Aanhangsel van de Handelingen

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-20121467

Vragen van het lid El Fassed (GroenLinks) aan de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie over online privacy (ingezonden 17 november 2011).

Antwoord van staatssecretaris Teeven (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 8 februari 2012) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 930.

Vraag 1

Kent u de berichten dat de rechtbank van de Amerikaanse staat Virginia heeft geoordeeld dat de privégegevens van drie twitteraars gebruikt mogen worden in het Wikileaksonderzoek?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Onder welke rechtstitel vorderen politie- en Justitiefunctionarissen thans gegevens van (bijvoorbeeld) aanbieders van social media diensten, zoals Twitter en Facebook? Gebeurt dat met of buiten medeweten van betrokkenen? Welke vormen van rechtsbescherming gelden in dit soort gevallen voor betrokkenen en/of verdachten?

Antwoord 2

Met betrekking tot de rechtstitel voor het vorderen van gegevens van aanbieders van sociale media is een drietal onderscheiden te maken. In de eerste plaats het onderscheid naar het soort gegevens waarop de vordering betrekking heeft (identificerende gegevens, verkeers- en overige gegevens en gegevens omtrent de inhoud van communicatie). In de tweede plaats het onderscheid tussen aanbieders in de zin van artikel 126la van het Wetboek van Strafvordering en andere, niet zijnde 126la-aanbieders. In de derde plaats is relevant of de gegevens waarop de vordering betrekking heeft reeds zijn verwerkt op het moment dat de vordering wordt gedaan, of dat de vordering ziet op gegevens die worden verwerkt ná het moment dat de vordering wordt gedaan (toekomstige gegevens). Deze onderscheiden liggen ten grondslag aan het systeem van bevoegdheden zoals dat is neergelegd in de artikelen 126n tot en met 126ni van het Wetboek van Strafvordering. In titel V van boek 1 van het Wetboek van strafvordering zijn gelijkluidende bepalingen opgenomen ten aanzien van onderzoek naar het beramen of plegen van ernstige misdrijven in georganiseerd verband.

Wat betreft de rechtsbescherming is van belang dat op grond van artikel 126aa van het Wetboek van strafvordering de betrokkene in kennis dient te worden gesteld van de toepassing van de bevoegdheden tot het vorderen van gegevens, zoals hiervoor beschreven. Dit is de notificatieplicht. Belanghebbenden kunnen op grond van artikel 552a van het Wetboek van strafvordering klagen over het vorderen van gegevens en de kennisneming of het gebruik van de gevorderde gegevens. Daarbij kan worden gevorderd dat die gegevens worden vernietigd. Tevens kan de rechtmatigheid van de vordering van gegevens aan de orde worden gesteld bij de behandeling ter zitting van de onderliggende strafzaak.

Vraag 3

In hoeverre besteedt de cyber security strategie aandacht aan de bescherming van de rechtspositie en de privacy van gebruikers?

Antwoord 3

De cyber security strategie is niet specifiek gericht op (gebruikers van) sociale media, maar beschrijft enkele algemene hoofdlijnen voor actie waardoor ook het gebruik van sociale media veiliger en betrouwbaarder wordt. Dit begint bij de eigen verantwoordelijkheid van de aanbieders van sociale media, die zelf passende maatregelen nemen om hun systemen te beveiligen tegen ongeoorloofd gebruik. Verder is de actielijn die gericht is op het intensiveren van de opsporing en vervolging van cybercrime van belang voor gebruikers van sociale media. Voor een gedetailleerde uitwerking hiervan verwijs ik u naar het juridisch kader cyber security, dat ik uw Kamer op 23 december 2011 heb doen toekomen (Kamerstukken II, vergaderjaar 2011–2012, 26 643, nr. 220). De rechtswaarborgen voor gebruikers van sociale media bij het afluisteren van vertrouwelijke communicatie of het vorderen van gegevens door opsporingsinstanties, zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 2, zijn naar mijn mening toereikend en maken geen onderdeel uit van de cyber security strategie.

Vraag 4

Hoe vaak is in respectievelijk. 2009, 2010 en 2011 (tot nu toe) door politie en Justitie de medewerking gevorderd van social media aanbieders, zoals Twitter, Hyves en Facebook, ten behoeve van strafrechtelijk onderzoek? In hoeveel gevallen betrof het verdachten en niet-verdachten? In hoeveel gevallen is uiteindelijk gemeld dat men voorwerp van onderzoek is (geweest)? In hoeverre is in al deze gevallen sprake geweest van rechterlijke controle op het gebruik en de verwerking van gegevens die bij aanbieders van social media diensten zijn opgevraagd?

Antwoord 4

De Unit Landelijke Interceptie (ULI) van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) registreert de gegevensvorderingen bij aanbieders van telecom- en internetdiensten. Uw Kamer is voor het laatst over deze cijfers geïnformeerd in het jaarverslag van het Ministerie van Veiligheid en Justitie d.d. 18 mei 2011 (TK 2010–2011, 32 710 VI, nr. 2. Dit overzicht maakt geen onderscheid naar aanbieder van de dienst. De korpschef van het KLPD en de voorzitter van het College van procureurs-generaal hebben mij laten weten dat het belang van opsporing en vervolging zich verzet tegen het maken van een verdere uitsplitsing zoals door u gevraagd.

De registratie van ULI omvat niet de status van betrokkene (wel of geen verdachte) en ook niet de notificatie. Het Openbaar Ministerie registreert niet hoe vaak de rechtmatigheid van een vordering bij de behandeling van de strafzaak is betwist of een klacht op grond van artikel 552a Sv is ingediend.

Vraag 5

Hoe heeft IJsland haar rechtsregime ten aanzien van de bescherming van de rechtspositie van internetgebruikers geregeld? In hoeverre wijkt het IJslandse rechtsregime af van het Nederlandse en bent u bereid te onderzoeken of het Nederlandse rechtsregime aangepast moet worden om gebruikers beter te beschermen tegen ongeoorloofde privacyaantastingen?

Antwoord 5

In diverse media is in juni vorig jaar aandacht geweest voor de aanpassing van diverse IJslandse wetten waardoor in dat land journalisten, hun bronnen en hun uitgevers een verregaande mate van bescherming zullen genieten tegen zowel civiele procedures als tegen het vorderen van gegevens door opsporingsinstanties in binnen- en buitenland. Ik beschik niet over de nodige kennis over de IJslandse situatie om een goede vergelijking met de Nederlandse wetgeving terzake te maken. Bovendien is het niet aan mij om een inhoudelijk oordeel uit te spreken over de wetgeving van een vreemde staat. Ik meen dat de Nederlandse wetgeving, waaronder begrepen het Wetboek van strafvordering, een evenwichtig stelsel is, waarin de noodzakelijke inbreuken op de persoonlijke levenssfeer met adequate waarborgen zijn omkleed en dat daarop goed toezicht wordt gehouden door de rechter. Ik zie geen noodzaak voor een fundamentele herziening van dit stelsel.


X Noot
1

«Privacy loses in Twitter/Wikileaks Records Battle», www.eff.org 10 november 2011 en «Judge Rules Feds Can Have WikiLeaks Associates» Twitter Data», www.wired.com/threatlevel/2011/11/wikileaks-twitter-ruling, 10 november 2011.