Kamervragen (Aanhangsel)

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal1997-1998327

Aanhangsel van de Handelingen

Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden

327

Vragen van het lid Koekkoek (CDA) over de zaak Baybasin. (Ingezonden 30 oktober 1997)

1

Wat is uw reactie op het vonnis van de President van de Rechtbank Den Haag in de zaak-Baybasin?

2

Hoe kunt u antwoorden dat u na ontvangst van de nota van 20 juni jl. hebt besloten Baybasin uit te leveren en dat daarna het bericht kwam dat Krouwel door Turkije gesignaleerd zou zijn, hoewel dat laatste al vóór 22 mei jl. bij het ministerie van Binnenlandse Zaken bekend was?1

3

Acht u de communicatie tussen beide ministeries in dit verband toereikend? Zo neen, wat hebt u gedaan om deze te verbeteren?

4

Wilt u de nota's van 20 juni jl. en 26 februari jl. van de Turkse regering resp. de Turkse officier van justitie met de garanties voor Baybasin aan de Kamer overleggen?

Toelichting:

Deze vragen dienen ter aanvulling op eerdere vragen terzake van het lid Koekkoek, ingezonden 15 oktober jl. en van de leden Sipkes en Rabbae, ingezonden 15 oktober jl.

Antwoord

Antwoord van minister Sorgdrager (Justitie). (Ontvangen 24 november 1997)

1

Ik zal mij bij deze uitspraak neerleggen.

2 en 3

Gelet op het aangehaalde artikel uit het NRC Handelsblad van 19 juni 1997, veronderstel ik dat de vragensteller abusievelijk het ministerie van Binnenlandse Zaken noemt, terwijl hij het ministerie van Buitenlandse Zaken bedoelt. Ten behoeve van de beantwoording van de vraag, is het van belang een inzicht te geven in hetgeen is voorgevallen tussen het ministerie van Buitenlandse Zaken en mijn ministerie.

Desgevraagd heb ik de raadsman van de heer Krouwel bij brief van 13 december 1996 onder andere geïnformeerd dat er bij Bureau Interpol 's-Gravenhage geen signalering ter fine van uitlevering van de heer Krouwel bekend was. Daarbij is tevens de opmerking gemaakt dat de mogelijkheid bestaat dat de heer Krouwel wel gesignaleerd staat in Turkije of dat Turkije een verzoek tot signalering aan het buitenland heeft gedaan. Daar een Turkse signalering een aangelegenheid is van Turkije en, in geval van een internationale signalering, tussen de staat die om signalering is verzocht en Turkije, is aangegeven dat mij hieromtrent gegevens ontbraken. Deze brief is ter visie vooraf voorgelegd aan het ministerie van Buitenlandse Zaken. Desgevraagd heb ik bij brief van 21 april 1997 de heer Krouwel nader geïnformeerd en deze onder andere geadviseerd dat het voor hem, gezien het voorgaande, niet raadzaam is om naar het buitenland te reizen, daar een dergelijke reis mogelijk zal resulteren in een aanhouding en uitlevering aan Turkije. Ook deze brief is ter visie vooraf voorgelegd aan het ministerie van Buitenlandse Zaken. Naar aanleiding van deze brief heeft de heer Krouwel zich tot het ministerie van Buitenlandse Zaken gewend. Bij brief van 22 mei 1997 heeft dat ministerie onder andere bericht dat het in mijn brief van 21 april 1997 gegeven reisadvies wordt gedeeld. In deze brief staat evenwel, anders dan gesuggereerd in bovenvermeld krantenartikel, niet vermeld dat er een internationaal opsporingsbevel uitgevaardigd zou zijn tegen de heer Krouwel. De brief van het ministerie van Buitenlandse Zaken is ter visie vooraf aan mij voorgelegd. Zoals uit het voorgaande mag blijken, was het, zowel bij het ministerie van Buitenlandse Zaken als bij mijn ministerie, niet met zekerheid bekend of de heer Krouwel internationaal gesignaleerd stond. In dit verband verwijs ik ook naar mijn antwoord op de vragen 1 en 2, en 5 en 6 van de leden Verhagen (CDA) en Korthals (VVD) over een internationaal opsporingsbevel tegen de heer Krouwel van 30 juni 1997.

Medio juni bereikte mij wederom het bericht dat de heer Krouwel internationaal gesignaleerd zou staan ter fine van uitlevering aan Turkije. Naar aanleiding van dit hernieuwde bericht zijn de zaak Baybasin en de zaak Krouwel vervolgens tegenover elkaar gesteld. Voor verdere bijzonderheden verwijs ik naar mijn antwoord op de door de vragensteller gestelde vragen 1 en 3 over de zaak-Krouwel van 15 oktober 1997.

Zoals uit het bovenstaande mag blijken, is en wordt in de zaak Krouwel tussen het ministerie van Buitenlandse Zaken en mijn ministerie, ook in de in de vraag aangehaalde periode, zeer nauw samengewerkt.

Overigens heb ik inmiddels door tussenkomst van het ministerie van Buitenlandse Zaken van de Turkse autoriteiten vernomen dat de heer Krouwel niet internationaal gesignaleerd staat, hetgeen de heer Krouwel inmiddels ook is bericht.

4

Ik heb de Kamer reeds uitvoerig geïnformeerd omtrent de aard en specificiteit van de door de Turkse autoriteiten gegeven garanties in mijn antwoord op de vragen van het lid Oedayraj Singh Varma (GroenLinks) over uitlevering van Hüseyin Baybasin aan Turkije van 12 augustus 1997. In dat antwoord zijn de bij nota van 26 februari 1997 door de Turkse officier van Justitie gegeven garanties, die door de Turkse regering bij nota van 20 juni 1997 zijn overgenomen, vrijwel integraal weergegeven. Nu ik de Kamer reeds uitvoerig heb bericht over de door Turkije gegeven garanties, zie ik, mede gelet op het individuele karakter van de gegeven garanties, geen aanleiding aan het verzoek te voldoen.


XNoot
1

Zie NRC Handelsblad, 19 juni jl.

Zie ook Aanhangsel Handelingen, nr. 1806, vergaderjaar 1996–1997.