland wat betreft de benzine het doel van de richtlijn bereikt en zijn (aanvullende) maatregelen van overheidswege niet noodzakelijk. Deze zelfde maatschappij is inmiddels ook begonnen om op een groot aantal tankstations zwavelvrije diesel aan te bieden. Naar verwachting zal ook die brandstof nog in 2004 in voldoende mate en in voldoende mate geografisch verspreid beschikbaar zijn en zal Nederland ook wat betreft de diesel aan zijn communautaire verplichtingen hebben voldaan. Hoewel er vanuit een oogpunt van communautaire verplichtingen geen aanleiding meer is om op 1 januari 2005 de introductie van zwavelvrije diesel te stimuleren heeft het kabinet desondanks toch voor een fiscale stimuleringsregeling gekozen. De zwavelvrije diesel zoals die door de eerder bedoelde maatschappij op de markt wordt gebracht onderscheidt zich naar verluidt op verschillende gronden van «gewone» diesel en is om die reden duurder dan alleen op basis van het zwavelvrije aspect mag worden verwacht. Het prijsverschil van ongeveer 7 cent ten opzichte van de gewone diesel is van dien aard dat deze voor veel ondernemers geen reëel alternatief vormt en dan ook met name minder aantrekkelijk zal zijn voor de transportsector. Zoals reeds aangegeven in de memorie van toelichting – de leden van de ChristenUnie-fractie verwijzen daar ook naar – is het waarschijnlijk dat op korte termijn schonere dieselmotoren voor vrachtauto's beschikbaar zullen komen die qua milieuprestaties slechts optimaal presteren indien gebruik kan worden gemaakt van zwavelvrije dieselolie. Met het oog op die ontwikkeling is het wenselijk dat zwavelvrije diesel tegen beperkte meerkosten in ruime mate beschikbaar komt. Deze motoren zullen naar verwachting medio 2005 of wellicht zelfs iets eerder op de markt komen. Ons is niet bekend of het op de markt komen van deze motoren afhankelijk is gesteld van de beschikbaarheid van zwavelvrije diesel. Noodzakelijk is dat voor zover bekend overigens niet. Deze motoren functioneren eveneens met de huidige gangbare diesel (zwavelgehalte: 50 mg/kg) zij het dat de milieuvoordelen van deze nieuwe motoren dan niet optimaal zijn. De stimuleringsregeling treedt in werking op 1 januari 2005 om de branche in de gelegenheid te stellen haar productieprocessen aan te passen.

Het verheugt ons dat de voorgestelde maatregelen op het gebied van de tariefverlaging BPM voor dieselauto's met roetfilter, differentatie van de accijns naar zwavelgehalte en het stimuleren van schonere vrachtauto's en bussen op instemming van de leden van de D66-fractie kan rekenen. Deze leden en de leden van de SP-fractie vragen naar duidelijkheid omtrent voortzetting in 2005 van de stimulering van schone vrachtauto's op basis van de Euro IV norm. Voorts vragen laatstgenoemde leden of het niet voor de hand ligt om hier, net als bij personenauto's, de Euro V norm als uitgangspunt te nemen en hoeveel in dat laatste geval de kosten voor de begroting VROM bedragen.

In de Beleidsnota Verkeersemissies is aangekondigd dat de stimulering van de Euro IV-motoren voor bussen en vrachtauto's via de MIA in 2005 wordt voortgezet onder de voorwaarde dat de daarvoor benodigde middelen (€ 23 mln) op de begroting van het ministerie van VROM zou worden vrijgemaakt. Op dit moment kan hierover nog geen duidelijkheid worden gegeven. Thans beziet het Ministerie van VROM op welke wijze binnen de begroting de middelen om Euro IV motoren te stimuleren kunnen worden vrijgemaakt. Indien dit niet tijdig lukt, zal de stimulering van de Euro IV motoren via de MIA in 2005 geen doorgang vinden.

Het zeer recente bericht dat enkele vrachtautofabrikanten in de loop van 2005 naast Euro IV ook Euro V motoren zullen gaan aanbieden, zal, indien de dekking voor de stimuleringsregeling voor 2005 is gevonden en Euro V stimulering past binnen het budget, bij de invulling van de stimuleringsregeling te zijner tijd aan de orde kunnen komen.

De leden van de SP-fractie stemmen in met de heffing van accijns op binnenlandse vluchten, zij het dat er nog enkele vragen zijn. Wij delen de analyse van de leden van de SP-fractie dat de aan vliegreizen verbonden negatieve externe milieueffecten niet in de prijs zijn verdisconteerd. Uitzondering hierop vormen de geluidsemissies waar sprake is van een gedeeltelijke doorberekening. Naar aanleiding van de vraag van deze leden of op binnenlandse vliegreizen wel BTW wordt geheven, merken wij op dat het in de Wet op de omzetbelasting 1968 geldende nihiltarief voor (onder andere) de brandstof is beperkt tot het internationale vliegverkeer. De brandstof die wordt gebruikt in het binnenlandse vliegverkeer is belast en wel tegen het algemene tarief van 19% BTW. Daarnaast is het algemene tarief van 19% van toepassing op de tickets voor het binnenlandse vliegverkeer. Wat betreft de vraag naar het verloop van de internationale discussie, zowel in Europees als in mondiaal verband, naar een accijnsheffing op kerosine kunnen we kort zijn. Hoewel in Europees verband wel initiatieven in die richting worden ontwikkeld verloopt de discussie stroef. De leden van de SP-fractie vragen tot slot waarom de invoering van een landing and take off heffing niet wordt overwogen. Een dergelijke heffing kan slechts worden geïntroduceerd indien deze tenminste op Europees en bij voorkeur op mondiaal niveau wordt ingevoerd. Een Nederlandse heffing voor alleen de Nederlandse luchthavens zou anders de concurrentiepositie van die Nederlandse luchthavens schaden.

De leden van de fractie van GroenLinks willen weten of het Belastingplan 2005 een bijdrage levert om de effecten van het Belastingplan 2004 te mitigeren. Zij willen graag het effect van het oorspronkelijke wetsvoorstel en de motie Verhagen afgezet zien tegen de effecten van het Belastingplan 2004.

De milieu-effecten van de verkeersmaatregelen uit het Belastingplan 2004 betreffen voor de lange termijn (2015) met name een stijging van de CO2-emissies van 0,3 Mton en en stijging van de NOx-emissies met 0,4 kton. In het Belastingplan 2005 (zowel oorspronkelijk wetsvoorstel als na de nota's van wijziging) worden de NOx-effecten gecompenseerd. Zo levert de stimulering van Euro IV en Euro V vrachtauto's en bussen in 2010, naar verwachting, een NOx-reductie op van 4 à 5 kton. Hierbij wordt verondersteld dat de benodigde dekking voor deze regeling voor alle jaren (2005 t/m 2009) gevonden wordt.

De CO2-effecten worden geheel gecompenseerd in het oorspronkelijke Belastingplan 2005. Na de nota's van wijziging op het betreffende wetsvoorstel, als gevolg van de motie Verhagen, is die compensatie gereduceerd, omdat in de voorstellen de voordelen van grijze kentekens voor ondernemers blijven bestaan. Hierdoor blijft het CO2-effect van de voorgestelde behandeling van grijze kentekens beperkt tot 0,02 Mton. In 2005 gaat wel de verhoging van de energiebelasting in, waarvan een serieuze CO2-reductie van 0,2 Mton wordt verwacht. Wanneer ook rekening wordt gehouden met twee maatregelen die in de Beleidsnota Verkeersemissies zijn aangekondigd, i.e. CO2-differentiatie van de BPM (– 0,2 Mton) en het stimuleren van biobrandstoffen (– 0,5 Mton), dan worden de CO2-effecten wel geheel gecompenseerd. Voor beide maatregelen geldt dat invoering is gericht op 2006.

Wij zijn de leden van de fractie van D66 erkentelijk voor de ondersteuning die zij geven aan het kabinetsbeleid voor duurzaam bouwen. Wij onderschrijven de wenselijkheid om zo veel mogelijk tot een integrale beleidsbenadering te komen. In dit verband kan worden gewezen op de brief die voor de behandeling van de VROM-begroting aan de Kamer zal worden gezonden over de toekomst van het klimaatbeleid in de gebouwde omgeving. In deze brief zal met name worden aangegeven wat er de komende tijd moet gebeuren om de klimaatdoelstellingen in de gebouwde omgeving te realiseren.

De leden van de ChristenUnie-fractie waarderen het dat de regering vergroenende maatregelen neemt, maar zouden willen dat zij verder was gegaan, mede gelet op de verontrustende beelden van de Envisat-satelliet, waaruit blijkt dat de lucht boven Nederland de sterkste concentratie van stikstofdioxide ter wereld bevat. Samen met de aanwezige concentratie van fijn stof vormt dit immers een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en de milieukwaliteit. Deze leden vragen de regering of deze gegevens nieuwe inzichten bevatten, en zo ja, of dit tot aanscherping van het beleid zou moeten leiden.

De in de Beleidsnota Verkeersemissies voorgestelde maatregelen (o.a. stimulering roetfilters bij dieselpersonenauto's en stimulering van schonere Euro IV en Euro V vrachtauto's en bussen) leveren een bijdrage aan het verbetering van de luchtkwaliteit. In december 2004 komt het kabinet met een Luchtkwaliteitsplan, waarin mogelijk intensivering van het luchtkwaliteitsbeleid zal worden voorgesteld.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben uit de media vernomen dat de Europese Raad van Milieuministers heeft besloten dat de nieuwe Euro V normen met ingang van 1 januari 2009 van kracht zullen worden, wat betekent dat roetfilters verplicht zullen worden. De leden vragen of ze het goed begrijpen dat de Euro IV norm die per 1 januari 2005 van kracht zal worden niet verder zal worden aangescherpt en indien dit zo is of het dan nog nodig de inwerkingtredingsdatum vast te stellen bij koninklijk besluit.

In antwoord op deze vragen merken wij het volgende op. Op initiatief van Nederland is in de Milieuraad van oktober een politiek debat gevoerd over schoner, stiller en zuiniger wegverkeer. Het debat was niet besluitvormend, maar bedoeld om initiatieven van de Europese Commissie te ondersteunen. In die opzet is Nederland geslaagd. Er bestond overeenstemming tussen de lidstaten over de noodzaak om snel stappen te zetten richting schoon, stil en zuinig wegverkeer. De Europese Commissie ervaart dit als een stimulans om met voorrang met nieuwe voorstellen te komen. Er is brede consensus dat in de nieuwe Euro V norm voor dieselpersonenauto's een drastische reductie van de fijn stof emissie zou moeten worden opgenomen, overeenkomend met de reductiemogelijkheden van roetfilters. De Staatssecretaris van VROM heeft de Commissie opgeroepen dit in haar Euro V voorstel mee te nemen.

Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de nieuwe Euro V norm, naar verwachting per 2010, wil het kabinet vanaf 2005 roetfilters in nieuwe dieselpersonenauto's stimuleren. Voor die stimuleringsregeling wordt uitgegaan van een emissiewaarde van maximaal 5 mg fijn stof (PM10) per km. Het is niet uitgesloten dat de definitieve Euro V norm voor fijn stof strenger zal zijn dan 5 mg/km. Indien de Euro V norm zou worden vastgesteld vóór inwerkingtreding van de stimuleringsregeling, kan de emissiewaarde in de stimuleringsregeling bij ministeriële regeling worden aangepast. Aanscherping van de Euro IV norm, die per 1 januari 2005 van kracht wordt, is niet aan de orde. De datum waarop de stimuleringsregeling in werking kan treden is afhankelijk van zowel de uitkomsten van het Brusselse traject (de notificatieprocedure) als van de voor de autobranche nodige voorbereidingsmaatregelen. Om die reden is voorzien in inwerkingtreding op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Overige maatregelen

1. Verruiming vrijstelling overdrachtbelasting voor wijkontwikkelingsmaatschappijen (WOM)

Door de wijziging van de vrijstelling van overdrachtsbelasting voor de zogenoemde in Nederland gevestigde wijkontwikkelingsmaatschappijen geldt de faciliteit voor de verkrijging krachtens inbreng in een wijkontwikkelingsmaatschappij met de rechtsvorm personenvennootschap. De leden van de CDA-fractie willen graag weten of de vrijstelling dan nog wel geldt voor de verkrijging door (rechtspersoonlijkheid bezittende) wijkontwikkelingsmaatschappijen.

De vraag of de vrijstelling geldt voor de verkrijging door wijkontwikkelingsmaatschappijen kunnen wij bevestigend beantwoorden. Deze vrijstelling geldt zowel voor wijkontwikkelingsmaatschappijen in de vorm van een personenvennootschap als in de vorm van een kapitaalvennootschap. Om misverstanden over doel en strekking van de vrijstelling te voorkomen wordt voorgesteld de wettekst bij nota van wijziging aan te passen.

2. Afschaffen keuzeregime aandelenoptierechten

Wij zijn verheugd dat de leden van de fracties van het CDA, de VVD en GroenLinks het laten vervallen van het keuzeregime voor aandelenoptierechten voor de loonbelasting ondersteunen. De leden van de CDA-fractie vragen of het thans geformuleerde overgangsrecht kan leiden tot dubbele heffing.

Het overgangsrecht is zo vorm gegeven dat voor een aandelenoptierecht dat vóór 1 januari 2005 onvoorwaardelijk is toegekend of onvoorwaardelijk is geworden en waarbij een bedrag als loon in aanmerking is genomen, het huidige regime van toepassing blijft. Indien onder het huidige regime wordt afgerekend op het moment van uitoefening of vervreemding wordt rekening gehouden met eerder in aanmerking genomen loon. De nieuwe regeling is ook niet van toepassing op aandelenoptierechten ter zake waarvan feitelijk geen bedrag belast is vanwege een eigen bijdrage ter grootte van de waarde van dat aandelenoptierecht. Voor aandelenoptierechten die wel onder de nieuwe regeling vallen geldt ingevolge het nieuwe tweede lid van artikel 10a van de Wet op de loonbelasting 1964 dat het in aanmerking te nemen loon wordt verminderd – tot nihil – met het bedrag dat de werknemer ter zake van het aandelenoptierecht in rekening is gebracht. Van een dubbele heffing is dan ook geen sprake.

De leden van de PvdA-fractie en de VVD-fractie vragen zich af of het klopt dat het overgangsrecht zo is vormgegeven dat indien een aandelenoptieovereenkomst in verschillende tranches onvoorwaardelijk wordt en waarvan reeds één of meerdere tranches in de heffing zijn betrokken vóór 1 januari 2005, ook voor volgende tranches het oude regime blijft gelden. Zij verwijzen in dit verband naar de commentaren van NOB (brief van 5 oktober 2004) en VNO/NCW (brief van 13 oktober 2004). Wij bevestigen dit. Evenwel is het overgangsrecht niet van toepassing als ter zake van dergelijke tranches niets in de heffing werd betrokken op het moment van toekennen omdat geen sprake was van te betalen intrinsieke waarde en werd geopteerd voor uitstel van heffing. Hierbij merk ik op dat de nieuwe regeling voor dergelijke gevallen een zelfde uitkomst heeft als de oude regeling, waardoor een directe werking van de nieuwe regeling niet bezwaarlijk is.

Op basis van het voorgestelde regime in de loonbelasting terzake van de behandeling van aandelenoptierechten wordt het werkelijke gerealiseerde voordeel in de heffing betrokken. Anders dan de leden van de VVD-fractie lijken te vermoeden, betekent dit dat waardering van toegekende aandelenoptierechten achterwege kan blijven.

De leden van de CDA-fractie vragen om nader in te gaan op de samenhang tussen het afschaffen van het keuzeregime voor aandelenoptierechten en de OESO-systematiek. Door de gekozen richting (belastingheffing op het moment van uitoefening of vervreemding van het recht) loopt Nederland meer in de pas met andere OESO landen. Daardoor is de kans op dubbele belastingheffing kleiner. Binnen de OESO-systematiek worden werknemersopties als arbeidsinkomen beschouwd tot en met het moment van uitoefening of vervreemding. Nederland sluit na de wijziging ondubbelzinnig bij deze systematiek aan.

Wat betreft de vennootschapsbelasting, kapitaalsbelasting en dividendbelasting wordt bij het toekennen van aandelenoptierechten het huidige regime voortgezet. De leden van de fracties van het CDA, de PvdA, de VVD en D66 vragen om een nadere uiteenzetting waarom in de vennootschapsbelasting, kapitaalsbelasting en dividendbelasting voor het tijdstip en de waarde van de aftrek niet is aangesloten bij de nieuwe aanpak in de loonbelasting. De leden van de fractie van het CDA verwijzen in dit verband naar het advies van de Raad van State en de leden van de fractie van de PvdA en de VVD naar de commentaren van NOB en VNO/NCW.

