Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2000-2001
Kamerstuk 25877 nr. 14

Gepubliceerd op 23 maart 2001
Toon volledige inhoudsopgave

Gerelateerde informatie


Toon alle stukken in dossier



25 877
Regels met betrekking tot de inlichtingen- en veiligheidsdiensten alsmede wijziging van enkele wetten (Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 19..)

nr. 14
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET NADER VERSLAG

Ontvangen 19 maart 2001

1. ALGEMEEN

De regering heeft met belangstelling kennis genomen van de bijdragen van de leden van de fracties van PvdA, VVD, CDA, D66, RPF, SGP, GPV en van GroenLinks. Mede namens de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, de Minister van Defensie en de Minister van Justitie reageer ik als volgt op deze bijdragen. Uit deze bijdragen menen wij op te mogen maken dat enkele van de door ons voorgestelde wijzigingen in de (eerste) nota van wijziging, met name op het punt van de introductie van een notificatieplicht en de aanpassingen met betrekking tot diverse aspecten aan het functioneren van de onafhankelijke commissie van toezicht, in brede zin op instemming kunnen rekenen en duidelijk als een verbetering worden ervaren. Enkele andere door ons voorgestelde wijzigingen vergen – zo blijkt uit het nader verslag – voor enkele fracties nog nadere uitleg- bijvoorbeeld waar het de introductie van het begrip «nationale veiligheid» betreft – of worden (vooralsnog) als onwenselijk beschouwd – vergelijk het voorstel om het beroep tegen inzagebesluiten te beperken tot één (bestuurs)rechterlijke instantie. Wij hopen in het onderstaande en met de bij deze nota naar aanleiding van het nader verslag gevoegde tweede nota van wijziging, dan ook de (nog) bestaande onduidelijkheden en aarzelingen weg te kunnen nemen. Het streven van de regering blijft erop gericht het wetsvoorstel op een zo kort mogelijke termijn tot wet te doen verheffen en in werking te doen treden. Daarbij wordt uitgegaan van een tijdstip in de tweede helft van 2001.

Het voorstel van wet is op 30 mei 2000 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen, notificatienummer 2000/282/NL ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van richtlijn nr. 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (pbEG L 204), zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 98/48/EG van 20 juli 1998 (pbEG L 217).

Op 31 augustus 2000 hebben wij de uitvoerig gemotiveerde mening (UGM) van de Commissie ontvangen. Op deze UGM heeft de Nederlandse regering op 14 december 2000 geantwoord. In dit antwoord heeft de regering een tweetal wijzigingen van het wetsvoorstel in het vooruitzicht gesteld, te weten het schrappen van het onderzoek naar vitale economische belangen als afzonderlijke taak van de AIVD en het schrappen van artikel 30 dat voorziet in optreden van de diensten zonder dat daarvoor een specifieke wettelijke grondslag aanwezig is. Deze wijzigingen, waartoe overigens vooral op grond van de inbreng vanuit de Kamer is besloten, zijn vervat in de tweede nota van wijziging en worden in de toelichting bij die nota nader besproken.

Alvorens in te gaan op de verschillende vragen en opmerkingen wensen wij eerst enkele kanttekeningen te plaatsen naar aanleiding van hetgeen in het algemeen deel van het nader verslag is gesteld, in het bijzonder waar het de inbreng van de leden van de fractie van GroenLinks betreft.

Het is en was ons niet onbekend dat de leden van de fractie van GroenLinks een kritische houding aannemen ten aanzien van het bestaan van een overheidsinstelling als de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD). Afschaffing van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten is – naar nu blijkt uit de inbreng voor het nader verslag – voor de leden van de fractie van GroenLinks een reële optie; daarbij zouden bepaalde taken en activiteiten naar andere, bestaande overheidsinstellingen dienen te worden overgeheveld. Hoewel wij enigszins verwonderd waren over het feit dat pas in deze fase van de parlementaire behandeling in feite de vraag naar het bestaansrecht van inlichtingen- en veiligheidsdiensten door de leden van deze fractie werd opgeworpen, moet een inhoudelijke – zij het dan wel op juiste feiten gebaseerde – discussie hierover niet uit de weg worden gegaan. De behandeling van het onderhavige wetsvoorstel waarbij wordt beoogd de activiteiten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten op een zodanige wijze te normeren, dat daarbij wordt voldaan aan de eisen die in een democratische rechtsstaat daaraan heden ten dage moeten worden gesteld, vormt immers bij uitstek de gelegenheid om bij de rol en de betekenis van inlichtingen- en veiligheidsdiensten binnen de Nederlandse samenleving stil te staan. Wij zouden dat in concreto willen doen door in te gaan op de beweegredenen die de leden van de fractie van GroenLinks menen te ontwaren aan de indiening van het voorliggend wetsvoorstel.

De leden van de fractie van GroenLinks stelden allereerst dat het wetsvoorstel is aangegrepen om aan een groot aantal verlangens van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten tegemoet te komen; zo zou de gelegenheid te baat zijn genomen om een vrijwel onbeperkte uitbreiding van de taken en bevoegdheden van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) te regelen. In dat verband riepen zij het beeld op van een staat in een staat, die geenszins zou passen bij een transparante en democratisch gecontroleerde overheid; daarmee – en in hun woorden – zou worden gevraagd om een toekomstig schandaal en/of parlementair onderzoek, nu inlichtingen- en veiligheidsdiensten mogen inbreken, stelen en onbeperkt afluisteren en waarvan de ambtenaren zelfstandig nieuwe bevoegdheden mogen uitschrijven. Zij pleitten voor een discussie die zich richt op de taken die vervuld moeten worden voor het zekerstellen van een democratische rechtsorde en een veilige samenleving, en daarna op de vraag of daarvoor een aparte inlichtingen- en veiligheidsdienst nodig is. Alvorens in te gaan op deze laatste vraag, willen wij ingaan op de daaraan voorafgaande opmerkingen van de leden van de GroenLinks-fractie. Daarbij nemen wij overigens nadrukkelijk afstand van de door deze leden gehanteerde kwalificaties voor de rechtmatige uitoefening door deze diensten van door de formele wetgever aan hen voor een goede taakuitvoering toebedeelde (bijzondere) bevoegdheden; het geeft onzes inziens geen pas deze te vergelijken met «stelen» en «inbreken». Met het voorstel voor een nieuwe Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (WIV) wordt, zoals wij in de memorie van toelichting en in de nota naar aanleiding van het verslag al eerder hebben aangegeven, uitvoering gegeven aan het in 1995 met de Tweede Kamer besproken kabinetsstandpunt naar aanleiding van een tweetal uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In dat kabinetsstandpunt is aangegeven dat in het wetsvoorstel (a) de middelen die door de inlichtingenen veiligheidsdiensten worden ingezet zouden worden omschreven, (b) bepaald wordt dat de inzet van nieuwe middelen en de invulling van bepaalde operationele middelen vooraf met de commissie voor de Inlichtingenen Veiligheidsdiensten wordt besproken, (c) een regeling wordt getroffen voor het thans bij de BVD bestaande interne toetsingskader met betrekking tot de subsidiariteit en de proportionaliteit van de inzet van middelen in een concreet geval en (d) de omstandigheden waaronder deze middelen ingezet kunnen worden, nog meer verduidelijkt kunnen worden. In dit laatste verband is aangegeven dat werd overwogen het jaarverslag van de BVD daartoe wettelijk te regelen. Indien men deze in 1995 naar voren gebrachte voornemens beziet, dan moet men vaststellen dat het in feite om een codificatie gaat van een – binnen de kaders van de huidige Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten – bestaande situatie, die echter niet in alle opzichten wettelijk was geëxpliciteerd. Het is dus niet zo dat – zoals de leden van de GroenLinks-fractie in hun bijdrage stellen – het wetsvoorstel is aangegrepen om aan een groot aantal verlangens van de BVD en MID tegemoet te komen.

Daar komt bij dat in de loop der tijd het inzicht is gegroeid – zie ook de discussie die door het werk van de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden (commissie-Van Traa) daaromtrent is gevoerd – dat taken en bevoegdheden, zeker indien daarmee een inbreuk wordt gemaakt op grondrechten van burgers, nadrukkelijk normering behoeven; ook het internationale recht – in het bijzonder het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) alsmede de in dat kader gevormde jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) – noodzaken daartoe. Nu een uitputtende wettelijke regeling voor de activiteiten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in voorbereiding werd genomen, is bezien of voor een goede taakuitvoering van de diensten het noodzakelijk was ook andere – dan de bestaande – bevoegdheden (bijzondere inlichtingenmiddelen) in het wetsvoorstel op te nemen. Daaraan bleek inderdaad behoefte te bestaan; zo wordt onder meer voorgesteld om aan de diensten de bevoegdheid tot het openen van brieven toe te kennen. Voorts moet worden gedacht aan de bevoegdheid tot het overnemen van gegevens verwerkt in een geautomatiseerd werk (computervredebreuk) en het doorzoeken van besloten plaatsen. Per saldo gaat het naar ons oordeel dan ook om een beperkte èn te verdedigen uitbreiding van het huidige arsenaal aan bijzondere middelen dat de diensten ter beschikking dient te staan. Daarbij wordt opgemerkt dat deze uitbreiding voor de MIVD meer omvat, aangezien aan de MID thans niet de bevoegdheid tot tappen toekomt, die aan de BVD op grond van artikel 139c van het Wetboek van Strafrecht (in de vorm van een strafuitsluitingsgrond) in het belang van de veiligheid van de staat wel is toegekend. Verderop in deze nota naar aanleiding van het nader verslag zal overigens op enkele van de voornoemde onderdelen – bijvoorbeeld waar het de bevoegdheid tot het openen van brieven betreft – nog uitgebreider worden ingegaan.

In het wetsvoorstel wordt de inzet van de verschillende bijzondere bevoegdheden – een enkele uitgezonderd (zoals het opvragen van abonnee-gegevens bij aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare telecommunicatiediensten) – afhankelijk gemaakt van de toestemming van de verantwoordelijke minister of – tenzij nadrukkelijk anders is bepaald – in mandaat door het hoofd van de betreffende dienst; op onderdelen is ondermandaat mogelijk. In de nota naar aanleiding van het verslag1 is hierop uitvoerig ingegaan; wij verwijzen de leden van de GroenLinks-fractie naar ons betoog op de bladzijden 45 tot en met 50. De uitoefening van de verschillende bevoegdheden vindt dus altijd plaats onder ministeriële verantwoordelijkheid. De verantwoordelijke minister kan daarop – ook door het parlement en in het bijzonder door de commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten van de Tweede Kamer – worden aangesproken. Een ongecontroleerde bevoegdheidsuitoefening door de diensten, waarbij het schrikbeeld van de leden van de fractie van GroenLinks van een staat in de staat zou worden gerealiseerd, is dan ook volstrekt niet aan de orde. Integendeel, met het voorliggend wetsvoorstel wordt het optreden van inlichtingen- en veiligheidsdiensten binnen de grenzen die gelet op de nationale veiligheid altijd daaraan dienen te worden gesteld, niet alleen transparanter gemaakt (waarbij naar ons oordeel ruimschoots wordt voldaan aan de eis van kenbaarheid en voorzienbaarheid), maar wordt ook de controle daarop – parlementair en anderszins – verstevigd. Door zijn openheid en gedetailleerdheid omtrent taken en bevoegdheden van de diensten mag het wetsvoorstel in vergelijking met vergelijkbare wetgeving in de ons omringende landen dan ook als een unicum worden beschouwd.

2. DE DIENSTEN EN DE COÖRDINATIE TUSSEN DE DIENSTEN

2.2 De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD)

De leden van de fractie van de PvdA vroegen of het voorgestelde artikel 30 de toets van het EHRM kan doorstaan. Zij twijfelden of de burger bij de inzet van nog niet wettelijk vastgelegde middelen zal kunnen voorzien welke gevolgen uit een bepaalde handelwijze van een inlichtingen- of veiligheidsdienst kunnen voortvloeien. Verderop in het nader verslag stelden ook de leden van andere fracties kritische vragen over dit artikel.

Uit de jurisprudentie van het EHRM blijkt dat bij geheime maatregelen van de overheid die een beperking van het recht op privacy inhouden, de uit artikel 8 EVRM voortvloeiende eis van voorzienbaarheid een belangrijke rol speelt.1 Deze eis – zo blijkt uit die jurisprudentie – is terug te voeren tot de voorwaarde dat een beperking van het recht op privacy ingevolge artikel 8 EVRM «in accordance with the law» moet zijn. Deze voorwaarde houdt onder meer in «the law's foreseeability as to the meaning and nature of the applicable measures»2. Het voorgestelde artikel 30 geeft de bevoegdheid tot het verrichten van een handeling die niet is te herleiden tot een bevoegdheid die elders in paragraaf 3.2.2 van het wetsvoorstel is vermeld en die bij de uitvoering daarvan leidt of kan leiden tot beperking van het recht op privacy. Uit dit voorgestelde artikel is bij nader inzien in onvoldoende mate de aard («nature») van de desbetreffende handeling af te leiden. Dit brengt ons tot het oordeel dat het artikel niet voldoet aan één van de elementen van de eis van voorzienbaarheid en derhalve de toets van het EHRM waarschijnlijk niet zou doorstaan. In dit verband brengen wij in herinnering dat destijds in het voorontwerp van het wetsvoorstel bijzondere opsporingsbevoegdheden eveneens een «restartikel» voorkwam. Dat artikel maakte niet nader gespecificeerde opsporingsmaatregelen mogelijk die een lichte inbreuk op de privacy zouden kunnen opleveren. Op grond van onder meer het argument dat dit artikel in strijd werd geacht met de eis van voorzienbaarheid, is het artikel uiteindelijk niet in het desbetreffende wetsvoorstel opgenomen.3 Weliswaar kent artikel 30 uit het onderhavige wetsvoorstel verschillende procedurele waarborgen tegen misbruik van de gegeven bevoegdheid die het «restartikel» in het voorontwerp van het wetsvoorstel bijzondere opsporingsbevoegdheden ontbeerde, doch dat neemt niet weg dat de aard van de op grond van artikel 30 eventueel te nemen maatregelen onvoldoende voorzienbaar is. Een en ander heeft ertoe geleid dat dit artikel in de bij deze nota gevoegde nota van wijziging is komen te vervallen. Overigens komt de schrapping van artikel 30 ook tegemoet aan een bezwaar van de Europese Commissie in de zgn. uitvoerig gemotiveerde mening die zij in het kader van de notificatieprocedure heeft uitgebracht. Dit bezwaar was dat dit artikel mogelijk een schending oplevert van een aantal bepalingen uit de richtlijnen 95/46/EG en 97/66/EG, voor zover het artikel zou kunnen leiden tot een beperking van door beide richtlijnen beschermde belangen, zonder dat deze beperking neergelegd is in een«wettelijke maatregel». Ook de Commissie was van mening dat het voorgestelde artikel niet voldoet aan de eisen van kenbaarheid en voorzienbaarheid.

De leden van deze fractie stelden voorts de vraag of de burger in staat is om zijn gedrag op een voldoende nauwkeurig geformuleerde wettelijke regeling af te stemmen, zoals het EHRM in zijn jurisprudentie in de zaak Leander en de zaak Malone eist. De leden van de fractie van GroenLinks stelden een hiermee vergelijkbare vraag. De leden van beide fracties plaatsten daarbij vraagtekens bij de gedachte om aan de eis van voorzienbaarheid mede te voldoen door het uitbrengen van openbare jaarverslagen.

In zijn uitspraak in de zaak Malone stelt het EHRM dat «the law must be sufficiently clear in its terms to give citizens an adequate indication as to the circumstances in which and the conditions on which public authorities are empowered to resort to the secret and potentially dangerous interference with the right to respect for private life and correspondence»1.

Het Hof vult dit in zijn uitspraak in de zaak Leander als volgt aan:

«where the implementation of the law consists of secret measures, not open to scrutiny by the individuals concerned or by the public at large, the law itself, as opposed to the accompanying administrative practice, must indicate the scope of any discretion conferred on the competent authority with sufficient clarity, having regard to the legitimate aim of the measure in question, to give the individual adequate protection against arbitrary interference»2

Uit deze citaten valt op te maken dat op het punt van de voorzienbaarheid de wet een voldoende heldere omschrijving dient te geven van

a. de geheime maatregelen die de overheid mag treffen,

b. de omstandigheden waarin deze mogen worden getroffen en

c. de voorwaarden waaronder deze mogen worden getroffen.

Het onderhavige wetsvoorstel beschrijft in paragraaf 3.2.2 nauwkeurig de geheime maatregelen die de AIVD en MIVD mogen treffen. Daarbij tekenen wij aan dat, zoals hiervóór reeds is aangegeven, de in artikel 30 vastgelegde bevoegdheid om niet nader gespecificeerde nieuwe maatregelen te treffen, is komen te vervallen. De omstandigheden waaronder de geheime maatregelen mogen worden getroffen, zijn in de eerste plaats te vinden in de artikelen van het wetsvoorstel waarin de taken van de diensten zijn omschreven (artikelen 6 en 7). Wij erkennen dat de omschrijving van deze taken tamelijk abstract is. Een meer gedetailleerde invulling van deze taken in de wet zelf zou evenwel impliceren dat de wet al gauw bij iedere verandering van de inzichten omtrent de bedreigingen van de nationale veiligheid van Nederland zou moeten worden gewijzigd. Om die reden is daarvan afgezien. Een meer gedetailleerde invulling van de taken is wel te vinden in de openbare jaarverslagen van de diensten. In die jaarverslagen wordt inzicht gegeven in de specifieke aandachtsgebieden waarop de diensten hun activiteiten in het lopende jaar in ieder geval zullen richten. De combinatie van de wet zelf en de jaarverslagen geeft naar ons oordeel een voldoende helder beeld van de omstandigheden waaronder de diensten geheime maatregelen mogen treffen. Dat de jaarverslagen geen wet in formele zin zijn, doet daar niet aan af. Uit de jurisprudentie van het EHRM blijkt dat aan de eis van voorzienbaarheid mede kan worden voldaan door andere overheidsdocumenten, zoals instructies, mits deze openbaar zijn.3 De openbare jaarverslagen van de diensten zijn in dat opzicht zeer wel als «law» in de zin van artikel 8 EVRM te zien, te meer waar over deze jaarverslagen een debat met de Kamer kan plaatsvinden, waardoor de democratische legitimatie van de in de jaarverslagen genoemde aandachtsgebieden wordt vergroot. Waar het om gaat – zo blijkt ook uit het citaat uit de uitspraak in de zaak Leander – is dat het uiteraard niet louter de bestuurlijke praktijk («administrative practice») kan zijn die bepalend is voor de omvang van de discretionaire bevoegdheid van de overheid bij het treffen van geheime maatregelen. Tot slot de voorwaarden waaronder geheime maatregelen mogen worden getroffen. De algemene voorwaarden waaronder dit mogelijk is, zijn te vinden in de artikelen 18, 19, 31, 32 en 33. Daarnaast bevat elk artikel waarin een bijzondere bevoegdheid is geregeld, ook nog een aantal specifieke voorwaarden (zie de artikelen 20 tot en met 29). Al met al menen wij dat het wetsvoorstel ruimschoots aan de eis van voorzienbaarheid voldoet. Wij worden in deze opvatting gesterkt door het feit dat het wetsvoorstel juist op dit punt aanmerkelijk gedetailleerder is dan de wetgeving over de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in verreweg de meeste andere landen die bij het EVRM zijn aangesloten.

De leden van de PvdA-fractie wezen erop dat in de nota van wijziging een aanpassing van de taakartikelen van de AIVD en MIVD wordt voorgesteld door de introductie van het begrip «nationale veiligheid» en de toevoeging van «vitale economische belangen» als apart aandachtsgebied. Deze leden vonden de introductie van het begrip «nationale veiligheid» een verbetering. Het was hen echter nog onvoldoende duidelijk welke inhoud wordt begrepen onder het toegevoegde afzonderlijke aandachtsgebied «vitale economische belangen van Nederland». Zij vroegen in dit verband wie beslist of er sprake is van economische belangen. Voorts vroegen deze leden wat de gevolgen zijn van de aanpassingen in de taakartikelen voor de taakuitoefening en bevoegdheden van de AIVD en MIVD. Is hier niet sprake van een nauwelijks overzienbare taakuitbreiding, zo vroegen deze leden.

Door middel van de (eerste) nota van wijziging1 is in de taakstelling van de AIVD expliciet opgenomen het begrip «vitale economische belangen van Nederland» als afzonderlijk aandachtsgebied. Zoals wij in de nota naar aanleiding van het verslag hebben uiteengezet2, wordt met de voorgestelde uitbreiding van de taken van de diensten met een nieuwe inlichtingentaak buitenland beoogd die taken van de voormalige Inlichtingendienst Buitenland (IDB) op te pakken, die indertijd bij de opheffing van deze dienst zijn gestopt. Daartoe behoorden onder meer activiteiten met betrekking tot vraagstellingen op het terrein van de economie; deze activiteiten zullen vanwege het civiele karakter door de AIVD worden uitgevoerd. Bij de introductie van het overkoepelende begrip «nationale veiligheid» in de taakstelling van de AIVD heeft de regering zich op het standpunt gesteld dat het begrip «nationale veiligheid» ruim mag worden uitgelegd en dat de genoemde activiteiten van de onder het begrip «nationale veiligheid» zijn te vatten. Voor zover er niettemin enige twijfel zou kunnen bestaan of het verrichten van onderzoeken die gerelateerd zijn aan vitale economische belangen van Nederland wel onder het begrip«nationale veiligheid» vallen, is besloten die twijfel weg te nemen door te komen tot een explicitering van de vitale economische belangen in de omschrijving van de inlichtingentaak buitenland van de AIVD. Inmiddels is, vanwege de misverstanden die dit onderdeel van de taakomschrijving bleek op te roepen, besloten de vitale economische belangen als afzonderlijk bestanddeel van de taakomschrijving te schrappen, met de aantekening dat onderzoek naar dit soort onderwerpen wel mogelijk is als het belang van de nationale veiligheid in het geding is.

Het vaststellen van onderzoeksonderwerpen voor de AIVD en de MIVD op het terrein van de inlichtingentaak buitenland geschiedt door de minister-president, minister van Algemene Zaken, in overeenstemming met de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de minister van Defensie. Het zijn deze drie ministers die uiteindelijk vaststellen of er zodanige belangen in het geding zijn als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder d, (zie de tweede nota van wijziging) of 7, tweede lid, onder e, die tot een onderzoek door de AIVD dan wel de MIVD noodzaken. Het is echter evident dat in het kader van de besluitvorming door deze drie ministers andere ministers zullen worden geconsulteerd voor zover hen regarderende belangen in het geding zijn.

Wat de gevolgen van de voorgestelde aanpassingen van de taakartikelen voor de taakuitoefening en de bevoegdheden van de AIVD en de MIVD betreft, wordt opgemerkt dat naar ons oordeel met de voorgestelde aanpassingen zowel het huidige takenpakket van de diensten als de voorziene uitbreiding met een inlichtingentaak buitenland daarmee adequaat worden afgedekt. Met de aanpassingen worden immers de activiteiten van de diensten beter afgebakend; het criterium «nationale veiligheid» biedt immers – doordat het is ontleend aan artikel 8 EVRM – een beter houvast. Overigens ook zonder direct een relatie te leggen met artikel 8 EVRM kan worden beaamd dat – gelet op de invulling die in het reguliere spraakgebruik aan het begrip «nationale veiligheid» wordt gegeven – met het begrip de activiteiten van inlichtingen- en veiligheidsdiensten beter worden geduid. Het is overigens geenszins de achterliggende bedoeling geweest om met de voorgestelde aanpassingen tegelijkertijd te komen tot een verdere verruiming van de taakstelling van de diensten.

De leden van de fracties van PvdA, D66 en van RPF, SGP en GPV wezen op het feit dat het begrip «nationale veiligheid» in de taakartikelen mede zal worden bepaald door de uitleg die het EHRM aan dit begrip geeft. Deze leden vroegen zich af of dat niet bezwaarlijk is.

Voor zover het begrip «nationale veiligheid» in de taakartikelen mede zal worden bepaald door de jurisprudentie van het EHRM, zien wij daarin geen bezwaar. Ook in het geval dat de introductie van het begrip «nationale veiligheid» als overkoepelend criterium voor de taakuitoefening door de diensten achterwege zou blijven, blijft immers de situatie voortbestaan dat de activiteiten van de diensten die een beperking van de in artikel 8 EVRM neergelegde rechten impliceren, met name aan het criterium «nationale veiligheid» zullen moeten worden getoetst. Het is – anders gezegd – niet zo dat eerst door de introductie van het begrip «nationale veiligheid» in de taakartikelen het verrichten van dergelijke activiteiten aan het identieke begrip in artikel 8 EVRM zal moeten worden getoetst. Voor zover de diensten activiteiten verrichten die geen beperking van de in artikel 8 EVRM neergelegde rechten inhouden, zal het begrip «nationale veiligheid» in de taakartikelen uiteraard op een wijze kunnen worden uitgelegd die niet noodzakelijkerwijs behoeft te sporen met de uitleg van dit begrip door het EHRM.

De leden van de PvdA-fractie vroegen ons of buitenlandse zusterdiensten een soortgelijke taakomschrijving als de AIVD en de MIVD hebben.

Allereerst wordt opgemerkt dat het merendeel van de buitenlandse diensten óf uitsluitend met een inlichtingentaak óf uitsluitend met een veiligheidstaak is belast; de situatie waarbij een dienst zowel een inlichtingen- als een veiligheidstaak heeft komt relatief gezien weinig voor.1 Kijkt men vervolgens naar de formulering van de taakstellingen van deze diensten, dan moet geconcludeerd worden dat deze over het algemeen een – van de voor de Nederlandse diensten geformuleerde – afwijkende taakomschrijving hebben, zij het dat daarin de taakuitvoering wel vaak wordt gerelateerd aan de nationale veiligheid (national security). Er zijn verder collegadiensten die naast een inlichtingen- of veiligheidstaak in het kader van de nationale veiligheid, eenzelfde taak hebben ten aanzien van het economisch welzijn van het land en/of de georganiseerde criminaliteit.2 Daarnaast zijn er, o.a. in de Scandinavische landen, diensten belast aspecten van de nationale veiligheid, die onderdeel uitmaken van de politie. Er bestaat met andere woorden een grote diversiteit op dit punt.

In antwoord op de vraag van de leden van de PvdA-fractie waarom wij in de toelichting niet nader zijn ingegaan op de competentie op lokaal en regionaal niveau, merken wij op dat wij daarop weliswaar niet zijn ingegaan in de toelichting op de (eerste) nota van wijziging, maar wel in het nader rapport bij het advies van de Raad van State over die nota van wijziging.1 In aanvulling op de desbetreffende passages in het nader rapport merken wij thans allereerst in algemene zin nog op dat de veiligheid op lokaal en regionaal niveau pas mede de nationale veiligheid raakt en dan ook de aandacht van met name de AIVD behoeft, indien het om kwesties gaat die een uitstraling naar nationaal niveau kunnen hebben. Welke kwesties daartoe behoren, is niet uitputtend en voor alle tijden op te sommen. Wij noemen hier een aantal onderwerpen die mede aan het jaarverslag van de BVD over het jaar 1999 zijn ontleend, met een korte motivering:

1. het voetbalvandalisme, voor zover dit dusdanige proporties aanneemt dat van maatschappelijke ontwrichting sprake is (paragraaf 6.2 van het jaarverslag);

2. de integriteit van lokale, regionale en provinciale bestuurders en ambtenaren, omdat hun integriteit niet los kan worden gezien van de integriteit van de openbare sector als geheel (paragraaf 7.4 en 7.5 en 7.6.7 van het jaarverslag);

3. antidemocratische partijen, zoals neonazistische groeperingen, die voorshands alleen op lokaal niveau opereren;

4. beveiligingsmaatregelen, indien als staatsgeheim gerubriceerde gegevens bij lokale overheden zijn of worden ondergebracht.

Met betrekking tot het begrip «nationale veiligheid» vroegen deze leden zich tot slot af of wij er de voorkeur aan geven dat dit begrip wordt ingevuld door de jurisprudentie.

Wij hebben geen bijzondere voorkeur voor invulling van het begrip «nationale veiligheid» door de jurisprudentie. De invulling van begrippen in de wetgeving geschiedt in het algemeen in onderlinge wisselwerking tussen het bestuur en de rechter. Dat zal bij de invulling van het begrip «nationale veiligheid» naar ons oordeel niet anders zijn.

De leden van de PvdA-fractie wezen erop dat in de huidige wet is vastgelegd dat de betrokken ministers «regelmatig» overleg plegen over het beleid betreffende de diensten en de coördinatie van dat beleid. Zij constateerden dat in de nieuwe wet niet langer van regelmatig overleg sprake is, terwijl de toelichting daar wel over spreekt. Waarom, aldus deze leden, komt het woord «regelmatig» in de nieuwe wettekst niet meer voor.

In de praktijk vindt het overleg waar deze leden op doelen inderdaad regelmatig plaats. Naar verwachting zal deze regelmaat onder de werking van de nieuwe wet alleen maar toenemen, in het bijzonder als gevolg van de nieuwe inlichtingentaak buitenland die zowel aan de AIVD als de MIVD wordt toebedeeld. Wij meenden gelet op deze praktijk te kunnen volstaan met de bepaling zoals voorgesteld. Wij hebben – mede gelet op deze praktijk – echter geen enkel bezwaar om in artikel 3 te bepalen dat de betrokken ministers regelmatig onderling overleg dienen te plegen. In de tweede nota van wijziging wordt hierin voorzien.

De leden van de PvdA-fractie vroegen ons om een schematisch overzicht te geven van de specifieke bevoegdheden van de beide diensten, in casu AIVD en MIVD. Voorts vroegen zij of daarbij kon worden weergegeven onder welk toezicht de bevoegdheden van deze afzonderlijke diensten staan.

Wij wijzen deze leden erop dat bij de memorie van toelichting van het wetsvoorstel reeds een schematisch overzicht was gevoegd betreffende de bijzondere bevoegdheden van de AIVD en de MIVD. Dit schematisch overzicht is, waar het gaat om de opsomming van de verschillende bijzondere bevoegdheden nog actueel, zij het dat bij nota van wijziging in paragraaf 3.2.2 van het wetsvoorstel (regeling betreffende de bijzondere bevoegdheden) een artikel 25a is ingevoegd waarin het zogeheten «searchen» wordt geregeld. Deze bevoegdheid ontbreekt in dit schematisch overzicht. Anders dan de leden van de PvdA-fractie met hun vraagstelling lijken te suggereren, is het niet zo dat de AIVD of de MIVD ieder verschillende, specifieke bevoegdheden toekomen. Aan beide diensten komen ten behoeve van de goede uitvoering van de aan hen opgedragen taken alle in paragraaf 3.2.2 van het wetsvoorstel neergelegde bijzondere bevoegdheden gelijkelijk toe. Er is echter met betrekking tot een aantal bijzondere bevoegdheden bepaald, dat de MIVD deze slechts mag uitoefenen indien de toestemming daarvoor is verleend in overeenstemming met de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties dan wel, voor zover van toepassing (namelijk als van de zijde van het ministerie van Defensie de vereiste toestemming in mandaat door het hoofd van de MIVD wordt verleend) in overeenstemming met het hoofd van de AIVD. Het gaat dan om gevallen waarbij de uitoefening van bepaalde bevoegdheden buiten plaatsen in gebruik van het ministerie van Defensie plaatsvindt c.q. de uitoefening van de bevoegdheden niet anderszins gerelateerd zijn aan plaatsen in het gebruik van het ministerie van Defensie. Het betreft hier (onderdelen van) de bevoegdheden die zijn geregeld in de artikelen 20, 22, 23, 24, 25, 26 en 27 van het wetsvoorstel. Het overeenstemmingsvereiste is in de genoemde gevallen gesteld vanwege het feit dat de MIVD dan in de«civiele maatschappij» optreedt en het optreden van de MIVD in dit soort gevallen de kans op ongewenste interferentie met lopende onderzoeken van de AIVD – wiens werkterrein immers buiten plaatsen in gebruik van het ministerie van Defensie ligt – aanwezig is.1 Resumerend: onzes inziens kan gelet op het voorgaande worden volstaan met het eerder verstrekte schematisch overzicht.

Wat het toezicht op de bevoegdheden van de afzonderlijke diensten betreft, merken wij het volgende op. Het toezicht op de bevoegdheden, in het bijzonder op de bevoegdheidsuitoefening, is bij beide diensten zowel intern als extern aanwezig. Intern zal het toezicht met name plaatsvinden door de instanties waaraan de bevoegdheid tot het verlenen van toestemming voor de uitoefening van de (meeste) bevoegdheden is toegekend; zij zullen aan de hand van de (gemotiveerde) verzoeken om toestemming dienen te beoordelen of – mede gelet op de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit en ook overigens de andere eisen die in de WIV zijn gesteld – in casu de uitoefening van de betreffende bevoegdheid is aangewezen. Een kritische houding is hierbij gewenst. In de gevallen dat de bevoegdheid tot het verlenen van toestemming door de minister (of in voorkomende gevallen door het hoofd van de dienst) is gemandateerd, rust bovendien op de mandaatgever een bijzondere verantwoordelijkheid om op een juiste uitoefening van het mandaat toe te zien. Indien deze constateert dat met het verleende mandaat onjuist wordt omgegaan, zal deze nadere instructies dienen te geven dan wel het (onder)mandaat dienen te heroverwegen. Naast deze vorm van intern toezicht, moet worden gewezen op het toezicht dat intern (door de departementale accountantsdienst) bestaat op de besteding van de gelden opgenomen in de geheime begroting van de diensten, waarmee indirect ook toezicht op de uitoefening van de aan de diensten toekomende bevoegdheden wordt uitgeoefend. Voorts kent de BVD de functie van kwaliteitsmanager, die als intern toezichthouder toeziet op de kwaliteit (in de brede zin van het woord) van de operationele taakuitvoering van de dienst en daarmee van de in dat kader ingezette bevoegdheden.

Het externe toezicht op de bevoegdheidsuitoefening, in het bijzonder de uitoefening van de bijzondere bevoegdheden uit paragraaf 3.2.2 van het wetvoorstel, zal kunnen plaatsvinden door de rechter (bijvoorbeeld door de burgerlijke rechter indien men van oordeel is dat er een onrechtmatige daad is gepleegd of de strafrechter indien vermoed wordt dat bij de bevoegdheidsuitoefening strafbare feiten zijn gepleegd). Voorts wordt toezicht uitgeoefend door de Nationale ombudsman; deze kan– naar aanleiding van een klacht of op eigen initiatief – een onderzoek instellen naar (vermeende) gedragingen van (ambtenaren van) een van de diensten. Een bijzondere rol in het kader van het externe toezicht zal echter zijn weggelegd voor een gespecialiseerd college, te weten de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Deze onafhankelijke commissie, die in de nieuwe WIV zijn grondslag vindt, zal worden belast met het toezicht (achteraf) op de rechtmatige uitoefening van (onder meer) de nieuwe WIV. Dit toezicht strekt zich derhalve ook uit tot de vraag of de bijzondere bevoegdheden uit de nieuwe WIV op een rechtmatige manier zijn uitgeoefend. Dit toezicht mondt uit in een toezichtsrapport, dat een openbaar deel en – eventueel – een vertrouwelijk deel bevat. Dit rapport dient door de verantwoordelijke minister aan het parlement (onderscheidenlijk de commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten van de Tweede Kamer) te worden gezonden met daarbij gevoegd zijn reactie; op deze wijze kan dus ook door het parlement – in aanvulling op de reeds bestaande controlemogelijkheden – gericht op de bevoegdheidsuitoefening toezicht worden uitgeoefend. Overigens wijzen wij de leden van de PvdA-fractie graag naar onze eerder gegeven uiteenzetting over toezicht in hoofdstuk 6 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel.

De leden van de PvdA-fractie vroegen of de regering uitvoering kan geven aan aanbeveling 23 in het rapport van de Tijdelijke commissie evaluatie opsporingsmethoden door de verschillen tussen de regimes van het wetsvoorstel WIV en de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden (Wet BOB) weer te geven. Deze leden vroegen of de regering een integraal overzicht kan verschaffen met verschillen in opsporingsbevoegdheden in het wetsvoorstel WIV en de bevoegdheden die zijn neergelegd in de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden en of zij daarbij wil ingaan op verschillen in bevoegdheden, terminologie en (parlementaire) controlemogelijkheden.

