Kamervragen (Aanhangsel)

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2006-20071333

Aanhangsel van de Handelingen

Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden

1333

Vragen van de leden Wilders en Fritsma (beiden PVV) aan de staatsecretaris van Justitie en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het bericht dat de komende jaren naar schatting 170.000 Nederlanders (vooral studenten en jonge gezinnen) per jaar zullen gaan emigreren naar landen als Canada, Zweden, Australië en Uruguay. (Ingezonden 13 maart 2007)

1

Kent u het bericht dat de komende jaren maar liefst 170.000 Nederlanders zullen gaan emigreren?1 Kunt u het verloop van de emigratie sinds 1990 aangeven en vergelijken met de verwachte emigratie de komende jaren?

2

Deel u de mening dat het van belang is een goed beeld te krijgen van de redenen van vertrek van deze Nederlanders? Bent u bereid daartoe een breed onderzoek (exitonderzoek) te laten doen? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer dit exitonderzoek van u verwachten? Zo neen, waarom niet?

3

Deelt u de zorg dat nu ongeveer 170.000, merendeels goed opgeleide, Nederlanders met kinderen gaan emigreren, er tegelijkertijd tienduizenden mensen per jaar (uit achterstandsgebieden) uit landen als Turkije en Marokko via bijvoorbeeld gezinsvorming en gezinshereniging naar Nederland komen? Deelt u de mening dat deze ontwikkeling desastreus is voor onder meer de (kennis)economie en het betaalbaar houden van sociale voorzieningen, mede gelet op het feit dat de immigranten vaak kansarm of slecht opgeleid zijn en bovengemiddeld vaak afhankelijk van uitkeringen zijn?

4

Is het, gelet op de toenemende emigratie van Nederlanders, niet van groot belang te bezien op welke wijze deze mensen voor Nederland behouden zouden kunnen blijven? Is het vanwege de scheefgroei in de bevolkingssamenstelling ook niet van groot belang om een immgratiestop voor niet-westerse allochtonen in te voeren en de vrijwillige remigratie van allochtonen uit landen als Marokko en Turkije verder te stimuleren? Zo neen, waarom niet?

Antwoord

Antwoord van staatssecretaris Albayrak (Justitie), mede namens de ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Economische Zaken en voor Wonen, Wijken en Integratie. (Ontvangen 23 april 2007), zie ook Aanhangsel Handelingen nr. 1197, vergaderjaar 2006–2007

1

Ja, het bericht is mij bekend. Cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) geven aan dat vanaf 1990 tot 1996 de cijfers met betrekking tot emigratie gestaag zijn gestegen van 69 duizend in 1990 tot 92 duizend in 1996. Daarna zijn de cijfers min of meer gestabiliseerd rond de 80 duizend tussen 1997 en 2001. Daarna is weer een stijgende lijn ingezet: 97 duizend in 2002; 105 duizend in 2003; 110 duizend in 2004, 120 duizend in 2005 en 133 duizend in 2006.

Volgens de meest recente bevolkingsprognose van het CBS, die eind 2006 is opgesteld, zullen er in 2007 naar verwachting 130 duizend personen emigreren, iets minder dan in 2006. Het aantal emigranten neemt vervolgens geleidelijk af tot 125 duizend in 2010, 114 duizend in 2020 en zal in 2050 naar verwachting uitkomen op 93 duizend.

Het genoemde aantal van 170 duizend emigranten is hiermee echter nog niet verklaard. De hiervoor genoemde cijfers geven de meest waarschijnlijk geachte ontwikkelingen weer. Naast deze prognose publiceert het CBS ook onder- en bovengrenzen van zogenoemde prognose-intervallen. Met betrekking tot prognoseintervallen van de emigratie wordt aangenomen dat de kans dat de toekomstige emigratie tussen deze grenzen zal liggen 67% dan wel 95% is. Zo is er volgens de meest recente CBS-prognose een kans van 95% dat de emigratie in 2007 tussen de 98 duizend (ondergrens van het interval) en 185 duizend (bovengrens van het interval) zal liggen. De kans wordt zeer klein geacht dat het werkelijke aantal emigranten in de buurt van deze grenzen zal liggen. Het aantal van 170 duizend emigranten is waarschijnlijk gebaseerd op de bovengrens van het 95%-prognose-interval voor 2006.

2

Ten aanzien van de redenen van vertrek van emigranten verwijs ik u naar een onderzoek dat in 2005 is uitgevoerd door het NIDI (Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut) naar de redenen van emigratie van personen die de intentie hadden Nederland te verlaten. Kort gezegd kwam hieruit naar voren dat het Nederlanders die van plan zijn om te emigreren niet zozeer gaat om hun eigen leefsituatie – deze wordt juist redelijk positief beoordeeld – maar om de kwaliteit van de samenleving; de «publieke ruimte» (ruimte, stilte, natuur en de overkoepelende factor die dergelijke elementen onder druk zet: de bevolkingsdichtheid)1.

Ik zie op dit moment geen aanleiding om een ander onderzoek te laten uitvoeren.

3

Nee, deze zorg deel ik niet. Vooraleerst wijs ik u op het feit dat de cijfers genoemd in het antwoord op vraag 1 niet uitsluitend betrekking hebben op Nederlanders. Onder de 120 duizend emigranten in 2005 bevonden zich «slechts» 39 duizend autochtone Nederlanders. Daarnaast werd de groep opgebouwd uit 44 duizend niet-westerse allochtonen (vooral Afrikanen en Aziaten) en 37 duizend westerse allochtonen (vooral EU onderdanen). Van de emigranten met een niet-westerse herkomst behoorde bijna 10 duizend tot de tweede generatie (zij zijn dus in Nederland geboren).

Een analyse van de over migratie beschikbare CBS-cijfers levert het volgende beeld over de samenstelling van de groepen emigranten en immigranten. Van de emigranten is meer dan de helft (52,1%) tussen 20 en 40 jaar oud. Het aandeel van deze groep onder emigranten is bijna twee keer zo groot als hun aandeel in de bevolking. Schoolgaande kinderen (10-20 jaar) en ouderen (50+) zijn juist ondervertegenwoordigd. Het CBS beschikt niet over cijfers met betrekking tot het opleidingsniveau van migranten. De OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) heeft hierover wel informatie2. Hieruit blijkt dat van alle in Nederland geborenen die in 2005 in het buitenland verbleven, dit zijn er volgens de OESO ca. 600.000, 34% hoogopgeleid is. Vervolgens blijkt uit deze cijfers dat van de bijna 1,2 miljoen mensen die in Nederland verblijven maar in het buitenland zijn geboren, bijna 18% hoogopgeleid is. In beide gevallen betreft het ongeveer 200.000 hoger opgeleiden. Dit betekent dat de basis voor onze kenniseconomie per saldo gelijk is gebleven; haar samenstelling is hooguit veranderd. Dat is naar mijn mening juist een voordeel voor de nationale kenniseconomie in een globaliserende economische omgeving.

Tenslotte merk ik nog op dat ook de sociale voorzieningen niet in gevaar komen, nu er in het geval van gezinsvorming en gezinshereniging duidelijke inkomenseisen worden gesteld. Deze personen kunnen dus in hun eigen levensonderhoud voorzien. Immigranten dragen, op gelijke wijze als Nederlanders, bij aan de economische ontwikkeling van Nederland, het belastingstelsel en daarmee aan het sociale zekerheidssysteem.

4

In een democratische rechtsstaat is het niet aan de overheid om onderdanen te beperking in hun bewegingsvrijheid. Ik zal dan ook geen initiatieven ontwikkelen om emigratie van Nederlanders tegen te gaan. Hetzelfde geldt voor de voorgestelde immigratiestop. Nederland voert een terughoudend immigratiebeleid, gebaseerd op het Nederlands belang en internationale verplichtingen. Hierin is geen plaats voor een immigratiestop. Uit het antwoord op vraag 3 bleek overigens dat van een «scheefgroei» in de bevolkingssamenstelling geen sprake is; deze blijft wat betreft opleidingsniveau op zijn minst gelijk van samenstelling. Zij is hooguit meer voorzien van multiculturele aspecten, elementen, vaardigheden en inzichten. Zoals ik hiervoor reeds uiteen heb gezet, beschouw ik dit eerder als een voordeel dan als een nadeel in een globaliserende wereldeconomie.

Met betrekking tot remigratie merk ik op dat de Remigratiewet onder andere de mogelijkheid biedt tot vertrek naar Marokko en Turkije. Het besluit daartoe gebeurt op vrijwillige individuele basis. Hiertoe wordt onafhankelijke voorlichting geboden over het gebruik van de wet en de gevolgen van remigratie in de persoonlijke levenssfeer. Deze voorlichting is niet wervend van karakter. De wet beantwoordt aan de doelstelling en voorziet in de behoefte. Er is geen aanleiding tot aanpassing van de uitgangspunten en principes van de wet. Een wervende voorlichting met betrekking tot remigratie staat op gespannen voet met het inburgeringsen integratiebeleid.


XNoot
1

 NOS Journaal, 10 maart 18.00 uur, Buitenland lonkt steeds meer naar emigrerende Nederlanders.

XNoot
1

 Zie een artikel in Demos (Bulletin over Bevolking en Samenleving, uitgegeven door het NIDI) naar aanleiding van dit onderzoek: S. ter Bekke, H. van Dalen en K. Henkens, Emigratie van Nederlanders, Demos jaargang 21, april 2005, p. 25-28.

XNoot
2

 Zie publicatie van OESO DELSA/ELSA/WD/SEM(2005)4, Counting Immigrants and Ex-Patriates in OECD Countries: A New Perspective.