In het Nader rapport bij dit wetsvoorstel is aangegeven dat een eenduidig antwoord op de vraag hoe de behandeling van werknemersopties voor de loonbelasting zich dient de te verhouden tot de vennootschapsbelasting en andere belastingen, mede gelet op de vennootschapsbelasting-jurisprudentie op dit punt, niet eenvoudig is. Op basis van een evenwichtsgedachte zou het consequent zijn om aan te sluiten bij het voorgestelde regime in de loonbelasting. Aan de andere kant moet worden onderkend dat aan de huidige regelingen in de vennootschaps-, kapitaals- en dividendbelasting de opvatting ten grondslag ligt dat de waardeontwikkeling van een optieverplichting na het moment van toekenning van de optie het resultaat van de onderneming niet raakt. Daarnaast moet worden bedacht dat de achtergrond van de wijzigingen in de loonbelasting het evenwichtiger belasten van optiewinsten bij werknemers is. Het aansluiten bij de loonbelasting voor de drie genoemde belastingwetten zou niet direct bijdragen aan het evenwichtiger belasten van werknemersopties. Tenslotte is er een relatie met het arrest van 22 november 2002, BNB 2003/34 (het falconsarrest). In dit arrest heeft de Hoge Raad regels gegeven voor de toepassing van de deelnemingsvrijstelling ingeval een optie wordt gekocht of verkocht op aandelen die tot een deelneming behoren. Dit arrest verschaft duidelijkheid voor de situatie waarin de schrijver van een calloptie en de koper van een putoptie de onderliggende aandelen houden en voorzover de aandelen bij zowel verkoper als koper voor respectievelijk na uitoefening van de optie een deelneming vormen. Naast deze meer standaardsituatie zijn er verschillende situaties denkaar waarin niet voorhand duidelijk is of het falconsarrest analoog kan worden toegepast. De mogelijke gevolgen van het arrest voor deze situaties worden thans in beeld gebracht. Op basis van deze inventarisatie zal meer in het algemeen worden gekeken naar de behandeling van opties voor de vennootschaps-, kapitaals- en dividendbelasting. Omdat de gedachtevorming op dit punt nog niet is afgerond, verdient het ons inziens voorshands de voorkeur om vast te houden aan de huidige behandeling van werknemersopties voor de vennootschaps-, kapitaals- en dividendbelasting.

Met het laatste hebben wij tevens de vraag van de leden van de fractie van GroenLinks om te reageren op de stelling van prof. Stevens dat het nu het moment is om «slagvaardig en doordacht de jurisprudentie in de vennootschapsbelasting betreffende de behandeling van opties wettelijk te regelen» te hebben beantwoord.

Bij de beantwoording van de vraag van de leden van de fractie van het CDA of de regering kan aangeven of heffingsobject en heffingsmoment niet in de Wet op de loonbelasting dienen te zijn opgenomen, in plaats van zoals nu voorgesteld in de uitvoeringsregeling, zijn wij ervan uitgegaan dat deze leden de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 respectievelijk de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 bedoelen.

Voor de vennootschapsbelasting wordt de bestaande situatie gecontinueerd. Onder de huidige regeling wordt voor de vennootschapsbelasting zowel wat betreft de waarde van de in aftrek te brengen optie en het tijdstip van de aftrek verwezen naar de loonbelasting. Als gevolg van de wijzigingen in de loonbelasting moeten voor de vennootschapsbelasting het moment en het object van aftrek zelfstandig worden geregeld. Het bedrag van aftrek is daarbij gesteld op de waarde in het economische verkeer van dat recht. Vervolgens is geregeld dat de waarde in het economische verkeer wordt bepaald volgens bij ministeriële regeling te stellen regels. Omdat voorgesteld wordt de huidige waarderingsregels voor de loonbelasting te laten gelden voor de vennootschapsbelasting, en deze voor de loonbelasting momenteel zijn opgenomen in de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001, is ervoor gekozen deze waarderingsregels wederom op te nemen in een lagere regeling, te weten de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting.

Wat het tijdstip van aftrek betreft, is in de memorie van toelichting aangegeven dat daarvoor zal worden aangesloten bij het eerste heffingsmoment dat thans voor de loonbelasting relevant is. Daaraan is nadere inhoud gegeven in de loonbelasting-jurisprudentie. Omdat een uitgebreide formulering noodzakelijk is om recht te doen aan deze jurisprudentie, is ervoor gekozen om de precieze invulling van het tijdstip van aftrek op te nemen in de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971.

Tot slot vragen de leden van de D66-fractie in het licht van het stimuleren van een aantrekkelijk vestigingsklimaat hoe de regering aankijkt tegen de mogelijkheid om aan werknemers voor een bepaald bedrag werknemersopties of -aandelen toe te kennen, teneinde het aandelenbezit in de werkgever te stimuleren.

Het kabinet staat in zijn algemeenheid positief tegenover deze vormen van bezoldiging, mits de toekenning van opties en aandelen is gekoppeld aan lange termijn doelstellingen van de onderneming en de kosten van deze bezoldigingselementen ordentelijk worden verwerkt in de jaarrekening. Opties en aandelen kunnen de werknemers extra motiveren. Immers: presteren werknemers goed en ontwikkelt de onderneming zich mede daardoor positief, dan heeft dit positieve gevolgen voor zowel de onderneming en haar belanghebbenden, zoals aandeelhouders, als voor de werknemers zelf. Het is echter niet aan de overheid, maar aan de bevoegde organen van de onderneming om te besluiten aandelen of opties als bezoldigingselementen aan werknemers toe te kennen. Sinds 1 oktober 2004 dient de aandeelhoudersvergadering van naamloze vennootschappen aandelenen optieregelingen van deze vennootschappen goed te keuren (artikel 2:135, vierde lid, BW).

3. Afschaffen surtax

Het verheugt ons dat de leden van de CDA-fractie het voorstel steunen tot vervroegde afschaffing van de surtax nu deze maatregel haar doel bereikt heeft.

4. Vrijstelling Vpb voor herstelorganisaties van Rijksmonumenten met culturele bestemming

Het verheugt ons dat de leden van de fracties van het CDA en D66 zeer tevreden zijn met het voorstel om herstelorganisaties van Rijksmonumenten met culturele bestemming vrij te stellen van vennootschapsbelasting. De leden van de fractie van D66 vragen op welke termijn de Europese Commissie uitsluitsel zal geven over de vraag of de verruiming van de Vpb-vrijstelling voor restaurerende instellingen een verboden steunmaatregel is in de zin van artikel 87 van het EG-Verdrag.

De aanmelding van de verruiming van de Vpb-vrijstelling voor restaurerende instellingen bij de Europese Commissie wordt op dit moment voorbereid. De regel is dat de Commissie – nadat zij alle informatie heeft verkregen om de maatregel te kunnen beoordelen – na twee maanden een beslissing neemt. In de praktijk vraagt de Commissie bijna altijd om aanvullende informatie, waardoor de procedure meer tijd in beslag kan nemen.

5. Vervallen willekeurige afschrijving arbo-bedrijfsmiddelen en arbo-afdrachtvermindering

De leden van de fractie van D66 willen graag weten of de defiscalisering van de willekeurige afschrijving op arbo-bedrijfsmiddelen en de arbo-afdrachtvermindering gestoeld is op onderzoek naar effectiviteit van de regelingen.

Deze regelingen zijn door TNO Arbeid geëvalueerd en de uitkomsten van deze evaluatie zijn bij brief van 1 oktober 2004 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken 2004–2005, 25 883, nr. 31). Uit deze evaluatie is gebleken dat de huidige regelingen onvoldoende doeltreffend en effectief zijn. Om tegemoet te komen aan de uit de evaluatie gebleken onvolkomenheden worden de bovengenoemde twee fiscale regelingen vervangen door één subsidieregeling.

In antwoord op de vraag van de leden van de PvdA-fractie hoe de nieuwe regeling zal worden vormgegeven kan worden opgemerkt dat de nieuwe subsidieregeling conform het kabinetsbeleid meer stimulering zal geven voor specifiekere arbo-middelen, gericht op hoge arborisico's en innovatie. Tevens zal het stimuleringspercentage voor ondernemers en organisaties/instellingen worden verhoogd tot ongeveer 10%. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid werkt de nieuwe subsidieregeling momenteel uit.

De leden van de fractie van D66 vragen zich verder af of de defiscalisering van de willekeurige afschrijving arbo-bedrijfsmiddelen en arbo-afdrachtvermindering budgetneutraal gerealiseerd kan worden. Deze vraag kunnen wij bevestigend beantwoorden.

Bijtelling percentage eigenwoningforfait n.a.v. WOZ-waardering

De leden van de VVD-fractie vragen hoe de waardeontwikkeling van 49% waarmee gerekend is voor het verlagen van het eigenwoningforfait zich verhoudt tot de waardestijging van woningen van 59% zoals uit cijfers van het Kadaster blijkt. De waardestijging wordt door diverse instanties bijgehouden. Het Kadaster maar ook bijvoorbeeld de NVM houden de waardeontwikkeling van de verkochte woningen bij. De diverse bronnen kennen diverse meetmethoden, zo komt de NVM uit op een waardestijging van circa 46% voor het tijdvak 1-1-1999 tot 1-1-2003, dit is lager dan de 59% die de leden van de VVD-fractie noemen als cijfer van het Kadaster. De aanpassing van het eigenwoningforfait wordt berekend op basis van de waardeontwikkeling van alle eigen woningen en niet alleen van verkochte woningen. Gemeenten zullen rond begin 2005 de WOZ beschikkingen versturen. De gemeenten hebben de geraamde gemiddelde waardeontwikkeling aangeleverd aan de Waarderingskamer. Op basis van deze gegevens wordt voor de eigenwoningen een gemiddelde landelijk waardestijging van 49% geraamd.

