﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/repository/schemas/op-consolidated/op-consolidated_2014-05-15/xsd/op-xsd-2014-05-15.xsd">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-ek-20252026-7/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kamervragen>
    <kamervraagkop>
      <tekstregel inhoud="vergaderjaar">Vergaderjaar 2025-2026</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kameraanduiding">Eerste Kamer der Staten-Generaal</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kamernummer">1</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="documenttype">
								Aanhangsel van de Handelingen
							</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="overig">
										Vragen door de leden der Kamer gesteld overeenkomstig
										artikel 105 van het Reglement van Orde, en de daarop door de
										regering schriftelijk gegeven antwoorden
									</tekstregel>
    </kamervraagkop>
    <kamervraagnummer>7</kamervraagnummer>
    <kamervraagomschrijving type="vraag">Vragen van de leden <naam><achternaam>Van de Sanden</achternaam></naam> (fractie-Van de Sanden) en <naam><achternaam>Van Gasteren</achternaam></naam> (fractie-Van Gasteren), op <datum isodatum="2026-05-15">15 mei 2026</datum> medegedeeld aan de Minister van Asiel en Migratie over <kamervraagonderwerp>de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026</kamervraagonderwerp>.</kamervraagomschrijving>
    <kamervraagomschrijving type="antwoord">Antwoorden van de Minister van Asiel en Migratie ontvangen op <datum isodatum="2026-05-22">22 mei 2026</datum>.</kamervraagomschrijving>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 1a</nr>
      <al>Kunt u aan de Kamer met betrekking tot het voorstel voor de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026<noot id="ID-252608-d41e61" type="voet"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>Kamerstukken <dossierref dossier="36871">36 871</dossierref>.</noot.al></noot> de volgende informatie overleggen:</al>
      <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
        <li>
          <li.nr>–</li.nr>
          <al>alle interne juridische adviezen, ambtelijke memo’s en beslisnotities die ten grondslag liggen aan de toepassing van Aanwijzing 9.4 van de Aanwijzingen voor de regelgeving («Zuivere implementatie») op dit wetsvoorstel<noot id="ID-252608-d41e74" type="voet"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>Zie ook Kamerstukken I 2025/26, <extref doc="kst-36871-H" soort="document" status="actief">36 871, H</extref>, p. 23.</noot.al></noot>;</al>
        </li>
      </lijst>
    </vraag>
    <antwoord>
      <nr status="officieel">Antwoord 1a</nr>
      <al>De beslisnota’s die ten grondslag liggen aan de wetgevingsstukken behorende bij het onderhavige wetsvoorstel zijn in elke fase van het wetgevingstraject actief openbaar gemaakt. Zij bevatten de aan de Minister gepresenteerde ambtelijke overwegingen die de basis vormden van de besluitvorming over het wetsvoorstel. Verder verwijs ik u ook naar de overwegingen die op dit punt zijn opgenomen in het nader rapport bij het advies van de afdeling advisering van de Raad van State.</al>
    </antwoord>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 1b</nr>
      <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
        <li>
          <li.nr>–</li.nr>
          <al>de juridische beoordeling waarom de voorgestelde nationale aanvullingen, die volgens de regering zelf strekken tot het verminderen van de aantrekkelijkheid van Nederland ten opzichte van andere lidstaten, niet kwalificeren als maatregelen die geen verband houden met de uit te voeren of te implementeren EU-regelgeving in de zin van Aanwijzing 9.4;</al>
        </li>
      </lijst>
    </vraag>
    <antwoord>
      <nr status="officieel">Antwoord 1b</nr>
      <al>In het antwoord op vraag 57 van de nota naar aanleiding van het verslag die op 11 mei jl. aan uw Kamer is gezonden licht de regering toe dat hoewel het overgrote deel van het Asiel- en migratiepact vanaf 12 juni rechtstreeks zal werken er ook allerlei nationale keuzes gemaakt moeten worden. Het Pact creëert niet vanzelf in de lidstaten een werkend asiel- en migratiesysteem. Lidstaten zullen binnen de kaders en de richting die het Asiel- en migratiepact geeft zelf een werkend stelsel neer moeten zetten waarmee het pact daadwekelijk effect kan sorteren. Bij deze keuzes heeft de regering zich onder andere laten leiden door de doelstelling van het Asiel- en migratiepact om de nationale asielprocedures verder te harmoniseren. Met de Uitvoerings- en implementatiewet beoogt de regering Nederland niet onnodig aantrekkelijker te maken dan andere Europese lidstaten. Dit heeft onder andere geleid tot het afschaffen van de voornemenprocedure, de afschaffing van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd en de aanscherping van de nareisvoorwaarden. Daarmee houden de nationale keuzes die in de Uitvoerings- en implementatiewet zijn gemaakt rechtstreeks verband met het Asiel- en migratiepact. Dit wetsvoorstel voldoet dan ook aan het beleid genoemd in aanwijzing 9.4 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.</al>
    </antwoord>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 1c</nr>
      <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
        <li>
          <li.nr>–</li.nr>
          <al>een toelichting waarom voor deze nationale beleidskoppen niet is gekozen voor een afzonderlijk wetgevingsspoor, met eigen advisering, eigen impactanalyse en eigen parlementaire weging?</al>
        </li>
      </lijst>
    </vraag>
    <antwoord>
      <nr status="officieel">Antwoord 1c</nr>
      <al>Twee gezichtspunten die in dit kader van doorslaggevend gewicht zijn en doorslaggevend zijn geweest voor de keuze voor bundeling in één wetsvoorstel zijn; de onderlinge samenhang van de maatregelen en in aanvulling daarop het belang van efficiënte wetgevingsprocedures.</al>
      <al>Alle maatregelen die in de Uitvoerings- en implementatiewet zijn opgenomen geven uitvoering aan de doelstellingen van het Asiel- en migratiepact. Zij zijn alleen in onderlinge samenhang in staat om die doelstellingen te bereiken. Dat betekent dat de maatregelen uit de Uitvoerings- en implementatiewet ook in onderlinge samenhang moeten kunnen worden beoordeeld. Naar het oordeel van de regering is het pakket aan maatregelen dat de regering met de Uitvoerings- en implementatiewet aan uw Kamer heeft voorgelegd dus ook geen keuzemenu, maar is vooral van belang dat zij in onderling verband worden ingevoerd. Daarbij is ook relevant dat de regering eraan hecht transparant te zijn over alle effecten die de opstelsom van maatregelen heeft voor asielzoekers en uitvoeringsorganisaties op grond van de Uitvoerings- en implementatiewet.</al>
    </antwoord>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 2a</nr>
      <al>Kunt u aan de Kamer met betrekking tot het wetsvoorstel de volgende informatie overleggen:</al>
      <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
        <li>
          <li.nr>–</li.nr>
          <al>alle interne juridische adviezen, risicoanalyses, ambtelijke memo’s en beslisnotities die ten grondslag liggen aan de keuze om géén algemeen overgangsrecht op te nemen;</al>
        </li>
      </lijst>
    </vraag>
    <antwoord>
      <nr status="officieel">Antwoord 2a</nr>
      <al>In aanvulling op hetgeen bij het eerste gedachtestreepje in vraag 1 is opgemerkt over de beslisnota’s wijst de regering in het bijzonder op de memorie van toelichting – vanaf pagina 122 – en het nader rapport – vanaf pagina 12 – waarin uitvoerig op de door de regering gemaakte afweging wordt gereflecteerd. </al>
    </antwoord>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 2b</nr>
      <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
        <li>
          <li.nr>–</li.nr>
          <al>de beoordeling van de in de uitvoeringstoets van de IND geformuleerde randvoorwaarde van juridische houdbaarheid;</al>
        </li>
      </lijst>
    </vraag>
    <antwoord>
      <nr status="officieel">Antwoord 2b</nr>
      <al>De IND heeft in een van de uitvoeringstoetsen die door de IND is opgesteld opgemerkt dat de juridische houdbaarheid van alle maatregelen een randvoorwaarde is voor een succesvolle implementatie. Die constatering deelt de regering met de IND. Tegelijkertijd is de regering ervan overtuigd dat alle maatregelen die in de Uitvoerings- en implementatiewet worden voorgesteld juridisch houdbaar zijn, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang. De IND zal na inwerkingtreding van de wet starten met een beperkt aantal representatieve nareiszaken door deze zaken uit te procederen. Gedurende deze periode zullen de zaken die met de wetswijziging anders beoordeeld moeten worden, worden aangehouden. Momenteel wordt nog bezien wat de gevolgen hiervan zijn voor de productie.</al>
    </antwoord>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 2c</nr>
      <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
        <li>
          <li.nr>–</li.nr>
          <al>de wijze waarop de door de regering erkende<noot id="ID-252608-d41e101" type="voet"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al>O.a. Kamerstukken I 2025/26, <extref doc="kst-36871-H" soort="document" status="actief">36 871, H</extref>, p. 22.</noot.al></noot> artikel 8 EVRM-risico’s zijn gewogen, gedocumenteerd en juridisch onderbouwd mede in het licht van de bij de Raad van State, de IND, en de Adviesraad Migratie geuite zorgen over rechtsongelijkheid en willekeur?</al>
        </li>
      </lijst>
    </vraag>
    <antwoord>
      <nr status="officieel">Antwoord 2c</nr>
      <al>Voor het antwoord op deze vraag verwijst de regering naar de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel, waarin op een groot aantal plekken uitvoerig op de relatie tussen het wetsvoorstel en artikel 8 EVRM wordt ingegaan. De aanscherping van de nareismaatregelen en de afbakening van het kerngezin, zal ertoe leiden dat vaker een beroep op artikel 8 EVRM wordt gedaan. Zoals ik tijdens het debat van 19 mei jl. een aantal maal heb opgemerkt biedt artikel 8 EVRM binnen ons migratiestelsel een aanvullende waarborg om hardvochtigheden in het individuele geval te voorkomen. Tegelijkertijd is de regering van oordeel dat die toets alleen in uitzonderlijke individuele gevallen zal leiden tot afwijking van de hoofdregel die in de Uitvoerings- en implementatiewet is vastgelegd. Zie in dit kader ook het antwoord op vragen 127 en 178 van de nota naar aanleiding van het verslag.</al>
    </antwoord>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 3a</nr>
      <al>Kunt u aan de Kamer met betrekking tot het wetsvoorstel de volgende informatie overleggen:</al>
      <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
        <li>
          <li.nr>–</li.nr>
          <al>een limitatieve opsomming van alle onderdelen die op 12 juni 2026 niet volledig operationeel zullen zijn, daaronder uitdrukkelijk begrepen IV-systemen, screeningsprocessen, opleidingen, personeelsbezetting, ketenkoppelingen tussen IND, COA, DTenV, Raad voor Rechtsbijstand, Nidos en de Rechtspraak, en de op grond van dit wetsvoorstel voorziene algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen;</al>
        </li>
      </lijst>
    </vraag>
    <antwoord>
      <nr status="officieel">Antwoord 3a</nr>
      <al>Het is een gegeven dat het Asiel- en migratiepact per 12 juni a.s. van toepassing zal worden. Zoals tijdens het debat van 19 mei jl. met uw Kamer is besproken zijn de ketenpartners op 12 juni a.s. klaar om het Pact uit te voeren, tegelijkertijd geldt dat ook daarna de doorontwikkeling door zal gaan. Specifiek voor de IND geldt dat bijvoorbeeld met betrekking tot het werven van personeel en vernieuwing van ICT-systemen, waaronder de mogelijkheid om via een digitaal portaal met de aanvrager te communiceren. Maar de huidige systemen zullen per 12 juni dusdanig zijn aangepast dat uitvoering van het pact vanaf die datum mogelijk is. Dat geldt ook voor EURODAC, waarbij ik – zoals in het debat toegelicht – ervan uitga dat de issues met het centrale systeem tegen die tijd zijn verholpen.</al>
      <al>Voor het overige verwijs ik graag naar de meest recente voortgangsbrief (ref nr 7014602) die op 22 april jl. aan de Tweede Kamer werd verzonden en naar de brief aan de Tweede Kamer d.d. 18 mei jl. die uw Kamer in afschrift heeft ontvangen (ref. nr. 7605100) over de State of Play van de Europese Commissie.</al>
    </antwoord>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 3b</nr>
      <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
        <li>
          <li.nr>–</li.nr>
          <al>per onderdeel de noodscenario's die in werking treden indien deze onderdelen op 12 juni 2026 niet functioneren, inclusief de daarmee samenhangende juridische, financiële en organisatorische consequenties voor de uitvoeringskosten en voor individuele aanvragers?</al>
        </li>
      </lijst>
    </vraag>
    <antwoord>
      <nr status="officieel">Antwoord 3b</nr>
      <al>Dergelijke noodscenario’s zijn op dit moment niet beschikbaar, omdat het kabinet ervanuit gaat dat alles op 12 juni a.s. gereed is om het Asiel- en migratiepact uit te voeren.</al>
    </antwoord>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 4</nr>
      <al>Kunt u gemotiveerd aangeven wat de consequenties zijn indien op de datum van de inwerkingtreding niet aan de minimumvereisten van het Asiel- en migratiepact wordt voldaan?</al>
    </vraag>
    <antwoord>
      <nr status="officieel">Antwoord 4</nr>
      <al>Indien met minimumvereisten is bedoeld dat de Uitvoerings- en implementatiewet door uw Kamer niet zou worden aanvaard, dan zijn die gevolgen zeer groot. Ten eerste ontstaat er dan onmiddellijk grote rechtsonzekerheid over de vraag welk recht van toepassing is op 12 juni a.s. De Vreemdelingenwet 2000 en het Vreemdelingenbesluit 2000 zullen dan immers niet aan het Asiel- en migratiepact zijn aangepast terwijl de verordeningen waaruit het pact grotendeels bestaat wel van toepassing zullen zijn. Dat zal leiden tot vragen over welke regels door de uitvoeringsinstanties moeten worden toegepast en hoe verschillen tussen de Vreemdelingenwet 2000 en het Asiel en migratiepact moeten worden geduid. Daarmee zal het proces van beoordeling van asielaanvragen onherroepelijk vastlopen, waardoor het nog heel veel langer zal duren voordat de asielketen op orde is gebracht en een aanvang kan worden genomen met het verstevigen van de grip op migratie. Dat uitstel kan de keten niet gebruiken. Verder eist het Asiel- en migratiepact op een aantal onderdelen een nationale keuze, bijv. ten aanzien van de aanwijzing van bevoegde autoriteiten. Zonder die aanwijzing kan het pact sowieso niet functioneren.</al>
    </antwoord>
    <vraag>
      <nr status="officieel">Vraag 5</nr>
      <al>Kunt u de gevraagde informatie uiterlijk 22 mei 2026 aan de Kamer doen toekomen? Zo nee, kunt u dan een gemotiveerde tussenrapportage verstrekken?</al>
    </vraag>
    <antwoord>
      <nr status="officieel">Antwoord 5</nr>
      <al>Ja.</al>
    </antwoord>
  </kamervragen>
</officiele-publicatie>