Gaarne beantwoorden wij deze vragen als volgt. In het kabinetsstandpunt over het rapport van de Tijdelijke commissie evaluatie opsporingsmethoden1 is opgemerkt dat er inderdaad verschillen zijn tussen de Wet BOB en het wetsvoorstel WIV. Deze verschillen zijn begrijpelijk gelet op de verschillende taakstellingen van opsporingsinstanties enerzijds en van inlichtingen- en veiligheidsdiensten anderzijds. Opsporingsinstanties zijn belast met de opsporing van strafbare feiten. Een opsporingsonderzoek is gericht op het vergaren van bewijs en het opleggen van een sanctie. Opsporingsonderzoek heeft tot doel dat een strafzaak op een openbare terechtzitting voor de rechter kan worden gebracht. Onderzoek door de AIVD in het kader van de a-taak is er op gericht de regering tijdig en voortdurend te informeren over dreigende aantastingen van de democratische rechtsorde of van de veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat, met als doel het mogelijk te maken die aantastingen op enigerlei wijze het hoofd te bieden. Onderzoek door de MIVD is o.a. gericht op het potentieel en de strijdkrachten van andere mogendheden, met als doel het mogelijk te maken dat de Nederlandse defensie daarop wordt afgestemd. Het onderzoek dat door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten wordt verricht heeft dus heel andere doelstellingen en blijft in beginsel geheim. Dit heeft gevolgen voor de wijze waarop aan controlemogelijkheden vorm gegeven wordt en waarop toetsing van het optreden van tot onderzoek bevoegde ambtenaren plaatsvindt. Bij de opsporing wordt controle uitgeoefend door het openbaar ministerie, in bepaalde gevallen door de rechter-commissaris, en door de strafrechter. De belangen van de verdachte worden bovendien behartigd door een raadsman. Klachten kunnen worden behandeld door de Nationale ombudsman. Als het gaat om inzage in gegevens uit politieregisters is er een controletaak voor de Registratiekamer en de rechter. Bij de WIV vindt controle primair plaats door de Tweede Kamer, met name door de commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten. Voorts ziet, zoals hiervoor eveneens vermeld bij de bespreking van het externe toezicht, de commissie van toezicht toe op de rechtmatigheid van het optreden van de diensten, bestaat er de mogelijkheid van individuele klachtenbehandeling door de Nationale ombudsman en kan in voorkomende gevallen het optreden van de diensten getoetst worden door de rechter. Bij de voorbereiding van de wetgeving op beide terreinen is afgewogen welke bijzondere bevoegdheden noodzakelijk werden geacht. Omdat het veelal gaat om bevoegdheden die een inbreuk kunnen maken op grondrechten is het van belang dat alleen die bevoegdheden worden toegekend die noodzakelijk zijn voor de goede vervulling van de wettelijk opgedragen taken. Deze afweging is bij het wetsvoorstel WIV op sommige punten anders uitgevallen dan bij de Wet BOB. In de bijlage bij de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel WIV is een overzicht gegeven van de bevoegdheden van de WIV. Deze bevoegdheden zijn vergelijkbaar met de bevoegdheden in de Wet BOB, echter met dien verstande dat er sprake is van een andere terminologie, andere inzetcriteria en een ander beslissings- en toezichtskader, toegespitst op het bijzondere karakter van het werk van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Een verschil tussen het wetsvoorstel WIV en de Wet BOB is voorts dat in de Wet BOB alleen die methoden geregeld zijn die als zodanig kunnen resulteren in een inbreuk op enig grondrecht dan wel ingrijpend zijn met het oog op de integriteit van de opsporing. In de Wet BOB is bijvoorbeeld niet voorzien in een bevoegdheid tot het volgen van zaken.

Over enkele bevoegdheden in het wetsvoorstel WIV kan niet beschikt worden in het kader van de opsporing. Het betreft bijvoorbeeld de bevoegdheid tot observatie in een woning (artikelen 20 en 29). Bij observatie in een woning gaat het niet om het doorzoeken van plaatsen (huiszoeking), maar om het waarnemen van personen. In het Wetboek van Strafvordering is deze bevoegdheid geregeld in artikel 126g (voor de opsporing van een misdrijf) en in artikel 126o (voor de opsporing van georganiseerde criminaliteit). Het Wetboek van Strafvordering staat, blijkens het tweede lid van de artikelen 126g en 126o, observatie in een woning niet toe.

Ook de bevoegdheid tot het binnendringen in een geautomatiseerd werk (artikel 24) is ruimer dan de bevoegdheden terzake in het Wetboek van Strafvordering. Het Wetboek van Strafvordering staat het binnendringen in een geautomatiseerd werk toe in het kader van een huiszoeking. Het gebeurt dus in openbaarheid, althans met medeweten van degenen die op de plaats van de huiszoeking aanwezig zijn. Gaat het om een geautomatiseerd werk dat niet aanwezig is op de plaats van de huiszoeking, dan staat het Wetboek van Strafvordering het binnendringen in dat geautomatiseerde werk uitsluitend toe vanaf de plaats waar de huiszoeking plaatsvindt en voor zover vanaf de plaats waar de huiszoeking plaatsvindt de personen die daar werken of wonen rechtmatig toegang tot het geautomatiseerde werk hebben (artikel 125j). De bevoegdheid in artikel 24 van de WIV kent deze beperkingen niet.

Zoals gezegd is dit het resultaat van een afweging die erop gericht is alleen die bevoegdheden toe te kennen die noodzakelijk zijn voor de goede vervulling van de opgedragen taken.

Hoewel er dus duidelijke verschillen zijn tussen het opsporingsonderzoek en het onderzoek door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, is er natuurlijk ook een raakpunt in die zin dat gegevens afkomstig van de diensten in bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden bruikbaar kunnen zijn ten behoeve van de opsporing. In dat verband willen wij graag terugkomen op het antwoord dat wij in de nota naar aanleiding van het verslag1 gaven op een vraag van deze leden met betrekking tot de brief van de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken van 28 februari 1992 ter zake van de bewijskracht van het door de Binnenlandse Veiligheidsdienst verkregen materiaal. Wij spraken in dat antwoord het voornemen uit de Kamer separaat op de hoogte te stellen van de resultaten van een nadere beschouwing van de genoemde brief in het licht van de ontwikkelingen die zich sindsdien hebben voorgedaan. Inmiddels zijn wij tot de slotsom gekomen dat deze brief op hoofdlijnen nog steeds een correcte en bruikbare weergave vormt van de wijze waarop gegevens van de BVD gebruikt kunnen worden ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek. Tegen de achtergrond van deze bevinding achten wij het thans niet zinvol deze materie afzonderlijk aan orde stellen.

De leden van de PvdA-fractie konden zich vinden in het besluit van de regering om de commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (commissie IVD) voor wat betreft de aanwending van (nieuwe) bevoegdheden geen rol vooraf toe te kennen; met de regering zijn deze leden het eens dat dit tot een ongewenste vermenging van verantwoordelijkheden leidt. Deze leden pleitten er wel voor dat de commissie terstond schriftelijk zou worden ingelicht en verzochten ons dit in artikel 30 van het wetsvoorstel te verankeren.

Nu bij de tweede nota van wijziging wordt voorgesteld om artikel 30 van het wetsvoorstel te laten vervallen, kan onzes inziens de beantwoording van deze vraag verder achterwege worden gelaten.

De leden van de PvdA-fractie vinden het geen gewenste ontwikkeling indien de coördinator van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, daartoe gemachtigd door de minister-president, zelfstandig informatie aan de commissie IVD van de Tweede Kamer zou geven. De leden van deze fractie zijn van oordeel dat de regering de gesprekspartner van de commissie IVD behoort te blijven.

Wij zijn het met deze leden eens. Inderdaad is de regering de gesprekspartner van de commissie. Bij gelegenheid van het verslag van uw Kamer stelden de leden van de CDA-fractie de vraag of «de coördinator een taak heeft in de richting van de commissie inlichtingen- en veiligheidsdiensten van de Tweede Kamer». De regering heeft daarop geantwoord dat de coördinator, immers ambtenaar en functioneel ondergeschikt aan de minister-president, geen zelfstandige taak in de richting van de commissie heeft. In de Aanwijzingen inzake externe contacten van rijksambtenaren (regeling van 19 mei 1998, Stcrt. 104) staan de spelregels voor contacten tussen de Staten-Generaal en ambtenaren beschreven. Deze spelregels gelden uiteraard ook voor de coördinator. Wij kunnen ons voorstellen dat de coördinator slechts voor overleg naar de commissie gaat dan wel de commissie schriftelijk inlicht indien de commissie zelf van oordeel is dat zulks noodzakelijk is én de minister-president daarmee instemt. Het initiatief voor een eventueel rechtstreeks contact ligt derhalve bij de commissie. Indien de minister-president instemt met het rechtstreekse contact tussen commissie en coördinator blijft er te allen tijde sprake van een volledige ministeriële verantwoordelijkheid.

De leden van de PvdA-fractie gaven naar aanleiding van onze opmerking in de nota naar aanleiding van het verslag aan, dat de incidentele gegevensverstrekking aan de commissie IVD in een jaar zodanig kan zijn dat een geheim jaarverslag geen aanvullende betekenis meer zou hebben, dat zij de voorkeur geven aan een imperatieve bepaling waarin het uitbrengen van een verslag wordt voorgeschreven waarbij wel de mogelijkheid bestaat van een blanco verslag.

Tot op heden is in de praktijk altijd een geheim jaarverslag opgesteld (waarvan de inhoud mede bepaald wordt door de inhoud van de tussentijdse rapportages aan de commissie IVD), en de verwachting bestaat dat dit in de toekomst niet anders zal zijn. In dat opzicht zou er geen bezwaar zijn om tegemoet te komen aan deze wens van de leden van de PvdA-fractie. Niettemin geven wij er om meer principiële redenen de voorkeur aan de thans voorgestelde formulering van artikel 8, vierde lid, als facultatieve bepaling te handhaven. Een imperatieve formulering van deze bepaling zou betekenen dat de minister de gegevens, bedoeld in het derde lid, die gelet op het belang van de staat niet openbaar gemaakt kunnen worden, zoals in ieder geval gegevens die zicht geven op door de dienst aangewende middelen in concrete aangelegenheden, door de dienst aangewende geheime bronnen en het actuele kennisniveau van de dienst, in alle gevallen verplicht is vertrouwelijk mee te delen aan de commissie IVD. Hoewel in de huidige praktijk, en naar stellige verwachting ook in de voorzienbare toekomst, deze vertrouwelijke mededeling zonder bezwaar plaats vindt en zal kunnen plaats vinden, dient in dit verband toch ook gelet worden op artikel 68 Grondwet. Op grond van dat artikel is de minister verplicht aan de Kamer inlichtingen te geven waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat. Door een imperatieve formulering van artikel 8, vierde lid, WIV zou in theorie een situatie kunnen ontstaan waarin de minister op grond van de WIV verplicht is bepaalde informatie te verstrekken, terwijl hij op grond van de Grondwet zich zou kunnen verschonen van de plicht deze informatie te verstrekken met een beroep op het belang van de staat. De huidige gang van zaken geeft, er zij nogmaals nadrukkelijk op gewezen, geen aanleiding te veronderstellen dat deze situatie zich in de afzienbare toekomst zal kunnen voordoen. Niettemin hechten wij eraan niet de mogelijkheid te creëren dat het verschoningsrecht dat artikel 68 Grondwet toekent aan de minister in verband met het belang van de staat, doorkruist wordt door een verplichting tot het verstrekken van vertrouwelijke gegevens in de WIV.

De leden van de PvdA-fractie merkten op te hebben begrepen dat naar verwachting eind 1999 meer duidelijkheid zou komen over de werkwijze, de organisatiestructuur en de personele formatie van de AIVD ten behoeve de nieuwe inlichtingentaak buitenland en dat ook zou worden bezien in hoeverre extra uitbreiding benodigd zou zijn. De leden van de PvdA-fractie vroegen of er inmiddels meer zicht is op de toekomstige wijze van functioneren van de afdeling Operaties en of de Kamer op de hoogte kan worden gebracht van de nieuwe taakuitvoering van de afdeling.

Wij nemen aan dat de leden van de PvdA-fractie bij hun vragen gedoeld hebben op de MIVD, omdat de afdeling Operaties deel uitmaakt van de MID. De afdeling Operaties, die na de reorganisatie de afdeling Humint is gaan heten, zal binnen de MID/MIVD worden belast met de nieuwe inlichtingentaak buitenland. De afdeling Operaties (Humint) zal overigens ook voor andere taken (ondersteunend) worden ingezet. Door de afdeling Operaties wordt ook thans informatie uit menselijke bronnen (Humint) verzameld ten behoeve van de uitvoering van de taak omschreven in artikel 9, tweede lid, onder a, en c, van de huidige WIV (de zgn. a- en c-taak). Onder de nieuwe wet zullen dit de taken zijn als omschreven in artikel 7, tweede lid, onder a en c. De afdeling Operaties (Humint) zal worden belast met de uitoefening van enkele van de in paragraaf 3.2.2. genoemde bijzondere bevoegdheden. Hiervan zal overigens pas na zorgvuldige afweging gebruik worden gemaakt.

In verband met een toegenomen behoefte aan Humint-activiteiten ten behoeve van de a- en c-taak van de MID heeft een uitbreiding van de formatie van de afdeling Operaties (Humint) plaatsgevonden naast de uitbreiding die verband houdt met de voorbereiding op de nieuwe inlichtingentaak buitenland van de MID. Afhankelijk van een evaluatie van het aantal opdrachten in het kader van de inlichtingentaak buitenland, zal een eventuele verdere uitbreiding worden overwogen.

De leden van de VVD-fractie wezen op de mogelijkheid dat de huidige werkzaamheden van de diensten eventueel onvoldoende door het criterium «nationale veiligheid» worden gedekt. De leden van de CDA-fractie vroegen of de hantering van dit criterium niet tot een beperking van de taakstelling leidt.

In de nota naar aanleiding van het verslag hebben wij als uitgangspunt genomen dat zowel het huidige takenpakket als de in het wetsvoorstel voorziene uitbreiding daarvan onder de reikwijdte van het begrip «nationale veiligheid» valt en hebben wij uiteengezet waarom dit uitgangspunt zeer wel te verdedigen valt1. Wij hebben dan ook geen aanleiding te veronderstellen dat de huidige werkzaamheden onvoldoende door het begrip «nationale veiligheid» worden gedekt, te meer nu deze leden niet nader preciseren welke werkzaamheden naar hun oordeel buiten de reikwijdte van dit begrip zouden vallen.

De leden van de VVD-fractie vroegen voorts of het aanbeveling verdient om de nationale veiligheid meer expliciet in de wet of de memorie van toelichting te beschrijven.

Wij menen dat een meer expliciete beschrijving van het begrip «nationale veiligheid» die tevens verder gaat dan de invulling daarvan in de voorgestelde taakartikelen, al gauw zal neerkomen op een opsomming van concrete aandachtsgebieden en taakvelden. Een dergelijke opsomming zou, zoals wij ook in de nota naar aanleiding van het verslag al hebben aangegeven2, onvermijdelijk een semi-statisch of, zo men wil, semi-dynamisch karakter moeten krijgen en om die reden zich minder goed voor opneming in de WIV lenen. Zou dat wel gebeuren, dan zou de WIV naar verwachting zeer frequent moeten worden gewijzigd om adequaat te kunnen inspelen op wijzigingen in die aandachtsgebieden en taakvelden van de dienst, of zou, indien dat achterwege zou blijven, het risico bestaan dat niet of onvoldoende kan worden opgetreden tegen dreigingen die wel onder de huidige, meer abstracte taakomschrijving vallen, doch niet tot de aandachtsgebieden en taakvelden behoren die op enig moment in de WIV zouden staan. Wel is het mogelijk en ook wenselijk om ieder jaar door middel van een jaarverslag kenbaar te maken op welke aandachtsgebieden en taakvelden de dienst zich het afgelopen jaar heeft gericht en op welke van die gebieden en taken de dienst zich in het lopende jaar in ieder geval zal richten. Omdat in artikel 8, tweede lid, van het wetsvoorstel is vastgelegd dat de jaarverslagen inzicht in die aandachtsgebieden dienen te geven, is ook wettelijk verzekerd dat deze voor een ieder kenbaar zijn.

De leden van deze fractie vroegen in dit verband ook in hoeverre de nationale veiligheid aan de orde is, indien bijvoorbeeld een derde (buitenlandse) groepering initiatieven zou ontplooien om stelselmatig directieleden van cruciale industrieën te corrumperen. Deze vraag is in zijn algemeenheid moeilijk te beantwoorden. Bij corruptie van directieleden zal doorgaans de nationale veiligheid niet aan de orde zijn, ook niet als het gaat om directieleden van cruciale industrieën. Als de corruptie evenwel als resultaat zou kunnen hebben of erop gericht zou zijn dat afbreuk wordt gedaan aan vitale belangen op het gebied van bijvoorbeeld de energievoorziening of de telecommunicatie, waardoor het mogelijk zou worden de normale voortgang van het maatschappelijk verkeer te verstoren, dan zal de nationale veiligheid wel in het geding zijn. Met betrekking tot vitale sectoren in de samenleving ligt er overigens in preventieve zin een duidelijke taak voor de BVD, die wordt ingevuld door het verrichten van veiligheidsonderzoeken en door het verstrekken van beveiligingsadviezen3.

In antwoord op de vraag van deze leden wanneer de openbare veiligheid onder de nationale veiligheid valt, kunnen wij de volgende voorbeelden geven: terrorisme, gewelddadig activisme op openbare plaatsen en voetbalvandalisme met een maatschappelijk ontwrichtend karakter. Cruciaal hierbij voor de beoordeling of de AIVD hier een taak heeft, is of een gewichtig belang van de staat in het geding is. Een uitputtende opsomming is niet goed mogelijk, niet alleen omdat de begrippen«openbare veiligheid» en «nationale veiligheid» niet vast omlijnd zijn, maar ook omdat de (politieke) beoordeling wanneer de openbare veiligheid tevens de nationale veiligheid raakt, in de loop der jaren aan veranderingen onderhevig is.

De bescherming van rechten en vrijheden van anderen kunnen onder de nationale veiligheid vallen, wanneer het om grondrechten gaat en om een onderwerp als mensensmokkel. De leden van de VVD-fractie vroegen tot slot of het opsporen van buitenlandse oorlogsmisdadigers ook onder de taakomschrijving van de AIVD en de MIVD valt.

Noch de AIVD noch de MIVD hebben opsporingsbevoegdheid, dus ook niet waar het gaat om oorlogsmisdadigers. Dat neemt niet weg dat de AIVD of de MIVD in het kader van hun taakuitvoering de beschikking kan krijgen over gegevens die betrekking hebben op (vermeende) oorlogsmisdadigers. Indien bekend is dat (vermeende) oorlogsmisdadigers zich op Nederlands grondgebied bevinden, zullen de betreffende gegevens via een ambtsbericht aan Justitie worden verstrekt. Daarvan is in ieder geval sprake, indien door Justitie de vraag dient te worden beoordeeld of de betrokken persoon in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Eén van de beoordelingscriteria daarbij is namelijk of een persoon een gevaar vormt voor de nationale veiligheid.

De leden van de CDA-fractie meenden dat onduidelijk bleef wat de reikwijdte van het begrip «nationale veiligheid» in de taakartikelen is.

De reikwijdte van het begrip «nationale veiligheid» in de taakartikelen wordt in de eerste plaats bepaald door de nadere omschrijving van de werkzaamheden van de diensten in die artikelen zelf. De omschrijving daarvan komt voor een belangrijk deel overeen met die in de huidige Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. De reikwijdte van het begrip «nationale veiligheid» wordt voorts bepaald door de jurisprudentie van het EHRM met betrekking tot artikel 8 EVRM. Dat geeft overigens geen wezenlijk verschil met de huidige situatie: zoals wij hiervóór al hebben aangegeven, dienen de activiteiten van de diensten ook thans reeds aan met name deze beperkingsgrond uit artikel 8 te worden getoetst. Weliswaar dienen beperkingsgronden in beginsel eng te worden uitgelegd, doch dat neemt niet weg dat het begrip «nationale veiligheid» op zichzelf beschouwd een ruim begrip is. Dat blijkt ook uit de jurisprudentie van het EHRM. De opsomming in de nota naar aanleiding van het verslag van situaties die het EHRM onder de «nationale veiligheid» rekent1, vertegenwoordigt een tamelijk ruime schakering van gevallen. Het is in dit verband ook niet zonder betekenis dat het EHRM – voor zover ons bekend – nog nimmer uitspraken heeft gedaan waarbij is uitgesproken dat bepaalde activiteiten van inlichtingen- en veiligheidsdiensten buiten het begrip«nationale veiligheid» vallen. De reikwijdte van dit begrip wordt, tot slot, nader ingevuld door de aandachtsgebieden en taakvelden die in de openbare jaarverslagen van de diensten zijn beschreven. Wij menen dat dit, alles bij elkaar genomen, een helder beeld geeft van wat onder«nationale veiligheid» moet worden verstaan. Daarbij tekenen wij overigens nog aan dat het feit dat de taakvelden en aandachtsgebieden in de loop der tijden kunnen veranderen, betekent dat «nationale veiligheid» niet een volstrekt statisch begrip is.

Wij delen het standpunt van de CDA-fractie dat de «nationale veiligheid» niet altijd parallel behoeft te lopen met de belangen van het Koninkrijk als geheel of met de belangen van delen van het Koninkrijk. Als dit al een probleem zou vormen, is het geen nieuw probleem. Immers, aan de diensten komt uitsluitend een rol toe, indien ten minste (tevens) de Nederlandse nationale veiligheid in het geding is. Anders zouden de diensten buiten de rechtsmacht treden die aan Nederland toekomt. Dat zal onder de nieuwe wet niet anders zijn dan onder de huidige wet. De introductie van het begrip «nationale veiligheid» brengt hierin geen verandering. In het – naar ons oordeel vrijwel theoretische – geval dat de Nederlandse belangen op het punt van de nationale veiligheid op gespannen voet staan met de belangen van het Koninkrijk of die van de Nederlandse Antillen of Aruba, zullen de landen op basis van artikel 38 van het Statuut naar een gezamenlijke oplossing in de vorm van een onderlinge regeling kunnen streven.

De leden van de CDA-fractie constateerden dat door het expliciet noemen van het verrichten van onderzoek met het oog op vitale economische belangen van Nederland sprake is van een taakuitbreiding. Zij vroegen welke criteria aangelegd worden om te bepalen of een belang als vitaal economisch belang moet worden beschouwd. Klopt het dat het oorspronkelijk de bedoeling was dat deze taak niet meer zou worden uitgevoerd en waarom dan deze expliciete aanvulling, zo voegden zij daar aan toe. Ook wilden zij weten hoe andere «gestopte» activiteiten op het terrein van wetenschap, techniek en politiek gestalte krijgen. Met welke argumentatie vallen die activiteiten wel onder het begrip nationaal belang, zo vroegen deze leden?

Zoals hiervoor al aangegeven bij de beantwoording van de vragen van de PvdA-fractie heeft de regering besloten de vitale economische belangen niet langer expliciet te noemen in de taakopdracht van de AIVD, met daarbij de kanttekening dat onderzoek met het oog op vitale economische belangen wel mogelijk is als daarbij tevens de nationale veiligheid in het geding is. In de toelichting bij de tweede nota van wijziging wordt hierop nader ingegaan. Het is juist dat bij de opheffing van de Inlichtingendienst Buitenland (IDB) het toenmalige kabinet heeft aangegeven dat aan de uitvoering van deze taken geen behoefte meer bestond. Zoals wij in de nota naar aanleiding van het verslag hebben aangegeven zijn wij inmiddels een andere mening toegedaan. Het vallen van de Berlijnse muur heeft geen einde gemaakt aan het bestaan van conflicten en brandhaarden in Europa en elders in de wereld. Het tegenovergestelde lijkt eerder het geval. Dit heeft tot gevolg dat de Nederlandse regering ter bepaling van haar beleid thans meer dan ooit behoefte heeft aan betrouwbare eigen inlichtingen, inschattingen en analyses over situaties in voor Nederland relevante landen. Dit is de reden dat in een taakuitbreiding van de AIVD en MIVD is voorzien.

Het gestalte geven aan de gestopte activiteiten van de IDB geschiedt door het creëren en vervolgens instandhouden van een informatiepositie ten aanzien van onderwerpen die voor de nationale veiligheid essentieel zijn. Op basis daarvan kunnen meer specifieke inlichtingenonderwerpen door de regering worden aangewezen. Met het vermelden van het doel waarvoor deze informatie verzameld mag worden – de nationale veiligheid – is het vermelden van de onderwerpen waarop deze informatie betrekking kan hebben – techniek, wetenschap en politiek – niet nodig. Bovendien wordt, door geen onderwerpen op voorhand uit te sluiten, voorkomen dat de situatie ontstaat dat een onderwerp in het kader van de nationale veiligheid relevant wordt, maar dat dit niet onderzocht kan worden omdat het onderwerp niet in de wet is opgenomen.

De leden van de fractie van D66 waren er vooralsnog niet van overtuigd dat het voor de algemene taakomschrijving van de AIVD en de MIVD nieuw gekozen criterium «nationale veiligheid» daadwerkelijk een verbetering is. Zij vreesden dat het begrip «nationale veiligheid» enerzijds te ruim zal kunnen zijn en anderzijds tot een niet gewenste beperking van de taken kan leiden.

Wij delen deze vrees niet. Hiervóór hebben wij in ons antwoord op vragen van de leden van andere fracties reeds gememoreerd dat wij als uitgangspunt hebben genomen dat zowel het huidige takenpakket als de in het wetsvoorstel voorziene uitbreiding daarvan onder de reikwijdte van het begrip «nationale veiligheid» valt. In de nota naar aanleiding van het verslag hebben wij uiteengezet waarom dit uitgangspunt zeer wel te verdedigen valt.1 Dat het begrip «nationale veiligheid» te ruim zal kunnen zijn, kunnen wij evenmin onderschrijven. Als bijvoorbeeld naar artikel 6, tweede lid, van het wetsvoorstel wordt gekeken, is te zien dat niet uitsluitend dit begrip de omvang van het in die bepaling beschreven takenpakket van de AIVD bepaalt. De omvang daarvan wordt vooral bepaald door de in die bepaling opgenomen onderdelen a, b, c en d. Het begrip «nationale veiligheid» in de aanhef van het tweede lid kan die omvang niet groter maken. Juist omdat het begrip «nationale veiligheid» slechts tot doel heeft een overkoepelend begrip te zijn, mag de betekenis van de introductie van dit begrip niet worden overschat. Dat introductie ervan niettemin wenselijk is, wordt ingegeven door de gedachte dat met dit begrip een heldere link kan worden gelegd met het EVRM en met de artikelen 12 en 13 van de Grondwet, zoals deze luiden in wetsvoorstel 26 158, respectievelijk het kabinetsstandpunt over het advies van de Commissie «Grondrechten in het digitale tijdperk»2. Verder valt er op te wijzen dat de nationale veiligheid ook in andere westerse landen een in de wetgeving veel gebruikt begrip is om in algemene zin de activiteiten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten mee aan te duiden. Om geen onnodige belemmeringen in de samenwerking met die diensten te hebben, is het nuttig in de Nederlandse wetgeving hetzelfde begrip te hanteren.

De veronderstelling van de leden van deze fractie dat de openbare veiligheid, het economische welzijn en het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten niet tot de nationale veiligheid worden gerekend, is in zoverre onjuist dat deze begrippen niet voor elkaar uitsluitende domeinen staan. Integendeel, tussen al deze begrippen bestaat wel een zekere overlap. Zo behelst het bestrijden van terrorisme zowel het beschermen van de nationale veiligheid als het voorkomen van strafbare feiten. Deze leden gingen er terecht van uit dat de diensten zich ook bezig kunnen houden met andere gewichtige belangen van de staat en niet alleen als die van economische aard zijn. Waarop deze leden de stelling baseerden dat de taakuitoefening op internationaal terrein niet altijd onder het begrip «nationale veiligheid» zal zijn te vatten, is niet duidelijk. Juist op internationaal terrein kunnen zich allerlei ontwikkelingen voordoen die de nationale veiligheid raken en derhalve aanleiding kunnen zijn voor een optreden van de diensten. Voor zover deze leden met hun stelling doelden op de taakuitoefening buiten onze landsgrenzen, geldt uiteraard dat de diensten de kaders dienen te respecteren die aan de Nederlands rechtsmacht zijn verbonden. De introductie van het begrip «nationale veiligheid» doet daaraan niets toe of af. Decentrale belangen mogen naar ons oordeel alleen dan tot activiteiten van de diensten leiden, indien tevens de nationale veiligheid in het geding is. Wanneer daarvan sprake is, hebben wij hiervóór in ons antwoord op vragen van de leden van de PvdA-fractie beschreven. Buiten gevallen als daar beschreven wijzen wij het optreden van de diensten ter behartiging van belangen die een decentraal karakter hebben, af. Gelet ook op de ingrijpende bevoegdheden van de diensten, mag de taak van de diensten niet te ruim worden genomen.

De leden van de D66-fractie stelden dat de motivering van de noodzaak tot herintroductie van een offensieve inlichtingentaak ruimte biedt voor een wel uiterst ruime taakopvatting. Naar het oordeel van deze leden lijkt het erop dat de dienst meer mogelijkheden zal krijgen dan de vroegere inlichtingendienst buitenland. Zij vroegen ons of dat het geval is.

Wij antwoorden deze leden dat dit niet het geval is. Wij wijzen in verband hiermee op de taakstelling die de Inlichtingendienst Buitenland (IDB) indertijd had. Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de WIV had de IDB tot taak het verzamelen van gegevens betreffende het buitenland, die voor de staat van belang kunnen zijn. Dit was een erg ruime taakstelling; enige nadere begrenzing – behalve dan dat het voor de staat van belang kan zijn – ontbrak immers. In de nieuwe WIV is de taakstelling van de AIVD en de MIVD, ook waar het de nieuwe inlichtingentaak buitenland betreft, nader genormeerd door de introductie van het overkoepelende – en aan artikel 8 EVRM ontleende – begrip «nationale veiligheid». Een tweede verschil met de taakuitvoering door de voormalige IDB is daarin gelegen dat de IDB – uiteraard onder verantwoordelijkheid van de minister-president, minister van Algemene Zaken – zelfstandig de bij de wet aan hem opgedragen taak kon invullen. In de nieuwe WIV is dit anders. De uitvoering van de inlichtingentaak buitenland is immers afhankelijk gemaakt van een besluitvormingsproces, waarbij drie ministers tot overeenstemming dienen te komen; de onderwerpen die voor onderzoek in aanmerking komen dienen namelijk door de minister-president, minister van Algemene Zaken, in overeenstemming met de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de minister van Defensie te worden vastgesteld.

De leden van de D66-fractie vroegen voorts of een actieve, wereldwijde inlichtingenrol niet veel meer menskracht vergt dan de nu op termijn voorziene vijf tot tien mensen per dienst. Of zal er naar een spreiding van inzet van menskracht worden gestreefd in overleg met andere, bevriende landen.

Bij de beantwoording van deze vraag moet onderscheid worden gemaakt tussen de invulling – organisatorisch, personeel e.d. – door enerzijds de MIVD en anderzijds de AIVD. Wat de MIVD betreft, verwijzen wij de leden van de D66-fractie naar hetgeen eerder in deze nota (paragraaf 2.2) in antwoord op vragen van de PvdA-fractie ter zake is opgemerkt. Daarbij dient bedacht te worden dat bij de MIVD de nieuwe inlichtingentaak betreffende andere landen veel meer in het verlengde ligt van de huidige MID-taken dan dit bij de AIVD/BVD het geval is. Zo impliceren de a- en de c-taak van de huidige MID al een veel sterkere gerichtheid op andere landen dan uit de huidige BVD-taken voortvloeit. Bij de voorbereiding en uitvoering van de nieuwe d-taak zal de BVD/AIVD dan ook in veel mindere mate voort kunnen bouwen op de bestaande organisatie dan dit bij de MID/MIVD het geval is. Zoals in de nota naar aanleiding van het verslag is gesteld1, is geconstateerd dat voor een goede uitvoering van de nieuwe inlichtingentaak niet volstaan kan worden met de aanvankelijk voorgestelde formatieve uitbreiding, waaraan de leden van de D66-fractie in hun vraagstelling refereren. Aangegeven is dat indien de inlichtingentaak buitenland ter hand wordt genomen, dit dan ook met een zodanige formatie-omvang dient te geschieden dat is verzekerd dat deze ook naar behoren kan worden uitgevoerd. Het betreft een gevoelige taak, zoals ook uit het bijzondere politieke besluitvormingsproces ten aanzien van de toedeling van onderwerpen afgeleid kan worden. Vanwege de hiermee samenhangende noodzaak tot zorgvuldige procedures en kwaliteitsbewaking, alsmede vanwege de vereiste herkenbaarheid naar buitenlandse inlichtingendiensten, is gekozen voor de oprichting van een afzonderlijke directie. Door positionering op directie-niveau is het beter mogelijk de noodzakelijke organisatorische «checks and balances» in te bouwen en bestaat er, ook in procedurele zin, een beter zicht op de taakuitvoering dan wanneer deze taken binnen de bestaande directies zouden worden ondergebracht. Tot slot wordt ook aan de specifieke politieke besluitvormingsprocedure bij het aanwijzen van de onderzoeksonderwerpen beter recht gedaan door deze taak in een afzonderlijke directie onder te brengen. In deze nieuwe directie zullen diverse disciplines samenwerken om tot een onafhankelijke, zelfstandige oordeelsvorming te komen en tot een professionele samenwerking met de collegadiensten in andere landen. Daarbij zal er tegelijkertijd voor gewaakt moeten worden dat er niet een te grote afhankelijkheidsrelatie ontstaat ten opzichte van deze collegadiensten. De nieuwe directie zal, op termijn, vergelijkbaar zijn met de bestaande operationele directies. Bij het bepalen van de capaciteitsomvang spelen verschillende factoren een rol. Allereerst de verwachting omtrent het aantal en soort onderzoeken dat aan de AIVD in het kader van de inlichtingentaak buitenland zal worden opgedragen. Voorts de wijze waarop het onderzoek binnen de nieuwe directie gestalte zal worden gegeven; eerder – in de nota naar aanleiding van het verslag – is al aangegeven dat daarbij het voor de gehele BVD geldende teamconcept als uitgangspunt zal worden genomen. Daarbij ligt oprichting van regioteams in de rede, waarin diverse functionaliteiten (zoals acquisitie, bewerking en analyse van gegevens) zijn ondergebracht.

Wat de vraag van de leden van de D66-fractie betreft ter zake van de spreiding van de inzet van menskracht in overleg met andere, bevriende landen, merken wij het volgende op.

De nieuwe inlichtingentaak buitenland kan in voorkomende gevallen worden uitgevoerd in samenwerking met andere buitenlandse inlichtingendiensten. Daarbij zal ervoor dienen te worden gewaakt dat deze samenwerking ook een nationaal belang van Nederland dient en niet uitsluitend een belang van een inlichtingendienst van een ander land. Sinds 1989 is het palet van internationale samenwerking tussen inlichtingen- en veiligheidsdiensten overigens sterk veranderd. Meer dan voorheen vindt samenwerking plaats op basis van onderwerp en het daarmee gepaard gaande nationale belang van de partners. Het beeld is veel geschakeerder dan voor het einde van de bipolaire wereld in 1989. Dit betekent dat de welhaast automatische wijze waarop in het verleden met westerse diensten werd samengewerkt niet meer aan de orde is: samenwerking vindt plaats op basis van taakveld, gedeeld belang en uiteraard de inschatting van de mate van democratische inbedding van de partner. Uiteraard blijft samenwerking op ad hoc basis mogelijk, maar een structurele taakverdeling tussen diensten is gezien het multilaterale en complexe karakter van de internationale omgeving niet mogelijk. Hierbij is het van belang op te merken dat de belangen van ook westerse inlichtingendiensten in veel mindere mate gelijk gericht zijn dan die van veiligheidsdiensten.

De leden van de D66-fractie vroegen om een toelichting met betrekking tot een eigen inlichtingencapaciteit om vitale economische belangen veilig te stellen. Zal er, zo vroegen deze leden, een heus economisch spionagenet worden opgezet teneinde de kansen voor onze nationale economie te vergroten. Zij vroegen zich voorts af of verkenning van mogelijkheden voor opkomende markten wel een taak voor inlichtingendiensten is en of hier niet vooral een taak voor het bedrijfsleven zelf ligt.

In aansluiting op hetgeen wij over dit onderwerp al geantwoord hebben op vragen van de leden van de PvdA- en de CDA-fractie beantwoorden wij de vragen van de leden van de D66-fractie als volgt. Het is nooit de bedoeling geweest dat de AIVD ten behoeve van individuele Nederlandse bedrijven opkomende markten gaat analyseren dan wel economische spionage gaat verrichten, in de betekenis van het ontfutselen van bedrijfsgeheimen. Juist omdat de explicitering van de onderzoekstaak betreffende vitale, economische belangen kennelijk tot dit soort misverstanden aanleiding geeft is, zoals eerder vermeld, besloten deze taak als afzonderlijk onderdeel van de taakomschrijving van de AIVD te schrappen. Onderzoek met het oog op vitale economische belangen blijft mogelijk, maar uitsluitend wanneer tevens de nationale veiligheid in het geding is. In andere landen, het Verenigd Koninkrijk is een voorbeeld, wordt overigens in de taakomschrijving van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten het economische belang soms wel expliciet genoemd.

De leden van de D66-fractie vroegen voorts waarom, met betrekking tot de uitoefening van de d-taak van de AIVD en de e-taak van de MIVD, wel overwogen kan worden het belang van de staat in de wet op te nemen, maar niet het daarvoor in de plaats komende criterium «belang van de nationale veiligheid».

Ons is de strekking van deze vraag niet duidelijk, nu in de wettekst juist wel het «belang van de nationale veiligheid» is opgenomen en niet het «belang van de staat». Mochten in de vraag per abuis deze twee begrippen omgewisseld zijn, dan verwijzen wij kortheidshalve naar de toelichting hierop in de nota naar aanleiding van het verslag.1

De leden van de fractie van GroenLinks vonden het vreemd dat er nog steeds zoveel inlichtingen- en veiligheidstaken bestaan. Meer specifiek begrepen zij niet waarom er een aparte dienst moet bestaan om taken, die in het verlengde liggen van wat elders reeds gebeurt, uit te voeren. Volgens deze leden wordt het takenpakket van de AIVD alleen maar ondoorzichtiger. Het viel deze leden daarbij op dat in de opsomming van de taken van de AIVD de internationale georganiseerde, zware criminaliteit en zaken als uitlokking, infiltratie en het gecontroleerd doorvoeren van wapens en drugs, waarmee, naar de mening van deze leden de BVD zich nu al bezighoudt, in het wetsvoorstel ontbreken. Waarom wordt een en ander in het wetsvoorstel niet expliciet verwoord, zo vroegen deze leden.

Allereerst verwijzen wij de leden van de fractie van GroenLinks naar wat wij in de inleiding in algemene zin over de stellingname van deze leden hebben opgemerkt. In aanvulling daarop merken wij het volgende op. Het wetsvoorstel bevat een uitputtende opsomming van de bevoegdheden van de diensten. Dit houdt in dat de diensten zich bij hun taakuitvoering beperken tot handelingen waartoe zij uitdrukkelijk bevoegd zijn verklaard, dan wel handelingen die niet verboden zijn, in die zin dat ze aan iedere burger zijn toegestaan.

De leden van de fractie van GroenLinks meenden dat introductie van het begrip «nationale veiligheid» geen verbetering oplevert, omdat er weinig overeenstemming over zou bestaan wat allemaal onder die term valt.

Dat het begrip «nationale veiligheid» niet scherp omlijnd is, beamen wij, doch achten wij geen groot bezwaar. Het is immers niet dit begrip dat allesbepalend voor de omvang van de taken van de diensten is. Het vormt, zoals eerder gezegd, een overkoepelend begrip waarbinnen de taken van de diensten nader worden omschreven, zowel in de wet zelf als in de openbare jaarverslagen. Eerder hebben wij in deze nota ook opgemerkt dat, juist omdat het begrip «nationale veiligheid» slechts tot doel heeft een overkoepelend begrip te zijn, de betekenis van de introductie van dit begrip niet mag worden overschat. Wij hebben echter ook aangegeven waarom introductie ervan niettemin wenselijk is. Anders dan deze leden meenden, kunnen kwesties van regionale en lokale veiligheid niet zonder meer onder «nationale veiligheid» vallen. Wij wijzen deze leden voor een nadere uitzetting over een en ander naar ons antwoord op vragen van de leden van de D66-fractie. Dat wij, zoals deze leden stelden, voor twee ankers zijn gaan liggen, kunnen wij in zekere zin wel onderschrijven. Wij hebben enerzijds door onder meer de handhaving van het begrip «andere gewichtige belangen van de staat» tot uitdrukking willen brengen dat wij de huidige taken van de BVD onverkort willen handhaven, anderzijds door de introductie van het overkoepelend begrip «nationale veiligheid» ook een nieuw element in de taakomschrijving willen brengen, teneinde een link met het EVRM te kunnen leggen en een zekere aansluiting te bewerkstelligen bij de taakomschrijving van de diensten in andere westerse landen.

De leden van de fractie van GroenLinks stelden dat de overname van verscheidene taken van de Inlichtingendienst buitenland, met name de economische spionage, een van de meest in het oog springende taakuitbreidingen van de AIVD en de MIVD is. Wat kan onder vitale belangen worden verstaan, zo vroegen zij. Deze leden wilden tevens weten waarom Nederland een inlichtingen- en veiligheidsdienst nodig heeft om economische analyses te maken. Hoe kan Nederland internationaal meespelen nu het om een zeer beperkte inzet gaat: in het begin vijf, oplopend tot tien personen?

Wij wijzen er allereerst op dat het verrichten van onderzoek betreffende andere landen met het oog op vitale economische belangen van Nederland slechts was toegekend aan de AIVD en niet aan de MIVD zoals de leden van de fractie van GroenLinks lijken te denken. Wel heeft de MIVD tot taak het verrichten van onderzoek betreffende andere landen, ten aanzien van onderwerpen met een overwegend militaire relevantie.

Ten aanzien van de vraag over de vitale economische belangen verwijzen wij de leden van de fractie van GroenLinks naar hetgeen wij hierover in antwoord op vragen van de PvdA-, de CDA-, en de D66-fractie hebben opgemerkt. Juist om misverstanden als zou het hier gaan om economische spionage te voorkomen heeft, zoals eerder gemeld, de regering besloten in de tweede nota van wijziging het apart noemen van het onderwerpsgebied vitale economische belangen weer ongedaan te maken. Onderzoek betreffende andere landen kan uitsluitend plaats vinden in het belang van de nationale veiligheid. Uiteraard zal het zeker voor kunnen komen dat er in het belang van de nationale veiligheid onderzoek wordt gedaan met het oog op vitale economische belangen. Onderzoeken ten behoeve van economische belangen waarbij de nationale veiligheid in geen enkel opzicht aan de orde is zijn evenwel niet toegestaan.

Voor wat betreft de omvang van de inzet bij de inlichtingentaak buitenland verwijzen wij de leden van de GroenLinks-fractie naar hetgeen wij hierover bij de beantwoording van vragen van de leden van de PvdA- en de D66-fractie hebben opgemerkt.

De leden van de fractie van GroenLinks stelden dat de afluistercentra van het ministerie van Defensie, zoals het TIVC in Amsterdam, bij de economische informatievergaring een grote rol zullen spelen en vroegen of het TIVC wel voor dat doel is opgericht.

Met betrekking tot het technisch informatie verwerkingscentrum (TIVC) merken wij het volgende op. Kort na de Tweede Wereldoorlog is dit centrum opgericht en tot 1 januari 1996 vormde het TIVC een organisatie-eenheid van de marinestaf. Het TIVC was opgericht om de Koninklijke marine te voorzien van informatie. Sinds 1 januari 1996 maakt het TIVC deel uit van de MID en in 1998 is het TIVC onder de naam SVIC (strategisch verbindingsinlichtingen centrum) een onderdeel van de afdeling verbindingsinlichtingen van de MID. De afdeling verbindingsinlichtingen van de MID is belast met de feitelijke uitvoering van interceptie van niet-kabelgebonden telecommunicatie voor zover dat noodzakelijk is voor een goede uitvoering van de taken van de MID en de BVD.

De leden van de fractie van GroenLinks wezen erop dat bepaalde taken van de IDB door de AIVD worden overgenomen. Zij gaven in dat verband aan dat het denkbaar is dat Nederlandse agenten in het buitenland gaan opereren. Zij wilden van ons vernemen wat daarbij mag en niet mag. Naar hun oordeel wordt er namelijk momenteel niet gelimiteerd, en ook niet in het voorliggende wetsvoorstel, hetgeen deze leden te ver gaat.

De grenzen van wat het optreden van Nederlandse agenten in het buitenland betreft, worden in beginsel bepaald door de ter plaatse geldende wet- en regelgeving; de Nederlandse wetgever kan immers niet eenzijdig bevoegdheden in andere landen creëren. In dergelijke gevallen zal echter ook hetgeen de Nederlandse wetgever voor het opereren binnen de eigen jurisdictie aan voorwaarden heeft gesteld een rol spelen. Bevoegdheden die binnen de eigen jurisdictie niet aan de diensten zijn toegekend, zullen niet via het opereren in het buitenland en in samenwerking met buitenlandse collegadiensten alsnog «gecreëerd» mogen worden. Daarmee zouden immers U-bochtconstructies mogelijk worden. Dat achten wij niet gewenst. Andere aspecten in verband met het opereren van Nederlandse agenten in het buitenland, zijn van dien aard, dat daaromtrent uitsluitend vertrouwelijk aan de commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten van de Tweede Kamer mededelingen kunnen worden gedaan.

De leden van de fractie van GroenLinks stelden dat de regering afwijzend staat tegenover de maatschappelijke wens tot meer openbaarheid ten aanzien van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Zij vonden dan ook dat de voorzieningen en middelen van openbaarheid zouden moeten worden aangepast aan deze ontwikkelingen. In dat verband wezen zij op de openbaarmakingspraktijk in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. Naar het oordeel van de leden van de GroenLinks-fractie staat Nederland met de Wet openbaarheid van bestuur achteraan in de rij en is het eigen openbaarheidsregime voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten wat dat betreft een verslechtering ten opzichte van de huidige situatie.

De regering is zich ervan bewust dat er bij verschillende groeperingen in de samenleving de wens tot meer openbaarheid bestaat ter zake van de activiteiten van inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de door deze diensten in dat kader verwerkte gegevens. Anders dan deze leden aangeven is het niet zozeer dat wij tegenover deze wens afwijzend staan, maar moeten we vaststellen dat dit slechts één aspect is in een baaierd van ter zake doende aspecten die bij de vormgeving van een wettelijke regeling voor inlichtingen- en veiligheidsdiensten door de regering – en door het parlement als medewetgever – dient te worden betrokken. Indien men het erover eens is – en wij menen te mogen vaststellen dat dit in het parlement in brede zin het geval is – dat in een democratische rechtsstaat als de onze de noodzaak aanwezig is om te voorzien in één of meer instanties die worden belast met activiteiten in het kader van de nationale veiligheid (in casu de BVD en de MID), dan moet daaruit ook de consequentie worden getrokken dat een effectieve taakuitvoering zich moeilijk verdraagt met een grote mate van openbaarheid. Geheime diensten dienen immers veelal op een heimelijke wijze te opereren. Dat neemt niet weg dat de inbedding van het geheel van activiteiten van dergelijke diensten, niet alleen waar het gaat om taken en bevoegdheden maar ook op het vlak van een effectieve rechtsbescherming, dient plaats te vinden met inachtneming van de toepasselijke nationale en internationale rechtsnormen. Met het voorliggende wetsvoorstel wordt onzes inziens het geheel van activiteiten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten op een zodanige wijze genormeerd, dat deze – ook waar het de openbaarheid betreft – de toets aan nationale en internationale rechtsnormen kan volstaan. Dat wij wel degelijk oog hebben voor de door de leden van de GroenLinks-fractie gesignaleerde wens om meer openbaarheid, moge blijken uit ons voorstel om thans ook voor directe familie (ouders, kinderen en partners) de mogelijkheid te openen om inzage te krijgen in de door de diensten verwerkte gegevens ter zake van de betreffende overleden personen. Hier heeft duidelijk een afweging plaatsgevonden van enerzijds de maatschappelijke wens tot meer openbaarheid (zoals vertolkt door enkele Kamerfracties) en anderzijds de eisen die gesteld moeten worden aan een goede en effectieve taakuitvoering door de diensten. Met ons voorstel wordt naar ons oordeel in de afweging van de in het geding zijnde belangen een voor alle partijen aanvaardbare balans gevonden.

Wat de openbaarmakingspraktijk in de door de leden van de GroenLinks-fractie gememoreerde landen betreft willen wij het volgende opmerken. In de genoemde landen – de VS en het VK – moge het inderdaad zo zijn, dat na het verstrijken van een bepaald aantal jaren – 25 onderscheidenlijk 30 jaren – de betreffende gegevens «automatisch» openbaar worden. Zoals uit het bij de nota naar aanleiding van het verslag gevoegde landenoverzicht blijkt, bestaan evenwel mogelijkheden om deze «automatische» openbaarheid (tijdelijk) te beperken. In de VS geldt dit onder meer voor documenten waaruit bronnen en werkwijzen van de diensten blijkt; in de VK vallen de betreffende documenten van 30 jaar en ouder onder de zogeheten «blanket approval»-regeling, waardoor documenten om redenen van staatsveiligheid tot 2012 niet openbaar worden gemaakt (waarop overigens weer uitzonderingen mogelijk zijn). Het is dus niet zo dat alles wat een x-aantal jaren oud is openbaar gemaakt wordt; er wordt – evenals bij de toepassing van de WOB en de Archiefwet 1995 in Nederland– rekening gehouden met o.a. belangen van staatsveiligheid. In Nederland kennen we een andere systematiek, die echter in zijn toepassing dicht in de buurt komt van een systeem van automatische openbaarmaking. Documenten ouder dan twintig jaar dienen immers in beginsel te worden overgebracht naar een archiefbewaarplaats en zijn dan in beginsel openbaar en dus voor een ieder raadpleegbaar. In het wetsvoorstel is erin voorzien, dat de overdracht aan een archiefbewaarplaats wordt opgeschort voor de duur dat aan de documenten nog beperkingen dienen te worden gesteld in verband met het belang van de staat of diens bondgenoten. Daaromtrent wordt overigens het advies van de beheerder van de archiefbewaarplaats ingewonnen. Dat tot op heden – onder vigerende regelgeving – nog geen begin gemaakt is met de daadwerkelijke overdracht van gegevens die bij de BVD of de MID berusten aan een archiefbewaarplaats, is echter het gevolg van het feit dat omtrent de selectie en vernietiging van archiefbescheiden van deze diensten – in het bijzonder die betreffende de BVD – tot op heden met de Tweede Kamer nog overleg plaats vindt. Wij verwijzen deze leden in dit verband naar de brief die wij de Kamer hierover gezonden hebben naar aanleiding van het advies van de Raad voor Cultuur.1

Het voorgaande overziende zijn wij van oordeel dat zowel met de WOB als met de in het wetsvoorstel voorziene regeling de situatie Nederland in gunstige zin afsteekt ten opzichte van die in andere landen en dat de nieuwe – in de WIV voorziene – regeling geen verslechtering inhoudt ten opzichte van de huidige situatie.

De leden van de fracties van RPF, SGP en GPV hadden moeite met de uitspraak van kabinetszijde dat de introductie van het begrip «nationale veiligheid» ook verband houdt met de voorstellen tot herziening van de artikelen 12 en 13 Grondwet.

Deze uitspraak heeft tweeërlei betekenis. Het gaat in de eerste plaats om het begrip «nationale veiligheid» in een grondwettelijke bepaling dat het recht vertrouwelijk te communiceren bij de wet kan worden beperkt, op last van de rechter, of, indien de beperking in het belang van de nationale veiligheid plaatsvindt, met machtiging van een bij de wet aangewezen minister. Een dergelijke bepaling komt voor in het door het kabinet overgenomen voorstel voor een nieuwe artikel 13 van de Commissie «Grondrechten in het digitale tijdperk»2. Hoewel het debat over dit voorstel nog moet starten, gaan wij er voorshands van uit dat dit onderdeel van het voorstel niet op grote bezwaren zal stuiten. Een hiermee vergelijkbare constructie kwam immers ook voor in het ingetrokken wetsvoorstel tot wijziging van artikel 13 Grondwet, waarbij echter deze constructie weinig controversieel bleek te zijn.3 Het geval dat, indien de beperking van het grondrecht in het belang van de nationale veiligheid plaatsvindt, een bij de wet aangewezen minister toestemming dient te geven, heeft betrekking op de situatie waarin de diensten dit grondrecht beperken. Met het oog daarop is het wenselijk het begrip «nationale veiligheid» ook in de nieuwe WIV te hanteren. Daarnaast komt het begrip «nationale veiligheid» voor in de regeling van de notificatieplicht in artikel 12 Grondwet, zoals opgenomen in wetsvoorstel 26 158 tot wijziging van dat artikel, en in artikel 13, zoals voorgesteld door de Commissie «Grondrechten in het digitale tijdperk». Het gaat om de regeling van de mogelijkheid van uitstel en afstel van de kennisgeving aan betrokkene van het feit dat een van zijn in die artikelen vastgelegde grondrechten is beperkt. Ook deze regeling heeft betrekking op de situatie waarin de diensten deze grondrechten beperken. Deze regeling is uitgewerkt in de notificatieregeling die in artikel 33a van het wetsvoorstel is opgenomen. Tegen de achtergrond van deze overwegingen menen wij dat het wel degelijk noodzakelijk is met het begrip «nationale veiligheid» een verband te leggen tussen enerzijds de artikelen 12 en 13 van de Grondwet en anderzijds het onderhavige wetsvoorstel.

De leden van de fracties van RPF, SGP en GPV stemden in met een inlichtingentaak voor de diensten. Zij vroegen echter wat er op dit punt gaat veranderen als het voorliggende wetsvoorstel kracht van wet krijgt, mede gelet op hetgeen gesteld is bij de behandeling van het voorstel tot opheffing van de IDB. Deze leden vroegen de regering naar de bedoeling van de mededeling dat het onderzoek betreffende andere landen, voor zover het gaat om de strikt offensieve taak, sinds de opheffing van de IDB niet meer wordt verricht. Voorts vroegen genoemde leden hoe de onderzoekstaak van de diensten zich verhoudt tot de reguliere taken van andere onderzoeksinstellingen op dit gebied, zoals het Centraal Planbureau, als het gaat om vitale economische belangen van Nederland. Worden met deze instellingen werkafspraken gemaakt?

Wij menen het eerste deel van de vragen van de leden van de fracties van RPF, SGP en GPV hiervoor bij de beantwoording van de vragen van de fracties van de PvdA, D66 en CDA al beantwoord te hebben. Kortheidshalve verwijzen wij daarnaar en tevens naar de tweede nota van wijziging en de toelichting daarbij voor wat betreft het schrappen van de vitale economische belangen als afzonderlijk vermeld taakveld van de AIVD. Voor het overige merken wij het volgende op. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat de AIVD onderzoek gaat doen dat al door andere instellingen wordt verricht. Voor zover andere onderzoeksinstellingen, zoals het Centraal Planbureau, gegevens bezitten die van nut zijn voor de AIVD dan zal deze dienst, nu het hier gaat om openbare bronnen, daar vanzelfsprekend gebruik van maken. Ook valt op voorhand niet uit te sluiten dat de AIVD in een voorkomend geval een onderzoek aan een onderzoeksinstelling zal uitbesteden indien deze daar beter voor geëquipeerd is. Het zal de dienst echter in de praktijk vooral gaan om de intenties achter de cijfers, met andere woorden de meer niet-wetenschappelijke informatie. Het maken van werkafspraken ligt derhalve niet voor de hand.

2.4 Enkele aspecten van de taakuitvoering door diensten

2.4.1 Algemeen

De leden van de CDA-fractie vroegen of de integriteit van gemeentelijke of provinciale bestuurders en ambtenaren, gelet op de autonomie van gemeenten en provincies, wordt gerekend tot een zaak van «nationaal belang»?

Wij willen hierover in aansluiting op het gestelde in het nader rapport van 17 september 19991 het volgende opmerken. De AIVD dient zijn bevoegdheden uit te oefenen binnen de taakstelling zoals die gegeven is in artikel 6. Dit houdt dus onder meer in het verrichten van onderzoek naar personen die door hun activiteiten aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel voor de veiligheid of voor andere gewichtige belangen van de staat. De integriteit van een individuele gemeentelijke of provinciale bestuurder als zodanig vormt derhalve in beginsel geen zelfstandig onderwerp van onderzoek. In geval van ambtelijke corruptie dient het onderzoek plaats te vinden door de rijksrecherche. Dit neemt niet weg dat er zich omstandigheden kunnen voordoen waarbij de aantasting van de integriteit van een bestuurder of ambtenaar buiten de rijksoverheid wel degelijk ook een gevaar kan inhouden voor de democratische rechtsorde dan wel voor de veiligheid van de staat. In dat geval zal deze bestuurder of ambtenaar voorwerp van onderzoek van de AIVD zijn.

Tevens vroegen deze leden naar de reacties vanuit andere delen van het Koninkrijk op het voorstel om in de WOB het begrip «staten» te vervangen door «landen» om zo een zelfstandige mogelijkheid te hebben om in voorkomende gevallen informatie te weigeren.

Nu het voorliggende wetsvoorstel niet voorziet in een wijziging van de WOB veronderstellen wij dat de leden van de CDA-fractie doelen op het feit dat in artikel 51 wordt gesproken van de betrekkingen van Nederland met andere landen, waar in de WOB sprake is van de betrekkingen van Nederland met andere staten. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging bedoeld. In artikel 4, onder d, van de oude WOB luidde deze uitzonderingsgrond: de betrekkingen van Nederland met andere landen. In de nieuwe WOB is het begrip «landen» in «staten» veranderd, zonder dat daarmee een inhoudelijke wijziging was beoogd. Omdat bij nader inzien dit wel het geval bleek te zijn – de andere delen van het Koninkrijk vallen wel onder het begrip «landen» maar niet onder het begrip «staten» – is besloten de WOB op dit punt weer te wijzigen. Aangezien het hier een bescheiden wijziging van de WOB betreft, wordt uit een oogpunt van wetgevingseconomie hiervoor geen apart wetsvoorstel ontworpen, maar een geschikt moment afgewacht om deze wijziging mee te nemen in een meer omvangrijke wijziging. Daarop vooruitlopend wordt in dit wetsvoorstel de term «landen» gehanteerd.

De leden van de GroenLinks-fractie waren van oordeel dat het wetsvoorstel een niet geringe uitbreiding van de bevoegdheden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten inhoudt; werkelijk alle bevoegdheden zouden aan de diensten worden toebedeeld. Zij maakten zich daar grote zorgen over. In hun ogen zouden agenten van de AIVD en de MIVD in principe zelfstandig hun bevoegdheden mogen uitbreiden, totdat ze zouden worden teruggefloten.

Naar het oordeel van de leden van de fractie van GroenLinks dienden de bevoegdheden zoveel mogelijk te worden beperkt tot de taken die expliciet voor een bepaalde dienst nodig zijn. Zij vroegen in dat verband welke bevoegdheden voor welke dienst voor welke taak nodig zijn. Deze leden stelden voorts dat het gelijkstellen van de bevoegdheden van de MIVD aan die van de AIVD een enorme bevoegdheidsuitbreiding betekent, die nergens in het wetsvoorstel of de memorie van toelichting is gefundeerd. Zij zien in een dergelijke uitbreiding niets, indien daarvoor geen dringende en overtuigende argumenten kunnen worden aangedragen. Zij vroegen ons naar de redenen voor de uitbreiding.

Een deel van de vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-fractie komt overeen met vergelijkbare vragen en opmerkingen die zij in het algemeen deel van het nader verslag aan de orde hebben gesteld, in het bijzonder waar het gaat om de bevoegdheidsuitbreiding die in het wetsvoorstel voor de AIVD en de MIVD zou zijn neergelegd. Zoals we daar – gemotiveerd – hebben aangegeven gaat het om een beperkte èn te verdedigen uitbreiding. Wij zouden de leden van de GroenLinks-fractie kortheidshalve naar ons betoog in hoofdstuk 1 van deze nota willen verwijzen. Wij merken voorts op dat wij in paragraaf 3.3.2.1 van de nota naar aanleiding van het verslag eveneens reeds uitvoerig in zijn gegaan op vergelijkbare vragen en opmerkingen van de leden van deze fractie; daarbij is ook ingegaan op de vraag welke bijzondere bevoegdheden voor welke taak kunnen worden ingezet.1 Zo is daar onder meer aangegeven dat in artikel 18 van het wetsvoorstel is bepaald dat de bijzondere bevoegdheden uitsluitend mogen worden uitgeoefend, voor zover dat noodzakelijk is voor de goede uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder a en d, (taken AIVD), en de taken bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder a, c en e (taken MIVD). Uitoefening van de bijzondere bevoegdheden in het kader van veiligheidsonderzoeken of in het kader van de zogeheten beveiligingsbevorderende taak is derhalve niet toegestaan.

Tot slot wilden wij nog reageren op de stelling van de leden van de GroenLinks-fractie dat agenten van de AIVD en MIVD in principe zelfstandig hun bevoegdheden zouden mogen uitbreiden, totdat ze worden teruggefloten. Het is uitdrukkelijk niet zo dat agenten eigen bevoegdheden hebben; de bevoegdheden komen in de WIV immers toe aan de diensten. Als een agent dus bevoegdheden uitoefent, dan geschiedt dit onder verantwoordelijkheid en op instructie van de dienst. Artikel 21 van het wetsvoorstel, waarin de inzet van agenten voor een goede taakuitvoering door de diensten is geregeld, laat hieromtrent geen enkel misverstand ontstaan. Van een zelfstandige bevoegdheidsuitbreiding door een agent kan dan ook geen sprake zijn.

De leden van de fractie van GroenLinks stelden dat het toedelen van nieuwe bevoegdheden aan de AIVD en de MIVD vooraf en door de wetgever dient te geschieden.

Zoals uit ons antwoord op vragen van de PvdA-fractie in paragraaf 2.2 van deze nota over artikel 30 van het wetsvoorstel moge blijken, zijn ook wij bij nader inzien van oordeel dat nieuwe bijzondere bevoegdheden voor de AIVD en de MIVD steeds een specifieke grondslag in de wet behoeven. De in artikel 30 voorgestelde bevoegdheid om niet nader gespecificeerde maatregelen te kunnen treffen die een beperking van het recht op privacy kunnen inhouden, is dan ook komen te vervallen.

2.5 Overige onderwerpen

De leden van de GroenLinks-fractie maakten verschillende opmerkingen over de verhouding tussen de BVD en de lokale politie; deze verhouding is huns inziens onduidelijk en baart hen zorgen. Het gaat dan in het bijzonder om de Regionale Inlichtingendiensten (RID'en). Deze diensten verrichten enerzijds activiteiten voor de BVD en anderzijds activiteiten voor de lokale politie (in het kader van de openbare ordehandhaving onder gezag en verantwoordelijkheid van de betreffende burgemeester). De scheiding in taken achtten de genoemde leden een academische: in de uitvoering zouden de politie- en BVD-opdrachten door elkaar heen lopen. Ook de archieven zouden volgens deze leden, onder verwijzing naar het rapport van de commissie-Kalsbeek, onvoldoende fysiek gescheiden zijn. Dit laatste zou ook de Registratiekamer in 1993 hebben vastgesteld. Voorts vroegen de leden van de fractie van GroenLinks aandacht voor de relatie tot de opsporing van strafbare feiten en het gebruik van informatie van inlichtingen- en veiligheidsdiensten in het strafproces. Dit laatste punt komt overigens aan de orde in paragraaf 2.2 van deze nota bij de beantwoording van vragen van leden van de PvdA-fractie, waarbij verwezen wordt naar de brief van de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken van 28 februari 1992 ter zake van de bewijskracht van het door de Binnenlandse Veiligheidsdienst verkregen materiaal.

Een ander punt van zorg voor de leden van de GroenLinks-fractie vormt de – politieke en maatschappelijke – verantwoordelijkheid voor de RID'en. Naar hun mening brengt het wetsvoorstel geen duidelijkheid op dit punt en spraken zij als hun oordeel uit, dat de politieke en maatschappelijke verantwoordelijkheid voor de RID'en eenduidig bij òf de regionale korpsbeheerder, òf de desbetreffende bewindspersoon – in casu de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties – zou moeten komen te liggen.

Wij reageren op deze opmerkingen als volgt. De verhouding tussen de BVD en de regionale politie, in het bijzonder binnen het organisatorische verband van de Regionale Inlichtingendiensten is een terugkerend thema in de discussie rond de taakuitvoering van de BVD. Het lijkt ons goed om op deze plaats nog eens uiteen te zetten hoe deze relatie in formele zin en in de praktijk eruit ziet. Daarbij gaan wij ook in op enkele andere opmerkingen van de leden van de fractie van GroenLinks waar het gaat om de relatie tot de opsporing van strafbare feiten.

Op grond van zowel de huidige WIV als de toekomstige WIV worden van rechtswege (onder meer) de korpschefs van de politiekorpsen aangewezen als functionarissen die ten behoeve van de BVD/AIVD werkzaamheden verrichten; zie artikel 18, eerste lid, van de huidige WIV en artikel 55, eerste lid, van het wetsvoorstel. Voorts kunnen op grond van artikel 18, tweede lid, van de huidige WIV en – te zijner tijd – op grond van artikel 55, tweede lid, van de nieuwe WIV politiefunctionarissen worden aangewezen die aldus worden belast met de feitelijke uitvoering van werkzaamheden ten behoeve van de BVD/AIVD. Op het moment dat deze functionarissen deze werkzaamheden verrichten, doen zij dat onder verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en overeenkomstig de aanwijzingen van het hoofd van de BVD/AIVD; zie artikel 18, derde lid, huidige WIV; artikel 55, derde lid, wetsvoorstel. In dit geval is er geen sprake van «politiewerk», maar van werkzaamheden in het kader van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Van vermenging van politie- en inlichtingenwerk is dan ook geen sprake. Zowel de huidige WIV (en de daarop gebaseerde Privacyregeling BVD) als het wetsvoorstel treffen een aantal garanties om – nadrukkelijk – te voorkomen dat een dergelijke «vermenging» van politie- en inlichtingenwerk plaatsvindt. Zo wordt nadrukkelijk bepaald dat de hiervoor bedoelde functionarissen bij het verrichten van werkzaamheden voor de BVD/AIVD geen bevoegdheden tot het opsporen van strafbare feiten uitoefenen. In het wetsvoorstel wordt bovendien het thans in de Privacyregeling BVD (PrBVD) neergelegde voorschrift dat de registraties van de RID strikt gescheiden dienen te zijn van de andere bij de politie aanwezige gegevensbestanden (artikel 2, tweede lid, PrBVD) in artikel 14, tweede lid, op formeel-wettelijk niveau verankerd: de verwerking van gegevens ten behoeve van de BVD/AIVD blijft strikt gescheiden van de verwerking van gegevens door de hier bedoelde ambtenaren ten behoeve van andere doeleinden. Controle op de naleving van deze en andere regels geschiedt in de dagelijkse praktijk door de chef RID en voorts is voorzien in controle achteraf via de onder verantwoordelijkheid van de BVD te houden schouwingsprocedures. De opmerking van de leden van de fractie van GroenLinks dat hun conclusie dat de archieven bij de RID onvoldoende fysiek gescheiden zouden zijn door het rapport van de commissie-Kalsbeek wordt ondersteund, weerspreken wij. De commissie heeft – naar ons oordeel – namelijk slechts de veronderstelling uitgesproken dat «van een strikte scheiding (...) nauwelijks sprake (kan) zijn».1 In het wetsvoorstel wordt verder voorzien in de instelling van een onafhankelijke commissie van toezicht, die wordt belast met (onder meer) het toezicht op de rechtmatige uitvoering van de nieuwe WIV; deze commissie zal derhalve ook de naleving van de hiervoor geschetste regels kunnen gaan controleren en omtrent haar bevindingen aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en door tussenkomst van deze aan het parlement (en de commissie IVD) kunnen rapporteren.

In de praktijk zijn medewerkers van de RID vaak ook belast met het verzamelen van inlichtingen in het kader van de handhaving van de openbare orde. Dat geschiedt echter niet ter uitvoering van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, en dus ook niet onder verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, maar in het kader van de uitvoering van de politietaak en derhalve onder verantwoordelijkheid van de desbetreffende burgemeester. In dit geval is niet zozeer sprake van vermenging van politie- en inlichtingenwerk, maar is het verzamelen van inlichtingen ook politiewerk. Erkend wordt dat het onderscheid tussen de werkzaamheden die de politiefunctionaris verricht in diens hoedanigheid als medewerker van de BVD/AIVD enerzijds en als ambtenaar bij het regionale politiekorps anderzijds, niet altijd goed zichtbaar is voor een buitenstaander. Temeer nu beide soorten werkzaamheden plaatsvinden binnen één organisatorische verband, te weten die van de RID. Wij zijn ons bewust van deze problematiek en deze heeft dan ook onze voortdurende aandacht. We wijzen er op dat een en ander ook in het project Hermandad specifiek aandacht heeft gehad en heeft geleid tot nadere regels en aanwijzingen die erop gericht zijn te voorkomen dat in de praktijk ter zake problemen ontstaan. Zoals we ook in de nota naar aanleiding van het verslag hebben gesteld1, achten wij het alternatief dat om de hoek komt kijken indien de figuur van de RID-functionaris zou komen te vervallen, namelijk dat de BVD/AIVD eigen medewerkers in de regio's gaat stationeren, om verschillende redenen niet aantrekkelijk. Allereerst omdat dit tot een aanmerkelijke uitbreiding van de dienst zou leiden. Een dergelijke opzet is bovendien ondoelmatig. Voor een doelmatig werken van de BVD/AIVD is het essentieel dat beschikt kan worden over kennis van de lokale omstandigheden; de politie heeft die kennis, de ambtenaren van de BVD/AIVD over het algemeen niet.

Wat de uitoefening van bevoegdheden betreft, die aan de BVD/AIVD toekomen merken wij het volgende op. De bijzondere bevoegdheden die in het wetsvoorstel WIV aan de AIVD toekomen kunnen nimmer zelfstandig door de RID'en – dat wil zeggen de functionarissen die op grond van artikel 55 van het wetsvoorstel werkzaamheden verrichten voor de AIVD – worden uitgeoefend. De uitoefening van de bijzondere bevoegdheden door de AIVD is onderworpen aan de procedurele vereisten die in het wetsvoorstel – per bijzondere bevoegdheid nader uitgewerkt – daaraan zijn gesteld. Of het wenselijk is een bepaalde bijzondere bevoegdheid in het kader van een bepaald onderzoek (teamopdracht) uit te oefenen zal in beginsel door het voor dat onderzoek verantwoordelijke BVD/AIVD-teamhoofd dienen te worden vastgesteld en door deze vervolgens met inachtneming van de daarvoor geldende regels voor goedkeuring aan de daarvoor aangewezen instanties dienen te worden voorgelegd. Zoals in artikel 19 van het wetsvoorstel is bepaald zal toestemming voor de uitoefening van bijzondere bevoegdheden dienen te worden verleend door de minister of namens deze het hoofd van de AIVD; met betrekking tot bepaalde bijzondere bevoegdheden is sub-mandaat mogelijk. De werkzaamheden van de medewerkers van de RID dienen te passen in een team-opdracht die door het hoofd van de BVD is vastgesteld; deze werkzaamheden richting de RID'en vinden hun uitwerking in het jaarlijks door het hoofd van de BVD na overleg met de korpschef vast te stellen activiteitenplan. De uitvoering van deze werkzaamheden geschiedt vervolgens op aanwijzingen van het hoofd van de BVD (in de praktijk via aansturing door het desbetreffende teamhoofd). Concluderend kan worden gesteld dat de RID'en niet zelfstandig tot de uitoefening van de in het wetsvoorstel geregelde bijzondere bevoegdheden kunnen overgaan.

Wat de deelname van een RID-medewerker, in diens hoedanigheid van aangewezen functionaris ex artikel 18, tweede lid, van de huidige WIV (artikel 55, tweede lid, van het wetsvoorstel), aan een opsporingsonderzoek betreft, wordt het volgende opgemerkt. Ambtenaren van de BVD bezitten geen opsporingsbevoegdheden; voor zover het gaat om een RID-medewerker als hiervoor bedoeld wordt door de WIV uitdrukkelijk bepaald dat hij bij het verrichten van werkzaamheden voor de BVD geen bevoegdheden tot het opsporen van strafbare feiten mag uitoefenen. Met andere woorden: van deelname aan een opsporingsonderzoek met gebruikmaking van opsporingsbevoegdheden kan nimmer sprake zijn. Dat neemt niet weg dat tussen de BVD en opsporingsinstanties anderszins kan worden samengewerkt, bijvoorbeeld door informatie-uitwisseling. Deze informatie-uitwisseling dient plaats te vinden binnen het geldende wettelijke kader ter zake. Om deze informatie-uitwisseling in concrete situaties te optimaliseren kan bijvoorbeeld ervoor gekozen worden een BVD-medewerker (dus ook een RID-medewerker) als liaison bij een opsporingsteam te stationeren. Overigens is met betrekking tot de informatie-uitwisseling door OM/politie en BVD gezamenlijk een aantal uitgangspunten afgesproken dat neergelegd is in het rapport «Informatie-uitwisseling Politie-BVD». Op basis van deze uitgangspunten worden ook afspraken gemaakt over informatie-uitwisseling met opsporingsteams. Hiermee wordt voorkomen dat op een onjuiste wijze informatie-verstrekking plaatsvindt.

Wat de verantwoordelijkheid voor de RID'en betreft zijn wij van oordeel dat in de bestaande situatie geen wijziging gebracht dient te worden. Een wijziging in de verantwoordelijkheid, zoals door de leden van de fractie van GroenLinks wordt voorgesteld, namelijk door deze eenduidig bij òf de korpsbeheerder òf de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties neer te leggen, wijzen wij af. Een dergelijke wijziging kan immers alleen dan worden doorgevoerd, indien ook de taken en bevoegdheden die bij die verantwoordelijkheid horen mee overgaan; immers geen verantwoordelijkheid zonder bevoegdheid.

De leden van de GroenLinks-fractie merkten in hun bijdrage verder op, dat het verbod tot opsporing van strafbare feiten voor de AIVD een waarborg zou moeten zijn om binnen het omschreven taakgebied te blijven. Zij stelden dat de praktijk geleerd zou hebben dat de BVD in toenemende mate, soms zelfs door het parlement expliciet verboden politiewerk uitvoert; deze leden noemden in dit verband: infiltratie, uitlokking, inbraak, afluisteren, aanzetten tot criminele activiteiten etc. Voorts gaven zij aan dat naast betere onderlinge samenwerking – tussen BVD en politie – ten tijde van het onderzoek van de commissie Van Traa vanuit de BVD zou zijn aangedrongen op het overnemen van dergelijke taken.

Het is ons onduidelijk waarop de leden van de GroenLinks-fractie deze beweringen baseren. Elke onderbouwing met feiten ontbreekt. Wij nemen dan ook nadrukkelijk afstand van de door de leden van deze fractie gemaakte opmerkingen.

De leden van de fractie van GroenLinks vroegen hoever het onderzoek is gevorderd naar de wenselijkheid van nieuwe bevoegdheden tot het verzamelen van inlichtingen ten behoeve van de handhaving van de openbare orde.

Het onderzoek waarop deze leden doelden, is vorig jaar afgerond. Bij brief van 5 oktober 1999 hebben de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie de Tweede Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van dat onderzoek (zie Kamerstukken II 1999/2000, 25 232, nr. 18). De conclusie in die brief was dat het huidige wettelijke kader reeds veel ruimte biedt voor informatie-inwinning ten behoeve van de handhaving van de openbare orde: artikel 2 van de Politiewet 1993 biedt voor dat doel in het algemeen een voldoende basis voor de verschillende toepassingsvormen van observatie en de inzet van een informant. In die brief werd tevens toegezegd een handleiding op te stellen waarin wordt ingegaan op de methodieken van informatie-inwinning door de politie ten behoeve van de handhaving van de openbare orde en de daarbij te volgen procedures. Deze handleiding is bij brief van 28 januari 2000 ter kennisneming naar de Tweede Kamer gezonden1.

3. GEGEVENSVERWERKING DOOR DE DIENSTEN

3.3.2 De regeling van de bijzondere bevoegdheden van de diensten

Graag gaan wij in op de door de verschillende fracties gemaakte opmerkingen met betrekking tot de (samenhang tussen de) artikelen 25, 25a en 26 van het wetsvoorstel. Alvorens dit te doen benadrukken wij dat met deze artikelen niet wordt beoogd nieuwe bevoegdheden voor de diensten te creëren. Wel wordt hiermee een expliciete grondslag en regeling getroffen voor het intercepteren van niet-kabelgebonden telecommunicatie door de diensten1. Een en ander in het licht van de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de zaken Van Baggum en Valkenier welke de aanleiding hebben gevormd voor dit wetsvoorstel. Een aantal van de in het nader verslag gestelde vragen had betrekking op het in artikel 25a van het wetsvoorstel geregelde searchen.

De leden van de PvdA-fractie wezen erop dat middels een nieuw toegevoegd artikel het achterhalen van de aard van telecommunicatie en de afzender via het verkennen van niet-kabelgebonden telecommunicatie met oorsprong of bestemming in andere landen, het zgn. searchen, geregeld zal worden. Zij stelden de vraag hoe dit kan plaatsvinden zonder, althans incidenteel, kennis te nemen van de inhoud van het gecommuniceerde. Zij verzochten de regering de begrenzing ten opzichte van het «gewone afluisteren» nader te duiden en daarbij in te gaan op de kennisneming en inzage van het e-mailberichtenverkeer.

De vragen van de leden van de PvdA-fractie geven ons aanleiding het volgende op te merken. Wereldwijd zijn in de ether duizenden HF-zenders, die berichten versturen die hun oorsprong of bestemming in het buitenland hebben. Daarnaast is er het internationaal berichtenverkeer over satellieten, dat complex, massaal en voortdurend in beweging is. Slechts een klein deel van het HF- en satellietverkeer is van belang voor de goede taakuitoefening van de diensten. De uitoefening van de bevoegdheid tot gerichte en ongerichte interceptie is in de praktijk onmogelijk zonder dat de niet-kabelgebonden telecommunicatie is verkend door middel van het searchen. Bij het searchen wordt binnen het kader van de taakomschrijving geïnventariseerd welke delen van de ether mogelijk voor interceptie in aanmerking zouden kunnen komen. Daarbij wordt voor bepaalde delen van het frequentiespectrum getracht vast te stellen wie een bepaalde frequentie of kanaal gebruikt en wat de technische eigenschappen zijn (zoals wat voor zendapparatuur of transmissiesysteem is gebruikt) van de uitzendingen. Bij het identificeren wordt onderzocht of het bij de uitzending om digitale of analoge signalen gaat en voorts met welk medium (telex-, telefoon-, of dataverkeer) en in welke vreemde taal wordt uitgezonden. In veel gevallen is er geen gesproken woord, maar zijn er slechts data- of telex-signalen. Tijdens het searchen wordt steekproefsgewijs van de inhoud van berichten kennisgenomen en wordt een uitzending slechts kort gevolgd. De activiteit is niet te vergelijken met afluisteren. Het is voor wat betreft radioverkeer veeleer te vergelijken met het draaien aan een radioknop om te achterhalen welke organisatie op welke frequentie uitzendt. Op het searchen op satellietverkeer zal hierna worden ingegaan bij de beantwoording van de vragen van de VVD-fractie met betrekking tot het searchen. Voor wat betreft de kennisneming en de inzage van het e-mailberichtenverkeer verwijzen wij naar de in paragraaf 3.3.2.2.2 opgenomen beantwoording van de vragen van de fracties van RPF, SGP en GPV met betrekking tot artikel 23 van het wetsvoorstel in relatie tot artikel 13 Grondwet. Het searchen wordt ondersteund door studie van andere bronnen, in het bijzonder van search-overzichten van radioamateurs in vakbladen en op internet. Dergelijke bronnen zijn echter aanvullend; het is noodzakelijk dat de diensten de voor hen relevante niet-kabelgebonden telecommunicatie zelf verkennen.

Het searchen, dat zijn regeling vindt in artikel 25a, is nadrukkelijk bedoeld voor het verkennen en in kaart brengen van niet-kabelgebonden telecommunicatie dat zijn oorsprong of zijn bestemming heeft in het buitenland. Het is een aan de uitoefening van de gerichte interceptie (artikel 25) en de ongerichte interceptie (artikel 26) van niet-kabelgebonden telecommunicatie ondersteunende werkzaamheid. Het searchen is er niet op gericht van de inhoud van de communicatie kennis te nemen. Anders dan in de artikelen 25 en 26 wordt met artikel 25a dan ook niet beoogd een bevoegdheid te regelen die ziet op het kennisnemen van niet-kabelgebonden telecommunicatie. Zodra de identiteit is vastgesteld van de persoon of organisatie van wie de telecommunicatie afkomstig is, dient de kennisneming van de telecommunicatie onmiddellijk te worden gestaakt. Artikel 25a, vierde lid, ziet op uitzonderlijke gevallen. Indien bij het verkennen van de niet-kabelgebonden telecommunicatie wordt gestuit op berichtenverkeer waarvan het voor een goede taakuitoefening van de diensten noodzakelijk is dat hiervan anders dan ter identificatie van een persoon of organisatie wordt kennisgenomen, dient op grond van artikel 25a, vierde lid, binnen twee dagen toestemming als bedoeld in artikel 25, tweede lid, te worden verworven. Met uitzondering van het in artikel 25, achtste lid, bedoelde HF-militaire berichtenverkeer is in alle gevallen (derhalve ook in de in artikel 25a, vierde lid, bedoelde sporadische gevallen) voor het kennisnemen van niet-kabelgebonden telecommunicatie anders dan ter identificatie van een persoon of organisatie een last vereist.

De leden van de PvdA-fractie vroegen de regering voorts waarom in artikel 25a, vierde lid, een termijn van twee dagen wordt gehanteerd en niet is gekozen voor het terstond toestemming vragen. Zij stelden de vraag hoe ontaarding gedurende deze dagen wordt voorkomen en konden vooralsnog niet inzien waarom niet één lijn wordt gehanteerd met de andere vormen van telecommunicatie en een nadere aanduiding en invulling wordt gegeven wanneer dat wenselijk is. Zoals wij hiervoor aangaven zal het zeer weinig voorkomen dat bij het verkennen van de niet-kabelgebonden telecommunicatie wordt gestuit op berichtenverkeer waarvan het voor een goede taakuitoefening van de diensten noodzakelijk is dat hiervan anders dan ter identificatie van een persoon of organisatie wordt kennisgenomen. Indien zich echter zo'n situatie voordoet, zal de procedure als volgt gaan verlopen. Op het moment dat door uitoefening van de in artikel 25a, eerste lid, omschreven bevoegdheid de identiteit van de persoon of organisatie is vastgesteld, kan daarvan op grond van artikel 25a, derde lid, aantekening worden gemaakt. Indien het voor de goede taakuitoefening noodzakelijk is dat van de telecommunicatie anders dan ter identificatie van een persoon of organisatie wordt kennisgenomen, wordt binnen twee dagen een verzoek om toestemming als bedoeld in artikel 25, tweede lid, ingediend. De termijn van twee dagen is gekozen, omdat doorgaans zoveel tijd zal verlopen tussen het identificeren van een nieuwe bron door het bij searchen betrokken technisch personeel en het indienen van een verzoek door het hoofd van de dienst. Gedurende deze periode dient verdere kennisneming van de telecommunicatie te worden gestaakt. Wel kan gedurende deze periode de telecommunicatie worden opgenomen. Pas vanaf het moment dat door de betrokken minister de toestemming, bedoeld in artikel 25, tweede lid, is verleend, kan van die opgenomen telecommunicatie worden kennisgenomen. Een en ander is naar aanleiding van de opmerkingen van de PvdA-fractie beter tot uitdrukking gebracht in de bij de tweede nota van wijziging opgenomen aanpassing van artikel 25a, vierde lid. Indien de toestemming niet wordt verleend, mag de ontvangen en opgenomen telecommunicatie niet worden gebruikt, maar dient deze ingevolge het vijfde lid van artikel 25a terstond te worden vernietigd. Wij menen dat met een dergelijke procedure niet van ontaarding kan worden gesproken. Bovendien kan er op worden gewezen dat ingevolge de nieuwe wet de commissie van toezicht zal worden belast met het toezicht op de rechtmatigheid van de uitvoering van hetgeen bij of krachtens deze wet (en derhalve ook op de wijze en de mate waarin met artikel 25a, vierde lid wordt omgegaan) is gesteld.

Resumerend kan worden opgemerkt dat artikel 25a, eerste lid, een bevoegdheid is welke noodzakelijk is om de gerichte interceptie (artikel 25) en de ongerichte interceptie (artikel 26) van niet-kabelgebonden telecommunicatie goed te kunnen uitoefenen.

Artikel 25a, vierde lid, ziet op uitzonderlijke gevallen dat het voor de taakuitoefening van de diensten van belang is dat van de telecommunicatie anders dan ter identificatie wordt kennisgenomen. De regeling van artikel 25a, vierde lid, is opgenomen, omdat wij hebben gemeend dat in die gevallen verdere berichten voor de diensten niet verloren mogen gaan.

Een aantal andere vragen had (mede) betrekking op artikel 26.

De leden van de VVD-fractie deelden de opvatting dat searchen van een andere orde is dan het inluisteren op telefoongesprekken. Dat laat onverlet, zo merkten deze leden op, dat searchen op de juiste trefwoorden, in potentie, veel informatie kan opleveren. De leden van de VVD-fractie hadden daarom begrip voor de regel dat de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties toestemming moet geven voor de trefwoorden die bij het searchen worden gehanteerd. Zij stelden de vraag waarom thans van dit vereiste wordt afgezien. De leden van de VVD-fractie konden zich voorstellen dat sleutelwoorden die worden gehanteerd wel degelijk voorafgaand aan de aanwending aan de minister worden voorgelegd, zodat hij beter op de hoogte komt van de richting van het searchen.

Wij delen de opvatting van de leden van de VVD-fractie dat voor een selectie op trefwoorden toestemming dient te zijn verleend. Artikel 25a doet hieraan echter geen afbreuk. Het searchen strekt ertoe te inventariseren welke delen van de ether mogelijk voor interceptie in aanmerking zouden kunnen komen. Zoals wij hierboven aangaven moet het searchen worden onderscheiden van de bevoegdheid tot gerichte interceptie (artikel 25) en de bevoegdheid tot ongerichte interceptie met daarna selectie (artikel 26). Het searchen is een noodzakelijke ondersteunende werkzaamheid teneinde de in de artikelen 25 en 26 omschreven bevoegdheden goed te kunnen uitoefenen. De ondersteuning aan de in artikel 26 geregelde bevoegdheid bestaat erin dat door middel van het searchen wordt achterhaald wat voor soort satellietverkeer zich op een bepaald satellietkanaal bevindt. De uitoefening van het in artikel 25a geregelde searchen geschiedt niet aan de hand van trefwoorden.

De in artikel 26, eerste lid, omschreven bevoegdheid kan dan vervolgens zo worden uitgeoefend, dat slechts gegevens afkomstig van een bepaald satellietkanaal worden ontvangen. Op grond van artikel 26, derde lid, kunnen de diensten het aldus (nog steeds) in bulk ontvangen satellietverkeer selecteren aan de hand van trefwoorden of de andere in artikel 26, derde lid, bedoelde gegevens. Deze selectie is niet toegestaan zonder dat hiertoe toestemming is verleend. In artikel 26, vierde lid, wordt de toestemmingverlening geregeld voor een selectie op gegevens betreffende de identiteit van een persoon of organisatie dan wel een selectie op een nummer als bedoeld in artikel 1.1, onder t, van de Telecommunicatiewet of enig ander technisch kenmerk. De procedure van toestemmingverlening voor een selectie op aan een nader omschreven onderwerp gerelateerde trefwoorden vindt zijn regeling in het vijfde en zesde lid, van artikel 26. Op laatstgenoemde procedure zal hieronder nader worden ingegaan. Voor de in artikel 26, derde lid, bedoelde selectie op trefwoorden of de andere in artikel 26, derde lid, bedoelde gegevens dient echter ingevolge het wetsvoorstel te allen tijde toestemming te zijn verleend.

De leden van de VVD-fractie vroegen de regering toe te lichten waarom versleutelde informatie om meerdere redenen interessant is en bewaard moet worden. Zij stelden voorts de vraag hoe lang volgens de regering deze versleutelde informatie bewaard zal moeten blijven en welk artikel de juridische grondslag vormt voor dit voornemen. Deze leden vroegen of hun indruk juist is dat de regering hoe dan ook versleutelde berichtgeving wil kraken en hoe deze weet dat de versleutelde informatie de moeite van de inspanning waard is. Op deze vragen antwoorden wij als volgt.

Bepaalde versleutelde berichten kunnen interessant zijn vanwege mogelijk voor de taakuitoefening relevante informatie die beschikbaar komt na het ongedaan maken van de versleuteling. Het kan echter voorkomen dat een versleuteling niet meteen ongedaan kan worden gemaakt omdat de kennis hiertoe eerst moet worden ontwikkeld. In dit verband zijn versleutelde berichten ook van belang voor het opdoen van kennis over het gebruik van versleutelmethodes of versleutelsystemen. Deze kennis dient voortdurend up to date te worden gehouden.

Er is van afgezien in het wetsvoorstel een bepaalde termijn op te nemen voor het bewaren van versleutelde informatie. Dit wil overigens niet zeggen dat er geen enkel regime geldt voor het bewaren van dergelijke informatie. Het bewaren van dergelijke informatie is een vorm van gegevensverwerking waarop de algemene bepalingen van het wetsvoorstel inzake de verwerking van gegevens door de diensten van toepassing zijn. In het bijzonder kan worden gewezen op artikel 12. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de verwerking van gegevens slechts plaatsvindt voor een bepaald doel en voorzover dat noodzakelijk is voor een goede uitvoering van deze wet. De bewaartermijn voor versleutelde berichten stopt op het moment dat niet meer wordt voldaan aan beide in artikel 12 omschreven criteria.

Het is niet zo dat de diensten hoe dan ook versleutelde berichtgeving willen kraken. Een versleuteling wordt, indien mogelijk, ongedaan gemaakt wanneer er aanwijzingen zijn (zoals de afzender van een bericht, de locatie of het tijdstip van verzending) dat het informatie kan opleveren welke voor een goede taakuitoefening van de diensten noodzakelijk is.

De leden van de PvdA-fractie merkten op dat naast een eenmalig toestemmingsverzoek jaarlijks een overzicht van vastgestelde trefwoorden ter kennis wordt gebracht aan de minister aan de hand waarvan gegevens worden geselecteerd. De leden van de PvdA-fractie vroegen aan wie de bevoegdheid toekomt deze trefwoorden op te stellen en in te vullen.

Ingevolge artikel 26, derde lid, onder c, van het wetsvoorstel kan door de diensten aan de hand van aan een nader omschreven onderwerp gerelateerde trefwoorden een selectie plaatsvinden van de gegevens welke door uitoefening van de in artikel 26, eerste lid, omschreven bevoegdheid zijn verzameld. De toestemming voor deze selectie dient op grond van het vierde lid door de betrokken minister te worden verleend op een daartoe strekkend verzoek aan het hoofd van de dienst voor een periode van ten hoogste een jaar. Het verzoek tot het verlenen van toestemming dient ten minste een nauwkeurige omschrijving van het onderwerp en de reden van de selectie te bevatten. Deze voorwaarden, waaraan het verzoek moet voldoen, waarborgen dat de betrokken minister over het voor het verlenen van de toestemming benodigde inzicht beschikt. Voor dat inzicht hebben de aan de onderwerpen gerelateerde trefwoorden geen toegevoegde waarde. Een aan een onderwerp gerelateerde trefwoordenlijst zal in de regel bestaan uit (combinaties van) specifieke technische termen en aanduidingen in diverse talen. Zo'n lijst wordt zodanig opgesteld dat het selectiesysteem optimaal wordt gebruikt om de gewenste informatie te vinden. Zo zal een te gebruiken trefwoordenlijst in het kader van een onderzoek naar proliferatie van bepaalde dual use goederen naar een bepaald land of bepaalde regio onder andere kunnen bestaan uit namen van bepaalde chemische stoffen en chemische verbindingen in combinatie met die landen of regio. Een enigszins gesimplificeerd voorbeeld betreft het zoeken naar berichten waarin of het woord natrium of sodium voorkomt en tevens binnen twee posities ook het woord chlorid of fluorid. Een te hanteren lijst van trefwoorden bij een onderzoek naar de export van een raketsysteem naar bepaalde landen of regio's zou kunnen bestaan uit diverse namen waarmee het specifieke raketsysteem wordt aangeduid, eventuele projectbenamingen of aanduidingen van de diverse elementen die deel uit maken van het betreffende systeem. Aangezien de trefwoorden dikwijls kunnen wijzigen, is om onnodige rompslomp te voorkomen, in artikel 26, zesde lid, bepaald dat het hoofd van de dienst of namens deze een door hem daartoe aangewezen ambtenaar bevoegd is tot de vaststelling van de aan de onderwerpen gerelateerde trefwoorden. Het opstellen van de trefwoorden is specialistisch werk dat door terzake deskundig personeel wordt uitgevoerd. In de praktijk zal dan ook een voorstel om bepaalde trefwoorden te hanteren, worden gedaan door een analist. De bevoegdheid de trefwoorden uiteindelijk vast te stellen (te accorderen), alvorens hierop kan worden geselecteerd, ligt evenwel bij het hoofd van de dienst dan wel namens deze een door hem aangewezen ambtenaar. Bij de implementatie van het wetsvoorstel zal worden bezien of de vaststelling door het hoofd van de dienst geschiedt of een door hem aangewezen ambtenaar.

De leden van de VVD-fractie stonden voorts stil bij de in artikel 30 voorgestelde bevoegdheid om handelingen te kunnen verrichten die niet tot één van de elders in paragraaf 3.2 van het wetsvoorstel opgenomen bevoegdheden is te herleiden en waarvan de uitvoering een beperking van het recht op privacy kan inhouden. Voor een antwoord op hun vraag of dit artikel de toets van het EHRM zal kunnen doorstaan, wijzen wij deze leden op ons antwoord op een hiermee vergelijkbare vraag van de leden van de PvdA-fractie in paragraaf 2.2 van deze nota. Uit dat antwoord blijkt dat dit waarschijnlijk niet het geval zal zijn. Om die reden is artikel 30 dan ook geschrapt.

Voor een antwoord op de vraag van de leden van de CDA-fractie wat de samenhang is tussen de artikelen 25, 25a en 26 van het wetsvoorstel, verwijzen wij deze leden naar de antwoorden die wij hiervóór op vragen van de leden van de fracties van de PvdA en de VVD over het «searchen» hebben gegeven. Het «searchen» zou in theorie wel aan een toestemmingsvereiste kunnen worden gebonden, doch het stellen van een dergelijke vereiste zou volstrekt zinledig zijn. Waarop zou deze toestemming betrekking moeten hebben? In het nader rapport naar aanleiding van het advies van de Raad van State over de eerste nota van wijziging is reeds uiteengezet dat het «searchen» niet is gericht op een specifieke persoon of organisatie, zodat het niet mogelijk zou zijn in een verzoek om toestemming de identiteit van de betrokken persoon of organisatie te vermelden. Ook is er geen specifieke reden voor het «searchen» aan te geven. Een en ander zou betekenen dat het toestemmingsvereiste op niets anders betrekking zou kunnen hebben dan hetgeen in het eerste lid van artikel 25a als algemeen doel van het «searchen» is omschreven1. Wij blijven voorts van mening dat«searchen» niet beschouwd kan worden als een gerichte interceptie. Zodra tijdens het «searchen» de identiteit van de bij de telecommunicatie betrokken persoon of organisatie is vastgesteld, dient de kennisneming van de telecommunicatie ingevolge artikel 25a, vierde lid, zoals dit komt te luiden als gevolg van de tweede nota van wijziging, te worden gestaakt. Anders zou het «searchen» ontaarden in gerichte interceptie. Eerst zal toestemming van de betrokken minister moeten worden gevraagd en verkregen om van de telecommunicatie verder kennis te kunnen nemen. Wel mag de telecommunicatie in de periode dat nog geen toestemming is verkregen, worden opgenomen. Pas als de gevraagde toestemming is verleend, zal van de opgenomen telecommunicatie kennis mogen worden genomen.

De door de leden van de CDA-fractie genoemde bewaartermijn van – in beginsel – een jaar heeft betrekking op telecommunicatie die op grond van artikel 26 is ontvangen en opgenomen, maar waarvan nog op generlei wijze is kennis genomen. Anders dan deze leden meenden, is er wel degelijk enig verband tussen het bewaren en lopend onderzoek. Ingevolge het negende lid van artikel 26 moet immers op het moment dat de te bewaren gegevens worden ontvangen en opgenomen, doch nog niet geselecteerd, reeds sprake zijn van een lopend onderzoek ten behoeve waarvan die gegevens naderhand binnen de daarvoor krachtens het negende c.q. tiende lid geldende termijn mogelijk alsnog worden geselecteerd.

De leden van de fractie van D66 vroegen zich af of het monitoren van militair berichtenverkeer niet kan leiden tot spanningen tussen staten, waardoor het van belang is dat in ieder geval de minister van Defensie op de hoogte moet worden gesteld van het feit dat er militaire berichten gemonitord worden?

De vragen van de D66-fractie beantwoorden wij graag als volgt. Het monitoren van militair berichtenverkeer dat door de ether gaat, is een passieve activiteit welke niet door de «gemonitorde» partij kan worden vastgesteld. Bovendien houdt een krijgsmacht, blijkens de waarde welke doorgaans aan een goede verbindingsbeveiliging wordt gehecht, ermee rekening dat dergelijk berichtenverkeer kan worden gemonitord. Van het monitoren van militair berichtenverkeer, waaronder begrepen informatie ten aanzien van welke krijgsmachten de hier bedoelde activiteiten door de MID worden verricht, wordt – zoals de leden van de D66-fractie terecht veronderstellen – de minister van Defensie regelmatig op de hoogte gesteld. Deze is immers verantwoordelijk voor de activiteiten van de MID.

De leden van de D66-fractie vroegen wanneer kennis nemen van de inhoud van een telefoongesprek wel een inbreuk op het telefoongeheim is, en wanneer niet.

Wij menen dat van een inbreuk op het telefoongeheim sprake is, indien het kennis nemen van de inhoud van een telefoongesprek gericht is op de inhoud zelf. Indien van de inhoud van een telefoongesprek kennis wordt genomen louter als kortstondig onderdeel van een onderzoek naar de identiteit van de personen of instellingen die met elkaar communiceren, zien wij dat niet als inbreuk op het telefoongeheim. Het is veeleer vergelijkbaar met een onderzoek naar verkeersgegevens. Een dergelijk onderzoek is wel te beschouwen als een inbreuk op het recht op privacy, zoals vastgelegd in artikel 10 van de Grondwet, doch niet als een inbreuk op het in artikel 13 van de Grondwet vastgelegde telefoongeheim. Zoals wij eerder in antwoord op vragen van de PvdA-fractie reeds hebben opgemerkt, wordt tijdens het zgn. «searchen» een uitzending slechts kort gevolgd. Het langer volgen van een uitzending dan strikt noodzakelijk is om de identiteit van de communicerende personen of instellingen vast te stellen, is ontoelaatbaar, omdat het «searchen» dan zou ontaarden in een niet toegestane vorm van gericht kennis nemen van de inhoud van de communicatie. Wel mag een dienst na de vaststelling van die identiteit de inhoud van de communicatie blijven ontvangen en opnemen, indien dit noodzakelijk is voor een goede taakuitvoering door de dienst. Kennisneming van de inhoud mag echter pas plaatsvinden, indien de verantwoordelijke minister daarvoor toestemming heeft geven. Zodra blijkt dat het ontvangen en opnemen van de telecommunicatie van de desbetreffende persoon of organisatie niet noodzakelijk is voor een goede taakuitvoering door de dienst, moeten de bij het «searchen» ontvangen en opgenomen gegevens ingevolge het vijfde lid van artikel 25a terstond worden vernietigd.

Voorts vroegen de leden van deze fractie of, als er gedurende «searchen» een gesprek plaatsvindt met informatie over een criminele activiteit, deze informatie mag worden gebruikt.

Het «searchen» is, zoals gezegd, slechts gericht op de vaststelling van de identiteit van de personen of instellingen die communiceren. Als bij het «searchen» blijkt dat een bepaalde criminele organisatie van een bepaalde frequentie gebruikt maakt, mag deze informatie op grond van artikel 37 van het wetsvoorstel worden doorgegeven aan het openbaar ministerie. Van de inhoud van de communicatie mag eerst verder worden kennis genomen, indien dit noodzakelijk is voor een goede taakuitvoering door de dienst en de verantwoordelijke minister daarvoor toestemming heeft gegeven. Dit betekent dat het om een organisatie moet gaan waarvan de activiteiten mede de nationale veiligheid bedreigen. Te denken valt aan een criminele organisatie waarvan bij de dienst reeds bekend is dat zij pogingen doet overheidsinstanties te corrumperen. Als na kennisneming van de inhoud van de communicatie blijkt dat deze gegevens bevat die tevens van belang kunnen zijn voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten, kunnen deze gegevens eveneens op grond van artikel 37 aan het openbaar ministerie worden doorgegeven. Verdere kennisneming van de communicatie en verstrekking van gegevens daaruit is niet toegestaan, indien de reden om dat te doen louter een opsporingsbelang vertegenwoordigt.

Tot slot merken wij op dat – anders dan de leden van deze fractie kennelijk veronderstelden – «searchen» binnen Nederland geen interceptie in de zin van artikel 25 van het wetsvoorstel is. Het feit dat de bevoegdheid tot «searchen» zich in artikel 25a beperkt tot telecommunicatie die haar oorsprong of bestemming in het buitenland heeft, impliceert niet dat het «searchen» op telecommunicatie die haar oorsprong en bestemming het binnenland heeft, onder de reikwijdte van artikel 25 zou vallen. «Searchen» op binnenlandse telecommunicatie is niet toegestaan. Er is in het licht van het recht op privacy voor gekozen het «searchen» te beperken tot de vormen van telecommunicatie ten aanzien waarvan het «searchen» thans ook plaatsvindt en blijkens de praktijk ook zinvol is. Het gaat dan om HF-radioverkeer en satellietcommunicatie, die beide steeds hun oorsprong of bestemming in het buitenland hebben.

De leden van de D66-fractie waren er nog steeds niet van overtuigd dat een melding vooraf aan de commissie IVD, van het gebruik van nieuwe bevoegdheden door de inlichtingendiensten niet gewenst zou zijn. Omdat het desbetreffende artikel (artikel 30) in de bij deze nota gevoegde tweede nota van wijziging is komen te vervallen, menen wij dat het niet nodig is op dit punt nog in te gaan.

De leden van de fracties van GroenLinks, RPF, SGP en GPV hadden moeite met de vergelijking die de regering heeft getrokken tussen het «searchen» en het opvangen van gesprekken met het oog op technische controle en herstelwerkzaamheden.

Wij erkennen dat deze vergelijking niet in alle opzichten opgaat. Bij het opvangen van gesprekken met het oog op technische controle en herstelwerkzaamheden is de inhoud van de gesprekken volstrekt niet relevant voor die werkzaamheden. Bij het «searchen» moet om de identiteit van de communicerende personen of instellingen te kunnen vaststellen soms wel van de inhoud van de communicatie kennis worden genomen, doch dat geschiedt in die gevallen slechts steekproefsgewijs en voor korte duur. Kennis nemen van de inhoud is in dat geval niet een doel op zichzelf, doch slechts een hulpmiddel om de identiteit vast te stellen. Om die reden menen wij ook te mogen stellen dat het «searchen» er niet op gericht is van de inhoud van de communicatie kennis te nemen. Indien het na vaststelling van de identiteit wenselijk is van de inhoud van de communicatie kennis te nemen, zal daarvoor toestemming van de verantwoordelijke minister moeten worden gevraagd.

De door de leden van de fractie van GroenLinks bepleite restricties met betrekking tot het «searchen» wijzen wij af. Hiervóór hebben wij in ons antwoord op een vraag van de leden van de CDA-fractie reeds aangegeven dat een toestemmingsvereiste zinledig zou zijn. Dat geldt ook voor de door de fractie van GroenLinks bepleite rechterlijke toestemming met de mogelijkheid achteraf hoger beroep tegen eventueel gegeven toestemming in te stellen. Introductie van rechterlijke toestemming vooraf zou bovendien niet passen in het thans voorgestelde systeem, waarin, voor zover dat voor bepaalde activiteiten wenselijk is, het de politiek verantwoordelijke minister is die toestemming dient te geven. De eveneens bepleite notificatieregeling wijzen wij af, omdat het «searchen» buiten de reikwijdte van de artikelen 12 en 13 van de Grondwet valt. Zoals wij in paragraaf 4.5 nog zullen bespreken, willen wij alleen voor de gevallen waarin de in die artikelen vastgelegde grondrechten zijn beperkt, een notificatieverplichting invoeren.

3.3.2.1 Bijzondere bevoegdheden

De leden van de PvdA-fractie stelden dat door de privatisering van nutsbedrijven geheime diensten niet langer een beroep op de ambtelijke status van medewerkers van deze bedrijven zouden kunnen doen om gegevens te verstrekken. Naar het oordeel van deze leden zou daarom de beoordeling van proportionaliteit en subsidiariteit door de toezichthoudende instanties niet gemakkelijk zijn en zij vroegen of op enigerlei wijze hierin is voorzien. Zij vroegen ons aan te geven op welke wijze deze principes in de huidige praktijk worden beoordeeld.

Allereerst merken wij met betrekking tot de – blijkbaar – bij deze leden levende opvatting, dat er een relatie zou bestaan tussen het hebben van een ambtelijke status en de mogelijkheid tot gegevensverstrekking aan de BVD of de MID, het volgende op. Het is niet zo, dat de BVD of de MID personen met een ambtelijke status (makkelijker) tot gegevensverstrekking zou kunnen verplichten. Ook voor het bevragen van deze categorie personen geldt voor de diensten in beginsel de algemene, in artikel 17 van het wetsvoorstel neergelegde bevoegdheid tot gegevensverzameling. Wel is het zo dat in een zeer beperkt – bij de wet bepaald – aantal gevallen de diensten recht op de verstrekking van bepaalde gegevens door overheidsinstanties ten behoeve van een goede taakuitvoering hebben. Het betreft hier de verstrekking van gegevens (1) uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (artikel 88 Wet GBA), (2) door de personen en instanties als bedoeld in artikel 22, tweede lid, van de huidige WIV (de artikelen 56 en 57 van het wetsvoorstel) en (3) uit registraties op grond van de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag (artikel 2 en 3 Besluit inlichtingen justitiële documentatie en artikel 1 en 2 Besluit inlichtingen strafregisters). Daarnaast legt de Telecommunicatiewet – en deels de nieuwe WIV – aan aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare telecommunicatiediensten de verplichting op om bepaalde informatie of gegevens te verstrekken; wij wijzen in dit verband op artikel 13.4 van de Telecommunicatiewet en de artikelen 27 en 28 van het wetsvoorstel. In alle andere gevallen kan een dienst personen of instanties (al dan niet met een ambtelijke status) op de voet van artikel 17 van het wetsvoorstel vragen om bepaalde gegevens te verstrekken; een verplichting om te verstrekken – buiten de hiervoor aangeduide gevallen – is evenwel niet aanwezig.

Dit brengt ons tot de opmerking van de leden van de PvdA-fractie dat de beoordeling van proportionaliteit en subsidiariteit door de toezichthoudende instanties er daarom niet gemakkelijker op is geworden. Deze opmerking lijkt uit te gaan van de veronderstelling dat in de gevallen dat door personen met een ambtelijke status gegevens aan een dienst worden verstrekt deze beoordeling «gemakkelijker» zou zijn. Wij plaatsen hierbij de volgende kanttekening. In alle gevallen dat een dienst gebruik maakt van een aan de betreffende dienst toekomende bevoegdheid dient de afweging te zijn gemaakt of de uitoefening van de bevoegdheid voldoet aan de subsidiariteits- en proportionaliteitseis. In al deze gevallen zal de toezichthoudende instantie de daarbij gemaakte afweging moeten kunnen beoordelen. De status van de persoon of instantie – ambtelijk of niet – die gegevens verstrekt speelt daarbij geen rol. De in te stellen onafhankelijke commissie van toezicht is uitgerust met ver reikende onderzoeksbevoegdheden; deze bevoegdheden bieden voldoende mogelijkheden om een goede beoordeling (achteraf) van de door een dienst uitgeoefende bevoegdheden mogelijk te maken. Een nadere voorziening is onzes inziens daarom niet nodig. In de huidige praktijk is het toezicht op de beoordeling van subsidiariteit en proportionaliteit grotendeels intern georganiseerd; met de instelling van de commissie van toezicht wordt het externe toezicht dan ook naar ons oordeel wezenlijk verbeterd.

De leden van de fractie van GroenLinks waren van mening dat de in het wetsvoorstel opgenomen voorstellen met betrekking tot de methoden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten te ver gaan. Alle middelen, aldus deze leden, dienen te voldoen aan de voorwaarden van doelmatigheid, effectiviteit, legitimiteit, proportionaliteit, subsidiariteit en kenbaarheid. Daarbij dient een onderscheid te worden gemaakt te worden tussen reguliere en uitzonderlijke middelen, waarbij waar het de zogeheten reguliere middelen betreft toestemming vooraf van de minister voldoende is, maar voor uitzonderlijke middelen de toestemming vooraf van een rechter noodzakelijk zou moeten zijn. Naar het oordeel van de leden van de fractie van GroenLinks wordt in het voorliggende wetsvoorstel onvoldoende op deze aspecten ingegaan.

Wij zijn het met deze leden eens, dat de door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in te zetten middelen – in de terminologie van het wetsvoorstel: bijzondere bevoegdheden – aan de door hen genoemde voorwaarden dienen te voldoen. Met het voorliggend wetsvoorstel wordt naar ons oordeel daaraan ook voldaan; sterker nog: het is zelfs één van de daaraan ten grondslag liggende doelstellingen. Het door de leden van de GroenLinks-fractie gemaakte onderscheid tussen reguliere en uitzonderlijke middelen en het daarbij gemaakte verschil in toestemmingsinstantie, spreekt ons niet aan. In het wetsvoorstel wordt onderscheid gemaakt tussen de algemene bevoegdheid om gegevens te verwerken (artikel 12 e.v.) en de bijzondere bevoegdheden die de diensten ten behoeve van een goede taakuitvoering kunnen inzetten. Uit het verdere betoog van de leden van de GroenLinks-fractie in het nader verslag rond dit onderwerp, krijgen wij de indruk dat het door hen gemaakte onderscheid zich met name richt op het geheel van de bijzondere bevoegdheden. Wij achten het weinig zinvol om binnen die kring van bijzondere bevoegdheden een dergelijk onderscheid aan te brengen; zeker niet indien met het onderscheid wordt beoogd een verschillend regime van toestemming in te voeren. Wij zijn namelijk van oordeel dat de taakuitoefening door de inlichtingenen veiligheidsdiensten onder de volledige verantwoordelijkheid van de voor die diensten verantwoordelijk ministers dient plaats te vinden en dat – waar het gaat om de uitoefening van de bijzondere bevoegdheden – de beslissingsbevoegdheid (met de mogelijkheid van mandaat) ook bij die ministers dient te liggen. Aan de taakstelling zoals deze door de wetgever in de WIV is neergelegd, zal door de minister via het benoemen van aandachtsgebieden (aan de hand van onder meer risico-analyses) uitvoering worden gegeven; het gaat daarbij om het maken van inschattingen omtrent (mogelijke) bedreigingen van bijvoorbeeld het voortbestaan van de democratische rechtsorde, de veiligheid en andere (even) gewichtige belangen van de staat. Voor deze inschatting dient de minister volledig verantwoordelijk te zijn; idem waar het gaat om de vervolgens in het kader van de taakuitoefening van de dienst in te zetten bevoegdheden en de afwegingen die – mede aan de hand van het in het wetsvoorstel neergelegde afwegingskader (subsidiariteit en proportionaliteit) – dienen te worden gemaakt. Het gaat hier om een bestuurlijk optreden (primair) gericht op het wegnemen dan wel minimaliseren van bedreigingen. Bij een dergelijk bestuurlijk optreden past geen rol voor de rechter als door de leden van de fractie van GroenLinks wordt voorgesteld; uiteraard moet het optreden van de diensten achteraf wel getoetst kunnen worden door de daarvoor in aanmerking komende rechter. Het optreden van inlichtingen- en veiligheidsdiensten is dan ook niet te vergelijken met strafvorderlijk optreden, waarbij strafrechtelijke – en bij overtreding daarvan met sancties bedreigde – normen dienen te worden gehandhaafd. Daar komt bij dat de beoordeling van de inzet van bepaalde opsporingsmethoden door het openbaar ministerie en de rechter-commissaris in het kader van strafvorderlijk optreden een meer technisch-juridische beoordeling behelst, dan de inzet van bijzondere bevoegdheden door inlichtingen- en veiligheidsdiensten, waarbij een meer politiek-bestuurlijke beoordeling in het licht van de wettelijke taakstelling (en de in dat kader vastgestelde aandachtsgebieden) – uiteraard met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke normen– plaatsvindt.

De leden van de fractie van GroenLinks gingen in hun bijdrage vervolgens in op een aantal in hun ogen uitzonderlijke methoden en middelen, waaromtrent zij enkele concrete vragen stelden. Voor zover deze – aan bepaalde methoden en middelen gerelateerde – vragen betrekking hebben op de wens om de inzet afhankelijk te maken van de toestemming van de rechter, gaan wij daarop niet meer afzonderlijk in. In het voorgaande is immers in algemene zin aangegeven, waarom wij geen rol voor de rechter in die fase zien weggelegd. Allereerst merkten de leden van de fractie van GroenLinks op, dat in het wetsvoorstel geen expliciete beperkingen zijn opgenomen ten aanzien van het plegen van strafbare feiten, hetgeen zij zeer onwenselijk vonden. Zij vroegen ons om een opsomming te geven van welke eventuele strafbare feiten gepleegd zouden moeten kunnen worden en de diensten ter beschikking zouden moeten staan om behoorlijk te kunnen functioneren.

In de memorie van toelichting1 en in de nota naar aanleiding van het verslag2 zijn wij – in reactie op vragen van de leden van fracties van de PvdA en van GroenLinks – uitvoerig ingegaan op de vraag waarom in het wetsvoorstel de bevoegdheid van een agent om – op een daartoe strekkende instructie – eventueel strafbare feiten te mogen plegen of mede te plegen, niet nader is begrensd. Zoals wij daarbij hebben aangegeven is in het kader van de voorbereiding van het wetsvoorstel een aantal varianten tot nadere begrenzing aan de orde geweest; genoemd is het opnemen van een negatieve lijst met strafbare feiten (wat dus zeker niet mag) dan wel een positieve lijst (wat alleen zou mogen). Ook is overwogen een meer categoriale aanduiding van een bepaald soort delicten op te nemen. Uiteindelijk is echter van het opnemen van een enige begrenzing (of richtsnoer) in de wet afgezien. Met het opnemen van een lijst zou immers in de gevallen dat binnen een organisatie een agent opereert, waarvan men ook vermoedt dat deze agent is, aan deze organisatie een soort checklist worden geboden om de (on)betrouwbaarheid van de betrokkene vast te stellen. Een categoriale aanduiding van een bepaald soort delicten werd uiteindelijk niet wenselijk geacht, omdat daaraan enerzijds hetzelfde bezwaar vastzit als aan een lijst en anderzijds een categoriale aanduiding met betrekking tot de beantwoording van de zo belangrijke vraag of iemand al dan niet strafbaar is, onvoldoende rechtszekerheid biedt.

De leden van de GroenLinks-fractie merkten verder op dat zij vonden dat de notificatieverplichting van het – in hun woorden – inbreken van een dienst gelijkgetrokken dient te worden. Uit de vraagstelling wordt niet geheel duidelijk in welk opzicht deze leden een gelijktrekking voorstaan, maar wij nemen aan dat men het verschil tussen binnentreden in woningen en niet-woningen zou willen laten vervallen.

Zoals in de toelichting op de voorgestelde notificatieregeling is aangegeven (zie de nota naar aanleiding van het verslag en de toelichting bij de eerste nota van wijziging) strekt deze regeling ter uitvoering van de in artikel 12 en 13 Grondwet neergelegde onderscheidenlijk (naar verwachting) neer te leggen notificatieverplichting. Daarbuiten bestaat op grondwettelijk niveau geen notificatieverplichting. De grondwetgever acht de wel aangewezen gevallen blijkbaar van een zodanig zwaarwegend belang, dat deze in beginsel genotificeerd dienen te worden. Een en ander betekent – toegespitst op artikel 12 Grondwet – dat in het onderhavige geval de notificatieverplichting zich slechts uitstrekt tot die gevallen, waarbij tegen de wil van de bewoner (wordt: zonder toestemming van de bewoner) diens huisrecht wordt beperkt. Het gaat hierbij om woningen; niet-woningen vallen dan ook buiten de notificatieregeling.

De leden van de fractie van GroenLinks vonden dat onvoldoende is aangegeven onder welke voorwaarden en omstandigheden de inzet van microfoons en/of videoapparatuur geoorloofd is. Zij vroegen in dat verband wat mag worden afgeluisterd en wat niet, wie aan het gesprek moeten deelnemen, hoelang er mag worden afgeluisterd, wie de processen-verbaal maakt en wanneer de banden worden gewist. Wij reageren hierop als volgt.

In het wetsvoorstel zijn de bijzondere bevoegdheden die de diensten mogen uitoefenen limitatief opgesomd. Daarbij is aangegeven welk toetsingskader dient te worden gehanteerd (subsidiariteit en proportionaliteit; zie artikel 31 en 32), wie toestemming dient te verlenen en – van bevoegdheid tot bevoegdheid – aan welke voorwaarden het verzoek om toestemming dient te voldoen. Of tot de uitoefening van een bepaalde bijzondere bevoegdheid moet worden overgegaan zal telkens – van geval tot geval en alle omstandigheden van het geval afwegende – dienen te worden bepaald. Een verdergaande concretisering van feiten en omstandigheden als thans in het wetsvoorstel voorgesteld, is dan ook naar ons oordeel niet goed mogelijk. In het kader van het verzoek om toestemming voor de inzet van microfoons en/of video-apparatuur zal overigens duidelijkheid dienen te worden gegeven jegens wie de betreffende bijzondere bevoegdheid dient te worden ingezet, hoelang de bevoegdheid moet c.q. mag worden uitgeoefend (veelal maximaal drie maanden met de mogelijkheid van verlenging voor telkens een periode van drie maanden), enz. Van de uitoefening van de bijzondere bevoegdheid dient, zoals bekend, ingevolge artikel 33 voorts een schriftelijk verslag te worden gemaakt; het ligt in de rede dat dit verslag in beginsel wordt gemaakt door de persoon die feitelijk met de uitoefening van de betreffende bijzondere bevoegdheid is belast. Wat het wissen van de banden betreft, merken wij ten slotte nog het volgende op. Nadat de gesprekken hebben plaatsgevonden (soms: terwijl ze plaatsvinden) worden deze uitgeluisterd. De gesprekken of delen daarvan die van belang zijn voor de taak van de betrokken dienst worden schriftelijk uitgewerkt. De uitgewerkte gesprekken blijven behalve in schriftelijke vorm ook op een geluidsdrager bewaard. Niet uitgewerkte gesprekken worden gewist, althans overschreven. De leden van de GroenLinks-fractie tekenden voorts bezwaar aan tegen de inperking van de mogelijkheid tot controle vooraf door het vereiste aantal handtekeningen voor een last tot het aftappen en opnemen van telecommunicatie of voor het afluisteren van gesprekken met een technisch hulpmiddel, van vier onderscheidenlijk drie ministers terug te brengen tot één minister.

Op de achtergronden van deze problematiek is zowel in de memorie van toelichting als in de nota naar aanleiding van het verslag reeds uitvoerig ingegaan.1 Daarbij is aangegeven, dat de belangrijkste overweging voor deze aanpassing is, dat in het in het wetsvoorstel neergelegde systeem met betrekking tot de bijzondere bevoegdheden voor de uitoefening van al deze bevoegdheden de toestemming van slechts één minister, namelijk de voor de dienst verantwoordelijke minister – of in mandaat het hoofd van de dienst – is voorgeschreven (artikel 19, eerste lid). Er is geen enkele reden om daar wat betreft de (thans) in artikel 25, eerste lid, van het wetsvoorstel geregelde bevoegdheden van af te wijken. Dit geldt temeer nu tussen de diverse bijzondere bevoegdheden geen absoluut onderscheid gemaakt kan worden, in die zin dat de uitoefening van de ene bevoegdheid per definitie een meer of minder grote inbreuk op iemands persoonlijke levenssfeer betekent dan een andere bevoegdheid. Voor de overige (neven)overwegingen verwijzen wij de leden van de GroenLinks-fractie graag naar de aangegeven relevante passages uit de schriftelijke stukken.

In reactie op de door de GroenLinks-fractie en de VVD-fractie gemaakte opmerkingen over Echelon verwijzen wij naar de recente beantwoording van de Kamervragen over dit onderwerp1 en naar de op 19 januari 2001 door de Minister van Defensie uitgebrachte nota inzake het grootschalig afluisteren van moderne telecommunicatiesystemen2.

De leden van de fractie van GroenLinks hadden moeite in te zien waarom de BVD sinds zijn aantreden zonder de bevoegdheid tot het openen van brieven heeft kunnen functioneren, terwijl hij in een tijd van toenemende elektronische datacommunicatie ineens daaraan behoefte heeft. Is, aldus deze leden, dan niet het geval dat óf de BVD zich reeds langer van deze methode bedient, zonder de benodigde bevoegdheid te hebben, óf dat uitleg nodig is waarom de inlichtingen- en veiligheidsdiensten deze bevoegdheid nu wel nodig hebben. Het argument van de wetstechnische harmonisatie gaat naar het oordeel van deze leden niet op; zij achtten de noodzaak in elk geval onvoldoende aangetoond.

In het wetsvoorstel worden de bevoegdheden voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten uitputtend geregeld. Bevoegdheden die niet zijn opgenomen komen de diensten dan ook niet toe; de wet zal in dat geval eerst gewijzigd dienen te worden. Tegen deze achtergrond is bezien over welke bevoegdheden de inlichtingen- en veiligheidsdiensten voor een goede taakuitvoering dienen te beschikken. De bevoegdheid tot het openen van brieven is daarbij als één van de noodzakelijk geachte bevoegdheden aangemerkt. Weliswaar leven wij in een tijd van toenemende elektronische datacommunicatie, maar het belang van de brief als communicatiemedium zal naar verwachting altijd wel blijven bestaan. Het gevolg van de wens en noodzaak om de aan de diensten toekomende bevoegdheden uitputtend, en daarmee ook kenbaar en voorzienbaar, te moeten regelen is dat personen en instanties die bijvoorbeeld de intentie hebben de belangen ter bescherming waarvan de diensten in het leven zijn geroepen te willen aantasten, aan de hand van de catalogus van bevoegdheden zoals die in de WIV wordt neergelegd, kunnen vaststellen langs welke weg zij op een niet voor de diensten te onderscheppen wijze kunnen communiceren. Dat brengt dus mee dat de diensten hun bij de wet opgedragen taak niet effectief kunnen uitvoeren. Een – onzes inziens evident – belangrijke informatiestroom wordt immers buiten het bereik van de diensten gehouden. Wij achten het dan ook noodzakelijk om de bevoegdheid tot het openen van brieven thans in de WIV neer te leggen. Wat het openen van brieven door de BVD en de MID in het verleden betreft, verwijzen wij de leden van de fractie van GroenLinks naar het antwoord dat wij eerder – in reactie op een daartoe strekkende vraag van de leden van de fracties van GPV, RPF en SGP – in de nota naar aanleiding van het verslag hebben gegeven.3

Wat de vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van GroenLinks betreft ter zake van de wens om het openen van brieven te (blijven) onderwerpen aan rechterlijke toestemming alsmede het instellen van een notificatieverplichting wijzen wij deze leden naar hetgeen hiervoor over deze onderwerpen is gesteld. Met deze leden zijn wij het overigens eens dat er een effectief toezichtsmechanisme dient te bestaan. Het lijkt ons, dat het geheel van toezichtsinstanties (waaronder parlement, rechter, Nationale ombudsman), en in het bijzonder de introductie van een gespecialiseerd college als de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten die over uitgebreide onderzoeksbevoegdheden de beschikking krijgt, borg staat voor een effectief toezicht. Oók op de bevoegdheid van de diensten om brieven te mogen openen.

De leden van de fractie van GroenLinks hadden aansluitend enkele opmerkingen en vragen omtrent «infiltranten» en «agent-provocateurs» van de BVD. Wij willen nadrukkelijk stellen dat de BVD geen infiltranten of agent-provocateurs kent. De opmerkingen van de zijde van de fractie van GroenLinks hierover, zoals bijvoorbeeld dat infiltranten in veel gevallen blijken te worden gerekruteerd in het criminele milieu en dat deze in opdracht van de BVD zouden aanzetten tot geweldpleging door politieke groeperingen, zijn dan ook bezijden de waarheid. Bij de taakuitvoering door de BVD en de MID wordt gebruik gemaakt van menselijke bronnen; deze worden aangeduid als informanten en agenten. Informanten en agenten dragen te allen tijde op vrijwillige basis bij aan de taakuitvoering van de dienst; dat geldt ook voor een agent die in dienst is van de BVD of de MID in die zin dat een dergelijk persoon uitsluitend op vrijwillige basis voor een dergelijke functie in aanmerking kan komen. Een informant is in het kader van het wetsvoorstel een persoon die door de positie waarin hij verkeert dan wel de hoedanigheid die hij heeft over gegevens beschikt of kan beschikken die voor een goede taakuitvoering van de dienst van belang kunnen zijn. De raadpleging van dergelijke informanten wordt in het wetsvoorstel gedekt door artikel 17; het gaat hier niet om de uitoefening van een bijzondere bevoegdheid door een dienst. Een agent is een natuurlijke persoon die doelbewust door een dienst wordt ingezet om gericht gegevens te verzamelen die voor de taakuitvoering van de dienst van belang kunnen zijn. Daarnaast, doch dat slechts in uitzonderingsgevallen, kan het voorkomen dat de agent tevens belast wordt met het bevorderen of het nemen van maatregelen in verband met door een dienst te behartigen belangen. De taak van een agent is echter primair om jegens een bepaalde persoon of in een bepaalde organisatie die in het kader van een onderzoek van een dienst de aandacht heeft, een zogeheten informatiepositie te verwerven en – eenmaal verworven – die te behouden en uit te bouwen. De inzet van een dergelijke persoon geschiedt onder verantwoordelijkheid en instructie van de betreffende dienst en daarmee onder ministeriële verantwoordelijkheid. De bijzondere bevoegdheid tot het inzetten van agenten is in artikel 21 van het wetsvoorstel geregeld. Het gebruik van menselijke bronnen bij de taakuitvoering van een dienst is onmisbaar. Het is een misvatting te denken dat met behulp van technische voorzieningen (lees: technische bronnen) alle voor een goede taakuitoefening noodzakelijke informatie zou kunnen worden achterhaald. In veel situaties zal immers de inzet van een technische bron niet tot het gewenste resultaat leiden; iemand die geen telefoon heeft kun je immers niet aftappen. Dat betekent dat vaak ook gebruik dient te worden gemaakt van menselijke bronnen. Een menselijke bron heeft bovendien het voordeel dat deze door kennis en ervaring de relevante informatie boven tafel kan krijgen en – dat geldt in het bijzonder voor agenten – daartoe gericht naar op zoek kan gaan. Bovendien zal een agent die een vertrouwensrelatie met relevante personen heeft weten op te bouwen, daardoor ook gemakkelijker de beschikking kunnen krijgen over relevante informatie. Een verbod op het gebruik van menselijke bronnen door een dienst, waaronder agenten, zoals door de leden van de fractie van GroenLinks bepleit, achten wij dan ook niet aan de orde; een goede taakuitvoering door de diensten wordt daardoor ernstig belemmerd.

3.3.2.2.1 De inzet van «agenten» en het oprichten en de inzet van rechtspersonen

De leden van de PvdA-fractie zagen – met ons – in dat indien de diensten overgaan tot het (mede)oprichten van een rechtspersoon ten behoeve van operationele activiteiten de in de Comptabiliteitswet voorgeschreven openbare procedure bij de beide Kamers der Staten-Generaal achterwege dient te blijven. Desalniettemin zagen deze leden niet in waarom geen melding daarvan bij de commissie van toezicht zou kunnen geschieden.

De commissie van toezicht is – naast advisering in het kader van de interne klachtbehandeling – belast met het toezicht achteraf op de rechtmatige uitvoering van hetgeen bij of krachtens de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten is gesteld. Dit toezicht strekt zich dan ook uit tot de toepassing van artikel 21 van het wetsvoorstel, waarin onder meer het oprichten en de inzet van rechtspersonen door de diensten ter ondersteuning van operationele activiteiten is geregeld. De commissie kan dus altijd de oprichting en de inzet van rechtspersonen door de diensten controleren. Op daartoe strekkende vragen zal de desbetreffende informatie aan de commissie worden verstrekt; onze inziens kan daarmee worden volstaan.

De leden van de fractie van het CDA constateerden dat aan artikel 21 een nieuw lid wordt toegevoegd, waarbij artikel 29, eerste en tweede lid, van de Comptabiliteitswet buiten toepassing wordt verklaard. Zij vroegen welke controlemogelijkheden worden toegepast om te voorkomen dat ongewenste zaken plaatsvinden ten aanzien van het doen, of mede doen, oprichten van een rechtspersoon door de staat middels een van beide diensten.

Wij zouden deze leden kortheidshalve willen verwijzen naar ons antwoord op de hiervoor gestelde vraag van de leden van de PvdA-fractie.

De leden van RPF, SGP en GPV vonden het vanzelfsprekend dat aan in te zetten agenten hoge eisen van betrouwbaarheid worden gesteld en zij begrepen dat het moeilijk was hiervoor algemene criteria te formuleren. Zij vroegen of het toch niet mogelijk en nodig was een ondergrens te stellen. Deze leden gingen er daarbij vanuit dat zogenaamde criminele burgerinfiltranten niet zullen worden ingezet.

Wij wijzen er allereerst op dat het begrip «criminele burgerinfiltranten» niet een begrip is dat in het kader van de diensten van toepassing is, maar een begrip is dat uit de justitiële sfeer komt. Ten aanzien van de diensten wordt onderscheid gemaakt tussen informanten en agenten. Met informanten worden, zoals hiervoor in antwoord op vragen van de leden van de fractie van GroenLinks als is aangegeven, die personen aangeduid die informatie verschaffen waar zij reeds over beschikken. Agenten zijn personen die een opdracht krijgen bepaalde informatie te achterhalen. In de nota naar aanleiding van het verslag is uiteengezet dat het bij agenten kan gaan om externen die specifiek voor een bepaalde opdracht worden aangezocht alsmede om eigen medewerkers van de dienst. Bij laatstgenoemden staat de betrouwbaarheid in voldoende mate vast omdat deze een veiligheidsonderzoek hebben ondergaan. Ten aanzien van de andere agenten alsook de informanten zal de betrokken dienst zich met de hem ten dienste staande middelen een oordeel vormen over hun betrouwbaarheid. Gezien de onderscheiden aard van de taken waarbij personen om hun medewerking kan worden gevraagd, is het op voorhand moeilijk minimumeisen aan de betrouwbaarheid van informanten en agenten te stellen, zoals de leden van de fracties van SGP, RPF en GPV vroegen.

De leden van deze fracties stelden tot slot dat niet erg consistent wordt gehandeld met betrekking tot het openen van brieven en andere geadresseerde zendingen, wat betreft het vooruitlopen op komende grondwetsherziening.

In de memorie van toelichting hebben wij ons op het standpunt gesteld dat het vereiste van rechterlijke toestemming niet goed in een stelsel past waarin het de verantwoordelijke minister is die voor bepaalde activiteiten van de diensten toestemming verleent en daarvoor politiek aanspreekbaar is. Wij erkennen dat dit standpunt wordt losgelaten bij de voorgestelde bevoegdheid tot het openen van brieven, omdat daarvoor wel rechterlijke toestemming vereist zal zijn. Het gaat hier evenwel om een situatie die naar wij hopen slechts tijdelijk zal zijn: in het kabinetsstandpunt naar aanleiding van het advies van de Commissie «Grondrechten in het digitale tijdperk» is het voorstel opgenomen de rechterlijke toestemming voor dit type gevallen te vervangen door toestemming van de verantwoordelijke minister. Het bezwaar dat gedurende een overgangsperiode nog toestemming aan de rechter zal moeten worden gevraagd achten wij minder groot dan de bezwaren die zouden ontstaan als de voorgesteld bevoegdheid eerst zou worden ingevoerd op het moment dat artikel 13 van de Grondwet is gewijzigd.

3.3.2.2.2 Openen van brieven en andere geadresseerde zendingen

De leden van de PvdA-fractie merkten op dat het gericht aftappen, opnemen en afluisteren van elke vorm van gesprek, telecommunicatie of gegevensoverdracht alleen mogelijk is wanneer daarvoor toestemming is verleend door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Deze toestemming is niet noodzakelijk wanneer deze telecommunicatie betrekking heeft op militair berichtenverkeer. De leden van de PvdA-fractie vroegen de regering wat de wezenlijke verschillen zijn, tussen het aftappen van communicatiemiddelen en het opvangen van militaire berichten uit de ether.

Hierover merken wij het volgende op. Het ontvangen van militaire berichten uit de ether geschiedt door de afdeling verbindingsinlichtingen van de MID. De berichten worden als het ware uit de ether geplukt. In tegenstelling tot het aftappen van communicatiemiddelen is er voor het opvangen van militaire berichten uit de ether nimmer de medewerking van aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare telecommunicatiediensten vereist. Uiteraard vormt voorts de afkomst van de berichten een wezenlijk kenmerk. Bij het opvangen van militaire berichten uit de ether gaat het om berichten welke afkomstig zijn van een buitenlandse krijgsmacht.

De nota van wijziging vermeldt dat militaire eenheden, die gebruik maken van radioverbindingen in verband met de aard van hun opdracht, er naar zullen streven hun operatie of oefeningen te versluieren. Het was de leden van de PvdA-fractie onduidelijk in welke fase, en op welke wijze, onderscheid wordt gemaakt of het militair berichtenverkeer betreft, wat zonder toestemming getapt kan worden, dan wel dat het burgerlijk berichtenverkeer betreft, waar toestemming voor is vereist. Zij stelden de vraag hoe dit in de praktijk waarneembaar zal zijn.

Hierop antwoorden wij als volgt. In de praktijk zal in de fase voorafgaand aan inhoudelijke kennisneming berichtenverkeer van een krijgsmacht met een zeer grote mate van zekerheid op basis van ervaring worden herkend aan de hand van voor deze specifieke krijgsmacht kenmerkende werkwijzen en verbindingsprocedures, zoals het gebruik van bepaalde codewoorden, frequenties of crypto- en zendapparatuur. Een militaire zender zal doorgaans zo kort mogelijk en met een zo laag mogelijk vermogen zenden terwijl een civiel zendstation veelal met vol vermogen en onversluierd vanuit een bekende positie kan zenden. Tenslotte kan worden opgemerkt dat civiele stations, afwijkend van militaire zenders, gebruik maken van internationaal afgesproken verbindingsprocedures en afkortingen.

In antwoord op de vraag van de leden van de PvdA-fractie op welke wijze een versleuteling wordt bepaald, merken wij op dat veelal met behulp van computers aan de hand van specifieke kenmerken kan worden herkend of in een bericht sprake is van versleuteling. Voor het antwoord op de vraag van deze leden wie bepaalt of en wanneer de versleuteling ongedaan wordt gemaakt, verwijzen wij naar hetgeen hiervoor is opgemerkt bij de beantwoording van de vergelijkbare vraag aan wie de bevoegdheid toekomt een overzicht van trefwoorden op te stellen en in te vullen.

De leden van de fracties van RPF, SGP en GPV meenden ten onrechte dat het de bedoeling is na wijziging van artikel 13 van de Grondwet de in artikel 23 opgenomen bevoegdheid tot het openen van brieven uit te breiden tot het «elektronisch briefgeheim». Het openen van e-mailberichten zal, al naar gelang de fase en de vorm waarin dit plaatsvindt – in de mailbox of nog tijdens het transport c.q. bij kabelgebonden of niet-kabelgebonden communicatie –, gaan vallen onder artikel 24, 25 of 26 van het wetsvoorstel. De vragen die deze leden in dit verband in relatie tot artikel 23 stelden, menen wij dan ook verder buiten beschouwing te kunnen laten.

De leden van de fracties van RPF, SGP en GPV stonden voorts stil bij de in artikel 30 voorgestelde bevoegdheid om handelingen te kunnen verrichten die niet tot één van de elders in paragraaf 3.2 van het wetsvoorstel opgenomen bevoegdheden is te herleiden en waarvan de uitvoering een beperking van het recht op privacy kan inhouden. Voor een antwoord op hun vraag of dit artikel voldoet aan het voorzienbaarheidsvereiste dat in de jurisprudentie van het EHRM een rol speelt, wijzen wij deze leden op ons antwoord op een hiermee vergelijkbare vraag van de leden van de PvdA-fractie in paragraaf 2.2 van deze nota. Uit dat antwoord blijkt dat dit naar verwachting niet het geval is. Om die reden is artikel 30 dan ook geschrapt.

3.4 De verstrekking van gegevens door de diensten

De leden van de fractie van de PvdA gaven aan de kritiek te delen die de Raad van State heeft geuit ten aanzien van de voorgestelde regeling van gegevensverstrekking door de diensten aan personen of instanties met een publieke taak (artikel 37a van het wetsvoorstel). Deze kritiek had betrekking op het afbakeningscriterium «personen of instanties met een publieke taak», dat door de Raad te ruim werd gevonden. De genoemde leden vragen ons of deze kring via nadere criteria niet verder concreet begrensd zou kunnen worden.

Wij hebben ons naar aanleiding van deze vraag nogmaals bezonnen op de in artikel 37a gekozen systematiek, die – zo geven wij toe – inderdaad vrij veel ruimte laat om te verstrekken. Het gaat bovendien om de verstrekking van gegevens buiten het geval dat dit noodzakelijk is voor een eigen goede taakuitvoering, zij het dat er wel andere dringende en gewichtige redenen aanwezig dienen te zijn om tot verstrekking over te kunnen gaan. Dergelijke verstrekkingen dienen onzes inziens evenwel in bepaalde gevallen mogelijk te zijn. Wij zouden derhalve willen voorstellen om – met behoud van de verstrekkingsmogelijkheid als zodanig – de kring van personen en instanties waaraan verstrekt mag worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nader te definiëren. In de tweede nota van wijziging is een aanpassing van artikel 37a in deze zin voorzien. Naar ons oordeel wordt daarmee op adequate wijze (alsnog) aan de kritiek van de Raad van State en die van de leden van de PvdA-fractie tegemoet gekomen.

3.5 De verwijdering, vernietiging en overbrenging van gegevens

De leden van de VVD-fractie vroegen de regering wie erop toeziet dat de ingevolge artikel 26, negende lid, gereserveerde gegevens alsnog na één jaar worden vernietigd en wat de status is van de gegevens indien de vernietiging onverhoopt niet na die termijn heeft plaatsgevonden. Deze leden stemden in met het uitgangspunt dat het niet wenselijk is dat de hier bedoelde gegevens ook beschikbaar komen voor selectie ten behoeve van onderzoek van een dienst, die op het moment van het ontvangen en opnemen van de communicatie niet actueel waren. De leden van de VVD-fractie stelden voorts de vraag wie op de handhaving van dit uitgangspunt toezicht houdt. De leden van de VVD-fractie konden zich bij bedreiging van de nationale veiligheid ook uitzonderingen op voornoemd uitgangspunt voorstellen en vroegen hoe de regering daar tegenover staat. Wij merken op dat allereerst binnen de betrokken dienst zelf maatregelen worden getroffen teneinde een correcte naleving van de in het wetsvoorstel opgenomen bepalingen te verzekeren. Voor wat betreft de naleving van de in artikel 26, negende lid, opgenomen regel kan worden gemeld dat op geautomatiseerde wijze wordt voorzien dat de ingevolge artikel 26, eerste lid, ontvangen gegevens, voor zover zij niet zijn geselecteerd, binnen een jaar zullen worden vernietigd. Bovendien voorziet het wetsvoorstel in onafhankelijk toezicht uit te oefenen door een commissie van toezicht. Ingevolge het wetsvoorstel zal deze worden belast met het toezicht op de rechtmatigheid van de uitvoering van hetgeen bij of krachtens deze wet en de Wet veiligheidsonderzoeken is gesteld. De taak van de commissie van toezicht omvat derhalve ook het toezicht op de naleving van de in artikel 26, negende lid, onderdeel a, omschreven regel. Indien ondanks de bovengeschetste maatregelen mocht blijken dat gegevens ten onrechte niet zijn vernietigd, zal de commissie van toezicht erop kunnen toezien dat ten onrechte niet vernietigde gegevens niet door de diensten voor hun taakuitvoering mogen worden gebruikt en dat deze gegevens alsnog worden vernietigd.

Ten aanzien van mogelijke uitzonderingen op de in artikel 26, negende lid, onderdeel a, vervatte regel in geval van bedreiging van de nationale veiligheid merken wij het volgende op. Bij het opstellen van de bepalingen van het onderhavige wetsvoorstel is getracht een evenwichtige regeling tot stand te brengen welke enerzijds de diensten de ruimte biedt voldoende slagvaardig te kunnen optreden en anderzijds heldere grenzen stelt aan het optreden van die diensten. Artikel 26, negende lid, bevat een regeling die de diensten in staat stelt de ingevolge artikel 26, eerste lid, ontvangen gegevens nader te selecteren, maar die hieraan tevens een duidelijke grens stelt, nl. dat dit alleen is toegestaan ten behoeve van onderzoeken, welke op het moment van het ontvangen van die gegevens actueel waren. Ook bij nadere afweging kiezen wij ervoor vast te houden aan dit criterium.

De leden van de fractie van GroenLinks vroegen naar de reactie van de regering op het advies van de Raad voor Cultuur over de verwijdering en vernietiging van dossiers van de Binnenlandse Veiligheidsdienst.

Wij verwijzen kortheidshalve naar de brief die hierover reeds aan de Kamer is gezonden1. De strekking van deze brief is dat besloten is de BVD-selectielijst voorlopig buiten toepassing te laten en een institutioneel onderzoek in te stellen alvorens te komen tot nadere besluitvorming.

Voorts vreesden de leden van de fractie van GroenLinks dat het niet overbrengen van de archieven van de BVD naar de algemene bewaarplaats tot gevolg zal hebben dat onderzoek pas na 75 jaar mogelijk wordt. Zij vonden dat een veel te lange termijn.

Wij wijzen de leden van deze fractie erop dat de regeling waarbij de archieven van de BVD niet overgebracht worden naar een algemene archiefbewaarplaats geen gevolgen heeft voor de termijn van openbaar worden van deze archieven. Op basis van artikel 15 van de Archiefwet 1995 zouden ook in het geval de archieven wel na 20 jaar naar de algemene archiefbewaarplaats overgebracht worden deze pas na 75 jaar openbaar worden in het geval daar beperkingen aan de openbaarheid in het belang van de staat aan gesteld worden. Wij zijn echter van mening dat zolang de geheimhouding niet is opgeheven de betreffende archiefbescheiden niet buiten het bereik van de diensten dienen te worden gebracht. Dat heeft bovendien ook praktische redenen, zoals bijvoorbeeld om verzoeken om kennisneming van gegevens op grond van hoofdstuk 4 van het wetsvoorstel adequaat te kunnen behandelen.

4. KENNISNEMING VAN DOOR OF TEN BEHOEVE VAN DE DIENSTEN VERWERKTE GEGEVENS

4.1 Algemeen

De leden van de PvdA-fractie stelden dat het erop lijkt dat de nieuwe WIV per saldo een grotere beperking aan onafhankelijke onderzoekers oplegt dan – zo nemen wij aan – thans het geval zou zijn. De nieuwe WIV gaat namelijk ook voor andere gegevens dan persoonsgegevens gelden. Deze leden zien vooralsnog niet in waarom het WOB-regime niet algemeen van toepassing zou kunnen zijn. De WOB, zo stellen deze leden, is immers betrekkelijk recente wetgeving waarvan niet te gemakkelijk bij wettelijke regeling zou moeten kunnen worden afgeweken; bovendien kent de WOB voldoende behoorlijke bepalingen die met de strekking van onderliggend wetsvoorstel in overeenstemming zijn. Tot slot vroegen de leden van de PvdA-fractie zich af of een streng openbaarheidsregime als nu voorgesteld niet in strijd is met artikel 110 Grondwet.

Wij antwoorden deze leden als volgt. Met de totstandbrenging van de nieuwe WIV wordt beoogd een allesomvattende regeling voor het geheel van werkzaamheden van de diensten te geven. Niet alleen waar het gaat om de taakstelling van de diensten, de voor de uitvoering daarvan benodigde bevoegdheden, de samenwerking tussen de diensten onderling en met andere instanties, het toezicht op de diensten, de verstrekking van gegevens maar óók waar het gaat om de kennisneming (inzage) van bij de diensten verwerkte gegevens. In hoofdstuk 4 van het wetsvoorstel is daarvoor een uitputtende regeling gegeven. Zoals in de memorie van toelichting op het wetsvoorstel is aangegeven heeft (totstandkoming) van hoofdstuk 4 van het wetsvoorstel tot gevolg dat de Wet openbaarheid van bestuur niet meer van toepassing zal zijn in de gevallen waarin dat thans nog wel het geval is, te weten bij aanvragen tot kennisneming van de eigen persoonsgegevens en bij aanvragen tot kennisneming van andere dan persoonsgegevens. Hiervoor is door de regering bewust gekozen. Voortgezette toepassing van de WOB heeft namelijk een aantal bezwaren. De toepasselijkheid van de WOB op de kennisneming van (eigen) persoonsgegevens is in de huidige situatie in feite een noodgreep, die louter is ingegeven door het buiten toepassing verklaren van artikel 16 van de huidige WIV juncto artikel 10 van de Privacyregeling BVD door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de zaken Van Baggum en Valkenier. Het lijkt ons evident dat een openbaarheidsregeling als de WOB van oorsprong nimmer de bedoeling heeft gehad ook als inzageregeling voor eigen persoonsgegevens te fungeren. Immers een dergelijke regeling treft men in andere (algemene en sectorale) wetgeving aan; wij wijzen onder meer op de regelingen ter zake in de Wet persoonsregistraties, de Wet politieregisters en de Wet GBA. Doch ook als het gaat om andere gegevens dan persoonsgegevens achten wij de toepasselijkheid van de WOB op gegevens die bij de diensten berusten minder aangewezen. Anders dan bij de WOB, waarbij het belang van de openbaarheid van documenten die onder de overheid berusten voorop staat (onder het adagium: openbaar, tenzij), dient als het gaat om gegevens die door of ten behoeve van de diensten zijn verwerkt, het belang van geheimhouding de nadruk te krijgen. Het karakter van de werkzaamheden die inlichtingen- en veiligheidsdiensten verrichten brengt met zich mee dat deze werkzaamheden en de in dat verband verwerkte gegevens geheim dienen te kunnen zijn en blijven voor zover dat noodzakelijk is om een effectieve taakuitvoering te garanderen. Het adagium dat hier geldt is dan ook veeleer «geheim, tenzij...». Dat betekent niet dat op enig moment door of ten behoeve van de diensten verwerkte gegevens – met inachtneming van de gebruikelijke kritische ondergrenzen (actueel kennisniveau, modus operandi en bronnen) – niet openbaar gemaakt kunnen worden. Gelet op het voorgaande en op de wens om – ook waar het de kennisneming van gegevens betreft – in de nieuwe WIV tot een uitputtende regeling te komen, prevaleert naar ons oordeel een eigen regime in de WIV boven de toepasselijkheid van de WOB. Bovendien kunnen dan ook enkele bezwaren die aan de huidige praktijk kleven worden weggenomen, zoals de – zeker waar het door of ten behoeve van de diensten verwerkte gegevens betreft– in de praktijk onhaalbaar gebleken beslistermijn van 14 (dan wel 28) dagen op verzoeken om openbaarmaking. Voor het overige zal overigens de kennisnemingsregeling in de WIV – in het bijzonder waar het de weigerings- en beperkingsgronden betreft – materieel niet van de regeling in de WOB afwijken. Daarmee komen we op opmerkingen van de leden van de PvdA-fractie met betrekking tot de mogelijkheden tot onafhankelijk onderzoek onder de nieuwe WIV. Anders dan deze leden lijken te veronderstellen zullen de mogelijkheden daartoe onder het regime van de nieuwe WIV niet anders zijn dan die welke thans bestaan. Weliswaar is de beslistermijn van een verzoek om kennisneming van gegevens in de nieuwe WIV gesteld op drie maanden, maar de huidige wettelijke beslistermijn onder de WOB is – zoals hiervoor al aangegeven – waar het gaat om gegevens die door of ten behoeve van de diensten zijn verwerkt, niet haalbaar. Bij het beslissen op een verzoek om kennisneming dienen – indien gegevens aanwezig zijn – de betreffende gegevens getoetst te worden aan de weigeringsgronden en dient waar nodig tot bewerking van het aangetroffen materiaal te worden overgegaan. Een complicerende factor waar het gaat om gegevens die bij inlichtingen- en veiligheidsdiensten berusten is, dat – anders dan de gegevens die bij andere bestuursorganen berusten – het hierbij veelal gaat om als staatsgeheim gerubriceerde gegevens, waarvan tegen het licht van de absolute weigeringsgrond «veiligheid van de staat» beoordeeld dient te worden of deze niettemin voor openbaarmaking in aanmerking komen; dat is een zeer arbeidsintensief proces, dat bovendien – mede gelet op de zorgplicht om bronnen van de dienst te beschermen – uiterst zorgvuldig dient plaats te vinden. De langere beslistermijn als door ons in het wetsvoorstel is voorgesteld, zal – nu het onafhankelijk onderzoek waarop de leden van de PvdA-fractie doelen overwegend historisch onderzoek betreft – geen wezenlijke belemmering van dat onderzoek hoeven op te leveren; dit ontslaat ons evenwel niet van de plicht verzoeken om kennisneming voortvarend af te handelen. Waar het gaat om de beschikbaarheid van gegevens ten behoeve van onafhankelijk onderzoek, moet – evenals nu – onderscheid worden gemaakt tussen de situatie dat gegevens bij de diensten berusten en gegevens zijn overgedragen naar een archiefbewaarplaats. Voor gegevens die bij de diensten berusten geldt het in de WIV neergelegde regime voor kennisneming daarvan. Dat houdt in dat kennisneming van bij de diensten berustende persoonsgegevens betreffende derden – evenals nu– niet mogelijk is. Andere dan persoonsgegevens komen voor kennisneming in aanmerking voor zover niet een van de weigeringsgronden– vergelijkbaar met die uit artikel 10 WOB – zich voordoen. Ingevolge artikel 42 van de WIV worden vervolgens die archiefbescheiden van een dienst naar een archiefbewaarplaats overgebracht, die ouder zijn dan twintig jaar en waarvan door de betrokken minister – na advies van de beheerder van de archiefbewaarplaats – is vastgesteld dat daaraan geen beperkingen aan de openbaarheid meer dienen te worden gesteld met het oog op het belang van de staat of diens bondgenoten. Het gaat hierbij dan om de overbrenging van zowel persoonsgegevens als andere gegevens. Na overbrenging komen deze gegevens, met inachtneming van eventuele andere beperkingen die op grond van de Archiefwet 1995 daaraan kunnen worden gesteld, beschikbaar voor onderzoekers en andere geïnteresseerden. Het lijkt ons dat dit een alleszins redelijke regeling is. In vergelijking met de regelingen ter zake die in andere landen die wij op verzoek van de Kamer hebben onderzocht (zie de bijlage bij de nota naar aanleiding van het verslag) komt Nederland op dit punt alles behalve ongunstig uit de bus. Wij zien dan ook geen aanleiding om tot een verdere verruiming van de mogelijkheden tot kennisneming van de gegevens ten behoeve van onderzoek (of voor andere doeleinden) te komen.

Uit het voorgaande moge blijken dat wij niet van mening zijn dat de voorgestelde regeling een «streng openbaarheidsregime» inhoudt, zoals de leden van de PvdA-fractie menen. Van strijd met artikel 110 Grondwet is hoe dan ook geen sprake, omdat dit artikel het aan de wetgever overlaat om regels te stellen met betrekking tot de te betrachten openbaarheid. Hiervoor is uiteengezet dat wij van mening zijn dat de voorliggende regeling alleszins redelijk is.

4.2 Recht op kennisneming van persoonsgegevens

De leden van de PvdA-fractie twijfelen sterk of de in het wetsvoorstel neergelegde regeling met betrekking tot inzage in persoonsgegevens wel een wenselijke ontwikkeling is. De zorg van deze leden ziet met name op de positie van partners en nabestaanden, die in het wetsvoorstel als derden worden beschouwd. Zij vonden de passage die in de nota naar aanleiding van het verslag op blz. 85 en 86 was opgenomen in antwoord op vragen van de CDA-fractie onbevredigend. Zij achtten de situatie met name schrijnend voor nabestaanden van personen wier overlijden verband zou kunnen houden met ontwikkelingen waaromtrent de nabestaanden zelf niet maar de dienst wel over is geïnformeerd. Aan die personen inzage onthouden ook als overigens geen weigeringsgrond bestaat zou naar het oordeel van deze leden zelfs op gespannen voet kunnen staan met de bescherming van het privé-leven als verwoord in artikel 8 EVRM. Zeker als er geen weigeringsgronden als in de wet opgenomen van toepassing zijn, valt naar hun oordeel niet in te zien waarom aan naaste verwanten inzage zou moeten worden onthouden. In dit verband denken zij aan verwanten tot bijvoorbeeld in de tweede graad.

De in het wetsvoorstel opgenomen inzageregeling voorziet evenals nu het geval is, niet in de mogelijkheid om aan derden – ongeacht hun status (naaste familie of onderzoekers) – inzage te verlenen in bij de diensten verwerkte persoonsgegevens. Naar huidig recht zou met het wel verlenen van inzage in persoonsgegevens die bij de diensten berusten – vide de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de zaak Reydon/De Jager – in strijd met hetgeen bij of krachtens de wet (in casu de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de daarop gebaseerde privacyregelingen) is gesteld, worden gehandeld. De wetgever (regering en parlement) heeft echter de mogelijkheid – en de parlementaire behandeling van een voorstel voor een nieuwe WIV is daarvoor bij uitstek de gelegenheid – om een andere keuze te maken en de mogelijkheid te openen dat aan (bepaalde) derden alsnog de mogelijkheid wordt geboden om inzage te krijgen in de hier bedoelde persoonsgegevens. Wij hebben ons naar aanleiding van de opmerkingen en vragen van de leden van de PvdA-fractie, maar ook indachtig de eerdere in het verslag gemaakte opmerkingen van de leden van de CDA-fractie over dezelfde problematiek, bezonnen of er toch niet een mogelijkheid zou moeten worden gecreëerd waarbij aan een nader te definiëren categorie derden een inzagemogelijkheid zou moeten worden geboden. Zonder overigens geheel afstand te willen nemen van de argumentatie die wij in reactie op de vragen van de leden van de CDA-fractie in de nota naar aanleiding van het verslag hebben opgevoerd, geven wij toe dat in het bijzonder voor partners en directe nabestaanden (ouders en kinderen) – zeker waar de door de leden van de PvdA-fractie geschetste situatie zich voordoet – een dergelijke inzagemogelijkheid van grote waarde kan zijn. De (emotionele) betrokkenheid van familieleden bij het wel en wee van degene omtrent wie (vermoedelijk) gegevens bij een dienst zijn geregistreerd achten wij bij nader inzien een voldoende overtuigend argument om voor deze – nader te omschrijven – categorie van derden een mogelijkheid tot inzage in persoonsgegevens te openen. In de tweede nota van wijziging is dan ook in een aanpassing van de inzageregeling op dit punt voorzien. Naar ons oordeel wordt met de voorgestelde aanpassing van de kennisnemingsregeling in de nieuwe WIV op voldoende wijze tegemoetgekomen aan de wens om voor directe familie een inzagemogelijkheid te creëren.

De leden van de fractie van GroenLinks constateerden terecht dat in het wetsvoorstel een eigen verstrekkingstelsel is neergelegd en dat de WOB na inwerkingtreding van de nieuwe WIV niet meer van toepassing zal zijn. Anders dan deze leden veronderstellen wordt met de nieuwe WIV niet zozeer het door hen veronderstelde gat van het Van Baggum en Valkenier arrest gedicht, maar wordt een op de bij de diensten verwerkte (persoons) gegevens toegesneden inzageregeling voorgesteld. Daarmee komt een eind aan de noodoplossing die immers met de toepassing van de WOB op verzoeken om inzage in (eigen) persoonsgegevens is gecreëerd. De leden van de fractie van GroenLinks pleitten voor incorporatie in de WIV van de uitzonderingen uit de WOB: een regime van openbaarheid, «tenzij». Wij verwijzen deze leden naar hetgeen wij hierboven in paragraaf 4.1 in reactie op vragen en opmerkingen van de leden van de PvdA-fractie hebben gesteld omtrent de onwenselijkheid van een voortgezette toepassing van de WOB.

De leden van de fractie van GroenLinks pleitten voorts voor het schrappen van het contextvereiste. Zij waren van oordeel dat alle dossiers die door een inlichtingen- en veiligheidsdienst zijn aangelegd over een persoon relevant zijn en dat als een persoon die om inzage verzoekt daarvoor toestemming geeft, deze ook onder het inzageregime moeten vallen.

Wij wijzen deze leden erop dat waar het gaat om verzoeken om kennisneming van eigen persoonsgegevens, het contextvereiste – namelijk een aanduiding van de bestuurlijke aangelegenheid waaromtrent gegevens worden gewenst – niet wordt gesteld. Dit vereiste wordt alleen gesteld als het gaat om verzoeken om kennisneming van andere gegevens dan persoonsgegevens. Een en ander betekent dat in de gevallen dat een persoon om kennisneming van hem betreffende gegevens bij een dienst verzoekt, alle omtrent hem bij de betreffende dienst verwerkte gegevens in de beoordeling van het verzoek moeten worden betrokken. Er ligt dan ook inderdaad een inspanningsvereiste aan de kant van de betreffende dienst om alle gegevens omtrent de verzoeker boven tafel te krijgen.

De leden van de fractie van GroenLinks wezen op de termijn van vijf jaar die in (artikel 50, eerste lid van) het wetsvoorstel is opgenomen en het nationaal belang – bedoeld zal zijn: de nationale veiligheid – dat daarboven wordt gesteld. Zij waren van oordeel dat vijf jaar na afronding van een dossier in beginsel alles toegankelijk moet zijn, behalve bij zwaarwegende gronden. Zij vroegen ons in dat kader de mogelijkheid van rechterlijke toetsing te introduceren.

Wij zijn van oordeel dat datgene wat deze leden in hun vraagstelling bepleiten, eigenlijk al in het wetsvoorstel is neergelegd. Persoonsgegevens die ouder zijn dan vijf jaar – in de terminologie van de nieuwe WIV: meer dan 5 jaar geleden zijn verwerkt – komen in beginsel voor kennisneming in aanmerking, mits met betrekking tot de aanvrager sindsdien geen nieuwe gegevens zijn verwerkt in verband met het onderzoek in het kader waarvan de betreffende gegevens (van ouder dan 5 jaar) zijn verwerkt en de desbetreffende gegevens niet relevant zijn voor enig lopende onderzoek. Is er wel sprake van één van de twee genoemde factoren dan dient een verzoek om kennisneming te worden afgewezen; in dat geval zou door kennisneming immers het actuele kennisniveau van een dienst worden prijsgegeven. Dat geldt naar ons oordeel als een zwaarwegende grond; met het prijsgeven van het actueel kennisniveau wordt immers de nationale veiligheid geschaad. Wat het verzoek van deze leden betreft ter zake van het introduceren van de mogelijkheid tot rechterlijke toetsing, wijzen wij erop dat deze mogelijkheid reeds bestaat. Indien een verzoek om kennisneming van persoonsgegevens wordt geweigerd, staat – na bezwaar – beroep op de bestuursrechter open.

De leden van de GroenLinks-fractie vroegen ons voorts om een correctieplicht aan het wetsvoorstel toe te voegen. Zij waren van mening dat de emotionele waarde voor betrokken burgers dermate groot blijkt, dat de correctie van foute en/of misleidende registraties een belangrijke toevoeging op het wetsvoorstel betekent.

Wij wijzen deze leden er allereerst op dat in het wetsvoorstel reeds een correctieplicht voor de diensten is opgenomen: ingevolge artikel 41, tweede lid, moet indien blijkt dat gegevens onjuist zijn of ten onrechte worden verwerkt, deze worden verbeterd onderscheidenlijk verwijderd. Wij vermoeden echter dat deze leden pleiten voor het opnemen van een correctierecht voor de betrokken persoon omtrent wie door een dienst gegevens zijn verwerkt en waarvan betrokkene van oordeel is dat deze onjuist zijn. Om redenen die wij in de memorie van toelichting hebben uiteengezet,1 hebben wij bewust afgezien van het opnemen van een dergelijk correctierecht. Wij zien geen aanleiding om een ander standpunt in te nemen. Zoals bekend voorziet het wetsvoorstel in artikel 46 echter in de mogelijkheid voor degene die ingevolge artikel 45 kennis heeft genomen van door of ten behoeve van een dienst omtrent hem verwerkte gegevens, daaromtrent een schriftelijke verklaring te overleggen. Deze verklaring wordt bij de betreffende gegevens gevoegd. Onzes inziens wordt daarmee aan de betrokken persoon een adequate mogelijkheid geboden om uiting te geven aan zijn emoties omtrent hetgeen hem ter kennis is gebracht.

De leden van de fractie van GroenLinks waren van oordeel dat het wetsvoorstel tekortschiet op het punt van het informatie- en inzagerecht van derden. Zij doelden daarbij enerzijds op een inzagemogelijkheid voor eerstegraads familie en anderzijds op een inzagemogelijkheid voor wetenschappelijk of journalistiek onderzoek.

Reeds eerder zijn wij in deze nota naar aanleiding van het nader verslag ingegaan op vergelijkbare verzoeken van de leden van de PvdA-fractie. Waar het gaat om de inzagemogelijkheid voor directe familie verwijzen wij de leden van de GroenLinks-fractie graag naar ons betoog in het begin van deze paragraaf en het in dat verband gedane voorstel om voor partners, ouders en kinderen een inzagemogelijkheid te openen. Wat de mogelijkheid tot verstrekking van gegevens voor onafhankelijk onderzoek betreft, verwijzen wij de leden van de fractie van GroenLinks naar ons betoog in paragraaf 4.1. Op dit punt zien wij geen aanleiding om tot andere voorstellen te komen.

4.5 Notificatie

De leden van de PvdA-fractie waren verheugd over ons voorstel om een notificatieplicht in te voeren. Zij waren echter nog niet overtuigd van ons standpunt dat uit artikel 8 en 13 van het EVRM geen notificatieverplichting als zodanig zou voortvloeien. De wijze van inwerkingtreding bevreemdde deze leden, aangezien de notificatieverplichting enkel van toepassing zou zijn op de bijzondere bevoegdheden die zich pas ná inwerkingtreding van de notificatieverplichting zullen voordoen. Ligt het niet meer voor de hand de notificatieverplichting zonder meer van kracht te laten zijn op die vormen van aanwending van die bijzondere bevoegdheden die op het moment van inwerkingtreding worden uitgeoefend. Zij vroegen ons besluit nader te motiveren.

Wij willen allereerst ingaan op de vraag of uit artikel 8 en 13 EVRM nu wel of niet een notificatieplicht voortvloeit. Naar het oordeel van de regering, zoals ook al eerder in het kader van de schriftelijke behandeling van onderhavig wetsvoorstel is gesteld, vloeit uit de genoemde verdragsartikelen geen verplichting voort om te notificeren. Wij menen hiervoor een aantal steekhoudende redenen te kunnen aanvoeren. Allereerst de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in het Klass-arrest, dat door sommigen in die zin wordt uitgelegd dat daaruit klip en klaar een notificatieplicht zou voortvloeien. Wij zijn een andere mening toegedaan. Wij kunnen althans geen passage uit dat arrest aanwijzen waaruit helder en eenduidig zou blijken dat uit het EVRM een notificatieverplichting voortvloeit.

Daar komt nog bij dat wij eerder – op verzoek van de Tweede Kamer – een onderzoek hebben gedaan naar de controle- en toezichtstelsels met betrekking tot een aantal andere – overwegend West-Europese en bij het EVRM aangesloten – landen en dat daaruit is gebleken dat van de onderzochte landen alleen Duitsland een notificatieverplichting kent.1 Deze notificatieverplichting is bovendien beperkt tot afluisteractiviteiten, waaronder ook het gebruik van microfoons en camera's valt. Indien de uitspraak van het EHRM al zo helder en eenduidig zou zijn omtrent het bestaan van een notificatieverplichting, dan is het toch op zijn minst genomen merkwaardig dat tot op heden – voor zover ons bekend – geen enkel ander land daaruit de conclusie heeft getrokken dat de eigen wetgeving op dit punt dient te worden gewijzigd en voorts dat sinds het Klass-arrest geen enkele uitspraak van het EHRM (of van de voormalige ECRM) is gevolgd waarbij het bestaan van deze verplichting werd bevestigd. Wij moeten voorts niet uit het oog verliezen wat de consequentie zou zijn indien uit de artikelen 8 en 13 EVRM wel degelijk een notificatieverplichting zou voortvloeien. Een dergelijke verplichting zou dan niet alleen het geheel van activiteiten van inlichtingen- en veiligheidsdiensten omvatten waarbij een inbreuk opéén van de in het EVRM gegarandeerde grondrechten heeft plaatsgehad, maar in beginsel op alle zijdens de overheid gemaakte inbreuken op de ingevolge het EVRM aan de burger toekomende grondrechten. De praktische gevolgen daarvan zijn naar ons oordeel niet overzienbaar. Zo zouden dan bijvoorbeeld in alle gevallen dat zijdens de overheid persoonsgegevens worden verwerkt zonder dat dit voor de betrokkenen vooraf kenbaar is een notificatie dienen plaats te vinden.

Wat de inwerkingtreding van de notificatieverplichting betreft merken wij het volgende op. Zoals uit het voorgaande betoog blijkt ontstaat naar het oordeel van de regering pas een notificatieverplichting op het moment dat de Nederlandse wetgever nadrukkelijk deze verplichting creëert; het is dan ook – behoudens in de hieronder te schetsen geval – naar ons oordeel gelegitimeerd om de notificatieverplichting niet van toepassing te doen zijn op die bevoegdheidsuitoefeningen die voor inwerkingtreding van de notificatieregeling hebben plaatsgevonden. De regeling voorzien in artikel 95a houdt overigens wel in, dat die – daarvoor in aanmerking komende – bevoegdheidsuitoefeningen die op het moment van inwerkingtreding nog plaatsvinden wel door de notificatieregeling worden bestreken. Praktisch betekent dit dat alle op dat moment lopende telefoonen microfoonacties door de notificatieregeling worden bestreken en dus te zijner tijd aan de hand van de opgenomen notificatieregeling dienen te worden onderzocht met het oog op eventuele daadwerkelijke notificatie. Zoals eerder aangegeven is de reikwijdte van de notificatieverplichting beperkt tot die gevallen die door de wetgever daaronder worden begrepen. Dit laatste betekent voor de inlichtingenen veiligheidsdiensten dat uitsluitend de uitoefening van die bijzondere bevoegdheden dient te worden genotificeerd, die door de wetgever – ter nadere uitwerking van de (toekomstige) grondwettelijke verplichting – als zodanig zijn aangewezen. In artikel 33a, eerste lid, van het wetsvoorstel zijn deze bijzondere bevoegdheden aangeduid. Het gaat hierbij om die bevoegdheden waarmee een inbreuk wordt gemaakt op de ingevolge artikel 12 (huisrecht) en 13 (recht op brief-, telefoon- en telegraafgeheim) gegarandeerde grondrechten. Sinds de grondwetsherziening van 1983 geldt wat het binnentreden in een woning tegen de wil van de bewoner ingevolge artikel 12, tweede lid, tweede volzin, van de Grondwet een (ongeclausuleerde) verplichting om van het binnentreden een schriftelijk verslag uit te brengen aan de bewoner. Deze verplichting geldt derhalve ook voor de gevallen waarin de BVD tegen de wil van een bewoner in diens woning is binnengetreden, te weten bij de uitvoering van een bijzondere last ex artikel 139a, derde lid, onder 3, van het Wetboek van Strafrecht (microfoonacties). Jaarlijks wordt door de BVD getoetst of met betrekking tot de BVD verrichte binnentredingsacties tot het uitbrengen van een verslag aan de bewoner kan worden overgegaan; bij deze toets wordt het door het EHRM ontwikkelde «jeopardise»-criterium gehanteerd. Overigens wordt opgemerkt dat thans een voorstel tot herziening van artikel 12 Grondwet (in tweede lezing) bij de Tweede Kamer aanhangig is, waarbij – waar het de daarin voorziene notificatieverplichting betreft – in de mogelijkheid tot uitstel en afstel in het kader van de nationale veiligheid is voorzien. De inwerkingtreding van de in de nieuwe WIV voorziene notificatieverplichting als zodanig is – vanwege de aldaar opgenomen uit- en afstelmogelijkheden – dan ook afhankelijk van de totstandkoming en inwerkingtreding van dit grondwetsherzieningsvoorstel. Wat de notificatie van inbreuken op de door artikel 13 Grondwet gegarandeerde grondrechten betreft, wordt – zoals wij ook in de nota naar aanleiding van het verslag uitvoerig hebben uiteengezet – opgemerkt dat het huidige grondwetsartikel niet tot notificatie verplicht; naar stellige verwachting zal echter bij de herziening van genoemd grondwetsartikel – waartoe zoals bekend de Commissie grondrechten in het digitale tijdperk een voorstel heeft gedaan – worden voorgesteld om ook hier een (geclausuleerde) notificatieverplichting in te voeren. De door ons voorgestelde notificatieverplichting in artikel 33a van het wetsvoorstel loopt derhalve vooruit op een eventueel daartoe strekkende grondwettelijke verplichting. Anders dan met betrekking tot artikel 12 Grondwet hoeft de inwerkingtreding van de in de WIV voorziene notificatieverplichting niet op de totstandkoming en inwerkingtreding van de voor te stellen wijziging van artikel 13 Grondwet te wachten.

Wij hopen met ons voorgaande betoog de leden van de PvdA-fractie te hebben overtuigd van ons standpunt ter zake van de vraag of er uit het EVRM wel of niet een notificatieverplichting voortvloeit alsmede van de door ons voorziene inwerkingtredings- en overgangsregeling met betrekking tot de notificatieverplichting, zoals neergelegd in artikel 33a van het wetsvoorstel.

De leden van de VVD-fractie signaleerden als één van de belangrijkste veranderingen in de nota van wijziging de notificatieplicht die zal gelden voor de bevoegdheden die kunnen leiden tot een beperking van de door artikel 12 en 13 Grondwet gegarandeerde grondrechten. Deze leden waren echter verbaasd dat de notificatieplicht niet geldt voor bevoegdheden die vóór de inwerkingtreding van de notificatieregeling zijn uitgeoefend. Zij verzochten ons om een nadere toelichting.

Wij wijzen de leden van de VVD-fractie allereerst op ons hiervoor gegeven antwoord op vragen van de leden van de fractie van de PvdA waar het gaat om de reikwijdte van artikel 95a van het wetsvoorstel. In aanvulling daarop merken wij het volgende op. Zoals wij ter toelichting op het voorstel voor invoering van een notificatieverplichting hebben aangegeven, zal de notificatieverplichting eerst dan ingevoerd kunnen worden indien (a) de herziening van artikel 12 Grondwet een feit is en (b) alle benodigde maatregelen om de voorgestelde notificatieregeling uit te voeren binnen de diensten zijn getroffen. Wat dit laatste betreft wordt opgemerkt dat met het treffen van de verschillende maatregelen inmiddels is begonnen. Zo worden bijvoorbeeld voorstellen ontwikkeld om de werkprocessen zodanig in te richten dat op een effectieve en efficiënte wijze aan de notificatieverplichting uitvoering kan worden gegeven en worden de nodige voorbereidingen getroffen om tijdig over het voor een goede uitvoering van de notificatieregeling benodigde personeel te kunnen beschikken. Bij dit alles geldt als uitgangspunt dat de notificatieregeling niet op een later tijdstip, maar gelijktijdig met de rest van de wet in werking treedt. Een latere inwerkingtreding van de notificatieregeling zoals wij die hebben voorgesteld is naar ons oordeel dan ook alleen dan aan de orde, indien het thans bij de Tweede Kamer in behandeling zijnde tweedelezingsvoorstel met betrekking tot de herziening van artikel 12 Grondwet op een later tijdstip inwerking treedt dan de nieuwe WIV. De notificatieregeling zoals door ons voorgesteld kent immers de mogelijkheid tot uitstel en afstel van notificatie, waarin het huidige artikel 12 Grondwet niet maar het voorgestelde herzieningsvoorstel wel voorziet. Het huidige artikel 12 Grondwet kent namelijk een ongeclausuleerde notificatieverplichting die zich niet verdraagt met in het bijzonder de in de notificatieregeling voorziene afstelgronden. Ervan uitgaande dat het herziene artikel 12 Grondwet gelijktijdig of – wellicht – eerder dan de nieuwe WIV in werking treedt, zullen dan ook alle voor notificatie in aanmerking komende bevoegdheden die op basis van de nieuwe WIV worden uitgeoefend door de notificatieregeling worden bestreken.

Niet voor notificatie komen echter in aanmerking de bijzondere bevoegdheden die vóór de inwerkingtreding van de notificatieregeling worden uitgeoefend én waarvan de uitoefening voor dat tijdstip is beëindigd. Hierop bestaat één uitzondering, te weten de gevallen waarbij tegen de wil van de bewoner in diens woning is binnengetreden. Hiervoor geldt immers reeds nu – zoals we al in antwoord op vragen van de leden van de PvdA-fractie hebben geantwoord – een notificatieplicht. Voor alle andere gevallen waarin bijzondere bevoegdheden worden uitgeoefend geldt thans echter geen notificatieverplichting, zodat notificatie daarvan niet aan de orde is.

De leden van de VVD-fractie wezen erop dat door de beperking van de notificatieverplichting tot de uitoefening van die bevoegdheden waarmee een inbreuk wordt gemaakt op de door artikel 12 en 13 gegarandeerde grondrechten, er ten aanzien van de uitoefening van diverse – andere – bevoegdheden niet genotificeerd behoeft te worden. Zij wezen in dit verband onder ander op observatie, de inzet van informanten, het doorzoeken van gebouwen die niet als woning aangemerkt kunnen worden en het binnendringen in een computer. Zij vroegen zich af of in sommige van deze gevallen niet sprake is van een even grote schending van de persoonlijke levenssfeer als in de gevallen waarvoor wel een notificatieverplichting wordt voorgesteld. Zij vroegen ons dan ook om een nadere toelichting.

Over het antwoord op de vraag of in de door deze leden genoemde gevallen zich een niet even grote schending van de persoonlijke levenssfeer kan voordoen als in de gevallen waarin een woning heimelijk wordt binnengetreden of vertrouwelijke communicatie wordt beperkt, kan men van mening verschillen. Dat neemt niet weg dat de grondwetgever kennelijk in algemene zin van oordeel is dat het heimelijk binnentreden van een woning en het schenden van de vertrouwelijkheid van communicatie dusdanig zware schendingen van de persoonlijke levensfeer opleveren dat daartegen extra waarborgen nodig zijn. Dat kan althans worden afgeleid uit het feit dat de artikelen 12 en 13 van de Grondwet extra bescherming bieden boven de bescherming die artikel 10 van de Grondwet in algemene zin aan schendingen van de persoonlijke levenssfeer biedt. Zo kennen alleen artikel 12 en het nieuwe artikel 13, zoals voorgesteld in het kabinetsstandpunt over het advies van de Commissie «Grondrechten in het digitale tijdperk», een notificatieverplichting. Het is tegen die achtergrond naar ons oordeel zeer goed te verdedigen dat ook de notificatieverplichting in de nieuwe WIV zich richt op de gevallen waarin sprake is van een schending van de grondrechten die in de artikelen 12 en 13 van de Grondwet zijn vastgelegd.

De leden van de fractie van de VVD verzochten ons een nadere feitelijke uitleg wanneer het uitbrengen van een verslag – in het kader van de notificatieregeling – redelijkerwijs niet mogelijk is. Zij vrezen dat zonder duidelijke kaders van deze mogelijkheid te snel gebruik gemaakt zal worden gemaakt.

Allereerst merken wij op dat wij de vrees van genoemde leden niet delen, temeer daar voorzien is in een effectief toezicht op de uitvoering van de WIV door de commissie van toezicht. Indien de diensten geen goede uitvoering geven aan de opgelegde notificatieverplichting zal dat zonder enige twijfel tot een kritisch rapport van de commissie leiden. Dat rapport biedt het parlement de mogelijkheid om de verantwoordelijke minister ter verantwoording te roepen. Wat de feitelijke uitleg betreft waar de leden van de VVD-fractie naar vragen, merken wij het volgende op. De in artikel 33a, vierde lid, van het wetsvoorstel opgenomen ontheffing van de verplichting om een verslag uit te brengen, is beperkt tot die gevallen waarin weliswaar is vastgesteld dat een verslag dient te worden uitgebracht maar waarbij dat feitelijk niet mogelijk is. Zoals op bladzijde 92 van de nota naar aanleiding van het verslag is uiteengezet, zal daarvan sprake zijn indien de betrokkene niet is te traceren. Daarbij moet een redelijke inspanning worden getroost. Zo zal de gemeentelijke basisadministratie (GBA) dienen te worden geraadpleegd. Woont de betrokkene in Nederland dan zal het uitbrengen van een verslag op geen probleem hoeven te stuiten. Is de woon- of verblijfplaats van de betrokkene – ook na raadpleging van de GBA – niet bekend en is deze ook niet anderszins met een redelijke inspanning te achterhalen, dan vervalt de verplichting tot het uitbrengen van een verslag. Voorts vervalt de verplichting vanzelfsprekend indien de betrokkene is overleden. Wij stellen ons voor te zijner tijd een en ander – dit geldt overigens ook voor de toepassing van andere daarvoor in aanmerking komende bepalingen – in beleidsregels neer te slaan, waarvan de uitvoering vanzelfsprekend door de commissie van toezicht zal kunnen worden getoetst.

De leden van de VVD-fractie vonden een twijfelachtig punt de door ons geopperde mogelijkheid de afstelgrond voor notificatie reeds bij gelegenheid van de uitoefening van de bijzondere bevoegdheid vast te stellen. Genoemde leden spraken de voorkeur uit dat wordt vastgelegd dat een afstelgrond pas bij toetsing ná vijf jaar of later mag worden vastgesteld. Zij vroegen onze mening ter zake.

Zoals wij in de toelichting op de afstelgronden hebben gesteld1 zijn de gronden van zodanige aard dat indien is vastgesteld dat daaraan wordt voldaan deze vervolgens ook blijven gelden. Of een afstelgrond aan de orde is zal op het moment van de uitoefening van de betreffende bijzondere bevoegdheid reeds bekend zijn; zou dat niet het geval zijn, dan zou naar ons oordeel veeleer sprake zijn van een uitstelgrond. Men zou ervoor kunnen kiezen om pas na vijf jaar het etiket «afstelgrond» op de uitoefening van de betreffende bevoegdheidsuitoefening te plakken, doch de aard van de toepasselijke afstelgrond verzet zich ertegen dat dan tot een ander oordeel dan op het moment van de bevoegdheidsuitoefening wordt gekomen. Met andere woorden: het in juridische zin doen vaststellen van een afstelgrond na vijf jaar doet niets af aan het feitelijk bestaan van die afstelgrond gedurende die vijf jaar en heeft hooguit een declaratoire betekenis. Gelet hierop blijven wij de mening toegedaan, dat indien een afstelgrond op het moment van de bevoegdheidsuitoefening wordt vastgesteld, daarmee ook de verplichting tot onderzoek na vijf jaar vervalt.

De leden van de VVD-fractie vroegen wat het verschil is tussen de notificatieplicht in het kader van de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden en die ingevolge het voorliggende wetsvoorstel en waarop de verschillen gebaseerd zijn. In antwoord op deze vragen wijzen wij deze leden er allereerst op dat er de WIV en de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden fundamenteel verschillen. Opsporing is gericht op openbare waarheidsvinding tijdens een strafproces, waarbij het«fair-trial»-principe meebrengt dat in beginsel kenbaar moet worden gemaakt welke opsporingsbevoegdheden zijn gebruikt. Ook overigens dient de opsporing in beginsel niet geheim te blijven. Hierbij past dat de burger jegens wie een heimelijke opsporingsbevoegdheid is toegepast, waarbij sprake kan zijn van een (meer ingrijpende) schending van een grondrecht, daarvan in beginsel op enig moment, indien het belang van de opsporing het toelaat, op de hoogte wordt gesteld. Om die reden is in het Wetboek van Strafvordering voorzien in een notificatieplicht betreffende de bijzondere opsporingsbevoegdheden. De activiteiten van de AIVD en MIVD hebben een ander karakter. Beide diensten verzamelen informatie met het oog op de nationale veiligheid, waarbij geheimhouding van onderzoeken bijdraagt aan de mate waarin informatie kan worden verzameld. De onderzoeken zijn niet gericht op het voor de rechter brengen van verdachten maar hebben tot doel de verantwoordelijke autoriteiten voortdurend op de hoogte te houden van activiteiten die een bedreiging kunnen vormen voor de in de WIV genoemde belangen, ongeacht de vraag of er al dan niet strafbare feiten in het geding zijn. Een verdergaande notificatieplicht dan de thans voorgestelde beperkte notificatieplicht ter uitvoering van de Grondwet zou een effectieve taakuitvoering in het belang van de nationale veiligheid in de weg staan. Een voorbeeld kan dit wellicht verduidelijken. Als de AIVD onderzoek doet naar een terroristische of een extreemrechtse groepering, die een bedreiging vormt voor de democratische rechtorde of voor de veiligheid van de staat, dan zal er doorgaans sprake zijn van een permanent proces van monitoring van deze groep, althans zolang de bedreiging vanuit deze groep voortduurt. Individuele notificatie ten aanzien van bijvoorbeeld individuele (voormalige) leden van die groep zou de continuïteit van het proces van monitoring ernstig in gevaar brengen.

De leden van de fracties van CDA, GroenLinks, RPF, SGP en GPV vroegen zich af wat de reden is dat voorzien is in 18 nieuwe fte in het kader van de notificatieplicht, terwijl tegelijkertijd de verwachting bestaat dat de notificatieplicht de eerste vijf jaar niet volwaardig zal bestaan. Het is nu toch reeds normaal, zo stelden de leden van D66 in dit verband, dat verslag wordt opgemaakt van bijvoorbeeld het binnentreden in een woning buiten medeweten van de bewoner, dan wel van schending van het briefgeheim?

Zoals wij hiervoor hebben aangegeven brengt de notificatieplicht met zich mee dat pas vijf jaar na de inwerkingtreding van de wet onderzocht moet worden of een verslag kan worden uitgebracht. Om een verantwoorde uitvoering van de notificatieplicht mogelijk te maken is het evenwel noodzakelijk dat er voordien reeds werkzaamheden in dit kader worden verricht. In dit verband wijzen wij naar de jaarverslagen van de diensten. Daarin is een weergave te vinden van de diversiteit en de omvang van de taakvelden waarvoor de diensten zich zien gesteld. Op verscheidene van die terreinen verwerken de diensten gegevens met toepassing van notificatieplichtige bijzondere bevoegdheden. Zeker bij langlopende onderzoeksopdrachten kan het aantal toegepaste en notificatieplichtige bevoegdheden fors oplopen. Uit de uitstelgronden van artikel 33, vijfde lid, in samenhang met artikel 50 en de afstelgronden van artikel 33a, zesde lid, blijkt dat pas na een zorgvuldig onderzoek kan worden vastgesteld of notificatie mogelijk is. De gegevens die voor dit onderzoek noodzakelijk zullen tijdig moeten worden vastgelegd. Het tot stand brengen van een dergelijke gegevensverzameling staat haaks op het normale werkproces dat binnen de diensten gehanteerd wordt. Om te voldoen aan de vereisten van bronbescherming, zoals vastgelegd in artikel 15 van de wet, zijn de diensten gehouden de gewone gegevensopslag zodanig in te richten dat een goede afscherming plaatsvindt tussen de gegevens zelf en de gegevens betreffende de bronnen waaraan ze ontleend zijn. Een en ander betekent dat vanaf het moment dat de wet in werking treedt het arbeidsproces bij de diensten zo zal moeten zijn ingericht dat alle noodzakelijke gegevens worden vastgelegd en dat te zijner tijd het onderzoek tijdig en verantwoord kan plaatsvinden. Op grond van de huidige ervaringen met de beoordeling van de WOB-verzoeken kan worden gesteld dat het hier gaat om een zeer arbeidsintensieve taak. Bovendien zal na het verstrijken van de termijn van vijf jaar het aantal gevallen waarvan onderzocht dient te worden of verslaglegging mogelijk is exponentieel toenemen. Jaarlijks dienen namelijk niet alleen de nieuwe gevallen bekeken te worden, maar ook de gevallen die het voorgaande jaar niet voor verslaglegging in aanmerking kwamen. Op grond van de reeds in voorbereiding zijnde aanpak van de notificatieverplichting laat het zich aanzien dat de genoemde uitbreiding met 18 fte's een uiterste minimum zal zijn. Aan het voorgaande doet niet af dat op dit moment reeds overeenkomstig artikel 12 Grondwet achteraf mededeling wordt gedaan van binnentreding van een woning, zodra de veiligheid van de staat zich daar niet meer tegen verzet. In afwijking van hetgeen de leden van de fractie van D66 menen, is de BVD onder de huidige regelgeving niet bevoegd het briefgeheim te schenden.

Het deed ons deugd te vernemen dat de leden van de CDA-fractie met instemming kennis hadden genomen van de invoering van de notificatieplicht. Wel vroegen deze leden zich af of de notificatieplicht niet erg beperkt werd door het feit dat in het geval van toepassing van meerdere bijzondere bevoegdheden ten aanzien van dezelfde persoon de laatst uitgeoefende bevoegdheid bepalend is voor de vraag of ook ten aanzien van de eerdere bevoegdheden tot het uitbrengen van een verslag kan worden overgegaan. De voorgestelde uitstel- en afstelgronden versterkten deze indruk van een beperkte notificatieplicht bij hen.

De regering wijst erop dat de laatst uitgeoefende bevoegdheid alleen in het geval al deze bevoegdheden binnen het kader van een bepaald onderzoek zijn toegepast, (mede)bepalend is voor de vraag of ook over de eerdere uitgeoefende bevoegdheden verslag zal worden uitgebracht. In het geval er sprake is van verschillende onderzoeken zonder onderlinge samenhang is het de bedoeling dat wel genotificeerd wordt. Voor het overige valt niet te ontkennen dat het uitgaan van de laatst uitgeoefende bijzondere bevoegdheid ingeval van samenhangende onderzoeken leidt tot een zekere beperking van de notificatieplicht. Een andere oplossing lijkt ons echter niet goed denkbaar gezien de relatie die bestaat met het inzagerecht. Wij gaan daar hieronder nader op in.

De leden van de fractie van D66 vroegen of de regering er rekening mee houdt dat de wet als gevolg van de discussie over grondrechten in het digitale tijdperk opnieuw zal moeten worden gewijzigd.

Indien artikel 13 van de Grondwet, zoals voorgesteld in het kabinetsstandpunt over het advies van de Commissie «Grondrechten in het digitale tijdperk» het Staatsblad bereikt, zal artikel 33a van het wetsvoorstel ongewijzigd kunnen blijven. Het nieuwe artikel 13 zal wel tot gevolg hebben dat de rechterlijke last in artikel 23 van het wetsvoorstel vervangen zal moeten worden door het vereiste van toestemming van de verantwoordelijke minister.

De leden van D66 vroegen zich af of het onder het huidige regime verboden is binnen vijf jaar te notificeren.

Het is juist dat de wet niet toestaat te notificeren binnen vijf jaar. De reden daarvoor is de volgende. Zoals de leden van D66 zelf opmerken is de termijn van vijf jaar gekoppeld aan die voor het inzagerecht. Zoals in de toelichting bij de nota van wijziging is opgemerkt, is voor deze beperking gekozen omdat in de praktijk blijkt dat in 99% van de gevallen inzage en derhalve ook notificatie niet mogelijk is omdat dat zicht geeft op het actueel kennisniveau van de dienst. Indien nu bij de notificatieplicht een uitzondering zou worden opgenomen voor die gevallen die zonder probleem binnen vijf jaar genotificeerd zouden kunnen worden, zou dat alsnog een grote belasting betekenen. Voor ieder gebruik van een bijzondere bevoegdheid zou dan bekeken moeten worden of van een uitzondering op de regel sprake is. Bovendien roept het een aantal vragen op: op welk moment moet bekeken worden of sprake is van een uitzondering; kan dit onderzoek tot een maal beperkt blijven of moet het ieder jaar plaatsvinden? Het in de praktijk zeer kleine aantal gevallen dat sprake zal zijn van een mogelijke eerdere notificatie afwegend tegen de grote werklast die het gevolg zou zijn van het opnemen van deze uitzonderingsmogelijkheid, zijn wij van mening dat een dergelijke uitzondering beter achterwege kan blijven.

De leden van de D66-fractie vroegen hoe het standpunt van de regering met betrekking tot het inzagerecht in het algemeen zich verdraagt met het advies van de Raad voor Cultuur inzake de verwijdering en vernietiging van dossiers van de Binnenlandse Veiligheidsdienst. Ook vroegen zij een reactie van de regering met betrekking tot de relevante aspecten van dit advies, alsmede de aanbeveling een moratorium van 100 jaar in acht te nemen.

Wij verwijzen kortheidshalve naar de brief die wij hierover reeds aan de Kamer hebben gezonden.1 De strekking van deze brief is dat wij hebben besloten de BVD-selectielijst voorlopig buiten toepassing te laten en een institutioneel onderzoek in te stellen alvorens te komen tot nadere besluitvorming. Het streven is erop gericht dat dit onderzoek aan het einde van dit jaar afgerond zal zijn.

De leden van GroenLinks steunden de notificatieplicht. Zij vroegen of het zo is dat in de huidige voorstellen de verplichting kan worden uitgesteld door middel van een jaarlijkse verlenging, waardoor ook afstel mogelijk wordt. De plicht vervalt namelijk, zo merkten deze leden op, op het moment dat is vastgesteld dat het uitbrengen van een verslag redelijkerwijs niet mogelijk is. Deze leden vreesden dat de notificatieplicht zo zal worden ingevuld dat van alles als relevant voor de dienst geoormerkt blijft en er van het doel van notificatie niet veel meer overblijft. In het licht hiervan vroegen zij zich af of de termijn kon worden aangescherpt waarbinnen notificatie verplicht is.

De regering hecht eraan te benadrukken dat in afwijking van hetgeen het Nederlandse gezegde wil, in het geval van de notificatieplicht van uitstel geen afstel kan komen. In de praktijk stellen wij ons de procedure als volgt voor. Als de periode van vijf jaar na het uitoefenen van de bijzondere bevoegdheid is verstreken, kan het in bepaalde gevallen zinvol zijn om allereerst na te gaan of het uitbrengen van een verslag redelijkerwijs mogelijk is, overeenkomstig het vierde lid van artikel 33a. Dit betekent dat bezien wordt of betrokkene zich in Nederland bevindt en zijn woon- of verblijfplaats met een redelijke inspanning te traceren is. Indien dat niet het geval is, vervalt de verplichting tot notificatie. Indien de verblijfplaats in Nederlands wel getraceerd kan worden, wordt bezien of één van de afstelgronden van het zesde lid van toepassing is. Zo ja, dan vervalt de verplichting tot notificatie. Zo nee, dan wordt bezien of een van de uitstelgronden van het vijfde lid van toepassing is. Dit betekent concreet dat wordt bezien of minder dan vijf jaar geleden gegevens betreffende betrokkene zijn verwerkt dan wel of eventueel langer geleden verwerkte gegevens nog relevant zijn voor een lopend onderzoek. Bij een negatief antwoord wordt genotificeerd. Bij een positief resultaat wordt het onderzoek het jaar daarna herhaald.

Overigens is het gezien de aard van de uitstelgronden onwenselijk de termijn zo aan te scherpen dat op een gegeven moment verslaglegging verplicht is ook al zijn de uitstelgronden nog van toepassing.

Dat het niet uitbrengen van een verslag, zoals deze leden stelden, op gespannen voet met de uitleg en toepassing van artikel 8 EVRM staat, bestrijden wij. Voor een nadere uiteenzetting op dit punt verwijzen wij deze leden naar onze reactie op vragen die de leden van de PvdA-fractie over deze kwestie hebben gesteld.

De leden van de fractie van GroenLinks vroegen de regering de reikwijdte van de notificatieverplichting te verbreden en deze niet te beperken tot artikel 12 en 13 van de Grondwet. Zij waren van mening dat de notificatieplicht een instrument kan zijn bij het toezicht op de vereisten van effectiviteit, legitimiteit, proportionaliteit, subsidiariteit en kenbaarheid van het optreden van de diensten. Bovendien kan achteraf door de rechter getoetst worden of de dienst zich aan zijn wettelijk omschreven taken en bevoegdheden heeft gehouden als per geval vermeld wordt welke middelen zijn ingezet. Genoemde leden vroegen zich eveneens af of er vrijwel niet zal behoeven te worden genotificeerd nu notificatie niet mag leiden tot inzicht in de operationele kanten van de diensten of het onthullen van bronnen. Deze leden gaven daarbij als mogelijke oplossing aan het instellen van extern toezicht op de notificatieverplichting, bijvoorbeeld door de commissie van toezicht.

Ten aanzien van de reikwijdte van de notificatieplicht verwijzen wij naar hetgeen hierover hiervoor bij de beantwoording van de vragen van de leden van de fractie van de PvdA is gesteld. Daaruit is af te leiden dat de afstelgronden uit het zesde lid van het voorgestelde artikel 33a aanzienlijk beperkter zijn dan hetgeen door de leden van de fractie van GroenLinks wordt aangeduid als de operationele kanten van de diensten of het onthullen van de bronnen.

Wellicht stelt het de leden van de fractie van GroenLinks enigszins gerust dat het controleren van de juiste uitvoering van de notificatieplicht nu reeds in het wetsvoorstel tot de taken van de commissie van toezicht wordt gerekend op grond van artikel 59, tweede lid, sub a, juncto artikel 74.

Voor een reactie op de vragen van de leden van de fracties van RPF, SGP en GPV over de reikwijdte van de voorgestelde notificatieverplichting wijzen wij deze leden graag naar ons antwoord op de hiermee vergelijkbare vragen van de leden van de VVD-fractie.

Deze leden vroegen voorts of het voorstel de onderzoeksverplichting inzake notificatie vijf jaar na de beëindiging van de uitoefening van een bijzondere bevoegdheid te laten ingaan, wel in overeenstemming met de strekking van artikel 12 Grondwet is. Deze vraag menen wij bevestigend te kunnen beantwoorden. Het huidige artikel 12 bevat geen regeling van het tijdstip waarop de notificatie dient plaats te vinden. Wij menen dat er daarom voldoende ruimte bestaat voor een regeling zoals wij die thans voorstellen. Het nieuwe artikel 12, zoals dat komt te luiden na aanvaarding van wetsvoorstel 26 158, bevat weliswaar de hoofdregel dat de notificatie zo spoedig mogelijk dient plaats te vinden, doch bevat ook een uitstelmogelijkheid met het oog op het belang van de nationale veiligheid. Een redelijke uitleg van deze uitstelmogelijkheid brengt naar ons oordeel mee dat niet continu dient te worden nagegaan of notificatie mogelijk is. Een frequentie van één keer per jaar vinden wij zeer wel verdedigbaar. Dat daarenboven geen notificatie in de eerste vijf jaar na de uitoefening van de bijzondere bevoegdheid plaatsvindt, achten wij eveneens verdedigbaar. Zoals wij eerder in een antwoord op vragen van de leden van de D66-fractie hebben aangegeven, blijkt in de praktijk dat in 99% van de gevallen notificatie in die eerste periode niet mogelijk is. Het zou een onevenredige belasting geven als met het oog op het enkele geval dat notificatie in die periode wel mogelijk zou zijn, in alle gevallen ook in de eerste vijf jaar zou moeten worden nagegaan of notificatie mogelijk is.

De voorgestelde afstelmogelijkheid past – zo kunnen wij deze leden antwoorden – niet bij het huidige artikel 12. Zij past wel bij het nieuwe artikel 12, waarin zij expliciet is vastgelegd.

4.6 Rechtsbescherming

Op dit moment staat tegen besluiten op inzageverzoeken, na bezwaar, beroep in twee instanties open: de rechtbank en in hoger beroep de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De leden van de PvdA-fractie gaven aan ernstige bezwaren te hebben tegen de beperking van de beroepsmogelijkheden tot één instantie. Zij verwezen in dit verband naar soortgelijke bezwaren in de discussie rondom de wijziging van de Vreemdelingenwet in 1992. Zij waren voorts van oordeel dat afschaffing van het hoger beroep een aantasting van de rechtsbescherming inhoudt en vanuit een oogpunt van rechtseenheid en rechtsontwikkeling ongewenst is. Verder speelt, aldus deze leden, de vraag of werkelijke principiële geschilpunten op dit gebied in één instantie kunnen worden afgedaan. Tot slot verwezen deze leden naar het zevende protocol bij de EVRM, waarin het hoger beroepsrecht is gegarandeerd.

Wat betreft dit laatste punt merken wij op dat artikel 2 van dit – overigens niet door Nederland geratificeerde – protocol slechts een recht op hoger beroep geeft in strafzaken.

De vergelijking die de leden van de PvdA-fractie trekken met de discussies bij de Vreemdelingenwet in 1992 achten wij niet terecht. De in het geding zijnde belangen zijn immers van een wezenlijk andere orde, die een andere afweging rechtvaardigt; het maakt onzes inziens uit of iemand wel of niet verblijfsrecht in Nederland wordt toegekend òf dat hij inzage krijgt in eventueel omtrent hem bij een dienst verwerkte gegevens. Of door het terugbrengen van beroep in twee instanties tot één instantie de rechtsbescherming wordt aangetast is een kwestie van waardering. Het gaat hierbij altijd gaat om de afweging tussen de extra waarborg van de tweede instantie en de snelheid waarmee iemand zijn recht kan krijgen. Overigens komt beroep in eerste en enige aanleg op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State thans in vele tientallen wetten voor, waarbij ook niet zelden principiële vragen aan de orde zijn.

De leden van de PvdA-fractie wezen op ons standpunt dat waar het de vertrouwelijke terbeschikkingstelling van gegevens in rechterlijke procedures betreft voorkomen moet worden dat gegevens op een niet voor de diensten controleerbare wijze buiten hun macht geraken. De zorgplicht zou het best geëffectueerd kunnen worden wanneer het aantal instanties tot een minimum zou worden beperkt. De genoemde leden sprake uit dat dit toch niet is waar met betrekking tot rechterlijke instanties vanuit zou moeten worden gegaan. Zij vroegen ons in dat verband of de regering concrete aanwijzingen heeft dat de zorgplicht in geval van twee beroepsmogelijkheden niet goed geëffectueerd kan worden of dat wij verwachten dat het aantal zaken niet groot genoeg zal zijn om de leden van de zittende magistratuur ervaring en kennis met onder andere de omgang met vertrouwelijke gegevens op te laten doen.

Wij betreuren het indien de leden van de PvdA-fractie in onze motivering met betrekking tot het voorstel het beroep tegen inzagebesluiten te beperken tot beroep in eerste en enige instantie bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, een gebrek aan vertrouwen menen te lezen dat wij zouden hebben richting de rechterlijke instanties waar het gaat om de omgang met vertrouwelijke gegevens. Van een dergelijk gebrek aan vertrouwen is geen sprake. Wel is het zo, dat – hoe men het ook wendt of keert – de kans dat staatsgeheimen worden gecompromitteerd groter is ingeval het aantal instanties dat daarover in een rechterlijke procedure moet kunnen beschikken ook groter is, met name indien bij die instanties de kennis over en de ervaring met de omgang met vertrouwelijke gegevens gering is. Daarbij is het eenvoudiger om met één rechterlijke instantie sluitende beveiligingsafspraken te maken dan met alle rechtbanken en de Afdeling bestuursrechtspraak. Ingeval slechts één instantie over dergelijke vertrouwelijke gegevens moet kunnen beschikken is de kans op compromittering kleiner en is de zorgplicht die wettelijk rust op de schouders van de hoofden van de diensten beter te effectueren. Doch deze overwegingen zijn slechts van secundaire aard; primair is ons voorstel erop gericht de duur van de gehele procedure te verkorten en voor zowel de verzoeker als de betreffende dienst binnen een redelijke termijn duidelijkheid te hebben over de aan de rechter voorgelegde vraag.

Naar aanleiding van de desbetreffende vraag van de leden van de PvdA-fractie merken wij op dat de keuze om de rechtspraak onder te brengen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aansluit bij de bestuursrechtelijke hoofdregel en bij de huidige situatie. Wij zien niet in waarom deze keuze meer zou vooruitlopen op de derde fase van de herziening van de rechterlijke organisatie dan een keuze voor de Centrale Raad van Beroep of een aantal gerechtshoven. Het omgekeerde is veeleer het geval: de Centrale Raad van Beroep is thans belast met de rechtspraak in ambtenaren-, sociale zekerheids- en in de nabije toekomst ook studiefinanciëringszaken, de hoven met belastingzaken. Juist het daar thans aan toevoegen van zaken krachtens de WIV zou vooruitlopen op de derde fase.

De leden van de VVD-fractie wilden vernemen welke mogelijkheden tot historisch onderzoek resteren. Zij wezen in dit verband erop dat tot aan de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak in 1995 (in de zaak Reydon/De Jager) wel een mogelijkheid bestond om historisch onderzoek te verrichten op persoonsgegevens bij de BVD die ouder dan 25 jaar waren. Zij vroegen ons dan ook aan te geven hoe de huidige mate van openbaarheid op grond van het voorliggende wetsvoorstel kan worden gekenmerkt.

Wij verwijzen deze leden allereerst naar hetgeen wij hiervoor hebben opgemerkt in antwoord op vragen van leden van de PvdA-fractie over de mogelijkheden tot onafhankelijk onderzoek onder het regiem van de nieuwe WIV. Zoals in de vraagstelling van de leden van de VVD-fractie ook wordt aangegeven gaat het om oude gegevens, in ieder geval ouder dan twintig jaar. Dergelijke gegevens worden in beginsel overeenkomstig de regeling in de Archiefwet 1995 overgebracht naar een archiefbewaarplaats, waar deze vervolgens openbaar zijn tenzij op grond van de Archiefwet 1995 nog een beperking aan de openbaarheid is gesteld. Overigens zal met de daadwerkelijke overdracht van gegevens van de diensten aan een archiefbewaarplaats pas kunnen worden begonnen indien de discussie rond de op grond van de Archiefwet 1995 vastgestelde selectielijst voor de BVD is afgerond en duidelijk is welke documenten voor blijvende bewaring in aanmerking komen. De openbaarheid met betrekking tot oude gegevens op basis van het voorliggende wetsvoorstel wordt – alles afwegende – door ons in ieder geval niet als een achteruitgang ten opzichte van de huidige situatie beschouwd.

De leden van de CDA-fractie gaven aan dat thans tegen besluiten op verzoeken om inzage, na bezwaar, beroep in twee instanties openstaat bij de bestuursrechter. Bij nota van wijziging is voorgesteld om het beroep te beperken tot één instantie, zodat de duur van de totale procedure beperkt wordt. De genoemde leden merkten op dat de beperking niet wordt gevonden in het bekorten van de beslistermijn van de minister, maar in het beperken van de rechten van de burger. Naar hun oordeel is het nog maar de vraag of dit leidt tot bekorting van de procedure. Het was voor deze leden voorts niet helder waarom aan de rechten van burgers wordt getornd, mede ingegeven door het feit dat bij kennisneming door – gewezen – werknemers wél rechtspraak in twee instanties mogelijk blijft. Rechtspositionele argumenten, aldus de leden van de CDA-fractie, zijn zeker valide, maar argumenten van andere betrokkenen, zijn dat eveneens.

In de nota naar aanleiding van het verslag1 is uitvoerig toegelicht waarom door de regering wordt voorgesteld om in het streven de totale duur van de procedure – die vaak meer dan een jaar beslaat – te beperken, het beroep in twee instanties waar het gaat om besluiten op inzageverzoeken terug te brengen tot beroep op één rechterlijke instantie, in casu de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Daarbij is aangegeven dat een dergelijke beperking onzes inziens niet kan worden gerealiseerd door de beslistermijn van de minister terug te brengen. Zoals hiervoor aangegeven zijn wij daarenboven van mening dat de voorgestelde beperking met evenveel recht gezien kan worden als een versterking van de rechten van burgers, namelijk het recht op een snelle procedure die uitsluitsel geeft en daarmee rechtszekerheid biedt.

5. DE SAMENWERKING TUSSEN DIENSTEN EN MET ANDERE INSTANTIES

5.1 Samenwerking met inlichtingen- en veiligheidsdiensten van andere landen

De leden van de PvdA-fractie vroegen ons of wij in konden gaan op de vraag wat de buitenlandse inlichtingendiensten voor Nederland doen en welke methoden daarbij worden gehanteerd. In dat verband vroegen zij welke consequenties eruit worden getrokken voor de op deze manier verkregen gegevens. Deze leden vroegen voorts of wat de samenwerking met buitenlandse diensten betreft, er bepaalde criteria worden gehanteerd. Tot slot waren deze leden geïnteresseerd in de methoden die de AIVD en de MIVD in het buitenland hanteren en of daarvoor een nadere regeling is vereist.

Allereerst wordt opgemerkt dat het kader voor samenwerking met buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten is neergelegd in artikel 54 van het wetsvoorstel. De samenwerking met daarvoor in aanmerking komende inlichtingen- en veiligheidsdiensten van andere landen bestaat voor het grootste deel uit de uitwisseling van gegevens. Daarnaast worden er incidenteel gezamenlijke operaties uitgevoerd. Voorts wordt op verzoek technische en andere vormen van ondersteuning verleend. Tot slot zijn er diverse structurele en ad hoc overlegsituaties van inlichtingen- en veiligheidsdiensten en worden er regelmatig expertmeetings – van bijvoorbeeld juristen, technici en andere materiedeskundigen van de verschillende diensten – georganiseerd.

Voor zover buitenlandse diensten voor de BVD of de MID diensten verrichten (verstrekken van gegevens, verlenen van ondersteuning, samenwerking bij operaties) zullen zij daarbij de voor hen geldende wet- en regelgeving in acht moeten nemen; dat geldt uiteraard ook voor de omgekeerde situatie, waarbij door buitenlandse diensten de medewerking van Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten wordt gevraagd. Dat betekent dat bijvoorbeeld de inzet van inlichtingenmiddelen door deze buitenlandse diensten in hun eigen land dient plaats te vinden met inachtneming van de voor hen geldende wettelijke kaders. Het is aan deze diensten en de in hun land daarvoor in aanmerking komende autoriteiten om te bepalen of een verzoek om medewerking door een Nederlandse dienst dient te worden gehonoreerd. De door samenwerking met buitenlandse diensten verkregen gegevens, kunnen niet geheel op dezelfde wijze worden gebruikt als gegevens die door de diensten met de uitoefening van eigen bevoegdheden zijn vergaard. Dat hangt onder meer samen met het feit dat in het gegevensverkeer tussen inlichtingen- en veiligheidsdiensten het gebruikelijk is het zogeheten derde-landenprincipe (third party principle) toe te passen. Dit principe houdt in dat inlichtingen- en veiligheidsdiensten de gegevens die zij van elkaar ontvangen alleen voor eigen gebruik aanwenden en niet verder verstrekken zonder vooraf verkregen toestemming van de verstrekkende dienst. Daarmee worden dus de mogelijkheden tot het gebruik van de gegevens beperkt. Wij verwijzen overigens naar hetgeen op blz. 57 van de memorie van toelichting over deze problematiek is gesteld.

De leden van de PvdA-fractie vroegen of er criteria worden gehanteerd bij de samenwerking met inlichtingen- en veiligheidsdiensten van andere landen. Wij antwoorden deze vraag bevestigend. Zoals ook uit artikel 54 van het wetsvoorstel blijkt – vergelijk ook artikel 13, tweede lid, van de huidige WIV – wordt er samengewerkt met daarvoor in aanmerking komende inlichtingen- en veiligheidsdiensten van andere landen. Dat impliceert dat bij het aangaan van een samenwerkingsrelatie wordt beoordeeld of de betreffende dienst daarvoor in aanmerking komt, waarbij bepaalde criteria worden gehanteerd. Een belangrijk criterium is dat de door de betreffende dienst te behartigen belangen niet onverenigbaar zijn met de belangen die de Nederlandse diensten hebben te behartigen. Dit criterium is in artikel 54 van het wetsvoorstel neergelegd. De beoordeling of aan dit criterium wordt voldaan geschiedt mede aan de hand van het Nederlandse buitenlandse beleid, waaronder dat op het gebied van de mensenrechten. Een ander criterium – eveneens in artikel 54 neergelegd – is dat de eigen goede taakuitvoering zich niet tegen de betreffende vorm van samenwerking verzet. Verder spelen natuurlijk de ervaringen mee, die zijn opgedaan bij gelegenheid van eerdere samenwerkingsrelaties. Dit gehele complex levert dan ook een van dienst tot dienst verschillend beeld op van de mate van samenwerking en zijn aldus diverse gradaties daarin te onderkennen. Overigens wijzen wij erop dat de samenwerking door de BVD met collegadiensten en de criteria die daarbij dienen te gelden in 1996 uitvoerig met de commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten zijn besproken; wij verwijzen graag naar het verslag van deze commissie over haar werkzaamheden in het jaar 19961.

Tot slot de vraag van de leden van de PvdA-fractie naar de methoden die de AIVD en MIVD in het buitenland hanteren. Deze leden zullen begrijpen dat hierop betrekking hebbende informatie uitsluitend vertrouwelijk aan de commissie voor de Inlichtingenen Veiligheidsdiensten van de Tweede Kamer zal kunnen worden verstrekt.

De leden van de VVD-fractie vroegen de regering om een uiteenzetting te geven of en, zo ja, in hoeverre van Nederlandse inlichtingendiensten wordt verwacht dat zij bij de uitwisseling van informatie met zusterorganisaties actief informeren welke methoden met betrekking tot het verkrijgen van die informatie zijn toegepast. Voorts vroegen deze leden in welke gevallen de Nederlandse diensten niet van de aldus verkregen informatie gebruik zouden kunnen maken.

Wij verwijzen de leden van de VVD-fractie allereerst naar het antwoord dat wij hiervoor op vragen van de leden van de PvdA-fractie ter zake van artikel 54 van het wetsvoorstel hebben gegeven. In aanvulling daarop merken wij nog het volgende op. Het is niet gebruikelijk om in het verkeer tussen inlichtingen- en veiligheidsdiensten actief te informeren naar de methoden die gehanteerd zijn om bepaalde informatie boven water te krijgen. Evenals de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten hechten deze diensten eraan om bronnen en modus operandi geheim te houden; al naar gelang de aard van de samenwerkingsrelatie die er bestaat met een buitenlandse dienst kan op dit punt overigens – over en weer – wel meer openheid worden gegeven. Dat geldt met name in de gevallen dat gezamenlijk operaties worden uitgevoerd. Een en ander legt – naast het hiervoor al gememoreerde «third party principle» – een zekere beperking op waar het gaat om het gebruik van aldus verkregen gegevens, zeker waar het gaat om de (door)verstrekking van dergelijke gegevens aan belangendragers die op basis daarvan tot het treffen van allerlei maatregelen zouden kunnen overgaan. In dat soort gevallen is het aangewezen dat alvorens tot verstrekking wordt overgegaan aan de betreffende dienst een indicatie van de mate van betrouwbaarheid van de betreffende gegevens wordt gevraagd; op grond van een aantal factoren– de aard van de relatie met die dienst, de daarmee opgedane ervaringen en soms ook de geboden mogelijkheid om achterliggende informatie zelf te beoordelen – zal vervolgens de informatie dienen te worden geëvalueerd. Is dit niet mogelijk dan zal verstrekking veelal achterwege blijven. Indien de informatie echter van zodanig ernstige aard is dat preventieve of repressieve actie door de bevoegde instanties niet achterwege kan blijven, dan zal verstrekking geschieden onder uitdrukkelijke vermelding dat de betrouwbaarheid van het betreffende bericht niet kan worden vastgesteld. Voor eigen operaties kunnen de betreffende gegevens op gelijke voet worden behandeld als gegevens die door de inzet van eigen methoden zijn verkregen. Wij merken in dit verband nog op dat met betrekking tot de gegevens die door de diensten worden verwerkt ingevolge artikel 12, vierde lid, van het wetsvoorstel dienen te worden voorzien van een aanduiding omtrent de mate van betrouwbaarheid dan wel een verwijzing naar het document of de bron waaraan de gegevens zijn ontleend.

De leden van de VVD-fractie vroegen aansluitend wanneer een goede taakuitoefening van een Nederlandse dienst zich tegen verlening van de gewenste ondersteuning aan een buitenlandse dienst verzet.

Hiervan is onder andere sprake indien daardoor eigen lopende operaties van een dienst – BVD of MID – worden gefrustreerd. Voorts is natuurlijk ook de soort gewenste ondersteuning van belang; deze dient onder meer te passen binnen de juridische kaders die de diensten in acht hebben te nemen. Indien een bepaalde vorm van ondersteuning zich daar niet mee verdraagt, zou het wel verlenen van deze ondersteuning in strijd zijn met een goede taakuitoefening van de diensten. Ingevolge artikel 2 van de WIV verrichten de diensten hun taak immers in gebondenheid aan de wet.

De leden van de VVD-fractie vroegen in hoeverre de gevraagde ondersteuning ertoe kan leiden dat buitenlandse agenten al dan niet op Nederlandse bodem worden ingezet en bij wie de controle daarop ligt.

De inzet van buitenlandse agenten op Nederlands grondgebied is in beginsel alleen toegestaan indien daarvoor toestemming is verleend door de betreffende Nederlandse dienst – in de praktijk is dit de BVD – en onder de voorwaarden die aan deze toestemming worden verbonden. Dat sluit niet uit dat al naar gelang de aard van de operatie (en het daaraan verbonden geringe afbreukrisico) de toestemming eventueel in overleg met de verantwoordelijke minister moet worden gegeven. Wordt toestemming verleend, dan geschiedt de inzet onder verantwoordelijkheid van de voor de betreffende Nederlandse dienst verantwoordelijke minister. De inzet op Nederlands grondgebied van de betreffende buitenlandse agent geschiedt verder in principe onder leiding van de Nederlandse dienst, waarbij overigens de buitenlandse dienst als gelijkwaardige partner bij betrokken blijft. Een dergelijke operatie is dus altijd aan te merken als een «joint operation». Het is voorts aan de betreffende Nederlandse dienst om controle uit te oefenen op het opereren van de buitenlandse agent en om na te gaan of dit opereren aan de gestelde voorwaarden voldoet.

De leden van de fractie van GroenLinks vroegen wat de mogelijkheid tot technische en andere ondersteuning van zusterdiensten door de Nederlandse diensten inhoudt. Op welke schaal komen bijvoorbeeld volg- en observatieacties voor? Gaat het hierbij ook om afluisteren? Waar blijkt uit de tekst van het wetsvoorstel dat de zusterdiensten niet zelfstandig op het Nederlands grondgebied kunnen optreden? Welk doel dient de uitwisseling van informatie met buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten en om wat voor informatie gaat het, zo vroegen deze leden. Zij pleitten daarbij voor de invoering van een materieel criterium, waarbij gesteld wordt in welke gevallen gegevensuitwisseling mogelijk is. Dit stelden zij ook voor met betrekking tot de uitwisseling van gegevens met binnenlandse bestuursorganen. Zij vroegen de regering een aanzet te geven tot een gesloten stelsel met een limitatieve opsomming van instanties waarmee informatie kan worden uitgewisseld.

Om met dit laatste punt te beginnen, het verheugt de regering de leden van de fractie van GroenLinks te kunnen meedelen dat een dergelijk gesloten stelsel met een limitatieve opsomming aan de hand van een materieel criterium reeds in de wet is opgenomen. Paragraaf 3.3.2. van het wetsvoorstel bevat limitatief de personen en instanties aan wie gegevens mogen worden verstrekt alsmede de criteria onder welke voorwaarden dit mag geschieden. Zoals in de memorie van toelichting op pagina 56 is aangegeven is de zinsnede «wie deze aangaan», zoals in artikel 35 gebruikt, bedoelt om aan te duiden dat de personen of instanties die de inlichtingen ontvangen een bijzondere betrokkenheid dienen te hebben bij de problematiek waar de gegevens betrekking op hebben.

Wat betreft het optreden van collegadiensten op Nederlands grondgebied verwijzen wij naar wat wij hierover in antwoord op vragen van de leden van de VVD-fractie hebben opgemerkt. Dat collegadiensten niet zelfstandig op het Nederlandse grondgebied kunnen optreden blijkt uit de tekst van het wetsvoorstel doordat daarin taken en bevoegdheden uitsluitend aan de AIVD en de MIVD worden toegekend.

Het doel van de gegevensuitwisseling voor de diensten is om tot een zo goed mogelijke uitoefening van de gestelde taken te komen. Het gaat derhalve om informatie die dat mogelijk maakt.

Tot slot merken wij op dat het bij de technische en andere ondersteuning vanzelfsprekend gaat om ondersteuning die binnen de bevoegdheden van de diensten vallen. Over de precieze aard en omvang van de verleende steun kunnen wij in het openbaar geen mededelingen doen.

De leden van de fracties van RPF, SGP en GPV waren nog niet overtuigd van de noodzaak en juistheid van de zeer algemene termen waarin de criteria voor samenwerking met zusterdiensten zijn geformuleerd. Zij dachten hierbij vooral aan de clausule dat de door de zusterdiensten te behartigen belangen niet onverenigbaar mogen zijn met de belangen die de Nederlandse diensten hebben te behartigen. Kan bijvoorbeeld worden volgehouden dat het Nederlandse mensenrechtenbeleid behoort tot de door de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten te behartigen te belangen, zo vroegen deze leden. En welk onderdeel van de taakomschrijving van de diensten in de artikelen 6 en 7 biedt hiervoor de noodzakelijke aanknopingspunten?

Wij verwijzen de leden van de fracties van RPF, SGP en GPV naar de antwoorden die wij hiervoor op de vragen van de leden van de PvdA-fractie hebben gegeven. Wij hebben daar onder meer aangegeven dat het mensenrechtenbeleid zeker tot de door de diensten te behartigen belangen wordt gerekend. Voorts merken wij daarover op dat een aanknopingspunt hiervoor in de taakomschrijving van de diensten niet noodzakelijk is. De diensten verrichten hun taken, zoals vanzelfsprekend alle overheidsinstellingen, in ondergeschiktheid aan de wet en daarmee ook aan de Grondwet alsmede de internationale verdragen die door Nederland geratificeerd zijn. Dit houdt in dat de daarin neergelegde normen, en zeker ook de grond- en mensenrechten, tot de belangen die de diensten hebben te behartigen moeten worden gerekend.

6. TOEZICHT EN KLACHTBEHANDELING

6.1 Algemeen

De leden van PvdA, VVD, GroenLinks, RPF, SGP en GPV vragen of het in het leven roepen van een commissie van toezicht, die geen bevoegdheid heeft tot het nemen van bindende besluiten, voldoende voldoet aan de eisen van artikel 13 EVRM. Zij vragen de regering aan te geven hoe zij denkt om te gaan met een eventuele negatieve uitspraak, mocht de zaak aanhangig worden gemaakt bij het EHRM?

Artikel 13 EVRM bepaalt dat een ieder wiens rechten en vrijheden die in het EVRM zijn vermeld, zijn geschonden, recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie, ook indien deze schending is begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie. Hoewel dit een belangrijke bepaling is, is de strekking van artikel 13 op basis van de tekst niet eenvoudig te bepalen1. De betekenis van artikel 13 moet derhalve in belangrijke mate afgeleid worden uit de uitspraken van het EHRM over dit artikel. Uit de uitspraken van het EHRM blijkt uitdrukkelijk dat de«nationale instantie» die in het artikel wordt genoemd geen rechterlijke instantie hoeft te zijn. Van diverse niet-rechterlijke instanties is door het Hof gesteld dat zij vallen onder het begrip«nationale instantie». Daaronder waren ook parlementaire commissies en bestuursorganen, zoals bijvoorbeeld in Silver v UK. Het feit dat er geen beroep op een rechterlijke instantie openstaat is dus volgens het Europese Hof op zichzelf geen reden om te stellen dat de voorliggende regeling niet voldoet aan artikel 13 EVRM. Dat neemt niet weg dat in Nederland in een aantal situaties wel degelijk sprake is van toezicht door de rechter: tegen een besluit ingevolge hoofdstuk 4 staat beroep op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State open (artikel 52a); een burger die van mening is dat jegens hem een onrechtmatige daad is begaan, kan een actie starten bij de burgerlijke rechter; en de strafrechter komt in het vizier ingeval een ambtenaar van een dienst als getuige wordt opgeroepen dan wel zich als verdachte moet verantwoorden. Al met al is de regering er ten volle van overtuigd dat de voorliggende regeling, in samenhang met andere regelingen, voldoet aan de eisen die daar door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens op grond van artikel 13 aan worden gesteld. In het onwaarschijnlijke geval dat het Hof in de toekomst tot een andersluidend oordeel komt, zal de regering zich vanzelfsprekend aan die uitspraak conformeren en de noodzakelijke uit die uitspraak voortvloeiende maatregelen nemen.

De leden van de fractie van GroenLinks stelden dat met betrekking tot het toezicht- en controleregime meer van het voorliggende wetsvoorstel verwacht had mogen worden. Zij pleitten voor een het instellen van een Kamercommissie bestaande uit specialisten, met verdergaande bevoegdheden en een minder stringent geheimhoudingsregime dan de bestaande commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten. Deze leden waren tevens van mening dat de instelling van een aanvullende commissie van toezicht onvoldoende is en zij vreesden dat de Tweede Kamer in het vervolg het nakijken heeft. Zij vroegen de reactie van de regering hierop.

De regering wijst erop dat door de instelling van de commissie van toezicht, in tegenstelling tot hetgeen de leden van de fractie van GroenLinks menen, de Tweede Kamer nu juist nog beter de diensten kan controleren. Zo kan elk der beide Kamers der Staten-Generaal de commissie van toezicht verzoeken een onderzoek te verrichten naar de uitvoering van de WIV of de Wet veiligheidsonderzoeken. Van een dergelijk onderzoek wordt een toezichtsrapport opgemaakt dat gedeeltelijk openbaar is. Ook brengt de commissie van toezicht jaarlijks een openbaar verslag uit over haar werkzaamheden.

Voor zover de samenstelling van de commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten van de Kamer aangaat, wijst de regering erop dat het uiteindelijk de Kamer zelf is die bepaalt hoe deze commissie wordt samengesteld, alsmede in hoeverre de informatie uit deze commissie vertrouwelijk blijft1. Het door de leden van de GroenLinks als streng aangeduide geheimhoudingsregime is echter in goed overleg tussen de regering en de Kamer afgesproken. Indien de Kamer voor een minder streng regime zou opteren, heeft dat wel gevolgen voor de mate waarin gegevens aan de commissie kunnen worden verstrekt gezien de wettelijke geheimhoudingsplicht. Het komt de regering derhalve voor dat een dergelijk minder streng regime de, ook door de leden van de fractie van GroenLinks zo gewenste, controle op de diensten door de Kamer niet ten goede zou komen.

De leden van de fracties van RPF, SGP en GPV waren van mening dat de instelling van een commissie van toezicht een waardevolle aanvulling vormde op de mogelijkheden tot controle op de diensten. Desalniettemin vonden zij dat de verantwoording aan de Staten-Generaal gebrekkig bleef.

Het spijt ons dat deze fracties van mening zijn dat de verantwoording aan de Staten-Generaal gebrekkig blijft. De aard van de werkzaamheden van de diensten maakt dat een goede regeling over het afleggen van openbare verantwoording door de betrokken ministers aan de Staten-Generaal geen eenvoudige zaak is, aangezien er een evenwicht gezocht moet worden tussen openbaarheid en beslotenheid. De effectuering van de ministeriële verantwoordelijkheid door middel van het verschaffen van inlichtingen aan de commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten is in het verleden doelmatig gebleken. Het voorliggende wetsvoorstel voegt daar nog het toezicht van een commissie van toezicht aan toe, naast de behandeling van klachten door de Nationale ombudsman. Tezamen met de notificatieplicht ontstaat naar de mening van de regering een complex aan waarborgen, die maken dat er voldoende controle op de activiteiten van de diensten bestaat.

Tevens stelden deze leden dat het niet realistisch is dat in de voordracht voor de leden van de commissie van toezicht door de Tweede Kamer geen rangorde wordt aangebracht. Het resultaat van de stemming zal immers toch een zekere rangorde aangeven.

Mocht het zo zijn dat de Kamer bij het komen tot een voordracht per kandidaat tot stemming overgaat, dan zou het resultaat een zekere rangorde tussen de kandidaten aan kunnen geven. Zeker als het verschil in aantal voorstemmers groot is. Een en ander zal ook afhangen van de wijze waarop de Kamer de procedure om te komen tot een voordracht vormgeeft. Hoe dit ook verder zij, wij hechten eraan uit de voordracht van de Kamer een vrije keuze te kunnen maken, om zo ook recht te kunnen doen aan onze eigen verantwoordelijkheid voor een evenwichtig samengestelde commissie van toezicht, bijvoorbeeld terzake van de specifieke achtergrond en deskundigheid van de leden.

De leden van de fracties van RPF, SGP en GPV wezen op artikel 68 Grondwet dat uitgaat van een individueel recht tot het vragen van inlichtingen. De strekking van dit artikel bracht volgens deze leden mee dat vragen beantwoord dienen te worden, tenzij in de concrete situatie een beroep gedaan kan worden op het belang van de staat. Zij vroegen of de regering het standpunt deelde, dat het bestaan van de commissie IVD op zichzelf onvoldoende argument is om van een inhoudelijke beantwoording van het individuele lid van de Kamer af te zien.

Het spreekt voor zich dat de regeling met betrekking tot het afleggen van verantwoording aan de Staten-Generaal, zoals neergelegd in het voorliggende wetsvoorstel, het individuele vragenrecht van artikel 68 Grondwet onverlet laat. Wij delen derhalve het standpunt van de leden van de fracties van RPF, SGP en GPV dat de regering hier inhoudelijk op vragen van Kamerleden zal dienen te antwoorden als niet een beroep op het belang van de staat gedaan kan worden. Vaak zullen dergelijke vragen een incidenteel karakter hebben. De regeling in het wetsvoorstel heeft daarentegen tot doel te voorzien in een regulier toezichts- en verantwoordingsinstrumentarium.

6.2 Gronden voor versterking van het toezicht

De leden van de fractie van GroenLinks waren van mening dat de Nationale ombudsman geen zinvolle rol kan spelen bij het toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in de zin van het EVRM, omdat deze niet bevoegd is tot bindende uitspraken en geen daadwerkelijke rechtsmiddelen kent. De procedure bij de Nationale ombudsman moet volgens deze leden gezien worden als een aanvullende weg voor burgers, maar zeker niet als een van de primaire middelen van toezicht.

Naar onze mening doet de fractie van GroenLinks de Nationale ombudsman te kort, als zij stelt dat deze geen zinvolle rol kan spelen, alleen omdat hij niet bevoegd is tot bindende uitspraken en geen daadwerkelijke rechtsmiddelen kent. Op geen enkel terrein bezit de Nationale ombudsman deze bevoegdheden en toch heeft hij zijn waarde sinds zijn instelling naar de mening van de regering meer dan bewezen. Bestuursorganen die door de Nationale ombudsman op de vingers getikt worden, nemen over het algemeen de door de ombudsman voorgestelde maatregelen over om te voorkomen dat hen dat een tweede maal overkomt. Wij zien vooralsnog geen enkele reden dat dat in het geval van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten anders zal zijn. Een extra waarborg daartoe is opgenomen in artikel 80, derde lid: de betrokken minister stelt de Nationale ombudsman binnen zes weken schriftelijk op de hoogte van de gevolgen die hij aan het oordeel alsmede aan de aanbevelingen verbindt. Ter zake van de correcte uitvoering van eventuele aanbeveling kan naar onze mening de commissie van toezicht ook nog een rol spelen. Ook kan de Nationale ombudsman het parlement attenderen op bepaalde punten, hetzij door aandacht te vragen voor individuele rapporten, hetzij door in het jaarverslag aandacht te schenken aan een bepaalde problematiek. De minister kan dan door het parlement ter verantwoording worden geroepen. Voor dit laatste punt zij ook verwezen naar het jaarverslag van de Nationale ombudsman over 1999.1 Al met al delen wij het oordeel van de leden van de fractie van GroenLinks niet dat de klachtenbehandeling door de Nationale ombudsman niet zinvol is.

6.3 De commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten

De leden van de fracties van VVD, CDA en D66 vroegen welke status de commissie van toezicht krijgt. Zij gingen er daarbij van uit dat de commissie niet als een Hoog College van Staat of als een zelfstandig bestuursorgaan zal worden aangemerkt. De leden van de fractie van D66 merkten daarbij op dat de vorm van zelfstandig bestuursorgaan niet bij voorbaat ongeschikt is, en dat het afhangt van de vormgeving van het bestuursorgaan. Zij vroegen tevens of er geen precedentwerking van de keuze zal uitgaan voor de toezichtuitoefening in het algemeen. Zij voegden daaraan toe of, indien dit zo was, dit de regering voor ogen staat en of dan niet het gevaar bestaat dat er een bonte mengeling van toezichtstructuren ontstaat, die noch onder de Aanwijzingen voor de Rijksdienst, noch onder de toekomstige Kaderwet zelfstandige bestuursorganen vallen.

Deze leden antwoorden wij als volgt. De commissie van toezicht wordt een orgaan sui generis. Zoals in de toelichting bij de nota van wijziging is aangegeven, verdient het naar onze mening geen aanbeveling de commissie als een bestuursorgaan onder de Algemene wet bestuursrecht aan te merken. Het karakter van de benoemingsprocedure, de specifieke taken die zich onderscheiden van de algemene bestuurlijke werkzaamheden waar de AWB op ziet en het feit dat een belangrijk deel van de AWB gezien de aard van de werkzaamheden van de commissie daar niet op van toepassing kan zijn, maakt dat bij nota van wijziging is voorgesteld de commissie van toezicht in artikel 1, eerste lid, AWB uit te zonderen van die wet. Daarmee is gegeven dat ook een toekomstige Kaderwet zelfstandige bestuursorganen niet op de commissie van toepassing is. Op zichzelf is dat geen bezwaar aangezien de zelfstandige positie van de commissie, zijn verhouding tot de verantwoordelijke ministers en de wijze waarop zij verslag dienen uit te brengen van hun werkzaamheden, genoegzaam in het voorliggende wetsvoorstel zijn geregeld. Wij hebben ook niet de vrees dat een bonte mengeling van toezichtstructuren ontstaat, om de woorden van de leden van de D66-fractie te gebruiken. De commissie van toezicht onderscheidt zich in zodanige mate van andere toezichthouders (voor wat betreft de positie van de instanties waar toezicht op wordt gehouden, de wijze van benoeming van de leden en de wijze van verslaglegging van het toezicht) om deze regeling op maat te rechtvaardigen.

De leden van de VVD-fractie vroegen welke feitelijke situaties aanleiding kunnen geven een lid van de commissie van toezicht te doen ontslaan. Waarom acht de regering het wenselijk de Kamer bij deze rechtspositionele aangelegenheden te betrekken, zo voegden zij daaraan toe.

Een aantal feitelijke situaties die aanleiding geven tot ontslag van een lid van de commissie van toezicht is gegeven in artikel 61, sub a tot en met f. De ontslaggrond onder g vormt een vangnetbepaling voor die gevallen waarin ontslag aangewezen is, maar niet een van de gevallen onder a tot en met f genoemd, zich voordoet. Een voorbeeld is het geval dat een lid van de commissie toezicht er blijk van geeft vertrouwelijk vernomen gegevens niet vertrouwelijk te kunnen houden. Omdat het bij het g-grond om een subjectief criterium gaat, lijkt het ons zinvol de Tweede Kamer in de gelegenheid te stellen haar oordeel uit te spreken over de vraag of betrokkene door zijn handelen ernstig nadeel toebrengt aan het in hem te stellen vertrouwen. Het is immers de Kamer die betrokkene voor benoeming heeft voorgedragen.

Deze leden vroegen tevens hoe de werkzaamheden van de commissie van toezicht zich inhoudelijk onderscheiden van de bestuurlijke werkzaamheden waar de AWB op toeziet. Hoe functioneren vergelijkbare commissies in bijvoorbeeld Engeland en Frankrijk, zo vroegen deze leden tenslotte.

Aangezien de AWB betrekking heeft op vrijwel alle bestuursorganen en bij deze bestuursorganen een grote variëteit bestaat aan taken en bevoegdheden is het niet eenvoudig om een vergelijking te maken tussen de werkzaamheden van de commissie van toezicht en de bestuurlijke werkzaamheden waar de AWB op toeziet. Men zou echter kunnen stellen dat in de AWB vooral het besluit centraal staat en de rechtsbescherming daartegen. Dit is ook het geval in Titel 10.2 van de AWB waar het gaat over het toezicht op bestuursorganen. In deze titel worden de goedkeuring, de vernietiging en de schorsing van besluiten behandeld. Bij het toezicht in het voorliggende wetsvoorstel is sprake van een ander soort van toezicht. Het gaat hier niet om de goedkeuring, vernietiging of schorsing van concrete besluiten, maar om het toezicht op de rechtmatigheid van de uitvoering door de diensten van hetgeen bij of krachtens het voorliggende wetsvoorstel en de Wet veiligheidsonderzoeken is gesteld. Het gaat daarbij in het algemeen om feitelijk handelen van de diensten, dat wil zeggen handelen zonder rechtsgevolgen, waar de AWB in zijn algemeenheid niet op van toepassing is. Voor wat betreft het functioneren van dergelijke commissies in andere landen zijn wij zo vrij de leden van de VVD-fractie te verwijzen naar het overzicht van de controlestelsels met betrekking tot de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in een aantal andere landen dat de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken in 1996 aan de Kamer heeft gezonden.1

De leden van de CDA-fractie stelden dat de veranderingen in de nota van wijziging leiden tot een verbetering voor wat betreft de onafhankelijkheid van de commissie van toezicht. Zij vroegen wat de noodzaak is van het voordragen van ten minste drie personen bij elke vacature. Voorts vroegen zij wat de reden is van het feit dat er feitelijk geen sprake is van een voordracht, aangezien er geen rangorde mag worden aangegeven. Kan dit betekenen dat er een andere persoon wordt benoemd, dan de minimaal drie voorgedragen personen?

Het verheugt ons dat deze leden de versterking van de onafhankelijkheid van de commissie van toezicht als een verbetering zien. Voor het overige willen wij voorop stellen dat de regering gehouden is een keuze te maken uit de door de Kamer voorgedragen kandidaten. Wij achten het ondenkbaar dat de Kamer drie kandidaten voordraagt die allen door de regering als ten enenmale ongeschikt voor het lidmaatschap van de commissie van toezicht worden beschouwd. Sterker nog, wij achten de kans zeer klein dat de Kamer ooit een kandidaat zal voordragen die in beginsel niet voor benoeming geschikt is. De reden dat in het voorstel is aangegeven dat de Kamer geen volgorde van voordracht geeft, is om de regering in de gelegenheid te stellen zorg te dragen voor zoveel mogelijk evenwicht binnen de commissie van toezicht, bijvoorbeeld als het gaat om specifieke achtergrond en deskundigheid.

De leden van de D66-fractie konden zich vinden in een grotere mate van onafhankelijkheid van de commissie van toezicht, in de verplichting van de commissie tot een jaarlijkse, openbare rapportage aan de Kamer, en de mogelijkheid tot het verzoek van bepaalde onderzoeken. Waarom, zo vroegen deze leden, is er gekozen voor een constructie sui generis?

Wij zijn blij dat de leden van de D66-fractie de versterking van de grotere onafhankelijkheid van de commissie van toezicht steunen. Voor het antwoord op hun vraag waarom gekozen is voor een constructie sui generis verwijzen wij naar het antwoord dat wij hiervoor hebben gegeven op de vraag welke status de commissie van toezicht krijgt.

De leden van de fractie van GroenLinks stellen een groot aantal vragen over de commissie van toezicht. Zij pleiten voor een bindende voordracht door de Tweede Kamer, waarbij zij een keuze moet kunnen maken van drie leden uit zes of meer voorgedragen leden. Zij vragen of het onder de voorliggende regeling niet tot de mogelijkheden behoort dat de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de meest gezagsgetrouwe kandidaat kiest, daarmee een kritische controle op de diensten afwerend. Voorts vragen zij of voor het beoordelen van de noodzaak van bijvoorbeeld een vertrouwensfunctie moeilijk om een doelmatigheidscontrole heengegaan kan worden. Zij opperen de commissie opdrachten aan de diensten te laten geven waaronder de bevoegdheid acties te laten stopzetten; de bevoegdheid van de commissie niet te beperken tot controle achteraf. De leden van GroenLinks verwachten dat de commissie van toezicht niet zo heel veel te doen zal krijgen, omdat naar de mening van deze leden op basis van het voorliggende voorstel alles mag. Bovendien wijzen zij het idee van een deeltijdfunctie af, zowel voor de leden van de commissie als voor het secretariaat, omdat de commissie zoveel werkzaamheden zal hebben te verrichten. Ook zouden de diensten niet de enige informatiebron voor de commissie dienen te zijn.

De regering hecht eraan nog eens terug te verwijzen naar hetgeen zij in hetgeen in het begin van deze nota heeft gezegd over de verbetering die het voorliggende voorstel inhoudt ten opzichte van de bestaande regelgeving inzake de transparantie van en de versterking van de controle op de werkzaamheden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Ter zake van de redengeving voor de voorgestelde procedure voor de samenstelling verwijzen wij naar hetgeen wij hierover hiervoor bij de beantwoording van de vragen van de leden van de CDA-fractie hebben gezegd. In aanvulling hierop merken wij allereerst op dat in afwijking van hetgeen de leden van GroenLinks menen het niet alleen aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is om een keuze te maken uit de kandidaten, maar tevens aan de minister van Algemene Zaken en de minister van Defensie. Voorts wijzen wij nadrukkelijk de suggestie af die in de vraag van deze leden besloten zit, dat deze ministers geen kritische controle op de diensten zouden wensen. Het tegendeel is het geval, mede ook vanuit de overtuiging dat een kritische controle door de commissie van toezicht de legitimatie van de diensten versterkt.

Voorts merken wij op dat indien de voorstellen van de leden van de fractie van GroenLinks gevolgd zouden worden de toezichtstaak van de commissie van toezicht op onaanvaardbare wijze vermengd zouden worden met sturingstaken. Een objectieve, neutrale controle van de uitvoering van de wet door de diensten zou daarmee in gevaar komen.

Ten aanzien van de deeltijdfunctie van de leden van de commissie van toezicht merken wij op dat de voorgestelde omvang is gebaseerd op een voorlopige analyse van de omvang van de taken van de commissie van toezicht. Mocht in de praktijk blijken dat deze omvang te beperkt of wellicht zelfs te ruim is, dan zal dat vanzelfsprekend gevolgen hebben.

De regering begrijpt niet waarop de leden van de fractie van GroenLinks baseren dat de diensten de enige informatiebron van de commissie zijn. In het voorstel wordt aan de commissie van toezicht de bevoegdheid gegeven getuigen onder ede te horen, deskundigen in te schakelen en alle plaatsen te betreden voor zover dat voor de vervulling van haar taak redelijkerwijs nodig is, met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner.

6.4 De taakuitoefening door de commissie van toezicht en de behandeling van klachten

De leden van de PvdA-fractie vonden de nota van wijziging niet duidelijk waar het gaat om de beoordelingsgronden van een weigering – naar wij aannemen om kennisneming van bij de diensten verwerkte gegevens toe te staan (voor zover aanwezig) – indien in beroep wordt gegaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Is, aldus vragen deze leden, de rol van de rechter beperkt tot het nagaan óf er een afweging heeft plaatsgevonden, óf kan de rechter ook de inhoud van de overweging beoordelen en zo ja in hoeverre.

Het is allereerst aan de onafhankelijke rechter en dus ook aan de Afdeling bestuursrechtspraak om uit te maken wat hij bij de beoordeling van een aan hem voorgelegd geschil betrekt. De bestuursrechter zal bij diens beoordeling in ieder geval dienen na te gaan of het bestreden besluit voldoet aan bijvoorbeeld het motiveringsbeginsel. Het zal dus niet alleen gaan om de vraag óf er een afweging door het bestuursorgaan heeft plaatsgevonden van de in geding zijnde belangen, maar ook óf het uiteindelijk genomen besluit kan stoelen op een draagkrachtige motivering. Hoever de rechter hierin gaat staat te zijner beoordeling.

De leden van GroenLinks zagen rechterlijke toetsing van overheidsoptreden ten opzichte van individuele burgers als een fundamenteel onderdeel van de Nederlandse rechtsstaat. Zij konden zich niet vinden in de creatie van een bijzonder regime binnen deze toetsing. Deze leden vroegen de regering of de beperking van het hoger beroep tot een enkele instantie, namelijk de Raad van State, niet vooral een gevolg is van het feit dat bij de bestaande inzagepraktijk de BVD meer en meer met kritische rechters wordt geconfronteerd. Is de Raad van State bovendien wel een geschikt orgaan voor dergelijk feitelijk onderzoek? Voorts vroegen zij waarom de normale rechtsgang van de AWB in het geval van de diensten niet zou kunnen worden gehanteerd. Deze leden wilden tevens het standpunt van de regering weten op de stelling dat het argument van onveilige rechtbanken onzinnig is, aangezien bij rechtbanken kluizen aanwezig zijn, de BVD bij ieder vervoer en proces aanwezig is en er ervaring is met tientallen zaken waarbij nog nooit stukken zoekgeraakt zijn.

Wij verwijzen de leden van de fractie van GroenLinks naar hetgeen wij over dit onderwerp onder paragraaf 4.6 op vragen van de PvdA-fractie hebben opgemerkt.

De leden van de fractie van GroenLinks constateerden dat de rijksrecherche regelmatig onderzoek doet naar het functioneren van overheidsdiensten, of naar individuele ambtenaren werkzaam bij dergelijke diensten. Ziet de regering een rol voor de rijksrecherche met betrekking tot het toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, zo vroegen zij.

De regering is van mening dat met de voorliggende regeling de controle op het functioneren van de diensten en hun medewerkers afdoende is geregeld. Dit laat onverlet dat in concreet gevallen de rijksrecherche onderzoek kan doen naar een individueel ambtenaar die wordt verdacht van corruptie of een ander strafbaar feit.

ARTIKELSGEWIJZE BEHANDELING

Artikel 14

De leden van de CDA-fractie merkten naar aanleiding van – naar wij aannemen de door ons voorgestelde aanvulling van – artikel 14 betreffende de verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aangaande de archieven van de AIVD – meer in het bijzonder voor de archieven die bij de artikel 55-functionarissen berusten in verband met hun werkzaamheden ten behoeve van de AIVD – op, dat een vergelijkbaar artikel ten aanzien van de MIVD ontbreekt. Deze leden vroegen hoe hier de verantwoordelijkheid voor de archieven is geregeld.

Allereerst wordt opgemerkt dat de verantwoordelijkheid voor de archieven van de AIVD of de MIVD niet zozeer uit de WIV als wel uit de Archiefwet 1995 dient te worden afgeleid. Zo is de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de zorgdrager voor de archiefbescheiden bij de BVD/AIVD en de minister van Defensie de zorgdrager voor de archiefbescheiden van de MID/MIVD. Bij de BVD/AIVD doet zich evenwel de situatie voor dat er buiten de BVD/AIVD functionarissen zijn c.q. kunnen worden aangewezen die zijn belast met werkzaamheden voor de BVD/AIVD. Het gaat hierbij om de zogeheten artikel 18-functionarissen op basis van de huidige WIV (artikel 55-functionarissen op basis van het wetsvoorstel). De door deze functionarissen in het kader van hun werkzaamheden voor de BVD/AIVD gevormde archiefbescheiden zijn archiefbescheiden waarvoor de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de zorgdrager is; teneinde elk misverstand hieromtrent te vermijden is ervoor gekozen dit in artikel 14, derde lid, van het wetsvoorstel nadrukkelijk te bepalen. Anders dan de BVD/AIVD kent de MID/MIVD geen met artikel 18 huidige WIV of artikel 55 van het wetsvoorstel vergelijkbare bepaling. Een met artikel 14, derde lid, van het wetsvoorstel vergelijkbare bepaling is dan ook waar het de archiefbescheiden van de MIVD betreft niet aan de orde.

Artikel 22

De leden van de fracties van RPF, SGP en GPV vroegen of de beperking van de werking van het vierde lid tot woningen wel terecht is.

Het vierde lid schrijft voor dat het altijd de betrokken minister zelf is die toestemming dient te geven voordat een dienst tot het doorzoeken van een woning mag overgaan. De in artikel 19, eerste lid, vastgelegde mogelijkheid voor de minister de verlening van toestemming te mandateren aan het hoofd van de dienst en de in artikel 19, tweede lid, vastgelegde mogelijkheid voor het hoofd de verlening van toestemming verder te mandateren aan aan hem ondergeschikte ambtenaren, zijn daarmee beide uitgesloten. Dit geeft een extra waarborg bij het doorzoeken van woningen. Dat deze extra waarborg beperkt is tot woningen is ingegeven door het feit dat ook de Grondwet onderscheid maakt tussen het betreden van woningen en het betreden van andere ruimten waarbij het recht op privacy in het geding is. Voor het eerste geval geeft artikel 12 van de Grondwet extra waarborgen boven de bescherming die artikel 10 van de Grondwet in algemene zin aan de persoonlijke levenssfeer biedt en derhalve ook aan die andere ruimte waarbij het recht op privacy in het geding is. In zoverre raakt de vraag of de beperking tot woningen wel terecht is, ook het onderscheid dat op dit punt in de Grondwet wordt gemaakt. De vraag van deze leden of de jurisprudentie van het Europese Hof niet de mogelijkheid opent onder omstandigheden ook bedrijfsruimten onder de bescherming van artikel 8 EVRM te brengen, kunnen wij bevestigend beantwoorden. Uit de uitspraak van het Hof in de zaak Niemietz valt af te leiden dat het begrip »home» in artikel 8 ook bepaalde beroeps- of bedrijfsruimten kan omvatten. Deze uitleg is mede ingegeven door het feit dat in de Franse tekst van artikel 8 het begrip «domicile» wordt gebruikt, dat een bredere connotatie heeft dan het begrip «home» en bijvoorbeeld ook kantoorruimten kan omvatten.1 Het begrip «home» lijkt daarmee een wat grotere reikwijdte te hebben dan het begrip «woning» in artikel 12 van de Grondwet, dat zich toespitst op ruimten waar iemand zijn privaat huiselijk leven leidt of pleegt te leiden.2

Het feit dat het Europese Hof onder omstandigheden ook bedrijfsruimten onder de bescherming van artikel 8 EVRM brengt, dwingt echter geenszins ertoe de extra waarborg die het vierde lid van het voorgestelde artikel 22 biedt, ook betrekking te laten hebben op andere ruimten waar het recht op privacy in het geding kan zijn. Ook zonder deze extra waarborg voldoet de regeling van het binnentreden door de diensten van besloten plaatsen – waartoe ook ruimten, zijnde niet-woningen, kunnen behoren waar het recht op privacy in het geding is – volledig aan de voorwaarden die artikel 8 EVRM stelt.

Artikel 24

In artikel 24, derde lid, is een medewerkingsplicht neergelegd voor een ieder die kennis draagt ter zake van het ongedaan maken van de versleuteling van gegevens opgeslagen of verwerkt in het geautomatiseerde werk als bedoeld in artikel 24, eerste lid. De leden van de PvdA-fractie vonden het merkwaardig dat het begrip «een ieder» wordt gebruikt, terwijl dit niet nader is toegelicht. Wie, aldus deze leden, wordt hier nu in het bijzonder bedoeld en zijn hierop uitzonderingen en, zo ja, welke.

De medewerkingsverplichting, bedoeld in artikel 24, derde lid, richt zich tot een ieder die kennis draagt; uiteraard voor zover deze kennisdrager is. Om de medewerkingsplicht te activeren dient een schriftelijk verzoek van het hoofd van de dienst te worden gericht aan de betreffende kennisdrager. Ook pas in dat geval geldt de regel dat weigering om medewerking te verlenen strafbaar is gesteld. Tot de categorie mogelijke kennisdragers in het kader van genoemd artikel, moet bijvoorbeeld worden gedacht aan Trusted Third Parties (TTP's).

Artikel 37, onderdeel a

De leden van de CDA-fractie vroegen met betrekking tot welke andere personen en instanties – dan het gegeven voorbeeld van politieke partijen – die bij de uitvoering van een publieke taak betrokken zijn, gegevens kunnen worden verstrekt. Zij plaatsten hierbij vanuit privacy-overwegingen kanttekeningen bij, alsmede met betrekking tot de mogelijk toch ruime interpretatie van «betrokken personen en instanties». Zij vroegen welke beoordelingscriteria hierbij worden gehanteerd en waarom niet is gekozen voor een limitatieve opsomming.

Zoals wij al eerder in deze nota naar aanleiding van het nader verslag in antwoord op vragen van de leden van de PvdA-fractie hebben geantwoord (zie onderdeel 3.4), zal artikel 37a bij (tweede) nota van wijziging zodanig worden aangepast dat de kring van personen en instanties bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt aangewezen. Op deze wijze wordt alsnog voorzien in een limitatieve opsomming. Naast het genoemde voorbeeld van politieke partijen, moet bijvoorbeeld worden gedacht aan de verstrekking van gegevens – anders dan risico-analyses – aan burgemeesters in het kader van hun verantwoordelijkheid voor de handhaving van de openbare orde. Het ligt in de rede dat in ieder geval de twee genoemde instanties zullen worden aangewezen. Welke andere instanties in beginsel voor aanwijzing in aanmerking kunnen komen, zal nader dienen te worden bezien. Het lijkt ons evident dat – mede vanwege het door deze leden genoemde privacy-argument – van de mogelijkheid tot aanwijzing een terughoudend gebruik wordt gemaakt en daartoe slechts wordt overgegaan als er wezenlijke belangen in het spel zijn, die door de betreffende personen en instanties die bij de uitvoering van de publieke taak zijn betrokken worden behartigd.

De leden van de CDA-fractie vroegen voorts hoe het inzagerecht in een dergelijk geval – naar wij aannemen het geval waarbij persoonsgegevens aan een dergelijke persoon of instantie zijn verstrekt – is geregeld.

In het geval er persoonsgegevens worden verstrekt, geschiedt dit – behoudens spoedeisende gevallen – schriftelijk. Deze gegevens zijn niet gerubriceerd en kunnen desgevraagd door de betreffende instantie ter inzage worden gegeven aan de betrokken persoon.

De leden van de fractie van het CDA vroegen of het overigens mogelijk is dat personen of instanties die betrokken zijn bij de publieke taak zelf vragen om gegevens of zelf vragen om een onderzoek te doen plaatsvinden.

Het antwoord op deze vraag is in beginsel nee. Artikel 37a is immers in het wetsvoorstel opgenomen om – gelet op het in de WIV opgenomen gesloten verstrekkingenstelsel – een wettelijke grondslag te hebben op grond waarvan zogeheten «bijvangst» aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen instanties kan worden verstrekt. Het betreft hier gegevens die een dienst bij de uitvoering van zijn taak heeft verkregen en waarvan de verstrekking aan de hier bedoelde instanties niet noodzakelijk is in verband met een goede taakuitvoering, maar waarvan wel anderszins vaststaat deze van belang kunnen zijn voor personen en instanties die zijn betrokken bij de uitvoering van de publieke taak in verband met de door hen in dat kader te behartigen belangen.

Wel is in het verleden – en niet uitgesloten is dat dit ook in de toekomst nog zal plaatsvinden – op verzoek van een instantie als bedoeld in artikel 37a door de BVD een onderzoek ingesteld, aangezien met betrekking tot een bepaalde persoon die in aanmerking kwam voor een bepaalde publieke functie het ernstige vermoeden bestond dat deze een gevaar voor de integriteit van de openbare sector kon vormen en dat de betreffende instantie zelf niet over toereikende mogelijkheden beschikte om ter zake van dit vermoeden zelf een onderzoek te verrichten. Het betrof hier echter een uitzonderlijk geval.

De leden van de fracties van RPF, SGP en GPV vonden dat er erg ruime mogelijkheden worden geboden tot het verstrekken van gegevens aan personen of instanties, betrokken bij de uitvoering van de publieke taak. Of politieke partijen hieronder vallen staat, aldus de leden van deze fracties, te bezien, gelet op hun onafhankelijke positie. Zij erkenden dat politieke partijen een functie vervullen die van belang is voor de publieke zaak, maar dat geldt op uiteenlopende manieren voor tal van particuliere personen en organisaties.

Zoals wij al eerder in deze nota hebben aangegeven zal bij de tweede nota van wijziging artikel 37a zodanig worden aangepast, dat de aanwijzing van de voor verstrekking in aanmerking komende personen en instanties bij of krachtens algemene maatregel van bestuur zal geschieden. Daarmee worden de verstrekkingsmogelijkheden gelimiteerd. Anders dan deze leden zijn wij van oordeel dat politieke partijen in beginsel in aanmerking komen om te worden aangewezen. Wij zien niet in op welke wijze de onafhankelijke positie van deze partijen zich ertegen zou verzetten om ze onder de kring van personen en instanties als bedoeld in artikel 37a te doen scharen. Het blijft uiteraard aan de betreffende politieke partij om te beslissen of zij aan de hand van de door een dienst verstrekte gegevens stappen onderneemt.

Artikel 50

De leden van de fracties van RPF, SGP en GPV vroegen of de formulering van het tweede lid het recht van beroep niet tot een fictie maakt, als de aanvrager zelf niet weet of de aanwijzing plaatsvond om een van de redenen die onder artikel 50, eerste lid, onder a zijn vermeld, dan wel omdat betreffende hem geen gegevens zijn verwerkt.

Artikel 50 behelst de operationalisering van de weigeringsgrond «actueel kennisniveau». Het is evident dat om redenen van nationale veiligheid hierop betrekking hebbende gegevens niet mogen worden verstrekt. Actueel kennisniveau bestaat uit een tweetal componenten: de component dat er omtrent de betrokken persoon actuele gegevens aanwezig zijn (artikel 50, eerste lid, onder a) en in de component dat er in het geheel geen gegevens aanwezig zijn (artikel 50, eerste lid, onder b). In beide gevallen ligt weigering van het verzoek om kennisneming voor de hand. Zowel het gegeven dat de betrokkene onderwerp van onderzoek van een dienst is als het gegeven dat deze dat (blijkbaar) niet is, geeft hem immers de mogelijkheid zijn gedrag daarop af te stemmen en aldus lopende onderzoeken van de dienst te frustreren. Een en ander houdt voor de betrokkene in, dat bij de weigering om kennisneming in het midden gelaten moet worden of en, zo ja, welke actuele gegevens er omtrent hem aanwezig zijn; artikel 50, tweede lid, geeft aan dat slechts in algemene termen naar de in het eerste lid genoemde gronden voor afwijzing dient te worden verwezen. Het recht van beroep wordt daarmee naar ons oordeel echter geen fictie. Tegen het besluit van de minister staat beroep op de bestuursrechter open. Aan de bestuursrechter kan op de voet van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht en met inachtneming van artikel 83 van het wetsvoorstel de omtrent de betrokken persoon bij een dienst aanwezige gegevens onder het zegel van geheimhouding ter inzage worden gegeven; indien er geen gegevens aanwezig zijn, kan dit gegeven – eveneens onder het zegel van geheimhouding – worden medegedeeld. Voor de rechter is dus de weigeringsgrond volledig toetsbaar. Uiteraard dient de betrokken partij wel toestemming te geven aan de rechter dat deze mede op grondslag van die gegevens (inlichtingen of stukken) uitspraak mag doen.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

K. G. de Vries


XNoot
1

Zie Kamerstukken II 1999–2000, 25 877, nr. 8.

XNoot
1

Zie o.a. EHRM 26 april 1979, Series A.30 (Sunday Times), blz. 31–33; EHRM 2 augustus 1984, Series A.82 (Malone), blz. 31–36; EHRM 26 maart 1987, Series A.116 (Leander), blz. 23–24; EHRM 24 april 1990, Series A.176 (Kruslin), blz. 22–25; EHRM 25 maart 1998, Reports 1998-II, 67 (Kopp), blz. 541–543; EHRM 30 juli 1998, Reports 1998-V, 83 (Valenzuela), blz. 1926–1928.

XNoot
2

Zie o.a. EHRM 24 april 1990, Series A.176 (Kruslin), blz. 22; EHRM 25 maart 1998, Reports 1998-II, 67 (Kopp), blz. 541; EHRM 30 juli 1998, Reports 1998-V, 83 (Valenzuela), blz. 1926.

XNoot
3

Zie Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, blz. 13.

XNoot
1

EHRM 2 augustus 1984, Series A.82 (Malone), blz. 32.

XNoot
2

EHRM 26 maart 1987, Series A.116 (Leander), blz. 23.

XNoot
3

Vgl. EHRM 26 maart 1987, Series A.116 (Leander), blz. 24, paragraaf 54.

XNoot
1

Zie Kamerstukken II 1999/2000, 25 877, nr. 9, onderdeel C.

XNoot
2

Zie Kamerstukken II 1999/2000, 25 877, nr. 8, blz. 20 en 21.

XNoot
1

Een voorbeeld betreft Canada, waar – evenals bij de AIVD en de MIVD – de inlichtingen- en veiligheidstaak in één dienst is ondergebracht.

XNoot
2

Zo hebben zowel de British Security Service (Security Service Act 1998) als de British Intelligence Service (Intelligence Services Act 1994) een taak in het belang van «the economic well-being of the United Kingdom» en een taak ter ondersteuning van «the prevention and detection of serious crime».

XNoot
1

Zie Kamerstukken II 1999/2000, 25 877, B, blz. 5.

XNoot
1

Zie Kamerstukken II 1997/98, 25 877, nr. 3, blz. 27 en 28 (toelichting in algemene zin).

XNoot
1

Zie Kamerstukken II 1998/99, 26 269, nr. 14

XNoot
1

Zie Kamerstukken 1999/2000, 25 877, nr. 8, blz. 77.

XNoot
1

Zie Kamerstukken II 1999/2000, 25 877, nr. 8, blz. 19–20.

XNoot
2

Zie Kamerstukken II 1999/2000, 25 877, nr. 8, blz. 33.

XNoot
3

Zie jaarverslag BVD 1999, paragraaf 7.2.

XNoot
1

Zie Kamerstukken II 1999/2000, 25 877, nr. 8, blz. 19.

XNoot
1

Zie Kamerstukken II 1999/2000, 25 877, nr. 8, blz. 19–20.

XNoot
2

Zie Kamerstukken II 2000/2001, 27 460, nr. 1, blz. 22.

XNoot
1

Zie Kamerstukken II 1999/2000, 25 877, nr. 8, blz. 14–16 en 25.

XNoot
1

Zie Kamerstukken II 1999/2000, 25 877, nr. 8, blz. 18–21.

XNoot
1

Zie Kamerstukken II 1999/2000, 22 036, nr. 15.

XNoot
2

Zie Kamerstukken II 2000/2001, 27 460, nr. 1, blz. 22.

XNoot
3

Zie Kamerstukken I 1997/98, 25 443, nr. 232. De leden van de PvdA-fractie in de Eerste Kamer vroegen wel om een analyse van de wijze waarop deze term in het EVRM wordt geïnterpreteerd (Kamerstukken I 1998/99, 25 443, nr. 40, blz,. 7). Een dergelijke analyse is te vinden in de nota naar aanleiding van het verslag bij dit wetsvoorstel, Kamerstukken II 1999/2000, 25 877, nr. 8, blz. 19.

XNoot
1

Zie Kamerstukken II 1999–2000, 25 877, B, blz. 5.

XNoot
1

Zie Kamerstukken II 1999/2000, 25 877, nr. 8, blz. 51 e.v.

XNoot
1

Zie Kamerstukken II 1989/99, 26 269, nrs. 4–5, blz. 132.

XNoot
1

Zie Kamerstukken II 1999/2000, 25 877, nr. 8, blz. 56 e.v.

XNoot
1

Zie Kamerstukken II 1999/2000, 25 232 en 26 227, nr. 19.

XNoot
1

Zie ook Aanhangsel Handelingen II 1995/96, nr. 423.

XNoot
1

zie Kamerstukken II 1999/2000, 25 877, B, blz. 10.

XNoot
1

Zie Kamerstukken II 1997/98, 25 877, nr. 3, blz. 33 en 34.

XNoot
2

Zie Kamerstukken II 1999–2000, 25 877, nr. 8, blz. 60 en 61 alsmede blz. 124 en 125.

XNoot
1

Zie Kamerstukken II 1997/98, 25 877, nr. 3, blz. 41 en 42; Kamerstukken II 1999/2000, 25 877, nr. 8, blz. 53 en 54.

XNoot
1

Zie Aanhangsel Handelingen II 1999/2000, nr. 1112 en nr. 1308.

XNoot
2

Zie Kamerstukken II 2000/2001, 27 591, nr. 1.

XNoot
3

Zie Kamerstukken II 1999/2000, 25 877, nr. 8, blz. 63.

XNoot
1

Zie Kamerstukken II 1999/2000, 22 036, nr. 15.

XNoot
1

Zie Kamerstukken II 1997/98, 25 877, nr. 3, blz. 66 en 67.

XNoot
1

Zie Kamerstukken II 1996–97, 24 714, nr. 4, paragraaf 1, 2, 3, en Kamerstukken II 1997/98, 24 714, nr. 5 onder 5.

XNoot
1

Zie Kamerstukken II 1999/2000, 25 877, nr. 9, blz. 32.

XNoot
1

Zie Kamerstukken II 1999/2000, 22 036, nr. 15.

XNoot
1

Zie Kamerstukken II 1999/2000, 25 877, nr. 8, blz. 98.

XNoot
1

Zie Kamerstukken II 1996/97, 25 418, nr. 1, blz. 2.

XNoot
1

Twee rechters van het EHRM hebben het artikel eens aangeduid als de «meest duistere bepaling van het Verdrag» (Malone v UK, A 82, 1984).

XNoot
1

Zie hierover ook het Verslag van de commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten van haar werkzaamheden in het jaar 1994, Kamerstukken II, 1995/96, 24 147, nr. 2.

XNoot
1

Zie Kamerstukken II 1999/2000, 27 050, nr. 2, p. 64–66.

XNoot
1

Zie Kamerstukken II 1996–1997, nr. 4 en nr. 5.

XNoot
1

EHRM 16 december 1992, Series A.251 (Niemietz), blz. 34.

XNoot
2

Zie voor een nadere uiteenzetting over het begrip «woning» in – onder meer – artikel 12 van de Grondwet: Kamerstukken II 1995/96, 24 699, nr. 3, blz. 5.


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl