﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE vraagdoc PUBLIC "-//SDU//DTD vragen xml 1.1//NL" "../../dtd/vragen-11.dtd"[]>
<vraagdoc kamer="2" publtype="vran">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20082009-845/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer Der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2008-2009</subtitel>
    <subtitel>Aanhangsel van de Handelingen</subtitel>
    <subtitel>Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de</subtitel>
    <subtitel>regering gegeven antwoorden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="1.3" conv="2.9" markup="xa"></versie>
    <ordernr>KVR34242</ordernr>
    <vergjaar>2008-2009</vergjaar>
    <nummer>845</nummer>
  </frontm>
  <body>
    <vragen>
      <vraagnummer>2080902850</vraagnummer>
      <omschr>Vragen van de leden <naam>Dibi</naam> en <naam>Azough</naam> (beiden
GroenLinks) aan de minister voor Wonen, Wijken en Integratie en de staatssecretaris
van Justitie over <ondw>het rapport van de Europese Commissie waarin het Nederlandse
beleid omtrent gezinshereniging kritisch wordt beoordeeld.</ondw><datum>(Ingezonden 16 oktober 2008)</datum></omschr>
      <vraag>
        <nummer>1</nummer>
        <al>Bent u bekend met het rapport van de Europese Commissie «Report
from the Commission to the European Parliament and the Council on the Application
of Directive 2003/86/EC on the Right to Family Reunification» waarin
het Nederlandse beleid omtrent gezinshereniging is geëvalueerd?</al>
      </vraag>
      <vraag>
        <nummer>2</nummer>
        <al>Hoe beoordeelt u de Europese richtlijn met betrekking tot het recht op
gezinshereniging?</al>
      </vraag>
      <vraag>
        <nummer>3</nummer>
        <al>Wat is uw oordeel over de conclusie dat het Nederlandse beleid omtrent
gezinshereniging in strijd is met het recht op gezinshereniging?</al>
      </vraag>
      <vraag>
        <nummer>4</nummer>
        <al>Wat gaat u doen om het recht op gezinshereniging beter te borgen in het
Nederlandse beleid?</al>
      </vraag>
      <vraag>
        <nummer>5</nummer>
        <al>Deelt u de mening dat het voor jongeren wel erg lastig wordt om aan de
voorwaarden voor gezinshereniging te voldoen gezien de hoge inkomenseis van
120 procent en de vereiste een arbeidscontract te hebben van tenminste een
jaar of een arbeidsverleden van tenminste drie jaar? Vindt u ook dat er in
deze sprake is van leeftijdsdiscriminatie? Zo neen, waarom niet? Zo ja, bent
u van plan deze eisen te versoepelen? Zo neen, waarom niet?</al>
      </vraag>
      <vraag>
        <nummer>6</nummer>
        <al>Hoe beoordeelt u de conclusie dat de hoge kosten van de inburgeringstoets
in het buitenland de toegankelijkheid in de weg staan? Bent u van plan de
kosten te verlagen? Zo neen, waarom niet?</al>
      </vraag>
      <vraag>
        <nummer>7</nummer>
        <al>Bestaat er momenteel voor iedere inburgeraar een toegankelijke beroepsmogelijkheid
na het maken van een inburgeringstoets in het buitenland? Zo neen, waarom
niet? Zo ja, bent u van plan dat te regelen? Zo neen, waarom niet?</al>
      </vraag>
    </vragen>
    <reactie>
      <titel>Antwoord</titel>
      <omschr>Antwoord van staatssecretaris <naam>Albayrak</naam> (Justitie), mede
namens de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie. <datum>(Ontvangen 4 december
2008)</datum></omschr>
      <antwoord>
        <nummer>1</nummer>
        <al>Ja, ik ben bekend met dit verslag. Het verslag, dat inmiddels ook in de
Nederlandse vertaling is verschenen,<sup><nootref nr="1"></nootref></sup> betreft de toepassing
van de richtlijn gezinshereniging in 24 lidstaten (in Ierland, Denemarken
en het Verenigd Koninkrijk vindt de richtlijn geen toepassing).</al>
      </antwoord>
      <antwoord>
        <nummer>2</nummer>
        <al>Zoals de Commissie terecht opmerkt in de inleidende paragraaf over de
historische en politieke context van de richtlijn, heeft de goedgekeurde tekst
van de richtlijn substantiële wijzigingen ondergaan vergeleken met het
oorspronkelijke voorstel van de Commissie. Sommige inhoudelijke wijzigingen
sloten nauwer aan bij het beleid in de lidstaten en in veel gevallen is gekozen
voor facultatieve bepalingen. Daardoor is de richtlijn uit 2003 volgens de
Commissie dan ook te beschouwen als een eerste aanzet tot volledige harmonisatie.
Niettemin is het een belangrijk document, dat het recht op gezinshereniging,
onder bepaalde voorwaarden, binnen de hele Europese Unie<sup><nootref nr="2"></nootref></sup> garandeert.</al>
      </antwoord>
      <antwoord>
        <nummer>3</nummer>
        <al>De Europese Commissie trekt niet de conclusie dat het Nederlandse gezinsherenigingsbeleid
in strijd is met het recht op gezinshereniging. De omvang en opzet van het
verslag bieden ook niet de mogelijkheid om het beleid van één
lidstaat aan een nauwkeurige en juridisch houdbare toets te onderwerpen. De
Europese Commissie heeft aangegeven dat de kritische toon van het verslag
vooral moet worden gezien als kritiek op de richtlijn zelf en op het functioneren
van de EU; de EU is niet in staat gebleken om een eenduidig beleidskader voor
de toelating van gezinsmigranten te maken.</al>
        <al>Overigens onderken ik dat de Europese Commissie het Nederlandse beleid
inzake gezinshereniging van kritische kanttekeningen voorziet. Ik ben echter
van mening dat ons beleid in overeenstemming is met de Europese regelgeving.</al>
      </antwoord>
      <antwoord>
        <nummer>4</nummer>
        <al>Zoals blijkt uit mijn antwoord op vraag 3, ben ik van mening dat het recht
op gezinshereniging voldoende gewaarborgd is in het Nederlandse beleid en
dat de richtlijn naar behoren is geïmplementeerd.</al>
      </antwoord>
      <antwoord>
        <nummer>5</nummer>
        <al>Op grond van de richtlijn kan een inkomenseis gesteld worden bij gezinsmigratie:
de lidstaat mag van de hoofdpersoon bewijs vragen dat hij beschikt over «stabiele
en regelmatige inkomsten die volstaan om hemzelf en zijn gezinsleden te onderhouden,
zonder een beroep te doen op het stelsel voor sociale bijstand van de betrokken
lidstaat.» De lidstaten mogen hierbij volgens artikel 7, lid 1, onder
c. van de richtlijn rekening houden met de aard en de regelmaat van de inkomsten,
met de nationale minimumlonen en pensioenen, evenals met het aantal gezinsleden.
Uit het verslag van de Europese Commissie kan worden afgeleid dat alle lidstaten,
behalve Zweden, deze bepaling toepassen en een inkomensvereiste stellen.</al>
        <al>In Nederland is deze bepaling als volgt geïmplementeerd: een aanvraag
kan worden afgewezen indien de vreemdeling (al of niet tezamen met de persoon
bij wie hij wil verblijven) niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende
middelen van bestaan. De vereiste hoogte van het inkomen is in Nederland gerelateerd
aan het bijstandsniveau. Bij gezinshereniging geldt dat een inkomen ter hoogte
van het bijstandsniveau voor gehuwden moet worden verworven. Bij gezinsvorming
ligt de norm hoger, om te voorkomen dat succesvol beroep kan worden gedaan
op aanvullende vormen van bijstand.</al>
        <al>De duurzaamheid van het inkomen kan worden aangetoond door overlegging
van een arbeidsovereenkomst voor een jaar of langer. Deze termijn strookt
met het toepassingsbereik van de richtlijn dat zich, blijkens artikel 3, lid
1, uitstrekt tot een gezinshereniger (in Nederland vaak hoofdpersoon genoemd)
die in het bezit is van een door een lidstaat afgegeven verblijfstitel met
een geldigheidsduur van één jaar of langer en reden heeft om
te verwachten dat hem een permanent verblijfsrecht zal worden toegekend.</al>
        <al>Omdat het voor een hoofdpersoon met kortlopende opeenvolgende arbeidscontracten
(bijvoorbeeld via uitzendwerk) soms langdurig onmogelijk blijkt om een arbeidsovereenkomst
voor tenminste een jaar te overleggen en dus om gezinshereniging te realiseren,
is de bijkomende mogelijkheid gecreëerd om met verwijzing naar het verleden
toch aannemelijk te maken dat ook in de toekomst voldoende inkomen zal worden
verworven om in zijn levensonderhoud en dat van zijn gezinsleden te voorzien.
Deze bepaling vormt dus geen beperking, maar juist een uitbreiding van de
mogelijkheden om aan de eis van duurzaamheid van het inkomen te voldoen.</al>
        <al>Tenslotte vraagt u of er naar mijn mening sprake is van leeftijdsdiscriminatie
en of ik van plan ben de eisen te versoepelen. Ik beantwoord beide vragen
ontkennend. Met uw vraag doelt u waarschijnlijk op het gegeven dat de inkomenseis
bij gezinsvorming ongeacht de leeftijd van betrokkenen is vastgesteld op 120%
van het wettelijk minimumloon, waarbij geen aparte bepalingen zijn opgenomen
voor jongeren onder 23 jaar voor wie een speciaal minimum jeugdloon bestaat.
Het doel van het stellen van het inkomensvereiste is immers het voorkomen
van een beroep op de openbare kas. Daarbij wordt in de wet geen onderscheid
gemaakt naar leeftijd. Ook 21- en 22 jarigen kunnen succesvol een aanvraag
doen voor gezinsvorming, mits zij voldoen aan de voorwaarden. Zoals destijds
bij de introductie van de hogere inkomensnorm voor gezinsvorming in de nota
van toelichting werd opgemerkt,<sup><nootref nr="3"></nootref></sup> zou aansluiting bij de lagere
minimum jeugdlonen het effect van de regeling teniet doen en de mogelijkheden
van een beroep op inkomensafhankelijke regelingen vergroten. Immers, de bedragen
van de minimum jeugdlonen voor 21- en 22-jarigen betreffen respectievelijk
72,5 en 85 procent van het minimumloon. Deze bedragen zijn lager dan de voorheen
geldende norm van 100% van het bijstandsniveau dat voor gezinshereniging
wordt gehanteerd.</al>
      </antwoord>
      <antwoord>
        <nummer>6</nummer>
        <al>De Europese Commissie schrijft in haar verslag dat de leges voor gezinshereniging
in Nederland € 1368 bedragen, waarvan € 350 voor het afleggen
van het basisexamen inburgering in het buitenland. In haar verslag doet de
Commissie geen uitspraak over hoe deze kosten zich verhouden tot de toegang
van gezinsherenigers tot Nederland. Wel merkt de Commissie in haar verslag
op dat de kwestie van administratieve procedurekosten niet wordt geregeld
in de richtlijn. Zij merkt in het algemeen op dat lidstaten geen rechten mogen
heffen die de werking van de richtlijn bij de uitoefening van het recht op
gezinshereniging uithollen. Daarvan is in de Nederlandse situatie geen sprake.</al>
        <al>Bij de ontwikkeling van de Wet inburgering in het buitenland is de hoogte
van de examenkosten zorgvuldig bezien. Het uitgangspunt is dat het examengeld
binnen de grenzen van de redelijkheid door de kandidaat – zonodig met
ondersteuning door de partner of het familielid in Nederland – moet
kunnen worden gedragen. In het incidentele geval waarin de voor het basisexamen
inburgering verschuldigde kosten een zodanig beletsel zouden vormen voor gezinshereniging-
of vorming dat sprake is van strijd met artikel 8 EVRM, kan ontheffing worden
verleend. Hiermee is aangesloten bij de vergelijkbare ontheffing van de legesverplichting
in de reguliere toelatingsprocedure.</al>
        <al>Zoals destijds bij de introductie van de Wet inburgering in het buitenland
in de nota van toelichting werd opgemerkt,<sup><nootref nr="4"></nootref></sup> zullen de kosten
van het basisexamen inburgering in het buitenland worden onderzocht in het
kader van de evaluatie van de Wet inburgering in het buitenland. De uitkomsten
van deze evaluatie zullen naar verwachting in het voorjaar van 2009 naar de
Tweede Kamer worden verzonden. </al>
      </antwoord>
      <antwoord>
        <nummer>7</nummer>
        <al>Ingevolge artikel 8:4, onder e, van de Algemene wet bestuursrecht staat
geen bezwaar en beroep open tegen de uitslag van het basisexamen inburgering
in het buitenland. Dit artikel bepaalt dat tegen een besluit, inhoudende een
beoordeling van het kennen en kunnen van een kandidaat of leerling die is
geëxamineerd of op enigerlei wijze is getoetst geen bezwaar en beroep
openstaat. De beoordeling van een beroep op een vrijstellingsgrond of van
bijzondere omstandigheden die door de potentiële nieuwkomer worden aangevoerd,
behelst geen beoordeling van het kennen en kunnen van een kandidaat en wordt
door de Immigratie- en Naturalisatiedienst bij de voorbereiding van het besluit
op de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf betrokken. Tegen dat
besluit kan bezwaar worden gemaakt en beroep worden ingesteld. Voorts kunnen
kandidaten een klacht indienen over de omstandigheden waaronder het basisexamen
inburgering in het buitenland is afgelegd.</al>
      </antwoord>
      <noot nr="1">
        <al> COM(2008)610def.</al>
      </noot>
      <noot nr="2">
        <al> Met uitzondering van Ierland, Denemarken en het Verenigd Koninkrijk.</al>
      </noot>
      <noot nr="3">
        <al> Staatsblad 2004, 496, p. 1–25.</al>
      </noot>
      <noot nr="4">
        <al> Staatsblad 2006, 94, p. 23–24. </al>
      </noot>
    </reactie>
  </body>
</vraagdoc>