<?xml version="1.0" encoding="us-ascii"?>
<!DOCTYPE vraagdoc PUBLIC "-//SDU//DTD vragen xml 1.1//NL" "../../dtd/vragen-11.dtd"[]>
<vraagdoc kamer="2" publtype="vran">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20092010-200/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer Der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2009-2010</subtitel>
    <subtitel>Aanhangsel van de Handelingen</subtitel>
    <subtitel>Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de</subtitel>
    <subtitel>regering gegeven antwoorden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="1.3" conv="2.9" markup="xa" />
    <ordernr>KVR37842</ordernr>
    <vergjaar>2009-2010</vergjaar>
    <nummer>200</nummer>
  </frontm>
  <body>
    <vragen>
      <vraagnummer>2009Z13992</vraagnummer>
      <omschr>Vragen van het lid <naam>Uitslag</naam> (CDA) aan de ministers van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport en voor Jeugd en Gezin over <ondw>aanpak
van anorexia.</ondw><datum>(Ingezonden 15 juli 2009)</datum></omschr>
      <vraag>
        <nummer>1</nummer>
        <al>Kent u de documentaire &#xAB;Vel over Probleem&#xBB; van documentairemaakster
Jessica Villerius?<sup><nootref nr="1" /></sup></al>
      </vraag>
      <vraag>
        <nummer>2</nummer>
        <al>Bent u ervan op de hoogte dat anorexia op dit moment de meest dodelijke
ziekte in de Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ) is? Onderschrijft u de ernst
van dit ziektebeeld? Ziet u daarom de noodzaak van een integrale aanpak?</al>
      </vraag>
      <vraag>
        <nummer>3</nummer>
        <al>Hoe denkt u over de inzet van school- en wijkverpleegkundigen op scholen,
huisartspraktijken en GG&amp;GD als het gaat om preventie en vroegsignalering?</al>
      </vraag>
      <vraag>
        <nummer>4</nummer>
        <al>Ziet u naar aanleiding van deze uitzending reden de huisartsen te wijzen
op hun verantwoordelijkheid? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?</al>
      </vraag>
      <vraag>
        <nummer>5</nummer>
        <al>Hoe denkt u de vroegtijdige opsporing en behandeling te stimuleren? Ziet
u de noodzaak van nieuwe wetenschappelijke kennis omtrent behandeling van
mensen met anorexia? Zo ja, hoe bevordert u die?</al>
      </vraag>
      <vraag>
        <nummer>6</nummer>
        <al>Hoe bevordert u het structureel delen van informatie over wachtlijsten
en open plekken in klinieken en ziekenhuizen?</al>
      </vraag>
      <vraag>
        <nummer>7</nummer>
        <al>Hoe zet u aan tot het delen van best practices met betrekking tot eetstoornissen
en anorexia in het bijzonder, tussen klinieken en deskundigen onderling?</al>
      </vraag>
      <vraag>
        <nummer>8</nummer>
        <al>Is de huidige DBC-labeling, &#xAB;DBC overige&#xBB; voldoende om ervoor
te zorgen dat de hulpverlening voldoende alert is op dit ziektebeeld en er
sprake is van een effectieve behandeling?</al>
      </vraag>
      <vraag>
        <nummer>9</nummer>
        <al>Bent u ervan op de hoogte dat uit onderzoek blijkt dat adequate nazorg
belangrijk is om terugval te voorkomen, en dit in het huidige zorgaanbod onvoldoende
aan bod komt? Heeft dit met de financiering via de &#xAB;DBC overige&#xBB;
te maken? Wat gaat u doen om de ketenzorg (in tegenstelling tot versnipperde
zorg) te stimuleren?</al>
      </vraag>
      <noot nr="1">
        <al>&#x2002;KRO-uitzending d.d. 15 juli 2009.</al>
      </noot>
    </vragen>
    <reactie>
      <titel>Antwoord</titel>
      <omschr>Antwoord van minister <naam>Klink</naam> (Volksgezondheid, Welzijn
en Sport) <datum>(ontvangen 2 oktober 2009)</datum> Zie ook Aanhangsel Handelingen,
vergaderjaar 2008&#x2013;2009, nr. 3498</omschr>
      <antwoord>
        <nummer>1</nummer>
        <al>Ja.</al>
      </antwoord>
      <antwoord>
        <nummer>2</nummer>
        <al>Ja, hiervan ben ik op de hoogte en ik onderschrijf de ernst van dit ziektebeeld.
Op grond van (internationaal) onderzoek wordt geschat dat er in Nederland
jaarlijks ongeveer 15 tot 30 pati&#xEB;nten aan de ziekte anorexia sterven.
Zij sterven door de lichamelijke gevolgen van de ziekte of plegen zelfmoord.</al>
        <al>In Nederland kunnen pati&#xEB;nten met een eetstoornis terecht bij alle
vormen van psychiatrische hulpverlening en zijn er specialistische behandelcentra,
die zijn verenigd in de Nederlandse Academie voor Eetstoornissen. Bij de behandeling
van pati&#xEB;nten met een eetstoornis is een integrale aanpak van belang.
Daarom verscheen in 2006 de Multidisciplinaire richtlijn eetstoornissen met
aanbevelingen voor diagnostiek en behandeling van eetstoornissen. De multidisciplinaire
richtlijn wordt breed gedragen en in de specialistische behandelcentra actief
toegepast. </al>
      </antwoord>
      <antwoord>
        <nummer>3, 4 en 5</nummer>
        <al>Wanneer het om eetstoornissen in het algemeen en Anorexia nervosa in het
bijzonder gaat, dan gaat het om een ziekte die relatief niet vaak voor komt.
Als gevolg daarvan zullen slechts weinig hulpverleners er mee te maken krijgen.
Documentaires zoals &#xAB;Vel over Probleem&#xBB; dragen bij aan meer bekendheid
over het verwoestende karakter van een eetstoornis, in het bijzonder een ziekte
als Anorexia nervosa en stimuleren vroegtijdige signalering onder ouders en
ook onder hulpverleners.</al>
        <al>In de zorgketen van een aandoening als anorexia nervosa of eetstoornissen
in het algemeen zijn meerdere partijen betrokken bij de vroegsignalering,
preventie en behandeling ervan. Vroegsignalering en preventie zijn onderdelen
die vooraan in een zorgketen geregeld moeten worden.</al>
        <al>Belangrijke partijen hierbij zijn: ouders, school, de JGZ en de huisarts.
Hiervoor is onder andere de signaleringskaart voor huisartsen ontwikkeld en
is in 2006 de multidisciplinaire richtlijn diagnostiek en behandeling van
eetstoornissen ontwikkeld. Ook heb ik naar aanleiding van het Algemeen Overleg
in de Kamer over eetstoornissen op 21 april jl toegezegd de interventie &#xAB;Proud2beme&#xBB;
te gaan onderzoeken op bereik en effect. Naar aanleiding van de kamervragen
over kinderen die te mager zijn door vetarm te eten (d.d. 17 maart jongstleden)
heb ik het Voedingscentrum opdracht gegeven om op haar website na te gaan
of het voedingsadvies voor jonge kinderen duidelijk genoeg is hieromtrent
en heb ik het Centrum Jeugdgezondheidszorg opdracht gegeven om het signaal,
dat ouders zelf (onbewust) het onjuiste voorbeeld geven, onder de aandacht
te brengen bij de Consultatiebureaus. Gelet op al deze initiatieven zie ik
vooralsnog geen aanleiding om huisartsen extra op hun verantwoordelijkheid
in deze te wijzen. Tot slot gaat in het najaar van 2009 een expertcommissie
van de Gezondheidsraad zich buigen over de vraag of de toegenomen aandacht
voor overgewicht een risicofactor is voor de ontwikkeling van eetstoornissen.
Medio 2010 zal de Gezondheidsraad met haar advies naar buiten komen hierover.</al>
      </antwoord>
      <antwoord>
        <nummer>6</nummer>
        <al>Het kabinet is samen met betrokken partijen een werkgroep gestart die
een verbeteringsslag beoogt in de transparantie van de wachttijden in de gehele
GGZ. Dit najaar zal het voor iedereen mogelijk worden om op de website www.kiesbeter.nl
maandelijks geactualiseerde wachttijden van ggz-instellingen in de regio te
vergelijken. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de verschillende circuits
(niet tussen stoornissen). De wachttijden voor de jeugd-ggz zijn dan te volgen.
De wachtlijsten blijken overigens bij de gespecialiseerde eetstoornis-klinieken
niet hoger te liggen dan bij de overige klinieken. Het centrum voor eetstoornissen
Accare, die vestigingen heeft in Almere en in Smilde, liet naar aanleiding
van de KRO-documentaire &#xAB;vel over probleem&#xBB; zelfs weten geen wachtlijsten
te hebben.</al>
      </antwoord>
      <antwoord>
        <nummer>7</nummer>
        <al>Het veld is zelf verantwoordelijk voor het uitwisselen van zorginhoudelijke
kennis over de beste behandelwijzen. Dit gebeurt gelukkig ook op grote schaal.
De gespecialiseerde instellingen, die verenigd zijn in de Nederlands Academie
voor eetstoornissen, en de topklinische centra zorgen hier onder andere voor.</al>
        <al>Daar waar er behoefte is aan onderlinge vergelijking van instellingen,
om tot een passende keuze van behandeling te komen, kan gebruik gemaakt worden
van de bestaande prestatie-indicatorenset. Alle instellingen voor tweedelijns
ggz- en verslavingszorg zijn namelijk sinds 2006 verplicht om binnen het sectorspecifieke
deel van het Jaardocument Maatschappelijke Verantwoording informatie aan te
leveren. Dit geldt ook voor de instellingen die zich richten op pati&#xEB;nten
met een eetstoornis. Met deze indicatoren geven zij inzicht in effectiviteit,
veiligheid en cli&#xEB;ntgerichtheid van de door hen geleverde zorg en zijn
daarmee potentieel aangrijpingspunt voor benchmarks van instellingen.</al>
      </antwoord>
      <antwoord>
        <nummer>8</nummer>
        <al>Bij overgang naar de DBC GGZ systematiek is het leveren van bepaalde diagnose-informatie
aan het DBC Informatiesysteem (DIS) verplicht gesteld. Om het betalen van
geleverde zorg zo eenvoudig mogelijk te houden zijn DBC&#x2019;s daarbij geclusterd
naar zogenaamde productgroepen.</al>
        <al>Een eetstoornis valt weliswaar onder de productgroep &#xAB;overige stoornissen&#xBB;,
maar is binnen DIS wel degelijk afzonderlijk herkenbaar. Daarmee mag verwacht
worden dat er voldoende helderheid is over welke zorgprestatie er geleverd
wordt en hoeveel dit heeft gekost.</al>
        <al>Of dit ook betekent dat er op een effectieve manier zorg is geleverd heeft
niet met de DBC-systematiek te maken maar met de wijze waarop professionals
signaleren, diagnosticeren, pati&#xEB;nten voorlichten, behandelen en effectieve
behandelmethoden toepassen.</al>
      </antwoord>
      <antwoord>
        <nummer>9</nummer>
        <al>Het is bekend dat bij eetstoornissen de kans groot is dat na de behandeling
er opnieuw een periode komt dat het minder goed gaat. Zo&#x2019;n 40%
van alle pati&#xEB;nten met een eetstoornis geneest ook maar gedeeltelijk
van de ziekte en zal dus regelmatig terugvallen. Er worden bijvoorbeeld nazorgzelfhulpgroepen
aangeboden vanuit de Stichting ZieZo (die nu ook is toegelaten als zorginstelling),
Stichting Anorexia en Boulimia nervosa en Stichting Human Concern verzorgd.
De specialistische behandelcentra bieden ook terugvalpreventie aan om pati&#xEB;nten
bewust te maken van hun kwetsbaarheden en risicosituaties. Vooralsnog zijn
er geen signalen die aangeven dat de nazorg onvoldoende is.</al>
        <al>De nazorg maakt deel uit van een ketenzorgaanpak. De multidisciplinaire
richtlijn eetstoornissen is hiervoor richtinggevend. Mij zijn geen signalen
bekend dat deze richtlijn niet of onvoldoende wordt ingezet. Ik zie dan ook
geen aanleiding om de ketenzorg voor mensen met een eetstoornis extra te stimuleren.</al>
      </antwoord>
    </reactie>
  </body>
</vraagdoc>