Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2014-2015
Kamerstuk 27925 nr. 527

Gepubliceerd op 9 februari 2015 15:38

Gerelateerde informatie


Toon alle stukken in dossier



27 925 Bestrijding internationaal terrorisme

Nr. 527 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 4 februari 2015

De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Ministers van Buitenlandse Zaken, van Defensie en van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking over de brief van 15 december 2014 inzake de reactie over Nederlandse inzet strijd tegen ISIS en voortgangsrapportage militaire bijdrage (Kamerstuk 27 925, nr. 526).

De Ministers hebben deze vragen beantwoord bij brief van 12 januari 2015. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Eijsink

De griffier van de commissie, Van Toor

Vraag 1:

Hoe staat het met de inspanningen van de regering en bondgenoten richting de VN-Veiligheidsraad om een expliciet mandaat te verkrijgen voor militair optreden tegen ISIS in Syrië? Waarom wordt daarover niets vermeld in de brief?

Antwoord op vraag 1:

Het kabinet is van mening dat inspanningen richting de Veiligheidsraad weinig kansrijk zijn. Een resolutie die militair handelen in Syrië mandateert zal hoogstwaarschijnlijk worden geconfronteerd met een veto. Niettemin blijft het een onderwerp van discussie met onze gesprekspartners.

Vraag 2:

Herinnert u zich de berichtgeving (http://www.volkskrant.nl/binnenland/defensie-overweegt-de-inzet-van-nederlandse-grondtroepen-in-irak~a3792490/) over de mogelijke inzet van Forward Air Controllers in Irak, ter ondersteuning van de luchtaanvallen op ISIS? Waarom staat hierover niets vermeld in de brief en wanneer bent u bereid de Kamer te informeren over het standpunt van Nederland ter zake?

Antwoord op vraag 2:

Nederland zet momenteel geen forward air controllers in. Zoals toegezegd tijdens het Algemeen Overleg op 2 oktober 2014 (Kamerstuk 27 925, nr. 523), wordt de Kamer geïnformeerd indien Nederland wel forward air controllers zal inzetten.

Vraag 3:

Heeft u kennis genomen van de berichtgeving (http://www.washingtonpost.com/news/checkpoint/wp/2014/12/15/al-qaeda-faction-in-syria-claims-to-have-u-s-supplied-anti-tank-weapon/) dat Al Nusra de beschikking heeft gekregen over Amerikaanse TOW anti-tankwapens? Hoe beoordeelt u in dit licht wapenleveranties aan «gematigde» rebellen in Syrië, als deze in handen van terroristen belanden?

Antwoord op vraag 3:

Wij hebben kennis genomen van deze berichtgeving. Zoals eerder gemeld, zijn aan wapenleveranties risico’s verbonden, zeker op het onoverzichtelijke en soms snel wijzigende strijdtoneel in Syrië. Een deel van de risico’s kan worden ingeperkt, maar het is niet uit te sluiten dat een groepering op enig moment onder de voet zal worden gelopen en daarbij de wapens verliest. Ieder land maakt daarin zijn eigen afweging.

Vraag 4:

Klopt het dat Jordanië gestopt is met het uitvoeren van luchtaanvallen tegen ISIS na het neerstorten van de Jordaanse F-16 en de gevangenneming van de vlieger door ISIS? Hoe beoordeelt u de gevolgen hiervan voor de anti-ISIS coalitie

Antwoord op vraag 4:

Het neerstorten van de F-16 heeft, naast de tragische gevolgen voor de Jordaanse vlieger, geen consequenties gehad voor de inzet van de coalitie.

Vraag 5:

Hoe groot is het aandeel van niet-Westerse bondgenoten in de luchtaanvallen op ISIS in Syrië, respectievelijk Irak? Klopt het dat zij slechts een klein deel voor rekening nemen en zo ja, hoe beoordeelt u dit?

Antwoord op vraag 5:

Over het aandeel van Westerse en niet-Westerse bondgenoten in de luchtcampagne kunnen in het openbaar geen mededelingen worden gedaan. In meer algemene zin kan worden gesteld dat de inbreng van alle coalitiepartners van wezenlijk belang is voor de coalitie en het stoppen van de opmars van ISIS.

Vraag 6:

Kan worden toegelicht in hoeverre de overeenkomst over verdeling van olie-inkomsten en uitbetaling van salarissen voor Koerdische ambtenaren in de praktijk wordt uitgevoerd?

Antwoord op vraag 6:

De Iraakse regering heeft een eerste betaling van USD 500 miljoen voor de maand december aan Erbil overgemaakt. Daarnaast zou de Koerdische Autonome Regio nu reeds 150.000 vaten per dag exporteren onder de auspiciën van de Iraakse staatsoliemaatschappij (SOMO), die de olie op de markt brengt. De structurele betalingen voor ambtenarensalarissen in de Koerdische Autonome Regio en de export door de Koerdische Autonome Regio van 250.000 vaten «Koerdische» olie per dag en 300.000 vaten per dag van de Kirkuk-olievelden onder de auspiciën van SOMO zijn onderdeel van de nationale begrotingswet 2015 zoals voorgelegd aan het Iraakse parlement. Het parlement debatteert deze weken over aanname van de begrotingswet. Op dit moment kan daarom nog niet worden gezegd of de overeenkomst daadwerkelijk zal worden aanvaard en uitgevoerd.

Vraag 7:

Welke stappen zijn er tot op heden door de Iraakse regering gezet om verzoening met stammen en gemarginaliseerde groepen te bewerkstelligen en welke resultaten heeft dit opgeleverd?

Antwoord op vraag 7:

De regering Al-Abadi heeft een aantal belangrijke posten toegekend aan personen uit groepen die eerder gemarginaliseerd werden. Binnen de regering is een van de vice-presidenten, Allawi, officieel belast met het verzoeningsdossier en actief bezig daaraan invulling te geven. Naast vice-president Allawi voeren ook Premier Al-Abadi, Minister van Defensie Al-Obeidi en parlementsvoorzitter Jibouri een actieve dialoog met stammen en vertegenwoordigers van etnische en religieuze minderheden. De recent met de Koerdische Autonome Regio gesloten olie-overeenkomst in ruil voor betaling van het Koerdische deel van het Iraakse nationale budget kan daarvan als voorbeeld worden genoemd. Daarnaast heeft de regering Al-Abadi een eerste begin gemaakt met het agenderen van onder meer de «debaathificatiewet» en de amnestiewet. De resultaten van de verzoeningsinspanningen zullen pas op de middellange termijn zichtbaar zijn.

Vraag 8:

Wat is de actuele (militaire) situatie in Kobani?

Antwoord op vraag 8:

In de laatste dagen heeft ISIS terrein verloren aan de Koerdische strijders. De Koerden beheersen het centrale en westelijke deel van de stad, terwijl ISIS aan de oostelijke en zuidelijke zijde terrein controleert. De militaire druk op ISIS ter plaatse, uitgeoefend door zowel de coalitie als de Koerden, blijft groot. ISIS heeft inmiddels veel strijders verloren, maar blijft vooralsnog volharden in haar streven om Kobani te veroveren.

Vraag 9:

Is er al zicht op implementatie van de zogenaamde freeze zones in Syrië? Zo nee, wat zijn de obstakels?

Antwoord op vraag 9:

Op dit moment is nog geen sprake van implementatie van een of meerdere freeze zones in Syrië, zoals deze door Speciaal VN-Gezant Staffan de Mistura zijn voorgesteld. De plannen van De Mistura zijn met interesse ontvangen door de internationale gemeenschap. Het kabinet steunt de inspanningen van de gezant om een oplossing te vinden voor het voortdurende conflict. Verdere concretisering van de plannen is evenwel nodig voordat tot eventuele implementatie kan worden overgegaan, waarbij vooral van belang is dat ook de Syrische oppositie achter het voorstel kan staan. Deze heeft tot dusver sceptisch gereageerd omdat van een bredere politieke oplossing waarin de freeze zones een plek zouden hebben nog onvoldoende sprake is. Het totale proces, waarbij zowel het regime Assad als de Syrische oppositie zich achter een voorstel moeten scharen, vergt tijd. Het kabinet blijft de inspanning van De Mistura steunen om dit proces verder te brengen en moedigt alle partijen aan zich constructief op te stellen.

Vraag 10:

Kunt u nader ingaan op de rol van Iran in Irak? Klopt het dat de Iraakse regering een overeenkomst met Iran gesloten heeft die behelst dat de Iraanse Republikeinse Garde eenheden van het Iraakse leger en sjiitische milities gaat trainen? Zo ja, hoe beoordeelt u dit?

Antwoord op vraag 10:

Zowel Irak als Iran maken er geen geheim van nauw samen te werken in de strijd tegen ISIS. Iran zegt hierin vooral een adviserende rol te hebben. Of sprake is van een specifieke en/ of formele overeenkomst tussen beide landen is het kabinet niet bekend. Wel bevestigde de Iraanse Minister van Defensie Dehgan onlangs in zijn gesprek met Iraakse counterpart Al-Obeidi nog de Iraanse steun aan het Iraakse leger en benadrukte hij dat het versterken van Iraakse defensiecapaciteit van strategisch belang is voor Iran. Het feit dat belangrijke sjiitische heiligdommen zijn gevestigd in Iraakse steden, zoals Samarra, Kadhimiya, Najaf en Karbala, speelt naast het veiligstellen van de landsgrenzen mee in Iraanse overwegingen Irak bij te staan in de strijd tegen ISIS.

Vraag 11:

Welke rol speelt Iran in relatie tot de sjiitische milities in Irak, bijvoorbeeld als het gaat om bewapening, opleiding, training en coördinatie en commandovoering?

Antwoord op vraag 11:

Berichten over Iraanse steun aan sjiitische milities in Irak kunnen niet worden bevestigd. Wel lijkt sprake van een zekere mate van samenwerking. Onlangs sneuvelde in Irak de Iraanse general Taghavi van de Quds brigade, onderdeel van de Iraanse Revolutionaire Garde. Over de precieze aard van zijn missie, alsmede over de precieze relatie tussen Iran en sjiitische milities, is op dit moment weinig bekend.

Vraag 12:

Klopt het dat de Iraakse regering in toenemende mate samenwerking zoekt met Iran? In hoeverre draagt dit bij aan inclusief beleid ten aanzien van de soennieten in Irak?

Antwoord op vraag 12:

De Iraakse regering voelt zich in grote mate gesteund door Iran in de strijd tegen ISIS (zie het antwoord op vraag 10). Verder heeft de regering Al-Abadi zich in het Nationale Plan tot doel gesteld om de relaties met alle buurlanden te verbeteren. Recente toenadering tot Turkije, en de plannen van Saoedi-Arabië om de sinds 1990 gesloten ambassade in Bagdad te heropenen, getuigen daarvan. Het is te vroeg om aan te duiden op welke wijze de samenwerking tussen Irak en Iran invloed heeft op het beleid van de Iraakse regering ten aanzien van het soennitische deel van de samenleving.

Vraag 13:

Wordt bij de strategie ook de rol van Saoedi-Arabië betrokken? Wat is de visie van dat land op de strijd tegen ISIS?

Antwoord op vraag 13:

Saoedi-Arabië is een belangrijke speler in de regio, maakt actief deel uit van de internationale coalitie tegen ISIS en is een actief lid van het Global Counter Terrorism Forum (GCTF). Saoedi-Arabië is altijd een van de krachtigste pleitbezorgers geweest voor militaire actie tegen ISIS en ziet deze terroristische organisatie als een ernstig gevaar voor de regionale en nationale stabiliteit en veiligheid.

Vraag 14:

Welke prioriteit geeft Turkije aan de strijd tegen ISIS vergeleken met de strijd tegen het Assad-regime en de Koerden in Syrië?

Vraag 15:

Waarom gaat u slechts terloops in op de rol van Turkije in de strijd tegen ISIS, waarbij u slechts een «trilemma» schetst? Heeft Turkije inmiddels zijn luchtruim en militaire bases geopend voor luchtaanvallen van de coalitie op ISIS? Op welke manier levert NAVO-bondgenoot Turkije een bijdrage aan de strijd tegen ISIS?

Antwoord op vraag 14 en 15:

De Turkse regering heeft verscheidene malen aangegeven dat de strijd tegen ISIS gepaard moet gaan met optreden tegen president Assad. In de visie van de Turkse regering is dit noodzakelijk omdat anders – onbedoeld – de positie van Assad zou worden versterkt. Tijdens de reis van de Minister van Buitenlandse Zaken aan Turkije begin januari deelde Turkije de Nederlandse mening dat er geen sprake kan zijn van een keuze tussen ISIS of Assad, maar dat beide partijen bestreden dienen te worden en dat uiteindelijk een politieke oplossing noodzakelijk is. Verder is er geen sprake van een Turkse strijd tegen de Syrische Koerden. Integendeel, zo heeft Turkije bijvoorbeeld erop gezien dat de Syrische Koerden in Kobani in hun strijd tegen ISIS werden versterkt met een contingent Iraaks-Koerdische troepen, die naar Kobani zijn gereisd via Turkije. Turkije heeft ISIS al een tijd geleden op de nationale terrorismelijst geplaatst. Daarnaast is Turkije co-voorzitter van het Global Counterterrorism Forum (GCTF) waarbinnen het actief bijdraagt aan de strijd tegen ISIS.

Het Turkse perspectief op de positie van president Assad wordt deels gevormd door de humanitaire situatie (Turkije vangt intussen 1,6 miljoen Syrische vluchtelingen op). Daarnaast traint Turkije intussen Peshmerga in Noord-Irak.

Vraag 16:

Hoe groot acht u de dreiging van ISIS richting Jordanië?

Antwoord op vraag 16:

In Jordanië zijn meerdere jihadistische netwerken actief, waarbij een (beperkt) deel van de bevolking sympathieën heeft ten opzichte van het jihadistische gedachtengoed. Minimaal enkele honderden jihadistische strijders uit Jordanië zijn daarnaast momenteel aangesloten bij ISIS. Jordanië participeert zoals bekend in de strijd tegen ISIS. Hierdoor is het voorstelbaar dat ISIS de intentie heeft zich tegen Jordanië te richten.

Vraag 17:

Acht u het waarschijnlijk dat de relatie tussen de Iraakse regering in Bagdad en de Koerdistan Regional Government (KRG) verder zal verbeteren? Acht u het voorts waarschijnlijk dat de groeiende macht en autonomie van de KRG in de toekomst een bron van conflict zou kunnen zijn?

Antwoord op vraag 17:

Sinds het aantreden van de nieuwe regering in Bagdad, onder leiding van premier Al-Abadi, zijn positieve eerste stappen gezet in de richting van verbetering van de relatie tussen de centrale regering in Bagdad en de Koerdische Autonome Regio. Zo is er zicht op overeenstemming over de verdeling van olie-inkomsten en de uitbetaling van salarissen voor Koerdische ambtenaren (zie ook de beantwoording op vraag 6). Uit de gesprekken van de Minister van Buitenlandse Zaken tijdens zijn reis naar Bagdad en Erbil blijkt dat beide partijen streven naar voortzetting van een autonome Koerdische regio binnen de Iraakse staat. De ingezette koers is hoopvol, al blijft een zekere argwaan in de relatie bestaan.

Vraag 18:

Is de in de artikel 100-brief van 24 september jl. (Kamerstuk 27 925, nr. 506) genoemde Nederlandse bijdrage aan UNAMI van 1,5 miljoen euro inmiddels bijgedragen aan UNAMI? Zo nee, waarom (nog) niet? Zo ja, zal er een nieuwe bijdrage worden vrijgemaakt en hoe groot zal deze bijdrage zijn?

