Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Jaargang 2018
Nr. 958

Gepubliceerd op 28 juni 2018 09:00
Inhoudsopgave

Gerelateerde informatie


Geconsolideerde regelgeving





Beleidsregel Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 WerkSaam Westfriesland

Inleiding

WerkSaam Westfriesland voert het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) uit. De Bbz 2004 biedt kansen wanneer personen met een bijstandsuitkering een eigen bedrijf willen starten. Of biedt ondersteuning aan ondernemers die financieel in de problemen komen.

 

Deze beleidsregel beschrijft hoe WerkSaam de Bbz 2004 uitvoert, waar het gaat om:

  • De toegang tot de Bbz 2004.

  • De vergoeding van de kosten voor onderzoek en begeleiding.

  • De geldlening in de voorbereidingsfase voor de startende ondernemer.

  • Het bedrijfskapitaal voor oudere ondernemers.

Voor gespecialiseerde adviezen en begeleiding van startende ondernemers maakt WerkSaam gebruik van externe bureaus.

 

Het dagelijks bestuur van WerkSaam Westfriesland;

 

gezien het advies van de cliëntenraad van 5 juni 2018;

 

gelet op artikel 15 en artikel 78f van de Participatiewet en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;

 

 

b e s l u i t :

 

 

  • de beleidsregel Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 WerkSaam Westfriesland te wijzigen.

 

 

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In deze beleidsregel betekent:

  • a.

    Adviesbureau: bureau dat gespecialiseerd is in het uitvoeren van onderzoeken naar de levensvatbaarheid van een bedrijf in het kader van het Bbz 2004.

  • b.

    Bbz 2004: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004.

  • c.

    Begeleidingsorganisatie: organisatie die gespecialiseerd is in het begeleiden, opleiden en coachen van cliënten die een eigen bedrijf willen starten of daar kort geleden mee zijn gestart.

  • d.

    Cliënt: de personen genoemd in artikel 2 van het Bbz 2004.

  • e.

    Entreetoets: een toets waarin vakkennis, inzicht in de markt, ondernemersvaardigheden en de kansen van het bedrijfsplan worden getoetst. Ook wordt beoordeeld of de kandidaat ondernemer na het afronden van een voorbereidingsperiode in staat wordt geacht een eigen bedrijf te starten.

  • f.

    Voorbereidingstraject: tijdens de voorbereidingsperiode kan cliënt worden verplicht om mee te werken aan begeleiding en het volgen van trainingen of opleidingen.

  • g.

    WerkSaam: het dagelijks bestuur van WerkSaam Westfriesland.

  •  

Artikel 2. Gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid

WerkSaam maakt gebruik van de bevoegdheid tot:

  • 1.

    Het verlenen van algemene bijstand en het verlenen van een bedrijfskrediet volgens artikel 2, lid 1 en 2 van het Bbz 2004.

  • 2.

    Het voortzetten van algemene bijstand volgens de Participatiewet tijdens de voorbereidingsperiode van maximaal twaalf maanden, volgens artikel 2, lid 3 van het Bbz 2004.

  • 3.

    Het verlenen van bijstand voor bedrijfskapitaal volgens artikel 17 van het Bbz 2004 voor de (gedeeltelijke) betaling van een bedrijfsschuld.

     

Artikel 3. Voorwaarden voor toelating voorbereidingsperiode

  • 1.

    Met uitzondering van het gestelde in artikel 4 van deze beleidsregel komt de cliënt die algemene bijstand ontvangt en van plan is een bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen, in aanmerking voor de voorbereidingsperiode als:

    • a.

      De cliënt voldoende vakbekwaam is en de persoonlijke vaardigheden heeft, die noodzakelijk zijn om zelfstandig ondernemer te kunnen worden, en:

    • b.

      De arbeidsmarktsituatie van de cliënt daarvoor aanleiding geeft.

  • 2.

    De cliënt heeft bij deelname aan de voorbereidingsperiode de verplichting om mee te werken aan een voorbereidingstraject.

  • 3.

    Als uit de entreetoets blijkt dat de vakbekwaamheid en/of persoonlijke vaardigheden nog onvoldoende zijn, beoordeelt WerkSaam of cliënt na een begeleidings- en opleidingstraject van maximaal een jaar, naar verwachting wel over voldoende vakbekwaamheid en persoonlijke vaardigheden zal kunnen beschikken.

  •  

Artikel 4. Criteria voor het niet in aanmerking komen voor de voorbereidingsperiode

Een cliënt komt niet in aanmerking voor de voorbereidingsperiode als:

  • a.

    Surseance van betaling is aangevraagd.

  • b.

    Hij/zij in staat van faillissement verkeert.

  • c.

    Hij/zij te hoge schulden heeft, waardoor het starten van een eigen bedrijf of zelfstandig beroep niet mogelijk is. Bijvoorbeeld als de cliënt een WSNP-traject (schuldhulpverlening) heeft.

  • d.

    Hij/zij onder bewind of curatele staat.

  • e.

    Redelijkerwijs moet worden aangenomen dat het te starten bedrijf of beroep niet aan de wettelijke eisen zal kunnen voldoen.

  • f.

    Uit onderzoek van het adviesbureau blijkt dat er belemmeringen in de persoon aanwezig zijn die het zelfstandig ondernemerschap uitsluiten.

  • g.

    Een aanvraag al eerder is afgewezen en er nu geen sprake is van gewijzigde omstandigheden.

  • h.

    De aard van het te starten bedrijf of zelfstandig beroep onvoldoende basis biedt voor enige levensvatbaarheid van het bedrijf of zelfstandig beroep.

  • i.

    Op basis van onderzoek door WerkSaam blijkt dat een traject gericht op loondienst leidt tot de snelste uitstroom uit de Participatiewet.

     

Artikel 5. Voorbereidingsperiode

  • 1.

    Aan een cliënt als bedoeld in artikel 3 wordt begeleiding aangeboden door een door WerkSaam aangewezen begeleidingsorganisatie.

  • 2.

    WerkSaam vergoedt maximaal € 4.000 aan begeleidingskosten tijdens de voorbereidingsperiode.

 

Artikel 6. Voorbereidingskrediet

  • 1.

    De in artikel 29 van het Bbz 2004 bedoelde bijstand in de met de voorbereiding samenhangende kosten bedraagt maximaal € 2.718.

  • 2.

    Als in aansluiting op de voorbereidingsperiode een bedrijf of zelfstandig beroep wordt gestart, wordt de renteloze geldlening als bedoeld in lid 1 rentedragend. Voor de hierover verschuldigde rente wordt het in artikel 15 van het Bbz 2004 opgenomen rentepercentage gehanteerd.

 

Artikel 7. Bijstand in de begeleidingskosten na de start

  • 1.

    De cliënt, als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder b van het Bbz 2004, krijgt maximaal twaalf maanden begeleiding aangeboden. Deze begeleiding vindt plaats tijdens de opstart van het bedrijf door een door WerkSaam aangewezen begeleidingsorganisatie.

  • 2.

    WerkSaam vergoedt maximaal € 1.750 aan begeleidingskosten na de start.

 

Artikel 8. Bedrijfskapitaal oudere zelfstandige

  • 1.

    Een krediet op grond van artikel 26 van het Bbz 2004 wordt eenmaal verstrekt tot maximaal de hoogte van de kredietbehoefte.

  • 2.

    Het krediet als bedoeld in lid 1 wordt niet toegekend als de kredietbehoefte hoger is dan het in artikel 26 van het Bbz 2004 genoemde bedrag.

  • 3.

    Voor het vaststellen van de kredietbehoefte kan WerkSaam een adviesbureau inschakelen.

 

Artikel 9. Verlaagd urencriterium

Gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen die volgens de Wet Inkomstenbelasting 2001 fiscaal aan het verlaagde urencriterium voldoen worden als zelfstandigen in de zin van het Bbz 2004 aangemerkt.

 

Artikel 10. Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking op 1 juli 2018.

 

 

Vastgesteld in de vergadering van het dagelijks bestuur van 14 juni 2018,

De voorzitter, D. te Grotenhuis,

De directeur, M.J. Dölle

Toelichting beleidsregel Besluit bijstandverlening zelfstandigen WerkSaam Westfriesland

 

Toelichting per artikel

 

Artikel 2 . Gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid

Onder a is bepaald dat WerkSaam gebruik maakt van de bevoegdheid voor het verlenen van algemene bijstand of een bedrijfskrediet.

 

Onder b is bepaald dat WerkSaam gebruik maakt van de bevoegdheid om een bijstandsuitkering twaalf maanden te kunnen voortzetten tijdens de zogenaamde voorbereidingsperiode. De cliënt kan zich in deze periode voorbereiden op het opzetten van zijn eigen bedrijf. Dit betekent dat de cliënt in die periode niet hoeft te solliciteren en geen werk hoeft te aanvaarden. Hierdoor kan cliënt zich volledig richten op deze voorbereiding.

 

Onder c maken we gebruik van de bevoegdheid om een bedrijfskrediet te verlenen voor de betaling van bedrijfsschulden. Hierbij mag geen sprake zijn van een voorliggende voorziening (bijvoorbeeld spaartegoed) en de verstrekking moet noodzakelijk zijn voor de voortzetting van een levensvatbaar bedrijf. Een langlopende banklening kan niet met bedrijfskapitaal worden geherfinancierd, behalve als de bank bereid is akkoord te gaan met een aanbod tot finale kwijting. Via een saneringsvoorstel gaat de bank dan akkoord met kwijtschelding van een deel van de schuld. Het bedrag dat resteert wordt meegenomen in de herfinanciering.

 

Artikel 3 . Voorwaarden voor toelating voorbereidingsperiode

Personen die in de periode vóór de start van hun bedrijf of zelfstandig beroep een uitkering ontvangen, kunnen tijdens een voorbereidingsperiode zien of het zelfstandig ondernemerschap iets voor hen is. In deze periode wordt de uitkering voortgezet. In lid 1 hebben we de voorwaarden vastgesteld voor de toelating tot deze voorbereidingsperiode. De onder a genoemde noodzakelijke vakbekwaamheid en persoonlijke vaardigheden baseren we op de entreetoets.

 

In lid 1 onder b wordt aangegeven dat WerkSaam een afweging maakt tussen zelfstandig ondernemerschap en loondienst. Deze afweging vindt plaats op basis van alle aanwezige gegevens. Als dit nodig is kan aanvullend onderzoek worden gedaan. Het traject dat naar verwachting het snelst en het goedkoopst tot duurzame uitstroom zal leiden moet worden gevolgd. Soms lijken de kansen voor een eigen onderneming gunstig, maar blijken er toch nog veel belemmeringen te zijn om daadwerkelijk aan de slag te gaan. In de praktijk blijken startende ondernemers hier vaak onvoldoende zicht op te hebben. Maar na begeleiding kunnen zij wel degelijk in staat te zijn om door middel van zelfstandig ondernemerschap in het levensonderhoud te voorzien.

 

Op grond van lid 2 is cliënt voor de duur van de voorbereidingsperiode verplicht begeleiding en scholing te aanvaarden van de door ons aangewezen deskundige organisatie en de daaruit voortkomende verplichtingen na te komen.

 

Lid 3 heeft betrekking op de vakbekwaamheid en persoonlijke vaardigheden van de cliënt. Door middel van een entreetoets moet een inschatting gemaakt worden of de cliënt, na het doorlopen van het begeleidings- en opleidingstraject, een succesvolle onderneming kan starten. Uit deze toets kan ook blijken dat financiële of persoonlijke belemmeringen dit veroorzaken. De toets wordt uitgevoerd door een deskundige, de organisatie die de begeleiding ter hand neemt of een extern bureau waarmee deze organisatie samenwerkt.

 

Artikel 4 . Criteria voor het niet in aanmerking komen voor de voorbereidingsperiode

In dit artikel wordt bepaald in welke gevallen we bijstandsgerechtigden uitsluiten van deelname aan de voorbereidingsperiode.

 

Voorop staat bij de toekenning van de voorbereidingsperiode, dat het te starten bedrijf naar verwachting levensvatbaar zal zijn. Onder c is aangegeven dat als cliënt te hoge schulden heeft, dat de levensvatbaarheid van het toekomstige bedrijf of beroep in de weg staat. Een schuldsanering moet met een schone lei zijn afgerond om deel te kunnen nemen aan de voorbereidingsperiode.

 

Onder e gaat het om wettelijke eisen die bijvoorbeeld betrekking hebben op de aard en locatie van het te starten bedrijf. Zoals plannen die in strijd zijn met milieueisen en/of

bestemmingsplannen of als benodigde vergunningen niet kunnen worden verstrekt.

 

Onder f kan worden gedacht aan een gebrek aan realiteitszin of een drugs- of alcoholverslaving. Voor het bepalen van de competenties van een cliënt kunnen we een deskundige inschakelen.

 

Onder g gaat het om de omstandigheden waaronder de cliënt een hernieuwde aanvraag doet om in aanmerking te komen voor een voorbereidingsperiode. Gewijzigde omstandigheden zijn omstandigheden die tijdens de eerdere aanvraag niet bekend waren of (nog) niet bestonden. Als de situatie echter onveranderd is gebleven, kan de aanvraag zonder verder onderzoek worden afgewezen.

 

Bij de beoordeling onder h zal vaak gebruik worden gemaakt van advisering door een deskundige die de haalbaarheid/levensvatbaarheid van het ondernemersplan bepaalt.

 

Onder i gaat het erom dat altijd een afweging wordt gemaakt tussen zelfstandig ondernemerschap en loondienst. Als een traject gericht op loondienst naar verwachting het snelst en het goedkoopst tot duurzame uitstroom zal leiden komt cliënt niet in aanmerking voor de voorbereidingsperiode.

 

Artikel 5. Voorbereidingsperiode

De in lid 1 genoemde begeleiding kan bestaan uit:

• Een entreetoets. Met deze toets stellen we vast of de cliënt beschikt over de juiste kwalificaties.

• Een individueel trajectplan gericht op zelfstandig ondernemerschap.

• Een of meerdere voortgangsrapportages, waarin vorderingen worden gerapporteerd en wordt aangegeven of het gestelde einddoel nog kan worden behaald.

• Toewerken naar eindproduct: een kwalitatief goed ondernemersplan en een uitkeringsgerechtigde die in staat is ondernemer te worden en goed is toegerust voor de taak waarvoor hij komt te staan.

 

In lid 3 is de maximale hoogte van de bijstand voor begeleidingskosten tijdens de voorbereiding bepaald. Het Bbz 2004 kent hiervoor geen maximumbedrag.

 

Artikel 6. Voorbereidingskrediet

In de voorbereidingsperiode kan bijstand in de vorm van een geldlening worden verstrekt. Dit is het zogenaamde voorbereidingskrediet. Een voorbereidingskrediet wordt alleen verstrekt voor noodzakelijke kosten die samenhangen met de voorbereiding en nodig zijn voor het daadwerkelijk tot stand komen van het bedrijf of beroep. Denk aan marktonderzoek en kleine investeringen. WerkSaam beoordeelt of de voorbereidingskosten noodzakelijk zijn en of het gevraagde krediet kan worden verleend. Het Bbz 2004 kent geen maximumbedrag voor het voorbereidingskrediet. De maximale hoogte hiervan is daarom vastgelegd in deze beleidsregel.

 

Het voorbereidingskrediet is tijdens de voorbereidingsperiode renteloos. Wanneer een cliënt daadwerkelijk start met het bedrijf, wordt de geldlening rentedragend. Dit is in de wet bepaald. Dit geldt niet voor de hoogte van de rente. Daarom is dit in lid 2 bepaald. Omdat het voorbereidingskrediet bij start van het bedrijf door ons wordt opgenomen in het Bbz-krediet, sluiten wij aan bij het in artikel 15 van het Bbz 2004 genoemde rentepercentage. Wij vinden het redelijk om de rente gelijk te stellen met die voor bedrijfskapitaal. Vooral omdat niet alle starters een voorbereidingstraject doorlopen. Hierdoor zijn er starters die geen voorbereidingskrediet aanvragen, maar in plaats daarvan bedrijfskapitaal. Het is niet redelijk om een verschillende rentepercentage te hanteren, omdat de investeringen hetzelfde kunnen zijn.

 

Artikel 7 . Bijstand in de begeleidingskosten na de start

In lid 1 is mogelijk gemaakt dat de ondernemer in het startjaar begeleiding kan worden aangeboden. Onderzoek heeft aangetoond dat starters die gedurende de eerste tijd worden begeleid, meer kans van slagen hebben. Voor deze begeleiding maakt WerkSaam gebruik van begeleidingsorganisaties. De vorm van de begeleiding bestaat onder meer uit:

• Voortgangsgesprekken.

• Ondersteuning bij het maken van plannen en het invullen van formulieren.

• Het concept ondernemersplan beoordelen en voorzien van feedback.

• Workshops, zoals timemanagement en training verkoopgesprekken.

 

Tijdens de begeleiding kan worden geadviseerd over promotie, klantenwerving, voeren van administratie en het verder ontwikkelen van ondernemersvaardigheden.

In lid 2 wordt de maximale hoogte van de bijstand voor de kosten van de begeleiding vastgelegd. Het Bbz 2004 kent geen maximumbedrag voor deze bijstand. De maximale hoogte hiervan is daarom vastgelegd in deze beleidsregel.

 

Artikel 8. Bedrijfskapitaal oudere zelfstandige

In lid 1 is bepaald dat aan een oudere zelfstandige slechts eenmalig bedrijfskapitaal kan worden verstrekt. Omdat artikel 26 van het Bbz 2004 niet regelt hoe vaak een bedrijfskrediet voor een oudere zelfstandige aangevraagd kan worden, is dit in deze beleidsregel opgenomen. Als de kredietbehoefte zich vaker voordoet is er sprake van een hogere kredietbehoefte. Dit verzet zich tegen het uitgangspunt van deze regeling om de oudere zelfstandige door de verstrekking van een (gering) bedrijfskapitaal weer voor langere periode financieel zelfredzaam te laten zijn.

 

In lid 2 is aangegeven dat bedrijfskapitaal slechts wordt verstrekt voor zover de kredietbehoefte niet hoger is dan het in artikel 26 van het Bbz 2004 genoemde bedrag. Het heeft vanuit het oogpunt van bijstandverlening weinig zin om een klein bedrijfskapitaal toe te kennen, als de kredietbehoefte hoger is dan dit maximale bedrag.

 

Artikel 9. Verlaagd urencriterium

Als een zelfstandige vanuit een arbeidsongeschiktheidsuitkering start, dan bestaat recht op startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid (artikel 3.78a Wet Inkomstenbelasting 2001). Deze regeling kent het verlaagde urencriterium van 800 uur.

Het Bbz 2004 verwijst niet naar dit artikel, dus formeel kan deze arbeidsongeschikte zelfstandige voor de toepassing van het Bbz 2004 niet als zelfstandige worden aangemerkt. In dit artikel bepalen wij dat gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen die fiscaal aan het verlaagde urencriterium voldoen, door ons ook als zelfstandigen in de zin van het Bbz 2004 worden aangemerkt.

 

Artikel 10 . Inwerkingtreding

Heeft geen nadere toelichting nodig.

Inhoudsopgave

Er is geen inhoudsopgave aanwezig.


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl