Kamervragen (Aanhangsel)

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2004-20051302

Aanhangsel van de Handelingen

Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden

1302

Vragen van het lid Herben (LPF) aan de minister en de staatssecretaris van Defensie over de tegenvallende verkoopopbrengst van de Nederlandse Orion-vliegtuigen. (Ingezonden 23 februari 2005)

1

Wilt u gedetailleerd reageren op de zogenaamde «kassabon» die is getoond in het tv-programma TweeVandaag1, aan welk programma u heeft meegewerkt en waar in gesteld is dat Nederland in totaal 205 miljoen euro te weinig heeft ontvangen voor de verkoop van de Orion-vliegtuigen? Kunt u in uw specificatie ook aangeven welke bedragen gemoeid zijn met het langer openhouden van het Marine Vliegkamp Valkenburg en met de inzet van Nederlands marinepersoneel voor de omscholing van hun Duitse collega's?

2

Bent u bereid te onderzoeken welke kosten zijn gemoeid met het in dienst houden van de Fokker 60's voor Koninkrijkstaken? Waarom wilt u de omgebouwde multi-purpose toestellen na twee jaar weer afstoten, terwijl de krijgsmacht ook belangrijke transporttaken in de West heeft?

3

Heeft u tijdens de begrotingsbehandeling aangegeven dat de Orions voor Pakistan en India van oudere makelij waren en derhalve extra opknapkosten vergden? Zo ja, waarom hebt u dan de Nederlandse Orions verkocht voor de boekwaarde (na afschrijving) en niet voor de geldende marktwaarde, die veel hoger is omdat het toestel niet langer in serieproductie is?

4

Mochten de Orions van het ministerie van Buitenlandse Zaken worden verkocht aan India of Pakistan? Zo neen, waarom mogen de Amerikanen het dan wel? Het verwijderen van eventuele geheime apparatuur is toch veel goedkoper dan het opknappen van oude vliegtuigen?

Antwoord

Antwoord van staatssecretaris Van der Knaap (Defensie), mede namens de minister van Defensie. (Ontvangen 1 april 2005), zie ook Aanhangsel Handelingen nr. 1177, vergaderjaar 2004–2005

1, 3 en 4

De Verenigde Staten zijn verantwoordelijk voor hun eigen uitvoerbeleid. Wat betreft het midden 2003 geldende Nederlandse wapenexportbeleid naar India en Pakistan is de Kamer op 7 juli 2003 (Kamerstuk 22 054, nr. 72) per brief geïnformeerd door de minister van Buitenlandse Zaken mede namens de staatssecretaris van Economische Zaken. In deze brief werd gemeld dat voor deze twee landen met betrekking tot nieuwe leveranties voorlopig een terughoudend beleid zou worden gehandhaafd. De Orions zijn daarom destijds niet aan India en Pakistan aangeboden.

De regering heeft op 31 oktober 2003 met bondgenoot Duitsland een «Letter of Intent» ondertekend over de verkoop van alle tien operationeel inzetbare Nederlandse Orions. Een ontwikkeling die daarop volgde, was dat Duitsland en Portugal samen dertien Orions van Nederland wilden kopen, dus inclusief de drie Orions die sinds de Defensienota-2000 in afwachting van een koper in Portugal waren gestald en die niet zouden worden gemoderniseerd. Duitsland was bereid in dat geval met acht in plaats van met tien toestellen genoegen te nemen, zodat Portugal vijf Nederlandse Orions kon verwerven. Met deze twee landen is vervolgens langdurig en intensief over de verkoop onderhandeld. Uiteindelijk is een (markt)prijs overeengekomen waarvoor Nederland bereid was de toestellen te verkopen en die de betrokken landen wensten te betalen.

De uiteindelijke verkoopprijs is voor Nederland alleszins redelijk. Zo zijn daarin de volledige kosten van het «Capability Upkeep Program» (CUP) doorberekend die tien van de dertien Orions thans ondergaan. In totaal ontvangt Nederland van Duitsland en Portugal € 381 miljoen waarvan € 201 miljoen voor CUP-gerelateerde kosten. Voor het bepalen van de restwaarde van de toestellen – dus exclusief CUP – is in aanmerking genomen dat de toestellen de helft van de technische levensduur hebben bereikt. Daarbij is alleen rekening gehouden met het airframe en niet met de apparatuur die bij het uitvoeren van het CUP-programma wordt vervangen. Die apparatuur is niet bij de verkoop inbegrepen, geldt als vrijwel afgeschreven en vertegenwoordigt slechts een geringe waarde. Over de verkoop van de Orions en de prijsonderhandelingen daarvan heb ik u eerder geïnformeerd op 12 november 2004 (Kamerstuk 29 800, nr. 30). Voor de volledigheid merk ik op dat beide contracten inmiddels zijn getekend en dat Nederland de overeengekomen verkoopprijs dus metterdaad als opbrengsten kan inboeken.

De bewering dat Nederland € 205 miljoen te weinig heeft ontvangen, zoals in genoemd TV-programma werd beweerd, is onvoldoende onderbouwd. Afgezien van de volstrekt hypothetische vraag of Nederland er überhaupt in zou zijn geslaagd de Orions aan India of Pakistan voor dat bedrag te verkopen, gaat een eerdere vergelijking met de verkoop van Amerikaanse Orions aan Pakistan mank, omdat deze transactie inhoudelijk te veel verschilt van de transacties die met Duitsland en Portugal zijn gesloten. Met de succesvolle verkoop is overigens tevens voldaan aan de wens van de Kamer om de Orions voor het bondgenootschap te behouden.

Tijdens het overleg over de Prinsjesdagbrief en de defensiebegroting-2004 is toegezegd om de beëindiging van de operationele vluchten vanaf marinevliegkamp Valkenburg met een jaar tot 1 januari 2005 uit te stellen. Als gevolg hiervan loopt de geplande afbouwperiode voor het vliegkamp tot 1 januari 2008. Hiervoor is ongeveer € 57 miljoen begroot. Hierover bent u eerder geïnformeerd op 3 december 2003 (Kamerstuk 29 200, nr. 54). Binnen de afbouwperiode wordt de CUP voltooid. Eveneens vinden in deze periode de trainingsactiviteiten voor Duitsland en de overdracht aan Duitsland plaats. Nederland ontvangt van Duitsland voor deze trainingsactiviteiten ongeveer € 24 miljoen zoals in de Kamerbrief van 12 november 2004 is gemeld.

2

Zoals de Kamer in de Kamerbrief van 13 oktober 2004 over de verwerving van een derde Hercules C-130 (Kamerstuk 29 800, nr. 11) is geïnformeerd, heeft Defensie besloten de vier F-60's, inclusief de twee toestellen voor luchtsurveillance in de West, af te stoten en in plaats daarvan twee extra C-130's te verwerven. Als de derde C-130 midden 2006 operationeel wordt, zullen de eerste twee F-60's uit dienst worden gesteld. Aan de vervanging liggen ervaringen met recente operaties ten grondslag zoals in de brief van 13 oktober is gemeld.

Deze brief stelt verder datde personeels- en de materieelexploitatie van de luchttransportvloot door de ingebruikname van een derde C-130 bij een gelijktijdige uitfasering van twee F-60's niet zullen stijgen. Door de F-60's uit te faseren en extra C-130 toestellen te verwerven, worden bestaande capaciteiten versterkt en wordt bovendien typereductie bereikt, een belangrijk aspect bij het streven naar meer doelmatigheid. Als de F-60's toch in dienst zouden blijven, lopen de personeels- en materieelexploitatie weer op. Dit terwijl uit ervaring is gebleken dat de F-60 niet goed voldoet aan de huidige behoefte van Defensie aan «intra/inter theatre» luchttransport. Daarom heeft Defensie besloten de F-60's uit te faseren en te verkopen. Een onderzoek naar de kosten die gemoeid zouden zijn met het in dienst houden van de F-60's naast de C-130's zou daaraan niets afdoen.

De twee voor maritieme patrouilletaken aangepaste Fokker-60's voorzien in een interim luchtverkenningscapaciteit voor de Kustwacht Nederlandse Antillen & Aruba. De toestellen hebben in deze hoedanigheid geen transporttaak. Zodra het civiele alternatief voor de luchtverkenningstaak beschikbaar is, wordt de interim luchtverkenningscapaciteit overbodig.

Voor het transport van defensiepersoneel en -middelen in de West wordt gebruik gemaakt van Hr. Ms. Pelikaan, die binnenkort door een nieuw schip wordt vervangen. Voor incidentele snelle verplaatsing van kleinere gezelschappen of kleine pakketten wordt gebruik gemaakt van civiel luchttransport tussen de eilanden.


XNoot
1

TweeVandaag, 4 februari jl.