De leden van de fractie van D66 vragen waar in de wet de koppeling tussen de WOZ-waardemutatie en het eigenwoningforfait is geregeld en wat de achtergrond van deze regeling is.

De koppeling van de WOZ-waardemutatie en het eigenwoningforfait is geregeld in artikel 10.3, vierde lid, van de Wet IB 2001. Met de overgang in 1997 van het waardeklassensysteem naar het nieuwe systeem, waarbij het eigenwoningforfait wordt bepaald aan de hand van de WOZ-waarde van de eigen woning, is geen lastenverzwaring voor eigen woningbezitters beoogd. Het koppelingsmechanisme is in de wet opgenomen om een dergelijk onbedoelde lastenverzwaring te voorkomen. Naast de bijstelling als gevolg van de koppeling van het eigenwoningforfait aan de huurontwikkeling van woningen, zou zonder het koppelingsmechanisme een verdere onbedoelde stijging van het eigenwoningforfait optreden als gevolg van een eventuele waardestijging van woningen.

In antwoord op de vraag van de leden van de D66-fractie hoe het staat met de uitvoering van de motie Giskes c.s. (29 210 nr. 81) over de integrale visie op wonen, kunnen wij aangeven dat uitvoering van deze motie zal plaatsvinden in de loop van 2005. Het streven is dit te combineren met de uitvoering van de motie Geluk. Hierbij moet eerst het VROM-raad advies over eigen woningbezit worden afgewacht.

Film CV

De leden van de fractie van het CDA vragen welke overwegingen aan de voorgestelde verlenging van de filmcv-regeling ten grondslag hebben gelegen, en of er ook nog alternatieve invulling van het budget is overwogen. Deze leden kunnen we als volgt antwoorden. In de motie Verhagen c.s. wordt gevraagd om het filmstimuleringsbeleid voort te zetten, waarbij is aangegeven dat hiervoor € 20 mln uit de fiscaliteit beschikbaar wordt gesteld. Het kabinet is er dan ook vanuit gegaan dat met de motie is bedoeld een voortzetting van de filmcv-regeling zoals die tot op heden fungeerde en dat bewust is afgezien van een aanwending in de uitgavensfeer zoals bij voorbeeld het in de brief van de staatssecretaris van Cultuur en Media van 21 september jl. voorgestelde garantiefonds. Bij brief van 4 oktober jl. van de Minister-President (kenmerk 04M469224) aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal inzake de uitvoering van de motie Verhagen c.s. heeft het kabinet aangegeven deze motie langs de lijnen opgenomen in die brief uit te voeren door middel van nota's van wijziging op het desbetreffende wetsvoorstel. Terzake van het filmstimuleringsbeleid is daarbij vermeld dat het kabinet bereid is de filmcv-regeling te continueren.

De leden van de fractie van het CDA en D66 menen dat van de gelegenheid gebruik moet worden gemaakt om de fiscale filmregeling zo vorm te geven dat deze het meeste effect sorteert. De leden van de fractie van het CDA vragen zich af waarom gekozen is om de huidige regeling zonder verdere aanpassingen te verlengen, terwijl de regeling voor velerlei verbetering vatbaar wordt geacht.

De leden van de fractie van D66 stellen voor om voor 2006 te komen tot een nieuwe fiscale regeling. Tijdens de algemene financiële beschouwingen is hierover een vraag gesteld. In antwoord daarop is door de eerste ondertekenaar toegelicht dat het voornemen bestaat om de film-cv in ieder geval tot 2007 te continueren en dat terughoudendheid bestaat ten opzichte van andere opties dan de film-cv. Daarbij zijn verschillende redenen genoemd. Wel is bij die gelegenheid toegezegd te kijken hoe we de film-cv minder bureaucratisch kunnen maken, zodat in ieder geval de fiscale afhandeling geen vertraging hoeft te betekenen voor het opstarten van nieuwe filmprojecten.

Wat betreft de vragen van de leden van D66 over de concrete verbeteringsvoorstellen van de sector inzake het wettelijk fiscaal kader, het fiscale uitvoeringskader en de Senter procedure kan worden opgemerkt dat deze in een eerder stadium zijn bezien. Gewezen kan worden op de antwoorden van de bewindslieden van Financiën, EZ en OCW naar aanleiding van de Kamervragen van de leden Bakker, De Grave, Van Vroonhoven en Van Nieuwenhoven (8 maart 2004, O/B 4006477) waarin onder meer een reactie werd gevraagd op door de sector ingediende verbeteringsvoorstellen, Dat neemt niet weg dat er aandacht blijft voor mogelijke knelpunten. Daarover is ook nog onlangs gesproken met de diverse betrokken, dit ook in antwoord op de vraag van de leden van de fractie van D66 of op zeer korte termijn in overleg wordt getreden met de filmsector en de staatssecretaris van Cultuur.

De leden van de fractie van het CDA vragen of inmiddels al goedkeuring voor verlenging van de regeling is aangevraagd. Hierop kunnen we antwoorden dat de aanmelding van de verlenging van de fiscale filmmaatregelen bij de Europese Commissie op dit moment wordt voorbereid.

De leden van de fractie van D66 vragen in dit verband naar de termijn waarop het kabinet goedkeuring denkt te krijgen voor de voortzetting van de filmcv-regeling. De regel is dat de Europese Commissie – nadat zij alle informatie heeft verkregen om de maatregel te beoordelen – na twee maanden een beslissing neemt. In de praktijk vraagt de Commissie bijna altijd om aanvullende informatie waardoor de procedure wordt verlengd.

De leden van de fractie van het CDA vragen voorts naar de besteding van het beschikbare budget indien onverhoopt mocht blijken dat de beoogde werkingsduur bekort moet worden. Het huidige steunkader loopt halverwege 2007 af. Het zal dan ook afhankelijk zijn van het nog door de Commissie op te stellen steunkader voor film voor de daaropvolgende periode hoe het strucutreel voor film gereserveerde bedrag van € 20 mln. na (medio) 2007 besteed kan worden, dit ook in antwoord op de desbetreffende vraag van de leden van de fractie van D66 Overigens zijn we het met deze leden eens dat een aanpassing mogelijk tussentijds moet plaats vinden indien EU wetgeving dit vereist. Mede gelet op eerdere correspondentie met de Europese Commissie inzake het filmstimuleringsbeleid verwachten wij echter, anders dan deze leden, dat de Commissie haar goedkeuring in deze zal beperken tot de periode 2005 tot (medio) 2007.

De leden van de fractie van de SGP begrijpen dat het voorstel om de filmcv-regeling te verlengen voortvloeit uit de motie Verhagen c.s., maar vragen naar een zelfstandige motivering van dit voorstel. Hierop kunnen we antwoorden dat voortzetting van het filmstimuleringsbeleid in het licht van de handhaving en bevordering van de Nederlandse cultuur moet worden gezien.

Deze leden vragen of het voornemen bestaat om het Europese steunkader inzake films eerder af te schaffen dan 1 juli 2007. Deze vraag kan ontkennend worden beantwoord.

Administratieve lasten bedrijven

De leden van de PvdA-fractie constateren dat de administratieve lasten voor de werkgever door de diverse maatregelen aanzienlijk worden verhoogd. Zij informeren of dit is wat het kabinet bedoelt met het terugdringen van administratieve lasten en vragen of dat niet haaks staat op de taakstelling van het kabinet om de administratieve lasten met 25% te verminderen. Ook vragen deze leden inzicht in de administratieve lastenverzwaring van het gehele Belastingplan 2005 inclusief de Nota's van wijziging.

Naar aanleiding van deze vragen van de leden van de PvdA-fractie merken wij op dat het Belastingplan zoals dat oorspronkelijk is ingediend, leidt tot een toename van de administratieve lasten met € 5 mln. Deze toename is samengesteld uit een stijging van de administratieve lasten met € 6 mln. ten gevolge van het vervallen van het dubbele spaarloon en een afname van de administratieve lasten van € 1 mln. als gevolg van het afschaffen van de willekeurige afschrijving voor Arbo-investeringen, de afdrachtvermindering Arbo non-profit en de pc-privéregeling. Voorts leiden andere maatregelen uit het Belastingplan 2005 nog tot zeer geringe effecten voor de administratieve lasten, die om die reden verder niet zijn gekwantificeerd. De Eerste nota van wijziging leidt tot een toename van de administratieve lasten met € 12 mln. ten gevolge van het opnemen van de autokostenfictie in de loonbelasting en een toename van€ 0,75 mln. ten gevolge van de invoering van accijns voor kerosine voor binnenlandse vluchten. De Tweede nota van wijziging leidt tot een toename van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven met€ 2,5 mln. Dit hangt samen met de invoering van de teruggaafregeling BPM.

De voornemens om de administratieve lasten voor het bedrijfsleven van fiscale wet- en regelgeving deze kabinetsperiode terug te brengen zijn voor de fiscale wet- en regelgeving gepresenteerd in de brief van 8 april 2004, Kamerstukken II 2003–2004, 29 515, nr. 5. In het kabinetsplan aanpak administratieve lasten dat met de brief van 9 april 2004, Kamerstukken II 2003–2004, 29 515, nr. 1 aan de Tweede Kamer is gestuurd, is aangekondigd dat volgend jaar over een tweede stap zal worden gerapporteerd. Op grond van de onderzoeken die nu in het kader van de tweede stap worden uitgevoerd, zullen in het voorjaar de departementale administratieve-lastenplafonds worden vastgesteld. Bij het volgen van de omvang van de administratieve lasten in dat kader wordt ook rekening gehouden met verzwaringen die zijn opgetreden sedert 1-1-2003 of die nog zullen optreden (vgl. bijlage 7 van de miljoenennota 2005).

In reactie op de vragen van de leden van de VVD-fractie en de leden van de D66-fractie over tussentijdse wijziging van de loonbelastingtabellen wordt opgemerkt dat het zeker niet de bedoeling van de regering is de loonbelastingtabellen vaker dan nodig is te wijzigen. In de gevallen waarin in het verleden toch tussentijdse wijziging nodig is gebleken, is dat de uitkomst geweest van wijzigingen die in het gemeen overleg met de Tweede Kamer over het belastingplan zijn afgesproken of van noodzakelijke wijzigingen in het premiebeeld van de sociale verzekeringen. In beide situaties was en blijft het gewenst wijzigingen te kunnen afspreken die doorwerken in de loonbelastingtabellen. Met het oog op het administratieve lasten effect is het uiteraard wel belangrijk tussentijdse wijzingen tot het hoognodige te beperken.

De leden van de VVD-fractie vragen ook naar de stand van zaken met betrekking tot de lijst maatregelen van de brief van 17 april 2002 (TK, vergaderjaar 2001–2002, 28 346, nr. 1). De maatregelen die onmiddellijk konden worden ingevoerd zijn al in 2002 ingevoerd. Veel maatregelen zijn ook opgegaan in het proces dat gemakshalve kan worden aangeduid met WALVIS/SUB. In de brief van 8 april 2004, Kamerstukken II 2003–2004, 29 515, nr. 5 is aangegeven, dat de nog in ontwikkeling zijnde maatregelen aangeduid als restant uitvoeringsmaatregelen naar verwachting nog een reductie van € 10 mln. kunnen opleveren. Dit restant wordt in het kader van de tweede stap reductie administratieve lasten dit najaar verder uitgewerkt.

Budgettaire aspecten

De leden van de fractie van GroenLinks merken op dat het Belastingplan op korte termijn tot een lastenverzwaring en op lange termijn tot een budgettaire derving leidt en verzoekt de regering toe te lichten hoe dit zich verhoudt met het oog op de doelstelling van houdbare overheidsfinanciën. Tevens vragen de leden zich af hoe de MLO-ontwikkeling zich verhoudt tot de ontwikkeling van de collectievelastendruk en verzoeken zij om een overzicht van de ontwikkelingen van beide variabelen voor de jaren 2002 tot en met 2007 alsmede een toelichting op het verschil. Tot slot vragen de leden zich af of voor de hoofddoelstelling van houdbare overheidsfinanciën de collectievelastendruk niet een relevanter aanknopingspunt is dan de microlastendruk.

De budgettaire tabel die in het Belastingplan 2005 staat, geeft enkel een overzicht van de fiscale maatregelen en niet van de premiemaatregelen. Inclusief de premiemaatregelen is meerjarig wel sprake van een lastenverzwaring met een bijbehorende budgettaire opbrengst. De verbetering van het EMU-saldo die hiervan het resultaat is komt de houdbaarheid van de overheidsfinanciën ten goede.

De lastenontwikkeling zoals die door het kabinet wordt gehanteerd is weergegeven in de Miljoenennota op pagina 105. De meerjarige ontwikkeling van de collectieve lasten staat in de MEV 2005 (p. 162–163)1. Het gaat hier echter om verschillende begrippen. Bij de lastenontwikkeling zoals weergegeven in de Miljoenennota worden alleen de effecten van beleidsmaatregelen in beschouwing genomen. Op de collectievelastendruk zoals weergegeven in de MEV is ook de progressiefactor van invloed waarin de economische ontwikkelingen, zoals de groei van de particuliere consumptie, het winstinkomen, de werkgelegenheid, inflatie en grondslageffecten, tot uitdrukking komen.

Voor lange termijndoelstellingen inzake de houdbaarheid van de overheidsfinancien, waarbij de conjuncturele component minder van is invloed is, is de collectieve lastendruk inderdaad een relevant aanknopingspunt. Het kabinet houdt hier ook rekening mee door de budgettaire afspraken in het Hoofdlijnenakkoord te baseren op een langetermijn doelstelling die voortvloeit uit de vergrijzingssommen. In deze berekeningen wordt de ontwikkeling van de schuldquote vooral bepaald door de structurele ontwikkeling van de collectieve uitgaven en inkomsten.

Voor de korte en middellange termijn, biedt daarentegen juist de lastenontwikkeling zoals weergegeven in de Miljoenennota een beter handvat, aangezien het kabinet het beleid op korte en middellange termijn zoveel mogelijk wil abstraheren van conjuncturele ontwikkelingen. Hiermee wordt ook inzichtelijker gemaakte welke bijdrage de overheid levert aan de ontwikkeling van de lasten. Daarom is het ook logisch dat de lastenontwikkeling zoals weergegeven in de Miljoenennota, en niet de collectieve lastendruk, de relevante maatstaf is bij toetsing aan de begrotingsregels (die immers gelden voor de middellange termijn).

Commentaren

De leden van de PvdA-fractie vragen een reactie te geven op de brieven van VNO-NCW van 13 en 18 oktober jl., de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs van 5 oktober jl. en MKB Nederland van 19 oktober 2004. Wij kunnen deze leden antwoorden dat de hoofdlijnen van de commentaren van VNO-NCW, de NOB alsmede MKB Nederland bij de beantwoording van de vragen in deze Nota aan de orde zijn gekomen.

Artikelsgewijze toelichting

1. Artikel I, onderdeel B (artikel 3.20 Wet op de inkomstenbelasting 2001)

De leden van de LPF-fractie vragen of de bijtelling ter zake van de ook voor privé-doeleinden ter beschikking gestelde auto hoger wordt door het wijzigen van de grondslag voor de bijtelling.

De grondslag wordt verbreed doordat ook voor een bestelauto de belasting van personenauto's en motorrijwielen hiertoe gaat behoren. Dit heeft een hogere bijtelling voor bestelauto's tot gevolg. De bijtelling heeft betrekking op het privé-gebruik van de bestelauto en deze maatregel past daarmee bij de maatregel om het onbedoelde voordeel van grijze kentekens bij particulier gebruik tegen te gaan.

De Staatssecretaris van Financiën,

J. G. Wijn

De Minister van Financiën,

G. Zalm

BIJLAGE 1 INTERNATIONALE VERGELIJKING TARIEVEN EN FACILITEITEN VOOOR BEDRIJFSOPVOLGING IN DE SUCCESSIEWETGEVING

1. Inleiding

In deze bijlage wordt van enkele ons omringende landen en de Verenigde Staten een korte beschrijving gegeven van de successiewetgeving, de tarieven en de behandeling van ondernemingsvermogen in het betrokken land. Doel hiervan is om de regeling voor bedrijfsopvolging in Nederland enigszins te kunnen vergelijken met de regelingen in andere landen. Ter informatie is ook een beschrijving van het Nederlandse stelsel opgenomen. Op voorhand dient te worden opgemerkt dat een vergelijking tussen landen heel moeilijk te maken is, omdat ieder land z'n eigen aanknopingspunten voor de heffing van successiebelastingen kent. Deze aanknopingspunten hebben vaak een lange, aan het land gelieerde, historie. De beschrijving van de heffingssystemen heeft alleen betrekking op successie- en schenkingsrecht. Een vergelijkbare heffing met het recht van overgang komt in een aantal andere landen wel voor, maar is niet in de beschouwing meegenomen. Uiteraard is het binnen dit bestek niet mogelijk een uitputtende beschrijving van de diverse regelingen te geven. Ten slotte dient te worden opgemerkt dat een vergelijking louter op basis van de tarieven geen zuiver beeld geeft. Hoge tarieven kunnen gepaard gaan met een kleine heffingsgrondslag en lage tarieven met een grote heffingsgrondslag, terwijl per saldo eenzelfde totale belastingopbrengst wordt gegenereerd.

2. Nederland

2.1 Heffingssysteem

In Nederland wordt successie- en schenkingsrecht geheven wanneer iemand op het moment van zijn overlijden of het moment van schenken in Nederland woont. Waar de erfgenamen/begiftigden wonen, doet niet ter zake. Dit aanknopingspunt voor het heffen van belasting staat bekend onder het woonplaatsbeginsel. Daarnaast komt in de Nederlandse successiewet ook het nationaliteitsbeginsel voor. Artikel 3, eerste lid, Successiewet 1956 bepaalt dat indien een Nederlander Nederland metterwoon verlaat en binnen tien jaar een schenking doet of overlijdt, hij geacht wordt op het moment van die schenking of het overlijden toch nog in Nederland te hebben gewoond. Voor het aanknopingspunt van de heffing is de woonplaats van de erflater/schenker van belang, de belasting wordt echter geheven van de verkrijger(s).

2.2 Tarieven en vrijstellingen

Het Nederlandse tariefstelsel kent een dubbele progressie. Het tarief is hoger naarmate de verkrijging groter is en de verwantschap tussen erflater/schenker en verkrijger geringer is. Echtgenoten en kinderen worden belast tegen een tarief van 5% oplopend tot 27%, ouders, broers en zussen worden belast tegen een tarief van 26 oplopend tot 53% en overigen worden belast tegen een tarief van 41% oplopend tot 68%. In Nederland gevestigde algemeen nut beogende instellingen worden belast tegen een proportioneel tarief van 11% (In het onderhavige wetsvoorstel wordt een verlaging voorgesteld naar 8%). In het successierecht hebben echtgenoten een vrijstelling van € 496 324. Verder zijn er zowel in het successie- als schenkingsrecht speciale vrijstellingen voor kinderen.

2.3 Behandeling bedrijfsvermogen

Bij de heffing van successie- en schenkingsrecht bestaat een faciliteit voor bedrijfsopvolging. Deze faciliteit houdt kort samengevat het volgende in. Het successie- of schenkingsrecht dat kan worden toegerekend aan 30% (thans wordt voorgesteld 50%) van het ondernemingsvermogen wordt opgenomen in een conserverende aanslag en wordt uiteindelijk, onder voorwaarde dat de onderneming ten minste vijf jaar wordt voortgezet, verminderd tot nihil. De faciliteit geldt zowel voor persoonlijke ondernemingen als voor de schenking of vererving van een pakket aanmerkelijk-belangaandelen in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001, behoudens voorzover de waarde van die aandelen voor meer dan 15% is toe te rekenen aan beleggingen. Deze aandelen moeten bij de erflater/schenker tot een aanmerkelijk belang behoren. De faciliteit komt ten goede aan degene die de onderneming voortzet dan wel de aandelen verkrijgt. Voorts . De 30% vermindering van het ondernemingsvermogen wordt toegepast nadat rekening is gehouden met de waardedrukkende werking die uitgaat van een eventuele onderrentabiliteit van de onderneming.

3. België

3.1 Heffingssysteem

Net als in Nederland wordt in België ten aanzien van het successierecht aangesloten bij de woonplaats van de erflater. De woonplaats van de erfgenamen doet niet ter zake. Schenkingsrecht wordt alleen geheven over notarieel vastgelegde schenkingen. Schenkingen van hand tot hand van geld, roerende zaken en aandelen aan toonder zijn niet belast. De registratie van de schenking is het aanknopingspunt voor de heffing. De woonplaats en nationaliteit van de schenker en begiftigden zijn niet van belang. Net als in Nederland wordt de belasting geheven bij de erfgenamen/begiftigden.

3.2 Tarieven en vrijstellingen

Voor de tarieven en vrijstellingen in het successie- en schenkingsrecht zijn is België in drie gebieden verdeeld: Het vaststellen van de tarieven en vrijstellingen behoort tot de bevoegdheden van de drie gewesten: het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, het Vlaamse Gewest en het Waalse Gewest. De tariefstructuur wordt, net als in Nederland, gekenmerkt door een dubbele progressie. Het laagste tarief is 3%, terwijl de tarieven in Brussel en Wallonië tot maximaal 80% respectievelijk 90% oplopen. In Vlaanderen is het maximum tarief voor het successierecht 65% en voor giften maximaal 80%.

In Wallonië en Brussel genieten echtgenoten, voorouders en afstammelingen een vrijstelling van BEF € 12 500 respectievelijk € 15 000). Deze vrijstelling is echter niet van toepassing op bezittingen die behoren tot een onderneming of op aandelen. Voor minderjarige kinderen en de overblijvende partner wordt deze vrijstelling verhoogd, afhankelijk van de leeftijd van het kind. De vrijstelling wordt in mindering gebracht op de te betalen belasting berekend over de eerste belastingschijf. Alle overige verkrijgers genieten een volledige vrijstelling, als de verkrijging niet meer bedraagt dan € 620 (Walonië) dan wel € 1250 (Brussel). Voor zowel het schenkings- als successierecht heeft iedere verkrijger nog een additionele vrijstelling als de verkrijger minstens drie minderjarige kinderen heeft. In Vlaanderen genieten echtgenoten, voorouders en afstammelingen een heffingskorting indien de totale nalatenschap € 50 000 niet te boven gaat. Deze heffingskorting hangt zowel af van de totale netto waarde van de nalatenschap als van het aandeel van de betreffende verkrijger daarin. Een soortgelijk stelsel geldt voor andere groepen verkrijgers.

3.3 Behandeling bedrijfsvermogen

In alle gewesten van België geldt een gereduceerd tarief bij de vererving van een familieonderneming of aandelen van een familieonderneming die wordt gedreven in de vorm van een rechtspersoon. In het Vlaamse Gewest geldt een tarief van 0%; in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en in het Waalse Gewest geldt een vlak tarief van 3%. De voorwaarden voor toepassing van het verlaagde tarief verschillen tussen het Vlaamse Gewest enerzijds en de Brusselse en Waalse Gewesten anderzijds. Enkele belangrijke voorwaarden zijn: – Voor Vlaanderen geldt dat ten minste 50% van de onderneming of de aandelen in de vennootschap gedurende een periode van drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan het overlijden in het bezit moeten zijn geweest van de erflater of zijn echtgenoot. In de Brusselse en Waalse Gewesten moeten de vererfde aandelen ten minste 25% van de stemrechten in de vennootschap vertegenwoordigen. – De onderneming moet gedurende een periode van vijf jaren na het overlijden van de erflater worden voortgezet. Er gelden eisen met betrekking tot de instandhouding van het aantal arbeidsplaatsen bij de onderneming. In Brussel geldt het tarief van 3% enkel voor het MKB (minder dan 250 werknemers, omzet minder dan € 40 mln of een balanstotaal van ten hoogste 27 mln, en verder geldt als eis dat minder dan 25% van de aandelen in handen mag zijn van een groot bedrijf).

Voor de overdracht van de volle eigendom van een persoonlijke onderneming of de volle eigendom aandelen in een bedrijf een bedrijf tijdens leven geldt een vlak tarief van 3% ongeacht de familierelatie tussen schenker en begiftigde. Het tarief van 3% geldt tevens voor de overdracht van een samenstel van goederen waarmee een ondernemingsactiviteit wordt uitgeoefend zoals handel, ambacht industriële of landbouw activiteiten of een vrij beroep. Voorwaarde voor toepassing van het 3% tarief zijn onder meer een voortzettingsperiode van vijf jaar en een verbod op het vervreemden van bezittingen van de onderneming gedurende die periode. Verder moeten zowel de schenker als de begiftigde natuurlijke personen zijn. Voor overdracht van aandelen in een in de EU gevestigde onderneming, die tezamen ten minste 10% van het stemrecht belichamen geldt, onder zekere voorwaarden, eveneens het 3% tarief.

In het Vlaamse Gewest geldt, onder enigszins afwijkende voorwaarden, een tarief van 2%. De begiftigde mag de onderneming gedurende de voortzettingsperiode van 5 jaar overdragen aan een derde, indien de onderneming door deze gedurende vijf jaar wordt voortgezet. Verder is de faciliteit ondermeer ook van toepassing als het vruchtgebruik of de blote eigendom van aandelen wordt verkregen.

4. Duitsland

4.1 Heffingssysteem

In Duitsland wordt successierecht geheven indien de erflater of de erfgenaam een inwoner is van Duitsland ten tijde van het overlijden van de erflater. Indien iemand permanent een woning in Duitsland tot zijn beschikking heeft, maar daar niet woont en als iemand meer dan 6 maanden in Duitsland verblijft, wordt deze persoon ook aangemerkt als Duits inwoner. Schenkingsrecht is verschuldigd wanneer de schenker of de begiftigde inwoner is van Duitsland. Zowel het successie- als het schenkingsrecht worden, net als in Nederland en België, geheven van de verkrijgers. Als de erflater niet, maar een erfgenaam wel in Duitsland woont, wordt alleen die erfgenaam belast.

4.2 Tarieven en vrijstellingen

Het tarief kent, net als in Nederland, een dubbele progressie. Voor echtgenoten, kinderen en erfrechtelijke verkrijgingen voor ouders en grootouders loopt het tarief op van 7% tot 30%. Voor broers, zussen, kinderen van broers en zussen en voor schenkingen aan ouders/grootouders geldt een tarief van 12% tot 40%. De overige verkrijgers worden belast tegen een tarief van 17% oplopend tot 50%. Het Duitse successierecht kent voor diverse verkrijgers vrijstellingen. Echtgenoten zijn vrijgesteld voor € 307 000, kinderen voor€ 205 000, ouders/grootouders in het successierecht voor€ 51 200, broers en zussen en kinderen van broers en zussen€10 300 en overige verkrijgers € 5 200. Voor echtgenoten en kinderen kan de vrijstelling onder bepaalde omstandigheden worden verhoogd om te voorzien in het levensonderhoud.

4.3 Behandeling bedrijfsvermogen

Voor het schenken of nalaten van ondernemingsvermogen kent Duitsland een aantal faciliteiten bestaande uit speciale waarderingsregels, vrijstellingen en verlaagde tarieven. Verder kan uitstel van betaling worden verleend voor de verschuldigde belasting. Deze faciliteiten zijn van toepassing op persoonlijke ondernemingen en op aandelen indien de erflater of schenker op het moment van de overdracht een belang heeft in de vennootschap van meer dan 25% van het nominale kapitaal.

– Bij nalaten of schenken van ondernemingsvermogen geldt een vrijstelling van € 256 000 Deze vrijstelling wordt eenmaal per tien jaren verleend voor het totaal aan ondernemingsvermogen dat door de erflater of schenker in die periode wordt nagelaten of geschonken. De vrijstelling wordt naar rato over de verkrijgers verdeeld.

– Na toepassing van de vrijstelling wordt de resterende waarde verminderd met 35%.

– De verkrijging wordt vervolgens altijd belast volgens de tarieven van de laagste tariefgroep. Wel blijft voor de verkrijger de persoonlijke vrijstelling van zijn eigen tariefgroep van kracht. Geheel of gedeeltelijke verkoop van de onderneming of de aandelen binnen een periode van vijf jaren nadat de faciliteit is verleend of het onttrekken van vermogen aan de onderneming in die periode leidt tot het geheel of voor een deel terugnemen van de faciliteit.

De faciliteiten bij vererving van een onderneming of aandelen gelden onder voorwaarden grotendeels ook bij schenking.

5 Frankrijk

5.1 Heffingssysteem

Successie- en schenkingsrecht zijn verschuldigd indien de erflater/schenker ten tijde van zijn overlijden in Frankrijk woont. Met ingang van 1 januari 1999 sluit de heffing van het successie- en schenkingsrecht tevens aan bij de woonplaats van de erfgenaam/begiftigde. Dit is alleen het geval indien de erfgenaam/begiftigde ten minste zes jaar van de tien voorafgaande jaren inwoner van Frankrijk is geweest. Er wordt geheven over de gehele nalatenschap ongeacht waar ter wereld deze zich ook bevindt. Zowel het successierecht als het schenkingsrecht wordt geheven bij de verkrijgers.

5.2 Tarieven en vrijstellingen

Voor gehuwden geldt een tarief dat oploopt van 5% tot 40%. Voor ouders en kinderen gelden ook percentages oplopend van 5% tot 40%, echter met dit verschil dat de tweede en derde schijf korter zijn en de vierde schijf langer is. Het tarief voor broers en zussen loopt op van 35% tot 45%. Voor verwanten tot de vierde graad geldt een proportioneel tarief van 55% en voor overigen een tarief van 60%. Indien er geen bijzondere vrijstelling van toepassing is, is € 1 500 vrijgesteld. Voor gehuwden geldt in principe een vrijstelling van € 76 000. (Voor)ouders en kinderen hebben een vrijstelling van € 46 000.

5.3 Behandeling bedrijfsvermogen

Voor het nalaten en schenken van ondernemingen en aandelen bestaan in Frankrijk een drietal faciliteiten. – Bij vererving is 50% van de waarde van de onderneming of de aandelen vrijgesteld. Naast deze vrijstelling zijn ook de gewone vrijstellingen die hiervoor zijn genoemd van toepassing. Voor de toepassing van deze vrijstelling gelden de volgende voorwaarden: – Een persoonlijke onderneming moet gedurende ten minste twee jaren vóór het overlijden in het bezit zijn geweest van de erflater. Deze voorwaarde geldt niet indien de erflater de onderneming om niet heeft verkregen. Iedere erfgenaam of legataris moet verklaren dat hij de vermogensbestanddelen van de onderneming gedurende ten minste zes jaren zal behouden en de onderneming moet gedurende vijf jaren daadwerkelijk worden voortgezet door één van de erfgenamen of legatarissen. – Bij vererving van aandelen in een vennootschap moet de erflater al vóór zijn overlijden, mede namens zijn rechtsverkrijgers een verplichting zijn aangegaan om de aandelen gedurende een periode van ten minste twee jaren niet te vervreemden. De erfgenamen of legatarissen moeten bij een beursgenoteerde onderneming ten minste 20% van de aandelen hebben en bij een niet-genoteerde onderneming ten minste 34%. Na afloop van de hiervoor genoemde collectieve verplichting moet iedere erfgenaam of legataris de aandelen nog gedurende een periode van zes jaren behouden. Eén van de erfgenamen of legatarissen moet gedurende een periode van vijf jaar na het overlijden in een managementfunctie bij de vennootschap werkzaam zijn. – Voor de betaling van successierecht kan in Frankrijk in het algemeen vijf jaar uitstel van betaling worden verleend. Na afloop van deze vijf jaren kan de belasting vervolgens gespreid over tien jaren worden voldaan. Voor dit uitstel is rente verschuldigd. Onder voorwaarden kan bij de vererving van een onderneming of van aandelen uitstel van betaling van belasting worden verkregen tegen een lagere rente dan bij de gewone uitstelregeling. Bovendien is de uitstelregeling bij ondernemingsvermogen en aandelen ook van toepassing voor belasting verschuldigd wegens schenking. Bij nalaten of schenken van een persoonlijke onderneming kan het verschuldigde successie- of schenkingsrecht onder bepaalde voorwaarden fiscaal ten laste van de winst worden gebracht. Voorwaarde hiervoor is dat de onderneming door de verkrijger persoonlijk wordt voortgezet gedurende een periode van ten minste vijf jaren.

Bij schenking van een onderneming geldt in bepaalde gevallen een tariefsvermindering. Deze bedraagt 35% van de normale belasting indien de schenker beneden de 65 jaar is en 10% indien de schenker tussen de 65 en 75 jaar is. Voor schenkingen gedaan tussen 25 september 2003 en 30 juni 2005 geldt een speciale regeling op grond waarvan de belastinggrondslag met 50% wordt verlaagd.

Onder voorwaarden geldt een speciale vrijstelling van € 300 000 per begiftigde voor schenking van rechten in een vennootschap aan werknemers van die vennootschap.

6 Verenigd Koninkrijk

6.1 Heffingssysteem

In het Verenigd Koninkrijk is successierecht verschuldigd indien de erflater ten tijde van het overlijden zijn domicile aldaar heeft. Het begrip «domicile» is niet gelijk aan het begrip «woonplaats». Domicile is de plaats waar iemand geboren is «domicile of origin». Het is wel mogelijk afstand te doen van het domicile of origin, maar alleen na het achttiende levensjaar, waarbij iemand zich voorgoed in een ander land wil vestigen. Schenkingsrecht kent men niet in het Verenigd Koninkrijk, echter schenkingen binnen zeven jaar voorafgaand aan het overlijden worden belast met successierecht. Verder worden «schenkingen» aan een discretionary trust met successierecht belast. Het successierecht wordt geheven over de boedel, dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld Nederland en België, waar de belasting geheven wordt over de verkrijging.

6.2 Tarieven en vrijstellingen

In het Verenigd Koninkrijk zijn echtgenoten die beiden hun domicile in het Verenigd Koninkrijk hebben volledig vrijgesteld. Verder geldt nog een groot aantal andere vrijstellingen waarvan genoemd kunnen worden:

– schenkingen en erfrechtelijke makingen aan liefdadige instellingen die zijn gevestigd in het Verenigd Koninkrijk;

– schenkingen tot een bedrag van £ 3 000. Deze vrijstelling geldt per fiscaal jaar. Wordt van de vrijstelling in een bepaald jaar geen gebruik gemaakt of slechts ten dele, dan mag het resterende bedrag één jaar vooruit worden geschoven.

Het tarief kent twee schijven. De eerste £ 263 000 wordt met 0% belast, het meerdere met 40%. Voor zover het echter belastbare schenkingen bij leven betreft, geldt een tarief van 20%. Als een schenker overlijdt binnen zeven jaar na het doen van de belastbare schenking, vindt een herrekening van de Inheritance Tax plaats naar het basistarief van 40%. Voor schenkingen die langer dan drie jaar voor het overlijden zijn gedaan, geldt echter een glijdende schaal waarbij het tarief afneemt naarmate er meer tijd is verstreken tussen het tijdstip van de schenking en het tijdstip van overlijden.

6.3 Behandeling bedrijfsvermogen

In het Verenigd Koninkrijk gelden bijzondere waarderingsregels voor ondernemingsvermogen en bepaalde aandelen en andere effecten. Kort samengevat komen deze hierop neer. Een 100% vrijstelling geldt voor:

– Een onderneming of een belang in een onderneming;

– Effecten die een controlerend belang in een niet-beursgenoteerde vennootschap vertegenwoordigen;

– Niet-beursgenoteerde aandelen.

Een vrijstelling van 50% geldt voor:

– Beursgenoteerde aandelen of andere effecten die, eventueel tezamen met andere aandelen of effecten van de erflater of schenker een controlerend belang in een vennootschap vertegenwoordigen.

– Land, gebouwen en machines die in bepaalde gevallen dienstbaar zijn aan de onderneming van de erflater of schenker of aan de onderneming van een vennootschap waarin de erflater of schenker een controlerend belang heeft.

De genoemde vermogensbestanddelen moeten gedurende een periode van twee jaar voor het overlijden of de schenking in het bezit zijn geweest van de erflater of schenker.

Als een onderneming wordt geschonken en de schenker komt binnen een periode van 7 jaar daarna te overlijden wordt de transactie betrokken in het successierecht. De hiervoor genoemde faciliteiten voor het successierecht zijn dan van toepassing mits aan enkele aanvullende voorwaarden is voldaan.

7 Verenigde Staten van Amerika

7.1 Heffingssysteem

In de VS is successie- en schenkingsrecht verschuldigd als de erflater/schenker ten tijde van zijn overlijden/de schenking de Amerikaanse nationaliteit bezit dan wel aldaar zijn domicile heeft. Voor wat betreft het begrip «domicile» wordt verwezen naar par. 6 (Verenigd Koninkrijk). Over de nalatenschap als zodanig is successierecht verschuldigd. Net als in het Verenigd Koninkrijk wordt de boedel belast en niet de afzonderlijke verkrijgers. Schenkingsrecht is verschuldigd door de schenker. De Verenigde Staten kennen een gecombineerde successie- en schenkingsbelasting die van toepassing is op het totale waarde van hetgeen iemand tijdens zijn leven heeft geschonken en de waarde van hetgeen hij nalaat.

Op grond van de US 2001 Tax Act wordt het successierecht tussen 2002 en 2009 geleidelijk verminderd en in 2010 afgeschaft. Het schenkingsrecht blijft gehandhaafd met een verlaagd tarief en een lifetime unified credit (zie hierna) van $ 1 mln.

7.2 Tarieven en vrijstellingen

Er zijn een aantal credits (heffingskortingen), waarvan de belangrijkste de «unified credit» is. Deze is vooral bedoeld om kleine nalatenschappen buiten de heffing te houden. Verder genieten partners een volledige vrijstelling. Het tarief loopt momenteel (2004) op van 10% tot maximaal 48%. Er is één tariefgroep. Verwantschap speelt niet mee. Het is de nalatenschap als zodanig die wordt belast. Ook een aantal staten heft successierechten. Er zijn echter verrekenregels met de federale belastingen, waardoor de totale heffing in de praktijk nooit hoger wordt dan de door federale regels bepaalde heffing.

7.3 Behandeling bedrijfsvermogen

In de VS bestond tot 2003 een regeling op grond waarvan de waarde van belangen in familieondernemingen tot een maximumbedrag van $ 675 000 op de waarde van de nalatenschap in mindering kon worden gebracht. De totale bedrag van deze aftrek en de unified estate tax credit was echter gebonden aan een maximum bedrag van $ 1 300 000. De aftrek is afgeschaft toen in 2004 de unified estate tax credit werd verhoogd naar $ 1 500 000.

Wel bestaat nog een speciale waarderingsregel voor onroerende zaken die in gebruik zijn in een onderneming. Onder voorwaarden kunnen deze zaken worden gesteld op de waarde die zij hebben voor het gebruik dat er van wordt gemaakt in een onderneming. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan landbouwgrond in de buurt van steden. Deze kan, aan de voorwaarden is voldaan, worden gesteld op de waarde bij agrarisch gebruik en niet op de veel hogere waarde als potentiële bouwgrond. De afwaardering op grond van deze regeling bedraagt maximaal $ 850 000 (in 2004). De faciliteit wordt teruggenomen indien de onroerende zaken binnen een periode van tien jaar worden verkocht of een bestemmingswijziging ondergaan.

Ten slotte bestaat er nog een regeling op grond waarvan de belasting die aan ondernemingsvermogen kan worden toegerekend (rentedragend) in tien jaarlijkse termijnen kan worden betaald, te beginnen vijf jaar na het tijdstip waarop de belasting normaliter verschuldigd zou zijn.


XNoot
1

Het verslag is verschenen onder nr. 8.

XNoot
1

De Mooij en Ederveen, Taxation and foreign direct investment, CPB discussion paper, 2001.

XNoot
2

Gorter en De Mooij, Capital income taxation in Europe: trends and trade-offs, CPB, 2001 (pagina 47).

XNoot
1

Volgens het Commissariaat voor de Buitenlandse Investeringen in Nederland dat buitenlandse bedrijven probeert te interesseren voor investeringen in Nederland.

XNoot
1

Brunetti, A., G. Kisunko, and B. Weder, 1997, Institutional obstacles for doing business: data description and methodology of a worldwide private sector survey, survey conducted for the World Development Report.

XNoot
2

Ernst & Young, Attractiveness of Europe, 2004.

XNoot
3

De Mooij et al, In de slag om bedrijvigheid: theorie en praktijk van vestigingsplaatsconcurrentie, in Preadviezen van de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde, 2003, Amsterdam.

XNoot
4

Altshuler, Grubert en Newlon, 2001, Has US investment abroad become more sensitive to tax rates?, in Hines (ed.), International Taxation and Multinational Activity, University of Chicage Press.

XNoot
1

Brief van 12 oktober 2004, kenmerk ASEA/LIV/2004/70703.

XNoot
1

Het gaat hier om de eenmalige bijdrage van 80 miljoen euro voor extra compensatie voor ouderen, chronisch zieken en gehandicapten die onevenredig werden getroffen door maatregelen in de zorg en een eenmalige bijdrage van 20 miljoen euro van de kant van de werkgevers.

XNoot
2

IBO-rapport Aan de slag, september 2001.

XNoot
1

Kamerstukken 2003–2004, 29 200 nr. 110.

XNoot
2

Zoals bijvoorbeeld het extra aantal aangiftes door de promotiecampagnes van de belastingdienst.

XNoot
1

www.vektis.nl

XNoot
1

Dit is het snijpunt van de twee lijnen met de rasterlijn met een waarde van «100»

XNoot
1

http://europa.eu.int/comm/energy/electricity/benchmarking/indexen.htm

XNoot
1

Sinds 1 januari 2002, zie Kamerstukken II, 2001/2002, 28 188, nr. 1.

XNoot
1

Memorie van toelichting bij Veegwet Wet IB 2001, Kamerstukken II, 2000/2001, 27 466, nr. 3, p. 50.

XNoot
1

Opgemerkt dient te worden dat het CPB vanwege definitieverschillen een andere lastenontwikkeling hanteert (zie voor een toelichting p. 135 Miljoenennota 2004 en blz. 129 van de MEV 2004).

Inhoudsopgave


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl