Besluit van 23 december 2015, houdende identificatie- en rapportagevoorschriften voor rapporterende financiële instellingen met het oog op de automatische uitwisseling van inlichtingen op basis van de Common Reporting Standard (Uitvoeringsbesluit identificatie- en rapportagevoorschriften Common Reporting Standard)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 24 november 2015, nr. DB/2015/408 U;

Gelet op de artikelen 10a, 10b en 10c van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen en artikel 8.133a van de Belastingwet BES;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 2 december 2015, nr. W06.15.0416/III);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 18 december 2015, nr. DB/2015/450;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Reikwijdte

Dit besluit en de daarop berustende bepalingen geeft uitvoering aan de artikelen 10a, 10b en 10c van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen.

Artikel 2 Definities

  • 1. Dit besluit verstaat onder:

    a. wet:

    de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen;

    b. bestaande rekening van een natuurlijk persoon:

    een bestaande rekening die door een of meer natuurlijke personen wordt gehouden;

    c. nieuwe rekening van een natuurlijk persoon:

    een nieuwe rekening die door een of meer natuurlijke personen wordt gehouden;

    d. bestaande entiteitsrekening:

    een bestaande rekening die door een of meer entiteiten wordt gehouden;

    e. nieuwe entiteitsrekening:

    een nieuwe rekening die door een of meer entiteiten wordt gehouden;

    f. lagewaarderekening:

    een bestaande rekening van een natuurlijk persoon met een totaal saldo of een totale waarde, te bepalen met inachtneming van bijlage I, sectie VII, onderdeel C, onder 1 en 3, van Richtlijn 2011/16/EU, per 31 december 2015 van niet meer dan een in euro’s uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met 1.000.000 USD;

    g. hogewaarderekening:

    een bestaande rekening van een natuurlijk persoon met een totaal saldo of een totale waarde, te bepalen met inachtneming van bijlage I, sectie VII, onderdeel C, onder 1 en 3, van Richtlijn 2011/16/EU, op 31 december 2015 of op 31 december van enig daaropvolgend jaar van meer dan een in euro’s uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met 1.000.000 USD;

    h. groepskapitaalverzekering:

    een groepskapitaalverzekering als bedoeld in bijlage I, sectie VII, onderdeel B, derde alinea, van Richtlijn 2011/16/EU;

    i. groepslijfrenteverzekering:

    een groepslijfrenteverzekering als bedoeld in bijlage I, sectie VII, onderdeel B, vierde alinea, van Richtlijn 2011/16/EU.

  • 2. Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt, waar direct of indirect wordt verwezen naar de bepalingen in bijlage I, sectie III, onderdeel B, onder 2, 4 en 6, en onderdeel C, onder 5, 8 en 9, sectie IV, onderdeel B, sectie V, onderdeel D, onder 1, of sectie VI, onder 1, onderdeel b, van Richtlijn 2011/16/EU, in de desbetreffende bepalingen onder lidstaat mede verstaan andere deelnemende rechtsgebieden dan de lidstaten. Artikel 2a, vijfde lid, van de wet is hierbij van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen hebben, waar direct of indirect wordt verwezen naar de bepalingen in de bijlagen I en II van Richtlijn 2011/16/EU, in de desbetreffende bepalingen de begrippen te rapporteren persoon, te rapporteren rekening en passieve NFE de betekenis die deze hebben volgens artikel 2a van de wet.

Artikel 3 Eigen verklaring

  • 1. Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder een eigen verklaring verstaan een gedagtekende en ondertekende verklaring van een rekeninghouder of van een uiteindelijk belanghebbende van een passieve NFE met daarin opgenomen ten minste de volgende gegevens ten aanzien van de rekeninghouder of de uiteindelijk belanghebbende:

    • a. de naam;

    • b. het adres;

    • c. de fiscale woonstaat;

    • d. het fiscale identificatienummer; en

    • e. in geval van natuurlijke personen: de geboortedatum.

  • 2. In afwijking van het eerste lid bevat een eigen verklaring niet het fiscale identificatienummer van de rekeninghouder of de uiteindelijk belanghebbende van een passieve NFE indien de fiscale woonstaat van die rekeninghouder, onderscheidenlijk van die uiteindelijk belanghebbende, hem geen fiscaal identificatienummer heeft verstrekt. De vermelding van het fiscale identificatienummer in een eigen verklaring kan verder achterwege blijven in de gevallen waarvoor Onze Minister dit heeft bepaald.

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn ook van toepassing indien op basis van in dit besluit opgenomen verwijzingen naar de bijlagen I en II van Richtlijn 2011/16/EU een eigen verklaring wordt voorgeschreven.

HOOFDSTUK 2 IDENTIFICATIE- EN RAPPORTAGEVOORSCHRIFTEN

Artikel 4 Bestaande rekening van een natuurlijk persoon

  • 1. Een rapporterende financiële instelling volgt met betrekking tot lagewaarderekeningen, met inachtneming van bijlage II, onder 1, van Richtlijn 2011/16/EU, de procedures die zijn opgenomen in bijlage I, sectie III, onderdeel B, van Richtlijn 2011/16/EU om vast te stellen of sprake is van te rapporteren rekeningen.

  • 2. Een rapporterende financiële instelling volgt met betrekking tot hogewaarderekeningen, met inachtneming van bijlage II, onder 1, van Richtlijn 2011/16/EU, de procedures die zijn opgenomen in bijlage I, sectie III, onderdeel C, onder 1 tot en met 5 en onder 7 tot en met 9, van Richtlijn 2011/16/EU om vast te stellen of sprake is van te rapporteren rekeningen.

  • 3. Een rapporterende financiële instelling volgt met betrekking tot een bestaande rekening die op 31 december 2015 niet een hogewaarderekening is maar die dat wel is op de laatste dag van een volgend kalenderjaar, uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de bestaande rekening een hogewaarderekening wordt de procedures die zijn opgenomen in bijlage I, sectie III, onderdeel C, onder 1 tot en met 5 en onder 7 tot en met 9, van Richtlijn 2011/16/EU om vast te stellen of sprake is van een te rapporteren rekening.

  • 4. Een rapporterende financiële instelling die op basis van een wijziging van omstandigheden weet of redenen heeft om te weten dat de fiscale woonstaat van de rekeninghouder is of kan zijn gewijzigd, verkrijgt, in afwijking in zoverre van het eerste en tweede lid, een actuele eigen verklaring van de rekeninghouder dan wel, in het geval eerder een eigen verklaring is verkregen, een redelijke uitleg en, waar nodig, aanvullende bewijsstukken indien deze de juistheid van de laatst verkregen eigen verklaring bevestigen.

  • 5. Een rapporterende financiële instelling mag nadat zij op basis van een wijziging van omstandigheden weet of redenen heeft om te weten dat de fiscale woonstaat van de rekeninghouder is of kan zijn gewijzigd, nog gedurende 90 dagen uitgaan van de fiscale woonstaat van de rekeninghouder zoals die is vastgesteld vóór de wijziging van omstandigheden.

Artikel 5 Nieuwe rekening van een natuurlijk persoon

  • 1. Een rapporterende financiële instelling verkrijgt, met inachtneming van bijlage I, sectie IV, onderdeel A, van Richtlijn 2011/16/EU, bij het openen van een nieuwe rekening door een natuurlijk persoon een eigen verklaring van de rekeninghouder.

  • 2. Indien uit de eigen verklaring, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de rekeninghouder een te rapporteren persoon is, wordt de rekening aangemerkt als een te rapporteren rekening.

  • 3. Een rapporterende financiële instelling die op basis van een wijziging van omstandigheden weet of redenen heeft om te weten dat de laatst verkregen eigen verklaring van de rekeninghouder onjuist of onbetrouwbaar is, verkrijgt een actuele eigen verklaring van de rekeninghouder voor het vaststellen van diens fiscale woonstaat dan wel een redelijke uitleg en, waar nodig, aanvullende bewijsstukken die de juistheid van de laatst verkregen eigen verklaring bevestigen.

  • 4. Een rapporterende financiële instelling mag nadat zij op basis van een wijziging van omstandigheden weet of redenen heeft om te weten dat de laatst verkregen eigen verklaring van de rekeninghouder onjuist of onbetrouwbaar is, nog gedurende 90 dagen, doch uiterlijk tot de dag waarop een actuele eigen verklaring wordt verkregen, uitgaan van de fiscale woonstaat van de rekeninghouder zoals die is vermeld op de laatst verkregen eigen verklaring. Indien een rapporterende financiële instelling binnen de termijn van 90 dagen, bedoeld in de eerste volzin, geen actuele eigen verklaring of een redelijke uitleg en, waar nodig, aanvullende bewijsstukken als bedoeld in het derde lid heeft verkregen, merkt de rapporterende financiële instelling de rekeninghouder tot het moment waarop alsnog een dergelijke eigen verklaring of redelijke uitleg wordt verkregen aan als fiscaal inwoner van het rechtsgebied dat is vermeld op de laatst verkregen eigen verklaring, bedoeld in het derde lid, alsmede van het rechtsgebied waarin de rekeninghouder als gevolg van de wijziging van omstandigheden fiscaal woonachtig zou kunnen zijn.

Artikel 6 Bestaande entiteitsrekening

  • 1. Een rapporterende financiële instelling volgt met betrekking tot bestaande entiteitsrekeningen de procedures die zijn opgenomen in bijlage I, sectie V, onderdeel D, van Richtlijn 2011/16/EU om vast te stellen of sprake is van te rapporteren rekeningen. Indien een rapporterende financiële instelling bij de toepassing van de procedure, bedoeld in bijlage I, sectie V, onderdeel D, onder 2, onderdeel a, van Richtlijn 2011/16/EU, de status van de rekeninghouder als actieve NFE, passieve NFE of financiële instelling niet kan vaststellen, merkt deze de rekeninghouder aan als passieve NFE. Indien een rapporterende financiële instelling bij de toepassing van de procedure, bedoeld in bijlage I, sectie V, onderdeel D, onder 2, onderdeel c, onder ii, van Richtlijn 2011/16/EU, geen eigen verklaring van de rekeninghouder of de uiteindelijk belanghebbende verkrijgt, past deze de procedure, bedoeld in bijlage I, sectie III, onderdeel B, onder 2, van Richtlijn 2011/16/EU, toe om vast te stellen of de uiteindelijk belanghebbende een te rapporteren persoon is.

  • 2. Een rapporterende financiële instelling kan er, in afwijking van het eerste lid, voor kiezen om, hetzij voor alle bestaande entiteitsrekeningen tezamen hetzij voor elke duidelijk omschreven groep van bestaande entiteitsrekeningen afzonderlijk, de procedures, bedoeld in het eerste lid, niet toe te passen op bestaande entiteitsrekeningen met een, met inachtneming van bijlage I, sectie VII, onderdeel C, onder 2, van Richtlijn 2011/16/EU, totaal saldo of een totale waarde op 31 december 2015 van niet meer dan een in euro’s uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met USD 250.000. Indien het totale saldo of de totale waarde van een bestaande entiteitsrekening waarop de procedures, bedoeld in het eerste lid, op basis van de eerste volzin niet zijn toegepast, op 31 december van een volgend kalenderjaar, met inachtneming van bijlage I, sectie VII, onderdeel C, onder 2, van Richtlijn 2011/16/EU, hoger is dan een in euro’s uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met USD 250.000, volgt een rapporterende financiële instelling uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin het totale saldo of de totale waarde van die rekening hoger is dan een in euro’s uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met USD 250.000, met betrekking tot die rekening de procedures, bedoeld in het eerste lid, om vast te stellen of sprake is van een te rapporteren rekening.

  • 3. Een rapporterende financiële instelling die op basis van een wijziging van omstandigheden weet of redenen heeft om te weten dat de laatst verkregen eigen verklaring van een rekeninghouder of van een uiteindelijk belanghebbende dan wel andere documentatie die is gebruikt voor het vaststellen of een rekening een te rapporteren rekening is, onjuist of onbetrouwbaar is, volgt opnieuw de procedures die zijn opgenomen in bijlage I, sectie V, onderdeel D, van Richtlijn 2011/16/EU om vast te stellen of sprake is van een te rapporteren rekening, met dien verstande dat:

    • a. de rapporterende financiële instelling bij de toepassing van de procedure, bedoeld in bijlage I, sectie V, onderdeel D, onder 1, van Richtlijn 2011/16/EU, een actuele eigen verklaring van de rekeninghouder verkrijgt of een redelijke uitleg en, waar nodig, aanvullende bewijsstukken die de juistheid bevestigen van de laatst verkregen eigen verklaring of van de documentatie die is gebruikt om vast te stellen of de rekeninghouder een te rapporteren persoon is;

    • b. de rapporterende financiële instelling bij de toepassing van de procedure, bedoeld in bijlage I, sectie V, onderdeel D, onder 2, onderdeel a, van Richtlijn 2011/16/EU, een actuele eigen verklaring van de rekeninghouder verkrijgt of aanvullende bewijsstukken om de status van de rekeninghouder als actieve NFE, passieve NFE of financiële instelling vast te kunnen stellen;

    • c. de rapporterende financiële instelling bij toepassing van de procedure, bedoeld in bijlage I, sectie V, onderdeel D, onder 2, onderdeel c, van Richtlijn 2011/16/EU, een actuele eigen verklaring van de rekeninghouder of uiteindelijk belanghebbende verkrijgt of een redelijke uitleg en, waar nodig, aanvullende bewijsstukken die de juistheid bevestigen van de laatst verkregen eigen verklaring of van de documentatie die is gebruikt om vast te stellen of de uiteindelijk belanghebbende een te rapporteren persoon is.

  • 4. Een rapporterende financiële instelling voltooit de procedures, bedoeld in het derde lid, vóór het eind van het kalenderjaar waarin de wijziging van omstandigheden, bedoeld in dat lid, zich voordoet, dan wel, indien dit later is, uiterlijk 90 dagen nadat deze weet of redenen heeft om te weten dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. Indien een rapporterende financiële instelling geen actuele eigen verklaring of redelijke uitleg en, waar nodig, aanvullende bewijsstukken als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, verkrijgt, merkt deze de rekeninghouder, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, aan als inwoner van zowel het rechtsgebied waarvan diens inwonerschap is vastgesteld vóór de wijziging van omstandigheden als het rechtsgebied waarin de rekeninghouder als gevolg van de wijziging van omstandigheden fiscaal woonachtig zou kunnen zijn. Indien een rapporterende financiële instelling geen actuele eigen verklaring of aanvullende bewijsstukken als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, verkrijgt, merkt deze de rekeninghouder, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, aan als passieve NFE. Indien een rapporterende financiële instelling geen actuele eigen verklaring of redelijke uitleg en, waar nodig, aanvullende bewijsstukken als bedoeld in het derde lid, onderdeel c, verkrijgt, past deze de procedure, bedoeld in bijlage I, sectie III, onderdeel B, onder 2, van Richtlijn 2011/16/EU, toe om vast te stellen of de uiteindelijk belanghebbende, bedoeld in het derde lid, onderdeel c, een te rapporteren persoon is.

Artikel 7 Nieuwe entiteitsrekening

  • 1. Een rapporterende financiële instelling volgt met betrekking tot nieuwe entiteitsrekeningen, met inachtneming van bijlage II, onder 2, van Richtlijn 2011/16/EU, de procedures die zijn opgenomen in bijlage I, sectie VI, van Richtlijn 2011/16/EU om vast te stellen of sprake is van te rapporteren rekeningen.

  • 2. Met betrekking tot een rapporterende financiële instelling die op basis van een wijziging van omstandigheden weet of redenen heeft om te weten dat de laatst verkregen eigen verklaring van een rekeninghouder of van een uiteindelijk belanghebbende dan wel andere documentatie die verband houdt met het vaststellen of de rekening een te rapporteren rekening is, onjuist of onbetrouwbaar is, is artikel 6, derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8 Kapitaal- of lijfrenteverzekering en groepskapitaal- of groepslijfrenteverzekering

  • 1. Een rapporterende financiële instelling mag met betrekking tot een kapitaalverzekering of lijfrenteverzekering de alternatieve procedures die zijn opgenomen in bijlage I, sectie VII, onderdeel B, eerste alinea, van Richtlijn 2011/16/EU toepassen om vast te stellen of sprake is van een te rapporteren rekening.

  • 2. Een rapporterende financiële instelling mag met betrekking tot een groepskapitaalverzekering of groepslijfrenteverzekering de alternatieve procedures die zijn opgenomen in bijlage I, sectie VII, onderdeel B, tweede alinea, van Richtlijn 2011/16/EU toepassen om vast te stellen of sprake is van een te rapporteren rekening.

