﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE vraagdoc PUBLIC "-//SDU//DTD vragen xml 1.1//NL" "../../dtd/vragen-11.dtd"[]>
<vraagdoc kamer="2" publtype="vran">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20042005-1288/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer Der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2004-2005</subtitel>
    <subtitel>Aanhangsel van de Handelingen</subtitel>
    <subtitel>Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de</subtitel>
    <subtitel>regering gegeven antwoorden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="1.3" conv="2.7" markup="xa"></versie>
    <ordernr>KVR22628</ordernr>
    <vergjaar>2004-2005</vergjaar>
    <nummer>1288</nummer>
  </frontm>
  <body>
    <vragen>
      <vraagnummer>2040510330</vraagnummer>
      <omschr>Vragen van het lid <naam>Tonkens</naam> (GroenLinks) aan de minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over <ondw>het emancipatiebeleid.</ondw><datum>(Ingezonden 10 maart 2005)</datum></omschr>
      <vraag>
        <nummer>1</nummer>
        <al>Hebt u kennisgenomen van het interview met mevrouw Tineke Lodders, voorzitter
van de visitatiecommissie emancipatie, in het VPRO-radioprogramma De Ochtenden
op Internationale Vrouwendag?<sup><nootref nr="1"></nootref></sup></al>
      </vraag>
      <vraag>
        <nummer>2</nummer>
        <al>Wat vindt u van de stelling van mevrouw Lodders dat het emancipatoir belang
in dit kabinet het onderspit delft?</al>
      </vraag>
      <vraag>
        <nummer>3</nummer>
        <al>Wat gaat u als verantwoordelijk minister doen om emancipatiebelangen niet
te laten ondersneeuwen door andere belangen?</al>
      </vraag>
      <vraag>
        <nummer>4</nummer>
        <al>Deelt u de mening van mevrouw Lodders dat een verlenging van de werkweek
naar 40 uur de emancipatie en de combinatie van arbeid en zorg zal bemoeilijken?</al>
      </vraag>
      <vraag>
        <nummer>5</nummer>
        <al>Wat gaat u doen om in het belang van de emancipatie ervoor te zorgen dat
de werkweek niet wordt verlengd?</al>
      </vraag>
      <vraag>
        <nummer>6</nummer>
        <al>Bent u bereid gehoor te geven aan de oproep van mevrouw Lodders om de
emancipatoire effecten van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning te onderzoeken?
Bent u bereid om een emancipatie-effect rapportage te laten uitvoeren? Zo
ja, op welke termijn?</al>
      </vraag>
      <vraag>
        <nummer>7</nummer>
        <al>Deelt u de kritiek van mevrouw Lodders dat de kinderopvang in Nederland
voor ouders een enorm dure voorziening is?</al>
      </vraag>
      <vraag>
        <nummer>8</nummer>
        <al>Deelt u de mening van de FNV dat de Wet Kinderopvang niet werkt en slecht
uitpakt voor veel ouders?<sup><nootref nr="2"></nootref></sup></al>
      </vraag>
      <vraag>
        <nummer>9</nummer>
        <al>Bent u op de hoogte van het feit dat de brancheorganisaties in de kinderopvang
al vijf tot tien procent opzeggingen hebben binnengekregen en dat de wachtlijsten
in één klap zijn verdwenen nadat de wet in werking is getreden?</al>
      </vraag>
      <vraag>
        <nummer>10</nummer>
        <al>Wat gaat u doen om deze en andere negatieve effecten van de Wet Kinderopvang
voor ouders tot een minimum te beperken? </al>
      </vraag>
      <vraag>
        <nummer>11</nummer>
        <al>Bent u bereid om tot een snelle evaluatie van de Wet Kinderopvang te komen?
Zo ja, op welke termijn en op welke manier zal deze evaluatie plaatsvinden?</al>
      </vraag>
      <noot nr="1">
        <al> VPRO-radioprogramma «De Ochtenden», 8 maart jl.</al>
      </noot>
      <noot nr="2">
        <al> Algemeen Dagblad, 8 maart 2005.</al>
      </noot>
    </vragen>
    <reactie>
      <titel>Antwoord</titel>
      <omschr>Antwoord van minister <naam>De Geus</naam> (Sociale Zaken en Werkgelegenheid). <datum>(Ontvangen 25 maart 2005)</datum></omschr>
      <antwoord>
        <nummer>1</nummer>
        <al>Ja.</al>
      </antwoord>
      <antwoord>
        <nummer>2</nummer>
        <al>Zie het antwoord op vraag 3.</al>
      </antwoord>
      <antwoord>
        <nummer>3</nummer>
        <al>In het emancipatieproces is al veel bereikt. Dit blijkt ook uit de Emancipatiemonitor
2004 waar de belangrijkste emancipatie ontwikkelingen afgezet worden tegen
de prestatie-indicatoren van de regering zoals vastgelegd in het Meerjarenbeleidsplan
Emancipatie.</al>
        <al>Nog voor het eind van 2005 zal uw Kamer de tussentijdse evaluatie van
het Meerjarenbeleidsplan emancipatie ontvangen. In de evaluatie komt de uitvoering
van de maatregelen uit het Meerjarenbeleidsplan Emancipatie in de periode
2000–2004 aan de orde. De uitkomsten van de tussentijdse evaluatie zullen
worden aangewend voor eventuele bijstelling van beleid.</al>
        <al>De eigen verantwoordelijkheid van de departementen wordt versterkt door
onafhankelijke toetsing door de Visitatiecommissie Emancipatie (VCE) die ik
in 2004 heb ingesteld. Omdat de verantwoordelijkheid voor het bereiken van
algemene emancipatiedoelstellingen bij de diverse bewindspersonen ligt, zal
de VCE bij elke bewindspersoon toetsen of de verankering van het emancipatiebeleid
in het reguliere beleid voldoende vordert en wat de kwaliteit is van de resultaten
van het gevoerde emancipatiebeleid. In het voorjaar zal de commissie haar
eerste bevindingen bekend maken aan de verschillende ministeries. Een tussenrapportage
van de VCE aan het kabinet over de eerste visitatieronde is volgens het werkplan
van de VCE voorzien voor september.</al>
        <al>Ik wacht de rapportage van de VCE met belangstelling af.</al>
      </antwoord>
      <antwoord>
        <nummer>4</nummer>
        <al>In de nota Kiezen voor groei (Kamerstukken II, 2003–2004, 29 696,
nr. 1) stelt het kabinet er naar te streven de achterstand in het aantal gewerkte
uren van Nederland op Europa nog tijdens deze kabinetsperiode te verminderen
teneinde het groeivermogen van de Nederlandse economie te verbeteren. Nederland
heeft immers in vergelijking met de andere lidstaten van de EU een relatief
hoog aandeel deeltijdwerkers en een laag aantal gewerkte uren per werknemer
(1340 uur per jaar ten opzichte van gemiddeld 1615 uur voor de EU). Het kabinet
is van mening dat een werkweek van 40 uur het oriëntatiepunt voor CAO's
voor de overheidssectoren moet worden.</al>
        <al>Uiteraard betekent dit niet dat iedereen 40 uur per week moet werken.
Het is belangrijk dat deeltijdwerken een keuze is en niet een noodzakelijkheid
wegens gebrek aan voorwaarden voor het combineren van zorg met een (voltijd)baan,
of dat het onaantrekkelijk is door de samenloop van fiscale en inkomensafhankelijke
arrangementen.</al>
        <al>Daarnaast is het beleid erop gericht voor werknemers zodanige voorwaarden
te scheppen dat een (voltijd)baan te combineren is met andere activiteiten
zoals zorg en scholing, onder andere doordat daarvoor gedurende de levensloop
tijd kan worden ingeruimd (verlof). De levensloopregeling draagt hieraan bij.</al>
        <al>Ook de Wet kinderopvang vergemakkelijkt de combinatie arbeid en zorg voor
ouders.</al>
      </antwoord>
      <antwoord>
        <nummer>5</nummer>
        <al>Zie het antwoord op vraag 4.</al>
      </antwoord>
      <antwoord>
        <nummer>6</nummer>
        <al>Het onderzoek van de emancipatoire effecten van nieuwe weten regelgeving
is de verantwoordelijkheid van het betreffende departement. De Wet Maatschappelijke
Ondersteuning valt onder de verantwoordelijkheid van mijn collega van VWS.
Op 20 april heeft hij met uw kamer een Algemeen Overleg over deze wet. Eventuele
vragen op dit terrein kunnen dan aan hem gericht worden.</al>
        <al>Ik wil u er in dit verband overigens aan herinneren dat de leden Tonkens
en Arib al eens een motie met deze strekking hebben ingediend (bij de begrotingsbehandeling
VWS 2005, 29 800 XVI, nr. 62, 28-10-2004). Deze motie is toen verworpen.</al>
      </antwoord>
      <antwoord>
        <nummer>7</nummer>
        <al>Nee, deze mening deel ik niet. Met de Wet kinderopvang en de inkomensafhankelijke
bijdrage van het Rijk is naar mijn oordeel een goede basis gelegd voor betaalbare
kinderopvang voor ouders die werk (of de toeleiding naar werk) met de zorg
voor kinderen combineren, met name voor de laagbetaalden.</al>
        <al>Ouders met lage inkomens die onder de oude situatie de kinderopvang niet
gefinancierd kregen, krijgen dat met deze wet wel voor elkaar. Als voorbeeld:
ouders met een verzamelinkomen van € 15.000 en werkgeversbijdragen
voor beide ouders betalen € 0,18 aan kinderopvang per uur. Indien
beide werkgevers niet bijdragen, ontvangen deze ouders een extra inkomensafhankelijke
tegemoetkoming van het Rijk. Dan resteert een ouderbijdrage van € 0,24
per uur.</al>
      </antwoord>
      <antwoord>
        <nummer>8</nummer>
        <al>Nee, deze mening deel ik niet. Zoals ik in de Volkskrant van 10 april
2005 heb geschreven moeten de 300 klachten over de Wet kinderopvang die bij
het meldpunt van FNV, PvdA en GroenLinks zijn binnengekomen worden gerelateerd
aan het totale aantal van 200.000 aanvragers bij de Belastingdienst voor een
overheidsbijdrage kinderopvang. Het percentage klachten is dus 0,15.</al>
      </antwoord>
      <antwoord>
        <nummer>9</nummer>
        <al>Uit een onderzoek onder ondernemers door de Maatschappelijke Ondernemers
Groep (zie persbericht van de MOgroep van 7 maart jl.) blijkt dat de tijdelijke
terugval volgens de ondernemers deels wordt veroorzaakt door de nieuwe wet
en deels door de economische teruggang. De prognose van de ondernemers is
echter dat het kinderopvanggebruik per 1 april a.s. weer zal toenemen. De
MO-groep concludeert dat de effecten van de wet wat betreft uitval minder
ingrijpend zijn dan in 2004 werd voorspeld.</al>
      </antwoord>
      <antwoord>
        <nummer>10</nummer>
        <al>Ik zie op dit moment geen noodzaak de Wet kinderopvang te wijzigen. Ik
verwijs hiervoor naar de antwoorden op de vragen 7, 8 en 9.</al>
      </antwoord>
      <antwoord>
        <nummer>11</nummer>
        <al>Met de Wet kinderopvang is geregeld dat uw Kamer gedurende de eerste drie
jaar na de inwerkingtreding een verslag over de werking van de wet ontvangt.
Daarnaast volg ik de effecten van deze wet via diverse onderzoeken, zoals
bijvoorbeeld het onderzoek naar de stand van zaken van werkgeversbijdragen,
en het onderzoek naar de effecten van de wet op gebruikers van kinderopvang.
Ik heb uw Kamer in eerdere antwoorden op kamervragen in die zin geantwoord
(kamervragen van GroenLinks en van D66, beide ingezonden 7 februari jl., beide
over werkgeversbijdragen).</al>
      </antwoord>
    </reactie>
  </body>
</vraagdoc>