Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van FinanciënStaatsblad 2015, 504Klein Koninklijk Besluit

Besluit van 2 december 2015 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wijzigingswet financiële markten 2016 en de Wet uitvoering verordening centrale effectenbewaarinstellingen

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 25 november 2015, 2015-0000014230, directie Financiële Markten;

Gelet op de artikelen VIII van de Wijzigingswet financiële markten 2016 en V van de Wet uitvoering verordening centrale effectenbewaarinstellingen;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

  • 1. De Wijzigingswet financiële markten 2016 treedt in werking met ingang van 1 april 2016, met uitzondering van de artikelen I, onderdelen A, derde subonderdeel, CC, tweede subonderdeel, OO, PP, VVa, VVb en VVc, IA en II, onderdelen A, tweede subonderdeel, en B.

  • 2. Onder toepassing van artikel 12 van de Wet raadgevend referendum treedt artikel I, onderdelen VVa, VVb en VVc, van de Wijzigingswet financiële markten 2016 in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, en treedt artikel IA van die wet in werking met ingang van 1 januari 2016.

Artikel 2

De Wet uitvoering verordening centrale effectenbewaarinstellingen treedt in werking met ingang van 1 januari 2016.

Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Wassenaar, 2 december 2015

Willem-Alexander

De Minister van Financiën, J.R.V.A. Dijsselbloem

Uitgegeven de zestiende december 2015

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

NOTA VAN TOELICHTING

Artikel 1

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van de Wijzigingswet financiële markten 2016, die op een aantal uitzonderingen na in werking treedt met ingang van 1 april 2016. Deze uitzonderingen worden hieronder toegelicht.

Op basis van artikel VIII van de Wijzigingswet financiële markten 2016 kan zo nodig toepassing worden gegeven aan artikel 12 van de Wet raadgevend referendum. Hiervan wordt in de eerste plaats gebruik gemaakt om de in artikel IA van de Wijzigingswet financiële markten 2016 opgenomen wijzigingen van de Wet bekostiging financieel toezicht op 1 januari 2016 in werking te laten treden. Vanwege de aan die wet ten grondslag liggende doorberekeningssystematiek is het niet goed mogelijk bedoelde wijzigingen pas op 1 april 2016 in werking te laten treden. Verder zullen de in artikel I, onderdelen VVa, VVb en VVc, van de Wijzigingswet financiële markten 2016 opgenomen wijzigingen in werking treden met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst. Het gaat bij die wijzingen om technische correcties die verband houden met de implementatie van de richtlijn prospectus. Aangezien de implementatietermijn van die richtlijn reeds is verstreken, is het wenselijk bedoelde correcties zo spoedig mogelijk door te voeren.

De Wet toezicht kredietunies voegt per abuis een tweede onderdeel r toe aan de definitie van het begrip «financiële onderneming» in artikel 1:1, van de Wet op het financieel toezicht (Wft). De in artikel I, onderdeel A, derde subonderdeel, van de Wijzigingswet financiële markten 2016 opgenomen wijziging herstelt deze onjuistheid. Bedoelde wijziging kan echter pas in werking treden zodra de Wet toezicht kredietunies in werking treedt. Om die reden wordt artikel I, onderdeel A, derde subonderdeel, van de Wijzigingswet financiële markten 2016 in dit besluit uitgezonderd van inwerkingtreding.

Het tweede subonderdeel van artikel I, onderdeel CC, van de Wijzigingswet financiële markten 2016 voorziet in een wijziging van de reikwijdte van het huidige tweede lid van artikel 3:159c van de Wft. Daarmee wordt het overdrachtsplan ook van toepassing op moedermaatschappijen met zetel in Nederland van verzekeraars met zetel in Nederland. Deze wijziging kan achterwege blijven, nu dit met een wijziging van hetzelfde artikel door de Implementatiewet herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen reeds is bewerkstelligd.

Artikel I, onderdelen OO en PP, van de Wijzigingswet financiële markten 2016 bevatten wijzigingen van artikel 4:37f van de Wft respectievelijk artikel 4:37g van de Wft. Deze artikelen zullen bij het wetsvoorstel Implementatiewet wijziging richtlijn icbe’s1 eveneens worden aangepast. De in de Wijzigingswet financiële markten 2016 opgenomen wijzigingen van de artikelen 4:37f en 4:37g van de Wft zullen worden meegenomen in de genoemd wetsvoorstel, zodat artikel I, onderdelen OO en PP, van de Wijzigingswet financiële markten 2016 niet in werking treedt.

De inwerkingtreding van artikel II, onderdelen A, tweede subonderdeel, en B van de Wijzigingswet financiële markten 2016 wordt uitgesteld in afwachting van de inwerkingtreding van het Europeesrechtelijk vergunningenkader voor centrale effectenbewaarinstellingen op grond van de verordening centrale effectenbewaarinstellingen.2 Hoewel de verordening centrale effectenbewaarinstellingen in beginsel reeds in werking is getreden, geldt dat nog niet voor alle technische reguleringsnormen die de in de verordening opgenomen vergunningsvereisten uitwerken. Pas na inwerkingtreding van die technische reguleringsnormen kunnen vergunningen aan centrale effectenbewaarinstellingen worden verleend. In dat kader bepaalt artikel 69, vierde lid, van de verordening centrale effectenbewaarinstellingen dat in afwachting van verlening van de uit hoofde van die verordening vereiste vergunningen, de nationale toezichtregels van toepassing dienen te blijven. Het gaat om het toezicht op grond van de artikelen 2, 3 en 4 van de Wet giraal effectenverkeer (Wge) op het centraal instituut. Artikel II, onderdelen A, tweede subonderdeel, en B, strekken ertoe deze artikelen van het Wge te laten vervallen alsmede de definitie van «centraal instituut» te wijzigen door aansluiting te zoeken bij de verordening centrale effectenbewaarinstellingen. De inwerkingtreding daarvan wordt uitgesteld.

Artikel 2

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van de Wet uitvoering verordening centrale effectenbewaarinstellingen. Die wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2016. Zoals in de toelichting bij artikel 1 van dit besluit uiteen is gezet, blijft het nationale toezichtkader uit hoofde van de Wge vooralsnog van toepassing. Dit staat er echter niet aan in de weg de overige wetswijzigingen die nodig zijn in verband met de uitvoering van de verordening centrale effectenbewaarinstellingen reeds in werking te laten treden.

De Minister van Financiën, J.R.V.A. Dijsselbloem


X Noot
1

Kamerstukken II 2015/16, 34 322, nr. 2.

X Noot
2

Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012.