Antwoord op vraag 18:

De in de artikel 100-brief genoemde Nederlandse bijdrage van 1,5 miljoen euro aan UNAMI is in 2014 niet uitbetaald. De aanloop van het specifieke programma waarvoor de Nederlandse bijdrage bestemd was, duurde langer dan verwacht. Het kabinet is in gesprek met UNAMI, en andere potentiële donoren (Duitsland en het Verenigd Koninkrijk) en heeft toegezegd begin 2015 een bedrag van 1 miljoen euro bij te dragen aan het programma. Verlaging van de Nederlandse bijdrage wordt ingegeven door verlaging van de door UNAMI begrootte kosten voor dit project.

Vraag 19:

Kunt u toelichten wat de bilaterale activiteiten in Irak inhouden?

Antwoord op vraag 19:

Zowel op ambtelijk als op politiek niveau blijft het kabinet bij de Iraakse autoriteiten aandringen op inclusiviteit en het doorvoeren van politieke en sociaaleconomische hervormingen om een duurzame terugkeer naar stabiliteit en veiligheid te bewerkstelligen. Iedere mogelijkheid om deze boodschap over te brengen wordt aangegrepen, zo ook tijdens het bezoek van de Minister van Buitenlandse Zaken aan Irak en de Koerdische Autonome Regio op 21 en 22 december jl.

Daarnaast levert Nederland een bijdrage aan de inclusieve ontwikkeling van de Iraakse samenleving middels een bilateraal mensenrechtenprogramma dat zich onder andere richt op de ondersteuning van lokale NGO’s die zich bezighouden met bevordering van mensenrechten, met name van vrouwen en kwetsbare minderheidsgroepen.

Uiteraard blijft economische diplomatie ook een speerpunt in Irak. Zowel in Bagdad als in Erbil spelen de diplomatieke posten een belangrijke rol bij de bevordering van handel tussen Irak en Nederland en investeringen in Irak. Voor Nederlandse ondernemers liggen er, vooral in de Koerdische Autonome Regio en de zuidelijke provincies, veel kansen op de terreinen van onder meer agro-food, tuinbouw, water en energie, maar ook infrastructuur.

De Nederlandse diplomatieke presentie in Irak wordt vanaf januari 2015 uitgebreid, waardoor de bilaterale activiteiten in zowel centraal-Irak als de Koerdische Autonome Regio nog verder kunnen worden geïntensiveerd.

Vraag 20:

Welke sociaaleconomische hervormingen zijn doorgevoerd om de voedingsbodem voor ontevredenheid onder de Iraakse bevolking, met name het soennitische deel, weg te nemen?

Antwoord op vraag 20:

In de plannen van de Iraakse regering ligt de nadruk vooral op de strijd tegen ISIS, politieke hervormingen en op de aanname van de nationale begroting voor 2015. Daarnaast heeft de regering aangekondigd op te zullen treden tegen corruptie. Er zijn vooralsnog geen verdergaande sociaaleconomische hervormingen aangekondigd.

Vraag 21:

Heeft de recente daling van de olieprijs gevolgen voor de financiële duurzaamheid van de Iraakse staat?

Antwoord op vraag 21:

Het budget van de Iraakse overheid is naar schatting van de Wereldbank voor meer dan 80 procent afhankelijk van inkomsten uit de oliesector, mede als gevolg van de lage belastingopbrengsten. Daarentegen zijn de exportvolumes van olie de afgelopen jaren toegenomen, wat de daling van de olieprijs ten dele compenseert. Bij het opstellen van het overheidsbudget is de Iraakse overheid inmiddels uitgegaan van een lagere gemiddelde olieprijs, zodat de recente prijsontwikkelingen meegenomen kunnen worden in de uitgavenplanning in 2015.

Vraag 22:

Welke groepen in Syrië worden door het kabinet tot gematigde gewapende groepen gerekend? Worden hier dezelfde groepen bedoeld als de groepen die behoren tot het Vrije Syrische Leger? Om hoeveel strijders en andere betrokkenen gaat het? Op welke concrete manieren heeft Nederland deze groepen ondersteund?

Antwoord vraag 22:

Zie antwoord op vraag 23.

Vraag 23:

Welke opties voor het verlenen van niet-gewapende steun aan gematigde gewapende groepen in het noorden en zuiden van Syrië worden onderzocht? Zou u de gematigde groepen aan wie deze steun geleverd zal worden, bij naam kunnen noemen?

Antwoord op vraag 22 en 23:

Op dit moment onderzoekt het kabinet verschillende opties, van o.a. materiële, logistieke en organisatorische aard, voor het leveren van niet-gewapende steun aan groepen die onderdeel zijn van het Vrije Syrische Leger. Bij de selectie van de groeperingen wordt onder andere zeer zorgvuldig gekeken naar de mogelijkheden om het risico van weglekken van non-lethal materiële steun aan extremistische groeperingen te beperken. Gezien de gevoeligheid van het noemen van steun aan specifieke groepen en de mogelijke negatieve consequenties van het openbaar worden van deze informatie, kunnen specifieke namen van groepen niet genoemd worden.

Vraag 24:

Wanneer kan de uitkomst van de uitwerking van de opties voor het verlenen van niet-gewapende steun in Syrië worden verwacht?

Antwoord op vraag 24:

Het kabinet verwacht de uitkomst van de uitwerking van de verschillende opties op korte termijn gereed te hebben.

Vraag 25:

Hoeveel van het in de brief van 24 september jl. genoemde vrijgemaakte bedrag van 6 miljoen euro ter ondersteuning van de Syrische politie- en justitiesector in de gebieden die onder controle zijn van de gematigde oppositie, is al besteed en welke projecten zijn hiermee ondersteund? Verwacht het kabinet in 2015 meer geld vrij te maken voor de ondersteuning van de gematigde oppositie? Zo ja, hoeveel? Zo nee, waarom niet?

Antwoord op vraag 25:

Het programma voor de ondersteuning van de Syrische politie- en justitiesector in gebieden die onder de controle van de gematigde oppositie staan wordt door meerdere internationale donoren gefinancierd en loopt tot halverwege 2016. De Nederlandse bijdrage van 6 miljoen is reeds overgemaakt aan het gezamenlijke programmafonds, dat door het programmasecretariaat, waar ook Nederland zitting in heeft, wordt beheerd. De projecten die worden gefinancierd variëren van het trainen van politieagenten en juristen, tot het opzetten van werkbare politiestructuren en het betalen van salarissen en communicatieapparatuur. Buiten dit programma steunt het kabinet de gematigde oppositie ook via fondsen voor kleinschalige civiele projecten en mensenrechtenprojecten. Daarbij geeft het steun aan de Syrische Oppositie Council en ondersteunt het de gematigde oppositie in het opbouwen van capaciteit om een rol te spelen in het politieke proces. Verdere ondersteuning van de gematigde oppositie in Syrië wordt onder andere voorzien naar aanleiding van de recente fact finding missie waarover uw Kamer in de brief van 15 december j.l. is geïnformeerd. Het kabinet blijft voortdurend op zoek naar mogelijkheden om gematigde krachten in Syrië verder te steunen.

Vraag 26:

Hoeveel middelen zijn er vrijgemaakt in vervolg op de in de brief van 24 september jl. genoemde initiatieven om politieke participatie van vrouwen te bevorderen en te ondersteunen, zoals FLOW en het Nationaal Actieplan 1325? Hoeveel middelen zijn er vrijgemaakt voor de ondersteuning van deze initiatieven? Verwacht het kabinet in 2015 extra geld vrij te maken hiervoor? Zo ja, hoeveel en voor welke initiatieven? Zo nee, waarom is dit niet noodzakelijk?

Antwoord op vraag 26:

De lange termijn steun aan het Syrian Women’s Initiative for Peace and Security via UNWomen is conform politieke toezeggingen voortgezet, samen met het VK en Noorwegen. De Nederlandse bijdrage bedraagt 795.000 Euro. Met Iraakse vrouwenorganisaties bestaan via de genoemde lopende programma’s, de ambassade en ook via het Women on the Frontline programma reeds intensieve relaties. Binnen dit netwerk vindt al veel activiteit plaats rond de politieke participatie van vrouwen en het Iraakse Nationaal Actieplan 1325. Het kabinet beziet momenteel met deze partners wat een aanvullende inzet kan zijn. Indien nodig zal op die basis besloten worden of extra middelen nodig zullen zijn.

Vraag 27:

Kan worden toegelicht wat er nodig is voordat de gematigde Syrische oppositie in staat kan worden gesteld een geloofwaardig alternatief te vormen voor Assad én ISIS?

Antwoord op vraag 27:

Zie antwoord op vraag 31.

Vraag 28:

Hoeveel grondgebied hebben gematigde gewapende groepen c.q. het Vrije Syrische Leger in Syrië in handen? Klopt het dat dit enkele procenten betreft en bovendien krimpende is?

Antwoord op vraag 28:

Er zijn geen exacte cijfers beschikbaar over de percentages grondgebied, mede omdat het slagveld deels dynamisch is. In algemene termen kan worden gesteld dat het grondgebied dat door het Vrije Syrische Leger wordt beheerst krimpende is en het bewind en ISIS het meeste grondgebied controleren, waarbij het regimedeel verreweg de meeste inwoners bevat. Deze situatie bestaat al sinds de slag om Qusayr in 2013 en de opmars van ISIS in Oost-Syrië in 2014.

Vraag 29:

Geeft Nederland politieke steun aan wapenleveranties aan gematigde gewapende groepen c.q. het Vrije Syrische Leger door andere landen, zoals de VS en Frankrijk? Zo nee, waarom niet?

Antwoord op vraag 29

Zoals ook aangegeven in de brief van 14 oktober 2014 (Kamerstuk 32 623, nr. 140) brengt gewapende steun aan de gematigde Syrische oppositie risico’s met zich mee. Het kabinet overweegt dergelijke steun op dit moment niet. Het kabinet heeft er echter begrip voor als andere landen tot een andere afweging komen.

Vraag 30:

Ziet Nederland wapenleveranties aan gematigde gewapende groepen c.q. het Vrije Syrische Leger in Syrië als strijdig met het internationaal recht? Zo nee, waarom niet?

Antwoord op vraag 30:

Het bewapenen van gewapende oppositiegroepen door derde staten is in strijd met het internationaal recht op grond van het geweldverbod en het non-interventiebeginsel, tenzij daarvoor een uitzonderingsgrond bestaat, zoals het recht op zelfverdediging of een resolutie van de VN Veiligheidsraad op basis van hoofdstuk VII van het Handvest. De rechtmatigheid van wapenleveranties kan daarom alleen van geval tot geval worden beoordeeld.

Vraag 31:

Wat is de verwachting waartoe extra steun, gewapend en niet-gewapend, aan gematigde gewapende groepen c.q. het Vrije Syrische Leger zal leiden? Is de verwachting dat daardoor het Assad-regime en ISIS verslagen kunnen worden?

Antwoord op vragen 27 en 31:

Zoals beschreven in de brief van 15 december 2014 (Kamerstuk 27 925, nr. 526) zijn de gematigde gewapende groepen in Syrië een belangrijke gesprekspartner, zowel bij het zoeken naar een politieke oplossing voor de burgeroorlog in Syrië als in de strijd tegen ISIS en andere jihadistische organisaties. Ondersteuning van deze groepen is belangrijk voor het voorkomen dat de gematigde oppositie verder wordt gemarginaliseerd. De assistentie is daarnaast op gericht de gematigde Syrische oppositie in staat te stellen een geloofwaardig alternatief te vormen voor Assad én ISIS. Hiervoor ligt ook een verantwoordelijkheid bij de oppositie zelf: alleen als die zichzelf sterker verenigt en beter organiseert, kan ze een politieke factor van belang worden.

Vraag 32:

Overweegt Nederland een bijdrage te leveren aan het trainen van militanten van gematigde gewapende groepen c.q. het Vrije Syrische Leger in Syrië?

Antwoord op vraag 32:

Nederland concentreert zich op de trainingsinzet in Irak. Deze inzet wordt momenteel voorbereid. Trainingsinzet in Syrië wordt momenteel niet voorzien.

Vraag 33:

Hoe beoordeelt u de berichtgeving (http://www.nytimes.com/2014/12/28/world/as-syrias-revolution-sputters-a-chaotic-stalemate.html?_r=2) dat eenheden van het Vrije Syrische Leger gedwongen zijn hetzij onder de paraplu van extremisten te opereren, hetzij ondergronds te gaan, hetzij te vluchten? Hoe realistisch is uw ambitie om steun te verlenen aan «gematigde groepen» zodat zij effectief kunnen blijven opereren?

Antwoord op vraag 33:

Veel gematigde strijdgroepen staan onder druk door hun tweefrontenstrijd tegen ISIS en het Syrische bewind. Ook streng religieuze strijdgroepen voeren deze strijd. Laatstgenoemden zijn soms beter georganiseerd of hebben meer middelen of mankracht in een specifiek gebied en zijn in dat geval dominant. Deze situatie verschilt per regio. Verder wordt verwezen naar de beantwoording van vraag 35 en 36.

Vraag 34:

Kunt u een schatting geven hoeveel Syrische rebellen in het afgelopen jaar zijn overgelopen naar ISIS of Al Nusra?

Antwoord op vraag 34:

Het is onbekend hoeveel personen van andere gewapende strijdgroepen de afgelopen periode naar ISIS zijn overgestapt. Wel is bekend dat sinds de successen van ISIS en het uitroepen van het Kalifaat in juni 2014 de aantrekkingskracht van ISIS is vergroot, waardoor leden van andere strijdgroepen (waaronder jihaditische groepen), zich bij ISIS hebben aangesloten. Ook heeft ISIS bij haar opmars andere strijdgroepen vernietigd, verdreven of ontwapend, waardoor individuele strijders en kleinere facties zich al dan niet gedwongen of uit pragmatisme bij ISIS hebben aangesloten. Ten opzichte van ISIS is de aantrekkingskracht van Jabhat al Nusra gedurende het afgelopen jaar dan ook afgenomen.

Vraag 35:

Hoe beoordeelt u de berichtgeving over de deplorabele situatie waarin het Vrije Syrische Leger (VSL) zich bevindt (http://www.volkskrant.nl/buitenland/eerst-vluchtte-ik-voor-assad-nu-voor-het-vrije-leger~a3823565/)? Kunt u hierbij ingaan op de volgende aspecten: – dat het VSL niet langer «gematigd» zou zijn – met een imagoprobleem kampt – militair ernstig verzwakt is – uiteengevallen is in tientallen splintergroeperingen – steeds radicaal-islamitischer wordt?

Antwoord op vraag 35:

Zie vraag 36.

Vraag 36:

Hoe beoordeelt u de berichtgeving (http://www.volkskrant.nl/buitenland/eerst-vluchtte-ik-voor-assad-nu-voor-het-vrije-leger~a3823565/) dat het Vrije Syrische Leger uiteengevallen zou zijn in vele splintergroeperingen die allemaal hun eigen agenda hebben, die gedicteerd wordt door radicaal-islamitische sponsoren uit Saudi-Arabië en Qatar?

Antwoord op vragen 35 en 36

Het kabinet is bekend met de berichtgeving over het Vrije Syrische Leger. Vanaf de start van de militaire opstand tegen het Syrische bewind zijn op lokaal niveau allerlei strijdgroepen ontstaan. Deze opereren soms gecoördineerd, maar soms ook los van elkaar. Geconfronteerd met een acute bedreiging van het bewind, treden de losse strijdgroepen doorgaans eensgezind op, ongeacht hun ideologische achtergrond. Daar staat tegenover dat de gebrekkige logistieke verzorging van de strijdgroepen soms ook leidt tot rivaliteit en/of hen noopt tot pragmatische akkoorden met externe sponsoren. Het gebrek aan structurele steun heeft een negatief effect op het optreden van de gematigde strijdgroepen. Het is mede daarom van belang hen te steunen omdat dit bijdraagt aan een gecoördineerde strijd tegen Assad en ISIS.

Vraag 37:

Wat is het resultaat van het Nederlandse pleidooi voor een betere inbedding van de militaire actie in een politieke strategie en voor betere coördinatie tussen de militaire en niet-militaire sporen? Hoe is hierop gereageerd?

Antwoord op vraag 37:

Het kabinet heeft zowel bij het militaire planningsproces als bij de coalitievergadering in Brussel op 3 december jl. en in bilaterale contacten met coalitielanden gepleit voor de inbedding van de militaire actie in een politieke strategie. Het kabinet vindt daarbij gehoor bij een aantal belangrijke partners, zoals Denemarken, Duitsland en Frankrijk. Nederland blijft pleiten voor deze benadering langs de vier sporen zoals genoemd in de Kamerbrief d.d. 15 december 2014.

Vraag 38:

Wat zijn de gemeenschappelijke belangen die Nederland deelt met Saoedi-Arabië?

Antwoord op vraag 38:

Zowel Nederland als Saoedi-Arabië maakt deel uit van de internationale coalitie tegen ISIS. Beide landen hechten zeer aan het belang van regionale stabiliteit en hebben een duidelijk gemeenschappelijk belang in het bestrijden van internationaal terrorisme en ISIS in het bijzonder.

Vraag 39:

Wanneer gaat de termijn in van «in beginsel één jaar» voor de ondersteuning met training en advies van de Iraqi Security Forces en Peshmerga?

Antwoord op vraag 39:

Het mandaat voor de trainingsmissie loopt synchroon met het mandaat voor de Nederlandse bijdrage aan de luchtcampagne. Dit mandaat is op 2 oktober 2014 ingegaan.

Vraag 40:

Hoeveel luchtaanvallen zijn er door de coalitie uitgevoerd sinds de start van de militaire strijd tegen ISIS in Irak en Syrië? Welk percentage hiervan is door de VS uitgevoerd?

Antwoord op vraag 40:

Zie antwoord op vraag 59.

Vraag 41:

Is het waar dat de opmars van ISIS in Irak in bepaalde gebieden is gestopt of dat ISIS in de verdediging is gedrongen, maar dat in andere gebieden ISIS juist meer gebied heeft kunnen veroveren?

Antwoord op vraag 41:

De opmars van ISIS in Irak is gedeeltelijk gestopt, maar ISIS heeft nog enige bewegingsruimte, vooral in West-Irak. ISIS heeft in de laatste twee maanden in Irak enkel terrein verloren.

Vraag 42:

Leven er nu meer of minder mensen onder gezag van ISIS dan toen de luchtaanvallen van de coalitie begonnen?

Antwoord op vraag 42:

Het is niet bekend hoeveel mensen in door ISIS gedomineerd gebied verblijven. Wel is sinds de aanvang van de coalitiebombardementen het gebied onder controle van ISIS verkleind. Het is niet bekend hoeveel mensen dagelijks het gebied in- en uitreizen of het gebied ontvluchten.

Vraag 43:

Kan worden toegelicht of het Iraakse leger of aan de Iraakse regering loyale milities en strijdkrachten sinds de luchtaanvallen van de coalitie betrokken zijn geweest bij schendingen van het internationaal recht, zoals etnische of religieuze zuiveringen van soennitisch gebied? Hoe treedt de coalitie hier tegen op?

Antwoord op vraag 43:

Het kabinet is zich bewust van de zorgwekkende berichten over mensenrechtenschendingen door verschillende strijdgroepen in Irak, waaronder ook aan de Iraakse overheid gelieerde milities. Het kabinet blijft er zowel in multilateraal als bilateraal verband bij de Iraakse autoriteiten op aandringen dat mensenrechtenschendingen voorkomen dienen te worden. Tijdens zijn recente reis aan Bagdad en Erbil heeft de Minister van Buitenlandse Zaken zijn zorgen over dit specifieke onderwerp samen met de Europese Hoge Vertegenwoordiger Mogherini met de Iraakse autoriteiten besproken. Daarnaast zal in de door de coalitie te verzorgen trainingen de nodige aandacht worden besteed aan internationale mensenrechten en internationaal humanitair recht.

Vraag 44:

Is de stroom jihadisten vanuit Europa richting Irak en Syrië toe- of afgenomen sinds de luchtaanvallen van de coalitie? Hoe wordt dit verklaard?

Antwoord op vraag 44:

De toestroom van buitenlandse jihadisten gaat gestaag door. In de zomer van 2014 was er een relatieve stijging in de toename van jihadistische uitreis vanuit Nederland. Er zijn geen aanwijzingen dat jihadisten zich in hun uitreisplannen laten ontmoedigen door de luchtaanvallen van de internationale coalitie, noch dat de luchtaanvallen een sterkere toename van jihadistische uitreis veroorzaken.

Vraag 45:

Speelt het westerse Midden-Oosten-beleid een rol in de rekrutering van terroristen? Zo ja, welke?

Antwoord op vraag 45:

De stroom jihadisten vanuit Europa werd een aantal maanden geleden geschat op 3000. De redenen waarom personen uit reizen en deelnemen aan ISIS verschillen per persoon. Er kan worden gesteld dat voor de jihadisten die actief zijn in de regio, de luchtaanvallen een aanvullende reden zijn om anderen aan te sporen om eveneens deel te nemen aan de gewapende strijd met als argument dat «broeders en zusters» gedood en verwond worden. Voor de groeicijfers van de jihadistische uitreizenden zijn hiervoor echter geen concrete aanwijzingen, zie ook het antwoord op vraag 44. Het kabinet neemt allerlei maatregelen om rekrutering en uitreizen richting Syrië en Irak te voorkomen maar kan daar geen exact aantal aan koppelen.

Vraag 46:

Hoeveel jihadstrijders heeft Nederland al weten te weerhouden uit te reizen?

Antwoord op vraag 46:

Zie antwoord op vraag 47.

Vraag 47:

Hoeveel mannen en vrouwen hebben, voor zover het kabinet bekend, een poging gedaan uit te reizen met als doel voor ISIS te gaan strijden?

Antwoord op vraag 46 en 47:

Het kabinet doet onderzoek naar personen die (willen) uitreizen naar Syrië en Irak. Bekend is dat 180 personen zijn uitgereisd naar Syrië en Irak, waarvan er 35 zijn teruggekeerd en 21 zijn omgekomen. Over precieze cijfers van het aantal pogingen tot uitreizen kan het kabinet in het openbaar geen uitspraak doen.

Vraag 48:

Welke inkomstenbronnen van ISIS worden het omvangrijkst geacht? Hoe omvangrijk zijn de belastingen die ISIS int in gebied onder zijn controle?

Antwoord op vraag 48:

Zie vraag 49.

Vraag 49:

Voor welke inkomstenbronnen is ISIS afhankelijk van het buitenland c.q. van gebieden die niet onder zijn controle staan? Hoe omvangrijk zijn deze inkomstenbronnen?

Antwoord op vragen 48 en 49:

Harde informatie over de inkomsten van ISIS is niet beschikbaar en schattingen lopen sterk uiteen. Volgens een recent VN-rapport (S/2014/815) lijkt ISIS het grootste deel van zijn inkomsten te halen uit de exploitatie van olievelden in Irak en Syrië. Het rapport noemt belastingen (afpersing), diefstal en losgeld als andere belangrijke inkomstenstromen. Donaties zijn volgens het rapport vergeleken met de andere inkomsten beperkt en lijken af te nemen.

Vraag 50:

Hoe hebben de luchtaanvallen van de coalitie het vergaren van financiële middelen door ISIS bemoeilijkt?

Antwoord op vraag 50:

De luchtaanvallen frustreren onder andere de mogelijkheden voor ISIS om inkomsten te generen uit de productie, raffinage en smokkel van olie(producten). Volgens het Internationaal Energie Agentschap zou de productiecapaciteit van ISIS zijn gedaald van bijna 70.000 vaten per dag naar 20.000 vaten per dag in oktober jl.

Vraag 51:

Wat zijn de gevolgen van de luchtaanvallen op inkomstenbronnen van ISIS voor de burgerbevolking in ISIS-gebied?

Antwoord op vraag 51:

De vermoedelijke daling van de inkomsten van ISIS kan gevolgen hebben voor het niveau van de publieke voorzieningen in door ISIS gecontroleerde gebieden, zoals stroomverzorging en waterzuivering. De precieze gegevens daarover zijn onbekend.

Vraag 52:

Heeft de recente daling van de olieprijs geleid tot een verstoring van de financieringsstromen van IS? Zo ja, hoe vangt IS deze daling van inkomsten op?

Antwoord op vraag 52:

Bekend is dat ISIS olie ver onder de internationale marktprijzen aanbiedt. Het is onduidelijk in hoeverre de ontwikkelingen op de internationale markten van invloed zijn op de inkomsten van ISIS.

Vraag 53:

Betreffende spoor 3, financieringsstromen, worden de sanctie of embargo mogelijkheden via de Europese Unie niet genoemd. Zijn deze wel onderdeel van de Nederlandse inzet in de strijd tegen ISIS?

Antwoord op vraag 53:

Maatregelen op EU-niveau zijn onderdeel van de Nederlandse inzet voor de strijd tegen ISIS. In zijn contra-terrorismestrategie voor Syrië en Iraq heeft de EU prioriteit gegeven aan de aanpak van de financiering van ISIS. Het kabinet steunt de actieve Europese inzet op dit terrein.

Vraag 54:

In hoeverre is de huidige uitwerking van de versoepeling van het olie-embargo van de Europese Unie ten opzichte van Syrië in april 2014 in overeenstemming met het doel van verstoring van de financieringsstromen van ISIS?

Antwoord op vraag 54:

Als gevolg van de EU-sancties ten aanzien van Syrië zijn de import, verkoop en het transport van olie afkomstig uit Syrië verboden, inclusief bijbehorende financiële assistentie en verzekeringen. Om humanitaire redenen kunnen EU-lidstaten echter ontheffing van dit verbod verlenen, als voldoende duidelijk is dat de activiteiten bedoeld zijn om de burgerbevolking te ondersteunen en personen of entiteiten op de VN- en EU-sanctielijsten daarvan niet zullen profiteren. Voorafgaand aan vergunningverlening moet de Syrische Oppositie Coalitie worden geconsulteerd. Bij deze versoepeling van het olie-embargo is zodoende rekening gehouden met het doel van het verstoren van de financieringsstromen van terroristische organisaties zoals ISIS. Bovendien zijn EU-lidstaten gebonden aan de uitvoering van de sanctiemaatregelen van de VN-Veiligheidsraad tegen ISIS.

Vraag 55:

In hoeverre is de focus op het verstoren van financieringsstromen, en dan met name de smokkel van ruwe olie, opgenomen in het plan voor de luchtcampagne?

Antwoord op vraag 55:

Objecten die alleen een economisch voordeel opleveren voor de tegenpartij maar geen daadwerkelijke bijdrage leveren aan oorlogshandelingen, zijn geen legitiem militair doelwit onder het voor Nederland toepasselijke humanitair oorlogsrecht. Het aanpakken van financieringsstromen en de olie-infrastructuur is daarom als zodanig niet mogelijk voor de Nederlandse F16 toestellen, behoudens bijvoorbeeld brandstofopslagplaatsen bij ISIS kampementen bedoeld voor de ISIS-voertuigen. Wel maakt het aanpakken van de financieringsstromen, en de oliesmokkel als onderdeel daarvan, deel uit van het totale pakket aan maatregelen dat tegen ISIS moet worden ondernomen.

Vraag 56:

Dragen de luchtaanvallen van de coalitie in Irak en Syrië bij aan het delegitimeren van ISIS? Zo ja, hoe?

Antwoord op vraag 56:

De luchtaanvallen van de coalitie zijn erop gericht om de opmars van ISIS te stuiten. Zie ook het antwoord op vraag 41. Daarnaast werkt de coalitie op een aantal andere sporen om ISIS te bestrijden, waaronder het delegitimeren van ISIS. Nederland draagt hier onder meer aan bij door het onderzoeksproject in Irak waar u per brief van 15 december over bent geïnformeerd. Zie hiervoor tevens het antwoord op vraag 57.

Vraag 57:

Worden de resultaten van het onderzoeksproject in Irak gepubliceerd? Zo ja, wanneer en in welke vorm? Zo nee, kan de Kamer inzage krijgen in deze onderzoeksresultaten en het vervolg?

Antwoord op vraag 57:

Het onderzoek, gericht op C-VE (counter violent extremism) activiteiten, is momenteel gaande en zal naar verwachting over enkele maanden resultaten opleveren, die met de Britse en Nederlandse overheid zullen worden gedeeld. Afhankelijk van de gevoeligheid van de resultaten, vooral met het oog op de veiligheid van de betrokkenen bij het onderzoek in Irak, zullen deze (ten dele) met uw Kamer kunnen worden gedeeld.

Vraag 58:

Wordt het campagneplan naar de Kamer gestuurd?

Antwoord op vraag 58:

Nee, het campagneplan is gerubriceerd.

Vraag 59:

Hoeveel luchtaanvallen hebben Nederlandse F-16’s uitgevoerd?

Antwoord op vraag 40 en 59:

Nederlandse F16’s hebben tot 7 januari 2015 meer dan 200 luchtaanvallen uitgevoerd in Irak. Over de luchtaanvallen van coalitiepartners worden geen uitspraken gedaan.

Vraag 60:

Welk land of welke landen leveren de inlichtingen op basis waarvan Nederlandse F-16’s aanvallen uitvoeren?

Antwoord op vraag 60:

Over operationele aspecten worden in het openbaar geen mededelingen gedaan.

Vraag 61:

Hoeveel strijders zijn omgekomen bij luchtaanvallen van Nederlandse F-16’s en hoeveel burgers? Wat wordt op de grond in Irak gedaan om dit te verifiëren? Welke definitie van strijders wordt gehanteerd?

Antwoord op vraag 61:

Het doel van de Nederlandse bijdrage aan de luchtcampagne is het stoppen van de opmars van ISIS in Irak. De doelen die Nederland hierbij aanvalt bestaan hoofdzakelijk uit ISIS-hoofdkwartieren, opslagplaatsen, fabrieken waar improvised explosive devices (IED’s) worden gemaakt, voertuigen en ISIS-strijders. Strijders zijn personen die binnen ISIS aantoonbaar als taak hebben om direct deel te nemen aan het gevecht en personen die op het moment van een aanval direct deelnemen aan het gevecht aan de zijde van ISIS. Onder directe deelname valt ook het op de gevechtslocaties bevoorraden of ondersteunen van ISIS strijders en het aansturen van ISIS-operaties.

Het is niet mogelijk een volledig en betrouwbaar overzicht op te stellen van het aantal omgekomen strijders en burgerslachtoffers in ISIS-gebied door handelingen van ISIS, de Iraakse en Koerdische strijdkrachten of de internationale coalitie. De reden hiervoor is dat het moeilijk of soms zelfs onmogelijk is een gedetailleerde battle damage assessment specifiek ten aanzien van dit aspect op de grond te laten uitvoeren. De veiligheidssituatie laat dit niet toe, doden worden in de moslimgemeenschap binnen 24 uur begraven en de bevolkingsregistratie laat te wensen over, zeker in de nu door ISIS-gecontroleerde gebieden. Meldingen van vermeende burgerslachtoffers zullen door de coalitie uiterst serieus worden genomen en onmiddellijk onderzocht.

Vraag 62:

Waren alle aanvallen van Nederlandse F-16’s op doelen van ISIS?

Antwoord op vraag 62:

Ja.

Vraag 63:

Welke andere groepen dan ISIS hebben andere landen van de coalitie in Irak en Syrië aangevallen?

Antwoord op vraag 63:

Over de aanvallen van coalitiepartners worden geen uitspraken gedaan.

Vraag 64:

Heeft u meer informatie over de omvang van de militaire eenheden van de Peshmerga in Erbil? Is de omvang van de eenheden voldoende om een effectieve training te kunnen realiseren?

Antwoord op vraag 64:

De exacte omvang van de Peshmerga is op dit moment niet bekend, maar wordt geschat op 100.000. Hiermee is er voldoende aanbod om effectief te kunnen trainen.

Vraag 65:

Heeft de voortgang van de strijd tegen ISIS, en de daarmee gepaard gaande behoefte aan strijders, invloed op de beschikbaarheid van militaire eenheden voor training?

Antwoord op vraag 65:

De trainingen zijn juist bedoeld om de Iraakse eenheden, inclusief de Peshmerga, beter voor te bereiden op een tegenoffensief tegen ISIS. Er zijn in Irak voldoende militaire eenheden aanwezig om een cyclus te bewerkstelligen waarbij inzet en training beiden kunnen worden gefaciliteerd.

Vraag 66:

Zal er tijdens de trainingen gebruik gemaakt worden van de eerdere door Nederland ontwikkelde trainingsmodules?

Antwoord op vraag 66:

Voor de training van Iraakse Special Operations Forces (SOF) in Bagdad maken Nederlandse SOF-trainers gebruik van reeds door de Amerikanen ontwikkelde trainingsprogramma’s. Gaandeweg het proces zal worden bezien of deze trainingsprogramma’s aanpassingen behoeven. Hierbij zal ook worden geput uit eerdere Nederlandse ervaringen in bijvoorbeeld Afghanistan.

In Erbil is met Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Italië en autoriteiten van de Koerdisch Autonome Regio een trainingsprogramma opgezet dat momenteel middels een proeftraining wordt uitgevoerd en geëvalueerd. Ook hier zijn naast de ervaringen van eerder genoemde landen ook eerdere Nederlandse ervaringen meegenomen.

Vraag 67:

In het geval de vulling van de trainingen onvoldoende is of achterblijft bij de verwachtingen, is er voldoende flexibiliteit voor het aanpassen van de trainingen dan wel het trainingsconcept gedurende de duur van de missie?

Antwoord op vraag 67:

Zie antwoord op vraag 68.

Vraag 68:

Mocht de Iraakse behoefte aan de opzet en inhoud van de trainingen wijzigen, is er voldoende flexibiliteit voor het aanpassen van de trainingen dan wel het trainingsconcept gedurende de duur van de missie?

Antwoord op vraag 67 en 68:

De opzet en inhoud van de trainingen is vraaggestuurd, flexibel van aard, en kan op ieder gewenst moment worden aangepast aan de veranderende situatie. Naar gelang de vraag kunnen trainingen worden ingekort, tijdelijk opgeschort of op meerdere locaties worden uitgevoerd. Ook kunnen trainingsgroepen groter en kleiner worden gemaakt.

Vraag 69:

Wordt door alle deelnemende landen precisiemunitie gebruikt? Indien dit niet het geval is, welke andere typen munitie worden gebruikt en door welke landen?

Antwoord op vraag 69:

Alle landen binnen de coalitie gebruiken precisiewapens.

Vraag 70:

Wordt er van Forward Air Controllers van partnerlanden gebruik gemaakt?

Antwoord op vraag 70:

Ja.

Vraag 71:

Betekent een eventuele inzet van Forward Air Controllers dat er sprake is van combat boots on the ground? Zo nee, waarom niet?

Antwoord op vraag 71:

De forward air control taak kan op verschillende manieren worden vormgegeven. Hierbij hoeft geen sprake te zijn van combat boots on the ground. Om operationele redenen worden hierover in het openbaar geen verdere mededelingen gedaan. Zie ook het antwoord op vraag 2.

Vraag 72:

Wanneer wordt verwacht dat coalitielanden die nog geen definitief besluit hebben genomen over deelneming aan de trainingsmissie, uitsluitsel geven?

Antwoord op vraag 72:

Nederland trekt in de voorbereiding van de trainingsmissie nauw op met coalitiegenoot Duitsland. Duitsland heeft medio december besloten trainingen in de Koerdisch Autonome Regio te gaan verzorgen en hier ook de coördinerende rol voor te willen vervullen. De Duitse regering verwacht midden januari een parlementair mandaat voor deze activiteiten te krijgen. Andere partners met wie Nederland samenwerkt, zoals Italië en het Verenigd Koninkrijk, zijn al met trainers in Erbil aanwezig. Ook in Bagdad zijn meerdere coalitiegenoten reeds aanwezig waardoor eventueel uitblijvende beslissingen van andere coalitiegenoten de ontplooiing en effectiviteit van de Nederlandse inspanningen niet raken.

Vraag 73:

Mochten coalitielanden niet of met vertraging akkoord gaan, heeft dat gevolgen voor de Nederlandse voorbereidingen en inzet?

Antwoord op vraag 73:

Zie antwoord op vraag 72.

Vraag 74:

Is bekend op welke locaties de training van de Peshmerga-eenheden zal plaatsvinden? Beschikken de Peshmerga-eenheden over voldoende veilige kazernes om deze taak in te verrichten?

Antwoord op vraag 74:

In de regio Erbil zijn acht mogelijke trainingslocaties geïdentificeerd. De uiteindelijke keuze voor trainingslocaties en de inzet van de coalitiepartners op deze locaties is nog niet vastgesteld en sterk afhankelijk van de wensen van het Koerdische bestuur. Momenteel vinden verkenningen plaats om de geschiktheid van de diverse locaties te bepalen. Hierbij speelt de veiligheid van het eigen personeel een grote rol.

Vraag 75:

Belangrijke voorwaarden zijn de beschikbaarheid van het trainingspubliek en goede trainingslocaties alsmede de lesprogramma’s. Is er een tussentijds evaluatie moment, waarbij de opzet en inhoud van de trainingen kan worden aangepast indien nodig?

Antwoord op vraag 75:

Zie antwoord op vragen 67 en 68.

Vraag 76:

Is er een minimum aantal deelnemers voor een lesprogramma c.q. training vastgesteld?

Antwoord op vraag 76:

De verhouding trainers en cursisten is flexibel. Vooralsnog wordt uitgegaan van een gemiddeld aanbod van 120 cursisten per training.

Vraag 77:

Wordt in een later stadium geëvalueerd of de opgeleide eenheden in zowel Erbil als Bagdad zich houden aan het humanitair oorlogsrecht? Is er een evaluatie mechanisme om hier op toe te zien?

Antwoord op vraag 77:

In de trainingen in Bagdad en Erbil wordt aandacht besteed aan het humanitair oorlogsrecht. Het is de verantwoordelijkheid van de Iraakse overheid om mensenrechtenschendingen te voorkomen of te berechten. Zie verder het antwoord op vraag 43.

Vraag 78:

Zijn er voldoende Special Operation Forces (SOF) en Peshmerga’s om te trainen?

Antwoord op vraag 78:

Ja. Zie ook het antwoord op vragen 64 en 65.

Vraag 79:

Hoe verhoudt de Nederlandse bijdrage zich tot de Duitse bijdrage? Is de Duitse bijdrage een voorwaarde voor de Nederlandse trainingsmissie?

Antwoord op vraag 79:

Nederland hecht eraan dat de trainingsmissie vorm krijgt in coalitieverband om te verzekeren dat de bijdrage bij het campagneplan past en aansluit op de Iraakse behoefte. Duitsland en Nederland hebben goede afspraken gemaakt over de gezamenlijke bijdrage aan de trainingsmissie in Erbil. Hierbij is afgesproken dat Duitsland een coördinerende rol zal spelen.

Vraag 80:

Welke concrete afspraken zijn gemaakt met de Peshmerga-eenheden om invulling te geven aan hun verantwoordelijkheid voor de veiligheid van het Nederlandse team?

Antwoord op vraag 80:

Er zijn afspraken gemaakt met het Ministerie van Peshmerga over het beveiligen van de trainingslocaties en de verplaatsingen naar deze locaties. Op de locatie zal afhankelijk van het dreigingsbeeld en ervaring ook worden voorzien in persoonlijke beveiliging. Op dit moment stelt het Ministerie van Peshmerga reeds op aanvraag personeel ter beschikking voor het beveiligen van verplaatsingen.

Vraag 81:

Wat zijn de taken van de SOF-eenheden die Nederland en andere landen van de coalitie voornemens zijn te trainen? Maakt targeted killing daar onderdeel van uit?

Antwoord op vraag 81:

Het takenpakket van SOF-eenheden bestaat uit drie hoofdtaken waaronder Direct Action. De inzet van Iraakse SOF is een verantwoordelijkheid van de regering van Irak.

Vraag 82:

Worden de Iraakse Special Operation Forces (SOF) enkel op de compound getraind of ook daarbuiten?

Antwoord op vraag 82:

Iraakse SOF worden enkel op de compound van de SOF-academie in Bagdad getraind.

Vraag 83:

Kunt u nader ingaan op de strafrechtelijke rechtsmacht over Nederlandse militairen in Jordanië? Waarom is geen volledige immuniteit van jurisdictie over handelingen van het personeel bedongen, zoals in Irak? Kunnen Nederlandse militairen vervolgd worden op basis van het Jordaanse strafrecht?

Antwoord op vraag 83:

Nederlandse militairen in Jordanië genieten op grond van de statusovereenkomst (SOFA) functionele immuniteit. Dat betekent dat Nederland voorrang van rechtsmacht heeft ten aanzien van strafbare feiten gepleegd tijdens de uitoefening van de dienst. Deze vorm van immuniteit komt overeen met die op grond van het NAVO Statusverdrag en is niet ongebruikelijk. Aangezien het personeel alleen in functie in Jordanië aanwezig is en gelet op de goede betrekkingen tussen Nederland en Jordanië is de kans dat Nederlands personeel in Jordanië het risico loopt lokaal te worden vervolgd, bijzonder klein. In Irak is geen SOFA van kracht. Irak heeft middels een note verbale aangegeven aan het Nederlands personeel een status toe te kennen overeenkomstig die van technisch en administratief personeel onder het Verdrag van Wenen inzake diplomatieke betrekkingen. Het toekennen van die status aan militaire eenheden in het kader van een militaire operatie is ongebruikelijk, maar was in dit geval de wens van de Iraakse regering. Er zijn, naast Nederland, meerdere coalitiegenoten die de rechtsbescherming van hun militair personeel middels een dergelijke note verbale hebben geregeld.

Vraag 84:

Welke bijdrage gaat Nederland leveren aan het Strategic Response Plan (SRP) en het Regional Refugee and Resilience Plan (3RP), naast de bijdrage van 12 miljoen euro uit het Relief Fund die al zijn toegezegd?

Antwoord op vraag 84:

Zoals toegezegd in de kamerbrief «Toezegging noodhulp voor Syrische vluchtelingen in 2015» van 3 december 2014 (Kamerstuk 32 623, nr. 144) zal ook in 2015 een substantiële bijdrage worden geleverd aan de hulpverlening aan Syrische vluchtelingen en ontheemden. In 2015 zal in ieder geval 12 miljoen euro uit het Relief Fund beschikbaar wordt gesteld. Zoals ieder jaar stuurt het kabinet binnenkort een brief naar de Kamer waarin, naast een overzicht van alle humanitaire bijdragen in 2014, de indicatieve planning van alle humanitaire bijdragen voor het komend jaar is opgenomen. In de indicatieve planning zal op basis van het totaaloverzicht van de wereldwijde noden en hulpverzoeken tevens worden vastgesteld hoe de desbetreffende bijdragen worden besteed. Het ligt voor de hand dat de Syrië crisis in deze planning een prominente plaats inneemt.

Vraag 85:

Het Wereldvoedselprogramma (WFP) luidde begin december de noodklok over het financieringstekort voor voedselhulp aan vluchtelingenkampen en op 5 januari jl. heeft UNICEF naar buiten gebracht dat meer dan 10 procent van ontheemde Syrische kinderen in drie provincies, Hama, Aleppo en Deir-ez-Zor, ondervoed is. Op welke wijze heeft u andere donoren aangesproken op het feit dat zij te lang wachten met het uitbetalen van hun toegezegde bijdrage? Zo ja, wat is hiervan het resultaat en verwacht u dat de voedselhulpprogramma's beter gefinancierd zullen worden? En zo nee, waarom heeft u dit nog niet gedaan?

Antwoord op vraag 85:

Tijdens zowel de Raad Ontwikkelingssamenwerking/Buitenlandse Zaken van 12 december 2014 en de Raad Buitenlandse Zaken 15 december 2014 hebben de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en de Minister van Buitenlandse Zaken de problemen van het World Food Programme (WFP) met betrekking tot de hulpverlening aan Syrische vluchtelingen opgebracht. Deze problemen zijn ontstaan door de tijd tussen toezeggingen en het overmaken van middelen door donoren. De Minister heeft het belang onderstreept van het terugbrengen van dit tijdsverloop en iedereen opgeroepen hiervan werk te maken. Zeker als er al jaren wordt samengewerkt met bepaalde ontvangers, moeten administratieve lasten kunnen worden teruggebracht zodat tijdwinst kan worden geboekt.

Op 18 december 2014 heeft Nederland, tijdens een bijeenkomst van het WFP met donoren, het belang benadrukt dat donoren hun toezeggingen nakomen. Ook werd men hierbij aangespoord om te zoeken naar een innovatieve benadering van logistieke, aanbestedings- en ICT-processen.

Saoedi Arabië, Duitsland en de EU hebben gereageerd op de zorgwekkende berichten van WFP door respectievelijk 42 miljoen euro, 15 miljoen euro en 5,5 miljoen euro beschikbaar te stellen. WFP kondigde aan dat de voedseldistributie daardoor kan worden gecontinueerd.

Vraag 86:

Bent u op de hoogte van de waarschuwing van UNICEF en Save the Children in december dat het aantal kindhuwelijken onder Syrische vluchtelingen in Jordanië snel groeit? (In 2012 was dit nog 18 procent en in 2014 was dit al 32 procent). Zo ja, hoe zetten Nederland en de internationale gemeenschap zich in om meisjes in vluchtelingenkampen beter te beschermen? En zo nee, bent u bereid zich in te zetten voor betere bescherming van meisjes in vluchtelingenkampen?

Antwoord op vraag 86:

Ja. Nederland steunt een project van UNWomen dat wordt uitgevoerd in het Za’atari kamp in Jordanië en dat vrouwen in staat stelt economische activiteit te ontplooien, waarmee hun zelfstandigheid toeneemt en kwetsbaarheid afneemt.

In alle humanitaire noodsituaties, zowel als gevolg van natuurrampen als van gewapend conflict, zijn vrouwen en kinderen extra kwetsbaar. Voor het kabinet is dit reden om bij de vormgeving en uitvoering van humanitaire hulpprogramma’s er op toe te zien dat al het mogelijke wordt gedaan om vrouwen en kinderen te beschermen en dat passende maatregelen worden getroffen om tegen te gaan dat met name zij onevenredig zwaar worden getroffen. Aandacht voor kwetsbare groepen is één van de speerpunten van het Relief Fund. Jaarlijks draagt het kabinet uit het Relief Fund onder meer 15 miljoen euro ongeoormerkt bij voor noodhulp aan UNICEF, de organisatie die op dit terrein over een duidelijk mandaat beschikt.

Vraag 87:

Via welke kanalen is de in uw brief genoemde bijdrage van 17,3 miljoen euro, die Nederland sinds juni 2014 heeft geleverd voor humanitaire hulp in Irak, uitgegeven? Hoeveel middelen zult u onder het Relief Fund van 2015 vrijmaken voor de Internally Displaced Persons (IDP’s) in Irak?

Antwoord op vraag 87:

In 2014 is in totaal 20,2 miljoen euro bijgedragen aan humanitaire hulp aan Noord-Irak, via het Nederlandse Rode Kruis (1,4 miljoen), ICRC (4 miljoen), WFP (5 miljoen), een joint appeal van Nederlandse NGO’s (8 mln), Handicap International en MAG (1,5 miljoen aan ontmijning en het leveren van hulpgoederen in eigen beheer (0,3 miljoen)). U wordt begin 2015 per kamerbrief geïnformeerd over de indicatieve planning van de humanitaire bijdragen in 2015, inclusief een eventuele bijdrage aan hulpbehoevenden in Irak.


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl