Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 7 december 2015, nr. 2015-0000728514, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van betonnen galerijvloeren en het aanwijzen van normen en wijziging van de Regeling energieprestatie gebouwen met betrekking tot de actualisatie van enkele Nationale Beoordelingsrichtlijnen en het vaststellen van een bijlage

De Minister voor Wonen en Rijksdienst,

Gelet op artikel 1a, derde lid, van de Woningwet, de artikelen 1.5, eerste en derde lid, en 6.55, derde lid, van het Bouwbesluit 2012 en artikel 3.1 van het Besluit energieprestatie gebouwen;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling Bouwbesluit 2012 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1.12 wordt ‘versie 9.0 van 1 januari 2015’ vervangen door: versie 10.0 van 1 juni 2015.

B

Na artikel 5.10 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

HOOFDSTUK 5A ONDERZOEKSVERPLICHTING ZORGPLICHT

5.11 Galerijflats
  • 1. De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het daaraan treffen van voorzieningen onderzoekt, of laat onderzoek uitvoeren naar, de staat van galerijflats met uitkragende betonnen galerij- of balkonvloeren die monoliet zijn verbonden aan de betonnen verdiepingsvloeren of gevelbalken.

  • 2. Het in het eerste lid bedoelde onderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig SBR-publicatie 248 ‘Constructieve veiligheid van uitkragende galerijplaten – Tweede herziene uitgave’. De uitkomsten van dit onderzoek worden voor 1 juli 2017 in een rapport vastgelegd.

  • 3. Het in het eerste lid bedoelde onderzoek behoeft niet te worden uitgevoerd wanneer voor 1 januari 2016 een vergelijkbaar rapport is goedgekeurd door het bevoegd gezag.

C

Na artikel 5.8b wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5.8c. NEN-EN 1997

Bij de toepassing van NEN-EN 1997 is in de bij die norm behorende nationale bijlage voetnoot a bij tabel 7.c, paaldraagkrachtfactoren, niet van toepassing.

D

Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

1. De verwijzing naar NEN 2575-3:2012 komt te luiden:

NEN 2575-3:2012 Brandveiligheid van gebouwen – Ontruimingsalarminstallaties – Systeem- en kwaliteitseisen en projecteringsrichtlijnen – Deel 3: Luidalarm – Ontruimingsalarminstallatie van type B inclusief wijzigingsblad A1:2013.

2. De verwijzing naar NEN 2575-4:2012 wordt vervangen door:

NEN 2575-4:2013 Brandveiligheid van gebouwen – Ontruimingsalarminstallaties – Systeem- en kwaliteitseisen en projectierichtlijnen – Deel 4: Stilalarminstallatie, draadloos.

3. De verwijzing naar NEN 2608 2011+C1 2012 komt te luiden:

NEN 2608:2014 Vlakglas voor gebouwen – Weerstand tegen windbelasting – Eisen en bepalingsmethode.

4. De verwijzing naar NEN 2654-1:2002 komt te luiden:

NEN 2654-1:2015 Beheer, controle en onderhoud van brandbeveiligingsinstallaties, Deel 1: Brandmeldinstallaties.

5. De verwijzing naar NEN 2778 1991 komt te luiden:

NEN 2778:2015 Vochtwering in gebouwen.

6. De verwijzing naar NEN 5096 2012 komt te luiden:

NEN 5096 2012 Inbraakwerendheid – Dak- of gevelelementen met deuren, ramen, luiken en vaste vullingen – Eisen, classificatie en beproevingsmethoden, incl. wijzigingsblad A1:2015.

E

Bijlage II wordt als volgt gewijzigd:

1. De verwijzing naar NEN-EN 1993-1-2+C2:2011 komt te luiden: NEN-EN1993-1-2 +C2:2011 Eurocode 3: Ontwerp en berekening van staalconstructies – Deel 1-2: Algemene regels – Ontwerp en berekening van constructies bij brand, inclusief nationale bijlage NB:2015.

2. De verwijzing naar NEN-EN 1993-4-3:2009 komt te luiden: NEN-EN 1993-4-3:2009 Eurocode 3 – Ontwerp en berekening van staalconstructies – Deel 4-3: Buisleidingen, inclusief C1:2009.

3. De verwijzing naar NEN-EN 1995-1-1+C1+A1:2011 komt te luiden: NEN-EN 1995-1-1+C1+A1:2011 Eurocode 5: Ontwerp en berekening van houtconstructies – Deel 1-1: Algemeen – Gemeenschappelijke regels en regels voor gebouwen, inclusief correctieblad C1:2012, wijzigingsblad A2:2014 en nationale bijlage NB:2013.

4. De verwijzing naar NEN-EN 1999-1-52007 komt te luiden: NEN-EN 1999-1-5:2007 Eurocode 9: Ontwerp en berekening van aluminiumconstructies – Deel 1-5: Schaalconstructies, inclusief correctieblad C1:2009.

F

Bijlage III wordt als volgt gewijzigd:

In onderdeel 14.6.4.3 Warmtepompen en elektrische verwarming [A] vervalt:

Voeg toe na de eerste alinea:

Ten behoeve van de bepaling van het systeemrendement wordt het onderscheid in het niveau van de ontwerpaanvoertemperatuur θsup beperkt tot θsup ≤ 35°C, 35 < θsup ≤ 45 en 45 < θsup ≤ 55°C, waardoor in tabel 14.13 uitsluitend de 2e, 4e en 6e kolom ‘30 < θsup ≤ 35 (°C)’, ‘40 < θsup ≤ 45 (°C)’ resp ‘45 < θsup ≤ 50 (°C)’ van toepassing zijn.’.

ARTIKEL II

De Regeling energieprestatie gebouwen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 komt de definitie van BRL te luiden:

BRL:

door de Stichting Kwaliteit voor Installaties Nederland bindend verklaarde Nationale Beoordelingsrichtlijn;.

B

In artikel 2, derde lid, wordt ‘BRL 9500, delen 00 en 01, zoals vastgesteld op 31 augustus 2011, inclusief het wijzigingsblad, zoals vastgesteld op 5 juni 2014’ vervangen door: BRL 9500, delen 00 en 01 van 31 augustus 2011, inclusief het wijzigingsblad van 1 augustus 2015.

C

In artikel 2a, eerste lid, wordt ‘BRL 9500, delen 00, 03 en 06, zoals vastgesteld op 31 augustus 2011, inclusief het wijzigingsblad, zoals vastgesteld op 12 september 2013’ vervangen door: BRL 9500, delen 00 en 03 van 31 augustus 2011, inclusief het wijzigingsblad van 1 augustus 2015, alsmede deel 06 van 1 augustus 2015.

D

Artikel 2b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘ISSO 75.1 publicaties, zoals vastgesteld op 12 september 2013, en de methode, bedoeld in de ISSO 75.3 publicatie, versie 2013’ vervangen door: ISSO 75.1 publicatie, zoals vastgesteld op 12 september 2013, en de methode, bedoeld in de ISSO 75.3 publicatie, versie 2011.

2. In het tweede lid wordt ‘wijzigingsbladen van 27 september 2012 en 4 december 2014’ vervangen door: het wijzigingsblad van 1 januari 2015.

E

Artikel 2c wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt ‘ISSO 75.1 publicaties’ vervangen door: ISSO 75.1 publicatie.

2. In het derde lid wordt ‘wijzigingsbladen van 27 september 2012 en 4 december 2014’ vervangen door: het wijzigingsblad van 1 januari 2015.

F

Bijlage Ia bij artikel 3 van de Regeling energieprestatie gebouwen komt te luiden:

BIJLAGE IA BIJ ARTIKEL 3 VAN DE REGELING ENERGIEPRESTATIE GEBOUWEN

Werkwijze voor de erkende energielabeldeskundige
INHOUDSOPGAVE

1

Algemene beschrijving

2

Werkzaamheden erkende energielabeldeskundige

3

Controle van bewijsstukken

4

Rapportage

1. Algemene beschrijving

Degene die een verzoek wil indienen voor een energielabel voor een woning (hierna: energielabelplichtige) logt in op de internet applicatie van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Hij of zij krijgt hier zijn/haar woning te zien met vooraf ingevulde gegevens en het daarbij horende voorlopige energielabel. Deze zijn ingevuld op basis van gegevens van het Kadaster en het Woononderzoek Nederland (WoOn) van de Rijksoverheid. In het geval de gegevens onbekend zijn, is er een onderbouwde aanname gedaan.

De energielabelplichtige heeft de mogelijkheid om de gegevens te wijzigen. Via de internet applicatie krijgt hij of zij te zien welke woningkenmerken hij/zij moet onderbouwen. Dit zijn in principe de kenmerken die afwijken van bouwjaarwaarde. De erkende energielabeldeskundige ontvangt van de energielabelplichtige het verzoek om de aangeleverde bewijsstukken te controleren en te certificeren.

De erkende energielabeldeskundige certificeert, na controle en goedkeuring, de kenmerken waarvoor bewijsstukken zijn aangeleverd. Hij legt zijn beoordeling en daarop betrekking hebbende correspondentie vast in de internetapplicatie van RVO.nl. Indien de bewijsstukken voldoen aan de gestelde eisen geeft de erkende deskundige dit aan in de internetapplicatie. Na certificering wordt een definitief energielabel gegenereerd en door RVO.nl afgegeven.

1.1. Woningkenmerken

De volgende woningkenmerken worden onderscheiden in de internetapplicatie.

Algemene woningkenmerken

 

Nr

Woningkenmerk

Woningkenmerkwaarde

A1

Woningtype

Eengezinswoning (EG):

– Vrijstaand;

– 2 onder 1 kap woning;

– Rijwoning.

Meergezinswoningen (MG):

– Appartement, met 1 woonlaag

– Appartement, met 2 of meer woonlagen

A2

Woningsubtype

Subwoningtypen rijwoning:

– Tussenwoning;

– Hoekwoning.

Subwoningtypen MG:

– Hoekwoning onder dak;

– Tussenwoning onder dak;

– Hoekwoning op tussenverdieping;

– Tussenwoning op tussenverdieping;

– Hoekwoning onderste bouwlaag;

– Tussenwoning onderste bouwlaag;

– Tussenwoning onder dak en op onderste bouwlaag;

– Hoekwoning onder dak en op onderste bouwlaag.

B1

Bouwjaar

Bouwjaarklasse:

– t/m 1945;

– 1946 t/m 1964;

– 1965 t/m 1974;

– 1975 t/m 1982;

– 1983 t/m 1987;

– 1988 t/m 1991;

– 1992 t/m 1999;

– 2000 t/m 2005;

– 2006 t/m 2013;

– 2014 t/m heden.

B2

Renovatie

Is woning uitzonderlijk goed (na) geïsoleerd? ja/nee

 

Woonoppervlakte

Per woningtype ranges met m² woonoppervlakte

Energetische woningkenmerken

 

Nr

Woningkenmerk

Woningkenmerkwaarde

1

Beglazing leefruimte

Glastype:

– Enkelglas;

– Dubbelglas;

HR glas;

– Drievoudig HR-glas*

2

Beglazing slaapruimte

Glastype:

– Enkelglas;

– Dubbelglas;

– HR glas;

– Drievoudig HR-glas*

3

Isolatie gevel

Woningen t/m 1991:

– Is er sprake van naisolatie gevel? [ja/nee]

Woningen 1992 t/m heden: geen invoer benodigd

Uitzonderlijk goede (na) isolatie* (alle bouwjaren)

4

Isolatie dak

Woningen t/m 1991:

– Is er sprake van naisolatie dak? [ja/nee]

Woningen 1992 t/m heden: geen invoer benodigd

Uitzonderlijk goede (na) isolatie* (alle bouwjaren)

5

Isolatie vloer

Woningen t/m 1991:

– Is er sprake van naisolatie vloer? [ja/nee]

Woningen 1992 t/m heden: geen invoer benodigd

Uitzonderlijk goede (na) isolatie* (alle bouwjaren)

6

Verwarmingstoestel

– Individuele CV-ketel, installatiejaar voor 1998

– Individuele CV-ketel, installatiejaar in of na 1998

– Gaskachels

– Warmtepomp

– Stadsverwarming

– Gemeenschappelijke CV-ketel, installatiejaar voor 1998 (bij appartementen)

– Gemeenschappelijke CV-ketel, installatiejaar in of na 1998 (bij appartementen)

7

Tapwatertoestel

Aparte warmtapwatervoorziening?

– Nee;

– Ja, een geiser;

– Ja, een elektrische boiler.

8

Ventilatiesysteem

Woningen t/m bouwjaar 1999:

– Is er sprake van een mechanisch ventilatiesysteem? [ja/nee]

Woningen vanaf bouwjaar 2000:

– Is er sprake van een gebalanceerd ventilatiesysteem? [ja/nee]

Als een woning uitzonderlijk goed na-geïsoleerd is:

– is er een gebalanceerd ventilatiesysteem aanwezig? [ja/nee]

9

Zonne-energiesysteem

Zonneboilers:

– Is er sprake van een zonneboiler systeem? [ja/nee]

Zonnepanelen (PV systeem):

– Is er sprake van een PV systeem? [ja/nee], zo ja:

° Aantal m2.

* de opties met een * verschijnen alleen als er bij B2 aangegeven is dat er sprake is van een uitzonderlijk goed (na)geïsoleerde woning.

1.2. Kwaliteitsniveau en bewijsstukken

Het minimale kwaliteitsniveau voor het definitieve energielabel is gebaseerd op het volgende principe:

De energielabelplichtige dient bewijsmateriaal te overleggen voor alle kenmerken van de woning die afwijken van de oorspronkelijke bouwjaarkenmerkwaarden. Om te voorkomen dat de administratieve lasten voor een energielabelplichtige te hoog worden, is het soms toegestaan om één of meerdere bewijzen achterwege te laten. De internet applicatie geeft aan welke en hoeveel bewijsstukken aangeleverd dienen te worden.

Als de energielabelplichtige heeft aangegeven dat er sprake is van een ‘uitzonderlijk’ goed geïsoleerde woning dient hij of zij hiervoor altijd bewijsmateriaal aan te leveren.

De erkende energielabeldeskundige ontvangt van de energielabelplichtige het verzoek om de aangeleverde bewijsstukken te controleren en te certificeren.

2. Werkzaamheden erkende energielabeldeskundige

De werkzaamheden voor de erkende energielabeldeskundige zijn:

  • 1. Een erkende energielabeldeskundige beoordeelt of de bewijsstukken ter onderbouwing van de door de energielabelplichtige ingevoerde woninggegevens voldoende zijn. Als dit niet het geval is, koppelt hij dit terug naar de energielabelplichtige via de internetapplicatie en vraagt om andere (betere) bewijsstukken.

  • 2. Zodra de bewijsstukken voldoende zijn bevonden, certificeert de erkende energielabeldeskundige de gegevens.

  • 3. Het definitieve energielabel wordt op basis van de gecertificeerde gegevens van de erkende energielabeldeskundige automatisch in de applicatie gegenereerd en geregistreerd.

2.1. Controle door erkende energielabeldeskundige

De erkende energielabeldeskundige ontvangt de woninggegevens ter controle van de energielabelplichtige. De erkend energielabeldeskundige controleert de aangeleverde bewijsstukken en na zijn goedkeuring certificeert hij deze bewijsstukken. Als de erkend deskundige constateert dat een of meerdere bewijstukken ontbreken en/of hij is niet akkoord met een of meerdere aangeleverde bewijsstukken, vraagt hij de energielabelplichtige voor het betreffende kenmerk een (beter) bewijsstuk aan te leveren. Als er geen (betere) bewijsstukken door de energielabelplichtige (kunnen) worden aangeleverd, wijst de erkend deskundige hem of haar er op te kiezen voor een woningkenmerkwaarde die hoort bij de bouwjaarklasse voor dat specifieke kenmerk.

2.1.1. Algemene werkwijze

De erkende energielabeldeskundige gaat bij een aanvraag als volgt te werk.

Figuur 1 Processchema controle en certificatie gegevens door erkende energielabeldeskundige

Figuur 1 Processchema controle en certificatie gegevens door erkende energielabeldeskundige

De erkende energielabeldeskundige moet op alle kenmerkwaarden waarvoor bewijslast geldt akkoord geven. Indien de aangeleverde bewijsstukken akkoord zijn, kunnen deze gecertificeerd worden. Vragen om aanvullende bewijsstukken gaan in principe via de internetapplicatie, maar contact tussen energielabelplichtige en erkende energielabeldeskundige kan ook per telefoon en mail plaatsvinden. Indien geen (goed) bewijsstuk geleverd kan worden, wordt voor dit kenmerk de bouwjaarwaarde aangehouden.

2.2. Bewijsstukken

Het indienen van bewijsstukken is noodzakelijk om de kwaliteit van het definitieve energielabel te kunnen borgen. Onder bewijsstukken worden bijvoorbeeld verstaan foto’s van een installatie of een factuur. Het is voor een erkende energielabeldeskundige niet nodig de woning ter plaatse te bezoeken en kan dus altijd op afstand handelen. Hij dient de betreffende bewijsstukken (en daarmee de kenmerkwaarde) op afstand te controleren via de internet applicatie. Uitsluitend de volgende vier soorten documenten en stukken kunnen als bewijsstuk dienen: foto’s, facturen, bouwdocumenten en rapporten of aankoopdocumenten.

2.2.1. Foto

Een foto dient van voldoende kwaliteit te zijn om het betreffende onderdeel of kenmerk duidelijk te kunnen herkennen.

In hoofdstuk 3 wordt aangegeven wat de minimale eisen zijn om foto’s als bewijsstuk te kunnen gebruiken.

2.2.2. Facturen

Op een factuur dient duidelijk omschreven te zijn wat de maatregel is. Daarnaast dient het adres van de betreffende woning vermeld te zijn.

In hoofdstuk 3 wordt aangegeven wat de minimale eisen zijn om facturen als bewijsstukken te kunnen gebruiken.

2.2.3. Bouwdocumenten

Onder bouwdocumenten worden verstaan alle relevante tekeningen, revisiestukken of EPC-berekeningen. Het moet aannemelijk zijn dat de geschetste situatie ook echt gerealiseerd is. Dit kan, naar beoordeling van de erkende energielabeldeskundige, betekenen dat aanvullende foto’s nodig zijn ter onderbouwing van de bewijsstukken. In hoofdstuk 3 wordt aangegeven wat de minimale eisen zijn om bouwdocumenten als bewijsstukken te kunnen gebruiken.

2.2.4. Rapporten of aankoopdocumenten

Rapporten zijn bijvoorbeeld bouwkundige inspectie- of taxatierapporten. Een aankoopdocument kan zijn de verkoopbrochure of woninginformatiemap bij de aankoop van de woning.

De kenmerken van de woning die in deze stukken beschreven zijn – en waarvoor ze als bewijsstukken ingediend worden – moeten helder omschreven zijn en er mag geen discussie zijn of bepaalde woningkenmerken wel of niet aanwezig zijn. Bij twijfel of onduidelijkheid kan aanvullende onderbouwing nodig zijn met behulp van foto’s.

Over de geldigheidsduur en inhoud van de verkoopbrochure zijn met een aantal branche-organisaties afspraken gemaakt.

In hoofdstuk 3 wordt aangegeven wat de minimale eisen zijn om rapporten en aankoopdocumenten (hierna: rapporten) als bewijsstukken te kunnen gebruiken.

2.2.5. Wat te doen bij tegenstrijdige bewijsstukken?

De erkende energielabeldeskundige dient bij het aanleveren van tegenstrijdige bewijsstukken dit terug te koppelen aan de energielabelplichtige. Hij vraagt hem of haar de juiste gegevens te verstrekken en/of toe te lichten waarom de situatie wel juist is. Het wordt aan de kennis en kunde (en ervaring) van de erkende energielabeldeskundige overgelaten om hier een zo objectief mogelijk oordeel over te vellen.

Alle gegevenswisseling in de internet applicatie ten behoeve van het goedkeuren van de bewijsstukken zal worden bewaard in de applicatie, dus ook afgekeurde bewijsstukken of (abusievelijk) verkeerd verstrekte informatie. Dit wordt gedaan omdat de gegevenswisseling leidt tot het wel of niet goedkeuren van het aangeleverde bewijs. Echter, indien een energielabelplichtige per ongeluk een verkeerde foto upload kan hij deze wel verwijderen.

2.2.6. Verantwoordelijkheid aangeleverde bewijsstukken

Het is geen taak van de erkende energielabeldeskundige om fraude met het aanleveren van bewijsstukken aan te tonen. Het is de verantwoordelijkheid van de energielabelplichtige dat hij/zij naar waarheid bewijsstukken aanlevert (vergelijkbaar met de belastingaangifte).

2.3. Onderbouwing van bevindingen

De erkende energielabeldeskundige heeft bij elk woningkenmerk waarvoor bewijslast aangeleverd moet worden, de mogelijkheid om opmerkingen te maken. Dit kan hij gebruiken ter onderbouwing of motivatie van zijn keuze om bepaalde bewijsstukken goed- of juist af te keuren. Daarnaast moet de erkende energielabeldeskundige, wanneer hij een kenmerkwaarde goedkeurt, een toelichting toevoegen waarom hij deze goedkeurt. Indien de erkende energielabeldeskundige bewijsstukken afkeurt, geeft hij de energielabelplichtige de mogelijkheid om nieuwe bewijsstukken aan te leveren of, als dat niet lukt, te kiezen voor een woningkenmerkwaarde die hoort bij de bouwjaarklasse voor dat specifieke kenmerk.

Nadat de erkende energielabeldeskundige zijn opmerkingen en toelichting gemaakt heeft, geeft hij een opdracht in de internetapplicatie van RVO.nl om zijn bevindingen vast te leggen en het woningkenmerk te certificeren.

3. Controle van bewijsstukken

De erkende energielabeldeskundige volgt onderstaande aanwijzingen waar het gaat om controle en certificatie van de bewijsstukken. De energielabelplichtige hoeft niet voor een woningkenmerk alle type bewijsstukken aan te leveren. Dus indien foto’s voldoende bewijs vormen voor het aanwezig zijn van het betreffende woningkenmerk, dan is geen aanvullende factuur of bouwbrochure benodigd.

De erkende labeldeskundige controleert de algemene woningkenmerken (bouwjaar en woning(sub)type) alleen als deze gewijzigd zijn ten opzichte van het voorlopige label (bijvoorbeeld via Google Streetview).

3.1. Uitzonderlijk goed (na-)geïsoleerde woning

Er is sprake van ‘uitzonderlijk’ goede (na-)isolatie bij een woning als:

  • de gevels en/of daken en/of vloeren een Rc-waarde hebben gelijk aan of groter 3.0 m2K/W;

    of

  • leefruimte en/of slaapruimte is (zijn) voorzien van 3 voudig HR-glas.

In onderstaande tabel wordt de minimale dikte voor de Rc-waarden ≥ 3,0 m2K/W aangegeven bij de toepassing van de verschillende isolatiematerialen.

Tabel 3.1 Minimale dikte isolatiemateriaal voor Rc ≥ 3.0 m2K/W

Isolatiemateriaal

Richtwaarde benodigde dikte isolatiemateriaal voor Rc ≥ 3.0 m2K/W.

Glaswol/Steenwol/EPS plaat/PIR- en PUR gespoten

> 12 cm

PIR- en PUR platen

> 8 cm

‘Uitzonderlijk’ goede (na) isolatie van gevels, vloeren en daken moet altijd via facturen, documenten en/of rapporten worden aangetoond. In geval van drievoudig HR-glas kan ook worden volstaan met foto’s.

3.2. Beglazing

De invoermogelijkheden voor beglazing zijn:

  • Enkelglas;

  • Dubbelglas;

  • HR glas;

  • Drievoudig HR-glas

Tevens wordt onderscheid gemaakt tussen de beglazing van de leefruimten en de beglazing van de slaapruimten. De energielabelplichtige moet dit duidelijk aangeven bij de geleverde bewijsstukken.

  • Leefruimte: vertrekken van de woning ingericht voor een langdurig verblijf tijdens de dag, met uitsluiting van de sanitaire voorzieningen, bergingen, wasruimten, etc. Voorbeelden zijn de woonkamer, studieruimte, eetkeuken, eethoek.

  • Slaapruimte: vertrekken van de woning ingericht als slaapkamer, met uitzondering van de vertrekken die eveneens als leefruimte zijn bedoeld (b.v. bij kamers en studio's).

Foto’s

Indien als bewijsstukken foto’s worden aangereikt, dient hierop minimaal te zien te zijn dat het enkel glas of dubbel glas betreft. In het geval van HR-glas moet op de foto de vermelding dat het HR-glas is en bij drievoudig HR-glas de vermelding dat het HR+++ is, op de afstandhouder in het glas te zien zijn (Afb.1) of moet duidelijk te zien zijn dat de coating in het glas aanwezig is (Afb.2).

Afb. 1 Aanduiding HR++ glas op afstandshouder

Afb. 1 Aanduiding HR++ glas op afstandshouder

  • Het aantal glaslagen is visueel (op foto) te herkennen en het best waarneembaar door er bij het maken van de foto een vlammetje (aansteker) voor te houden. 2 reflecties betekent één glaslaag, 4 reflecties betekent twee glaslagen en 6 reflecties betekent drie glaslagen.

  • De coating kan herkend worden door een brandende zaklamp of (aansteker)vlammetje voor de ruit te houden. In geval van dubbelglas zijn er 4 reflecties waar te nemen. Hierbij moet er schuin op het raam worden gekeken. Indien mogelijk wordt dit zowel aan de binnenzijde en buitenzijde gedaan, omdat de coating niet altijd goed zichtbaar is. HR coating wordt in de spouw aangebracht. Indien het aanstekervlammetje of de brandende zaklamp voor de ruit wordt gehouden, heeft de tweede of de derde reflectie een andere kleur dan de overige reflecties. Dit is de spouwzijde van de binnenruit of van de buitenruit.

Het aantal reflecties en de afwijkende kleur van de tweede of derde reflectie moet duidelijk waarneembaar zijn op de foto. Is dit niet zichtbaar, dan is het dubbel glas.

Afb. 2 Aantonen HR coating door verkleuring van de reflectie (links de derde reflectie, rechts de tweede)

Afb. 2 Aantonen HR coating door verkleuring van de reflectie (links de derde reflectie, rechts de tweede)

Drievoudig HR-glas bestaat uit 3 lagen glas, met twee HR-coatings, veelal op positie 2 en 5. Positie 5 is de spouwzijde van de binnenruit. Positie 2 is de spouwzijde van de buitenruit. In de afstandshouder staat vaak de codering HR+++ vermeld.

Facturen, documenten en rapporten

Op facturen, in documenten en in rapporten moet duidelijk aangegeven zijn dat het HR-glas betreft. Als een U-waarde genoteerd staat, kan onderstaande tabel aangehouden worden.

De tabel gaat ervan uit dat enkel glas altijd eenvoudig aangetoond kan worden door foto’s. Er wordt dus onderscheid gemaakt tussen dubbel glas, HR-glas en 3-voudig HR glas.

Tabel 3.2 Onderscheid glastypen bij 2 glaslagen

Beglazing

 

U-waarde glas

Glastype

> 2.3 W/m2K

Dubbel glas

≤ 2.3 W/m2K

HR-glas (2 glasvlakken)

≤ 0,7 W/m2K

3 voudig HR-glas (3 glasvlakken)

3.3. Isolatie

De invoermogelijkheden voor isolatie bij woningen vóór 1992 zijn:

  • Geen na-isolatie;

  • Wel na-isolatie.

  • ‘Uitzonderlijk’ goede na-isolatie1

De invoermogelijkheid voor isolatie zijn bij woningen na 1992 t/m 2013 zijn:

  • ‘Uitzonderlijk’ goede (na)-isolatie1

1 Zie paragraaf 3.1 voor de definitie van ‘uitzonderlijk’ goede (na-)isolatie

3.3.1. Gevel

Gevels kunnen op drie plaatsen nageïsoleerd zijn: aan de binnenkant, aan de buitenkant en/of in de spouw.

De aanwezigheid van na-isolatie is als volgt te achterhalen:

  • Na-isolatie in de spouw is te herkennen aan boorgaten in de gevel, met name op de kruisingen van lint- en stootvoegen. Soms ook aan uitgehakte stenen in een regelmatig patroon. Wanneer het voegwerk integraal is vervangen, is niet meer te zien of er nageïsoleerd is. In dat geval dient ander bewijsmateriaal aangeleverd te worden (facturen, rapporten, etc.). Bij na-isolatie van alleen de spouw kan er geen sprake zijn van ‘uitzonderlijk’ goede isolatie.

  • Na-isolatie aan de buitenzijde is te herkennen aan een verdikking van de gevel dichtbij de kozijnen. De isolatie is dan vaak afgewerkt met een pleisterlaag of steenstrips. Indien er twijfel is, dient ander bewijsmateriaal aangeleverd te worden (facturen, rapporten, etc.).

  • Na-isolatie aan de binnenzijde is te herkennen aan een verdikking van de gevel dichtbij de kozijnen (aan de binnenkant). De isolatie kan aangetoond worden door de dikte van de constructie op te meten nabij kozijnen en/of deuropeningen en door te herleiden wat de muurdikte was zonder isolatie. Van de gemeten totale dikte moet de dikte van binnen- en buitenblad en de spouw afgetrokken worden. Indien er twijfel is bij de erkend deskundige, dient hij aanvullend ander bewijsmateriaal te vragen aan de energielabelplichtige (facturen, rapporten, etc.).

Als de gevel niet uit metselwerk bestaat, zullen bewijsstukken van de energielabelplichtige van het definitieve energielabel uitsluitsel moeten geven.

Foto’s

Op de foto moeten de boorgaten (patroon) in de gevel, het patroon van uitgehakte stenen of andere aanwijzingen die duiden op na-isolatie duidelijk zichtbaar zijn. Als met behulp van de muurdikte de aanwezigheid aangetoond moet worden, dienen op de foto de verdikking bij kozijnen, de dikte van de constructie en het metselwerk zichtbaar te zijn.

Afb. 3 Boorgat in de gevel

Afb. 3 Boorgat in de gevel

Afb. 4 Totale constructiedikte (in 3 stappen)

Afb. 4 Totale constructiedikte (in 3 stappen)

Facturen, documenten en rapporten

Op facturen, in documenten en in rapporten moet duidelijk en herkenbaar aangegeven staan dat de gevel nageïsoleerd is. Ook moet duidelijk blijken dat het geplaatst is bij het betreffende adres.

3.3.2. Dak

Daken kunnen op 3 manieren nageïsoleerd zijn: onder de dakconstructie (al dan niet met luchtspouw), op de dakconstructie of (bij platte daken) bovenop de dakbedekking. In veel gevallen is de isolatie niet meer zichtbaar en zal, naast een foto, aanvullend of ander bewijsmateriaal aangeleverd moeten worden (facturen, rapporten, etc.).

Afb. 5 Schuindakisolatie op de dakconstructie (A) en onder de dakconstructie met (C) en zonder (B) spouw

Afb. 5 Schuindakisolatie op de dakconstructie (A) en onder de dakconstructie met (C) en zonder (B) spouw

Mogelijke plaatsen of manieren om dakisolatie aan te tonen:

  • Een foto van isolatie zichtbaar bij onafgewerkte delen (achter schotten, bij doorvoeringen of op een vliering);

  • Een foto van isolatie bij de gevelaansluitingen;

  • De dikte van de constructie, gemeten bij dakramen (let op opstaande randen);

  • De dikte van de isolatie tegen het dakbeschot, gemeten bij de gordingen (zie Afb.6), het nog zichtbare deel van de gording opmeten en elders de gehele gordingdikte.

Afb. 6 Isolatie op vliering tussen de gordingen

Afb. 6 Isolatie op vliering tussen de gordingen

Foto’s

Op de foto moet aannemelijk gemaakt zijn dat isolatie aanwezig is.

Facturen, documenten en rapporten

Op facturen, in documenten en in rapporten moet duidelijk en herkenbaar aangegeven staan dat het dak nageïsoleerd is. Ook moet duidelijk blijken dat het geplaatst is bij het betreffende adres.

3.3.3. Vloer of kruipruimte

Vloeren kunnen op 3 manieren (na)geïsoleerd zijn: op de vloer,onder de vloer tegen het dek of op de bodem van de kruipruimte. Vloerisolatie is vaak zichtbaar in de kruipruimte, in de kelder of bij de vloerdoorvoeringen in een (meter)kast.

De volgende situaties kunnen aangetroffen worden:

  • Isolatie in of op de vloer;

  • Isolatie in de kruipruimte, bijvoorbeeld met luchtkussens, parels, schelpen, PUR, etc.

Afb. 7 Isolatie in de kruipruimte, met respectievelijk isolatiedekens, parels en schelpen

Afb. 7 Isolatie in de kruipruimte, met respectievelijk isolatiedekens, parels en schelpen

Foto’s

Op de foto moet de isolatie duidelijk zichtbaar zijn.

Facturen, documenten en rapporten

Op facturen, in documenten en in rapporten moet duidelijk en herkenbaar aangegeven staan dat het gaat om vloer- of kruipruimte-isolatie. Ook moet duidelijk blijken dat het is aangebracht bij het betreffende adres.

3.4. Verwarmingstoestel

De invoermogelijkheden voor het verwarmingstoestel zijn:

  • Individuele CV-ketel, installatiejaar vóór 1998;

  • Individuele CV-ketel, installatiejaar in of na 1998;

  • Gaskachels;

  • Warmtepomp;

  • Stadsverwarming;

  • Gemeenschappelijke CV-ketel, installatiejaar vóór 1998 (alleen bij appartementen);

  • Gemeenschappelijke CV-ketel, installatiejaar in of na 1998 (alleen bij appartementen).

Foto’s

Indien als bewijsstukken foto’s worden aangereikt, dient hierop duidelijk vermeld te zijn om wat voor toestel het gaat. Als het een individuele of collectieve CV-ketel betreft moet achterhaald kunnen worden wat het installatiejaar is. De achtergrond hierbij is dat er vanuit gegaan wordt dat in de periode voor 1998 vooral VR-ketels geplaatst werden en vanaf 1998 vooral HR-ketels. Als het installatiejaar niet bekend is, kan de erkende energielabeldeskundige dus uitsluitsel over het toegepaste toestel krijgen door middel van een foto van het type ketel of keurmerksticker.

Tabel 3.3 Onderscheid type CV-ketel

CV-ketels individueel en collectief

 

Type

Invoer opwekkingstoestel

CR- of VR-ketel

installatiejaar vóór 1998

HR100, HR104 of HR107-ketel

installatiejaar in of na 1998

Afb. 8 CV-ketel met HR keur (HR107)

Afb. 8 CV-ketel met HR keur (HR107)

Afb. 9 Typeplaatje CV-ketel met bouwjaar 2007 (YoP = Year of Production)

Afb. 9 Typeplaatje CV-ketel met bouwjaar 2007 (YoP = Year of Production)

Afb. 10 a. Stadsverwarmingsunit (tevens tapwater) b. Secundaire stadsverwarmingsaansluiting (alleen CV)

Afb. 10 a. Stadsverwarmingsunit (tevens tapwater) b. Secundaire stadsverwarmingsaansluiting (alleen CV)

Toelichting bij afleverset stadsverwarming (Afb.10a)

 

De unit heeft in totaal zes aansluitingen, wat duidt op een unit voor zowel verwarming als voor warmtapwater. De rode en blauwe aansluiting (rechts) zijn voor het verwarmingssysteem. De middelste twee koperen leidingen zijn de koudwateraanvoer- en warmwaterleiding. En de linker twee leidingen zijn de aansluitingen op het stadsverwarmingssysteem. In de afleverset zit een warmtemeter en een warmtewisselaar voor de warmtapwaterbereiding.

Facturen, documenten en rapporten

Op facturen, in documenten en in rapporten moet duidelijk aangegeven staan welk type toestel geplaatst is en op welke datum. Er dient zonder twijfel uit opgemaakt te kunnen worden wat voor opwekkingstoestel het betreft. Dat betekent dat in het geval van een CV-ketel vaak ook de typeaanduiding nodig is. Bij stadsverwarming kan een foto van een energierekening (levering warmte) als bewijs worden gezien.

3.4.1. Niet in de keuze voorkomende toestellen

In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van toestellen die niet in de keuzelijst voorkomen. De tweede kolom geeft aan hoe het toestel aangemerkt moet worden.

Tabel 3.4 Niet in de keuze voorkomende CV-toestellen

Niet genoemde CV-toestellen

 

Toestel

Invoeren als

Individuele micro-WKK (HRe-ketel)

‘Individuele CV-ketel, installatiejaar in of na 1998’

Collectieve WKK

‘Gemeenschappelijke CV-ketel, installatiejaar in of na 1998’

Moederhaard

‘CV-ketel, installatiejaar voor 1998 ’

Individuele biomassa CV-ketel (houtpellet, bio-ethanol, houtvergassers, etc.)

‘Individuele CV-ketel, installatiejaar in of na 1998 ’

Collectieve biomassa CV-ketel (houtpellet, bio-ethanol, houtvergassers, etc.)

‘Gemeenschappelijke CV-ketel, installatiejaar in of na 1998’

Luchtverwarming, met ketel van voor 1998

‘CV-ketel, installatiejaar voor 1998 ’

Luchtverwarming, met ketel in of na 1998

‘CV-ketel, installatiejaar in of na 1998 ’

Elektrische verwarming (ook Infrarood)

‘Gaskachels’

Alle typen individuele warmtepompen en WKO installaties (warmte koude opslag)

‘Warmtepomp’

Alle typen collectieve warmtepompen en collectieve WKO-installaties (warmte koude opslag)

‘Warmtepomp’

Geothermie (aardwarmte)

‘Warmtepomp’

3.5. Tapwatertoestel

De invoermogelijkheden voor het tapwatertoestel zijn:

  • Geen aparte warmtapwater voorziening;

  • Geiser;

  • Elektrische boiler.

Het betreft altijd het hoofdtoestel voor tapwater. Close-in boilers of quookers in de keuken tellen dus niet mee.

Foto’s

Als het warmwatertoestel geen geiser en ook geen elektrische boiler is, komt men altijd uit op ‘geen aparte warmtapwatervoorziening’. De geiser en de elektrische boiler kunnen herkend worden met behulp van onderstaande foto’s. In het geval dat de foto van de energielabelplichtige afwijkt van deze onderstaande foto’s, dan kan de optie ‘geen aparte warmtapwatervoorziening’ worden gekozen.

Afb. 11 Elektrische boiler (links) en geiser (rechts)

Afb. 11 Elektrische boiler (links) en geiser (rechts)

Facturen, documenten en rapporten

Op facturen, in documenten en in rapporten moet duidelijk aangegeven staan welk type toestel geplaatst is en op welke datum. Er dient zonder twijfel uit opgemaakt te kunnen worden dat het een geiser, een elektrische boiler of een ander toestel voor warmtapwater betreft.

3.5.1. Niet in de keuze voorkomende toestellen

Alle niet in de keuze voorkomende toestellen worden aangemerkt als ‘Geen aparte warmtapwater voorziening’.

3.6. Ventilatiesysteem

De invoermogelijkheden voor ventilatie (voor woningen tot en met bouwjaar 1999) zijn:

  • Wel mechanische afzuiging;

  • Geen mechanische afzuiging;

  • Gebalanceerde ventilatie (alleen indien woning ‘uitzonderlijk’ goed (na) geisoleerd is).

De invoermogelijkheden voor ventilatie voor woningen vanaf bouwjaar 2000 zijn:

  • Wel gebalanceerde ventilatie;

  • Geen gebalanceerde ventilatie.

Bij woningen vanaf bouwjaar 2000 duidt de aanwezigheid van gevelroosters in of boven de kozijnen op mechanische afzuiging zonder balansventilatie en wordt dus gekenmerkt als ‘geen gebalanceerde ventilatie’. Het maakt dan niet uit of deze roosters CO2, tijd en/of drukgestuurd zijn.

Foto’s

Op de foto moet duidelijk de ventilatieunit staan met, bij balansventilatie, herkenbaar de vier kanaalaansluitingen voor toevoerlucht, retourlucht, aanzuig- en afblaaslucht. Een ventilatieunit voor mechanische afzuiging (Afb.13) heeft vaak 2, maar soms ook 3 of 4 kanaalaansluitingen.

Afb. 12 Ventilatieunit voor enkel mechanische afzuiging

Afb. 12 Ventilatieunit voor enkel mechanische afzuiging

Afb. 13 Ventilatieunit voor mechanische toe- en afvoer van lucht (gebalanceerd ventilatiesysteem)

Afb. 13 Ventilatieunit voor mechanische toe- en afvoer van lucht (gebalanceerd ventilatiesysteem)

Facturen, documenten en rapporten

Op facturen, in documenten en in rapporten moet duidelijk aangegeven staan welk type ventilatiesysteem geplaatst is. Indien nodig (bij twijfel), dient de typeaanduiding van de ventilatieunit vermeld te zijn.

3.7. Zonne-energiesysteem

De invoermogelijkheden voor zonne-energiesysteem zijn:

  • Wel of geen zonneboiler aanwezig;

  • Wel of geen PV-panelen aanwezig (m2 opgeven).

3.7.1. Zonneboiler

Voor een zonneboiler wordt enkel aangegeven of deze wel of niet aanwezig is. Een foto van de collector op dak van de betreffende woning is voldoende. Is dat niet mogelijk dan dient op andere wijze aangetoond te worden dat er een zonneboiler aanwezig is, bijvoorbeeld door middel van facturen.

Foto’s

Uit de foto moet blijken dat het een zonneboiler betreft. Bij vacuümbuizen is dat duidelijk. Bij plaatcollectoren dient de foto van voldoende kwaliteit te zijn om onderscheid te kunnen maken tussen (zwarte) zonnepanelen en zonnecollectoren.

Afb. 14 Zonneboiler met vacuümbuizen (links) en vlakke plaat collectoren (rechts)

Afb. 14 Zonneboiler met vacuümbuizen (links) en vlakke plaat collectoren (rechts)

Facturen, documenten en rapporten

Op facturen, in documenten en in rapporten moet duidelijk aangegeven staan dat het een zonneboiler betreft. Ook moet duidelijk blijken dat het geplaatst is bij het betreffende adres.

3.7.2. PV-panelen

Bij PV-panelen wordt, indien aanwezig, ook aangegeven hoeveel m2 het betreft. Omdat zonnepanelen verschillende afmetingen hebben, kan dit niet makkelijk bepaald worden aan de hand van foto’s en zal in de meeste gevallen aanvullende bewijsstukken nodig zijn.

Foto’s

Uit de foto moet blijken hoeveel panelen er geplaatst zijn en hoe groot de panelen zijn. Dat kan bij benadering, bijvoorbeeld door dakpannen te tellen. Deze zijn standaard ongeveer 20-25 cm breed en 30-35 cm hoog. Let wel op dat de schuine plaatsing van de panelen een vertekend beeld kan geven.

Voor panelen op platte daken of daken zonder (zichtbare) dakpannen kan enkel worden volstaan met foto’s waarbij door middel van een meetlint de afmetingen duidelijk gemaakt zijn.

Facturen, documenten en rapporten

Bij facturen, in documenten en in rapporten moet duidelijk aangegeven staan dat het zonnepanelen (PV) betreft en daarbij aangegeven het aantal panelen en de afmetingen per paneel (bijvoorbeeld door bijgeleverde documentatie, met herleidbare typeaanduiding). Ook moet duidelijk blijken dat het geplaatst is bij het betreffende adres.

Afb. 15 PV-panelen met afmeting van ongeveer 1,55 x 0,80 meter (4,5 pan hoog, 4 pannen breed)

Afb. 15 PV-panelen met afmeting van ongeveer 1,55 x 0,80 meter (4,5 pan hoog, 4 pannen breed)

Facturen, documenten en rapporten

Indien het aantal vierkante meter niet duidelijk van de foto opgemaakt kan worden – of omdat bijvoorbeeld geen foto’s gemaakt kunnen worden – dient de energielabelplichtige facturen of andere documenten aan te leveren om de oppervlakte van de PV-panelen te onderbouwen. Dit moet duidelijk uit de stukken op te maken zijn, bijvoorbeeld door vermelding van het aantal panelen en de afmeting per paneel.

4. Rapportage

De erkende energielabeldeskundige legt zijn bevindingen vast in de rapportage van de internetapplicatie. Deze bevat de volgende gegevens:

  • Gegevens van de erkende energielabeldeskundige:

    • Naam en adres van het bedrijf, alsmede de naam van de erkende energielabeldeskundige.

    • Datum van de registratie.

    • (Digitale) handtekening van de erkende energielabeldeskundige.

  • Gegevens van de gecontroleerde woning:

    • Adres van de woning.

    • Door de energielabelplichtige aangeleverde woningkenmerken.

    • Door de energielabelplichtige aangeleverde bewijsstukken of onderbouwende toelichting.

  • Resultaat van de certificatie:

    • Het akkoord van de erkende energielabeldeskundige voor elk gecertificeerd woningkenmerk dat met bewijs onderbouwd is.

    • De motivatie van de erkende energielabeldeskundige voor goed- of afkeuring van de gecontroleerde bewijsstukken.

  • Alle correspondentie over de bewijsstukken (via de internetapplicatie) tussen de erkende energielabeldeskundige en de energielabelplichtige.

  • Overige informatie:

    • Algemene opmerkingen van de energielabelplichtige.

    • Algemene opmerkingen van de erkende energielabeldeskundige.

ARTIKEL III

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2016.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok

TOELICHTING

I Algemeen

1. Inleiding

Met deze wijzigingsregeling is in de Regeling Bouwbesluit 2012 een voorschrift opgenomen om onderzoek te doen naar de staat van galerijflats met vrij uitkragende galerij- of balkonvloeren die monoliet zijn verbonden aan de achterliggende betonnen verdiepingsvloeren. Op grond van dit voorschrift moet worden geïnventariseerd of er bij dergelijke flats, die vooral zijn gebouwd in de periode 1950-1970, risico op instorting van de galerij- of balkonvloeren bestaat.

Ook zijn met deze wijziging de verwijzingen naar een aantal normen in de bijlagen I en II bij de Regeling Bouwbesluit 2012 geactualiseerd. Verder is een onvolkomenheid in een verwijzing in bijlage III bij de Regeling Bouwbesluit 2012 hersteld.

Verder bevat deze regeling enkele wijzigingen van de Regeling energieprestatie gebouwen. Het gaat daarbij met name om een nieuwe definitie voor het begrip Nationale Beoordelingsrichtlijnen (BRL), de actualisatie van enkele BRL-en, en een nieuwe vaststelling van bijlage 1a bij artikel 3.

2. Procedure en inspraak

De inhoud van artikel I van deze regeling is voorgelegd aan de Juridisch Technische Commissie (JTC) van het Overlegplatform bouwregelgeving (OPB). Dit leidde niet tot wijzigingen.

3. Code interbestuurlijke verhoudingen

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft aangegeven in te stemmen met het ontwerp van artikel I.

4. Notificatie

Artikel I van deze ontwerpregeling is op 7 augustus 2015 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (notificatienummer 2015/0471/NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217).

Artikel I van deze regeling bevat mogelijk technische voorschriften in de zin van deze richtlijn (notificatierichtlijn). Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; zij zijn evenredig en waar nodig voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning (zie artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012).

Van de Commissie zijn geen opmerkingen ontvangen.

Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu in casu geen sprake is van significante gevolgen voor de handel.

5. Lasten

De regeldrukeffecten van de onderzoeksverplichting (artikel I, onderdeel B) zijn in kaart gebracht in het onderzoek ‘Regeldrukeffecten wijziging Regeling Bouwbesluit 2012, Veiligheid van betonnen galerijvloeren’ (Sira 27 november 2015). De nieuwe verplichting heeft geen structureel effect op de administratieve lasten voor burgers en bedrijven, noch op de nalevingskosten voor bedrijven.

Omdat deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 niet voorziet in wijzigingen van informatieverplichtingen richting de overheid, heeft het nieuwe voorschrift ook geen eenmalig effect op de administratieve lasten voor burgers en bedrijven. Wel is er sprake van eenmalige inhoudelijke nalevingskosten voor burgers van minimaal € 892.500 en maximaal € 1.260.000. De eenmalige inhoudelijke nalevingskosten voor bedrijven zijn minimaal € 5.057.500 en maximaal € 7.140.000.

Artikel II heeft geen effecten op de administratieve lasten voor burgers en bedrijven. Voor de inwerkingtreding van deze wijzigingregeling moest ook voldaan worden aan BRL 9500, delen 00, 01, 03 en 06. De geringe wijzigingen leiden niet tot extra handelingen of kosten voor de adviseurs die de energielabels afgeven. Daarbij is het de verwachting dat de wijzigingen niet tot een prijsverhoging van het energielabel zullen leiden en daarmee niet tot extra lasten voor burgers en bedrijven.

II Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A

Artikel 1.12 is geactualiseerd met de aanwijzing van een nieuwe versie 10.0 van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging. De wijziging ten opzichte van versie 9.0 is dat certificaten voor levering en onderhoud van de zogenoemde Vast opgestelde Brandbeheersing- en Blussystemen (VBB-systemen) die nog niet onder accreditatie zijn afgegeven, tot 1 januari 2016 gelijk gesteld zijn met de oorspronkelijke LPS 1233 certificaten (van de Certificatie Instelling voor Beveiliging en Veiligheid).

Onderdeel B

Sedert 1 januari 2015 kent de Woningwet in artikel 1a, derde lid, de mogelijkheid om bij ministeriële regeling categorieën bouwwerken aan te wijzen waarvan vast is komen te staan dat die een gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kunnen opleveren. De eigenaar of degene die uit andere hoofde bevoegd is voorzieningen te treffen, moet in een dergelijk geval onderzoek (laten) uitvoeren naar de staat van dat bouwwerk.

De VNG heeft verzocht om het derde lid van artikel 1a van de Woningwet in te zetten voor een onderzoeksplicht naar de constructieve veiligheid van galerijvloeren en balkons van oude galerijflats. Nadat in 2011 een galerijvloer is bezweken in Leeuwarden, zijn gebouweigenaren opgeroepen onderzoek te doen bij soortgelijke galerijen en balkons en is gemeenten verzocht hierop toe te zien. Dit is gebeurd aan de hand van het Infoblad Onderzoek galerijvloeren bij flatgebouwen1.

Hoewel sedert dien al bij veel galerijflats onderzoek naar de constructieve veiligheid uitgevoerd is, is het toch zinvol gebleken om een onderzoekverplichting in het leven te roepen teneinde op korte termijn in alle gevallen te komen tot een veilige situatie bij galerijflats.

Deze onderzoeksverplichting is opgenomen in het nieuwe hoofdstuk 5a, onderzoeksverplichting zorgplicht (artikel 5.11). Het eerste lid bepaalt voor welke categorie bouwwerk de onderzoeksverplichting geldt. Het gaat om galerijflats met uitkragende betonnen galerij- of balkonvloeren die monoliet zijn verbonden aan de betonnen verdiepingsvloeren of gevelbalken. Het tweede lid bepaalt dat het onderzoek moet worden uitgevoerd volgens de SBRpublicatie 248 ‘Constructieve veiligheid van uitkragende galerijplaten – Tweede, herziene uitgave’ 2. Het beschreven onderzoek in de SBR-publicatie heeft ook betrekking op balkonvloeren. Uit de SBR-publicatie volgt verder dat de bedoelde galerijflats met name zijn gebouwd in de periode 1950-1970. Het tweede lid bepaalt verder dat de uitkomsten van dit onderzoek voor 1 juli 2017 in een rapport moeten worden vastgelegd. Op grond van het derde lid is geen onderzoek nodig wanneer er voor 1 januari 2016 al een vergelijkbaar onderzoeksrapport door de desbetreffende gemeente is geaccepteerd.

Afhankelijk van de conclusies uit het onderzoek zal de eigenaar zo nodig maatregelen moeten nemen om te voldoen aan de constructieve veiligheidsvoorschriften van het Bouwbesluit 2012.

Er wordt op gewezen dat het achterwege laten van het bedoelde onderzoek of het vervolgens treffen van de benodigde maatregelen een overtreding van het zorgplichtartikel is, waartegen het bevoegd gezag handhavend kan optreden door het opleggen van een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang. Op grond van titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een toezichthouder op ieder moment bevoegd het onderzoeksrapport op te vragen en geldt een medewerkingsplicht om aan deze vraag gehoor te geven.

Onderdeel C

Met dit nieuwe voorschrift is vastgelegd dat bij toepassing van NEN-EN 1997, voetnoot a bij tabel 7c buiten beschouwing mag worden gelaten. Genoemde voetnoot bepaalt dat er met ingang van 1 januari 2016 moet worden gerekend met reductie van 33% van de draagkracht. Op dit moment is NEN nog bezig met nader onderzoek van de consequenties van genoemde voetnoot. Afhankelijk van de bevindingen zal genoemde voetnoot, althans de inhoud ervan, in de toekomst van toepassing kunnen worden verklaard.

Onderdelen D en E

Onderdeel D bevat een zestal wijzigingen van bijlage I bij de Regeling Bouwbesluit 2012. Met deze wijzigingen zijn de laatste versies van de desbetreffende normen aangewezen.

Met onderdeel E zijn van een viertal normen in bijlage II de laatste versies aangewezen.

Onderdeel F

In onderdeel 14.6.4.3 van bijlage III is een tekstuele onvolkomenheid hersteld.

Artikel II

Onderdeel A

In onderdeel A is de definitie van BRL geactualiseerd. Tot nu toe werd in de Regeling energieprestatie gebouwen verwezen naar door het Centraal College van Deskundigen definitief vastgestelde beoordelingsrichtlijnen. De procedure bij de ontwikkeling van nationale beoordelingsrichtlijnen is echter als volgt. Het Centraal College van Deskundigen stelt in eerste instantie de beoordelingsrichtlijn vast, waarna deze moet worden aanvaard door de Harmonisatie Commissie Bouw van de Stichting Bouwkwaliteit. Daarna wordt de beoordelingsrichtlijn bindend verklaard door (het bestuur van) de Stichting Kwaliteit voor Installaties Nederland.

Onderdelen B en C

In deze onderdelen zijn wijzigingen opgenomen van BRL 9500, delen 00, 01, 03 en 06. De wijzigingen zien niet op de wijze van opstellen van een energie-index of energielabel.

De wijzigingen zijn voornamelijk van redactionele aard, zodat in alle delen dezelfde terminologie wordt gehanteerd. Daarnaast is in deel 00 de door de certificatie-instelling uit te voeren controleprocedure aangescherpt. Zo is nu expliciet opgenomen dat indien gecertificeerde bedrijven zich niet aan de beoordelingsrichtlijn houden, de certificatie-instelling het certificaat voor het afgeven van energielabels voor utiliteitsgebouwen van die bedrijven kan schorsen en indien nodig intrekken.

Onderdelen D en E

De wijzigingen van de ISSO publicaties betreffen verbeteringen. Er werd eerder abusievelijk verwezen naar ‘publicaties’ in plaats van ‘publicatie’ en wat betreft de ISSO 75.3 naar de versie van 2013 terwijl dat de versie van 2011 moet zijn. De wijzigingen van BRL 9501 vloeien voort uit de actualisatie van de definitie van BRL. Met de opgenomen wijziging wordt consequent verwezen naar de datum van bindend verklaring.

Onderdeel F

Bijlage 1a ten aanzien van de werkwijze voor de erkende deskundige bij het certificeren van energielabels voor woningen is opnieuw vastgesteld. Hoewel de wijzigingen relatief ondergeschikt zijn is er om praktische redenen voor gekozen de bijlage niet te wijzigen maar opnieuw vast te stellen. De term ‘extreem goed (na)geïsoleerde woning’ is vervangen door de term ‘uitzonderlijk goed (na) geïsoleerde woning’. Daarnaast zijn enige verduidelijkingen in de teksten aangebracht. Ten slotte is in paragraaf 3.4.1 een aangepaste tabel opgenomen met betrekking tot cv-toestellen. In de internetapplicatie die aanvragers van een energielabel voor een woning gebruiken, zijn niet alle cv-toestellen opgenomen. In de geactualiseerde tabel wordt een overzicht gegeven van toestellen die niet worden weergegeven in de internetapplicatie en wordt aangegeven op welke wijze de deskundige het desbetreffende toestel moet aanmerken.

Artikel III

Inwerkingtreding vindt plaats met ingang van 1 januari 2016.

Hierbij is rekening gehouden met het systeem van vaste verandermomenten, maar niet met de formele voorbereidingstijd voor het bouwbedrijfsleven van tenminste twee maanden vanaf vaststelling van de regeling. Hiervoor is gekozen omdat het in het belang van het bouwbedrijfsleven is dat zo spoedig mogelijk met de laatste versies van normen en BRL-en kan worden gewerkt. Er wordt daarbij overigens op gewezen dat de notificatietermijn van drie maanden voorafgaande aan de vaststelling van deze regeling in zekere zin ook is te beschouwen als voorbereidingstijd, omdat artikel I van deze regeling in het kader van de notificatie openbaar is gemaakt. Zie voor de notificatie ook onderdeel 4 van het algemeen deel van de toelichting.

De Minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok

Naar boven