Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van FinanciënStaatsblad 2007, 329AMvB

Besluit van 12 september 2007, houdende implementatie van richtlijn nr. 2004/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod (PbEU L 142) en houdende modernisering van de regels met betrekking tot het openbaar overnamebod (Besluit openbare biedingen Wft)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op voordracht van Onze Minister van Financiën van 20 april 2006, FM 2006-00982;

Gelet op richtlijn nr. 2004/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod (PbEU L 142) en de artikelen 1:40, vijfde lid, 1:81, eerste en tweede lid, 5:56, zesde lid, 5:59, vierde lid, 5:71, tweede lid, 5:76, tweede lid, 5:80a, derde en vierde lid, en 5:80b, vijfde lid, van de Wet op het financieel toezicht;

De Raad van State gehoord (advies d.d. 29 mei 2006, nr. W06.06.0124/IV)

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 6 september 2007, FM 2006-01349;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1. INLEIDENDE BEPALINGEN

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. wet: Wet op het financieel toezicht;

b. volledig bod: openbaar bod dat de geboden prijs of ruilverhouding vermeldt en dat strekt tot verwerving van alle effecten van de doelvennootschap van dezelfde categorie of klasse, niet zijnde een verplicht bod;

c. partieel bod: openbaar bod dat de geboden prijs of ruilverhouding vermeldt en dat strekt tot verwerving van minder dan 30 procent van de stemrechten in de algemene vergadering van aandeelhouders van de doelvennootschap;

d. tenderbod: openbaar bod waarbij de bieder de rechthebbenden van effecten van de doelvennootschap uitnodigt om die effecten tegen een door de rechthebbenden te bepalen tegenprestatie aan de bieder aan te bieden en dat strekt tot verwerving van minder dan 30 procent van de stemrechten in de algemene vergadering van aandeelhouders van de doelvennootschap;

e. verplicht bod: openbaar bod dat op grond van artikel 5:70, eerste lid van de wet, wordt uitgebracht of dient te worden uitgebracht of een openbaar bod dat op grond van het recht van een andere lidstaat wordt uitgebracht of dient te worden uitgebracht en terzake waarvan de Autoriteit Financiële Markten op grond van artikel 5:74, tweede lid, van de wet het biedingsbericht kan goedkeuren.

Artikel 2

  • 1. De artikelen 3 tot en met 10, 12 tot en met 17, 19, 21 en 23 tot en met 26 zijn van toepassing op openbare biedingen op effecten terzake waarvan de Autoriteit Financiële Markten op grond van artikel 5:74, tweede lid, van de wet, het biedingsbericht kan goedkeuren.

  • 2. De artikelen 18, 20, 22 en 27 zijn van toepassing op openbare biedingen op effecten van een doelvennootschap die zetel heeft in Nederland welke zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in Nederland of in een andere lidstaat.

Artikel 3

  • 1. Een openbaar bod is, onder gelijke voorwaarden, gericht tot alle rechthebbenden van effecten van eenzelfde categorie of klasse.

  • 2. De bieder kan van het openbaar bod uitsluiten effecten van de desbetreffende categorie of klasse die op het tijdstip van de aankondiging van het bod nog niet waren toegelaten tot de handel op de desbetreffende gereglementeerde markt.

Artikel 4

  • 1. Indien ingevolge dit besluit een openbare mededeling is vereist wordt deze openbare mededeling onverwijld en overeenkomstig het bij of krachtens artikel 5:59, eerste lid, tweede en derde volzin, van de wet bepaalde gedaan. Artikel 5:59, tweede, derde en achtste lid, van de wet en artikel 12, 13 en 14 van het Besluit Marktmisbruik Wft zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Indien op grond van artikel 5:59, eerste lid, van de wet, informatie openbaar is gemaakt kan een op grond van dit besluit vereiste openbare mededeling omtrent dezelfde informatie achterwege blijven.

  • 3. Een bieder van wie geen door hem uitgegeven of aangeboden financiële instrumenten met zijn instemming zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in Nederland, doet een openbare mededeling over informatie als bedoeld in artikel 5:53, eerste lid, van de wet voor zover die rechtstreeks op hem betrekking heeft of verband houdt met het voorgenomen, aangekondigde of uitgebrachte openbaar bod.

  • 4. Ter zake van het uitstellen van de openbaarmaking van informatie als bedoeld in artikel 5, eerste lid, 6, eerste lid, 7, eerste, tweede of vierde lid, 10, derde lid, 15, tweede lid of 17, eerste lid, bestaat geen rechtmatig belang als bedoeld in artikel 5:59, derde lid, onder a, van de wet.

HOOFDSTUK 2. ALGEMENE BEPALINGEN OMTRENT OPENBARE BIEDINGEN

§ 2.1 Aankondigen van een openbaar bod

Artikel 5

  • 1. Een bieder en een doelvennootschap kondigen, ieder voor zover het hem of haar aangaat, een openbaar bod, niet zijnde een verplicht bod, aan door middel van een openbare mededeling, uiterlijk zodra tussen de bieder en de doelvennootschap, al dan niet voorwaardelijke, overeenstemming is bereikt over het uit te brengen openbaar bod. De mededeling bevat de namen van de bieder en de doelvennootschap en, voor zover van toepassing, de voorgenomen prijs of ruilverhouding en de op dat moment reeds vastgestelde voorwaarden waarvan de verplichting tot het uitbrengen of nakomen van het openbaar bod afhankelijk zal worden gesteld.

  • 2. Een openbaar bod, niet zijnde een verplicht bod, is aangekondigd, indien een bieder zonder, al dan niet voorwaardelijke, overeenstemming te hebben bereikt, concrete informatie over de inhoud van het voorgenomen openbaar bod openbaar heeft gemaakt. Indien de bieder de naam van de vennootschap waarop het voorgenomen openbaar bod betrekking heeft, noemt in combinatie met:

    a. een voorgenomen prijs of ruilverhouding; of

    b. een concreet omschreven voorgenomen tijdschema voor het verloop van het voorgenomen openbaar bod,

    is in ieder geval voor de toepassing van dit lid concrete informatie openbaar gemaakt.

  • 3. Een verplicht bod is aangekondigd, indien:

    a. een aankondiging als bedoeld in artikel 5:70, eerste lid, van de wet is gedaan;

    b. een door de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam getroffen maatregel als bedoeld in artikel 5:73, eerste lid, van de wet, onherroepelijk is geworden; of

    c. naar het recht van een andere lidstaat vaststaat dat een openbaar bod verplicht dient te worden uitgebracht en daarover door de doelvennootschap een openbare mededeling is gedaan op grond van artikel 5:59, eerste lid, van de wet.

  • 4. Tussen het tijdstip waarop een openbaar bod is aangekondigd en het tijdstip waarop het is uitgebracht of waarop een openbare mededeling is gedaan omtrent het niet uitbrengen van het bod, doen de bieder en de doelvennootschap, ieder met betrekking tot door henzelf verrichte transacties, met uitzondering van in regelmatig verkeer op markten in financiële instrumenten verrichte transacties, aan de Autoriteit Financiële Markten melding van verrichte transacties in de effecten waarop het openbaar bod betrekking heeft of de effecten die in ruil worden aangeboden, dan wel van met betrekking tot die transacties gesloten overeenkomsten. In de melding wordt mededeling gedaan van de hoeveelheid en categorie of klasse van deze effecten, de daarvoor geldende voorwaarden, waaronder de prijs of ruilverhouding, en de omvang van de bestaande onderlinge rechtstreekse of middellijke kapitaaldeelnemingen.

  • 5. De melding, bedoeld in het vierde lid, wordt telkens onverwijld gedaan nadat de betrokken transactie of overeenkomst is verricht onderscheidenlijk tot stand is gekomen, met dien verstande dat ten hoogste één keer per dag een melding hoeft te worden gedaan. De melding kan achterwege blijven,indien de bieder of de doelvennootschap de transactie reeds heeft gemeld overeenkomstig artikel 5:38, 5:40 of 5:60, eerste lid, van de wet.

Artikel 6

  • 1. Indien de voorgenomen prijs of ruilverhouding of, in geval van een partieel bod of een tenderbod, het voorgenomen percentage of aantal van de effecten tot de verkrijging waarvan het openbaar bod strekt, na aankondiging definitief is vastgesteld of gewijzigd, doen de bieder en de doelvennootschap, ieder voor zover het hem of haar aangaat, een openbare mededeling hierover, onder vermelding van deze prijs of ruilverhouding of dit percentage of aantal.

  • 2. Indien door een doelvennootschap na aankondiging van een openbaar bod effecten worden uitgegeven of rechten tot het nemen of verkrijgen van door de doelvennootschap uit te geven effecten worden toegekend, doet de doelvennootschap een openbare mededeling hierover, onder vermelding van de naam van degene die de bedoelde effecten of rechten verwerft, voorzover deze naam bij haar bekend is, het nominale bedrag daarvan en de prijs of uitgiftekoers. De eerste volzin is van toepassing tot en met het tijdstip waarop overeenkomstig artikel 16 een openbare mededeling wordt gedaan over de gestanddoening of de niet-gestanddoening van het openbaar bod, dan wel waarop overeenkomstig artikel 7, eerste lid, een openbare mededeling wordt gedaan over het niet indienen van een aanvraag tot goedkeuring van het biedingsbericht.

Artikel 7

  • 1. De bieder doet binnen vier weken na de aankondiging van het bod een openbare mededeling, inhoudende dat:

    a. hij binnen een door hem te bepalen en te noemen periode een aanvraag tot goedkeuring van het biedingsbericht indient bij de Autoriteit Financiële Markten; of

    b. hij geen aanvraag tot goedkeuring van het biedingsbericht zal indienen.

  • 2. Ingeval van een verplicht bod, doet de bieder, in afwijking van het eerste lid, binnen vier weken na de aankondiging van het bod een openbare mededeling inhoudende dat hij binnen een door hem te bepalen en te noemen periode een aanvraag tot goedkeuring van het biedingsbericht indient bij de Autoriteit Financiële Markten.

  • 3. De in het eerste lid, onderdeel a, en in het tweede lid bedoelde door de bieder te bepalen en te benoemen periode bedraagt, gerekend vanaf de aankondiging van het bod, ten hoogste 12 weken.

  • 4. De bieder draagt er zorg voor dat hij uiterlijk op het tijdstip van indiening van de aanvraag tot goedkeuring van het biedingsbericht, bedoeld in het eerste en tweede lid, een vergoeding in geld kan opbrengen of alle redelijke maatregelen heeft getroffen om enige andere vorm van vergoeding te kunnen verstrekken om het bod gestand te kunnen doen. Wanneer de bieder de genoemde vergoeding kan opbrengen of de genoemde maatregelen heeft getroffen, doet hij een openbare mededeling hierover.

  • 5. Indien de bieder in verband met de vergoeding, bedoeld in het vorige lid, een algemene vergadering van aandeelhouders dient te houden, wordt deze vergadering ten minste zeven werkdagen voor het einde van de aanmeldingstermijn gehouden. In de mededeling, bedoeld in het vorige lid, omschrijft de bieder nauwkeurig op welke wijze door hem zorg wordt gedragen voor het kunnen opbrengen van de vergoeding of welke maatregelen door hem zijn getroffen om enige andere vorm van vergoeding te kunnen verstrekken.

§ 2.2 Goedkeuring van een biedingsbericht

Artikel 8

  • 1. De Autoriteit Financiële Markten keurt het biedingsbericht goed, indien in het biedingsbericht alle gegevens zijn opgenomen die voor een redelijk geïnformeerde en zorgvuldig handelende persoon van belang zijn voor het vormen van een verantwoord oordeel over het openbaar bod, waaronder:

    a. in geval van een volledig bod, de gegevens, bedoeld in de bijlagen A en B;

    b. in geval van een partieel bod, de gegevens, bedoeld in de bijlagen A en C;

    c. in geval van een tenderbod, de gegevens, bedoeld in de bijlagen A en D; of

    d. in geval van een verplicht bod, de gegevens, bedoeld in de bijlagen A en E; en

    de gegevens niet met elkaar in strijd zijn of in tegenspraak zijn met andere bij de Autoriteit Financiële Markten aanwezige informatie omtrent de doelvennootschap of de bieder, en in een voor een redelijk geïnformeerde en zorgvuldig handelende persoon begrijpelijke vorm worden gepresenteerd.

  • 2. Indien een bod uitsluitend of mede strekt tot overneming van effecten in ruil voor door de bieder of door een andere vennootschap dan de bieder uitgegeven effecten, keurt de Autoriteit Financiële Markten het biedingsbericht goed, indien het naast de toepasselijke gegevens, bedoeld in het eerste lid, de in bijlage F opgenomen gegevens bevat en de gegevens niet met elkaar in strijd zijn of in tegenspraak zijn met andere bij de Autoriteit Financiële Markten aanwezige informatie omtrent de doelvennootschap of de bieder en worden gepresenteerd in een vorm die voor een redelijk geïnformeerde en zorgvuldig handelende persoon begrijpelijk is.

Artikel 9

  • 1. Indien de Autoriteit Financiële Markten het biedingsbericht heeft goedgekeurd, verstrekt zij op verzoek van de bieder aan de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat waar de desbetreffende effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, een verklaring dat het biedingsbericht is opgesteld in overeenstemming met richtlijn nr. 2004/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod (PbEU L 142), alsmede een afschrift van het goedgekeurde biedingsbericht.

  • 2. De Autoriteit Financiële Markten verstrekt de verklaring, bedoeld in het eerste lid, en het afschrift van het goedgekeurde biedingsbericht binnen drie werkdagen na ontvangst van het verzoek. Indien het verzoek wordt gedaan voordat goedkeuring is verleend, verstrekt de Autoriteit Financiële Markten de verklaring binnen een werkdag nadat de goedkeuring is verleend.

§ 2.3 Uitbrengen van een openbaar bod

Artikel 10

  • 1. De bieder brengt zijn bod uit door het goedgekeurde biedingsbericht algemeen verkrijgbaar te stellen door middel van:

    a. een bekendmaking in een landelijk verspreid dagblad;

    b. een drukwerk dat kosteloos kan worden verkregen ten kantore van de houder van iedere gereglementeerde markt waar de effecten waarop het openbaar bod wordt gedaan, tot de handel zijn toegelaten;

    c. plaatsing op zijn website of op die van de doelvennootschap;

    d. plaatsing op de website van de houder van iedere gereglementeerde markt waar de effecten tot de handel zijn toegelaten; of

    e. plaatsing op de website van de Autoriteit Financiële Markten, indien deze mogelijkheid wordt geboden.

  • 2. Indien het biedingsbericht op andere wijze dan als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, algemeen verkrijgbaar is gesteld, verstrekt de bieder aan ieder die daarom verzoekt kosteloos een afschrift van het biedingsbericht.

  • 3. De bieder doet een openbare mededeling over het algemeen verkrijgbaar stellen van het biedingsbericht, onder vermelding van de vindplaats.

  • 4. De bieder stelt onverwijld na de algemeenverkrijgbaarstelling van het biedingsbericht de vertegenwoordigers van haar werknemers of, bij ontstentenis van die vertegenwoordigers, de werknemers zelf van het openbaar bod in kennis, onder gelijktijdige terbeschikkingstelling van het biedingsbericht.

Artikel 11

  • 1. Indien een bieder voornemens is een openbaar bod uit te brengen op effecten welke zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt en de Autoriteit Financiële Markten niet ingevolge artikel 5:74, tweede lid, van de wet bevoegd is tot goedkeuring van een biedingsbericht, zendt de bieder voorafgaand aan het uitbrengen van het bod een door de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat goedgekeurd biedingsbericht toe aan de Autoriteit Financiële Markten.

  • 2. Terzake van een openbaar bod als bedoeld in het eerste lid kan de Autoriteit Financiële Markten de bieder door het geven van een aanwijzing verplichten dat deze aanvullende informatie in het biedingsbericht of in een aanvullend document opneemt, indien die informatie specifiek is voor de Nederlandse financiële markten en betrekking heeft op de formaliteiten die moeten worden vervuld om het openbaar bod te aanvaarden of om de tegenprestatie te ontvangen die bij de gestanddoening van het openbaar bod verschuldigd is, dan wel betrekking heeft op voorschriften van belastingrecht die van toepassing zullen zijn op de tegenprestatie die aan de houders van effecten wordt geboden. De Autoriteit Financiële Markten besluit hiertoe uiterlijk vijf werkdagen na ontvangst van het biedingsbericht.

  • 3. Indien het biedingsbericht, bedoeld in het eerste lid, is opgesteld in een andere dan de Nederlandse of de Engelse taal kan de Autoriteit Financiële Markten de bieder door het geven van een aanwijzing verplichten een Nederlandse vertaling algemeen verkrijgbaar te stellen overeenkomstig het bepaalde in artikel 10. Indien het biedingsbericht is opgesteld in de Engelse taal kan de Autoriteit Financiële Markten de bieder door het geven van een aanwijzing verplichten een Nederlandse samenvatting, die ten minste een verwijzing bevat naar het onderliggende biedingsbericht en de gegevens bedoeld in de onderdelen 4, 5, 6, 9, en 10 van paragraaf 1 van bijlage A. De vertaling wordt algemeen verkrijgbaar gesteld overeenkomstig artikel 10.

Artikel 12

  • 1. De bieder deelt de voorwaarden waarvan hij de nakoming van het openbaar bod afhankelijk stelt, uiterlijk gelijktijdig met het uitbrengen van het bod openbaar mede. Deze voorwaarden maken onderdeel uit van het openbaar bod.

  • 2. De bieder stelt de verplichting tot nakoming niet afhankelijk van een voorwaarde waarvan de vervulling afhankelijk is van zijn wil.

  • 3. Zodra is komen vast te staan dat een door de bieder gestelde voorwaarde niet wordt vervuld, doet de bieder een openbare mededeling hierover, alsmede over zijn beslissing of op grond van het niet vervullen van de voorwaarde het openbaar bod vervalt.

Artikel 13

  • 1. Tussen het tijdstip waarop het openbaar bod is uitgebracht en het tijdstip waarop een openbare mededeling is gedaan omtrent de gestanddoening, doen de bieder en de doelvennootschap, met betrekking tot de door henzelf verrichte transacties, met uitzondering van in regelmatig verkeer op de markten in financiële instrumenten verrichte transacties, een openbare mededeling over transacties in de effecten waarop het openbaar bod betrekking heeft of of de effecten die in ruil worden aangeboden, dan wel van met betrekking tot die transacties gesloten overeenkomsten. In de melding wordt mededeling gedaan van de hoeveelheid en categorie of klasse van deze effecten, de daarvoor geldende voorwaarden, waaronder de prijs of ruilverhouding, en de omvang van de bestaande onderlinge rechtstreekse of middellijke kapitaaldeelnemingen.

  • 2. De openbare mededeling, bedoeld in het eerste lid, wordt telkens onverwijld gedaan nadat de betrokken transactie tot stand is gekomen, met dien verstande dat ten hoogste één keer per dag een openbare mededeling behoeft te worden gedaan. Het op de hoogte stellen van de Autoriteit Financiële Markten, overeenkomstig artikel 5:59, eerste lid, derde volzin, van de wet, kan achterwege blijven,indien de bieder of de doelvennootschap een door hem verrichte transactie in effecten reeds heeft gemeld overeenkomstig artikel 5:38, 5:40 of 5:60, eerste lid, van de wet.

§ 2.4 Aanmelding van effecten

Artikel 14

  • 1. De bieder die een openbaar bod uitbrengt, stelt een aanmeldingstermijn.

  • 2. De aanmeldingstermijn vangt niet eerder aan dan op de eerste werkdag volgend op het uitbrengen van het openbaar bod.

  • 3. De aanmeldingstermijn van een volledig bod of een verplicht bod is, gerekend van de dag waarop de gelegenheid tot aanmelding is opengesteld tot en met de dag waarop de gelegenheid tot aanmelding wordt gesloten, niet korter dan vier weken.

  • 4. De aanmeldingstermijn van een partieel bod of een tenderbod is, gerekend vanaf de dag waarop de gelegenheid tot aanmelding is opengesteld tot en met de dag waarop de gelegenheid tot aanmelding wordt gesloten, niet korter dan twee weken.

  • 5. De aanmeldingstermijn is niet langer dan tien weken, gerekend van de dag waarop de gelegenheid tot aanmelding is opengesteld tot en met de dag waarop de gelegenheid tot aanmelding wordt gesloten.

Artikel 15

  • 1. De bieder kan de aanmeldingstermijn eenmaal verlengen. De verlenging bedraagt, onverminderd het tweede lid, ten minste twee weken en niet meer dan tien weken, gerekend vanaf de einddatum van de oorspronkelijke termijn.

  • 2. De bieder kan uiterlijk op de derde werkdag na het einde van de oorspronkelijke termijn besluiten tot verlenging van de aanmeldingstermijn en doet na dit besluit een openbare mededeling hierover, onder vermelding van de einddatum van de aldus verlengde termijn.

  • 3. Rechthebbenden van effecten die vóór het einde van de oorspronkelijke termijn hun effecten hebben aangemeld kunnen tijdens de verlengingsperiode deze aanmelding herroepen.

  • 4. De bieder kan gedurende de, al dan niet overeenkomstig het eerste of het derde lid verlengde, aanmeldingstermijn de geboden prijs eenmaal verhogen. De bieder doet een openbare mededeling over de verhoging van de geboden prijs.

  • 5. Indien voor het tijdstip waarop de aanmeldingstermijn eindigt door een derde een openbaar bod op dezelfde categorie of klasse van effecten wordt aangekondigd of uitgebracht, kan de bieder de, al dan niet verlengde, aanmeldingstermijn verlengen tot het einde van de aanmeldingstermijn van dat openbaar bod.

  • 6. Indien een verzoek als bedoeld in artikel 5:80b van de wet is gedaan wordt de, al dan niet verlengde, aanmeldingstermijn opgeschort tot en met het tijdstip waarop de beslissing van de ondernemingskamer uitvoerbaar bij voorraad is verklaard of, indien de beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, tot en met het tijdstip waarop deze onherroepelijk is geworden.

  • 7. Rechthebbenden van effecten die hun effecten hebben aangemeld voordat een verzoekschrift is ingediend, houdende een verzoek als bedoeld in artikel 5:80b van de wet, kunnen indien het verzoek is toegewezen deze aanmelding herroepen, nadat de beslissing van de ondernemingskamer uitvoerbaar bij voorraad is verklaard of onherroepelijk is geworden en voor het einde van de aanmeldingstermijn.

§ 2.5 Gestanddoening

Artikel 16

  • 1. De bieder doet uiterlijk op de derde werkdag na het einde van de aanmeldingstermijn een openbare mededeling of hij het openbaar bod gestand doet. Indien de bieder het bod niet gestand doet, deelt hij de reden hiervan openbaar mede.

  • 2. De bieder vermeldt de totale waarde, het aantal en het daarbij behorende percentage van de ingevolge het openbaar bod aangemelde effecten, alsmede het totale aantal en het corresponderende percentage van effecten dat na de aanmeldingstermijn in zijn bezit is.

  • 3. De bieder kan het openbaar bod gestand doen indien effecten tot een geringer bedrag, aantal of percentage zijn aangemeld dan het bedrag, aantal onderscheidenlijk percentage van welker aanbieding binnen de aanmeldingstermijn hij zijn verplichting tot gestanddoening van het bod afhankelijk stelde.

Artikel 17

  • 1. De bieder kan binnen drie werkdagen na gestanddoening van het openbaar bod aan de rechthebbenden van de effecten waarop het openbaar bod betrekking had en die hun effecten niet hebben aangemeld de mogelijkheid geven om deze effecten aan te bieden tegen dezelfde voorwaarden die golden voor het gestand gedane openbaar bod. De bieder doet hierover een openbare mededeling waarin ten minste wordt vermeld:

    a. de reden waarom de bieder overgaat tot het geven van deze mogelijkheid;

    b. de termijn waarbinnen de effecten aangemeld kunnen worden; en

    c. dat het oorspronkelijke biedingsbericht van toepassing is.

  • 2. De in het eerste lid, onder b, bedoelde termijn vangt aan op de eerste werkdag volgend op die van de openbare mededeling, bedoeld in de aanhef van het eerste lid, en is niet langer dan twee weken.

  • 3. Gedurende de in het eerste lid, onder b, bedoelde termijn is artikel 13 van overeenkomstige toepassing.

  • 4. De bieder doet uiterlijk op de derde werkdag na het einde van de in het eerste lid, onder b, bedoelde termijn een openbare mededeling over het aantal en het percentage van de effecten dat aangeboden is binnen deze termijn en het totale aantal en het totale percentage van de effecten in zijn bezit is.

HOOFDSTUK 3. BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR EEN VOLLEDIG BOD, EEN PARTIEEL BOD, EEN TENDERBOD EN EEN VERPLICHT BOD

§ 3.1 Een volledig bod

Artikel 18

  • 1. De doelvennootschap met zetel in Nederland waarop een volledig bod is uitgebracht roept haar aandeelhouders op voor een na de openbare mededeling van de verkrijgbaarstelling van het biedingsbericht en ten minste zes werkdagen voor het einde van de aanmeldingstermijn te houden algemene vergadering van aandeelhouders ter bespreking van het uitgebrachte openbaar bod.

  • 2. De doelvennootschap stelt uiterlijk vier werkdagen voor de in het eerste lid bedoelde vergadering een bericht voor haar aandeelhouders algemeen verkrijgbaar dat ten minste de in bijlage G bedoelde informatie inhoudt.

  • 3. Over de algemeenverkrijgbaarstelling van het bericht, bedoeld in het tweede lid, doet de doelvennootschap een openbare mededeling.

  • 4. Indien voor het einde van de aanmeldingstermijn door een derde een openbaar bod op dezelfde effecten wordt uitgebracht, behoeft de doelvennootschap niet opnieuw toepassing te geven aan het in het eerste tot en met het derde lid, maar doet zij een openbare mededeling van haar standpunt met betrekking tot het door de derde uitgebrachte openbaar bod.

Artikel 19

De bieder betaalt, indien hij het volledig bod gestand doet, steeds voor alle ingevolge dat volledig bod aangemelde effecten een vergoeding welke overeenkomt met de in het biedingsbericht genoemde vergoeding, die al dan niet is verhoogd op grond van artikel 15, vierde lid, of de hoogste door hem betaalde vergoeding in verband met een transactie als bedoeld in artikel 5, vierde lid of 13, eerste lid, met uitzondering van in regelmatig verkeer op markten in financiële instrumenten tot stand gekomen transacties.

§ 3.2 Een partieel bod

Artikel 20

  • 1. De doelvennootschap met zetel in Nederland waarop een partieel bod is uitgebracht stelt uiterlijk vier werkdagen voor het einde van de aanmeldingstermijn een bericht voor haar aandeelhouders verkrijgbaar dat ten minste de in bijlage G bedoelde informatie inhoudt.

  • 2. Artikel 18, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 21

  • 1. Indien de bieder na verkrijging van de naar aanleiding van het partieel bod aangeboden effecten direct of indirect ten minste over 30 procent van de stemrechten in de algemene vergadering van aandeelhouders van de doelvennootschap zal beschikken, doet hij zijn partieel bod gestand met hantering van een non-discriminatoire systematiek, waarbij ten hoogste 30 procent minus één stem van de stemrechten kan worden verkregen. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de systematiek van gestanddoening.

  • 2. Artikel 19 is van overeenkomstige toepassing.

§ 3.3 Een tenderbod

Artikel 22

  • 1. De doelvennootschap met zetel in Nederland waarop een tenderbod is uitgebracht stelt, uiterlijk vier werkdagen voor het einde van de aanmeldingstermijn een bericht voor haar aandeelhouders verkrijgbaar dat ten minste de in bijlage G bedoelde informatie inhoudt.

  • 2. Artikel 18, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 23

  • 1. De bieder doet het tenderbod gestand indien de beoogde verkrijging mogelijk is tegen een door de bieder in het biedingsbericht te vermelden prijs per aandeel.

  • 2. Indien de bieder na verkrijging van de naar aanleiding van het tenderbod aangeboden effecten direct of indirect ten minste 30 procent van de stemrechten in de algemene vergadering van aandeelhouders van de doelvennootschap zal vertegenwoordigen, doet hij zijn bod gestand met hantering van een non-discriminatoire systematiek, waarbij ten hoogste 30 procent minus één stem van deze stemrechten kan worden verkregen. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de systematiek van gestanddoening.

  • 3. De bieder betaalt, bij gestanddoening voor alle aangeboden effecten van dezelfde categorie of klasse de hoogste prijs waartegen enig effect van de desbetreffende categorie of klasse is aangeboden.

§ 3.4 Een verplicht bod

Artikel 24

De bieder stelt de gestanddoening van een verplicht bod niet afhankelijk van voorwaarden.

Artikel 25

  • 1. Indien na de aankondiging van het verplicht bod en voor het einde van de aanmeldingstermijn, bedoeld in artikel 14, of, voor zover van toepassing, voor het einde van de verlengde aanmeldingstermijn, bedoeld in artikel 15, door de bieder of de personen waarmee deze in onderling overleg handelt effecten worden verkregen voor een hogere prijs dan de billijke prijs, bedoeld in artikel 5:80a van de wet, verhoogt de bieder de prijs tot ten minste de hoogste prijs die is betaald voor de aldus verworven effecten.

  • 2. Indien de bieder in de periode van een jaar voorafgaand aan de aankondiging van het verplichte bod geen effecten heeft verworven van dezelfde categorie of klasse als waarop het verplicht bod betrekking heeft, is de billijke prijs gelijk aan de prijs van de gemiddelde beurskoers van die effecten op de markten in financiële instrumenten waarop de effecten in die periode toegelaten waren tot de handel.

  • 3. Een verzoek tot het vaststellen van de billijke prijs overeenkomstig artikel 5:80b van de wet, wordt uiterlijk vier weken na de aankondiging van het bod gedaan.

  • 4. Indien een op grond artikel 5:80b van de wet gedaan verzoek tot het vaststellen van de billijke prijs door de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam is toegewezen, wordt die billijke prijs geacht de in het biedingsbericht vermelde billijke prijs te vervangen, op het moment dat de beslissing van de ondernemingskamer uitvoerbaar bij voorraad is verklaard of onherroepelijk is geworden.

  • 5. De bieder doet een openbare mededeling over de toewijzing door de ondernemingskamer van het verzoek tot vaststelling van de billijke prijs. De bieder vermeldt daarbij de hoogte van de vastgestelde billijke prijs en de gevolgen die deze prijs heeft voor de financiering van het bod, en in geval van een ruilbod, de gevolgen die deze prijs heeft voor de financiële stabiliteit van de vennootschap waarvan effecten in ruil worden aangeboden.

Artikel 26

  • 1. De billijke prijs luidt in effecten, geld of een combinatie van effecten en geld.

  • 2. De billijke prijs kan uitsluitend in effecten luiden, indien het een categorie of klasse van effecten betreft die liquide is en tot de handel op een gereglementeerde markt is toegelaten.

  • 3. De billijke prijs luidt in elk geval ook in geld indien de bieder, alleen of gezamenlijk met de personen waarmee deze in onderling overleg handelt, gedurende de in artikel 25, tweede lid, bedoelde periode, tegen contante betaling effecten waaraan vijf procent of meer van de stemrechten in de algemene vergadering van de doelvennootschap is verbonden, heeft verkregen.

HOOFDSTUK 4. INFORMATIEVERSTREKKING AAN WERKNEMERS OF VERTEGENWOORDIGERS DAARVAN

Artikel 27

  • 1. De doelvennootschap met zetel in Nederland stelt onverwijld na de algemeenverkrijgbaarstelling van het biedingsbericht de vertegenwoordigers van haar werknemers of, bij ontstentenis van die vertegenwoordigers, de werknemers zelf van het openbaar bod in kennis, onder gelijktijdige terbeschikkingstelling van het biedingsbericht.

  • 2. Een bericht als bedoeld in artikel 18, tweede lid, 20, eerste lid of 22, eerste lid, wordt gelijktijdig met het algemeen verkrijgbaar stellen ervan verstrekt aan de vertegenwoordigers van de werknemers van de doelvennootschap of, bij ontstentenis van zodanige vertegenwoordigers, aan de werknemers van de doelvennootschap zelf.

HOOFDSTUK 5. WIJZIGINGEN VAN ANDERE BESLUITEN

Artikel 28

Het Besluit bekostiging financieel toezicht wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het eerste lid van artikel 2 wordt na onderdeel g onder vervanging van de punt door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:

h. een goedkeuring van een biedingsbericht als bedoeld in artikel 5:77, eerste lid.

2. Artikel 3, tweede lid, komt als volgt te luiden:

  • 2. De Autoriteit Financiële Markten brengt eenmalig een bedrag in rekening aan een bieder:

    a. nadat de bieder omtrent de aanvraag tot goedkeuring van het biedingsbericht een openbare mededeling als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a of b, of tweede lid, van het Besluit openbare biedingen heeft gedaan.

    b. nadat de bieder omtrent de gestanddoening van het openbaar bod een openbare mededeling als bedoeld in artikel 16 van het Besluit openbare biedingen heeft gedaan.

Artikel 30

Het Besluit boetes Wft wordt als volgt gewijzigd:

De tabel behorende bij artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. De artikelen 5:71, eerste lid, en 5:72 worden uit de tabel verwijderd.

2. Na artikel 5:68, eerste lid, worden de volgende artikelen en bijbehorende tariefnummers ingevoegd: 5:74, eerste en vierde lid, 5:78, 5:79, tariefnummer 5.

3. Na de artikelen behorende tot het Besluit melding zeggenschap en kapitaalbelang in uitgevende instellingen Wft wordt een nieuwe aanhef ingevoegd, luidende: Besluit openbare biedingen.

4. Onder de aanhef Besluit openbare biedingen worden de volgende artikelen en bijbehorende tariefnummers ingevoegd: 3, 4, eerste en derde lid, 5, eerste, vierde en vijfde lid, 6, 7, 10, 11, 12, 13, 14, 15, eerste tot en met vierde lid, 16, eerste, tweede en vierde lid, 17, 18, eerste tot en met derde lid, 19, 22, 21, 22, 23, 24, 25, eerste lid en 27 tariefnummer 4.

Artikel 30

Het Besluit marktmisbruik Wft wordt als volgt gewijzigd:

Aan artikel 2 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel i door een puntkomma, na onderdeel i een onderdeel toegevoegd, luidende:

j. het verkopen van in het kader van een personeelsregeling als bedoeld in onderdeel a toegekende aandelen, certificaten van aandelen of soortgelijke effecten onmiddellijk nadat verkoop volgens de voorwaarden van de toekenning voor het eerst mogelijk wordt, waarbij de betrokkene de opbrengst van de verkoop onmiddellijk aanwendt ter voldoening van een uit de toekenning voortvloeiende belastingplicht.

Artikel 31

Het Besluit artikel 10 overnamerichtlijn wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 1, eerste lid, onder c, wordt de zinsnede «de artikelen 2 en 3 van de Wet melding zeggenschap in ter beurze genoteerde vennootschappen 1996» vervangen door: de artikelen 5:34, 5:35 en 5:43 van de Wet op het financieel toezicht.

HOOFDSTUK 6. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 32

  • 1. Indien voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit een mededeling als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, van het Besluit toezicht effectenverkeer 1995 is gedaan naar aanleiding van een omstandigheid als bedoeld in artikel 9b, tweede lid, onder a, b of c, van dat besluit, blijft op dat openbaar bod het recht van toepassing zoals dat gold op het tijdstip waarop die mededeling werd gedaan. Het in de vorige volzin bedoelde recht blijft van toepassing tot en met het tijdstip waarop een openbare mededeling omtrent het besluit van de bieder om het openbaar bod, over de voorbereiding waarvan eerder een openbare mededeling is gedaan, niet uit te brengen wordt gedaan of het tijdstip waarop een op grond van dat recht uitgebracht openbaar bod met inachtneming van dat recht gestand is gedaan en levering en betaling van de aangeboden effecten heeft plaatsgevonden.

  • 2. Indien voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit een mededeling als bedoeld in artikel 9b, tweede lid, onder a, b of c, van het Besluit toezicht effectenverkeer 1995, is gedaan en na de inwerkingtreding van dit besluit door een derde een openbaar bod wordt aangekondigd, of na het aankondigen van dat openbaar bod door degene die de mededeling als bedoeld in artikel 9b, tweede lid, onder a, b, of c van het Besluit toezicht effectenverkeer 1995, heeft gedaan, of door die derde een nieuw openbaar bod wordt aangekondigd op dezelfde effecten van een doelvennootschap, is op ieder, hiervoor genoemd (aangekondigd) openbaar bod het recht van toepassing zoals dat gold op het tijdstip waarop de eerstbedoelde mededeling werd gedaan. Het in de vorige volzin bedoelde recht blijft van toepassing tot en met het tijdstip waarop met betrekking tot ieder hiervoor genoemd (aangekondigd) openbaar bod een openbare mededeling is gedaan omtrent het besluit van de bieder om het openbaar bod, over de voorbereiding waarvan eerder een openbare mededeling is gedaan, niet uit te brengen of met inachtneming van het op dat openbaar bod toepasselijke recht gestanddoening en levering en betaling van de aangeboden effecten heeft plaatsgevonden.

Artikel 33

De bedragen, bedoeld in artikel 28 worden in afwijking van artikel 9 van het Besluit bekostiging financieel toezicht in het jaar 2007 vastgesteld binnen vier weken na inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 34

De artikelen 9a tot en met 9v van het Besluit toezicht effectenverkeer 1995 vervallen.

Artikel 35

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 36

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit openbare biedingen Wft.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 12 september 2007

Beatrix

De Minister van Financiën,

W. J. Bos

Uitgegeven de achttiende september 2007

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

BIJLAGE A

ALGEMENE GEGEVENS INZAKE HET OPENBAAR BOD

§ 1. Gegevens betreffende het bod

1. De mededeling of met de doelvennootschap overleg over het bod is gevoerd en of dit overleg tot overeenstemming heeft geleid en indien van toepassing:

1.1 met welke organen van de doelvennootschap het overleg is gevoerd;

1.2 de aard van de gesloten overeenkomsten aangaande het openbaar bod tussen bieder en doelvennootschap;

1.3 de overeengekomen ontbindings- en boeteclausules, onder vermelding van de hoogte, een zakelijke weergave van de inhoud van de overeenkomst en de redenen voor het overeenkomen van de clausules.

2. De verklaring dat het openbaar bod is gericht tot alle rechthebbenden van de uitstaande effecten van de categorieën of klassen waarop het openbaar bod betrekking heeft.

3. De verklaring dat aan alle rechthebbenden van dezelfde categorie of klasse effecten hetzelfde openbaar bod wordt gedaan.

4. De aanmeldingstermijn en de wijze waarop rechthebbenden hun effecten kunnen aanbieden alsmede de vermelding dat de aanmeldingstermijn kan worden verlengd in overeenstemming met artikel 17.

5. Een regeling met betrekking tot de levering en betaling van aangeboden effecten, alsmede welke instelling optreedt als betaal- en wisselkantoor.

6. Een mededeling over de wijze van financiering van het openbaar bod waarbij, voor zover van toepassing, de op grond van artikel 8, vijfde lid, verstrekte informatie omtrent de vergoeding wordt beschreven of naar die informatie wordt verwezen.

7. De aan het bod ten grondslag liggende motieven en de voornemens met betrekking tot het voortzetten van de activiteiten en de plaats van vestiging van de doelvennootschap en, voor zover beïnvloed door het openbaar bod, van de bieder. Indien dat mogelijk is voor de bieder worden deze voornemens voorzien van een cijfermatige onderbouwing, welke in het bijzonder betrekking hebben op de financiële vooruitzichten van voortzetting van die activiteiten.

8. Een mededeling omtrent de voornemens ten aanzien van het in dienst houden van de werknemers en bestuurders van de doelvennootschap en de bieder, met inbegrip van elke belangrijke wijziging in de arbeidsvoorwaarden.

9. Voor zover van toepassing: de geboden vergoeding voor rechten die niet kunnen worden uitgeoefend als gevolg van artikel 359b, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met details betreffende de vorm waarin de vergoeding zal worden verstrekt en betreffende de methode ter bepaling van de omvang van die vergoeding.

10. De naam en functie van de natuurlijke personen, of de naam en zetel van de rechtspersonen of vennootschappen, die verantwoordelijk zijn voor het biedingsbericht of, in voorkomend geval, voor bepaalde gedeelten daarvan. In dit laatste geval worden deze gedeelten vermeld. Indien een rechtspersoon verantwoordelijk is voor het biedingsbericht of een gedeelte daarvan, worden tevens naam en functie vermeld van de natuurlijke personen die het beleid van deze rechtspersoon bepalen.

11. Een verklaring van de onder 10 bedoelde verantwoordelijke natuurlijke personen en rechtspersonen dat, voorzover hun redelijkerwijs bekend kan zijn, de gegevens in het biedingsbericht of in het gedeelte waarvoor zij verantwoordelijk zijn, in overeenstemming zijn met de werkelijkheid en dat geen gegevens zijn weggelaten waarvan vermelding de strekking van het biedingsbericht zou wijzigen.

12. Indien en voor zover door de bieder bij een organisatie een schriftelijk advies is ingewonnen ter voorbereiding van of over de redelijkheid van het openbaar bod: de naam van deze organisatie, haar hoedanigheid, de andere functies die deze organisatie vervult en de strekking van het advies.

13. Het recht dat op de uit het bod voortvloeiende overeenkomsten tussen de bieder en de houders van effecten van de doelvennootschap van toepassing zal zijn, alsook de bevoegde rechtsinstanties.

14. De door de bieder en de doelvennootschap gemaakte en te maken kosten die zijn gerelateerd aan het openbaar bod, voor zover de bieder hierover beschikt, en door wie deze kosten zullen worden gedragen.

15. Een Nederlandse vertaling indien het biedingsbericht in een andere dan de Nederlandse of de Engelse taal is opgesteld. Een Nederlandse samenvatting indien het biedingsbericht in de Engelse taal is opgesteld, tenminste houdende een verwijzing naar het onderliggende biedingsbericht en de gegevens, bedoeld in de onderdelen 4, 5, 6, 9 en 10.

§ 2. Gegevens betreffende de bieder en de doelvennootschap

1. De naam, woonplaats of statutaire zetel en de rechtsvorm van de bieder en de doelvennootschap, alsmede:

1.1. indien het bod door meerdere natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen tezamen wordt uitgebracht: een opgave van hun onderlinge financiële en vennootschapsrechtelijke verhoudingen; en

1.2. de aandeelhoudersstructuur van de bieder.

2. De identiteitsgegevens van de personen die in onderling overleg met de bieder of met de doelvennootschap handelen, alsmede, indien het om rechtspersonen gaat, de rechtsvorm, de naam, de statutaire zetel en hun relatie tot de bieder en, indien mogelijk, tot de doelvennootschap.

3. Een beschrijving ten tijde van de verzending van de aanvraag tot goedkeuring van het biedingsbericht van de omvang van de bestaande onderlinge kapitaaldeelneming, zowel direct als indirect, van de bieder en de doelvennootschap.

4. Een beschrijving ten tijde van de verzending van de aanvraag tot goedkeuring van het biedingsbericht van de statutaire en contractuele bepalingen die in de weg kunnen staan aan de uitoefening van zeggenschapsrechten.

5. Een opgave door de bieder, de bestuurders en commissarissen van de bieder, indien deze een rechtspersoon is, en, indien het biedingsbericht tezamen met de doelvennootschap wordt opgesteld, de bestuurders en commissarissen van de doelvennootschap, van het aantal en de categorie of klasse van de door de doelvennootschap uitgegeven effecten welke door hen, hun echtgenoten of geregistreerde partners, hun minderjarige kinderen en door rechtspersonen waarin zij of deze personen de zeggenschap hebben, worden gehouden ten tijde van de verzending van de aanvraag tot goedkeuring van het biedingsbericht.

6. Een mededeling van de bieder, de bestuurders en commissarissen van de bieder en, indien het biedingsbericht tezamen met de doelvennootschap wordt opgesteld, de bestuurders en commissarissen van de doelvennootschap, inhoudende een opgave van de transacties en gesloten overeenkomsten met betrekking tot effecten in de doelvennootschap, welke transacties of welke overeenkomsten in de een jaar voorafgaand aan de openbare mededeling van de verkrijgbaarstelling van het biedingsbericht zijn verricht of afgesloten door hen, hun echtgenoten of geregistreerde partners, hun minderjarige kinderen en door rechtspersonen waarin zij of deze personen de zeggenschap hebben, onder vermelding van:

– hun namen;

– de hoeveelheid en de categorie of klasse van deze effecten alsmede de prijs of ruilverhouding welke voor ieder van deze transacties heeft gegolden, respectievelijk welke bij overeenkomsten of afspraken omtrent dergelijke transacties is bedongen; en

– in het geval van de bieder, voor zover het effecten betreft waarop het openbaar bod betrekking heeft en de prijs of ruilverhouding hoger is dan de ingevolge het openbaar bod geboden prijs of ruilverhouding, de motivering van dit verschil.

7. Een mededeling inhoudende een opgave van soortgelijke transacties als bedoeld onder 6. met betrekking tot transacties, verricht door rechtspersonen waarmee de bieder in een groep is verbonden.

8. Indien van toepassing: het bedrag van de vergoedingen aan de bestuurders en commissarissen van de doelvennootschap die bij de gestanddoening van het bod zullen aftreden, vermeld per bestuurder of commissaris.

9. Indien van toepassing: het bedrag van de vergoedingen aan de bestuurders en commissarissen van de bieder die verband houden met de gestanddoening van het openbaar bod en, indien het biedingsbericht tezamen met de doelvennootschap wordt opgesteld, het bedrag van de vergoedingen aan de bestuurders en commissarissen van de doelvennootschap die verband houden met de gestanddoening van het openbaar bod, vermeld per bestuurder of commissaris.

BIJLAGE B

BIJZONDERE GEGEVENS INZAKE HET VOLLEDIG BOD

§ 1. Gegevens betreffende het openbare bod

1. Het voorstel tot overneming van effecten volgens een daarbij aan te geven definitieve prijs of ruilverhouding, waarbij de effecten, of in voorkomend geval de categorie, categorieën, klasse of klassen van effecten waarop het volledig bod betrekking heeft, worden gespecificeerd.

2. Het aantal effecten van welke aanbieding binnen de aanmeldingstermijn de bieder zijn verplichting tot gestanddoening van het volledig bod afhankelijk stelt, onder vermelding van de bevoegdheid van de bieder het openbaar bod ook gestand te doen indien effecten tot een kleiner aantal of een geringer percentage zijn aangemeld.

3. Indien van toepassing, de verdere voorwaarden van welker vervulling de bieder zijn verplichting tot nakoming van het volledig bod afhankelijk stelt.

4. Een duidelijke motivering van de aangeboden prijs of ruilverhouding, bedoeld onder 1 waaronder:

4.1. de overwegingen en prognoses welke voor de bieder de hoogte van het volledig bod hebben bepaald, een cijfermatige onderbouwing van deze overwegingen en prognoses, alsmede de wijze van berekening van de prijs of ruilverhouding;

4.2. de verhouding van de geboden prijs of ruilverhouding tot de gemiddelde koers van de effecten waarop wordt geboden over de laatste 12 maanden; en

4.3. het koersverloop van de effecten waarop wordt geboden over de laatste 12 maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de aanvraag tot goedkeuring van het biedingsbericht is verzonden, in een grafiek of tabel.

5. Indien het volledig bod op meer dan één categorie of klasse effecten betrekking heeft en indien van toepassing: een duidelijke motivering van het verschil in de prijs of ruilverhouding voor de te onderscheiden categorieën of klassen effecten.

6. Een Nederlandse vertaling, indien het biedingsbericht in een andere dan de Nederlandse taal is opgesteld, van de gegevens bedoeld in de onderdelen: 1 en 3.

§ 2. Gegevens betreffende de bieder en de doelvennootschap

1. Indien van toepassing: voornemens inzake de samenstelling van het bestuur en de raad van commissarissen van de bieder en de doelvennootschap na gestanddoening van het volledig bod.

2. Indien ter beschikking van de bieder: gegevens omtrent het vermogen en de resultaten van de doelvennootschap met inbegrip van:

2.1. een vergelijkend overzicht van de balans, de verlies- en winstrekening en het kasstroomoverzicht uit de vastgestelde jaarrekeningen van de laatste drie jaar, en de meest recente algemeen verkrijgbaar gestelde jaarrekening, met inbegrip van een toelichting hierop;

2.2. een accountantsverklaring omtrent de informatie als bedoeld in 2.1, voorzover deze is afgegeven;

2.3. financiële gegevens omtrent het lopende boekjaar die in ieder geval de gegevens dienen te omvatten tot en met het laatst verstreken halfjaar, indien de lengte van de periode tussen het moment van algemeenverkrijgbaarstelling van het biedingsbericht en de laatste werkdag van het verstreken halfjaar meer dan vier maanden bedraagt; en

2.4. een reviewverklaring van een accountant omtrent de informatie bedoeld onder 2.3.

3. Indien van toepassing: voornemens inzake wijziging van de statuten van de doelvennootschap na gestanddoening van het volledig bod.

4. Indien van toepassing: het feit dat rechthebbenden van effecten van een categorie of klasse waarop het volledig bod betrekking heeft reeds te kennen hebben gegeven voor hun effecten het volledig bod te zullen aanvaarden onder vermelding van het totale nominale bedrag van deze effecten of het percentage van het totale geplaatste kapitaal.

BIJLAGE C

BIJZONDERE GEGEVENS INZAKE HET PARTIEEL BOD

1. Het voorstel tot overneming van effecten volgens een daarbij aan te geven definitieve prijs of ruilverhouding, waarbij de effecten, of in voorkomend geval de categorie, categorieën, klasse of klassen van effecten waarop het partieel bod betrekking heeft, worden gespecificeerd.

2. Het aantal effecten van welke aanbieding binnen de aanmeldingstermijn de bieder zijn verplichting tot gestanddoening van het bod afhankelijk stelt, alsook het hoogste percentage of aantal effecten dat de bieder toezegt te verwerven, onder vermelding van de bevoegdheid van de bieder het partieel bod ook gestand te doen indien effecten tot een kleiner aantal of een geringer percentage zijn aangemeld.

3. Indien van toepassing: de verdere voorwaarden van welker vervulling de bieder zijn verplichting tot nakoming van het partieel bod afhankelijk stelt.

4. Een duidelijke motivering van de aangeboden prijs of ruilverhouding, bedoeld onder 1, waaronder;

4.1. de overwegingen en prognoses welke voor de bieder de hoogte van het partieel bod hebben bepaald, een cijfermatige onderbouwing van deze overwegingen en prognoses, alsmede de wijze van berekening van de prijs of ruilverhouding;

4.2. de verhouding van de geboden prijs of ruilverhouding tot de gemiddelde koers van de effecten waarop wordt geboden over de laatste 12 maanden; en

4.3. het koersverloop van de effecten waarop wordt geboden over de laatste 12 maanden, te rekenen vanaf de datum waarop het biedingsbericht verkrijgbaar wordt gesteld, in een grafiek of tabel.

5. Indien het partieel bod op meer dan één categorie of klasse effecten betrekking heeft en indien van toepassing: een duidelijke motivering van het verschil in de prijs of ruilverhouding voor de te onderscheiden categorieën of klassen effecten.

6. Het getal of het percentage van iedere categorie of klasse van de effecten tot de verkrijging waarvan het partieel bod strekt.

7. De verklaring dat het partieel bod, behoudens het bepaalde onder 8, onvoorwaardelijk is en tevens dat het partieel bod onherroepelijk is, onder vermelding van de bevoegdheid van de bieder om het recht te bedingen het partieel bod in te trekken indien vóór het einde van de aanmeldingstermijn door een derde een openbaar bod op effecten van een of meer dezelfde categorieën of klassen wordt uitgebracht of het voornemen daartoe openbaar wordt medegedeeld.

8. De verklaring dat, in geval van gestanddoening, aanvaarding van aangeboden effecten, indien een groter aantal of een hoger percentage effecten wordt aangeboden dan de bieder gehouden dan wel bevoegd is te aanvaarden, zoveel mogelijk proportioneel zal geschieden, met hantering van een non-discriminatoire systematiek welke in het biedingsbericht wordt bekendgemaakt.

BIJLAGE D

BIJZONDERE GEGEVENS INZAKE HET TENDERBOD

1. De uitnodiging tot het aanbieden van de effecten tegen een door de rechthebbenden van deze effecten te noemen prijs in contanten, waarbij de effecten, of in voorkomend geval de categorie, categorieën, klasse of klassen van effecten waarop het bod betrekking heeft, worden gespecificeerd.

2. Indien van toepassing: de verdere voorwaarden van welker vervulling de bieder zijn verplichting tot nakoming van het tenderbod afhankelijk stelt.

3. Een duidelijke motivering van het tenderbod.

4. Het hoogste en laagste aantal of percentage van iedere categorie of klasse van de effecten dat de bieder toezegt te verwerven, onder vermelding van de bevoegdheid van de bieder het tenderbod ook gestand te doen indien effecten tot een kleiner aantal of een geringer percentage zijn aangemeld.

5. De verklaring dat het tenderbod, behoudens het bepaalde onder 8, onvoorwaardelijk is en tevens dat het bod onherroepelijk is, onder vermelding van de bevoegdheid van de bieder om het recht te bedingen het tenderbod in te trekken indien vóór het einde van de aanmeldingstermijn door een derde een openbaar bod op effecten van een of meer van dezelfde categorieën of klassen wordt uitgebracht of het voornemen daartoe openbaar wordt medegedeeld.

6. De verklaring dat de bieder zich verbindt tot gestanddoening, indien de beoogde verkrijging mogelijk is tegen een door de bieder in het biedingsbericht te vermelden prijs per aandeel.

7. De verklaring dat bij gestanddoening voor alle effecten van dezelfde categorie of klasse dezelfde prijs zal worden betaald, zijnde de hoogste prijs waartegen de desbetreffende categorie of klasse is aangeboden.

8. De verklaring dat in geval van aanvaarding van tegen de prijs van aanvaarding aangeboden effecten, indien een groter aantal of een hoger percentage effecten zal zijn aangeboden dan de bieder gehouden dan wel bevoegd is te aanvaarden, zoveel mogelijk proportioneel zal geschieden met hantering van een non-discriminatoire systematiek welke in het biedingsbericht wordt bekendgemaakt.

BIJLAGE E

BIJZONDERE GEGEVENS INZAKE HET VERPLICHT BOD

§ 1. Gegevens betreffende het openbare bod

1. Het voorstel tot overneming van effecten volgens een daarbij aan te geven definitieve prijs of ruilverhouding, waarbij de effecten, of in voorkomend geval de categorie, categorieën, klasse of klassen van effecten waarop het verplicht bod betrekking heeft, worden gespecificeerd.

2. Indien het verplicht bod op meer dan één categorie of klasse effecten betrekking heeft en indien van toepassing: een duidelijke motivering van het verschil in de prijs of ruilverhouding voor de te onderscheiden categorieën of klassen effecten.

§ 2. Gegevens betreffende de bieder en de doelvennootschap

1. Indien van toepassing: voornemens inzake de samenstelling van het bestuur en de raad van commissarissen van de bieder en de doelvennootschap na gestanddoening van het verplicht bod.

2. Indien ter beschikking van de bieder: gegevens omtrent het vermogen en de resultaten van de doelvennootschap met inbegrip van:

2.1. een vergelijkend overzicht van de balans, de verlies- en winstrekening en het kasstroomoverzicht uit de vastgestelde jaarrekeningen van de laatste drie jaar, en de meest recente algemeen verkrijgbaar gestelde jaarrekening, met inbegrip van een toelichting hierop;

2.2. een accountantsverklaring omtrent de informatie als bedoeld in 2.1, indien deze is afgegeven;

2.3. financiële gegevens omtrent het lopende boekjaar die in ieder geval de gegevens dienen te omvatten tot en met het laatst verstreken halfjaar, indien de lengte van de periode tussen het moment van verkrijgbaarstelling van het biedingsbericht en de laatste werkdag van het verstreken halfjaar meer dan vier maanden bedraagt; en

2.4. een reviewverklaring van een accountant omtrent de informatie bedoeld onder 2.3.

3. Indien van toepassing: voornemens inzake wijziging van de statuten van de doelvennootschap na gestanddoening van het verplicht bod.

4. Indien van toepassing: het feit dat rechthebbenden van effecten van een categorie of klasse waarop het verplicht bod betrekking heeft reeds te kennen hebben gegeven voor hun effecten het verplichte bod te zullen aanvaarden onder vermelding van het totale nominale bedrag van deze effecten of het percentage van het totale geplaatste kapitaal.

BIJLAGE F

BIJZONDERE GEGEVENS INZAKE HET RUILBOD

Alle gegevens die, gelet op aard van de vennootschap waarvan door hem uitgegeven effecten in ruil worden aangeboden en van de in ruil aangeboden effecten van belang zijn voor het vormen van een verantwoord oordeel over de financiële positie, het resultaat en de vooruitzichten van die vennootschap en de rechten welke aan deze effecten verbonden zijn, waaronder in elk geval:

1. Gegevens omtrent het vermogen en de resultaten van de vennootschap die de effecten heeft uitgegeven die in ruil worden aangeboden, met inbegrip van:

1.1. een vergelijkend overzicht van de balans, de verlies- en winstrekening en het kasstroomoverzicht uit de vastgestelde jaarrekeningen van de laatste twee jaar, en de meest recente algemeen verkrijgbaar gestelde jaarrekening, met inbegrip van een toelichting hierop;

1.2. een accountantsverklaring omtrent de informatie als bedoeld in 1.1, indien deze is afgegeven;

1.3. financiële gegevens omtrent het lopende boekjaar die in ieder geval de gegevens dienen te omvatten tot en met het laatst verstreken halfjaar, indien de lengte van de periode tussen het moment van verkrijgbaarstelling van het biedingsbericht en de laatste werkdag van het verstreken halfjaar meer dan vier maanden bedraagt; en

1.4. een reviewverklaring van een accountant omtrent de informatie bedoeld onder 1.3.

2. Een gemotiveerde uiteenzetting omtrent de te verwachten voordelen van het openbaar bod en zo mogelijk een mededeling over dividendvooruitzichten van de van de vennootschap waarvan door hem uitgegeven effecten in ruil worden aangeboden.

3. Eventuele voornemens inzake wijziging van de statuten van de vennootschap waarvan door hem uitgegeven effecten in ruil worden aangeboden, na gestanddoening van het openbaar bod, voor zover de bieder hierover beschikt.

4. Eventuele voornemens inzake de samenstelling van het bestuur en van de raad van commissarissen van de vennootschap waarvan door hem uitgegeven effecten in ruil worden aangeboden, na gestanddoening van het openbaar bod, voor zover de bieder hierover beschikt.

5. Indien van toepassing: het bedrag van de vergoedingen aan de bestuurders en commissarissen van de vennootschap, anders dan de bieder of de doelvennootschap, waarvan effecten in ruil worden aangeboden, die bij gestanddoening van het openbaar bod zullen aftreden, vermeld per bestuurder of commissaris.

6. Indien van toepassing: het bedrag van de vergoedingen aan de bestuurders en commissarissen van de vennootschap, anders dan de bieder of de doelvennootschap, waarvan effecten in ruil worden aangeboden, die verband houden met de gestanddoening van het openbaar bod, vermeld per bestuurder of commissaris.

7. Indien van toepassing: gegevens omtrent de overeengekomen lock-up regelingen, met betrekking tot de effecten die in ruil worden aangeboden, voor de bestuurders en commissarissen van de bieder, de doelvennootschap of, indien van toepassing, van de vennootschap, anders dan de bieder of de doelvennootschap, waarvan effecten in ruil worden aangeboden, vermeld per bestuurder of commissaris.

BIJLAGE G

GEGEVENS INZAKE HET BERICHT VAN DE DOELVENNOOTSCHAP

1. Een gemotiveerde standpuntbepaling van het bestuur, waarin tenminste wordt ingegaan op de visie van het bestuur op de geboden prijs of ruilverhouding, de overwegingen en prognoses welke mede de hoogte van het openbaar bod hebben bepaald, waaronder een cijfermatige onderbouwing van haar visie op deze prijs of ruilverhouding en deze overwegingen en prognoses, de gevolgen van de uitvoering van het openbaar bod voor de werkgelegenheid, de arbeidsvoorwaarden en de vestigingsplaatsen van de vennootschap.

2. De gegevens omtrent het vermogen en de resultaten van de doelvennootschap, met inbegrip van de beschikbare gegevens omtrent het lopende boekjaar indien daarvan meer dan een kwartaal is verstreken, welke de aandeelhouders behoeven om zich een gefundeerd oordeel over het openbaar bod te kunnen vormen.

3. Een opgave door bestuurders en commissarissen van de doelvennootschap van de transacties en gesloten overeenkomsten omtrent effecten van de doelvennootschap en van effecten in de bieder indien het openbaar bod uitsluitend of mede strekt tot overneming van effecten in ruil voor effecten uit te geven door de bieder, welke transacties of welke overeenkomsten in het jaar voorafgaand aan de openbare mededeling van de verkrijgbaarstelling van het biedingsbericht zijn verricht of afgesloten door hen, hun echtgenoten of geregistreerde partners, hun minderjarige kinderen en door rechtspersonen waarin zij of deze personen de zeggenschap hebben, onder vermelding van:

3.1. hun namen;

3.1. de hoeveelheid en de categorie of klasse van deze effecten alsmede de prijs of ruilverhouding welke voor ieder van deze transacties heeft gegolden, respectievelijk welke bij overeenkomsten of afspraken omtrent dergelijke transacties is bedongen.

4. Indien door het bestuur van de doelvennootschap ontvangen: een standpunt van de vertegenwoordigers van de werknemers over de gevolgen van het bod voor de werkgelegenheid.

5. Indien door de doelvennootschap bij een derde een schriftelijk advies is ingewonnen over de redelijkheid van het openbaar bod: de naam van deze derde, zijn hoedanigheid, de andere functies die deze derde vervult en de strekking van het advies.

NOTA VAN TOELICHTING

ALGEMEEN

§1. Inleiding

Dit besluit strekt tot wijziging van de regels die gelden voor openbare biedingen. Deze regels waren voorheen opgenomen in de artikelen 9a tot en met 9v van het Besluit toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Bte 1995). Wijziging van de biedingsregels was echter nodig, enerzijds omdat deze modernisering behoeven en anderzijds vanwege de verplichting tot implementatie van richtlijn nr. 2004/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod (PbEU L 142; hierna: de overnamerichtlijn of de richtlijn). Op deze wijzigingen zal in de volgende paragrafen nader worden ingegaan.

De grondslag van dit besluit, het Besluit openbare biedingen, is gelegen in de Wet op het financieel toezicht (hierna: de wet1). In de wet zijn, na inwerkingtreding van het de Wet ter implementatie van de overnamerichtlijn2, nieuwe bepalingen opgenomen die specifiek gelden voor overnamebiedingen. Dit besluit bevat nadere regels ter uitvoering van die bepalingen. Het Bte 1995, waarin de regels voor openbare biedingen waren opgenomen, is vervallen bij gelegenheid van inwerkingtreding van dit besluit. Tevens is de Tijdelijke vrijstellingsregeling overnamebiedingen vervallen en is de Beleidsregel Biedingsbericht (hierna: beleidsregel biedingsbericht) door de Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM) ingetrokken.3

Met de inwerkingtreding van de nieuwe biedingsregels in de wet en in dit besluit en de wijzigingen van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) welke hebben plaatsgevonden bij de Wet ter implementatie van de overnamerichtlijn, zal ook Bijlage X van het Algemeen Reglement Euronext Amsterdam Stock Market, Euronext Rule Book, Book II kunnen komen te vervallen. In Bijlage X zijn thans nog voorschriften opgenomen met betrekking tot beschermingsmaatregelen van «issuers» waarvan aandelen tot de notering toegelaten. Omdat na genoemde wetswijzigingen het niet meer passend wordt geacht dat dergelijke voorschriften door de houder van een markt in financiële instrumenten worden voorgeschreven en vanwege de nauwe samenhang die bestaat tussen deze voorschriften en de in de Wet en in Boek 2 BW opgenomen (nieuwe) bepalingen, wordt het niet langer noodzakelijk geacht dat Euronext Amsterdam Bijlage X handhaaft.

Gedurende de voorbereiding van dit besluit hebben zich uiteenlopende openbare biedingen voorgedaan die reden hebben gegeven om onderdelen van bepalingen die waren opgenomen in het Bte 1995 kritisch te bezien en, in sommige gevallen, te heroverwegen. Dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat de voorschriften in dit besluit voorzien in een verbeterd en transparanter biedingsproces. Naast nieuwe voorschriften die leiden tot een verduidelijking van de aanvang – de aankondiging – van het biedingsproces, zowel bij «vriendschappelijke» als bij «vijandige» biedingen, kan daarbij worden gedacht aan het synchroniseren van termijnen bij concurrerende biedingen en het vergroten van de transparantie in het biedingsbericht omtrent met het openbaar bod verband houdende vergoedingen die aan bestuurders van de doelvennootschap worden toegekend. De verplichte goedkeuring van het biedingsbericht door de AFM leidt daarnaast tot een versterking van de rol van de AFM.

§2. Modernisering biedingsregels

In de memorie van toelichting bij het voorstel van Wet houdende opneming in de Wet toezicht effectenverkeer 1995 van bepalingen betreffende openbare biedingen op effecten (Wet openbare biedingen op effecten)4, is aangekondigd dat in een later stadium zou worden bezien in hoeverre de biedingsregels inhoudelijk moeten worden gewijzigd.5 Dit voornemen hield verband met de opzet van de Wet openbare biedingen op effecten; in deze wet werden, met het oog op een snelle realisatie, de materiële biedingsregels uit Hoofdstuk I van de SER-Fusiecode enkel technisch overgebracht naar het Bte 1995. De omzetting van de biedingsregels uit de SER-Fusiecode werd daarom ook wel aangeduid als de eerste fase. In dit besluit is uitvoering gegeven aan de zogenoemde tweede fase: een inhoudelijke wijziging en actualisering van de biedingsregels in het licht van de ontwikkelingen in de markt en in verband met de implementatie van de overnamerichtlijn.

Actualisering van de materiële biedingsregels heeft plaatsgevonden door enerzijds te bezien of en in hoeverre handhaving van de thans geldende regels noodzakelijk is in het licht van de huidige stand van zaken op de financiële markten. In dit kader zijn de inhoudelijke vereisten van het biedingsbericht onder andere aangevuld met elementen uit de beleidsregel biedingsbericht van de AFM en elementen die afkomstig zijn uit de door AFM ontwikkelde toezichtspraktijk. Ook is er voor gekozen de biedingsregels systematisch meer aan te laten sluiten bij een aantal verwante regelingen (zie ook hieronder in paragraaf 4).

Ten opzichte van het Bte 1995 is de volgorde waarin de artikelen in dit besluit zijn opgenomen gewijzigd. In dit besluit wordt ten eerste zoveel mogelijk aangesloten bij de (chronologische) volgorde van het biedingsproces. Daarnaast is een structuur gehanteerd waarin eerst de algemene regels zijn opgenomen die gelden voor alle vormen van openbare biedingen en vervolgens de bijzondere regels die slechts gelden voor één (of meer) vorm(en) van openbare biedingen. Beoogd is daarmee het besluit inzichtelijker te maken.

Ten slotte dient nog vermeld te worden dat met het oogmerk om meer duidelijkheid te scheppen is gekozen voor gebruik van het woord «werkdagen» in dit besluit. In verschillende oude regelingen komen zowel de begrippen «werkdag», «beursdag», als «handelsdag» voor. Van belang hierbij is dat de werkdagen voor de AFM worden bepaald door de Algemene Bank-CAO.

§3. Implementatie van de overnamerichtlijn

Naast modernisering van de materiële biedingsregels was aanpassing van de biedingsregels noodzakelijk in verband met voorschriften die uit de overnamerichtlijn voortvloeien. De overnamerichtlijn geeft minimumvereisten waaraan bij een openbaar bod betrokken partijen en het biedingsproces moeten voldoen. De materiële biedingsregels, zoals voorheen opgenomen in het Bte 1995, voldeden op een aantal punten al aan deze vereisten, en zijn door middel van dit besluit op onderdelen aangepast en aangevuld. Daarbij verdient, wellicht ten overvloede, aandacht dat artikel 5, zesde lid, van de overnamerichtlijn de mogelijkheid biedt om strengere regels te hanteren ter bescherming van minderheidsaandeelhouders.

De volgende onderdelen van de overnamerichtlijn zijn in het besluit geïmplementeerd.

De overnamerichtlijn bepaalt in artikel 3, eerste lid, onder e, dat een bieder zijn bod pas mag aankondigen nadat hij ervoor heeft gezorgd dat hij een tegenprestatie in geld kan opbrengen, indien het bod in contanten luidt of alle redelijke maatregelen heeft getroffen om enige andere vorm van vergoeding te kunnen verstrekken (de zogenoemde «certain funds» regel). De biedingsregels kenden, met uitzondering van de Tijdelijke vrijstellingsregeling overnamebiedingen, een dergelijke regeling niet en om die reden is een bepaling van deze strekking opgenomen in artikel 7, vierde en vijfde lid. Bedacht dient daarbij te worden dat deze verplichting volgens de letterlijke tekst van de overnamerichtlijn dient te ontstaan op het moment van het «aankondigen van een bod». De termen «aankondigen», «openbaar maken» en «uitbrengen van een bod» worden in de richtlijn echter niet steeds consequent toegepast. Vergelijk ook hetgeen hierover is opgemerkt in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel ter implementatie van de overnamerichtlijn.6 In de Wet ter implementatie van de overnamerichtlijn worden daarom consequent de begrippen «aankondigen van een bod» en «uitbrengen van een bod» gebruikt. Deze systematiek is ook in dit besluit toegepast, onder meer in de artikelen 5 en 10. Voor een verdere toelichting op de «certain funds» regel wordt verwezen naar paragraaf 6 en het artikelsgewijze deel, onder artikel 7, van deze nota van toelichting.

Voorts introduceert de overnamerichtlijn in artikel 5 het verplicht bod. In welke situaties de verplichting om een bod uit te brengen ontstaat ten aanzien van naamloze vennootschappen die statutair in Nederland zijn gevestigd, is geregeld in artikel 5:70 van de wet. Daarnaast is in de wet geregeld dat ook voor het uitbrengen van een verplicht bod een biedingsbericht dient te worden opgesteld. Om die reden voorziet dit besluit ook in biedingsregels bij een verplicht bod. Op het verplicht bod zijn, naast de algemene biedingsregels uit hoofdstuk 2, in het bijzonder de in paragraaf 3.4 van dit besluit opgenomen regels van toepassing.

Een derde bepaling uit de overnamerichtlijn die tot aanpassing van de biedingsregels aanleiding heeft gegeven, is artikel 5, vierde en vijfde lid. Daarin wordt bepaald dat bij een verplicht bod een billijke prijs moet worden geboden en dat deze billijke prijs – in beginsel – zowel in geld als in effecten, of een combinatie daarvan, mag luiden. Hoewel de kern van deze regel is opgenomen in de artikelen 5:80a en 5:80b van de wet, zijn in dit besluit nadere regels opgenomen waarin deze bepaling verder is uitgewerkt.

Het uit de overnamerichtlijn voortvloeiende vereiste dat een biedingsbericht goedgekeurd moet zijn, is opgenomen in artikel 5:74, eerste lid, van de wet. In dit besluit is de bevoegdheid van de AFM om het biedingsbericht goed te keuren uitgewerkt. Ook de in artikel 6, derde lid, onder c, e, f, i en l tot en met n, van de overnamerichtlijn opgenomen vereisten voor de inhoud van het biedingsbericht, zijn in dit besluit geïmplementeerd. Deze bepalingen hebben geleid tot aanpassing van de lijst met informatiebestanddelen die het biedingsbericht moet bevatten. In het artikelsgewijze deel van deze nota van toelichting is nader uiteengezet welke informatiebestanddelen moeten worden opgenomen in het biedingsbericht.

Ten slotte schrijft de overnamerichtlijn een minimum- en een maximumtermijn voor aanvaarding van het bod voor. De in artikel 9o van het Bte 1995 opgenomen minimumtermijn was niet in overeenstemming met de overnamerichtlijn. In dit besluit is de minimumtermijn aangepast. Bovendien werd in het Bte 1995 nog geen maximumtermijn voorgeschreven waarbinnen een uitgebracht bod diende te worden aanvaard. Ook hierin wordt door dit besluit voorzien. Verwezen wordt naar de artikelen 14 en 15 en de toelichting daarop.

§4. Verhouding tot bepalingen in de wet en aansluiting bij verwante regelingen

Naast modernisering van de biedingsregels en implementatie van uit de overnamerichtlijn voortvloeiende voorschriften is in dit besluit van de mogelijkheid gebruikt gemaakt om de biedingsregels – waar mogelijk en wenselijk – nauwer te laten aansluiten bij verwante regelgeving. Het betreft onder meer de aansluiting van de voorschriften ter goedkeuring van het biedingsbericht bij die van de goedkeuring van het prospectus (opgenomen in artikel 5:6 en volgende van de wet) en een nauwere aansluiting bij de bepalingen in artikel 5:53 en volgende van de wet die zien op het voorkomen van marktmisbruik.

Ten eerste een aantal opmerkingen over de aansluiting bij de voorschriften betreffende goedkeuring en algemeenverkrijgbaarstelling van het prospectus. Vanwege het vergelijkbare karakter van het biedingsbericht en het prospectus – beide zijn immers bedoeld als informatiedocument voor (potentiële) aandeelhouders – worden de goedkeuring van het biedingsbericht en die van het prospectus op vergelijkbare wijze geregeld. Dit komt erop neer dat net als bij het prospectus (vergelijk artikel 5:9 van de wet), goedkeuring van het biedingsbericht wordt verleend wanneer alle vereiste informatie in het biedingsbericht is opgenomen (artikel 8 van dit besluit). De AFM toetst of deze informatie op volledige, duidelijke en consistente wijze is opgenomen in het biedingsbericht. Hiertoe is in het besluit opgenomen dat goedkeuring wordt verleend wanneer de in het biedingsbericht opgenomen gegevens niet met elkaar in strijd zijn, of in strijd zijn met andere bij de AFM aanwezige informatie (zie artikel 8, eerste lid, van dit besluit). De toets die de AFM hanteert bij de goedkeuring van het biedingsbericht is daarmee, zowel wat betreft de te hanteren criteria als wat betreft de omvang van de toets, vergelijkbaar met de goedkeuring van prospectussen. Verder is een aan artikel 5:10 van de wet verwante regeling opgenomen met betrekking tot het verkrijgen van een verklaring dat aan het biedingsbericht goedkeuring is verleend (artikel 9 van dit besluit). Daarnaast is voor het ruilbod bepaald dat in het biedingsbericht alle gegevens dienen te worden opgenomen die van belang zijn voor het vormen van een verantwoord oordeel over de in ruil aangeboden effecten (Zie bijlage F). Deze bepaling is vergelijkbaar met artikel 5:13 van de wet, dat geldt voor het prospectus. Ten slotte is de wijze waarop het biedingsbericht algemeen verkrijgbaar moet worden gesteld geïnspireerd op artikel 5:21, derde en zesde lid, van de wet (artikel 10 van dit besluit).

Ten tweede is aangesloten bij de regeling met betrekking tot het voorkomen van marktmisbruik, welke is opgenomen in hoofdstuk 5.4 van de wet. Zoals in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel ter implementatie van de overnamerichtlijn7 is opgemerkt, geldt de algemene, in artikel 5:59 van de wet geregelde, verplichting om informatie die voorwetenschap oplevert onverwijld openbaar te maken, onverkort in het biedingsproces. Eveneens geldt dat openbaarmaking in beginsel, in afwijking van die verplichting, kan worden uitgesteld op grond van artikel 5:59, derde lid, van de wet en het daarop gebaseerde artikel 14 van het Besluit Marktmisbruik Wft. In die bepalingen is, kort gezegd, geregeld dat openbaarmaking van informatie kan worden uitgesteld indien dit uitstel een rechtmatig belang dient, van het uitstel geen misleiding van het publiek te duchten is en de vertrouwelijkheid van de informatie kan worden gewaarborgd. In artikel 4, vierde lid, van dit besluit wordt op grondslag van artikel 5:59, vierde lid, van de wet bepaald dat bij een aantal mededelingen in het kader van het biedingsproces geen gebruik kan worden gemaakt van de uitstelmogelijkheid. Het gaat hier bijvoorbeeld om de mededeling waarin een openbaar bod wordt aangekondigd. Voor de aangeduide mededelingen bestaat geen uitstelmogelijkheid omdat in de omstandigheden waaronder de mededelingen dienen te zijn gedaan geen rechtmatig belang geacht wordt aanwezig te zijn. In de artikelsgewijze toelichting op de artikelen 4 en 5 van dit besluit wordt hieraan nader aandacht geschonken.

Uit de wettelijke bepalingen ter voorkoming van marktmisbruik volgt ook dat er geen plaats meer is voor het voorheen in de artikelen 9d tot en met 9f van het Bte 1995 opgenomen verbod op het rauwelijks bod. Deze bepalingen verboden het doen van een openbare mededeling over de biedprijs van een voorgenomen vijandig bod zolang geen kennisgeving was verstuurd aan de doelvennootschap om deze gedurende zeven dagen de gelegenheid te geven om te reageren. Het bedoelde verbod op het rauwelijks bod stond echter op gespannen voet met de, doorgaans op openbare biedingen toepasselijke, verplichting van artikel 5:59 van de wet om voorwetenschap (koersgevoelige informatie) onverwijld openbaar te maken. De informatie over het voorgenomen bod, die de onvriendelijke bieder op grond van het verbod op het rauwelijks bod niet openbaar mocht maken, zal doorgaans koersgevoelige informatie zijn in de zin van artikel 5:59 van de wet. In die situaties is juist onverwijlde openbaarmaking vereist. Aangezien het gaat om een wettelijke bepaling kan hiervan slechts worden afgeweken binnen de mogelijkheden die in de wet worden gegeven. Het derde lid van artikel 5:59 van de wet biedt de hierboven genoemde mogelijkheid tot uitstel van het doen van de openbare mededeling. Daartoe moet zijn voldaan aan een drietal voorwaarden, waarbij het niet onvoorstelbaar is dat in het geval van een voorgenomen vijandig bod hieraan voldaan zou kunnen worden. Het laat zich indenken dat onder omstandigheden een rechtmatig belang voor uitstel aanwezig zou zijn omdat door uitstel voorkomen wordt dat lopende onderhandelingen, die tot een vriendelijk bod zouden kunnen leiden, worden gefrustreerd, zie artikel 14 van het Besluit marktmisbruik Wft. Dan moeten er echter daadwerkelijk onderhandelingen plaatsvinden, en moet niet slechts de termijn van zeven dagen worden afgewacht. Echter, het verbod op het rauwelijks bod is een algemene regel, terwijl de mogelijkheid van uitstel ziet op concrete, in beginsel uitzonderlijke situaties. Hierdoor biedt de uitstelmogelijkheid geen rechtvaardiging voor het handhaven van een (algemeen) verbod op het rauwelijks bod.

Het vervallen van het verbod op het rauwelijks bod zal overigens in de praktijk van beperkte betekenis zijn. De gangbare praktijk was inmiddels namelijk dat, voordat het vijandig bod zeven dagen na de verzending van de kennisgeving werd aangekondigd, een indicatie van de biedprijs of ruilverhouding werd genoemd. De geoorloofdheid hiervan is gebaseerd op jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Nu de mogelijkheid tot het geven van een indicatie van de prijs al bestond, zal het vervallen van het verbod op het rauwelijks bod feitelijk niet tot een grote verandering leiden. In dit kader dient te worden opgemerkt dat het vervallen van het rauwelijks bod geen wijziging aanbrengt in de verplichtingen met betrekking tot de medezeggenschap van werknemers die voortvloeien uit de artikelen 4 en 5 van het SER-besluit Fusiegedragsregels 2000.

Uit de wettelijke bepalingen ter voorkoming van marktmisbruik volgt ten slotte ook dat er geen plaats meer is voor de voorheen in artikel 9v van het Bte 1995 opgenomen verplichting voor de bieder en de doelvennootschap om de door middel van een openbare mededeling door hen te publiceren stukken en mededelingen tijdig voor de openbare mededeling aan de AFM toe te zenden. In plaats daarvan geldt thans het algemene kader voor het toezicht op de naleving van tijdige openbaarmaking van koersgevoelige informatie, waarbij door de AFM repressief toezicht wordt gehouden. Een uitzondering hierop wordt gevormd door de verplichting om het biedingsbericht algemeen verkrijgbaar te stellen. Als gevolg van de verplichte goedkeuring van het biedingsbericht door de AFM dient deze informatie wél voorafgaand aan de openbaarmaking aan de AFM te worden verstrekt (en het biedingsbericht te worden goedgekeurd).

§5. Administratieve lasten

In dit besluit worden enige bepalingen uit de overnamerichtlijn uitgevoerd, die leiden tot nieuwe administratieve lasten. Daar staat tegenover dat met de eveneens in dit besluit vervatte herziening en modernisering van de oorspronkelijke biedingsregels van het Bte 1995 een aantal onnodig geworden verplichtingen worden geschrapt, wat leidt tot een vermindering van administratieve lasten. Er is een berekening gemaakt van de administratieve lasten. De netto toename van administratieve lasten voor het bedrijfsleven is beperkt (onder de grens van € 10.000,– voor advisering door ACTAL) en de netto toename van administratieve lasten voor burgers is nihil.

§6. Bespreking commentaar op het voorstel

Een voorontwerp van het besluit is in januari 2006 ter consultatie openbaar gemaakt. Op het voorontwerp is schriftelijk gereageerd door de NVB, VNO-NCW, VEB, Eumedion, Euronext en een aantal advocatenkantoren en wetenschappers. De AFM heeft advies gegeven over het ontwerp. Het voornaamste punt van commentaar betrof de mogelijkheid tot het indienen van een aanvraag tot wijziging van de zogeheten billijke prijs. Hierover werd opgemerkt dat de bevoegdheid tot wijziging niet zou moeten toekomen aan de AFM, maar aan de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Ondernemingskamer). De Ondernemingskamer heeft namelijk al ervaring opgedaan met het bepalen van de prijs voor effecten in uitkoopprocedures. Daarnaast wordt in de wet de handhaving van de bepalingen omtrent het verplicht bod ook opgedragen aan de Ondernemingskamer. Er was in het voorontwerp voor gekozen om deze bevoegdheid aan de AFM toe te delen, omdat de prijs onderdeel uitmaakt van het biedingsbericht en AFM ook de bevoegdheid heeft om het biedingsbericht goed te keuren. Mede naar aanleiding van de commentaren is de bevoegdheid om te beslissen op een verzoek om afwijking van de billijke prijs bij een verplicht bod aan de Ondernemingskamer toegekend. Dit is, zoals gebruikelijk bij het toekennen van bevoegdheden aan een rechter, inmiddels bij wet geregeld (in artikel 5:80b van de wet). In dit besluit worden wel (in de artikelen 15, zesde lid, en 25, derde tot en met vijfde lid) regels gesteld met betrekking tot het verloop van het biedingsproces ingeval een procedure tot wijziging van de billijke prijs bij de Ondernemingskamer aanhangig is gemaakt. Ook wordt (in de artikelen 25 en 26) bepaald dat in een tweetal specifieke omstandigheden de billijke prijs op andere wijze dient te worden berekend.

Verder was er kritiek op het percentage dat werd gehanteerd in het voorontwerp, dat regelt wanneer een aanvraag tot wijziging van de billijke prijs kan worden gedaan en op de wijze waarop de alternatieve billijke prijs wordt berekend. De in de consultatie gemaakte opmerkingen zijn in aanmerking genomen bij de formulering van artikel 5:80b van de wet.

Een volgend punt waarop veel reacties zijn gekomen betreft de «certain funds» bepaling van artikel 7. De meeste reacties zagen op het moment waarop de mededeling dat certain funds aanwezig zijn moet worden gedaan. Dit moment, ten tijde van het indienen van de aanvraag tot goedkeuring van het biedingsbericht, werd door sommigen als te laat en door anderen juist als te vroeg in het biedingsproces bestempeld. Beide standpunten werden onderbouwd door te verwijzen naar de overnamerichtlijn.

Hierover kan het volgende worden opgemerkt. Zoals hierboven, in paragraaf 3, al is opgemerkt worden de termen «aankondigen», «openbaar maken» en «uitbrengen van een bod» in de richtlijn niet consequent toegepast. Bij de implementatie van de overnamerichtlijn in de wet en in dit besluit is daarom gekozen voor gebruik van twee begrippen: het «aankondigen van een bod» en het «uitbrengen van een bod». Gezien de door de overnamerichtlijn gehanteerde systematiek van aankondigen en uitbrengen, brengt een redelijke uitleg van de richtlijn met zich dat «certain funds» zijn vereist uiterlijk op het moment van het uitbrengen van het bod. De letterlijke tekst van de overnamerichtlijn is weliswaar dat «certain funds» aanwezig moeten zijn op het moment van aankondigen van een bod, maar aangenomen kan worden dat de in de overnamerichtlijn bedoelde aankondiging, niet als zodanig in de Nederlandse voorkomt. Deze aankondiging betreft de mededeling dat een openbaar bod zal worden uitgebracht. Het (uitbrengen van het) bod volgt dan kort daarna. In de systematiek van dit besluit is de in de overnamerichtlijn bedoelde aankondiging van het bod gelijk te stellen met de mededeling dat een bod wordt uitgebracht en dat het biedingsbericht op een bepaalde plaats verkrijgbaar is (zie artikel 10, derde lid van het besluit). Het bod wordt (tegelijkertijd) uitgebracht door middel van het algemeen verkrijgbaar stellen van het biedingsbericht.

In dit besluit worden de «certain funds» echter op een wat eerder tijdstip vereist, namelijk bij het indienen van de aanvraag tot goedkeuring van het biedingsbericht. Dit leidt tot een toename van de (rechts)zekerheid voor (potentiële) aandeelhouders, zonder dat dit voor bieders overmatige extra eisen meebrengt. Op het moment dat het biedingsbericht ter goedkeuring wordt ingediend zal een bieder de wijze waarop zijn financiering van het bod plaats zal vinden doorgaans immers rond hebben, omdat in het biedingsbericht een passage over de financiering van het bod moet zijn opgenomen. Bovendien zijn er op grond van de artikelen 5:77 en 5:78 van de wet in beginsel slechts hooguit vijftien werkdagen gelegen tussen het moment waarop de bieder zijn aanvraag tot goedkeuring indient en het moment waarop de bieder zijn goedgekeurde biedingsbericht algemeen verkrijgbaar dient te stellen.

In het commentaar op de bepaling over «certain funds» kwam voorts de vraag aan de orde wanneer voldaan is aan het vereiste dat bij een bod dat wordt gefinancierd door (de opbrengst van) door de bieder nog uit te geven aandelen of bij een ruilbod alle redelijke maatregelen zijn genomen. Naar aanleiding hiervan is de tekst en toelichting van artikel 7 aangepast. In de toelichting is nu verduidelijkt dat de bieder, indien hij het bod op deze wijze wil financieren of een ruilbod doet, aan zijn zorgplicht heeft voldaan wanneer hij ter realisatie van die uitgifte van aandelen al een algemene vergadering van aandeelhouders heeft uitgeschreven. Uit het vijfde lid vloeit voort dat het daarbij niet noodzakelijk is dat de algemene vergadering het besluit tot uitgifte van de aandelen reeds heeft genomen. Wel dient bepaalde aanvullende informatie te worden verstrekt.

Een derde punt dat in de consultatie naar voren kwam zag op de mogelijkheid van uitstel van openbare mededelingen. Verplichte openbare mededelingen over koersgevoelige informatie kunnen op grond van artikel 5:59, derde lid, van de wet worden uitgesteld wanneer is voldaan aan een drietal voorwaarden. In artikel 4 van dit besluit wordt een uitzondering gemaakt op die uitstelmogelijkheid voor een aantal voor het biedingsproces zeer essentiële mededelingen. De reacties betroffen vragen omtrent de grondslag voor een dergelijke bepaling en de vraag of niet meer in het biedingsproces vereiste openbare mededelingen van uitstel zouden moeten worden uitgezonderd. Met betrekking tot de grondslag van de regeling van artikel 4 zijn de tekst en de toelichting van dit besluit aangepast.

Voorts waren er reacties op het verbod op het rauwelijks bod. Enkele reacties betroffen de vraag of een dergelijk verbod tegenwoordig nog wel op zijn plaats is. Hiertoe wordt aangevoerd dat in de overige lidstaten van de Europese Unie een dergelijk verbod niet bestaat. Ook wordt opgemerkt dat strijdigheid kan bestaan met de verplichting van artikel 5:59 van de wet om koersgevoelige informatie onverwijld openbaar te maken. Als laatste werd opgemerkt dat ondanks het verbod tot het noemen van de prijs, volgens de jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven wel de mogelijkheid bestaat om een indicatie van de biedprijs te geven. Al deze opmerkingen hebben aanleiding gegeven om het verbod op het rauwelijks bod niet in het besluit op te nemen. Voor een verdere toelichting op het vervallen van het verbod op het rauwelijks bod verwijs ik naar de laatste alinea van paragraaf 4 van het algemeen deel van deze toelichting.

Ook op de aanmeldingstermijnen, opgenomen in artikel 14, is gereageerd. Naar aanleiding van deze reacties zijn de aanmeldingstermijn voor vriendelijke en onvriendelijke biedingen gelijk getrokken. De aanmeldingstermijn bedraagt nu minimaal vier weken bij een volledig bod. Hierdoor wordt ook deels tegemoet gekomen aan het ontvangen commentaar dat een minimale aanmeldingstermijn van 20 dagen te kort zou zijn.

Ten slotte werd nog opgemerkt dat in het voorontwerp van het besluit geen uitvoering was gegeven aan artikel 13, onder c, van de richtlijn, op grond waarvan een regeling is vereist omtrent het verloop van een bod wanneer sprake is van concurrerende biedingen. Dit is hersteld in artikel 15, derde lid, van het besluit, waarin de eerste bieder de gelegenheid wordt gegeven zijn aanmeldingstermijn te verlengen tot het einde van de aanmeldingstermijn van het concurrerende bod.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 1

In dit artikel zijn definities opgenomen van de begrippen volledig bod (onderdeel b), partieel bod (onderdeel c), tenderbod (onderdeel d) en verplicht bod (onderdeel e). Dit zijn de vier in dit besluit geregelde soorten van openbare biedingen. De term «volledig bod» vervangt hierbij ten opzichte van voormalig artikel 1, onder f, van het Bte 1995 de term «vast bod». Er is gekozen voor de term «volledig bod», omdat daarmee het onderscheid met partieel bod duidelijker tot uiting wordt gebracht. Het partieel bod wordt gedefinieerd als een bod dat strekt tot verwerving van minder dan dertig procent van de stemrechten. Dat wil zeggen dat de bieder na gestanddoening over minder dan dertig procent van de stemrechten mag beschikken. Een bieder die overweegt een partieel bod uit te brengen zal ook de reeds door hem gehouden effecten in aanmerking moeten nemen om te bepalen tot verwerving van welk percentage van de stemrechten het bod mag strekken. Bij de bepaling van de reeds in bezit zijnde effecten, worden alleen de effecten van de bieder zelf in ogenschouw genomen. Het begrip «personen waarmee in onderling overleg wordt gehandeld» dat wordt gehanteerd in artikel 5:70 van de wet (verplicht bod) is hier dus niet van belang.

Een definitie van verplicht bod is opgenomen omdat, als gevolg van de verplichtingen uit de overnamerichtlijn, dit besluit ook biedingsregels voor het verplicht bod geeft. In feite is een verplicht bod een volledig bod dat verplicht wordt uitgebracht. Een bijzonderheid daarbij is dat ook sprake kan zijn van een verplicht bod in de zin van dit besluit, dat op grond van het recht van een andere lidstaat dient te worden uitgebracht. Het is immers mogelijk dat de AFM de bevoegde autoriteit is om een biedingsbericht goed te keuren – dit is geregeld in artikel 5:74, tweede lid, van de wet – ten aanzien van een doelvennootschap waarvan de zetel buiten Nederland gelegen is. Omdat voor het ontstaan van de biedplicht de zetel van de doelvennootschap bepalend is, kan dus sprake zijn van een verplicht bod op een doelvennootschap waarvan de zetel niet in Nederland gelegen is, maar ten aanzien waarvan de AFM wel de bevoegde toezichthoudende autoriteit is in het biedingsproces en de in dit besluit opgenomen bepalingen van toepassing zijn. De definitie van «verplicht bod» in onderdeel e van dit artikel voorziet mede in die situatie.

Artikel 2

Dit artikel bevat een reikwijdtebepaling die samenhangt met artikel 4 van de overnamerichtlijn en artikel 5:74, tweede lid, van de wet. De Nederlandse biedingsregels zoals opgenomen in dit besluit zijn in beginsel alleen van toepassing, indien van de doelvennootschap effecten tot de handel op een gereglementeerde markt in Nederland zijn toegelaten. Uit dit artikel volgt dat in het geval dat de AFM niet bevoegd is, de in dit besluit opgenomen biedingsregels niet van toepassing zijn. Een uitzondering daarop is artikel 11. Dat artikel ziet op de bevoegdheid van de AFM om ten aanzien van een biedingsbericht dat is goedgekeurd door de toezichthoudende autoriteit van een andere lidstaat, met betrekking tot een openbaar bod op effecten welke zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt en terzake waarvan de AFM niet bevoegd is het biedingsbericht goed te keuren, aanvullende informatie te verlangen.

In het tweede lid is bepaald dat de artikelen in het besluit die zien op informatieverstrekking aan de aandeelhouders en de werknemers van de doelvennootschap, alleen van toepassing zijn indien de doelvennootschap zetel heeft in Nederland en de effecten van de doelvennootschap zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in Nederland of een andere lidstaat. In tegenstelling tot artikel 5:74 van de wet is de plaats van de zetel hier het belangrijkste criterium voor toepasselijkheid. Artikel 4, tweede lid, onderdeel e, van de overnamerichtlijn schrijft dit voor.

Artikel 3

In dit artikel is bepaald aan welke vereisten een openbaar bod moet voldoen. Een openbaar bod heeft betrekking op alle uitstaande effecten van eenzelfde categorie of klasse. Dit betekent dat alle houders van een categorie of klasse van effecten onder dezelfde voorwaarden de gelegenheid dienen te hebben hun effecten te verkopen of aan te bieden. Anders kan niet van een(zelfde) openbaar bod worden gesproken. In dit opzicht wijkt het artikel niet af van de oude artikelen 9h, eerste en tweede lid, 9j, eerste en tweede lid, en 9l, eerste en tweede lid van het Bte 1995.

Met de term «categorie of klasse» is aangesloten bij het in hoofdstuk 5.1 van de wet bepaalde ter implementatie van de prospectusrichtlijn. Met «categorie» worden de verschillende soorten effecten bedoeld (aandelen en obligaties behoren tot een verschillende categorie effecten). Met «klasse» wordt een verdeling gemaakt binnen een categorie (bijvoorbeeld aandelen van soort A of soort B). Een openbaar bod kan zich dus uitstrekken tot alle houders van een categorie van effecten of, indien er van een categorie van effecten door de doelvennootschap verschillende klassen van effecten zijn toegelaten tot de handel op gereglementeerde markt, tot de houders van een of meer klasse(n) van die effecten.

Het openbaar bod dient zich te richten tot alle rechthebbenden van een categorie of klasse van effecten, ongeacht de titel of grond waarop het recht is verkregen. «Buyers» die in het kader van zogeheten repurchase transacties (repo’s) en «lenders» die door «securities lending transacties» eigenaar zijn geworden van effecten dienen dus aangemerkt te worden als rechthebbende. Overigens hoeft de opname van territoriale restricties in het bod, onder uitzonderlijke omstandigheden, niet in strijd te zijn met de verplichting om het bod op alle rechthebbenden te richten. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, geldende voorschriften, waaraan door de bieder moet worden voldaan om het bod ook in dat betrokken staat te mogen uitbrengen, conflicteren met de Nederlandse biedingsregels en onevenredig belastend zijn voor de bieder. Dergelijke territoriale restricties kunnen evenwel uitsluitend de strekking hebben dat de bieder zich niet actief zal richten op de betreffende financiële markten van dat betrokken land of die jurisdictie.

De bieder heeft op grond van het tweede lid de bevoegdheid om effecten die na het uitbrengen van het openbaar bod tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten, van het bod uit te sluiten. Van een bieder hoeft redelijkerwijs niet te worden verwacht dat zijn bod zich tevens uitstrekt tot effecten die nog niet tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten.

Artikel 4

In dit artikel is bepaald hoe voldaan kan worden aan het vereiste van het doen van een openbare mededeling. Daarnaast regelt het de verhouding met de wettelijke bepalingen over het tegengaan van marktmisbruik. Uitgangspunt is geweest dat het algemene regime van de wettelijke regels inzake het voorkomen van marktmisbruik leidend is.

In het eerste lid is de wijze van openbaar maken van artikel 5:59 van de wet, waarin het openbaar maken van koersgevoelige informatie is geregeld, van overeenkomstige toepassing verklaard op mededelingen die moeten worden gedaan op grond van dit besluit. Als gevolg van het van overeenkomstige toepassing verklaren van artikel 5:59, eerste lid, tweede en derde volzin, van de wet en van de leden 2 en 3 van artikel 5:59 van de wet en de artikelen 12, 13 en 14 van het Besluit Marktmisbruik Wft, dienen alle mededelingen die in het kader van dit besluit moeten worden gedaan op dezelfde wijze openbaar te worden gemaakt als koersgevoelige informatie openbaar gemaakt moet worden. Een voorbeeld daarvan is dat openbaarmaking van mededelingen, welke op grond van dit besluit moeten worden gedaan, onverwijld moet geschieden. Openbaarmaking geschiedt bovendien door middel van een persbericht dat gelijktijdig wordt uitgebracht in Nederland en in iedere andere lidstaat waar de door de vennootschap uitgegeven effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt. Gelijktijdig met het uitbrengen van het persbericht wordt de AFM op de hoogte gebracht van de inhoud van de openbare mededeling. Daarnaast moet als gevolg van de verwijzing naar artikel 5:59, tweede lid, van de wet, de openbaar te maken informatie op de website van de vennootschap worden geplaatst. Omdat ook het derde lid van artikel 5:59 van de wet van overeenkomstige toepassing is verklaard, kan openbaarmaking van mededelingen die op grond van dit besluit moeten worden gedaan – net als informatie die op grond van artikel 5:59 van de wet openbaar moet worden gemaakt – onder omstandigheden worden uitgesteld. Dit artikellid is van overeenkomstige toepassing verklaard om te voorkomen dat verschillende regimes gelden voor openbaarmaking van dezelfde soort informatie op grond van dit besluit of op grond van artikel 5:59 van de wet. Een inperking op deze uitstelmogelijkheid in het kader van openbare biedingen is overigens opgenomen in het vierde lid van dit artikel. Verwezen wordt naar de hieronder opgenomen toelichting. Ten slotte zijn met betrekking tot de wijze van openbaarmaking van informatie ook de uitvoeringsregels, opgenomen in de artikelen 12, 13 en 14 van het Besluit marktmisbruik Wft, van overeenkomstige toepassing verklaard.

In het tweede lid is bepaald dat indien al een mededeling is gedaan op grond van artikel 5:59 van de wet dit niet nogmaals behoeft plaats te vinden op grond van dit besluit. Dubbele mededelingen, en dus dubbele kosten, worden zo voorkomen, terwijl de voor het biedingsproces noodzakelijke mededelingen wel worden gedaan.

In het derde lid is een restbepaling opgenomen. Hierin wordt geregeld dat buitenlandse bieders en niet-beursgenoteerde bieders, voor wie artikel 5:59 van de wet niet rechtstreeks geldt, koersgevoelige informatie openbaar dienen te maken voor zover die informatie betrekking heeft op de bieder of verband houdt met een (voorgenomen, aangekondigd of uitgebracht) openbaar bod. (Overigens bepaalt artikel 1.1 van de wet dat reeds sprake is van een bieder indien diegene een openbaar bod voorbereidt.) Bedacht dient daarbij te worden dat weliswaar dit besluit reeds geldt voor buitenlandse en niet-beursgenoteerde bieders, waardoor de openbare mededelingen waartoe zij in dit besluit verplicht worden ook zonder het derde lid van dit artikel al voor hen gelden. Echter, om voor alle bieders eenzelfde algemene verplichting tot het doen van openbare mededelingen over koersgevoelige informatie met betrekking tot een openbaar bod te laten gelden, is deze toevoeging noodzakelijk. De hierboven reeds besproken, van overeenkomstige toepassing verklaring van (onder meer) lid 3 van artikel 5:59 van de wet in het eerste lid van dit artikel, bewerkstelligt overigens dat ook buitenlandse bieders en niet-beursgenoteerde bieders voor wie artikel 5:59 van de wet niet rechtstreeks geldt, in beginsel en onder omstandigheden een beroep kunnen doen op de uitstelmogelijkheid. (Er is echter, zoals hieronder zal worden beschreven, een aantal openbare mededelingen terzake waarvan géén beroep kan worden gedaan op de uitstelmogelijkheid.) De verplichting tot het doen van een openbare mededeling geldt overigens nadrukkelijk ook na het uitbrengen van het openbaar bod, door middel van het algemeen verkrijgbaar stellen van een biedingsbericht.

In het vierde lid van dit artikel zijn tenslotte enkele uitzonderingen opgenomen op de mogelijkheid om openbaarmaking van bepaalde informatie of het doen van bepaalde mededelingen uit te stellen. Bepaalde openbare mededelingen over openbare biedingen die moeten worden gedaan op grond van artikel 5:59 van de wet of op grond van dit besluit, kunnen redelijkerwijs niet worden uitgesteld. Het gaat hier bijvoorbeeld om de aankondiging van een openbaar bod, de mededeling dat een aangekondigd openbaar bod niet zal worden uitgebracht of mededelingen omtrent wanneer aandeelhouders hun effecten kunnen aanmelden. De aangeduide mededelingen zijn in het vierde lid uitgezonderd van de mogelijkheid van uitstel omdat zij noodzakelijk zijn voor een goed verloop van het biedingsproces en de werking van de financiële markten. Omdat het biedingsproces alleen in goede banen kan lopen wanneer de openbaarmaking van de in het vierde lid genoemde informatie onverwijld geschiedt, zal er in het concrete geval geen rechtmatig belang bestaan voor het uitstellen van deze mededelingen. Daarom is in dit artikel uitdrukkelijk bepaald dat ten aanzien van deze mededelingen geen rechtmatig belang bestaat in de zin van artikel 5:59, derde lid, van de wet. De grondslag hiervoor is opgenomen in artikel 5:59, vierde lid, van de wet. Overigens zal wanneer het vierde lid van toepassing is, artikel 14 van het Besluit Marktmisbruik, dat in het eerste lid van overeenkomstige toepassing is verklaard, geen toepassing kunnen vinden, nu dit artikel ziet op de situatie dat een openbare mededeling mogelijk wel uitgesteld kan worden.

Artikel 5

Dit artikel regelt de aankondiging van een bod. In het eerste lid wordt, ter bevordering van een ordelijk verloop van het biedingsproces, geregeld wanneer een openbaar bod moet worden aangekondigd. De mededeling waarmee het bod wordt aangekondigd moet ook worden gedaan wanneer deze niet vereist zou zijn overeenkomstig artikel 5:59 van de wet (of artikel 5, derde lid, van dit besluit), bijvoorbeeld wanneer de informatie niet als «koersgevoelig» wordt aangemerkt.

In het eerste lid is het moment waarop de aankondiging van het bod moet worden gedaan bepaald op het moment van voorwaardelijke overeenstemming, in plaats van het moment van gerechtvaardigde verwachting dat overeenstemming zal worden bereikt, zoals was bepaald in artikel 9b, tweede lid, onder a, van het Bte 1995. Uiteraard moet ook een aankondiging worden gedaan wanneer er sprake is van onvoorwaardelijke overeenstemming. Voorwaardelijke overeenstemming houdt in dat er tussen de bieder en de doelvennootschap overeenstemming is, maar dat die overeenstemming nog kan worden beïnvloed door voorwaarden die samenhangen met de uitkomst van naleving van wettelijke verplichtingen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een concreet geval waarin nog een advies moeten worden ontvangen, zoals het advies van de ondernemingsraad in de zin van de Wet op de Ondernemingsraden, Op grond van artikel 25 van die wet dient advies aan de ondernemingsraad te worden gevraagd voor het overdragen of overnemen van de zeggenschap in de onderneming. Dit advies dient te worden gevraagd op een zodanig tijdstip dat het advies nog van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit. Ook een nog te nemen besluit ten aanzien van de overname of fusie door een (mededingings)toezichthouder in het kader van het concentratietoezicht kan een reden zijn dat de overeenstemming nog voorwaardelijk is. Het moment van voorwaardelijke overeenstemming zal doorgaans op een later tijdstip in het biedingsproces gelegen zijn dan het voorheen in het Bte 1995 geregelde moment van gerechtvaardigde verwachting. Mede daardoor is er op het moment van voorwaardelijke overeenstemming meer zekerheid over de daadwerkelijke doorgang van een bod.

Het is overigens moeilijk voorstelbaar dat sprake zou (kunnen) zijn van voorwaardelijke overeenstemming terwijl nog onderhandelingen gaande zijn waarvan, als deze openbaar zouden worden gemaakt, de uitkomst of het normale verloop ervan zouden worden beïnvloed. Eveneens is moeilijk voorstelbaar dat sprake is van voorwaardelijke overeenstemming terwijl in het concrete geval door de Raad van Commissarissen nog een besluit omtrent goedkeuring dient te worden genomen. Dit besluit zal al eerder moeten zijn genomen.

De voorwaardelijke overeenstemming die hier bedoeld is, is gericht op de inhoud van het bod. In de meeste gevallen zal er overeenstemming bestaan over de prijs. Het kan echter ook zo zijn dat de prijs nog niet vaststaat. Dan zal dit wel moeten worden gecompenseerd door voldoende duidelijke afspraken over de overige onderdelen van het bod, om te kunnen spreken van voorwaardelijke overeenstemming. Het noemen van een richtprijs of bandbreedte van een prijs is daarbij een mogelijkheid. De bij de aankondiging genoemde prijs zal overigens per definitie een voorlopige zijn. Uiterlijk in het biedingsbericht moet een definitieve prijs worden genoemd. De gegevens die de mededeling moet vermelden worden, anders dan voorheen in het Bte 1995, in dit besluit bij de mededelingsverplichting vermeld, in plaats van in een apart artikel. Bovendien worden bepaalde gegevens, anders dan in het Bte 1995, niet meer verlangd, zoals de indicatie van de verkrijgbaarstelling van het biedingsbericht, omdat het niet altijd mogelijk is een betrouwbare indicatie te geven mede vanwege de verplichte voorafgaande goedkeuring van het biedingsbericht door de AFM. Als er een (voorgenomen) prijs of ruilverhouding is afgesproken zal deze moeten worden genoemd in de mededeling.

Het tweede lid ziet op de situatie dat een bieder voornemens is een onvriendelijk bod uit te brengen en dit voornemen openbaar heeft gemaakt door het openbaar maken van concrete informatie over het voorgenomen bod. Dat hoeft overigens niet te geschieden langs de weg van een openbare mededeling, waarvoor volgens artikel 4, eerste lid, van dit besluit vormvoorschriften gelden. Iedere manier waarop, door toedoen van de bieder, concrete informatie over het voorgenomen bod de facto anderen dan de bieder, de doelvennootschap en de AFM heeft bereikt, is voldoende voor toepassing van het tweede lid. Of sprake is van voldoende concrete informatie over het voorgenomen bod is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In een tweetal situaties zal echter in ieder geval sprake zijn van voldoende concrete informatie. Het gaat om de situatie dat een bieder de naam van de (potentiële) doelvennootschap noemt in combinatie met een, al dan niet indicatieve (bijvoorbeeld een bandbreedte van of indicatie van een) prijs, of wanneer hij de naam van de (potentiële) doelvennootschap noemt in combinatie met een concreet omschreven voorgenomen tijdschema (dat wil zeggen een redelijk zekere indicatie van wanneer het voorgenomen bod zal worden uitgebracht, eventueel aangevuld met gegevens omtrent het tijdstip van indiening van het biedingsbericht bij de AFM en/of de aanmeldingstermijn) voor het voorgenomen openbaar bod. Ook openbaarmaking (zonder vormvereisten) van andere gegevens kan er onder omstandigheden toe leiden dat voldoende concrete informatie over een voorgenomen bod bekend is gemaakt. Wanneer eenmaal door de bieder voldoende concrete informatie over een voorgenomen bod openbaar is gemaakt, zonder dat sprake is van (voorwaardelijke) overeenstemming met de doelvennootschap, starten ingevolge het tweede lid de biedingsprocedure en de daarin opgenomen termijnen. Overigens is de betekenis van het begrip «concrete informatie» gelijk aan de betekenis daarvan in artikel 5:53, eerste lid, van de wet.

In het derde lid wordt een regeling gegeven voor het verplichte bod. De aankondiging van een verplicht bod wordt geregeld in artikel 5:70, eerste lid, van de wet. In dat geval is een bod ook aangekondigd in de zin van dit besluit. Het is noodzakelijk deze bepaling op te nemen omdat op meerdere plaatsen in dit besluit wordt verwezen naar de aankondiging. De aankondiging houdt de aanvang van het biedingsproces in. Het bepaalde onder a ziet op de situatie dat een verplicht bod wordt aangekondigd al dan niet na tussenkomst van de Ondernemingskamer. Het bepaalde onder b ziet daarentegen op de situatie dat de Ondernemingskamer de aankondiging van een verplicht bod heeft geboden, maar dat deze maatregel niet tot werkelijke aankondiging heeft geleid. Alsdan wordt het bod geacht te zijn aangekondigd, indien de maatregel van de Ondernemingskamer onherroepelijk is. Zonder deze bepaling zou er een leemte kunnen ontstaan. Of de situatie, bedoeld onder b, zich vaak zal voordoen, valt te bezien. De Ondernemingskamer heeft namelijk mogelijkheden om te bevorderen dat een bevel als bedoeld in artikel 5:73, eerste lid, eerste lid, onderdeel a, wel wordt nageleefd. De Ondernemingkamer kan aan het vonnis waarin het gebod wordt opgelegd een dwangsom verbinden als bedoeld in artikel 611a van het Wetboek van Rechtsvordering of, indien dat wordt gevorderd, het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

Bovendien kan zich ook de situatie voordoen dat de verplichting om een bod te doen ontstaat naar buitenlands recht. Ook in dat geval zal de aankondiging een duidelijk bepaalbaar moment moeten zijn. Omdat het vaststaan van de verplichting dat een bod moet worden uitgebracht doorgaans zal kwalificeren als openbaar te maken koersgevoelige informatie, op grond van artikel 5:59, eerste lid, van de Wet, is onder c bepaald dat deze mededeling tot gevolg heeft dat in die situatie een bod is aangekondigd.

In het vierde lid wordt geregeld dat de bieder en de doelvennootschap tussen het tijdstip waarop het bod is aangekondigd en het tijdstip waarop het is uitgebracht, of een openbare mededeling is gedaan dat het bod niet zal worden uitgebracht, aan de AFM opgave doen van de na dat tijdstip direct verrichte transacties en gesloten overeenkomsten met betrekking tot de effecten waarop het bod betrekking heeft. Het gaat hierbij om alle voorkomende transacties, waaronder koop- en verkoopovereenkomsten, securities lending en repo’s. Tevens dient daarbij mededeling te worden gedaan van de daarvoor geldende voorwaarden en van de omvang van de onderlinge kapitaaldeelnemingen, zowel direct als indirect. Behalve melding aan de AFM vereist Bijlage A, paragraaf 2, onder 3, dat de kapitaaldeelnemingen ook worden vermeld in het biedingsbericht. Hierdoor zullen de kapitaaldeelnemingen voor een ieder kenbaar zijn. Omdat in transacties die plaatsvinden in regelmatig verkeer op de markten in financiële instrumenten ongehinderd mogelijk moeten blijven gedurende het biedingsproces is een uitzondering gemaakt voor dergelijke transacties. Hiermee worden transacties bedoeld die via het handelsplatform van een markt in financiële instrumenten worden gesloten. Omdat de artikelen 5:38, 5:40 en 5:60 van de wet reeds meldingsplichten kennen voor transacties in effecten, die op de uitgevende instelling zelf betrekking hebben, is in het vijfde lid bepaald dat wanneer al een melding is gedaan overeenkomstig één van die artikelen, een melding uit hoofde van dit artikel achterwege kan blijven.

Artikel 6

Dit artikel regelt dat in een tweetal situaties een openbare mededeling moet worden gedaan. De mededelingsverplichtingen van dit artikel zijn opgenomen na die van artikel 5 omdat deze mededelingen later in het biedingsproces, na het moment van aankondiging van het bod, moeten worden gedaan. Zij gelden als aanvulling op de mededelingsverplichtingen van artikel 5 en zij zullen niet altijd behoeven te worden gedaan, aangezien de situaties die in artikel 6 worden geregeld zich niet in ieder biedingsproces voordoen. Voor de mededelingen van artikel 6 geldt ook dat het moment waarop deze gedaan zullen moeten worden niet vooraf is aan te geven, maar in ieder geval zal dit zijn voor het uitbrengen van het biedingsbericht. Daarom is de plaats in dit besluit ook vóór de regeling met betrekking tot de inhoud en de algemeenverkrijgbaarstelling van het biedingsbericht.

Met betrekking tot de mededelingsverplichting uit het eerste lid kan nog worden opgemerkt dat deze ziet op de situatie dat pas na de aankondiging van het bod een prijs of ruilverhouding wordt afgesproken. Bij de aankondiging hoeft immers geen prijs te worden genoemd, of kan een voorlopige prijs worden genoemd. Het eerste lid ziet tevens op de situatie dat na de aankondiging een andere prijs wordt afgesproken dan bij de aankondiging is genoemd. Ook dan is deze mededelingsverplichting van toepassing.

Niet alle mededelingsverplichtingen uit het Bte 1995 zijn in dit besluit overgenomen. Onder meer is de mededeling wanneer het voornemen tot het doen van een openbaar bod kennelijk bekend is, uit artikel 9b, tweede lid, onder c, van het Bte 1995, vervallen. Dit neemt niet weg dat indien het voorbereiden van een openbaar bod «uitlekt» het zo kan zijn dat door de bieder op grond van artikel 5:59 van de wet hierover een openbare mededeling dient te worden gedaan. De mededeling in de situatie dat een derde een openbaar bod op dezelfde effecten voorbereidt, zoals was geregeld in artikel 9b, tweede lid, onder i, Bte 1995, is eveneens vervallen, omdat in dergelijke situaties in beginsel door die derde al een mededeling gedaan zal moeten worden.

Artikel 7

In het eerste lid van dit artikel wordt bepaald dat de bieder binnen vier weken na de aankondiging van het openbaar bod een openbare mededeling dient te doen. Deze mededeling vervangt de voorheen in artikel 9g van het Bte 1995 opgenomen zogenoemde «30-dagen mededeling». Ten opzichte daarvan is echter verduidelijkt dat de bieder in beginsel keuze heeft uit twee uiteenlopende typen mededelingen. De bieder dient ofwel mede te delen dat, en wanneer, hij een aanvraag tot goedkeuring van het biedingsbericht zal indienen (onderdeel a), ofwel dat hij afziet van het indienen van een aanvraag tot goedkeuring van het biedingsbericht en daarmee van het uitbrengen van een openbaar bod. Wat de goedkeuring van het biedingsbericht door de AFM omvat, is geregeld in artikel 5:77 van de wet en in (het hieronder te bespreken) artikel 8.

In het tweede lid is geregeld dat in geval van een verplicht bod, de bieder binnen vier weken na de aankondiging van het openbaar bod, in afwijking van het eerste lid, een mededeling dient te doen waarin de bieder beschrijft wanneer hij een aanvraag tot goedkeuring van het biedingsbericht indient bij de AFM. Logischerwijs bestaat bij een verplicht bod niet de mogelijkheid van afzien van het indienen van een aanvraag tot goedkeuring van het biedingsbericht.

In het derde lid is nader uitgewerkt wat de maximale termijn voor een bieder is, gerekend vanaf het moment waarop de aankondiging van het bod is gedaan, om een aanvraag tot goedkeuring van het biedingsbericht bij de AFM in te dienen. Hoewel de bieder in beginsel zelf kan bepalen op welke termijn hij zijn aanvraag tot goedkeuring van het biedingsbericht wenst in te dienen (wat wenselijk is, omdat de complexiteit van biedingen en daarmee de benodigde tijd voor de voorbereiding van het biedingsbericht sterk uiteen kan lopen), is daaraan een maximumtermijn aan gebonden. Deze bedraagt, ingevolge het derde lid van dit artikel, ten hoogste 12 weken (gerekend van de aankondiging van het bod). Het stellen van een maximumtermijn is om uiteenlopende redenen wenselijk. Hoewel bij een biedingsproces betrokken partijen er, ieder voor zich, belang bij zullen hebben dat een biedingsproces niet langer duurt dan strikt noodzakelijk is, is het met het oog op een adequate werking van de financiële markten ook – en vooral – wenselijk dat vooraf duidelijkheid bestaat over hoe lang deze termijn (bij benadering) maximaal kan zijn. Dit geldt niet alleen voor vrijwillige biedingen. Vanwege het dwingende karakter van het verplichte bod en de gedachte van bescherming van minderheidsaandeelhouders zal om het nuttig effect van het verplicht bod te waarborgen, dit bod eveneens binnen een afzienbare termijn nadat de verplichting is ontstaan moeten worden uitgebracht. Ten slotte vereist de richtlijn in artikel 6, tweede lid, dat de bieder tijdig een biedingsbericht opstelt en openbaar maakt. Dit tijdigheidvereiste ziet niet alleen op het indienen van de aanvraag tot goedkeuring van het biedingsbericht bij de AFM, maar ook op de beslissingstermijn van de AFM (tien werkdagen, artikel 5:77 van de wet) en de termijn voor het daadwerkelijk uitbrengen van het bod, nadat goedkeuring is verkregen (zes werkdagen, artikel 5:78 van de wet). Omdat ieder van de termijnen op zich zo kort mogelijk is gehouden, wordt hiermee voldaan aan het tijdigheidvereiste.

In het vierde lid is geregeld dat de bieder zorg draagt voor een vergoeding voor de effecten waarop het door hem uit te brengen bod betrekking heeft. Deze verplichting tot het zorg dragen voor een vergoeding, ook wel «certain funds» genoemd, strekt tot implementatie van artikel 3, eerste lid, onder e, van de overnamerichtlijn. De bieder moet zorg kunnen dragen voor een vergoeding uiterlijk op het moment dat hij ook de aanvraag tot goedkeuring van het biedingsbericht toezendt aan de AFM. Vier weken na de aankondiging van het bod maakt de bieder, op grond van het eerste lid van dit artikel, openbaar wanneer hij het biedingsbericht ter goedkeuring toezendt aan de AFM. Op het moment van indiening van de aanvraag tot goedkeuring van het biedingsbericht bestaat dus de verplichting om «certain funds» aanwezig te hebben. Vervolgens keurt de AFM binnen de in de wet gestelde termijn van tien werkdagen het biedingsbericht goed, waarna de bieder binnen zes werkdagen zijn bod uitbrengt (zie de artikelen 5:77 en 5:78 van de wet). Het moment waarop de «certain funds-mededeling» uiterlijk moet worden gedaan ligt daardoor dus ongeveer twee tot drie weken voor het daadwerkelijke uitbrengen van het bod. Voor een verdere omschrijving van het gekozen tijdstip en de verhouding tot wat hieromtrent in de overnamerichtlijn wordt bepaald, wordt verwezen naar hetgeen hierover in het algemeen deel van deze nota van toelichting is opgemerkt (paragraaf 3 en paragraaf 6).

Indien de bieder het bod wil financieren door middel van een uitgifte van aandelen of een ruilbod, zal hij aan zijn zorgplicht hebben voldaan wanneer hij ter realisatie van die uitgifte ten minste al een algemene vergadering van aandeelhouders heeft uitgeschreven. Het is niet noodzakelijk dat de algemene vergadering het besluit tot uitgifte van de aandelen reeds heeft genomen. Dit vloeit voort uit het vijfde lid. In dat lid is tevens bepaald dat een dergelijke algemene vergadering van aandeelhouders dient te worden gehouden ten minste zeven werkdagen voor het einde van de aanmeldingstermijn. Tevens vereist het vijfde lid dat de bieder in dat geval in de openbare mededeling nauwkeurig omschrijft op welke wijze door hem zorg wordt gedragen voor het kunnen opbrengen van de vergoeding of welke maatregelen door hem zijn getroffen om enige andere vorm van vergoeding te kunnen verstrekken. Verwacht mag worden dat de bieder uiteen zal zetten waarom naar zijn inzicht de voorgenomen uitgifte zal slagen of hoe hij op andere wijze voldoende middelen zal opbrengen om het bod gestand te doen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden omschreven welke voorbereidingen voor het slagen van de uitgifte door hem zijn getroffen en, wanneer het een uitgifte van aandelen betreft die dient ter financiering van het bod, of derden zich contractueel hebben gebonden of garant gesteld om de uitgifte van aandelen te doen slagen. Bedacht dient ten slotte te worden dat de in dit artikel opgenomen plicht voor het aanwezig zijn van «certain funds» met name van belang is voor de rechthebbenden op de effecten waarop het bod ziet. Zij moeten beoordelen hoe reëel het aangekondigde bod is. Er is overigens overwogen om de bieder een bankverklaring te laten overleggen, maar dit werd als een te zware last voor de bieder beschouwd.

Artikel 8

In dit artikel wordt geregeld dat de AFM het biedingsbericht goedkeurt wanneer alle gegevens zijn opgenomen die voor een redelijk geïnformeerde en zorgvuldig handelende persoon van belang zijn voor het vormen van een verantwoord oordeel over het openbaar bod. Daarbij moeten de vereiste informatiebestanddelen aanwezig zijn en mogen de gegevens niet met elkaar in strijd zijn of in tegenspraak zijn met andere bij de AFM aanwezige informatie omtrent de doelvennootschap of de bieder. De gegevens zullen moeten worden gepresenteerd in een begrijpelijke vorm. De vereiste informatie wordt gespecificeerd in een aantal bijlagen bij dit besluit hetgeen de overzichtelijkheid van het besluit ten goede komt. De in de bijlagen opgenomen informatiebestanddelen vormen het toetsingskader voor de AFM, evenals de consistentie en begrijpelijkheid van de opgenomen informatie.

De procedure omtrent de goedkeuring van een biedingsbericht door de AFM, is te vinden in artikel 5:77 van de wet en titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bijlage A noemt de soort gegevens die ieder biedingsbericht moet bevatten. De bijlagen B tot en met E hebben betrekking op verschillende typen openbare biedingen. Het tweede lid verwijst naar Bijlage F, waarin aanvullende voorschriften worden gegeven voor de in het biedingsbericht op te nemen gegevens in het geval dat een bod uitsluitend of mede strekt tot overneming van effecten in ruil voor door de bieder, of door een andere vennootschap dan de bieder, uitgegeven effecten. In die laatste bijlage zijn vooral gegevens opgenomen die betrekking hebben op de vennootschap waarvan aandelen in ruil worden aangeboden en die voor een adequate beoordeling van het openbaar bod van belang kunnen worden geacht.

Artikel 9

Dit artikel is een aanvulling op artikel 5:74, eerste lid, van de wet. In dat artikel wordt geregeld dat het verboden is een openbaar bod uit te brengen op effecten die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in Nederland, tenzij – kort gezegd – een biedingsbericht algemeen verkrijgbaar is gesteld dat is goedgekeurd door oftewel de AFM oftewel door een toezichthoudende autoriteit van een andere lidstaat. Een door een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat goedgekeurd biedingsbericht dient, op grond van artikel 6, derde lid, van de richtlijn, in beginsel te worden erkend door de AFM. Een door de AFM goedgekeurd biedingsbericht dient te worden erkend door de bevoegde toezichthoudende instantie van een andere lidstaat. Daartoe dient de toezichthoudende instantie er wel van op de hoogte te zijn dat het biedingsbericht al in een andere lidstaat is goedgekeurd. Daarom bepaalt artikel 9 dat de bieder de AFM kan verzoeken een verklaring af te geven aan de toezichthoudende autoriteiten van andere lidstaten, inhoudende dat het biedingsbericht is goedgekeurd. Deze bepaling is, evenals artikel 11, mede ontleend aan de regeling van het goedkeuren en uitbrengen van het prospectus (vergelijk onder meer artikel 5:10 van de Wet).

Artikel 10

Dit artikel bepaalt op welke wijze het biedingsbericht algemeen verkrijgbaar wordt gesteld. Deze bepaling is gebaseerd op artikel 5:76 van de wet. In het eerste lid wordt de algemeenverkrijgbaarstelling van het biedingsbericht geregeld. De bepaling knoopt aan bij artikel 5:21 van de wet (algemeenverkrijgbaarstelling prospectus). Tot de mogelijkheden behoort ook plaatsing van het biedingsbericht op een website. Hierbij is het de bedoeling dat het biedingsbericht op de website beschikbaar wordt gehouden gedurende het biedingsproces.

Het tweede lid regelt dat wanneer een biedingsbericht alleen op elektronische wijze algemeen verkrijgbaar is gesteld of éénmalig in een dagblad bekend is gemaakt, de bieder ook aan een ieder desgevraagd een afschrift van het gepubliceerde biedingsbericht dient te verstrekken.

In het derde lid wordt geregeld dat de bieder een openbare mededeling doet over het algemeen verkrijgbaar stellen van het biedingsbericht. In deze mededeling zal ook worden opgenomen op welke wijze de algemeenverkrijgbaarstelling is geschied.

In het vierde lid is opgenomen dat de werknemers in kennis worden gesteld van het openbaar bod. Deze verplichting wordt voorgeschreven door artikel 8, tweede lid, van de overnamerichtlijn.

Artikel 11

In het eerste lid van dit artikel wordt een regeling gegeven voor de situatie dat een bieder voornemens is een openbaar bod uit te brengen op effecten welke zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt en de AFM niet de bevoegde toezichthoudende autoriteit is om het biedingsbericht goed te keuren. In dat geval dient het door de bevoegde toezichthoudende instantie van een andere lidstaat goedgekeurde biedingsbericht in afschrift te worden toegezonden aan de AFM en kan het Nederlandse goedkeuringstraject worden overgeslagen. Er kan ook geen termijn worden bepaald waarbinnen het bod moet worden uitgebracht, omdat dat al wordt geregeld door het recht van de lidstaat waar het biedingsbericht is goedgekeurd.

In het tweede lid is geregeld dat indien met het oog op de Nederlandse financiële markten, of de positie van de partijen die daarop actief zijn, specifieke informatie nodig is, de AFM in de in het eerste lid omschreven situatie aanvullende eisen kan stellen aan het (door de toezichthoudende autoriteit van een andere lidstaat goedgekeurde) biedingsbericht. Deze bevoegdheid vloeit voort uit artikel 6, tweede lid, van de overnamerichtlijn. Daarin is bepaald dat een biedingsbericht dat is goedgekeurd door een toezichthoudende autoriteit van een lidstaat wordt erkend in de andere lidstaten waar de effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten (hetgeen in de Nederlandse wetgeving voortvloeit uit artikel 5:74, eerste lid, van de wet), maar in die andere lidstaten in individuele gevallen aanvullende eisen mogen worden gesteld. Om de AFM de mogelijkheid te geven om te beoordelen of in het individuele geval aanvullende informatie nodig is, wordt bepaald dat de AFM na toezending van het biedingsbericht vijf werkdagen heeft om daadwerkelijk aanvullende informatie te verlangen. Aangenomen mag worden dat terughoudend zal worden omgegaan met het vragen van aanvullende informatie.

In het derde lid is bepaald dat indien een biedingsbericht dat is goedgekeurd door een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat, is opgesteld in een andere dan de Nederlandse of de Engelse taal, door de AFM aan de bieder een aanwijzing kan worden gegeven om een Nederlandse vertaling van het biedingsbericht algemeen verkrijgbaar te stellen. Indien het biedingsbericht is opgesteld in de Engelse taal kan de AFM door het geven van een aanwijzing de bieder verplichten dat een Nederlandse samenvatting met een verwijzing naar het onderliggende biedingsbericht en de in het derde lid bedoelde gegevens algemeen verkrijgbaar wordt gesteld. Dezelfde mogelijkheden heeft de AFM overigens ook wanneer zij wel bevoegd is om het biedingsbericht goed te keuren. Verwezen wordt naar het bepaalde in bijlage A (onderdeel 15, van paragraaf 1) van dit besluit.

Artikel 12

Dit artikel regelt de voorwaarden waarvan nakoming van het bod afhankelijk kan worden gesteld. In beginsel is het de bieder die een openbaar bod uitbrengt toegestaan om de nakoming van zijn bod te laten afhangen van de vervulling van bepaalde voorwaarden. Zijn vrijheid is echter niet onbeperkt. Hij moet de voorwaarden bekend maken zodra zij zijn vastgesteld. Dit vloeit voort uit de artikelen 5, eerste lid, en 6, eerste lid. Bovendien zal de vaststelling van dergelijke voorwaarden doorgaans koersgevoelige informatie opleveren die valt onder de openbaarmakingsverplichting van artikel 5:59 van de wet of artikel 4, derde lid, van dit besluit. De bieder mag na het uitbrengen van het bod geen voorwaarden meer stellen. Ook mag hij geen voorwaarden stellen die voor hun vervulling afhankelijk zijn van zijn eigen wil. Overwogen is dit niet meer op te nemen in dit besluit omdat dit reeds volgt uit artikel 6:21 van het Burgerlijk Wetboek. Omdat echter de mogelijkheid bestaat dat op het bod geen Nederlands recht van toepassing is, is deze voorwaarde toch opgenomen. Nadat vast is komen te staan dat een voorwaarde niet is vervuld, dient de bieder dit onverwijld openbaar mede te delen en te vermelden of ten gevolge daarvan het bod vervalt. De regeling van dit artikel geldt in, tegenstelling tot hetgeen in het Bte 1995 was bepaald, ook voor het partieel bod en het tenderbod.

Artikel 13

Dit artikel sluit aan bij artikel 5, vierde lid. Nadat het bod is uitgebracht, kunnen transacties door de bieder en de doelvennootschap in de effecten waarop het bod betrekking heeft niet meer in het biedingsbericht worden opgenomen. Artikel 13 bepaalt daarom dat een openbare mededeling moet worden gedaan over die transacties (in plaats van melding aan de AFM, zoals vereist in artikel 6) zodat die informatie het publiek toch bereikt. Wanneer op grond van de artikelen 5:38, 5:40 of 5:60 van de wet al een melding aan de AFM is gedaan bestaat geen verplichting meer de AFM op de hoogte te stellen van de inhoud van de openbare mededeling, zoals de artikelen 4, eerste lid, jo. artikel 5:59, derde volzin, van de wet, voorschrijven. Wel zal op grond van die bepalingen een persbericht moeten worden uitgebracht en zal de informatie op de website moeten worden geplaatst.

Wanneer op een dag meerdere transacties worden gedaan, hoeven deze niet iedere keer te worden medegedeeld. Het volstaat om eenmaal per dag een openbare mededeling te doen waarin alle transacties worden genoemd.

Artikel 14

Dit artikel regelt de aanmelding van effecten. De mogelijkheid tot aanmelding van effecten wordt niet eerder opengesteld dan op de eerste werkdag volgend op die van het uitbrengen van het bod. Dat wil zeggen: de eerstvolgende werkdag waarop op de gereglementeerde markt, waar de effecten worden verhandeld, handel kan plaatsvinden. In het geval van een volledig bod bedraagt de termijn, zo volgt uit het derde lid, ten minste vier weken (28 dagen, doorgaans 20 werkdagen). In artikel 9o, derde lid, van het Bte 1995 bedroeg de termijn nog 20 dagen. Deze werd door een deel van de respondenten kort geacht. Door verlenging van de termijn is getracht aan dit bezwaar tegemoet te komen. In het geval van een partieel bod of een tenderbod is de termijn, zo volgt uit het vierde lid, niet korter dan twee weken (14 dagen, doorgaans tien werkdagen). In het vijfde lid is ten slotte een maximumtermijn opgenomen. De aanmeldingstermijn kan ten hoogste tien weken bedragen, met dien verstande dat artikel 15 een mogelijkheid geeft tot verlenging van de aanmeldingstermijn.

Artikel 15

Een (lopende) aanmeldingstermijn kan onder omstandigheden worden verlengd. Verlenging van de aanmeldingstermijn kan onder meer een belangrijke rol spelen indien gelijktijdig meer dan één openbaar bod wordt gedaan op dezelfde effecten. In dat geval kan de termijn van het als eerste uitgebrachte openbare bod, indien de aanmeldingstermijn daarvan als eerste eindigt, door deze bieder worden verlengd tot de datum van sluiting van een daarna uitgebracht (langer lopend) openbaar bod. Artikel 7, eerste lid, van de overnamerichtlijn schrijft voor dat de sluiting van het bod tenminste twee weken voor de einddatum openbaar wordt medegedeeld. Omdat in het tweede lid de mogelijkheid wordt geboden om bij afloop van de aanmeldingstermijn te besluiten tot verlenging hiervan, dient deze verlenging tenminste twee weken te duren. Daarom is in het eerste lid voorgeschreven dat de verlenging minimaal twee weken duurt. Maximaal kan de verlenging van de aanmeldingstermijn tien weken bedragen. Er is gekozen voor een maximumtermijn om duidelijkheid te scheppen over de maximale lengte die het biedingsproces kan hebben.

Een verlenging van de aanmeldingstermijn wordt openbaar medegedeeld. Deze mededeling dient onverwijld te worden gedaan. De regeling van artikel 9o, vijfde lid, onder b, van het Bte 1995 op grond waarvan mededeling uiterlijk op de derde werkdag na het einde van de aanmeldingstermijn kon plaatsvinden, kon daarom niet worden gehandhaafd. De bieder heeft mogelijk wel enige tijd nodig om te beoordelen of een verlenging gewenst is. Daarom is bepaald dat de bieder tot en met de derde werkdag na het einde van de aanmeldingstermijn kan besluiten tot verlenging. Dit besluit moet vervolgens onverwijld openbaar worden medegedeeld.

Wanneer de aanmeldingstermijn wordt verlengd kunnen rechthebbenden van effecten die hun effecten in de oorspronkelijke aanmeldingstermijn al hadden aangemeld, op grond van het derde lid deze aanmelding herroepen. Verlenging van de aanmeldingstermijn heeft verder tot gevolg dat alle verplichtingen die ontstaan na afloop van de aanmeldingstermijn, worden opgeschort tot na afloop van de verlengde termijn.

In het vierde lid is bepaald dat de bieder zijn prijs eenmaal mag verhogen. Hij mag dit doen tijdens de aanmeldingstermijn, tijdens of bij verlenging hiervan of tijdens of bij verlenging van de aanmeldingstermijn in het geval van een concurrerend bod. Omdat verhoging van de prijs doorgaans zal voorkomen tijdens of bij de verlenging, is er voor gekozen dit artikellid op te nemen in artikel 15. Tevens bevat dit artikel een tweetal voorzieningen voor specifieke situaties. In het vijfde lid wordt een regeling gegeven voor de situatie dat een concurrerend bod is uitgebracht of aangekondigd. Om te voorkomen dat het oorspronkelijke bod wordt benadeeld ten opzichte van het concurrerende bod is bepaald dat de oorspronkelijke bieder kan besluiten de aanmeldingstermijn, of de verlengde aanmeldingstermijn, te verlengen tot het einde van de aanmeldingstermijn, of de verlengde aanmeldingstermijn, van het concurrerende bod. Dit speelt vooral indien ook de concurrerende bieder overgaat tot verlenging van de aanmeldingstermijn.

De tweede specifieke situatie betreft de de situatie dat een verzoek tot wijziging van de billijke prijs bij een verplicht bod is gedaan. Deze procedure bij de Ondernemingskamer zal enige tijd in beslag nemen. Het is onwenselijk dat de aanmeldingstermijn tijdens die procedure blijft doorlopen. Daarom is in het zesde lid bepaald dat de aanmeldingstermijn wordt opgeschort. Vervolgens bestaat de mogelijkheid dat de billijke prijs in die procedure wordt gewijzigd. In verband met de gelijke behandeling van rechthebbenden die effecten aanmelden en ter voorkoming van speculaties met vroege en late aanmeldingen van effecten regelt het zevende lid dat rechthebbenden van effecten die hun effecten al hadden aangemeld voordat het verzoek tot wijziging van de billijke prijs werd gedaan de gelegenheid hebben deze aanmelding te herroepen, wanneer de Ondernemingskamer het verzoek tot wijziging van de billijke prijs heeft toegewezen. Anders zouden zij het risico lopen hun effecten te moeten verkopen tegen een lagere prijs dan zij voorzien konden hebben.

Artikel 16

Dit artikel regelt de gestanddoening van het bod. De bieder dient uiterlijk op de derde werkdag na het einde van de aanmeldingstermijn, een openbare mededeling te doen of hij het bod gestand doet. Meestal zal de bieder deze tijd nodig hebben om het aantal en percentage van de aangemelde effecten te bepalen en zich een oordeel te vormen of alle voorwaarden, waarvan de gestanddoening van het bod afhankelijk is gesteld, zijn vervuld. Deze bepaling geldt voor alle vier de soorten van openbare biedingen.

Artikel 17

Dit artikel geeft de mogelijkheid tot het instellen van een «na-aanmeldingstermijn».

Het eerste lid bepaalt dat over het stellen van de na-aanmeldingstermijn en de daarvoor geldende voorwaarden een openbare mededeling wordt gedaan. In deze openbare mededeling moet worden vermeld dat het biedingsbericht van toepassing is tijdens de na-aanmeldingstermijn. De overnamerichtlijn vereist namelijk dat voor ieder openbaar bod een biedingsbericht wordt uitgebracht. De overnamerichtlijn vereist tevens dat voor ieder openbaar bod een mededeling wordt gedaan over het aanwezig hebben van een vergoeding voor de aangeboden effecten (de «certain funds», vergelijk artikel 7, vierde en vijfde lid). Beide eisen gelden hier onverkort nu het, strikt genomen, een nieuw openbaar bod betreft. De inhoud van het bod is echter gelijk aan het gestand gedane bod, waardoor het mogelijk is hetzelfde biedingsbericht te gebruiken. In het biedingsbericht is ook een passage opgenomen over de financiering van het bod (zie Bijlage A 1.6). Deze passage kan, omdat bij aanvang van de na-aanmeldingstermijn direct wordt medegedeeld dat het biedingsbericht van toepassing is, de «certain funds»-mededeling vervangen. Slechts een enkele bepaling in het biedingsbericht, zoals een ontbindende voorwaarde wanneer een te laag percentage van de effecten wordt aangemeld, zal niet op het nieuwe bod van toepassing zijn. De bieder heeft overigens de mogelijkheid andere openbare mededelingen die hij in de loop van het oorspronkelijke biedingsproces heeft gedaan ook van toepassing te verklaren op de na-aanmeldingstermijn.

Het tweede lid regelt de termijnen van de na-aanmeldingstermijn en het vierde lid bepaalt dat een openbare mededeling moet worden gedaan over het percentage van de effecten dat is aangemeld in de na-aanmeldingstermijn.

Artikel 18

Artikel 18 heeft betrekking op de informatievoorziening door een doelvennootschap met zetel in Nederland aan de aandeelhouders tot wie het bod is gericht. Het eerste lid ziet op het bijeenroepen van een informatieve algemene vergadering van aandeelhouders ten einde te bewerkstelligen dat door de doelvennootschap alle informatie wordt verstrekt die van belang kan zijn voor een adequate beoordeling van het uitgebrachte bod. Verder rust op de doelvennootschap de verplichting om een bericht uit te geven met daarin de gegevens die zijn gespecificeerd in bijlage G. Dit bericht, waarin het standpunt van de doelvennootschap is vervat, wordt opgenomen in een apart document, dat in formele zin geen onderdeel uitmaakt van het biedingsbericht. Omdat in de praktijk het standpunt bij vriendelijke overnames wordt opgenomen in het biedingsbericht, zal het wel mogelijk blijven het bericht en het document waarin het standpunt is opgenomen gelijktijdig openbaar te maken. Het document waarin het standpunt van het bestuur is opgenomen is niet aan voorafgaande goedkeuring door de AFM onderworpen.

Artikel 19

In dit artikel wordt een verband gelegd tussen de prijs die voor de aangemelde effecten betaald moet worden en de transacties die door de bieder zijn gedaan in effecten waarop het bod betrekking had, vanaf het moment dat deze transacties overeenkomstig artikel 5, derde lid, gemeld moeten worden. Uit het artikel volgt dat steeds de hoogste vergoeding zal moeten worden betaald. Dit betekent dat als de in het biedingsbericht geboden prijs hoger is dan de prijs die is betaald voor de effecten in één van de gemelde transacties, de geboden prijs moet worden betaald. Het is ook mogelijk dat de, overeenkomstig artikel 15, vierde lid, verhoogde geboden prijs moet worden betaald. Tenslotte is het mogelijk dat de bieder in één van de gemelde transacties een hogere prijs heeft betaald. In dat geval moet bij gestanddoening die prijs worden betaald.

Artikel 20

Artikel 20, dat ziet op het partieel bod, voorziet in een ten opzichte van artikel 18 vereenvoudigde informatieprocedure van het bestuur van de doelvennootschap aan haar aandeelhouders. In tegenstelling tot het bepaalde in artikel 18 hoeft het bestuur geen algemene vergadering van aandeelhouders bijeen te roepen. De doelvennootschap kan volstaan met openbaarmaking van de gegevens, genoemd in bijlage G.

Artikel 21

Artikel 21 bevat enkele specifiek met het partieel bod verband houdende bepalingen. Een partieel bod is gericht tot alle rechthebbenden van een categorie of klasse van effecten, met dien verstande dat het percentage van de stemrechten dat door de bieder wordt gehouden na gestanddoening van het bod kleiner dan 30 procent dient te blijven. Indien meer effecten zijn aangeboden dan de bieder – met een maximum van 30 procent minus één stem – heeft toegezegd te zullen verwerven, doet de bieder zijn bod op non-discriminatoire wijze gestand. Dit houdt in dat de verdeelsleutel op grond waarvan aanboden effecten tot een maximum van 30 procent, minus één stem, van de stemrechten mogen worden aanvaard objectief zal moeten zijn. Dat wil dus zeggen dat bepaalde houders van effecten niet mogen worden bevoordeeld of benadeeld op grond van subjectieve criteria en dat de verdeelsleutel vooraf kenbaar moet zijn door deze op te nemen in het biedingsbericht. Om aan een dergelijke systematiek van gestanddoening nadere regels te kunnen stellen, voorziet dit artikel in de mogelijkheid om bij ministeriële regeling op dit punt regels te stellen.

In het tweede lid wordt artikel 19, waarin wordt bepaald dat de bieder voor de effecten de hoogste prijs betaalt die hij heeft geboden of die hij voor die effecten heeft betaald sinds de aankondiging van het bod, van overeenkomstige toepassing verklaard. Deze bepaling gold in het Bte 1995 (artikel 9h, vijfde lid) alleen voor het volledig bod, maar is thans ook van toepassing op het partieel bod.

Artikel 22

Dit artikel geeft voor het tenderbod een vergelijkbare regeling als in artikel 20 voor het partieel bod is gegeven. Kortheidshalve wordt verwezen naar de toelichting bij dat artikel.

Artikel 23

Dit artikel houdt vergelijkbare voorschriften in voor het tenderbod als in artikel 21 voor het partieel bod zijn gegeven. In het eerste lid wordt echter, vanwege de aard van het tenderbod, bepaald dat de bieder zijn bod gestand doet wanneer dit mogelijk is tegen een door hem in het biedingsbericht te vermelden prijs. Omdat bij een tenderbod rechthebbenden van effecten de prijs bepalen heeft de bieder de mogelijkheid om in het biedingsbericht een maximale prijs aan te geven waartegen hij het bod gestand zal doen. Zo kan hij voorkomen dat hij hogere prijs dient te betalen. Ook wanneer effecten worden aangemeld voor een prijs die onder het gestelde maximum ligt (en aan andere eventuele voorwaarden is voldaan) moet hij het bod gestand doen.

Artikel 24

Dit artikel bepaalt dat de gestanddoening van een verplicht bod door de bieder, in een biedingsbericht, niet afhankelijk mag worden gesteld van de vervulling van voorwaarden. Dat zou immers niet verenigbaar zijn met het verplichte karakter van het bod. Iets anders is dat de fusie die door het verplicht bod tot stand wordt gebracht onderhevig kan zijn aan concentratietoezicht door de Nma en de Commissie van de Europese Gemeenschappen. Ingevolge artikel 4, eerste lid van verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van de Europese Unie van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PbEU L 24) (EG-concentratieverordening) dient een voorgenomen concentratie met een «communautaire dimensie» bij de Europese Commissie te worden aangemeld (Europees concentratietoezicht). Het vierde en vijfde lid van bedoeld artikel 4 bevatten uitbreidingen en beperkingen van het toezicht door de Commissie. De verhouding tussen het Europees concentratietoezicht en het nationaal concentratietoezicht is in hoofdzaak geregeld in artikel 21, derde lid, van de EG-concentratieverordening, dat een afbakening bevat tussen de bevoegdheden van de Europese Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten. Het nationaal concentratietoezicht is voor Nederland geregeld in Hoofdstuk 5 van de Mededingingswet. In het bijzonder is hierbij artikel 39 van de Mededingingswet van belang.

Artikel 25

Dit artikel, dat ziet op het verplichte bod, regelt twee situaties waarin wordt afgeweken van de billijke prijs, zoals die overeenkomstig de wet zou worden bepaald. In het eerste lid gaat het om de situatie dat na de aankondiging van het verplicht bod door de bieder, of personen met wie hij in onderling overleg handelt, nog effecten in de doelvennootschap zijn verkregen. De periode na de aankondiging wordt volgens de hoofdregel niet meegenomen bij de bepaling van de billijke prijs. Wanneer in die periode echter door de bieder voor een hogere prijs dan de billijke prijs effecten zijn verkregen, wordt de prijs van het verplicht bod verhoogd tot die prijs. Het eerste lid geeft uitvoering aan artikel 5, vierde lid, tweede alinea, van de overnamerichtlijn.

Het tweede lid ziet op de situatie dat overwegende zeggenschap wordt bereikt door bijvoorbeeld het intrekken van eigen aandelen door de vennootschap. Mogelijk heeft de bieder dan in het voorgaande jaar geen effecten aangekocht zodat de billijke prijs niet volgens de hoofdregel kan worden bepaald. De overnamerichtlijn regelt niet wat de billijke prijs zou moeten zijn in een dergelijke situatie waarin de bieder geen effecten heeft aangekocht, maar staat wel een nationale regeling toe. In artikel 5, zesde lid, van de overnamerichtlijn wordt immers bepaald dat lidstaten in nadere instrumenten voor de bescherming van houders van effecten mogen voorzien. De billijke prijs wordt dan bepaald aan de hand van de gemiddelde slotkoers in het jaar voorafgaand aan het ontstaan van de biedplicht. De gemiddelde koers van de effecten waaraan in het tweede lid wordt gerefereerd, is de gemiddelde slotkoers van de effecten (waarop het verplichte bod ziet) gedurende het afgelopen jaar op de markt, of markten, in financiële instrumenten waarop de effecten in die periode toegelaten waren. Voorkomen wordt daarmee dat de bieder een verplicht bod kan uitbrengen tegen een willekeurige (lage) prijs, waarmee het beschermende effect voor minderheidsaandeelhouders teniet gedaan zou kunnen worden.

In het derde lid wordt bepaald wanneer een overeenkomstig artikel 5:80b van de wet gedaan verzoek tot vaststelling van de billijke prijs kan worden gedaan. Dit dient uiterlijk vier weken na de aankondiging van het bod te geschieden. Door deze bepaling wordt voorkomen dat als gevolg van een aanvraag ver in het biedingsproces, het biedingsproces zeer lang duurt.

In het vierde lid wordt geregeld dat, indien de Ondernemingskamer het verzoek toewijst en de billijke prijs vaststelt, deze prijs de in het biedingsbericht geboden prijs vervangt. Het is nodig dit te regelen omdat anders twee prijzen (die uit het biedingsbericht en de aldus vastgestelde prijs) naast elkaar bestaan, en eventueel onduidelijkheid kan bestaan over welke prijs bij gestanddoening moet worden betaald.

In het vijfde lid wordt bepaald dat de bieder een openbare mededeling moet doen over de vaststelling van de billijke prijs. Hiermee wordt duidelijkheid verschaft aan de rechthebbenden van effecten. De bieder dient hierbij te vermelden wat de gevolgen zijn voor de financiering. Vooral indien de Ondernemingskamer een hogere prijs heeft vastgesteld zal de bieder nauwkeurig moeten aangeven hoe hiervoor aanvullende financiering wordt gerealiseerd.

Artikel 26

In dit artikel wordt bepaald op welke wijze de bieder de tegenprestatie voor de verworven effecten dient te leveren. Het bepaalde in het eerste tot en met het derde lid is afkomstig uit artikel 5, vijfde lid, van de overnamerichtlijn. Het vierde lid is afkomstig uit de regeling in het Bte 1995 en is in overeenstemming met de overnamerichtlijn.

Artikel 27

In het eerste lid van dit artikel wordt bepaald dat de doelvennootschap haar werknemers in kennis dient te stellen van het uitbrengen van een openbaar bod op haar effecten en dat het biedingsbericht daarbij verstrekt dient te worden. Het in kennis stellen vindt plaats via de ondernemingsraad. Bij afwezigheid van een ondernemingsraad dient de inkennisstelling rechtstreeks aan de werknemers te geschieden. Deze bepaling geldt ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de overnamerichtlijn.

In het tweede lid van dit artikel wordt bepaald dat het bericht dat de doelvennootschap op grond van artikel 18, tweede lid, 20, eerste lid, of 22, eerste lid aan haar aandeelhouders dient te verstrekken, gelijktijdig ook aan de ondernemingsraad, of bij afwezigheid daarvan, rechtstreeks aan de werknemers dient te worden verstrekt. Deze bepaling geldt ter uitvoering van artikel 9, vijfde lid, van de overnamerichtlijn.

Artikelen 28 en 33 (Wijziging van het Besluit bekostiging financieel toezicht)

Het Besluit bekostiging financieel toezicht wordt in verband met dit besluit en de inwerkingtreding van de wet ter implementatie van de overnamerichtlijn op twee onderdelen gewijzigd. In artikel 2 wordt geregeld dat de AFM een bedrag in rekening kan brengen voor de kosten die gemoeid zijn met de behandeling van een aanvraag tot goedkeuring van een biedingsbericht. In de tweede plaats is in artikel 3 geregeld dat de AFM eenmalig een bedrag in rekening kan brengen nadat de bieder een openbare mededeling heeft gedaan als bedoeld in artikel 7 of 16 van dit besluit. De openbare mededeling in artikel 7 wordt gedaan binnen vier weken na aankondiging van het openbaar bod en heeft betrekking op de vraag of de bieder al dan niet een aanvraag tot goedkeuring van een biedingsbericht zal indienen en de termijn waarbinnen dat zal gebeuren. Een op grond van artikel 16 gedane openbare mededeling heeft betrekking op het al dan niet gestand doen van het uitgebrachte openbaar bod. De op grond van artikel 3 in rekening te brengen bedragen dienen eveneens ter dekking van de kosten die de AFM maakt in verband met de uitvoering van haar wettelijke taken in het openbare biedingsproces. De hoogte van de drie bedoelde bedragen wordt jaarlijks op grond van artikel 9 van het Besluit bekostiging financieel toezicht voor 15 januari bij ministeriële regeling vastgesteld. In 2007, zo regelt artikel 33, zal dat binnen een maand na vaststelling van dit besluit geschieden.

Artikel 29 (Wijziging van het Besluit boetes Wft)

In dit artikel worden in het Besluit boetes Wft de voorschriften van hoofdstuk 5.5 van de wet en van dit besluit toegevoegd die kunnen worden beboet in geval van overtreding, alsmede de bijbehorende boetes. De categorisering van de boetes is vergelijkbaar met de hoogte van de boete bij overtreding van vergelijkbare voorschriften die in de Wte 1995 en het Bte 1995 waren opgenomen.

Artikel 30 (Wijziging van het Besluit Marktmisbruik Wft)

In dit artikel wordt een onderdeel toegevoegd aan artikel 2 van het Besluit marktmisbruik Wft, welk artikel uitzonderingen bevat op het transactieverbod van artikel 5:56 van de wet (gebruikmaken van voorwetenschap). Het nieuwe onderdeel j houdt nauw verband met de uitzondering in onderdeel b en strekt ertoe deze uitzondering uit te breiden tot verkoop van aandelen die zijn verkregen op basis van daartoe verleende (voorwaardelijke) rechten in het kader van een personeelsregeling, mits de aandelen (of certificaten van aandelen) onmiddellijk na het onvoorwaardelijk worden verkocht worden en de ontvangen opbrengst onmiddellijk wordt gebruikt ter voldoening van de belastingplicht die voortvloeit uit de verkoop van deze aandelen of certificaten van aandelen. De reden voor deze toevoeging is dat in de praktijk, naast participatieplannen waarbij opties worden toegekend, in toenemende mate gebruik wordt gemaakt van participatieplannen waarbij (voorwaardelijke) rechten op aandelen worden toegekend. Deze aandelen worden met een verkoopbeperking toegekend, waarbij op het moment dat deze verkoopbeperking wegvalt en de aandelen onvoorwaardelijk worden, kan worden besloten tot verkoop. In het algemeen zal het zo zijn dat bij het intreden van de voorwaarde de zogenoemde «vesting» plaatsvindt, op welk moment de verkrijger van de aandelen daarover belasting zal moeten betalen. Om dat te kunnen doen, zal de verkrijger niet zelden een deel van de aandelen moeten verkopen. Dit besluit tot verkoop is een transactie. Als voldaan wordt aan de voorwaarde dat onmiddellijk na het onvoorwaardelijk worden van de aandelen wordt overgegaan tot verkoop ter dekking van de ontstane belastingplicht is deze transactie uitgezonderd van het verbod op gebruik maken van voorwetenschap.

Artikel 31 (Wijziging van het Besluit artikel 10 overnamerichtlijn)

In dit artikel wordt een verschrijving in artikel 1, eerste lid, onder c, van het Besluit artikel 10 overnamerichtlijn hersteld.

Artikel 32 (Overgangsbepaling)

In dit artikel wordt een tweetal situaties waarin een biedingsproces is aangevangen voor de inwerkingtreding van dit besluit geregeld.

In het eerste lid gaat het om de situatie dat een mededeling is gedaan waarin een openbaar bod is aangekondigd, voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit. Wanneer daarvan sprake is blijft op dat openbaar bod het op de Wte 1995 gebaseerde recht van toepassing (dat wil zeggen het recht zoals dat gold op het tijdstip waarop de mededeling werd gedaan). Reeds voor de inwerkingtreding van dit besluit aangekondigde of uitgebrachte openbare biedingen worden dus afgehandeld onder het «oude recht». In de tweede volzin van het eerste lid wordt dit expliciet tot uiting gebracht.

In het tweede lid wordt de in het eerste lid opgenomen overgangsregel aangevuld. Wanneer voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit een openbaar bod was uitgebracht of aangekondigd en na de inwerkingtreding van dit besluit door een derde (een of meerdere) een openbaar bod wordt aangekondigd of uitgebracht op dezelfde effecten van die doelvennootschap (een concurrerend bod), dan is op het door deze derde aangekondigde of uitgebrachte openbaar bod ook het «oude recht» van toepassing. Tevens volgt uit het tweede lid, dat wanneer nadat een concurrerend bod is aangekondigd of uitgebracht de initiële bieder een nieuw bod uitbrengt op dezelfde effecten na het in werking treden van dit besluit (dat kan bijvoorbeeld indien het initiële bod niet gestand behoeft te worden gedaan vanwege niet-vervulling van een voorwaarde voor gestanddoening) op dit bod eveneens het oude recht van toepassing is. Tenslotte geldt ook voor de concurrerende bieder, de derde, dat wanneer hij een nieuw bod op dezelfde effecten zou uitbrengen, ook het oude recht blijft gelden. Voorkomen wordt hiermee dat ten aanzien van (dezelfde effecten van) één doelvennootschap gelijktijdig twee of meer openbare biedingen zouden kunnen plaatsvinden waarop uiteenlopende voorschriften van toepassing zouden zijn. Dit zou, vanuit het oogpunt dat voor een ieder de regels gelijkluidend moeten zijn en met het oog op de transparantie van het biedingsproces, geen wenselijke situatie zijn. Een uitvloeisel van deze aanvullende overgangsregel is dat ten aanzien van een dergelijke concurrerende bieding het «oude recht» ook van toepassing blijft wanneer het als eerste aangekondigde, of uitgebrachte openbare bod, op enig moment zou worden ingetrokken. Met andere woorden: ook voor een concurrerend openbaar bod (waarop vanwege deze overgangsbepaling het «oude recht» van toepassing is) geldt dat als het eenmaal met toepasselijkheid van het «oude recht» in gang is (in dit geval: moet worden) gezet, ook wordt afgerond onder het «oude recht».

Artikel 33 (Overgangsbepaling)

Verwezen wordt naar de toelichting op artikel 28.

Artikel 34

Dit artikel betreft het intrekken van de bestaande biedingsregels uit het Bte 1995.

Artikel 35

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van het Besluit openbare biedingen. De inwerkingtreding zal bij koninklijk besluit worden bepaald. De verwachting is dat het besluit tussen 15 en 31 oktober 2007 in werking zal treden.

Artikel 36

Dit artikel bepaalt de citeeertitel.

Bijlagen A, B, C, D, E en F

In deze bijlagen bij het besluit zijn de gegevens opgesomd die in het biedingsbericht voor respectievelijk ieder openbaar bod, een volledig bod, een partieel bod, een tenderbod, een verplicht bod en een ruilbod moeten worden opgenomen. Opgemerkt wordt in dit verband dat, zoals volgt uit artikel 8, eerste lid, van dit besluit, bij ieder openbaar bod in het biedingsbericht ten minste de in bijlage A genoemde gegevens dienen te worden opgenomen. In deze bijlagen zijn, naast veranderingen in de voorheen in het Bte 1995 verplicht gestelde gegevens, tevens gegevens opgenomen ter vervanging van de voorschriften die op grond van de beleidsregel biedingsbericht werden verlangd. Ook is in de bijlagen de opname in het biedingsbericht van enkele nieuwe gegevens verplicht gesteld ter implementatie van overnamerichtlijn. Aangezien de overnamerichtlijn geldt voor alle soorten openbare biedingen zijn deze gegevens opgenomen in bijlage A.

Bijlage A – Algemene gegevens inzake een openbaar bod

Bijlage A geeft weer welke informatie in alle biedingsberichten moet worden opgenomen en is onderverdeeld in twee paragrafen.

Paragraaf 1 – Gegevens betreffende het openbaar bod

Onderdeel 1

In onderdeel 1 zijn de voorheen in de artikelen 9i sub c, 9k sub c en 9m sub c, van het Bte 1995 beschreven gegevens opgenomen. Op grond van onderdeel 1 dient het biedingsbericht een mededeling te bevatten of met de doelvennootschap overleg over het bod is gevoerd en wat de uitkomst van dit overleg is. Onderdeel 1 kent voorts een onderverdeling in drie aparte subonderdelen. Vermeld dient, op grond van onderdeel 1.1, te worden of (en met welke) organen van de doelvennootschap overleg is gevoerd. Indien bijvoorbeeld met bepaalde leden van het bestuur of de raad van commissarissen geen overleg is gevoerd, dient te worden aangegeven welke leden van de betreffende organen de gesprekken gevoerd hebben. De gegevens die zijn opgenomen in de onderdelen 1.1 en 1.2 werden voorheen verlangd op grond van de beleidsregel biedingsbericht. Het onderdeel1.3 vloeit voort uit de door de AFM ontwikkelde toezichtpraktijk.

Onderdelen 2 en 3

In de onderdelen 2 en 3 zijn de vroegere artikelen 9i sub d en 9i sub e van het Bte 1995 ondergebracht, evenals de gelijkluidende vroegere artikelen 9k sub d, 9k sub e, 9m sub d en 9m sub e die golden voor het partieel bod en het tenderbod.

De verklaring die op grond van onderdeel 2 is vereist, ligt in het verlengde van artikel 3, eerste lid, van dit besluit. De verklaring dient om een belangrijke doelstelling van de biedingsregels te bewerkstelligen, namelijk de gelijke behandeling van de houders van effecten van dezelfde categorie of klasse. Met de verklaring dat het openbaar bod is gericht tot alle rechthebbenden van de uitstaande effecten kan de opname van territoriale restricties in het bod, onder omstandigheden, samengaan. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer in een bepaald land geldende voorschriften, waaraan door de bieder moet worden voldaan om het bod ook in dat betrokken land te mogen uitbrengen, conflicteren met de Nederlandse biedingsregels en onevenredig belastend zijn voor de bieder. Dergelijke territoriale restricties kunnen evenwel uitsluitend de strekking hebben dat de bieder zich niet actief zal richten op de betreffende financiële markten van dat betrokken land of die jurisdictie.

De op grond van onderdeel 3 vereiste verklaring dat aan alle houders van effecten van dezelfde categorie hetzelfde bod wordt gedaan ligt eveneens in het verlengde van artikel 3, eerste lid, in het bijzonder van de daarin opgenomen passage «onder gelijke voorwaarden». Dit heeft tot gevolg dat door de bieder in zijn openbaar geen onderscheid mag worden gemaakt binnen dezelfde categorie of klasse effecten waarop het bod betrekking heeft.

Onderdeel 4

In onderdeel 4 zijn de vroegere artikelen 9i sub k, 9k sub k en 9m sub l van het Bte 1995 ondergebracht. Dit onderdeel vereist vermelding van de aanmeldingstermijn. Ten opzichte van het Bte 1995 is dit voorschrift zodanig aangevuld dat ook de wijze waarop rechthebbenden hun effecten kunnen aanmelden moet worden vermeld. Het biedingsbericht dient de datum en het tijdstip te vermelden waarop de aanmeldingstermijn begint en eindigt. Overeenkomstig artikel 14, tweede lid, vangt de aanmeldingstermijn niet eerder aan dan op de eerste werkdag volgend op het uitbrengen van het openbaar bod. Er dient ook te worden vermeld dat de bieder de mogelijkheid heeft om overeenkomstig artikel 15 de aanmeldingstermijn te verlengen, waarbij eerdere aanmeldingen tijdens deze verlenging kunnen worden herroepen.

Onderdeel 5

In aanvulling op de voorschriften die voorheen waren opgenomen in de artikelen 9i sub l, 9k sub m en 9m sub n van het Bte 1995 moet op grond van onderdeel 5 worden vermeld welke instelling optreedt als betaal- en wisselkantoor. De leverings- en betalingsregeling dient overeen te komen met de internationale usance op dit gebied, helder te worden beschreven en te kunnen waarborgen dat de afwikkeling van het bod bij gestanddoening binnen afzienbare tijd mogelijk is.

Onderdeel 6

In onderdeel 6 is een deel opgenomen van hetgeen voorheen werd bepaald in artikel 9i sub h van het Bte 1995 (een ander deel van die bepaling is opgenomen in onderdeel 4 van paragraaf 1 van bijlage B). Onderdeel 6 wordt in bijlage A geplaatst omdat de overnamerichtlijn vereist dat het biedingsbericht van ieder bod de wijze van financiering vermeldt. Opgemerkt wordt dat op grond van artikel 7, vierde lid, tevens een mededeling over de financiering van het bod is vereist op het moment van indiening van de aanvraag tot goedkeuring van het biedingsbericht bij de AFM. Beide mededelingen kunnen dezelfde informatie bevatten. Indien artikel 7, vijfde lid, toepassing heeft gevonden, dan dient in het biedingsbericht eveneens een beschrijving te worden opgenomen van de informatie die op grond van die bepaling in de mededeling (welke op grond van artikel 7, vierde lid, is gedaan) is vervat. In plaats van deze informatie opnieuw te beschrijven kan ook worden volstaan met een verwijzing naar de informatie in die eerder gedane mededeling.

Onderdeel 7

Onderdeel 7 verplicht tot het vermelden van de motieven en voornemens van de bieder, hetgeen voorheen deels door artikel 9i sub n, van het Bte 1995 werd vereist. De overnamerichtlijn verplicht in artikel 6, derde lid, onder i, tot opneming van de voornemens met betrekking tot de biedende vennootschap. Bij dit onderdeel zal moeten worden ingegaan op de vraag waarom het bod wordt uitgebracht en in het bijzonder wat daarvan de verwachte voordelen zijn, zoals synergie, kostenvoordelen of versterken of handhaven van de marktpositie. Naast deze beschrijving van de aan het bod ten grondslag liggende motieven en de verwachte of beoogde voordelen dient in te worden gegaan op de meer «technische» aspecten van het beleid, zoals het eventueel uit de notering nemen van de aandelen van de doelvennootschap, of het eventuele voornemen om gebruik te maken van de uitkoopregeling of het doorvoeren van een juridische fusie. Voorts dient zo nauwkeurig mogelijk te worden omschreven welke eventuele voornemens de bieder heeft ten aanzien van nieuw te ontplooien activiteiten na gestanddoening van het bod. Op grond van dit onderdeel dienen de motieven en voornemens, in beginsel te worden voorzien van een cijfermatige onderbouwing, welke in het bijzonder betrekking dient te hebben op de financiële vooruitzichten van de activiteiten die zullen worden voortgezet. Op dit punt is de informatie die op grond van het onderhavige besluit dient te worden verstrekt, ten opzichte van artikel 9i sub n van het Bte 1995, uitgebreid.

Onderdeel 8

Onderdeel 8 is vergelijkbaar met hetgeen voorheen in artikel 9i sub x, van het Bte 1995 was bepaald. Dit artikel is aangepast omdat de overnamerichtlijn dit in artikel 6, derde lid, onder i voorschrijft. Bij dit onderdeel dient voor zover van toepassing ook aandacht te worden besteed aan de toepasselijke wet- en regelgeving zoals de SER-Fusiegedragsregels, de Wet op de ondernemingsraden en eventuele overige (Europese) medezeggenschapsregels, alsmede of er overleg met de vakbonden of de ondernemingsraad heeft plaatsgevonden en of er een voornemen bestaat om een sociaal plan op te stellen. Er dient verder melding te worden gemaakt van de leden van het bestuur en de raad van commissarissen die bij gestanddoening van het bod zullen aftreden. Voorts dient te worden vermeld of, en zo ja, welke leden van het bestuur en de raad van commissarissen mogelijk op een later moment dan bij de gestanddoening zullen aftreden, bijvoorbeeld als gevolg van «delisting» van de vennootschap.

Onderdeel 9

In onderdeel 9 is een verwijzing opgenomen naar artikel 359 b van Boek 2 van het Burgerlijk wetboek. Dit dient ter implementatie van artikel 6, derde lid, onder e, van de overnamerichtlijn.

Onderdelen 10 en 11

De onderdelen 10 en 11 zien op de informatie die voorheen in de artikelen 9i sub y en 9i sub z, van het Bte 1995, en hun tegenhangers voor het partieel bod en het tenderbod; de artikelen 9k sub p, 9k sub q, 9m sub q en 9m sub r, van het Bte 1995 was opgenomen.

Onderdeel 10 verplicht tot vermelding van de namen en functies van de personen die verantwoordelijk zijn voor de inhoud van het biedingsbericht. Van ieder gedeelte van het biedingsbericht, indien dat per (onder)deel verschilt, dient duidelijk te worden gemaakt wie verantwoordelijk is voor de in dat (onder)deel opgenomen informatie.

Onderdeel 11 verplicht tot opname van de verklaring dat de in het biedingsbericht opgenomen informatie juist en volledig is. De verklaring dient zich uit te strekken tot alle onderdelen van het biedingsbericht.

Onderdeel 12

Onderdeel 12 verplicht tot het transparant maken van een eventueel ingewonnen «fairness opinion» en andere adviezen die zijn ingewonnen ter voorbereiding van het openbaar bod. De bedoeling hiervan is dat het voor de markt duidelijk is of fairness opinies of andere adviezen zijn ingewonnen, door wie deze zijn afgegeven en wat hiervan de inhoud is. Ook de inhoud van adviezen waarvan de inhoud niet (uitsluitend) positief is, dienen ingevolge dit onderdeel te worden genoemd. Overigens behoeft om redenen van bedrijfsvertrouwelijkheid niet de volledige inhoud van het advies te worden weergegeven, een verkorte inhoud waaruit de strekking van het advies blijkt, volstaat.

Onderdeel 13

Onderdeel 13 verplicht tot het opnemen van informatie over recht dat toepasselijk is op het openbaar bod, en de daaruit voortvloeiende overeenkomsten, van toepassing is. Dit onderdeel wordt toegevoegd omdat de overnamerichtlijn daartoe in artikel 6, derde lid, onder n, verplicht.

Onderdeel 14

Onderdeel 14 verplicht tot vermelding van alle kosten die door de bieder en de doelvennootschap zijn gemaakt en (naar verwachting) zullen worden gemaakt in verband met het openbaar bod.

Onderdeel 15

In onderdeel 15 wordt vereist dat er een Nederlandse vertaling van het biedingsbericht wordt opgesteld als het biedingsbericht in een andere taal dan de Nederlandse of Engelse taal is opgesteld. Indien het biedingsbericht in de Engelse taal is opgesteld dient een samenvatting te worden opgesteld in het Nederlands van de in onderdeel 15 genoemde onderdelen van het biedingsbericht. Aangesloten is hierbij bij de onderdelen die op grond van artikel 11 dienen te worden vertaald in de situatie dat een openbaar bod plaatsvindt op effecten die zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland gelegen gereglementeerde markt, het biedingsbericht in het Engels is opgesteld en de AFM niet de bevoegde toezichthouder is om het biedingsbericht goed te keuren. Verwezen wordt naar dat artikel en de toelichting erop. Ingevolge dit onderdeel dient bovendien duidelijk te worden aangegeven dat het document een vertaling of een samenvatting betreft, waarbij voor de oorspronkelijke, dan wel volledige, informatie verwezen wordt naar het onderliggende biedingsbericht.

Paragraaf 2 – Gegevens betreffende de bieder en de doelvennootschap

Onderdeel 1

In onderdeel 1 zijn de gegevens opgenomen die voorheen in de artikelen 9i sub a, 9k sub a en 9m sub a, van het Bte 1995 waren opgenomen. Daarnaast zijn twee extra op te nemen informatie-elementen toegevoegd. Uit hoofde van dit onderdeel dient te worden vermeld wie met betrekking tot het onderhavige bod kwalificeren als bieder en als doelvennootschap. In de praktijk wordt voor het uitbrengen van een openbaar bod overigens regelmatig gebruik gemaakt van een biedingsvehikel dat speciaal voor het uitbrengen van het bod is opgericht. Dit biedingsvehikel valt onder de definitie van bieder zoals geregeld in artikel 1:1 van de wet. Ter verduidelijking wordt opgemerkt dat het begrip bieder in artikel 1:1 van de wet ruim is, en dat voor toepassing van dit besluit steeds dit ruime begrip dient te worden gehanteerd. Op grond van (sub)onderdeel 1.2 dient te worden vermeld wat de aandeelhouderstructuur van de bieder is. (Dit neemt niet weg dat in geval van een biedingsvehikel iedere partij in dit vehikel als bieder dient te worden aangemerkt.)

Onderdeel 2

Onderdeel 2 is opgenomen omdat de overnamerichtlijn, in artikel 6, derde lid, onder m, voorschrijft dat de identiteitsgegevens van de personen die, indien daarvan sprake is, in onderling overleg handelen met de bieder worden opgenomen in het biedingsbericht.

Onderdeel 3

In onderdeel 3 is de informatie opgenomen die voorheen was opgenomen in de artikelen 9i sub q, 9k sub l en 9m sub m, van het Bte 1995. Dit onderdeel strekt tot het verkrijgen van inzicht in de onderlinge kapitaaldeelnemingen en de zeggenschapsverhoudingen die deze met zich brengen. De zinsnede «zowel direct als indirect» dient te worden gelezen in het licht van genoemde zeggenschapsverhoudingen en dient ruim geïnterpreteerd te worden: iedere vorm van kapitaaldeelneming die van belang is om een juist inzicht te verkrijgen in de daadwerkelijk mogelijkheid van de bieder om zeggenschap uit te oefenen in de doelvennootschap dient vermeld te worden.

Onderdeel 4

Op de informatie die op grond van onderdeel 4 dient te worden opgenomen, werd voorheen gewezen in de beleidsregel biedingsbericht (onder 17). De bieder dient op grond van dit onderdeel een beschrijving te geven van de statutaire en contractuele bepalingen die in de weg kunnen staan aan de uitoefening van zeggenschapsrechten, voor zover dat niet reeds op een andere plaats in het biedingsbericht is gebeurd.

Onderdelen 5 en 6

In de onderdeel 5 en 6 komt de informatie die voorheen was opgenomen in de artikelen 9i sub s en 9i sub t, van het Bte 1995 terug. In onderdeel 6 is, ten opzichte van de voorschriften in het Bte – in het bijzonder artikel 9i, sub t, van het het Bte 1995 – de termijn waarover de mededeling moet worden gedaan van drie jaar verkort naar een jaar (welke wordt bepaald aan de hand van het tijdstip van de verzending van de aanvraag tot goedkeuring het biedingsbericht). Het begrip «transacties» ziet zowel op aan- als op verkoop van effecten. Indien geen sprake is van enige transactie dient hieromtrent een passende negatieve verklaring te worden opgenomen.

Onderdeel 7

Onderdeel 7 ziet op de informatie die voorheen op grond van artikel 9i sub u, van het Bte 1995 was vereist. Ook ten aanzien van deze bepaling dient, indien geen sprake is van enige transactie, hieromtrent een passende negatieve verklaring te worden opgenomen.

Onderdeel 8

In onderdeel 8 is opgenomen dat eventuele vergoedingen aan bestuurders en commissarissen van de doelvennootschap en/of van de bieder die bij gestanddoening van het bod zullen aftreden in het biedingsbericht moeten worden vermeld. Ten opzichte van de bepalingen zoals die voorheen golden op grond van het Bte 1995, bijvoorbeeld artikel 9i sub p, van het Bte 1995, voorziet onderdeel 8 van deze bijlage in een belangrijke wijziging. Waar voorheen het totale bedrag van de (eventuele) vergoedingen moest worden opgenomen in het biedingsbericht, dient deze (op grond van dit onderdeel) te worden uitgesplitst per bestuurder of commissaris.

Onderdeel 9

Dit onderdeel is nieuw ten opzichte van de voorschriften die in het Bte 1995 waren opgenomen. Het onderdeel houdt verband met het hierboven beschreven onderdeel 8 en met de recent door de Monitoring Commissie Corporate Governance Code gedane aanbeveling aan vennootschappen om meer informatie te verstrekken over aan bestuurders in het vooruitzicht gestelde vergoedingen bij een «change of control».8 Onderdeel 9 bepaalt dat zowel ten aanzien van bestuurders en commissarissen van de bieder als, wanneer het biedingsbericht gezamenlijk met de doelvennootschap wordt opgesteld, ten aanzien van bestuurders en commissarissen van de doelvennootschap, eventuele vergoedingen die verband houden met het slagen van het bod dienen te worden vermeld in het biedingsbericht. Het gaat daarbij om iedere vorm van vergoeding, waarvan de uitkering afhankelijk is van het welslagen van het openbaar bod. Dergelijke vergoedingen dienen te worden uitgesplitst per bestuurder of commissaris.

Bijlage B – Bijzondere gegevens inzake een volledig bod

Paragraaf 1 – Gegevens betreffende het openbaar bod

Onderdeel 1

In onderdeel 1 is de informatie die voorheen moest worden verstrekt op grond van artikel 9i sub b, van het Bte 1995, zodanig aangepast dat in het biedingsbericht een definitieve prijs moet worden genoemd. Hierbij dient de hoogte en, bij een gemengd bod, de samenstelling van de geboden prijs of ruilverhouding uiteengezet te worden. Daarbij dient ook te worden omschreven of de biedprijs inclusief of exclusief dividend is.

Onderdelen 2 en 3

De onderdelen 2 en 3 zien op de informatie die voorheen ingevolge de artikelen 9i sub f en 9i sub g, van het Bte 1995 in een biedingsbericht moest worden opgenomen.

Onderdeel 2 verplicht tot vermelding van het aantal effecten welker aanmelding de bieder als voorwaarde voor gestanddoening stelt. Het daarnaast noemen van een percentage van het totale geplaatste kapitaal van de doelvennootschap is uiteraard toegestaan. Het aantal effecten dient concreet te worden genoemd. Hierbij wordt aangemerkt dat het de bieder na het noemen van een percentage en voor de gestanddoening niet meer is toegestaan om aandelen die reeds in zijn bezit zijn te verkopen, indien het enkele oogmerk van deze verkopen is het percentage van effecten van het totale geplaatste kapitaal te beïnvloeden. Hiermee zou de voorwaarde dat een bepaald percentage wordt behaald immers een potestatief karakter krijgen, wat niet is toegestaan op grond van artikel 12, tweede lid. Als het bod niet afhankelijk is van een minimum aangemelde effecten dient hieromtrent een opmerking te worden opgenomen. De bieder blijft de bevoegdheid houden zijn bod gestand te doen wanneer minder effecten zijn aangemeld. Van deze bevoegdheid dient expliciet melding te worden gemaakt in het biedingsbericht.

Onderdeel 3 vereist vermelding van de voorwaarden. Zoals reeds opgemerkt mag de gestanddoening van een bod niet afhankelijk worden gemaakt van voorwaarden waarvan de vervulling afhankelijk is van de wil van de bieder (artikel 12, tweede lid). De bieder heeft de bevoegdheid om gestand te doen, ook wanneer een van de voorwaarden is vervuld. In het biedingsbericht dient vermeld te worden van welke voorwaarden de bieder eventueel afstand doet.

Onderdeel 4

Dit onderdeel bevat een deel van de informatie die voorheen diende te worden opgenomen in het biedingsbericht op grond van artikel 9i sub h, van het Bte 1995 (zie ook hetgeen hieromtrent is opgemerkt bij onderdeel 6 van paragraaf 1 van Bijlage A). Daarnaast bevat dit onderdeel drie subonderdelen, welke afkomstig zijn uit de beleidsregel biedingsbericht en welke tot gevolg hebben dat de bieder moet toelichten op welke wijze hij de waarde van de effecten waarop het bod betrekking heeft, berekend heeft, alsmede welke nadere overwegingen voor de bieder de hoogte van het bod hebben bepaald.

Onderdeel 5

Op grond van onderdeel 5 dient in het biedingsbericht de informatie te worden opgenomen die voorheen op grond van artikel 9i sub j van het Bte 1995 moest worden opgenomen. Aan onderdeel 5 zijn daarnaast elementen toegevoegd uit de beleidsregel biedingsbericht en de door de AFM ontwikkelde toezichtspraktijk, in het bijzonder met betrekking tot het duiden van de verschillen in het bod indien dit op meer dan één categorie of klasse effecten betrekking heeft.

Onderdeel 6

Onderdeel 6 schrijft een Nederlandse vertaling van een tweetal elementen voor. Naast het openbaar bod zelf dienen alle voorwaarden bij het bod, zoals opgenomen op grond van onderdeel 3, eveneens in het Nederlands te worden vertaald.

Paragraaf 2 – Gegevens betreffende de bieder en de doelvennootschap

Onderdeel 1

Onderdeel 1 schrijft voor dat naast de voornemens met betrekking tot het te voeren beleid ten aanzien van de doelvennootschap moet worden aangegeven wie eventueel de nieuwe beleidsmakers bij de doelvennootschap alsmede bij de bieder zullen zijn. Het onderdeel is gebaseerd op hetgeen voorheen in de beleidsregel biedingsbericht was opgenomen.

Onderdeel 2

Onderdeel 2 ziet op de informatie die voorheen op grond van artikel 9i sub l, van het Bte 1995 was vereist. Daarnaast is een viertal bestanddelen in dit onderdeel opgenomen die zijn gebaseerd op hetgeen voorheen in de beleidsregel biedingsbericht was opgenomen. Dit betreft informatie die ook door de individuele aandeelhouder kan worden vergaard, maar vanuit oogpunt van efficiëntie en toegankelijkheid beter door de bieder in één keer kan gebeuren door middel van opname hiervan in het biedingsbericht. Met de zinsnede «ter beschikking van de bieder» wordt niet de feitelijke beschikbaarheid bedoeld, maar de vraag of zij beschikbaar hadden kunnen zijn respectievelijk hadden behoren te zijn. Onder een reviewverklaring wordt verstaan een verklaring van een accountantsorganisatie welke geen verklaring als bedoeld in artikel 393, vijfde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is.

Onderdelen 3 en 4

Op grond van de onderdelen 3 en 4 dient de informatie in het biedingsbericht te worden opgenomen die voorheen diende te worden opgenomen ingevolge de artikelen 9i sub m en 9i sub r, van het Bte 1995.

Bijlage C – Bijzondere gegevens inzake een partieel bod

Bijlage C geeft weer welke informatie moet worden opgenomen in het biedingsbericht voor een partieel bod. Meerdere onderdelen in bijlage C komen overeen met de onderdelen in bijlage B. Voor de toelichting wordt derhalve verwezen naar de desbetreffende toelichting per onderdeel bij bijlage B. De verklaringen die op grond van de onderdelen 7 en 8 in het biedingsbericht dienen te worden opgenomen, houden verband met de artikelen 20 en 21. Verwezen wordt naar deze artikelen en de toelichting daarop.

Bijlage D – Bijzondere gegevens inzake een tenderbod

Bijlage D geeft weer welke informatie moet worden opgenomen in het biedingsbericht voor een partieel bod. Meerdere onderdelen in bijlage D komen overeen met de onderdelen in bijlage B. Voor de toelichting wordt derhalve verwezen naar de desbetreffende toelichting per onderdeel bij bijlage B. De verklaringen die op grond van de onderdelen 6, 7 en 8 in het biedingsbericht dienen te worden opgenomen, houden verband met de artikelen 22 en 23. Verwezen wordt naar deze artikelen en de toelichting daarop.

Bijlage E – Bijzondere gegevens inzake een verplicht bod

Bijlage E geeft weer welke informatie moet worden opgenomen in het biedingsbericht voor een verplicht bod. Hiertoe wordt een aantal gegevens uit bijlage B over het volledig bod van toepassing verklaard. Bij onderdeel 1 van paragraaf 1 dient de billijke prijs zoals bepaald overeenkomstig artikel 5:80a van de wet en artikelen 25, eerste en tweede lid is komen vast te staan, te worden vermeld.

Bijlage F – Bijzondere gegevens inzake een ruilbod

Bijlage F bevat de onderdelen die voorheen in artikel 9n van het Bte 1995 waren opgenomen en die zien op het ruilbod. Vanuit oogpunt van consistentie zijn ook deze verplichte informatiebestanddelen opgenomen in een bijlage. Meerdere onderdelen in bijlage F komen overeen met de onderdelen in bijlage B. Voor de toelichting wordt derhalve verwezen naar de desbetreffende toelichting per onderdeel bij bijlage B.

Ten opzichte van het Bte 1995 is toegevoegd dat alle gegevens dienen te worden opgenomen die gelet op aard van de vennootschap waarvan door hem uitgegeven effecten in ruil worden aangeboden en van de in ruil aangeboden effecten van belang zijn voor het vormen van een verantwoord oordeel over de financiële positie, het resultaat en de vooruitzichten van die vennootschap en de rechten welke aan deze effecten verbonden zijn. Vanwege de overeenkomstige functie van het biedingsbericht, zeker in het geval van een ruilbod, met het prospectus is bovengenoemde aanvulling opgenomen, die is geïnspireerd op artikel 5:13 van de wet dat ziet op het prospectus.

Onderdeel 2 voorziet in een uitwerking van artikel 6, derde lid, onder k van de overnamerichtlijn. Op grond van die bepaling dient in het biedingsbericht, indien de door de bieder geboden vergoeding effecten van welke aard ook omvat, informatie te worden opgenomen over die effecten. Gedacht kan hierbij worden aan het aantal van die effecten dat tot de handel op een gereglementeerde markt is toegelaten en een beschrijving van de aan die effecten verbonden rechten.

Onderdeel 7 is een bijzondere bepaling die alleen is opgenomen voor openbare biedingen die een ruilbod betreffen. Op grond van deze bepaling dienen eventueel overeengekomen lock-up regelingen, met betrekking tot de effecten die in ruil worden aangeboden, voor de bestuurders en commissarissen van de bieder, de doelvennootschap of, indien van toepassing, van de vennootschap, anders dan de bieder of de doelvennootschap, waarvan effecten in ruil worden aangeboden, te worden vermeld (uitgesplitst per bestuurder of commissaris).

Bijlage G Gegevens inzake het bericht van de doelvennootschap

In bijlage G staan de informatieonderdelen die op grond van artikel 18, tweede lid, moeten worden opgenomen in het door de doelvennootschap uit te geven bericht voor haar aandeelhouders. Aan de op te nemen informatiebestanddelen wordt ten opzichte van het Bte 1995 aan onderdeel 1 toegevoegd dat dient te worden ingegaan op de visie van het bestuur op de gevolgen van de uitvoering van het bod voor de werkgelegenheid, de arbeidsvoorwaarden en de vestigingsplaatsen van de vennootschap. Dit dient ter implementatie van artikel 3, eerste lid, onder b, van de overnamerichtlijn. Tevens wordt in onderdeel 5 toegevoegd dat fairness opinies bekend dienen te worden gemaakt.

Met betrekking tot onderdeel 1 wordt opgemerkt dat het bestuur van de doelvennootschap een eenduidig standpunt dient in te nemen en zich niet mag onthouden van een standpunt. Het standpunt kan overigens wel «neutraal» zijn. Het standpunt dient zo uitvoering mogelijk in te gaan op de afwegingen van het bestuur omtrent de betrokken belangen en de gevolgen van het bod, alsmede de mogelijk alternatieven hiervoor. Indien bijvoorbeeld sprake is of was van andere geïnteresseerde partijen voor een overname of onderzoek is gedaan naar alternatieve strategieën, zal hierop gemotiveerd moeten worden ingegaan. Indien het bestuur een neutraal standpunt in wenst te nemen, dient te worden aangegeven op grond van welke overwegingen het bestuur neutraal staat ten opzichte van het bod.

Indien de doelvennootschap een positief standpunt heeft ingenomen met betrekking tot het bod en een concurrerend bod wordt uitgebracht zal de doelvennootschap onderbouwd moeten aangeven of zij dit concurrerende bod positiever, negatiever of gelijkwaardig acht in vergelijking met het eerste bod.

De Minister van Financiën,

W. J. Bos

Transponeringstabel

Artikel Bob

Artikel Bte 1995

1, onder a

1, onder a

1, onder b

1, onder g

1, onder c

1,onder h

1, onder d

1, onder i

1, onder e

 

2

 

3

9h, eerste en tweede lid, 9j, eerste en tweede lid en 9l, eerste en tweede lid

4, eerste lid

9a en 9c

4, tweede tot en met vierde lid

 

5, eerste lid

9b, eerste lid jo. 9b, tweede lid, onder a

5, tweede lid

 

5, derde lid

 

5, vierde lid

9b, derde lid, eerste volzin en vierde lid

5, vijfde lid

9b, derde lid, tweede en derde volzin

6, eerste lid

9b, tweede lid, onder d, e en f

6, tweede lid

9b, tweede lid, onder h

7, eerste lid

9g, eerste lid en 9b, tweede lid, onder g

7, tweede lid

 

7, derde lid

9g, derde lid

7, vierde en vijfde lid

 

8

 

9

 

10, eerste lid

9g, tweede en derde lid

10, tweede lid

 

10, derde lid

9g, tweede en derde lid

10, vierde lid

 

11

 

12, eerste en tweede lid

9t, eerste lid

12, derde lid

9t, derde lid

13, eerste lid

9b, derde lid, eerste volzin en vierde lid

13, tweede lid

9b, derde lid, tweede en derde volzin

14, eerste lid

9o, eerste lid

14, tweede lid

9o, tweede lid

14, derde lid

9o, derde lid

14, vierde lid

9o, vierde lid

14, vijfde lid

 

15, eerste lid

 

15, tweede lid

9o, vijfde lid, onder b

15, derde tot en met vijfde lid

 

15, zesde lid

9o, vijfde lid, onder a

15, zevende lid

 

16

9t, vierde lid en 9u

17

 

18

9q

19

9h, vijfde lid

20

9r

21, eerste lid

9j, vijfde lid

21, tweede lid

9h, vijfde lid

22

9r

23, eerste lid

9l, vierde lid

23, tweede lid

9l, vijfde lid

23, derde lid

9l, zevende lid

24 tot en met 36

 

Bijlage A:

 

1.1

9i, onder c, 9k, onder c en 9m, onder c

1.2

9i, onder d, 9k, onder d en 9m, onder d

1.3

9i, onder e, 9k, onder e en 9m, onder e

1.4

9i, onder k, 9k, onder k en 9m, onder l

1.5

9i, onder i, 9k, onder m en 9m, onder n

1.6

 

1.7

9i, onder n

1.8

9i, onder x

1.9

 

1.10

9i, onder y, 9k, onder p en 9m, onder q

1.11

9i, onder z, 9k, onder q en 9m, onder r

1.12

 

1.13

 

1.14

 

1.15

 

2.1

9i, onder a, 9k, onder a en 9m, onder a

2.2

 

2.3

9i, onder q, 9k, onder l en 9m, onder m

2.4

 

2.5

 

2.6

9i, onder s en t

2.7

9i, onder u

2.8

 

2.9

9i, onder p

Bijlage B:

 

1.1

9i, onder b

1.2

9i, onder f

1.3

9i, onder g

1.4

9i, onder h

1.5

9i, onder j

1.6

 

2.1

9i, onder o

2.2

9i, onder l

2.3

9i, onder m

2.4

9i, onder r

Bijlage C:

 

1.1

9k, onder b

1.2

 

1.3

 

1.4

9k, onder f

1.5

 

1.6

9k, onder g

1.7

9k, onder h

1.8

9k, onder j

Bijlage D:

 

1.1

9m, onder b

1.2

 

1.3

9m, onder f

1.4

9m, onder g

1.5

9m, onder h

1.6

9m, onder i

1.7

9m, onder j

1.8

9m, onder k

Bijlage E

 

Bijlage F

9n

Bijlage G, onder 1 tot en met 3

9q, tweede lid

Transponeringstabel

Richtlijn nr. 2004/25 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod (PbEU L142)

Richtlijn artikelen

Artikel Bob

3, eerste lid, onder a, eerste volzin

3, eerste lid

3, eerste lid, onder b, tweede volzin

18, tweede lid, 20, eerste lid, 22, eerste lid jo. Bijlage G

3, eerste lid, onder e

7, vierde lid

5, vijfde lid

26

6, eerste lid, eerste volzin

10, derde lid

6, eerste lid, tweede volzin

10, vierde lid

6, tweede lid, eerste en tweede volzin

7, eertse tot en met derde lid jo. 8 jo. 10, eerste tot en met derde lid

6, tweede lid, derde volzin

27, eerste lid

6, derde lid, onder a

Bijlage B 1.1, Bijlage C 1.1, Bijlage D 1.1, Bijlage E 1.1

6, derde lid, onder b

Bijlage A 2.1

6, derde lid, onder c

Bijlage B 1.1, Bijlage C 1.1, Bijlage D 1.1, Bijlage E 1.1

6, derde lid, onder d

Bijlage B 1.1, Bijlage C 1.1, Bijlage D 1.1, Bijlage E 1.1, Bijlage A 1.5

6, derde lid, onder e

Bijlage A 1.9

6, derde lid, onder f

Bijlage B 1.2, Bijlage C 1.2, Bijlage D 1.4

6, derde lid, onder g

Bijlage A 2.3

6, derde lid, onder h

Bijlage B 1.3, Bijlage C 1.3, Bijlage D 1.2

6, derde lid, onder i

Bijlage A 1.7 en 1.8

6, derde lid, onder j

Bijlage A 1.4

6, derde lid, onder k

Bijlage F

6, derde lid, onder l

Bijlage A 1.6

6, derde lid, onder m

Bijlage A 2.2

6, derde lid, onder n

Bijlage A 1.13

7, eerste lid

14 en 15

8

10, jo. 4 eerste lid, jo. 5:59 van de wet

9, vijfde lid

27, tweede lid

13, onder a

7, eerste lid, onder b, 12, derde lid en 16, eerste lid

13, onder b

4, eerste lid, 6, eerste lid, 15, vierde lid

13, onder c

14, derde lid

13, onder d

16, eerste en tweede lid

13, onder e

12 en 24


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Financiën. Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 9 oktober 2007, nr. 195.

XNoot
1

Wet van 28 september 2006, Stb. 475.

XNoot
2

Wet van 24 mei 2007 tot uitvoering van richtlijn nr. 2004/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod (Stb. 202).

XNoot
3

Beleidsregel van 4 september 2001 van de Stichting Toezicht Effectenverkeer inzake het biedingsbericht als bedoeld in artikel 6a lid 2 Wet toezicht effectenverkeer 1995 (Stcrt. 170).

XNoot
4

Wet van 22 maart 2001 (Stb. 181).

XNoot
5

Kamerstukken II 1999/2000, 27 172, nr. 3, p. 5–6.

XNoot
6

Kamerstukken II 2005/06, 30 419, nr. 3, p. 7 e.v.

XNoot
7

Kamerstukken II 2005/06, 30 419, nr. 3, in het bijzonder p. 7–8.

XNoot
8

Monitoring Commissie Corporate Governance Code, Advies over de verhouding tussen vennootschap en aandeelhouders en over het toepassingsbereik van de Code, mei 2007, aanbeveling 7, p. 18.