Artikel 9 Nadere identificatie- en rapportagevoorschriften

  • 1. Een financiële rekening is een te rapporteren rekening met ingang van het tijdstip waarop deze krachtens de identificatievoorschriften, bedoeld in dit hoofdstuk, als zodanig wordt aangemerkt en tot het tijdstip waarop deze rekening niet meer als een te rapporteren rekening kan worden aangemerkt.

  • 2. Een rapporterende financiële instelling mag niet vertrouwen op een eigen verklaring of bewijsstukken indien zij weet of redenen heeft om te weten dat de eigen verklaring of bewijsstukken onjuist of onbetrouwbaar zijn.

  • 3. Waar in dit besluit wordt uitgegaan van een saldo- of waardegrens op 31 december van een kalenderjaar, wordt, ingeval een rapporterende financiële instelling over een andere relevante periode rapporteert, het betreffende saldo of de betreffende waarde bepaald per de laatste dag van de relevante periode waarover wordt gerapporteerd die eindigt in het kalenderjaar.

  • 4. Een rapporterende financiële instelling mag de procedures voor het vaststellen of sprake is van een te rapporteren rekening voor nieuwe rekeningen toepassen op bestaande rekeningen en de procedures voor het vaststellen of sprake is van een te rapporteren rekening voor hogewaarderekeningen toepassen op lagewaarderekeningen. Indien van de mogelijkheid gebruik wordt gemaakt om de procedures voor het vaststellen of sprake is van een te rapporteren rekening voor nieuwe rekeningen op bestaande rekeningen toe te passen, blijven de voor het overige voor bestaande rekeningen geldende regels van toepassing.

  • 5. Een rapporterende financiële instelling legt vast welke stappen zij heeft gezet en op welke bewijsmiddelen zij heeft vertrouwd bij de uitvoering van de identificatie- en rapportagevoorschriften die voortvloeien uit de wet en dit besluit en bewaart deze bewijsmiddelen.

Artikel 10 Wijze en tijdstip van gegevensverstrekking

Een rapporterende financiële instelling verstrekt de gegevens en inlichtingen, bedoeld in de artikelen 10b tot en met 10f van de wet, op een door Onze Minister voorgeschreven wijze. De gegevens en inlichtingen worden uiterlijk verstrekt op 31 januari van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop de gegevens en inlichtingen betrekking hebben. Indien een rapporterende financiële instelling rapporteert over een andere relevante periode dan een kalenderjaar, worden de gegevens en inlichtingen uiterlijk verstrekt op 31 januari van het jaar volgend op het kalenderjaar waarin de laatste dag valt van de periode waarover wordt gerapporteerd. Onze Minister kan toestaan dat wordt afgeweken van de datum van 31 januari, bedoeld in de tweede en derde volzin.

HOOFDSTUK 3 OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 11 Aanwijzing rechtsgebieden ten behoeve van eerste identificatie

Een rapporterende financiële instelling stelt bij toepassing van de procedures, bedoeld in de artikelen 4 en 6, ook vast of een rekeninghouder van een bestaande rekening of een uiteindelijk belanghebbende van een passieve NFE met een bestaande rekening fiscaal inwoner is van een of meer van de bij ministeriële regeling aan te wijzen rechtsgebieden.

Artikel 12 Tijdstip eerste identificatie

  • 1. Voor hogewaarderekeningen wordt uiterlijk op 31 december 2016 voor het eerst vastgesteld of sprake is van een te rapporteren rekening.

  • 2. Voor lagewaarderekeningen wordt uiterlijk op 31 december 2017 voor het eerst vastgesteld of sprake is van een te rapporteren rekening.

  • 3. Voor bestaande entiteitsrekeningen met een totaal saldo of een totale waarde op 31 december 2015 van meer dan een in euro’s uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met USD 250.000, wordt uiterlijk op 31 december 2017 voor het eerst vastgesteld of sprake is van een te rapporteren rekening.

HOOFDSTUK 4 WIJZIGING ANDER BESLUIT

Artikel 13 Wijziging Uitvoeringsbesluit Belastingwet BES

Het Uitvoeringsbesluit Belastingwet BES wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 1.1 wordt «8.115a en 8.129 van de Belastingwet BES» vervangen door: 8.115a, 8.129 en 8.133a van de Belastingwet BES.

B. Na artikel 7b.2 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 7b.3

Met betrekking tot een rapporterende financiële instelling zijn de artikelen 2 tot en met 12 van het Uitvoeringsbesluit identificatie- en rapportagevoorschriften Common Reporting Standard van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK 5 SLOTBEPALINGEN

Artikel 14 Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2016 en vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot gegevens en inlichtingen over het kalenderjaar 2016.

Artikel 15 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit identificatie- en rapportagevoorschriften Common Reporting Standard.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 23 december 2015

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Financiën, E.D. Wiebes

Uitgegeven de dertigste december 2015

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen deel

1. Inleiding

In het kader van de aanpak van internationale belastingfraude en belastingontduiking heeft de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) een mondiale standaard ontwikkeld voor de automatische uitwisseling tussen landen van financiële rekeninggegevens. Deze standaard bestaat onder meer uit een – door de landen te gebruiken – modelovereenkomst voor de automatische gegevensuitwisseling, uit een identificatie- en rapportagestandaard voor – de benodigde aanlevering van de uit te wisselen financiële gegevens door – financiële instellingen, de zogenoemde «Common Reporting Standard» (CRS), en uit het commentaar op de modelovereenkomst en op de CRS. Dit commentaar bevat uitleg en toelichting op de modelovereenkomst en op de CRS. Nederland heeft zich met een groot aantal andere landen door ondertekening van een multilaterale overeenkomst (MCAA1) verbonden om vanaf 2017 op basis van de CRS automatisch informatie uit te wisselen. Bij de eerste uitwisseling in 2017 gaat het om gegevens over 2016. De CRS is voor de EU-lidstaten opgenomen in Richtlijn 2014/107/EU2 van de Europese Unie. Deze richtlijn wijzigt Richtlijn 2011/16/EU.3 De CRS en Richtlijn 2014/107/EU moeten uiterlijk op 1 januari 2016 in de nationale wetgeving zijn geïmplementeerd.

De inlichtingen die door de fiscale autoriteiten in de verschillende landen automatisch zullen worden uitgewisseld, betreffen gegevens over financiële rekeningen die door natuurlijke personen of door entiteiten worden gehouden bij financiële instellingen in een ander land dan het land waar de rekeninghouder fiscaal woont. Voorts gaat het om de naam, adresgegevens en het fiscale identificatienummer van de rekeninghouder en ten aanzien van natuurlijke personen om de geboortedatum. In het geval de rekeninghouder een zogenoemde passieve niet-financiële entiteit (passieve NFE4) is, worden ook gegevens uitgewisseld over de uiteindelijk belanghebbenden van die entiteit als zij fiscaal woonachtig zijn in een ander (CRS-)land dan het land waar de financiële instelling is gevestigd.

Financiële instellingen worden met ingang van 1 januari 2016 op grond van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (WIB) verplicht om de hiervoor genoemde gegevens over fiscaal ingezetenen van CRS-landen aan de Belastingdienst te verstrekken om de automatische gegevensuitwisseling mogelijk te maken.

2. Aanpassing van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen

In de WIB worden ingevolge de Wet uitvoering Common Reporting Standard met ingang van 1 januari 2016 bepalingen opgenomen ter implementatie van de CRS en Richtlijn 2014/107/EU. Zo wordt in de WIB een definitiebepaling opgenomen met voor de implementatie van de CRS en Richtlijn 2014/107/EU relevante begrippen. Voorts wordt in de WIB voorgeschreven welke financiële instellingen rapportageplichtig zijn voor de CRS en welke gegevens zij aan de Belastingdienst moeten verstrekken. Om te bepalen over welke rekeningen en personen moet worden gerapporteerd, moeten de financiële instellingen de identificatievoorschriften uit de CRS en Richtlijn 2014/107/EU volgen. In de WIB wordt daarom met ingang van genoemde datum een delegatiebepaling opgenomen op grond waarvan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur identificatie- en rapportagevoorschriften voor rapporterende financiële instellingen worden gegeven met het oog op het verstrekken van de CRS-informatie. In dit besluit wordt hier uitvoering aan gegeven.

3. Het Uitvoeringsbesluit identificatie- en rapportagevoorschriften Common Reporting Standard

3.1 Algemeen

De identificatie- en rapportagevoorschriften in de CRS en Richtlijn 2014/107/EU schrijven voor hoe een financiële instelling moet bepalen of sprake is van een te rapporteren rekening. Het gaat daarbij met name om de vraag in welk land haar rekeninghouders, of in het geval van een passieve NFE de uiteindelijk belanghebbenden daarvan, fiscaal gezien wonen of zijn gevestigd. Deze identificatie- en rapportagevoorschriften zijn opgenomen in het onderhavige Uitvoeringsbesluit identificatie- en rapportagevoorschriften Common Reporting Standard (UB CRS). In dit besluit zijn ook definitiebepalingen opgenomen die voor de toepassing van het besluit van belang zijn. De ingevolge de Wet uitvoering Common Reporting Standard in de WIB op te nemen definities zijn ook van toepassing op het onderhavige besluit. Evenals voor de ingevolge de Wet uitvoering Common Reporting Standard in de WIB opgenomen bepalingen, geldt voor dit besluit dat het OESO-commentaar op de CRS als uitleg kan dienen voor de in het besluit opgenomen bepalingen. Voorts kunnen de door de OESO opgestelde antwoorden op zogenoemde «Frequently Asked Questions» (FAQ’s) als uitleg dienen.5

De identificatie- en rapportagevoorschriften van de CRS zijn in Richtlijn 2014/107/EU opgenomen in de bijlagen I en II. Deze voorschriften maken onderscheid tussen bestaande rekeningen en nieuwe rekeningen, tussen zogenoemde lagewaarderekeningen en hogewaarderekeningen en tussen rekeningen van natuurlijke personen en van entiteiten. Met een bestaande rekening wordt, in beginsel, een rekening bedoeld die al op 31 december 2015 werd aangehouden door een financiële instelling. Nieuwe rekeningen zijn, in beginsel, de rekeningen die op of na 1 januari 2016 worden geopend. Een lagewaarderekening is een bestaande rekening van een natuurlijk persoon met een waarde per 31 december 2015 van niet meer dan USD 1.000.000. Hogewaarderekeningen zijn bestaande rekeningen van natuurlijke personen vanaf USD 1.000.000. Voor de (combinaties van de) verschillende categorieën gelden eigen identificatieprocedures.

3.2 Identificatieprocedures
3.2.1 Bestaande rekeningen van natuurlijke personen

De eerste categorie rekeningen die in de CRS en in bijlage I van Richtlijn 2014/107/EU wordt beschreven, betreft de bestaande rekeningen van natuurlijke personen. Voor alle bestaande rekeningen van natuurlijke personen moet een (rapporterende) financiële instelling op basis van de in de dossiers van de financiële instelling aanwezige informatie over de rekeninghouders vaststellen of deze fiscaal woonachtig zijn in een andere lidstaat van de EU (hierna: lidstaat) of in een land waarmee (het land) Nederland informatie gaat uitwisselen op basis van de CRS (hierna samen kortheidshalve aan te duiden met CRS-land). Voor hogewaarderekeningen gelden hierbij uitgebreidere identificatieprocedures dan voor lagewaarderekeningen. Voor lagewaarderekeningen kan het woonland op twee manieren worden bepaald. Ofwel op basis van de in de (papieren) dossiers aanwezige bewijsstukken, ofwel door middel van een onderzoek van de elektronisch doorzoekbare gegevens. Voor hogewaarderekeningen moet het fiscale woonland op basis van de elektronische dossiers worden bepaald en daarnaast moeten de papieren dossiers worden onderzocht als de elektronische dossiers niet afdoende informatie bevatten. Voor hogewaarderekeningen geldt voorts dat de vaststelling van het woonland van de rekeninghouder mede moet plaatsvinden aan de hand van bij de relatiemanager aanwezige kennis. Als een financiële instelling op basis van haar onderzoek met betrekking tot een bestaande rekening van een natuurlijk persoon bepaalde in Richtlijn 2014/107/EU en de CRS genoemde indicatoren aantreft (denk daarbij aan actuele post- of woonadressen, telefoonnummers of een adres van een persoon aan wie een volmacht is verleend) die duiden op een fiscale woonplaats in een ander CRS-land, dan wordt de houder van die rekening voor wat betreft rapportageverplichtingen in beginsel als inwoner van dat land aangemerkt en dient over die financiële rekening te worden gerapporteerd. Dit hoeft echter niet als de financiële instelling een zogenoemde eigen verklaring van de rekeninghouder en (in een enkel geval: of) bewijsstukken heeft waaruit blijkt dat de rekeninghouder niet in het betreffende CRS-land fiscaal woonachtig is.

3.2.2 Nieuwe rekeningen van natuurlijke personen

De tweede categorie rekeningen die in de identificatieprocedures van de CRS en Richtlijn 2014/107/EU wordt beschreven, betreft de nieuwe rekeningen van natuurlijke personen. Ter zake van deze rekeningen geldt dat bij het openen van de rekening altijd een eigen verklaring door de rekeninghouder moet worden ingevuld. Op deze eigen verklaring moet volgens Richtlijn 2014/107/EU en de CRS onder andere het fiscale woonland van de rekeninghouder worden aangegeven en, in het geval de rekeninghouder fiscaal woonachtig is in een CRS-land, zijn fiscale identificatienummer alsmede (in het geval van een natuurlijk persoon) zijn geboortedatum. In aanvulling daarop wordt ingevolge dit besluit voorgeschreven dat ook de rekeninghouder die niet in een CRS-land woont zijn fiscale identificatienummer moet invullen. Het besluit schrijft namelijk voor dat in de gevallen waarin een eigen verklaring wordt gevraagd, naast onder andere de naam en adresgegevens ook het fiscale identificatienummer moet worden ingevuld, ongeacht het fiscale woonland van de rekeninghouder of (ter zake van de hierna aan de orde komende entiteitsrekeningen) van de uiteindelijk belanghebbende. De financiële instelling is overigens reeds op grond van de zogeheten AML/KYC-procedures, die in Nederland zijn neergelegd in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en voor de BES-eilanden in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES (Wwft BES), verplicht om informatie over een rekeninghouder in te winnen. De eigen verklaring kan deel uitmaken van de documentatie betreffende de opening van de rekening waartoe ook de stukken behoren die op grond van de Wwft of de Wwft BES worden verzameld. Op deze manier kan de financiële instelling het in de eigen verklaring aangegeven fiscale woonland(en) vergelijken met de informatie die de financiële instelling verkrijgt op grond van andere wetgeving en de juistheid daarvan beoordelen.

3.2.3 Bestaande rekeningen van entiteiten

De derde categorie rekeningen die in de CRS en in bijlage I van Richtlijn 2014/107/EU wordt beschreven, betreft de bestaande rekeningen van entiteiten. Bestaande rekeningen van entiteiten met een totaal saldo of een totale waarde van niet meer dan USD 250.000 mogen door een financiële instelling buiten de identificatie- en rapportageprocedures worden gelaten. Voor bestaande rekeningen van entiteiten die wel moeten worden gecontroleerd, geldt dat moet worden vastgesteld of de entiteit een zogenoemde te rapporteren persoon is en, daarnaast, of de entiteit een passieve NFE is. Is de entiteit een passieve NFE dan moet tevens worden vastgesteld of dier uiteindelijk belanghebbenden te rapporteren personen zijn. Ook in het geval de rekeninghouder niet een te rapporteren persoon is (omdat die is gevestigd in een niet-CRS-land), kan de rekening namelijk een te rapporteren rekening zijn als de rekeninghouder een passieve NFE is met een of meer uiteindelijk belanghebbenden die te rapporteren personen zijn. In het kader van de aanpak van belastingontduiking en zwartsparen is het van belang om te weten wie de uiteindelijk belanghebbenden van een passieve NFE zijn omdat deze personen veelal belastingplichtig zijn ten aanzien van hun belang in de passieve NFE.

Om vast te stellen of de entiteit-rekeninghouder een te rapporteren persoon is, moet een (rapporterende) financiële instelling de informatie bezien die wordt bijgehouden ten behoeve van het toezicht of de klantrelatie (waaronder informatie die is verzameld uit hoofde van de AML/KYC-procedures). Als uit die informatie blijkt dat de rekeninghouder fiscaal gevestigd is in een CRS-land, wordt de rekening behandeld als een te rapporteren rekening, tenzij de financiële instelling een eigen verklaring van de rekeninghouder ontvangt of over (al dan niet publiek beschikbare) informatie beschikt op grond waarvan redelijkerwijs kan worden vastgesteld dat de entiteit-rekeninghouder niet een te rapporteren persoon is.

Voor het vaststellen of een rekeninghouder van een bestaande rekening een passieve NFE is, moet de financiële instelling een eigen verklaring van de rekeninghouder verkrijgen om diens status vast te stellen, tenzij een financiële instelling al op grond van (al dan niet publiek) beschikbare informatie, zoals informatie uit het register van de Kamer van Koophandel, kan vaststellen dat de rekeninghouder niet een passieve NFE is (bijvoorbeeld omdat sprake is van een actieve NFE).

Om te bepalen wie de uiteindelijk belanghebbenden van een entiteit-rekeninghouder zijn, kan de financiële instelling zich baseren op de informatie die reeds op grond van de AML/KYC-procedures is verzameld. Een financiële instelling moet op grond van een eigen verklaring van de rekeninghouder of van de uiteindelijk belanghebbende vaststellen of de uiteindelijk belanghebbende fiscaal woonachtig is in een CRS-land. Wanneer het saldo van de rekening minder bedraagt dan 1.000.000 USD kan die vaststelling ten aanzien van deze categorie rekeningen ook plaatsvinden op basis van informatie die beschikbaar is op grond van de AML/KYC-procedures.

3.2.4 Nieuwe rekeningen van entiteiten

De vierde categorie rekeningen die in de identificatievoorschriften van de CRS en Richtlijn 2014/107/EU wordt beschreven, betreft de nieuwe rekeningen van entiteiten. Ter zake van deze rekeningen geldt dat bij het openen van de rekening in beginsel altijd een eerder genoemde eigen verklaring door de rekeninghouder moet worden ingevuld. Op deze eigen verklaring moet volgens Richtlijn 2014/107/EU en de CRS onder andere de fiscale vestigingsplaats van de entiteit-rekeninghouder worden aangegeven. De eigen verklaring kan deel uitmaken van de documentatie betreffende de opening van de rekening waartoe ook de stukken behoren die op grond van de AML/KYC-procedures worden verzameld. Op deze manier kan de (rapporterende) financiële instelling de in de eigen verklaring aangegeven vestigingsplaats(en) vergelijken met de informatie die de financiële instelling verkrijgt op grond van andere wetgeving en de juistheid daarvan beoordelen. Als uit de eigen verklaring blijkt dat de rekeninghouder fiscaal gevestigd is in een CRS-land, wordt de rekening behandeld als een te rapporteren rekening, tenzij de financiële instelling over (al dan niet publiek beschikbare) informatie beschikt op grond waarvan redelijkerwijs kan worden vastgesteld dat de entiteit-rekeninghouder niet een te rapporteren persoon is. Voorts moet ten aanzien van de entiteit worden vastgesteld of deze een passieve NFE is met een (of meer) uiteindelijk belanghebbende(n) die een te rapporteren persoon is (of zijn). De identificatievoorschriften die hierbij moeten worden toegepast zijn grotendeels gelijk aan de voorschriften die gelden voor bestaande rekeningen van entiteiten, met dien verstande dat geen onderscheid wordt gemaakt tussen rekeningen onder en boven 1.000.000 USD. Dit houdt in dat ook voor rekeningen met een saldo van minder dan 1.000.000 USD het fiscale woonland van de uiteindelijk belanghebbende aan de hand van een eigen verklaring van de rekeninghouder of van de uiteindelijk belanghebbende moet worden vastgesteld. Zoals onder 3.2.3 opgemerkt, kan, in het geval de rekeninghouder niet een te rapporteren persoon is, de rekening toch een te rapporteren rekening zijn als de rekeninghouder een passieve NFE is met een of meer uiteindelijk belanghebbenden die te rapporteren personen zijn.

3.3 Wijziging van omstandigheden

Nadat een financiële instelling de fiscale woonstaat van een rekeninghouder of in het geval van een passieve NFE van de uiteindelijk belanghebbende(n) heeft vastgesteld, kan zich met betrekking tot die rekeninghouder of die uiteindelijk belanghebbende(n) een wijziging van omstandigheden voordoen die voor de financiële instelling reden moet zijn om opnieuw vast te stellen wat het fiscale woonland van de rekeninghouder of uiteindelijk belanghebbende is. Voorbeelden van relevante wijzigingen zijn een verandering van het fiscale woonland van een rekeninghouder of uiteindelijk belanghebbende door een verhuizing en het wijzigen van de bedrijfsactiviteiten waardoor een entiteit van een actieve NFE in een passieve NFE verandert. De identificatie- en rapportagevoorschriften in de CRS en Richtlijn 2014/107/EU en het commentaar daarop bevatten regels die aangeven op welke wijze de identificatieprocedures moeten worden toegepast in het geval zich een wijziging van omstandigheden voordoet en binnen welke termijn die procedures moeten worden toegepast. Deze regels zijn opgenomen in het besluit. In veel gevallen komen deze regels erop neer dat (opnieuw) een eigen verklaring zal moeten worden gevraagd of dat aan betrokkene wordt gevraagd de juistheid van de eerdere eigen verklaring te bevestigen, eventueel onderbouwd met bewijsstukken.

In aanvulling op de regels die uit de CRS en Richtlijn 2014/107/EU en het commentaar volgen, schrijft dit besluit ten aanzien van de bestaande rekeningen van natuurlijke personen voor dat bij een wijziging van omstandigheden op grond waarvan een financiële instelling weet of redenen heeft om te weten dat de fiscale woonstaat van de rekeninghouder (mogelijk) is gewijzigd, in beginsel in alle gevallen een (actuele) eigen verklaring moet worden verkregen. Op grond van de voorschriften in de CRS en Richtlijn 2014/107/EU hoeft dit alleen te gebeuren indien de financiële instelling hiervoor kiest nadat er een indicatie is dat de rekeninghouder in een CRS-land woont. Door de hiervoor bedoelde aanvullende verplichting moet op basis van het besluit ook in het geval er een (vermoedelijke) wijziging is van het fiscale woonland van de rekeninghouder naar een niet-CRS-land, een eigen verklaring worden gevraagd. Hierdoor kan een persoon minder makkelijk aan het door de financiële instelling rapporteren over zijn rekening ontkomen door een (willekeurig) adres op te geven dat niet in een CRS-land is gelegen; door ondertekening van de eigen verklaring staat hij in voor de juistheid van het daarop aangegeven fiscale woonland. Op grond van Richtlijn 2014/107/EU geldt voornoemde verplichting tot het vragen van een eigen verklaring overigens al in het geval de vaststelling van de fiscale woonstaat van een rekeninghouder van een bestaande rekening heeft plaatsgevonden op basis van een specifieke procedure, namelijk als het woonadres is afgeleid uit de in de dossiers aanwezige bewijsstukken. De hiervoor beschreven aanvulling in het besluit bevordert de betrouwbaarheid van de uit te wisselen gegevens, en maakt het systeem van automatische gegevensuitwisseling op basis van de CRS robuuster. Bovendien vergroot deze aanvulling de uitvoerbaarheid van de regelgeving voor financiële instellingen omdat zij hierdoor in geval van een (mogelijke) wijziging van het fiscale woonland alle rekeninghouders op een gelijke wijze kunnen behandelen.

3.4 Rapportagevoorschriften

In het besluit zijn ook rapportagevoorschriften opgenomen, zoals de bepaling over de wijze en het tijdstip waarop de CRS-informatie door de rapporterende financiële instellingen moet worden verstrekt aan de Belastingdienst. De informatie die betrekking heeft op een kalenderjaar wordt volgens deze voorschriften in beginsel in de maand januari van het daaropvolgende kalenderjaar gerapporteerd aan de Belastingdienst.

4. BES-eilanden

De CRS wordt ingevolge de Wet uitvoering Common Reporting Standard ook in de Belastingwet BES geïmplementeerd. Dit betekent dat financiële instellingen op de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES-eilanden) ook verplicht zijn om gegevens over financiële rekeningen die bij hen worden aangehouden door personen die fiscaal woonachtig zijn in een ander land dan het land Nederland (dat wil zeggen het in Europa gelegen deel van het Koninkrijk der Nederlanden en de BES-eilanden) aan de Belastingdienst te rapporteren. Om te kunnen vaststellen over welke rekeningen moet worden gerapporteerd, worden de identificatie- en rapportagevoorschriften van dit besluit, aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of sprake is van te rapporteren rekeningen, in het Uitvoeringsbesluit Belastingwet BES van overeenkomstige toepassing verklaard.

5. Gegevensbescherming

Door de identificatie- en rapportagevoorschriften in dit besluit zijn financiële instellingen in staat om de rapportageverplichtingen die ingevolge de Wet uitvoering Common Reporting Standard in de WIB zijn opgenomen, na te komen. Voor zover daarbij sprake is van de verwerking van persoonsgegevens is de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) van toepassing. In de memorie van toelichting van de Wet uitvoering Common Reporting Standard zijn de verschillende momenten waarop sprake is van gegevensverwerking die in het systeem van automatische inlichtingenuitwisseling op grond van de CRS kunnen worden onderscheiden, toegelicht. Daarbij is ook ingegaan op de gegevensstroom «rekeninghouder →financiële instelling», waarop de bepalingen in dit besluit in het bijzonder betrekking hebben. Zo is in genoemde memorie van toelichting aangekondigd dat ten aanzien van nieuwe rekeningen van natuurlijke personen in alle gevallen zal worden voorgeschreven dat een fiscaal identificatienummer wordt gevraagd (en deze verplichting dus niet beperkt wordt tot de situatie waarin de rekeninghouder fiscaal woonachtig is in een CRS-land). In dit besluit wordt, in overeenstemming hiermee en met inachtneming van het OESO-commentaar, voorgeschreven dat een eigen verklaring in alle gevallen een fiscaal identificatienummer moet bevatten, behoudens het geval dat door de fiscale woonstaat geen fiscaal identificatienummer is afgegeven. In dit besluit wordt voorts, zoals in paragraaf 3.3 aangegeven, voorgeschreven dat bij een wijziging van omstandigheden ten aanzien van een bestaande rekening van een natuurlijk persoon waardoor een financiële instelling weet of redelijkerwijs kan weten dat de fiscale woonstaat van een rekeninghouder is, of kan zijn, gewijzigd, (in beginsel) in alle gevallen een eigen verklaring moet worden verkregen. Door deze benadering wordt een zo hoog mogelijke kwaliteit van de te rapporteren gegevens bereikt.

De Wet uitvoering Common Reporting Standard is voor advies aan het College bescherming persoonsgegevens (CBP) voorgelegd. Het CBP heeft in zijn advies geoordeeld dat niet is gebleken dat met laatstgenoemde wet de bepalingen in de Wbp niet worden nageleefd.

6. Uitvoeringskosten, administratieve lasten en budgettaire effecten

De effecten van onderhavig besluit voor de uitvoeringskosten en de administratieve lasten en de budgettaire effecten zijn meegenomen bij de Wet uitvoering Common Reporting Standard. Zoals in de memorie van toelichting van de Wet uitvoering Common Reporting Standard is opgemerkt6, wordt in goed overleg met de financiële sector gewerkt aan een zo soepel mogelijke invoering van de CRS per 1 januari 2016, mede met het oog op het beperken van de administratieve lasten voor financiële instellingen. Omdat in dit besluit wordt voorgeschreven hoe financiële instellingen moeten vaststellen over welke rekeningen zij moeten rapporteren, is dit besluit met hen besproken.

7. Inwerkingtreding

Richtlijn 2014/107/EU moet uiterlijk op 31 december 2015 zijn geïmplementeerd. De nationale bepalingen ter uitvoering van Richtlijn 2014/107/EU moeten met ingang van 1 januari 2016 in werking treden. Voor de CRS geldt dat Nederland door ondertekening van de MCAA zich heeft verbonden om vanaf 2017 gegevens over 2016 met andere landen die de MCAA hebben ondertekend te gaan uitwisselen en dat de CRS daarom ook per 1 januari 2016 in nationale wetgeving moet zijn geïmplementeerd en in werking moet zijn getreden. Dit besluit treedt dan ook in werking met ingang van 1 januari 2016. De bepalingen hebben voor het eerst betrekking op gegevens en inlichtingen over het kalenderjaar 2016.

8. Transponeringstabel

In de memorie van toelichting van de Wet uitvoering Common Reporting Standard is een transponeringstabel opgenomen aangaande de implementatie van de bepalingen uit Richtlijn 2014/107/EU. Op sommige plekken is in die transponeringstabel aangegeven dat implementatie plaatsvindt in het UB CRS. In de transponeringstabel hieronder is ten aanzien van de betreffende bepalingen aangegeven waar deze in het UB CRS zijn geïmplementeerd.

Richtlijn 2014/107/EU

Implementatiebepaling

Toelichting

Artikel 1, tweede lid, onderdeel b

Deels geïmplementeerd in de artikelen 2a en 6c en afdeling 4A van de WIB en deels in de artikelen 2 tot en met 9 en artikel 12 van het UB CRS.

De eerste alinea van artikel 1, tweede lid, onderdeel b, verwijst naar de bijlagen I en II. Op grond van de delegatiebepaling in artikel 10a van de WIB zijn de voorschriften in deze bijlagen voor een groot deel opgenomen in het UB CRS (zie hieronder). De volgende bepalingen uit de bijlagen zijn geïmplementeerd in de WIB:

– bijlage I, sectie I, onderdelen A tot en met E, en

– het grootste deel van de definities in bijlage I, sectie VIII.

De tweede alinea en de onderdelen a tot en met g van artikel 1, tweede lid, onderdeel b, zijn geïmplementeerd in artikel 6c van de WIB, waarbij in artikel 6c wordt verwezen naar de gegevens en inlichtingen bedoeld in de artikelen 10b tot en met 10f van de WIB.

Bijlage I, sectie II, onderdeel A

Deels geïmplementeerd in artikel 9, eerste lid, van het UB CRS en deels geïmplementeerd in artikel 10 van het UB CRS.

Het eerste deel van deze bepaling is geïmplementeerd in bedoeld artikel 9, eerste lid, en het tweede deel van deze bepaling is geïmplementeerd in bedoeld artikel 10.

Bijlage I, sectie II, onderdeel B

Geïmplementeerd in artikel 10b, eerste lid, onderdeel f, van de WIB.

 

Bijlage I, sectie II, onderdeel C

Geïmplementeerd in artikel 9, derde lid, van het UB CRS.

 

Bijlage I, sectie II, onderdeel D

Geen wetgeving/implementatie nodig.

Dit kan in de praktijk worden toegestaan.

Bijlage I, sectie II, onderdeel E

Geïmplementeerd in artikel 9, vierde lid, van het UB CRS.

 

Bijlage I, sectie III, onderdeel A

Behoeft geen implementatie.

 

Bijlage I, sectie III, onderdeel B

Geïmplementeerd in artikel 4, eerste lid, van het UB CRS.

 

Bijlage I, sectie III, onderdeel C, onder 1 tot en met 5 en onder 7 tot en met 9

Geïmplementeerd in artikel 4, tweede lid, van het UB CRS.

 

Bijlage I, sectie III, onderdeel C, onder 6

Geïmplementeerd in artikel 4, derde lid, van het UB CRS.

 

Bijlage I, sectie III, onderdeel D

Geïmplementeerd in artikel 12, eerste en tweede lid, van het UB CRS.

 

Bijlage I, sectie III, onderdeel E

Geïmplementeerd in artikel 9, eerste lid, van het UB CRS.

De bepaling in bedoeld artikel 9, eerste lid, is algemener geformuleerd dan de bepaling in bijlage I, sectie III, onderdeel E, omdat deze bepaling voor alle financiële rekeningen geldt die als te rapporteren rekeningen zijn aangemerkt.

Bijlage I, sectie IV, onderdeel A

Geïmplementeerd in artikel 5, eerste lid, van het UB CRS.

 

Bijlage I, sectie IV, onderdeel B

Geïmplementeerd in artikel 5, tweede lid, van het UB CRS.

 

Bijlage I, sectie IV, onderdeel C

Geïmplementeerd in artikel 5, derde lid, van het UB CRS.

 

Bijlage I, sectie V, onderdeel A

Geïmplementeerd in artikel 6, tweede lid, van het UB CRS.

 

Bijlage I, sectie V, onderdeel B

Geïmplementeerd in artikel 6, eerste en tweede lid, van het UB CRS.

 

Bijlage I, sectie V, onderdeel C

Geen wetgeving/implementatie nodig.

Het bepaalde in bijlage I, sectie V, onderdeel C, volgt reeds uit de definitie van «te rapporteren rekening» in artikel 2a, eerste lid, onderdeel o, van de WIB.

Bijlage I, sectie V, onderdeel D

Geïmplementeerd in artikel 6, eerste lid, van het UB CRS.

 

Bijlage I, sectie V, onderdeel E, onder 1

Geïmplementeerd in artikel 12, derde lid, van het UB CRS.

 

Bijlage I, sectie V, onderdeel E, onder 2

Geïmplementeerd in artikel 6, tweede lid, tweede volzin, van het UB CRS.

 

Bijlage I, sectie V, onderdeel E, onder 3

Geïmplementeerd in artikel 6, derde lid, van het UB CRS.

 

Bijlage I, sectie VI

Geïmplementeerd in artikel 7, eerste lid, van het UB CRS.

 

Bijlage I, sectie VII, onderdeel A

Geïmplementeerd in artikel 9, tweede lid, van het UB CRS.

 

Bijlage I, sectie VII, onderdeel B

Geïmplementeerd in artikel 8 van het UB CRS.

 

Bijlage I, sectie VII, onderdeel C, onder 1 en 3

Geïmplementeerd in artikel 2, eerste lid, onderdelen f en g, van het UB CRS.

 

Bijlage I, sectie VII, onderdeel C, onder 2

Geïmplementeerd in artikel 6, tweede lid, van het UB CRS.

 

Bijlage I, sectie VII, onderdeel C, onder 4

Behoeft geen implementatie.

In de wetteksten wordt, in navolging van de bepalingen in Richtlijn 2014/107/EU, reeds uitgegaan van «een in euro’s uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met USD ...».

Bijlage I, sectie VIII, onderdeel C, onder 11 tot en met 16

Geïmplementeerd in artikel 2, eerste lid, onderdelen b tot en met g, van het UB CRS.

 

Bijlage I, sectie IX, onder 2

Geïmplementeerd in artikel 9, zesde lid, van het UB CRS.

 

Bijlage II, onder 1

Geïmplementeerd in artikel 4, eerste en tweede lid, van het UB CRS.

 

Bijlage II, onder 2

Geïmplementeerd in artikel 7, eerste lid, van het UB CRS.

 

Bijlage II, onder 6

Behoeft geen implementatie.

 

II. Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1 Reikwijdte

Artikel 1 van het UB CRS geeft de reikwijdte van dit besluit weer. Het UB CRS geeft in de eerste plaats uitvoering aan de in artikel 10a van de WIB opgenomen bevoegdheid om bij algemene maatregel van bestuur identificatie- en rapportagevoorschriften te geven voor rapporterende financiële instellingen met het oog op het door die instellingen verstrekken van gegevens en inlichtingen als bedoeld in de artikelen 10b tot en met 10f van de WIB en de identificatie van te rapporteren rekeningen en te rapporteren personen. In de tweede plaats geeft het UB CRS uitvoering aan de artikelen 10b, derde lid, en 10c, tweede lid, van de WIB, nu in het UB CRS regels worden gesteld met betrekking tot het uiterste tijdstip en de wijze waarop de in de voorgaande volzin bedoelde gegevens en inlichtingen aan de Minister van Financiën moeten worden verstrekt.

Artikel 2 Definitiebepalingen

In het eerste lid van artikel 2 van het UB CRS worden definities opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van het UB CRS.

Het eerste lid, onderdeel a, bepaalt dat onder de wet wordt verstaan de WIB.

In het eerste lid, onderdelen b tot en met e, worden achtereenvolgens de bestaande rekening van een natuurlijk persoon, de nieuwe rekening van een natuurlijk persoon, de bestaande entiteitsrekening en de nieuwe entiteitsrekening beschreven. Een bestaande rekening wordt gedefinieerd in artikel 2a, eerste lid, onderdeel m, van de WIB. Het gaat daarbij, in beginsel, om een rekening die al op 31 december 2015 bestaat. Een bestaande rekening van een natuurlijk persoon is een bestaande rekening die door een of meer natuurlijke personen wordt gehouden. Een bestaande entiteitsrekening is een bestaande rekening die door een of meer entiteiten wordt gehouden. Een nieuwe rekening wordt gedefinieerd in artikel 2a, eerste lid, onderdeel n, van de WIB en betreft in beginsel een rekening die op of na 1 januari 2016 is geopend. Een nieuwe rekening van een natuurlijk persoon is een nieuwe rekening die door een of meer natuurlijke personen wordt gehouden. Een nieuwe entiteitsrekening is een nieuwe rekening die door een of meer entiteiten wordt gehouden. Het onderscheid tussen deze rekeningen is belangrijk omdat voor elke categorie rekeningen andere identificatievoorschriften gaan gelden.

In het eerste lid, onderdelen f en g, worden de lagewaarderekening en de hogewaarderekening gedefinieerd. Beide rekeningen zijn bestaande rekeningen van natuurlijke personen. Het verschil zit in het saldo. Een lagewaarderekening is een bestaande rekening van een natuurlijk persoon met een totaal saldo of een totale waarde op 31 december 2015 van niet meer dan een in euro’s uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met 1.000.000 USD. Een hogewaarderekening is een bestaande rekening van een natuurlijk persoon met een totaal saldo of totale waarde op 31 december 2015 of op 31 december van enig daaropvolgend jaar van meer dan een in euro’s uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met 1.000.000 USD. Het vaststellen van het totaal saldo of de totale waarde van een bestaande rekening van een natuurlijk persoon dient plaats te vinden met inachtneming van de aggregatieregels voor rekeningen van natuurlijke personen, bedoeld in bijlage I, sectie VII, onderdeel C, onder 1 en 3, van (de gewijzigde) Richtlijn 2011/16/EU.7 Op basis van deze regels moeten in voorkomende gevallen bijvoorbeeld verschillende rekeningen die bij dezelfde (of een gelieerde) financiële instelling worden aangehouden, worden samengeteld. In het OESO-commentaar op sectie VII, wordt onder de nummers 14 tot en met 19 nader op deze aggregatieregels ingegaan.

Het eerste lid, onderdelen h en i, bevat ten slotte de definities van een groepskapitaalverzekering en van een groepslijfrenteverzekering. Hierbij wordt naar de derde en vierde alinea van bijlage I, sectie VII, onderdeel B, van Richtlijn 2011/16/EU verwezen. Volgens genoemde derde alinea is een groepskapitaalverzekering een kapitaalverzekering die: i) dekking biedt aan natuurlijke personen die zijn aangesloten via een werkgever, beroepsvereniging, vakbond of andere vereniging of groep, en ii) voor ieder lid van de groep (of lid van een categorie in de groep) een premie in rekening brengt die wordt bepaald onafhankelijk van andere individuele gezondheidskenmerken dan leeftijd, geslacht en rookgedrag van het lid (of categorie leden) van de groep. Een kapitaalverzekering wordt gedefinieerd in artikel 2a, eerste lid, onderdeel l, van de WIB. Een groepslijfrenteverzekering is volgens genoemde vierde alinea een lijfrenteverzekering waarvan de rechthebbenden personen zijn die zijn aangesloten via een werkgever, beroepsvereniging, vakbond of een andere vereniging of groep. Een lijfrenteverzekering wordt gedefinieerd in artikel 2a, eerste lid, onderdeel k, van de WIB. Voor groepskapitaalverzekeringen en groepslijfrenteverzekeringen gelden bijzondere identificatie- en rapportagevoorschriften die zijn opgenomen in de eerste en tweede alinea van bijlage I, sectie VII, onderdeel B, van Richtlijn 2011/16/EU. Deze bijzondere voorschriften zijn geïmplementeerd in artikel 8 van het UB CRS.

Op grond van het tweede lid van artikel 2 moet voor de toepassing van het UB CRS, waar direct of indirect wordt verwezen naar de bepalingen in bijlage I, sectie III, onderdeel B, onder 2, 4, 6, onderdeel C, onder 5, 8 en 9, sectie IV, onderdeel B, sectie V, onderdeel D, onder 1, of sectie VI, onder 1, onderdeel b, van Richtlijn 2011/16/EU, onder lidstaat mede worden verstaan een ander deelnemend rechtsgebied dan een lidstaat. De reden hiervoor is dat het UB CRS niet alleen de implementatie van Richtlijn 2011/16/EU betreft maar ook van de CRS voor informatie-uitwisseling met landen buiten de EU. In de genoemde onderdelen uit de richtlijn gaat het om het vaststellen van de fiscale woonstaat van de rekeninghouder. In Richtlijn 2011/16/EU ligt daarbij de focus op de vraag of de rekeninghouder in een lidstaat woont. Voor zover het gaat om de uitwisseling met andere CRS-landen dan de lidstaten is deze vaststelling te beperkt. Bij de toepassing van het UB CRS moet daarom op basis van de voorschriften in genoemde bepalingen worden beoordeeld of de rekeninghouder in een deelnemend rechtsgebied woont. De definitie van deelnemend rechtsgebied wordt opgenomen in artikel 2a, eerste lid, onderdeel f, van de WIB. Het gaat in beginsel om alle rechtsgebieden die CRS-informatie aan Nederland zullen verstrekken. Ingevolge het vijfde lid van genoemd artikel 2a wordt deze definitie enerzijds uitgebreid en anderzijds beperkt voor wat betreft de doorwerking naar de definitie van te rapporteren persoon en in het verlengde daarvan de definitie van persoon uit een deelnemend rechtsgebied. Voor die definities vallen onder het begrip deelnemend rechtsgebied tevens alle rechtsgebieden waaraan het land Nederland CRS-informatie moet verstrekken, maar niet de rechtsgebieden die eenzijdig aan het land Nederland gegevens moeten verstrekken. Nu het in de in artikel 2, tweede lid, genoemde bepalingen uit Richtlijn 2011/16/EU gaat om het bepalen van de fiscale woonstaat van de rekeninghouder en daarmee om het beantwoorden van de vraag of sprake is van een te rapporteren persoon, geldt voor die bepalingen de definitie van deelnemend rechtsgebied met inachtneming van genoemd vijfde lid.

Ingevolge het derde lid van artikel 2 hebben, in het geval in het UB CRS direct of indirect naar de bepalingen in de bijlagen I en II van Richtlijn 2011/16/EU wordt verwezen, de begrippen «te rapporteren persoon», «te rapporteren rekening» en «passieve NFE» in die bepalingen de betekenis zoals die aan deze begrippen wordt gegeven in artikel 2a van de WIB. Ook hiervoor ligt de reden in het feit dat het UB CRS niet alleen de implementatie van Richtlijn 2011/16/EU betreft maar ook van de CRS voor informatie-uitwisseling met landen buiten de EU. Daarom worden in de WIB van Richtlijn 2011/16/EU afwijkende definities gegeven voor de genoemde begrippen. Zo is een te rapporteren persoon in Richtlijn 2011/16/EU een persoon van een lidstaat terwijl hier volgens de WIB onder wordt verstaan een persoon uit een deelnemend rechtsgebied. Voor de toepassing van het UB CRS is ook deze afwijkende betekenis van belang. De definities van genoemde begrippen in de WIB moeten daarom ook worden toegepast bij de toepassing van de identificatievoorschriften in de bijlagen I en II van Richtlijn 2011/16/EU.

Artikel 3 Eigen verklaring

Het eerste lid van artikel 3 van het UB CRS omschrijft de «eigen verklaring» en bevat voorts de voorwaarden waaraan een eigen verklaring moet voldoen om geldig te zijn. Een eigen verklaring is een gedagtekende en ondertekende verklaring van een rekeninghouder (natuurlijk persoon of entiteit) die de rapporterende financiële instelling in staat stelt om onder meer de fiscale woonstaat te bepalen van de rekeninghouder of uiteindelijk belanghebbende om daarmee aan de identificatie- en rapportageverplichtingen te kunnen voldoen. In het geval de rekeninghouder een passieve NFE is, kan voor de vaststelling of een uiteindelijk belanghebbende daarvan een te rapporteren persoon is de eigen verklaring afkomstig zijn van de rekeninghouder of van deze uiteindelijk belanghebbende zelf. Met «gedagtekende en ondertekende verklaring» wordt niet per se een verklaring met «papieren handtekening» bedoeld. In het OESO-commentaar op sectie IV, nummer 9, wordt ingegaan op de manieren waarop een eigen verklaring kan worden ingediend en verkregen (en onder welke voorwaarden). Een van de manieren waarop dit kan gebeuren, is digitaal. In een eigen verklaring zijn ten minste de volgende gegevens opgenomen van de rekeninghouder en/of de uiteindelijk belanghebbende(n):

  • naam;

  • adres(sen);

  • fiscale woonsta(a)t(en);

  • fiscale identificatienummer(s), en

  • in geval van natuurlijke personen; de geboortedatum.

Als sprake is van meer fiscale woonstaten dan moeten die allemaal worden opgegeven. Hetzelfde geldt als er meer adressen en fiscale identificatienummers zijn.

Een eigen verklaring van een entiteit bevat in voorkomende gevallen ook informatie over de status van die entiteit.

In het OESO-commentaar op sectie IV, onder nummers 7 tot en met 18, wordt ingegaan op de vereisten voor een geldige eigen verklaring. Hetzelfde geldt voor het OESO-commentaar op sectie V, onder nummers 14 tot en met 17 en 20 tot en met 23, en het OESO-commentaar op sectie VI, onder nummers 11 en 18.

Als de fiscale woonstaat van de rekeninghouder of van de uiteindelijk belanghebbende geen fiscaal identificatienummer heeft verstrekt, dan hoeft de eigen verklaring dat fiscale identificatienummer (vanzelfsprekend) niet te bevatten. Dit wordt opgenomen in het tweede lid van artikel 3. Voorts wordt in het tweede lid bepaald dat de vermelding van het fiscale identificatienummer in een eigen verklaring achterwege kan blijven in de gevallen waarvoor de Minister van Financiën dit heeft bepaald. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie dat een eigen verklaring wordt verkregen in het kader van de hierna onder artikel 4 te bespreken zogenoemde «curing procedure». Als in het kader van deze procedure een eigen verklaring wordt verkregen waarop het fiscale woonland is vermeld maar niet het fiscale identificatienummer, dan mag niettemin van deze eigen verklaring worden uitgegaan (tenzij er reden is om aan de juistheid van de eigen verklaring te twijfelen). De OESO heeft dit bevestigd in een reactie op een FAQ.

Omdat in het UB CRS op verschillende plekken wordt verwezen naar de identificatieprocedures zoals die zijn opgenomen in Richtlijn 2011/16/EU, is in het derde lid van artikel 3 geregeld dat de voorwaarden die in het eerste en tweede lid van artikel 3 aan de eigen verklaring worden gesteld, ook van toepassing zijn als op basis van in het UB CRS opgenomen verwijzingen naar de bijlagen I en II van Richtlijn 2011/16/EU een eigen verklaring wordt voorgeschreven.

Artikel 4 Bestaande rekening van een natuurlijk persoon

Artikel 4 van het UB CRS schrijft de procedures voor die een rapporterende financiële instelling moet toepassen met betrekking tot bestaande rekeningen van natuurlijke personen om na te gaan welke bestaande rekeningen van natuurlijke personen als te rapporteren rekeningen moeten worden beschouwd. In het geval een rekening wordt gehouden door meer rekeninghouders, is de rekening een te rapporteren rekening in het geval een (of meer) van de rekeninghouders een te rapporteren persoon is. Voor het onderscheid of een financiële rekening een bestaande of nieuwe rekening is, is in beginsel de datum 31 december 2015 bepalend.

In het eerste lid van artikel 4 wordt voor de identificatie van lagewaarderekeningen (zijnde, kortgezegd, bestaande rekeningen van natuurlijke personen met een totaal saldo van niet meer dan een in euro’s uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met USD 1.000.000) verwezen naar de voorschriften in bijlage I, sectie III, onderdeel B, van Richtlijn 2011/16/EU. Het doel van deze voorschriften is om vast te stellen of de rekeninghouder in een CRS-land woont of niet. De voorschriften zien zowel op de eerste identificatie na inwerkingtreding van dit besluit als op een hernieuwde beoordeling in latere jaren als er zich een wijziging van omstandigheden voordoet. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat waar ingevolge Richtlijn 2011/16/EU moet worden vastgesteld of de rekeninghouder in een lidstaat woont, gelet op artikel 2, tweede lid, van het UB CRS in de betreffende bepalingen voor «lidstaat» moet worden gelezen: deelnemend rechtsgebied. Hierbij gaat het om alle rechtsgebieden waaraan Nederland CRS-informatie moet verstrekken.

Voor bestaande rekeningen geldt dat financiële instellingen in beginsel mogen vertrouwen op de in de dossiers aanwezige informatie voor de identificatie van de te rapporteren rekeningen. In het OESO-commentaar op sectie I, wordt onder nummer 26 toegelicht wat moet worden verstaan onder de dossiers van een rapporterende financiële instelling, en meer specifiek wat moet worden verstaan onder de papieren dossiers waaronder het zogenoemde stamdossier. In datzelfde commentaar op sectie I wordt onder nummer 34 ingegaan op de term «elektronisch doorzoekbare gegevens», ofwel op de elektronische dossiers.

Het vaststellen van het fiscale woonland van de rekeninghouder kan voor lagewaarderekeningen op twee manieren. Op grond van bijlage I, sectie III, onderdeel B, onder 1, van Richtlijn 2011/16/EU kan een rapporterende financiële instelling het fiscale woonland afleiden uit het actuele woonadres op basis van de in de dossiers aanwezige bewijsstukken (hierna ook wel de B.1-test genoemd). Als de rapporterende financiële instelling in haar dossiers een actueel woonadres van de natuurlijke persoon / rekeninghouder heeft en dat woonadres is gebaseerd op aanwezige bewijsstukken, dan mag zij deze persoon behandelen als fiscaal ingezetene van het rechtsgebied waar het adres is gelegen om te bepalen of deze persoon een te rapporteren persoon is. Onder bewijsstukken worden (in elk geval) begrepen de in bijlage I, sectie VIII, onderdeel E, onder 6, van Richtlijn 2011/16/EU genoemde bewijsstukken. In deze nota van toelichting wordt onder artikel 7 het begrip bewijsstukken verder toegelicht. In het OESO-commentaar op sectie III wordt onder nummers 7 tot en met 13 verder ingegaan op de B.1-test. Als de rapporterende financiële instelling niet beschikt over een uit de bewijsstukken afgeleid actueel woonadres, dan moet worden teruggevallen op de hierna te bespreken B.2-test in bijlage I, sectie III, onderdeel B, onder 2 tot en met 6, van Richtlijn 2011/16/EU.

Zoals hiervoor aangegeven, dient een hernieuwde identificatie plaats te vinden indien zich een wijziging van omstandigheden voordoet. Ingevolge het eerste lid van artikel 4 moet daarom Bijlage II, onder 1, van Richtlijn 2011/16/EU in acht worden genomen bij de identificatie van de lagewaarderekeningen. Deze bepaling is overgenomen uit het OESO-commentaar op sectie III, onder nummers 13 en 17. In genoemde bepaling wordt aangegeven (gebaseerd op nummer 17) wat in elk geval onder een «wijziging in de omstandigheden» moet worden verstaan. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om situaties waarin een financiële instelling nieuwe of additionele relevante informatie verkrijgt over de status van een persoon, of informatie die met de bestaande status in strijd is. Onder een wijziging van omstandigheden wordt in elk geval ook verstaan een verhuizing van een rekeninghouder naar een ander land, ook als het gaat om een verhuizing van een land dat geen deelnemend rechtsgebied is naar een land dat eveneens geen deelnemend rechtsgebied is. Voorts wordt in genoemde bepaling aangegeven (gebaseerd op nummer 13) dat in het geval een rapporterende financiële instelling zich heeft gebaseerd op de B.1-test en er sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor de financiële instelling weet of redenen heeft om te weten dat de oorspronkelijke bewijsstukken (of andere gelijkwaardige documentatie) onjuist of onbetrouwbaar zijn, de rapporterende financiële instelling een eigen verklaring en nieuwe bewijsstukken moet verkrijgen voor het bepalen van het (de) fiscale woonland(en) van de rekeninghouder. De eigen verklaring en nieuwe bewijsstukken dienen uiterlijk op de laatste dag van het kalenderjaar, of een andere geschikte rapportageperiode, of, indien dit later is, 90 dagen na de bekendmaking of de ontdekking van een dergelijke wijziging van omstandigheden, door de financiële instelling te zijn verkregen. Wanneer de rapporterende financiële instelling niet binnen de hiervoor bedoelde termijn de eigen verklaring en bewijsstukken heeft verkregen, moet zij de elektronische zoekprocedure volgen als bedoeld in bijlage I, sectie III, onderdeel B, onder 2 tot en met 6, van Richtlijn 2011/16/EU, ofwel de B.2-test.

De tweede manier waarop de rapporterende financiële instelling het fiscale woonland kan vaststellen van de rekeninghouder van een lagewaarderekening staat beschreven in bijlage I, sectie III, onderdeel B, onder 2 tot en met 6, van Richtlijn 2011/16/EU (de B.2-test). Voor deze methode is onderzoek van de elektronische dossiers vereist. Allereerst moeten deze dossiers worden onderzocht op de in genoemd onderdeel B, onder 2, opgenomen indicatoren. Rekening houdend met het hiervoor besproken artikel 2, tweede lid, van het UB CRS, gaat het om de volgende indicatoren:

  • (a) aanmerking van de rekeninghouder als een ingezetene van een deelnemend rechtsgebied;

  • (b) actuele post- of woonadressen (met inbegrip van postbussen) in een deelnemend rechtsgebied;

  • (c) een of meer telefoonnummers in een deelnemend rechtsgebied en geen telefoonnummer in het deelnemend rechtsgebied van de rapporterende financiële instelling;

  • (d) vaste instructies (andere dan ten aanzien van een depositorekening) om gelden over te maken naar een rekening aangehouden in een deelnemend rechtsgebied;

  • (e) geldige volmacht of tekenbevoegdheid verleend aan een persoon met een adres in een deelnemend rechtsgebied, of

  • (f) een poste-restanteadres of een «per adres» in een deelnemend rechtsgebied indien de rapporterende financiële instelling geen ander adres van de rekeninghouder geregistreerd heeft staan.

In het OESO-commentaar op sectie III wordt onder de nummers 20 tot en met 26 verder op deze indicatoren ingegaan.

Als bij het onderzoek van de elektronische dossiers geen van de hiervoor genoemde indicatoren wordt aangetroffen, is ingevolge bijlage I, sectie III, onderdeel B, onder 3, van Richtlijn 2011/16/EU geen verdere actie van een rapporterende financiële instelling vereist totdat sprake is van een wijziging in de omstandigheden die ertoe leidt dat alsnog een of meer indicatoren in verband worden gebracht met de rekening of totdat de rekening een hogewaarderekening wordt. Van een wijziging die ertoe leidt dat een indicator in verband wordt gebracht met de rekening is bijvoorbeeld sprake als een rekeninghouder die aanvankelijk een woonadres in land X, niet zijnde een deelnemend rechtsgebied, heeft vervolgens een woonadres in land Y, zijnde een deelnemend rechtsgebied, doorgeeft.

Op grond van bijlage I, sectie III, onderdeel B, onder 4, van Richtlijn 2011/16/EU moet een rapporterende financiële instelling een rekeninghouder in beginsel aanmerken als fiscaal inwoner van elk deelnemend rechtsgebied waarvoor een indicator als bedoeld in genoemd onderdeel B, onder 2, onder a tot en met e, wordt aangetroffen. Dit geldt ook als aanvankelijk geen van die indicatoren werd aangetroffen maar in een later jaar vanwege een wijziging in de omstandigheden wel. Een rekeninghouder wordt niet aangemerkt als fiscaal inwoner van elk deelnemend rechtsgebied waarvoor een indicator is aangetroffen als een financiële instelling ervoor kiest om bijlage I, sectie III, onderdeel B, onder 6, van Richtlijn 2011/16/EU toe te passen en een van de daar genoemde uitzonderingen op de rekening van toepassing is (zie hierna).

In bijlage I, sectie III, onderdeel B, onder 5, van Richtlijn 2011/16/EU is een aparte procedure opgenomen voor het geval bij het onderzoek van de elektronische dossiers een poste-restanteadres of een «per adres» voor de rekeninghouder wordt gevonden en geen ander adres, noch een van de andere in onderdeel B, onder 2, onder a tot en met e, genoemde indicatoren wordt aangetroffen (indicator f, van onderdeel B, onder 2). In dat geval moet de financiële instelling in de naar omstandigheden meest geschikte volgorde, het in bijlage I, sectie III, onderdeel C, onder 2, van Richtlijn 2011/16/EU omschreven onderzoek van de papieren dossiers uitvoeren, of trachten van de rekeninghouder een eigen verklaring of bewijsstukken te verkrijgen teneinde diens fiscale woonplaats(en)/woonland(en) vast te stellen. Indien het onderzoek van de papieren dossiers geen indicatoren oplevert, en geen eigen verklaring of bewijsstukken van de rekeninghouder worden verkregen, moet de rapporterende financiële instelling de rekening aan de Belastingdienst rapporteren als zogenoemde ongedocumenteerde rekening. Op deze bepaling wordt in het OESO-commentaar op sectie III ingegaan onder nummers 27 tot en met 29. Daarin staat dat als een rekening eenmaal is aangemerkt als ongedocumenteerde rekening, de rapporterende financiële instelling de procedures in onderdeel B, onder 5, in de daaropvolgende jaren niet opnieuw hoeft uit te voeren, totdat sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor een of meer van de in bijlage I, sectie III, onderdeel B, onder 2, van Richtlijn 2011/16/EU genoemde indicatoren in verband met de rekening worden gebracht of totdat de rekening een hogewaarderekening wordt. Een ongedocumenteerde rekening moet echter wel alle jaren als zodanig worden gerapporteerd totdat de rekening niet meer kwalificeert als ongedocumenteerde rekening.

In bijlage I, sectie III, onderdeel B, onder 6, van Richtlijn 2011/16/EU staat de alternatieve procedure die kan worden toegepast als een indicator is aangetroffen als bedoeld in genoemd onderdeel B, onder 2, onderdelen b tot en met e. Een rapporterende financiële instelling is niet verplicht de rekeninghouder te behandelen als een ingezetene van het deelnemend rechtsgebied waarvoor een indicator is aangetroffen als de rapporterende financiële instelling:

  • A. Ingeval de inlichtingen over de rekeninghouder een actueel post- of woonadres in dat rechtsgebied bevatten (indicator b), een of meer telefoonnummers in dat rechtsgebied en geen telefoonnummer in het rechtsgebied van de rapporterende financiële instelling (indicator c) of vaste instructies (met betrekking tot andere financiële rekeningen dan depositorekeningen) voor de overmaking van gelden naar een rekening die in een deelnemend rechtsgebied wordt aangehouden (indicator d), het volgende verkrijgt, of eerder een dossier heeft gecontroleerd en dit bijhoudt met daarin het volgende:

    • i. een eigen verklaring van de rekeninghouder over het rechtsgebied/de rechtsgebieden waarvan die rekeninghouder een ingezetene is anders dan het deelnemend rechtsgebied waarop de bedoelde indicator betrekking heeft, en

    • ii. bewijsstukken waaruit de niet-te-rapporteren status (in elk geval ten aanzien van het betreffende deelnemende rechtsgebied) van de rekeninghouder blijkt;

  • B. Ingeval de inlichtingen over de rekeninghouder een geldige volmacht of tekenbevoegdheid bevatten die is verleend aan een persoon met een adres in dat deelnemend rechtsgebied (indicator e), het volgende verkrijgt, of eerder een dossier heeft gecontroleerd en dit bijhoudt met daarin het volgende:

    • i. een eigen verklaring van de rekeninghouder over het rechtsgebied/de rechtsgebieden waarvan die rekeninghouder een ingezetene is anders dan het deelnemend rechtsgebied waarop de bedoelde indicator betrekking heeft, of

    • ii. bewijsstukken waaruit de niet-te-rapporteren status (in elk geval ten aanzien van het betreffende deelnemende rechtsgebied) van de rekeninghouder blijkt.

In het OESO-commentaar op sectie III wordt onder nummer 18 ingegaan op deze zogenoemde «curing procedure» en wordt aangegeven dat deze veelal zal plaatsvinden met het oog op de klantrelatie en het zorgvuldig omgaan daarmee (de «customer relationship considerations and the need to handle customer information with care»). Ook draagt het toepassen van de curing procedure bij aan de privacybescherming nu het de rekeninghouder de kans geeft de juistheid van de rechtsgebieden waaraan (mogelijk) wordt gerapporteerd te controleren.

Daarnaast wordt in het OESO-commentaar op sectie III, onder nummers 30 tot en met 32, op deze curing procedure ingegaan. Opgemerkt wordt onder nummer 31 dat een eigen verklaring of bewijsstukken die eerder al zijn gecontroleerd ook mogen worden gebruikt in het kader van de curing procedure, tenzij de rapporterende financiële instelling redenen heeft om te weten dat de eigen verklaring of de bewijsstukken onjuist of onbetrouwbaar zijn. Voorts wordt onder nummer 32 opgemerkt dat uit bewijsstukken de niet-te-rapporteren status van de rekeninghouder (in elk geval ten aanzien van het betreffende deelnemende rechtsgebied) blijkt als:

  • 1. de bewijsstukken bevestigen dat de rekeninghouder inwoner is van een ander rechtsgebied dan het op basis van de indicatoren vastgestelde deelnemend rechtsgebied;

  • 2. de bewijsstukken een recent woonadres bevatten dat buiten het op basis van de indicatoren vastgestelde deelnemend rechtsgebied ligt; of

  • 3. het een bewijsstuk betreft dat is verstrekt door een bevoegde overheidsinstantie van een ander rechtsgebied dan het op basis van de indicatoren vastgestelde deelnemend rechtsgebied.

In het tweede lid van artikel 4 wordt voor de identificatie van hogewaarderekeningen (bestaande rekeningen van natuurlijke personen met een saldo van meer dan een in euro’s uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met USD 1.000.000) verwezen naar de voorschriften in bijlage I, sectie III, onderdeel C, onder 1 tot en met 5 en onder 7 tot en met 9, van Richtlijn 2011/16/EU. Evenals bij de identificatieprocedures voor lagewaarderekeningen is het doel van deze voorschriften om vast te stellen of de rekeninghouder in een CRS-land (deelnemend rechtsgebied) woont en zien de voorschriften zowel op de eerste identificatie na inwerkingtreding van dit besluit als op een hernieuwde beoordeling in latere jaren als gevolg van een wijziging van omstandigheden. Voor hogewaarderekeningen gelden strengere identificatie-eisen dan voor lagewaarderekeningen.

Voor alle hogewaarderekeningen geldt dat de elektronische dossiers moeten worden onderzocht op de hiervoor genoemde in bijlage I, sectie III, onderdeel B, onder 2, van Richtlijn 2011/16/EU opgenomen indicatoren. Dit volgt uit bijlage I, sectie III, onderdeel C, onder 1, van Richtlijn 2011/16/EU.

In bijlage I, sectie III, onderdeel C, onder 2, van Richtlijn 2011/16/EU staat de procedure voor het onderzoek van de papieren dossiers omschreven. Onderzoek van de papieren dossiers is niet vereist als in de elektronisch doorzoekbare gegevens alle – hierna te bespreken – in bijlage I, sectie III, onderdeel C, onder 3, van Richtlijn 2011/16/EU omschreven inlichtingen zijn opgenomen. Met die inlichtingen kunnen namelijk alle in bijlage I, sectie III, onderdeel B, onder 2, genoemde indicatoren worden nagegaan. Indien niet al deze inlichtingen in de elektronisch doorzoekbare gegevens zijn opgenomen, moeten ter zake van hogewaarderekeningen ook de actuele gegevens in het stamdossier van de betreffende rekeninghouder worden gecontroleerd op de in genoemd onderdeel B, onder 2, genoemde indicatoren. Indien in het stamdossier niet alle (ontbrekende) gegevens zijn opgenomen (om de indicatoren in genoemd onderdeel B, onder 2, te kunnen nalopen), moeten tevens de volgende documenten worden gecontroleerd die verband houden met de rekening en die de rapporterende financiële instelling tijdens de voorafgaande vijf jaar heeft verkregen (eveneens op de in genoemd onderdeel B, onder 2, genoemde indicatoren):

  • a. de meest recente bewijsstukken verzameld met betrekking tot de rekening;

  • b. de meest recente overeenkomst of documenten omtrent de opening van de rekening;

  • c. de meest recente documenten verkregen door de rapporterende financiële instelling in het kader van de AML/KYC-procedures of andere regelgeving;

  • d. geldige formulieren voor volmachten of tekenbevoegdheid, en

  • e. geldende vaste instructies (andere dan ter zake van een depositorekening) omtrent het overmaken van gelden.

De in bijlage I, sectie III, onderdeel C, onder 3, van Richtlijn 2011/16/EU omschreven inlichtingen zijn:

  • a. de woonplaats van de rekeninghouder;

  • b. het woonadres en het postadres van de rekeninghouder zoals vastgelegd in de huidige dossiers van de rapporterende financiële instelling;

  • c. het (de) eventuele telefoonnummer(s) van de rekeninghouder zoals vastgelegd in de huidige dossiers van de rapporterende financiële instelling;

  • d. (in geval van andere financiële rekeningen dan depositorekeningen) of er vaste instructies zijn voor de overmaking van gelden op de rekening naar een andere rekening (met inbegrip van rekeningen bij filialen van de rapporterende financiële instelling of een andere financiële instelling);

  • e. of er een actueel poste-restanteadres of «per adres» is van de rekeninghouder, en

  • f. of er een volmacht of tekenbevoegdheid voor de rekening is.

Indien de elektronisch doorzoekbare gegevens van een financiële instelling bovenstaande inlichtingen bevatten, is dus geen verder onderzoek van de papieren dossiers vereist. In het OESO-commentaar op sectie III wordt onder nummers 35 tot en met 37 op het voorgaande ingegaan. Onder nummer 36 is aangegeven dat als de elektronische dossiers van de financiële instelling wel een deel van de onder bijlage I, sectie III, onderdeel C, onder 3, van Richtlijn 2011/16/EU genoemde gegevens bevatten, maar bijvoorbeeld één van de daar genoemde gegevens ontbreekt, het onderzoek van de papieren dossiers beperkt kan blijven tot dat ontbrekende gegeven.

Naast de onderzoeken van de elektronische en papieren dossiers, moet een financiële instelling een hogewaarderekening (met inbegrip van de eventueel daarmee geaggregeerde financiële rekeningen) die is toegewezen aan een relatiemanager behandelen als een te rapporteren rekening indien de relatiemanager beschikt over feitelijke kennis dat de houder van de rekening een te rapporteren persoon is. Het voorgaande volgt uit bijlage I, sectie III, onderdeel C, onder 4, van Richtlijn 2011/16/EU. Op de vraag of een financiële rekening is toegewezen aan een relatiemanager wordt in het OESO-commentaar op sectie III, onder nummers 38 tot en met 42 ingegaan. In nummer 39 van dit commentaar wordt uitgelegd wat in dit verband onder een relatiemanager wordt verstaan.

Als bij de in bijlage I, sectie III, onderdeel C, onder 1 tot en met 3, van Richtlijn 2011/16/EU omschreven uitgebreide controleprocedures geen van de in bijlage I, sectie III, onderdeel B, onder 2, van Richtlijn 2011/16/EU genoemde indicatoren wordt aangetroffen en de rekeninghouder ook niet ingevolge bijlage I, sectie III, onderdeel C, onder 4, van Richtlijn 2011/16/EU als een te rapporteren persoon is geïdentificeerd, is geen verdere actie van de financiële instelling vereist, totdat een verandering van omstandigheden ertoe leidt dat een of meer van deze indicatoren in verband worden gebracht met de rekening. Dit volgt uit bijlage I, sectie III, onderdeel C, onder 5, onder a, van Richtlijn 2011/16/EU.

Op grond van bijlage I, sectie III, onderdeel C, onder 5, onderdeel b, van Richtlijn 2011/16/EU (en rekening houdend met artikel 2, tweede lid, van het UB CRS) moet een rapporterende financiële instelling een rekeninghouder aanmerken als fiscaal inwoner van elk deelnemend rechtsgebied waarvoor een indicator wordt aangetroffen als bedoeld in genoemd onderdeel B, onder 2, onderdelen a tot en met e. Dit geldt ook als aanvankelijk geen indicator werd aangetroffen maar in een later jaar vanwege een wijziging van omstandigheid wel. Een rekeninghouder wordt evenwel niet aangemerkt als fiscaal inwoner van elk deelnemend rechtsgebied waarvoor een indicator is aangetroffen als een financiële instelling ervoor kiest om de (hiervoor reeds besproken) bepalingen in bijlage I, sectie III, onderdeel B, onder 6, van Richtlijn 2011/16/EU toe te passen en een van de daar genoemde uitzonderingen op de rekening van toepassing is. In het OESO-commentaar op sectie III wordt onder nummer 44 nog opgemerkt dat een indicator die op basis van de ene controleprocedure wordt ontdekt, zoals bijvoorbeeld op basis van het onderzoek van de papieren dossiers, niet terzijde wordt geschoven door een indicator (of aanwijzing) die op basis van een ander onderzoek is ontdekt, zoals bijvoorbeeld op basis van het onderzoek van de elektronische dossiers of in het kader van de opgevraagde kennis bij de relatiemanager. Als voorbeeld wordt genoemd dat een actueel woonadres op basis van de kennis van de relatiemanager niet kan worden gebruikt om een ander woonadres dat is vastgelegd in de papieren dossiers terzijde te schuiven, of te negeren.

Ook ten aanzien van hogewaarderekeningen is een aparte procedure opgenomen voor het geval bij het in genoemd onderdeel C, onder 1 tot en met 4, omschreven onderzoek een poste-restanteadres of een «per adres» voor de rekeninghouder wordt gevonden en geen ander adres, noch een van de andere in bijlage I, sectie III, onderdeel B, onder 2, onder a tot en met e, van Richtlijn 2011/16/EU genoemde indicatoren. In dat geval moet de rapporterende financiële instelling ingevolge bijlage I, sectie III, onderdeel C, onder 5, onderdeel c, van Richtlijn 2011/16/EU een eigen verklaring of bewijsstukken van de rekeninghouder verkrijgen teneinde diens fiscale woonland(en) vast te stellen. Indien geen eigen verklaring of bewijsstuk van de rekeninghouder kan worden verkregen, moet de rapporterende financiële instelling de rekening aan de Belastingdienst rapporteren als ongedocumenteerde rekening. In het OESO-commentaar op sectie III staat onder nummer 45 dat een ongedocumenteerde rekening alle jaren als zodanig moet worden gerapporteerd totdat de rekening niet meer kwalificeert als ongedocumenteerde rekening.

Ook de bepaling in bijlage I, sectie III, onderdeel C, onder 7, van Richtlijn 2011/16/EU maakt deel uit van de identificatieprocedures voor hogewaarderekeningen. Deze bepaling schrijft voor dat een financiële instelling die de in genoemd onderdeel C omschreven uitgebreide controleprocedures heeft toegepast op een hogewaarderekening, deze procedures niet elk jaar opnieuw hoeft toe te passen, met uitzondering van het onderzoek bij de relatiemanager omschreven in onderdeel C, onder 4. Het voorgaande geldt niet als de rekening ongedocumenteerd is. In dat geval moet de financiële instelling de in onderdeel C, onder 1 tot en met 5, opgenomen procedures elk jaar opnieuw toepassen, totdat de rekening niet meer ongedocumenteerd is. In het OESO-commentaar op sectie III wordt onder nummer 48 ingegaan op het onderzoek op basis van onderdeel C, onder 4. Blijkens dit commentaar is het niet nodig dat de relatiemanager elk jaar per rekening expliciet bevestigt dat hij niet beschikt over feitelijke kennis dat de rekeninghouder een te rapporteren persoon is. Mocht hij wel over die kennis beschikken dan zal hij dat uiteraard moeten aangeven.

In bijlage I, sectie III, onderdeel C, onder 8, van Richtlijn 2011/16/EU wordt ingegaan op de situatie dat zich een wijziging in de omstandigheden voordoet als gevolg waarvan een indicator wordt aangetroffen als bedoeld in bijlage I, sectie III, onderdeel B, onder 2, van Richtlijn 2011/16/EU. In die situatie geldt hetzelfde als voor de situatie dat bij de eerste identificatie een dergelijke indicator wordt aangetroffen. Dat houdt in dat een rapporterende financiële instelling een rekeninghouder moet aanmerken als fiscaal inwoner van elk deelnemend rechtsgebied waarvoor een indicator wordt aangetroffen als bedoeld in genoemd onderdeel B, onder 2, tenzij een financiële instelling ervoor kiest om de bepalingen in bijlage I, sectie III, onderdeel B, onder 6, van Richtlijn 2011/16/EU toe te passen en een van de daar genoemde uitzonderingen op de rekening van toepassing is.

Ingevolge bijlage I, sectie III, onderdeel C, onder 9, van Richtlijn 2011/16/EU moet een rapporterende financiële instelling procedures toepassen om ervoor te zorgen dat een relatiemanager elke wijziging in de omstandigheden van een rekening vaststelt. Als voorbeeld staat in deze bepaling dat als aan een relatiemanager is meegedeeld dat de rekeninghouder een nieuw postadres in een lidstaat heeft, de rapporterende financiële instelling dit moet aanmerken als wijziging van omstandigheden en de rekening dan in beginsel moet aanmerken als te rapporteren rekening ten aanzien van die lidstaat (hetzelfde geldt uiteraard voor een postadres in een ander deelnemend rechtsgebied) dan wel, als zij kiest voor toepassing van bijlage I, sectie III, onderdeel B, onder 6, van Richtlijn 2011/16/EU, van de rekeninghouder de passende documentatie moet verkrijgen.

Evenals artikel 4, eerste lid, bepaalt artikel 4, tweede lid, dat bijlage II, onder 1, van Richtlijn 2011/16/EU bij de identificatie in acht moet worden genomen. Zoals eerder aangegeven, wordt in die bepaling aangegeven wat in elk geval onder een «wijziging in de omstandigheden» moet worden verstaan.

Artikel 4, derde lid, bepaalt dat een rapporterende financiële instelling ten aanzien van een bestaande rekening die per 31 december 2015 niet een hogewaarderekening is maar die dit wel is op de laatste dag van een volgend kalenderjaar, de hiervoor besproken procedures van bijlage I, sectie III, onderdeel C, onder 1 tot en met 5 en onder 7 tot en met 9, van Richtlijn 2011/16/EU moet volgen om vast te stellen of sprake is van een te rapporteren rekening. Deze procedures moeten ingevolge genoemd derde lid uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de bestaande rekening een hogewaarderekening werd, zijn uitgevoerd. In het geval een rekening hierdoor als te rapporteren rekening wordt aangemerkt, moet een rapporterende financiële instelling CRS-informatie ten aanzien van die rekening verstrekken met betrekking tot het jaar waarin de rekening als zodanig wordt aangemerkt en de daaropvolgende jaren, totdat de rekeninghouder ophoudt een te rapporteren persoon te zijn. De bepaling in artikel 4, derde lid, volgt uit bijlage I, sectie III, onderdeel C, onder 6, van Richtlijn 2011/16/EU.

In artikel 4, vierde lid, is bepaald dat een rapporterende financiële instelling die op basis van een wijziging van omstandigheden weet of redenen heeft om te weten dat de fiscale woonstaat van de rekeninghouder is of kan zijn gewijzigd, een (actuele) eigen verklaring van de rekeninghouder moet verkrijgen. Als eerder een eigen verklaring van die rekeninghouder is verkregen, dan volstaat eventueel ook een redelijke uitleg en, waar nodig, aanvullende bewijsstukken die de juistheid van de laatst verkregen eigen verklaring bevestigen. Deze bepaling vloeit niet rechtstreeks voort uit Richtlijn 2011/16/EU of de CRS maar dient als aanvulling op, en komt (deels) in de plaats van, de bepalingen in die richtlijn en in de CRS. Een financiële instelling past in een dergelijk geval, in beginsel, niet de identificatieprocedures in artikel 4, eerste en tweede lid toe. De bepaling in artikel 4, vierde lid, sluit aan op de methode voor de identificatie van nieuwe rekeninghouders als te rapporteren personen. In een eigen verklaring moet een rekeninghouder zelf verklaren waar hij fiscaal woonachtig is. Een eigen verklaring is hiermee een belangrijk aanknopingspunt en een goede aanvulling op de reeds beschikbare gegevens van een financiële instelling voor de bepaling van het fiscale woonland. In beginsel wordt een rekeninghouder van een bestaande rekening geïdentificeerd aan de hand van de reeds beschikbare informatie. Een (vermoedelijke) verhuizing van het ene naar het andere land (dus niet een verhuizing binnen een land) is evenwel een goede aanleiding om een eigen verklaring op te vragen, zeker gelet op het feit dat het fiscale woonland bepalend is voor het antwoord op de vraag of iemand een te rapporteren persoon is of niet. In veel gevallen zal dit overigens al ingevolge de andere identificatievoorschriften gebeuren. Zo heeft een financiële instelling de verplichting om redelijke inspanningen te verrichten om het TIN te verkrijgen ter zake van bestaande rekeningen. Als een rekeninghouder naar een (ander) CRS-land verhuist, zal de financiële instelling moeten trachten het nieuwe TIN te verkrijgen. De eigen verklaring is daarvoor bij uitstek geschikt. Daarnaast zal een financiële instelling onder meer op basis van privacy-wetgeving in veel gevallen om een eigen verklaring van de rekeninghouder vragen op grond van bijlage I, sectie III, onderdeel B, onder 6, van richtlijn 2011/16/EU respectievelijk bijlage I, sectie III, onderdeel C, onder 5, onderdeel b, en onder 8, van Richtlijn 2011/16/EU. Met een verplichte eigen verklaring zal de drempel voor een rekeninghouder worden verhoogd om de waarheid achter te houden, of een ander fiscaal woonland door te geven dan het werkelijke fiscale woonland. Artikel 4, vierde lid, zal daarmee ook bijdragen aan het tegengaan van belastingontduiking. Hiermee sluit deze bepaling ook goed aan bij hetgeen is bepaald in bijlage I, sectie IX, onder 1, van Richtlijn 2011/16/EU. In laatstgenoemde bepaling worden lidstaten namelijk verplicht om ervoor zorg te dragen dat de identificatieprocedures doeltreffend worden uitgevoerd en nageleefd, onder meer door het stellen van voorschriften die voorkomen dat praktijken worden ingesteld die zijn gericht op het omzeilen van de identificatie- en rapportagevoorschriften. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat als geen eigen verklaring wordt ontvangen op basis van het vierde lid, de rapporterende financiële instelling voor de identificatie van de betreffende rekening(houder) terug moet vallen op de identificatieprocedures in artikel 4, eerste en tweede lid.

In artikel 4, vijfde lid, is bepaald dat een rapporterende financiële instelling ten aanzien van bestaande rekeningen (zowel hoge- als lagewaarderekeningen) na het moment waarop zij op basis van een wijziging van omstandigheden weet of redenen heeft om te weten dat de fiscale woonstaat van de rekeninghouder is of kan zijn gewijzigd, nog gedurende 90 dagen mag uitgaan van de fiscale woonstaat van de rekeninghouder zoals die is vastgesteld vóór de wijziging van omstandigheden. Deze bepaling vloeit direct voort uit het OESO-commentaar op sectie III, onder nummers 16 en 49.

Artikel 5 Nieuwe rekening van een natuurlijk persoon

Het eerste lid van artikel 5 schrijft voor dat een rapporterende financiële instelling bij het openen van een nieuwe rekening door een natuurlijk persoon een eigen verklaring van de rekeninghouder verkrijgt. Deze bepaling betreft de implementatie van bijlage I, sectie IV, onderdeel A, van Richtlijn 2011/16/EU en de met die bepaling overeenkomende bepaling in de CRS.8 De eigen verklaring moet voldoen aan de vereisten van artikel 3, eerste en tweede lid, van het UB CRS. Met een eigen verklaring kan de rapporterende financiële instelling onder meer het (de) fiscale woonland(en) van de rekeninghouder nagaan. De eigen verklaring kan deel uitmaken van de documentatie betreffende de opening van de rekening op grond van de AML/KYC-procedures. Volgens bijlage I, sectie VIII, onderdeel E, onder 2, van Richtlijn 2011/16/EU worden onder AML/KYC-procedures verstaan de procedures inzake cliëntenonderzoek die rapporterende financiële instellingen in het kader van de vereisten ter bestrijding van het witwassen van geld of daarmee vergelijkbare vereisten moeten uitvoeren. Deze procedures zijn in Nederland opgenomen in de Wwft. Aan de hand van de informatie die de financiële instelling in dat kader heeft gekregen, kan voorts de juistheid van de eigen verklaring worden bevestigd.

Ingevolge het tweede lid van artikel 5 moet een rekening worden behandeld als een te rapporteren rekening als uit de eigen verklaring, bedoeld in genoemd eerste lid, blijkt dat de rekeninghouder een te rapporteren persoon is. Dit is het geval als de rekeninghouder in een CRS-land woont. In dat geval moet een rapporterende financiële instelling jaarlijks aan de Belastingdienst over die rekening rapporteren, totdat de rekeninghouder ophoudt een te rapporteren persoon te zijn.

Ingevolge het derde lid van artikel 5 verkrijgt een rapporterende financiële instelling als zij op basis van een wijziging van omstandigheden weet of redenen heeft om te weten dat de laatst verkregen eigen verklaring onjuist of onbetrouwbaar is, opnieuw een (actuele) eigen verklaring van de rekeninghouder, of – voor zover aan de orde – een redelijke uitleg en, waar nodig, aanvullende bewijsstukken die de juistheid van de laatst verkregen eigen verklaring bevestigen. Deze bepaling vloeit voort uit bijlage I, sectie IV, onderdeel C, van Richtlijn 2011/16/EU, alsmede (dat wil zeggen de laatste zinsnede van het derde lid aangaande de eventuele redelijke uitleg en aanvullende bewijsstukken) uit het OESO-commentaar op sectie IV, onder nummer 12.

Op grond van het vierde lid van artikel 5 mag een rapporterende financiële instelling nadat zij op basis van een wijziging van omstandigheden weet of redenen heeft om te weten dat de laatst verkregen eigen verklaring van de rekeninghouder onjuist of onbetrouwbaar is, nog gedurende 90 dagen, maar uiterlijk tot de dag waarop een actuele eigen verklaring wordt verkregen, uitgaan van de fiscale woonstaat van de rekeninghouder zoals die is vermeld op de laatst verkregen eigen verklaring. Indien een rapporterende financiële instelling binnen die termijn van 90 dagen geen actuele eigen verklaring of een redelijke uitleg en, waar nodig, aanvullende bewijsstukken heeft verkregen, merkt de rapporterende financiële instelling de rekeninghouder (tot het moment waarop alsnog een dergelijke eigen verklaring of redelijke uitleg wordt verkregen) aan als fiscaal inwoner van het rechtsgebied dat is vermeld op de laatst verkregen eigen verklaring, alsmede van het rechtsgebied waarin de rekeninghouder als gevolg van de wijziging van omstandigheden fiscaal woonachtig zou kunnen zijn. Deze bepaling vloeit voort uit het OESO-commentaar op sectie IV, onder nummers 14 en 15.

Artikel 6 Bestaande entiteitsrekening

Het eerste lid van artikel 6 schrijft voor dat een rapporterende financiële instelling met betrekking tot bestaande entiteitsrekeningen de procedures moet volgen die zijn opgenomen in bijlage I, sectie V, onderdeel D, van Richtlijn 2011/16/EU om vast te stellen of sprake is van te rapporteren rekeningen. Van een te rapporteren rekening is sprake als de entiteit-rekeninghouder een te rapporteren persoon is maar ook als sprake is van een passieve NFE met een of meer uiteindelijk belanghebbenden die een te rapporteren persoon is, onderscheidenlijk zijn. Dus ook als de passieve NFE zelf niet een te rapporteren persoon is, is sprake van een te rapporteren rekening als een of meer uiteindelijk belanghebbenden daarvan wel te rapporteren personen zijn. Als een rekening wordt gehouden door meer entiteiten, is een rekening een te rapporteren rekening als een (of meer) van die entiteiten een te rapporteren persoon is (of zijn).

Genoemd onderdeel D bestaat uit twee onderdelen. Het eerste onderdeel beschrijft de procedures aan de hand waarvan moet worden vastgesteld of een entiteit een te rapporteren persoon is. Het tweede onderdeel bevat voorschriften aan de hand waarvan moet worden vastgesteld of de entiteit een passieve NFE is met een of meer uiteindelijk belanghebbenden die een te rapporteren persoon is onderscheidenlijk te rapporteren personen zijn. De procedures uit beide onderdelen moeten in beginsel altijd worden doorlopen, met name als sprake is van een passieve NFE. Want ook als een passieve NFE een te rapporteren persoon is, kunnen een of meer van diens uiteindelijk belanghebbenden ook te rapporteren personen zijn en dan moet over zowel deze entiteit als over de uiteindelijk belanghebbenden daarvan (zijnde te rapporteren personen) worden gerapporteerd. De Belastingdienst zal de betreffende CRS-informatie vervolgens doorgeven aan het fiscale woonland van de passieve NFE en aan het fiscale woonland of de fiscale woonlanden van de uiteindelijk belanghebbende(n).

Teneinde vast te stellen of een entiteit een te rapporteren persoon is, schrijft onderdeel a van bijlage I, sectie V, onderdeel D, onder 1, van Richtlijn 2011/16/EU voor dat een rapporterende financiële instelling de informatie moet controleren die ten behoeve van het toezicht of met het oog op de klantrelatie wordt bijgehouden, met inbegrip van informatie die is verzameld uit hoofde van de AML/KYC-procedures (welke in Nederland zijn vastgelegd in de Wwft). Een rapporterende financiële instelling stelt op deze wijze vast of die informatie erop wijst dat de entiteit-rekeninghouder een ingezetene is van een lidstaat. Op grond van artikel 2, tweede lid, van het UB CRS moet hierbij (zoals eerder ook al aangegeven) voor «lidstaat» worden gelezen: deelnemend rechtsgebied. Hierbij gaat het om alle rechtsgebieden waaraan (het land) Nederland CRS-informatie moet verstrekken. Voor genoemde vaststelling valt onder informatie waaruit blijkt dat de rekeninghouder een ingezetene is van een deelnemend rechtsgebied ook een plaats van oprichting of organisatie, of een adres in een deelnemend rechtsgebied. Ingevolge het OESO-commentaar op sectie V, nummer 10, is de aanwezigheid van een vaste inrichting (waaronder een branch) in een deelnemend rechtsgebied (inclusief een adres van een vaste inrichting) in dit verband op zichzelf niet een indicatie van ingezetenschap.

Ingevolge onderdeel b van bijlage I, sectie V, onderdeel D, onder 1, van Richtlijn 2011/16/EU moet de rapporterende financiële instelling de rekening vervolgens behandelen als een te rapporteren rekening als de informatie erop wijst dat de rekeninghouder ingezetene is van een deelnemend rechtsgebied, tenzij zij van de rekeninghouder een (andersluidende) eigen verklaring ontvangt, of redelijkerwijs kan vaststellen op grond van informatie waarover zij beschikt of die publiekelijk beschikbaar is, dat de rekeninghouder geen te rapporteren persoon is.

De rapporterende financiële instelling mag de volgorde van genoemde onderdelen a en b ook omdraaien, aldus het OESO-commentaar op sectie V, nummer 13. In het OESO-commentaar wordt als voorbeeld genoemd dat een financiële instelling ook meteen op basis van publiek beschikbare informatie mag vaststellen dat het gaat om een entiteit die niet een te rapporteren persoon is, omdat sprake is van een onderneming waarvan de aandelen regelmatig worden verhandeld op een erkende effectenbeurs (zodat zij vervolgens ook kan concluderen dat niet sprake is van een te rapporteren rekening). Ingevolge het OESO-commentaar op sectie V, onder nummer 12, kan bij publiek beschikbare informatie onder andere worden gedacht aan informatie die opvraagbaar is bij de Kamer van Koophandel.

Ingevolge bijlage I, sectie V, onderdeel D, onder 2, van Richtlijn 2011/16/EU moet een rapporterende financiële instelling tevens vaststellen of de entiteit-rekeninghouder een passieve NFE is met een of meer uiteindelijk belanghebbenden die te rapporteren personen zijn. Dit onderdeel bestaat uit de onderdelen a tot en met c op basis waarvan de financiële instelling het volgende moet vaststellen:

  • a) of de entiteit-rekeninghouder een passieve NFE is;

  • b) (en zo ja) wie de uiteindelijk belanghebbende(n) is (of zijn) van die passieve NFE;

  • c) of een of meer van die uiteindelijk belanghebbenden te rapporteren personen zijn.

Desgewenst kan een rapporterende financiële instelling een andere volgorde aanhouden.

Ingevolge onderdeel a van bijlage I, sectie V, onderdeel D, onder 2, van Richtlijn 2011/16/EU moet allereerst worden vastgesteld of de rekeninghouder een passieve NFE is. Hiertoe moet de rapporterende financiële instelling van de rekeninghouder een eigen verklaring verkrijgen op basis waarvan de status van de entiteit kan worden vastgesteld, tenzij zij informatie in haar bezit heeft of er publiekelijk beschikbare informatie is op basis waarvan zij redelijkerwijs kan vaststellen dat de rekeninghouder niet een passieve NFE is (of anders gezegd: dat de rekeninghouder een actieve NFE is of een financiële instelling anders dan een beleggingsentiteit als bedoeld in bijlage I, sectie VIII, onderdeel A, onder 6, onderdeel b, van Richtlijn 2011/16/EU die geen financiële instelling in een deelnemend rechtsgebied is).

Indien een rapporterende financiële instelling niet kan vaststellen of de rekeninghouder een actieve NFE of een financiële instelling is, anders dan een beleggingsentiteit als bedoeld in bijlage I, sectie VIII, onderdeel A, onder 6, onderdeel b, van Richtlijn 2011/16/EU, moet de rapporterende financiële instelling de rekeninghouder aanmerken als een passieve NFE. Deze procedure is beschreven in het OESO-commentaar op sectie V, onder nummer 20, en is opgenomen in de tweede volzin van het eerste lid van artikel 6.

Ingevolge onderdeel b van bijlage I, sectie V, onderdeel D, onder 2, van Richtlijn 2011/16/EU moet een rapporterende financiële instelling de uiteindelijk belanghebbenden van een passieve NFE vaststellen op basis van de informatie die is verzameld en bijgehouden op grond van de AML/KYC-procedures. Deze AML/KYC-procedures zijn, zoals eerder is opgemerkt, in Nederland opgenomen in de Wwft. Volgens artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Wwft wordt onder een uiteindelijk belanghebbende verstaan de natuurlijke persoon die:

  • een belang houdt van meer dan 25 procent in het kapitaal van een cliënt;

  • meer dan 25 procent van de stemrechten kan uitoefenen in de algemene vergadering van een cliënt;

  • feitelijk zeggenschap kan uitoefenen in een cliënt;

  • begunstigde van 25 procent of meer van het vermogen van een cliënt of een trust is, of

  • een bijzondere zeggenschap heeft over 25 procent of meer van het vermogen van een cliënt (...).

De definitie van uiteindelijk belanghebbende in artikel 2a, eerste lid, onderdeel s, van de WIB verwijst naar de bepaling in bijlage I, sectie VIII, onderdeel D, onder 5, van Richtlijn 2011/16/EU. Ingevolge deze bepaling vallen onder het begrip uiteindelijk belanghebbende de natuurlijke personen die zeggenschap uitoefenen over een entiteit alsmede, in het geval van trusts, de insteller(s) van een trust, de trustees, de eventuele protector(en), de begunstigde(n) of categorie(ën) begunstigden en eventuele andere natuurlijke personen die de uiteindelijke feitelijke zeggenschap uitoefenen over de trust en, in het geval van andere juridische overeenkomsten dan een trust, personen in dezelfde of een vergelijkbare positie. Voorts wordt in genoemde bepaling van Richtlijn 2011/16/EU aangegeven dat de uitdrukking «uiteindelijk belanghebbenden» wordt uitgelegd op een wijze die verenigbaar is met de aanbevelingen van de Financial Action Task Force (FATF). Het gaat daarbij om aanbevelingen van de FATF voor internationale standaarden ter bestrijding van witwassen en de financiering van terrorisme.9 In het OESO-commentaar op sectie VIII wordt onder de nummers 132 tot en met 137 ingegaan op het begrip uiteindelijk belanghebbende en is onder meer aangegeven dat voor de definitie van uiteindelijk belanghebbenden moet worden aangesloten bij aanbevelingen 10 en 25 van de FATF die in februari 2012 zijn aangenomen. De FATF 2012 aanbevelingen zijn opgenomen in Richtlijn 2015/849/EU10, welke richtlijn medio 2017 in de Nederlandse wetgeving moet zijn geïmplementeerd. In de Wwft is op 1 januari 2016 dus nog geen rekening gehouden met de uitbreiding van het begrip uiteindelijk belanghebbende op grond van de FATF 2012 aanbevelingen. Dit brengt voor bestaande entiteitsrekeningen mee dat de identificatie mag worden gebaseerd op informatie die is verzameld en bijgehouden op grond van de AML/KYC-procedures zonder dat rekening is gehouden met deze uitbreiding (zolang de Wwft niet is aangepast).

Voor nieuwe entiteitsrekeningen moet de rapporterende financiële instelling bij het vaststellen van de uiteindelijk belanghebbenden gelet op de definitie in artikel 2a, eerste lid, onderdeel s, van de WIB en het OESO-commentaar op sectie VIII onder nummer 137 wel aansluiten bij de FATF 2012 aanbevelingen en derhalve, ingeval van een trust, vaststellen wie de insteller(s) van de trust, de trustees, de eventuele protector(en), de begunstigde(n) of categorie(ën) begunstigden en eventuele andere natuurlijke personen die de uiteindelijke feitelijke zeggenschap uitoefenen over de trust zijn en, in het geval van andere juridische overeenkomsten dan een trust, wie de personen in dezelfde of een vergelijkbare positie zijn.

Ingevolge onderdeel c van bijlage I, sectie V, onderdeel D, onder 2, van Richtlijn 2011/16/EU wordt voor het vaststellen of de uiteindelijk belanghebbenden van een passieve NFE te rapporteren personen zijn onderscheid gemaakt tussen rekeningen van meer en van minder dan een in euro’s uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met USD 1.000.000. In een FAQ heeft de OESO aangegeven dat het gaat om het saldo op de laatste dag van een kalenderjaar of van een andere periode waarover wordt gerapporteerd. Voor rekeningen onder dat bedrag geldt dat een rapporterende financiële instelling zich voor de vaststelling, bedoeld in genoemd onderdeel c, mag baseren op informatie die is verzameld en bijgehouden ingevolge de AML/KYC-procedures. Voor rekeningen van meer dan een in euro’s uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met USD 1.000.000 moet een eigen verklaring van de rekeninghouder of van de uiteindelijk belanghebbende worden verkregen om het fiscale woonland van de uiteindelijk belanghebbende te kunnen bepalen. Voor het vaststellen van het saldo van een rekening moet rekening worden gehouden met de aggregatieregel voor entiteitsrekeningen, bedoeld in bijlage I, sectie VII, onderdeel C, onder 2, van Richtlijn 2011/16/EU. In deze bepaling staat dat een rapporterende financiële instelling verplicht is rekening te houden met alle door haar of door een gelieerde entiteit aangehouden financiële rekeningen van die entiteit om te bepalen of sprake is van een rekening van meer of minder dan (een in euro’s uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met) USD 1.000.000, maar uitsluitend voor zover de computersystemen van de rapporterende financiële instelling de financiële rekeningen koppelen op grond van een data-element, zoals een cliëntnummer of fiscaal identificatienummer, en in staat zijn de saldi of waarden te aggregeren. Tot slot wordt in deze aggregatieregel opgemerkt dat aan elke houder van een gezamenlijke financiële rekening het volledige saldo of de volledige waarde van de gezamenlijke financiële rekening wordt toegeschreven ten behoeve van de aggregatie.

In het geval een eigen verklaring van de rekeninghouder of de uiteindelijk belanghebbenden wordt gevraagd, maar die niet wordt verkregen, moet een rapporterende financiële instelling de status van de uiteindelijk belanghebbenden onderzoeken aan de hand van de elektronische zoekprocedure die is beschreven in bijlage I, sectie III, onderdeel B, onder 2, van Richtlijn 2011/16/EU. Ingevolge genoemd onderdeel B, onder 2, moeten de onderdelen 3 tot en met 6 worden toegepast na deze elektronische zoekprocedure. Dit houdt in dat een rapporterende financiële instelling een rekeninghouder in beginsel moet aanmerken als fiscaal inwoner van elk deelnemend rechtsgebied waarvoor een indicator wordt aangetroffen (onderdeel B, onder 4). Dit houdt voorts in dat als aan de hand van de hiervoor bedoelde procedure geen indicatoren worden gevonden die erop wijzen dat de uiteindelijk belanghebbende(n) een te rapporteren persoon is (of zijn), de rapporterende financiële instelling geen verdere actie hoeft te ondernemen. Dit geldt tot het moment dat een wijziging van omstandigheden optreedt die ertoe leidt dat een of meer indicatoren worden gevonden met betrekking tot de uiteindelijk belanghebbende(n) van de rekening(houder). Deze bepaling volgt uit het OESO-commentaar op sectie V, onder nummer 24, en is opgenomen in de derde volzin van het eerste lid van artikel 6.

Ingevolge het tweede lid, eerste volzin, van artikel 6 kan een rapporterende financiële instelling ervoor kiezen om hetzij voor alle bestaande entiteitsrekeningen tezamen, hetzij voor elke duidelijk omschreven groep van bestaande entiteitsrekeningen afzonderlijk, de in het eerste lid van artikel 6 bedoelde identificatievoorschriften niet toe te passen op bestaande entiteitsrekeningen met een totaal saldo of een totale waarde op 31 december 2015 van niet meer dan een in euro’s uitgedrukt bedrag dat (per 31 december 2015) overeenstemt met USD 250.000. Ook voor het bepalen van dit saldo moet rekening worden gehouden met de hiervoor genoemde aggregatieregel voor entiteitsrekeningen, bedoeld in bijlage I, sectie VII, onderdeel C, onder 2, van Richtlijn 2011/16/EU. Als gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om een rekening niet te identificeren, moet dit alsnog gebeuren als op 31 december van een volgend kalenderjaar het saldo van die rekening hoger is dan een in euro’s uitgedrukt bedrag dat (per die datum) overeenstemt met USD 250.000. Dit volgt uit de tweede volzin van genoemd tweede lid. De rapporterende financiële instelling volgt de procedures, bedoeld in artikel 6, eerste lid, met betrekking tot die rekening dan uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin het totale saldo of de totale waarde van die rekening hoger is dan (een in euro’s uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met) USD 250.000 om vast te stellen of sprake is van een te rapporteren rekening.

Ingevolge het derde lid van artikel 6 moet een rapporterende financiële instelling opnieuw de procedures die zijn opgenomen in bijlage I, sectie V, onderdeel D, van Richtlijn 2011/16/EU volgen om vast te stellen of sprake is van een te rapporteren rekening als zij op basis van een wijziging van omstandigheden weet, of redenen heeft om te weten, dat de (laatste) eigen verklaring van de rekeninghouder of van de uiteindelijk belanghebbende, of andere documentatie die is gebruikt voor de eerdere vaststelling of de rekening een te rapporteren rekening is, onjuist of onbetrouwbaar is. Deze bepaling volgt uit bijlage I, sectie V, onderdeel E, onder 3, van Richtlijn 2011/16/EU. In het OESO-commentaar op sectie V, onder nummer 27, is deze bepaling vervolgens uitgewerkt en zijn nadere regels opgenomen voor de bepaling of achtereenvolgens (1) de entiteit-rekeninghouder een te rapporteren persoon is, (2) sprake is van een passieve NFE, en (3) de uiteindelijk belanghebbenden te rapporteren personen zijn. In artikel 6, derde lid, is (een deel van) dit OESO-commentaar verwerkt in de onderdelen a tot en met c. Ingevolge onderdeel a moet de rapporterende financiële instelling bij toepassing van de procedure, bedoeld in bijlage I, sectie V, onderdeel D, onder 1, van Richtlijn 2011/16/EU, een actuele eigen verklaring van de rekeninghouder verkrijgen of een redelijke uitleg en, waar nodig, aanvullende bewijsstukken die de juistheid bevestigen van de laatst verkregen eigen verklaring of van de documentatie die is gebruikt om vast te stellen of de rekeninghouder een te rapporteren persoon is. Ingevolge onderdeel b moet de rapporterende financiële instelling bij toepassing van de procedure, bedoeld in bijlage I, sectie V, onderdeel D, onder 2, onderdeel a, van Richtlijn 2011/16/EU, een actuele eigen verklaring van de rekeninghouder verkrijgen of aanvullende bewijsstukken om de status van de rekeninghouder als actieve NFE, passieve NFE of financiële instelling vast te kunnen stellen. Tot slot moet de rapporterende financiële instelling ingevolge onderdeel c bij toepassing van de procedure, bedoeld in bijlage I, sectie V, onderdeel D, onder 2, onderdeel c, van Richtlijn 2011/16/EU, een actuele eigen verklaring van de rekeninghouder of uiteindelijk belanghebbende verkrijgen of een redelijke uitleg en, waar nodig, aanvullende bewijsstukken die de juistheid bevestigen van de laatst verkregen eigen verklaring of van de documentatie die is gebruikt om vast te stellen of de uiteindelijk belanghebbende een te rapporteren persoon is.

In het vierde lid van artikel 6 is het andere deel van het hiervoor genoemde OESO-commentaar op sectie V, onder nummer 27, verwerkt. Ingevolge genoemd vierde lid voltooit een rapporterende financiële instelling de procedures, bedoeld artikel 6, derde lid, uiterlijk voor het eind van het kalenderjaar waarin de wijziging van omstandigheden zich voordoet, dan wel, als dit later is, uiterlijk 90 dagen nadat de rapporterende financiële instelling weet of redenen heeft om te weten dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. Voorts is bepaald dat als een rapporterende financiële instelling geen actuele eigen verklaring of redelijke uitleg en, waar nodig, aanvullende bewijsstukken als bedoeld in artikel 6, derde lid, onderdeel a, verkrijgt, deze de rekeninghouder zowel aanmerkt zowel als inwoner van het rechtsgebied waarvan diens inwonerschap is vastgesteld vóór de wijziging van omstandigheden als van het rechtsgebied waarin de rekeninghouder als gevolg van de wijziging van omstandigheden fiscaal woonachtig zou kunnen zijn. Voorts moet een rapporterende financiële instelling de rekeninghouder aanmerken als passieve NFE als geen actuele eigen verklaring of aanvullende bewijsstukken als bedoeld in artikel 6, derde lid, onderdeel b, zijn verkregen. Tot slot is in artikel 6, vierde lid, bepaald dat als een rapporterende financiële instelling geen actuele eigen verklaring of redelijke uitleg en, waar nodig, aanvullende bewijsstukken als bedoeld in artikel 6, derde lid, onderdeel c, verkrijgt, deze de procedure, bedoeld in bijlage I, sectie III, onderdeel B, onder 2, van Richtlijn 2011/16/EU, toepast om vast te stellen of de uiteindelijk belanghebbende van de entiteit-rekeninghouder een te rapporteren persoon is.

Artikel 7 Nieuwe entiteitsrekening

Ingevolge het eerste lid van artikel 7 van het UB CRS volgt een rapporterende financiële instelling met betrekking tot nieuwe entiteitsrekeningen de procedures die zijn opgenomen in bijlage I, sectie VI, van Richtlijn 2011/16/EU om vast te stellen of sprake is van te rapporteren rekeningen. Van een te rapporteren rekening is, zoals eerder aangegeven, sprake als de entiteit-rekeninghouder een te rapporteren persoon is maar ook als sprake is van een passieve NFE met een of meer uiteindelijk belanghebbenden die een te rapporteren persoon is, onderscheidenlijk zijn. Ook hier geldt, net als bij bestaande entiteitsrekeningen, dat als een rekening wordt gehouden door meer entiteiten, de rekening een te rapporteren rekening is als een (of meer) van de entiteiten een te rapporteren persoon is (of zijn). De identificatieprocedures voor nieuwe entiteitsrekeningen vertonen overeenkomsten met die voor de bestaande entiteitsrekeningen. Ook in sectie VI bestaat de identificatieprocedure uit twee onderdelen. Het eerste onderdeel is gericht op de vraag of de entiteit een te rapporteren persoon is en het tweede onderdeel op de vraag of sprake is van een passieve NFE met een of meer te rapporteren uiteindelijk belanghebbenden. Evenals voor de bestaande entiteitsrekeningen, moeten de procedures uit beide onderdelen (in beginsel) altijd worden doorlopen. Als de entiteit-rekeninghouder een te rapporteren persoon is en – indien de entiteit een passieve NFE is – een of meer van diens uiteindelijk belanghebbenden ook, moet over zowel de entiteit als over de uiteindelijk belanghebbenden worden gerapporteerd en zal de Belastingdienst de betreffende CRS-informatie doorgeven aan het fiscale woonland van de passieve NFE en aan dat van de uiteindelijk belanghebbenden. Een verschil met de identificatieprocedures voor bestaande entiteitsrekeningen is dat bij de procedures voor nieuwe entiteitsrekeningen niet de mogelijkheid bestaat om rekeningen onder een drempelbedrag van USD 250.000 buiten de identificatie- en rapportageprocedures te laten.

Ingevolge bijlage I, sectie VI, onder 1, onderdeel a, van Richtlijn 2011/16/EU moet worden vastgesteld of de entiteit een te rapporteren persoon is. Hiertoe moet de rapporterende financiële instelling een eigen verklaring van de rekeninghouder verkrijgen waarmee de fiscale vestigingsplaats kan worden nagegaan. Deze eigen verklaring kan deel uitmaken van de documentatie betreffende de opening van de rekening, met inbegrip van alle documenten die zijn verzameld op grond van de AML/KYC-procedures (ofwel de Wwft-procedures). Aan de hand van deze documenten kan de rapporterende financiële instelling de juistheid van de eigen verklaring bevestigen. Indien de entiteit verklaart dat zij geen fiscale verblijfplaats heeft (bijvoorbeeld omdat de entiteit als fiscaal transparant wordt behandeld), kan de rapporterende financiële instelling zich voor het bepalen van de verblijfplaats van de rekeninghouder baseren op het adres van het hoofdkantoor van de entiteit. Ingevolge bijlage I, sectie VI, onder 1, onderdeel b, van Richtlijn 2011/16/EU moet een rekening worden behandeld als een te rapporteren rekening als in de eigen verklaring van de rekeninghouder wordt aangegeven dat deze in een lidstaat (fiscaal) gevestigd is, tenzij de rapporterende financiële instelling op grond van informatie waarover zij beschikt of die publiekelijk beschikbaar is redelijkerwijs kan vaststellen dat de rekeninghouder geen te rapporteren persoon is met betrekking tot die lidstaat. Zoals ook eerder al is aangegeven, moet op grond van artikel 2, tweede lid, van het UB CRS voor de toepassing van het UB CRS onder «lidstaat» worden verstaan een deelnemend rechtsgebied. De rapporterende financiële instelling mag de volgorde van genoemde onderdelen a en b ook omdraaien, als dat in de gegeven omstandigheden beter uitkomt, aldus het OESO-commentaar op sectie VI, onder nummer 6.

In het OESO-commentaar op sectie VI, onder de nummers 12 tot en met 15, wordt ingegaan op de zogenoemde «redelijkheidstest» ter zake van eigen verklaringen. Zoals aangegeven moet een rapporterende financiële instelling de redelijkheid/juistheid van een eigen verklaring bevestigen aan de hand van de (andere) documentatie die wordt verkregen bij het openen van een rekening. Een van de voorbeelden die worden genoemd, is dat een eigen verklaring deze redelijkheidstest niet doorstaat als het adres op de eigen verklaring niet overeenkomt met het adres op een van de documenten die in het kader van de AML/KYC-procedures zijn verkregen.

Ingevolge bijlage I, sectie VI, onder 2, van Richtlijn 2011/16/EU moet worden vastgesteld of de entiteit een passieve NFE is met een of meer uiteindelijk belanghebbenden die te rapporteren personen zijn. Dit onderdeel bestaat (evenals de procedures met betrekking tot bestaande entiteitsrekeningen) uit de onderdelen a tot en met c ingevolge welke de financiële instelling het volgende moet vaststellen:

  • a. of de entiteit-rekeninghouder een passieve NFE is;

  • b. (en zo ja) wie de uiteindelijk belanghebbende(n) is (of zijn) van een passieve NFE;

  • c. of een of meer van die uiteindelijk belanghebbenden te rapporteren personen zijn.

Desgewenst kan een rapporterende financiële instelling een andere volgorde aanhouden. Voor de onderdelen a en b gelden dezelfde procedures als bij de bestaande entiteitsrekeningen. Verwezen wordt daarom naar de toelichting op artikel 6, eerste lid. Voor onderdeel c geldt dat een rapporterende financiële instelling zich in alle gevallen moet baseren op een eigen verklaring van de rekeninghouder of uiteindelijk belanghebbende om vast te stellen of de uiteindelijk belanghebbende van de passieve NFE een te rapporteren persoon is. Anders dan bij de procedures voor bestaande entiteitsrekeningen wordt dus geen onderscheid gemaakt tussen rekeningen met een saldo of waarde van meer en van minder dan een in euro’s uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met USD 1.000.000.

In het eerste lid van artikel 7 van het UB CRS is voorts bepaald dat bijlage II, onder 2, van Richtlijn 2011/16/EU in acht moet worden genomen bij de identificatie. Ingevolge deze bepaling kan een rapporterende financiële instelling zich met betrekking tot nieuwe entiteitsrekeningen uitsluitend baseren op een eigen verklaring van de rekeninghouder of de uiteindelijk belanghebbende om vast te stellen of een uiteindelijk belanghebbende van een passieve NFE een te rapporteren persoon is.

Ingevolge het tweede lid van artikel 7 van het UB CRS zijn de bepalingen in artikel 6, derde en vierde lid, van het UB CRS van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een rapporterende financiële instelling die op basis van een wijziging van omstandigheden weet of redenen heeft om te weten dat de laatst verkregen eigen verklaring van een rekeninghouder of van een uiteindelijk belanghebbende dan wel andere documentatie die is gebruikt voor het vaststellen of de rekening een te rapporteren rekening is, onjuist of onbetrouwbaar is. Deze bepaling komt overeen met het OESO-commentaar op sectie VI, nummer 21.

Bewijsstukken

Op verschillende plekken wordt voorgeschreven dat naast of in plaats van een eigen verklaring ook bewijsstukken moeten worden verkregen. Op de term «bewijsstukken» wordt ingegaan in bijlage I, sectie VIII, onderdeel E, onder 6, van Richtlijn 2011/16/EU. Volgens die bepaling wordt in de eerste plaats onder bewijsstukken verstaan een verklaring omtrent de woonplaats afgegeven door een bevoegd overheidsorgaan van het rechtsgebied waarvan de rechthebbende verklaart ingezetene te zijn. In de tweede plaats wordt daar ten aanzien van natuurlijke personen onder verstaan een geldig identiteitsbewijs, met daarop de naam van de natuurlijke persoon, dat is afgegeven door een bevoegd overheidsorgaan en dat gewoonlijk wordt gebruikt voor legitimatie. Hierbij kan gedacht worden aan een paspoort. In de derde plaats wordt ten aanzien van een entiteit onder bewijsstukken verstaan een officieel document dat is afgegeven door een bevoegd overheidsorgaan, met daarin de naam van de entiteit en hetzij het adres van haar hoofdkantoor in het rechtsgebied waarvan de entiteit stelt fiscaal ingezetene te zijn, hetzij het rechtsgebied waar de entiteit is opgericht of gevestigd. In bijlage II, onder 6, van Richtlijn 2011/16/EU wordt in dit kader verder ingegaan op wat het adres van het hoofdkantoor is. In de vierde plaats wordt ingevolge bijlage I, sectie VIII, onderdeel E, onder 6, van Richtlijn 2011/16/EU onder bewijsstukken verstaan een gecontroleerd financieel overzicht, een verklaring van derden omtrent kredietwaardigheid, een faillissementsaanvraag of een rapport van de effectentoezichthouder. Tot slot wordt in bijlage I, sectie VIII, onderdeel E, onder 6, van Richtlijn 2011/16/EU aangegeven dat met betrekking tot een bestaande entiteitsrekening rapporterende financiële instellingen als bewijsstuk mogen gebruiken iedere indeling in de dossiers van de rapporterende financiële instelling met betrekking tot de rekeninghouder, vastgesteld op basis van een gestandaardiseerd bedrijfscoderingssysteem, dat werd vastgesteld door de rapporterende financiële instelling in overeenstemming met haar normale handelspraktijken voor de toepassing van de AML/KYC-procedures of andere regelgevende doeleinden (andere dan voor fiscale doeleinden) en dat werd uitgevoerd door de rapporterende financiële instelling vóór de datum van indeling van de financiële rekening als een bestaande rekening, op voorwaarde dat de rapporterende financiële instelling niet weet of geen redenen heeft om te weten dat deze indeling onjuist of onbetrouwbaar is. Een «gestandaardiseerd bedrijfscoderingssysteem» is een codering voor het indelen van bedrijven per bedrijfssoort voor andere doeleinden dan fiscale doeleinden. Deze laatste tekst in de richtlijn is overgenomen uit het OESO-commentaar op sectie VIII, onder nummer 154.

In het OESO-commentaar op sectie VIII wordt onder de nummers 150 tot en met 154 ingegaan op het begrip bewijsstukken. Onder de nummers 155 tot en met 159 van datzelfde commentaar wordt ingegaan op de vereisten voor de geldigheid van bewijsstukken.

Artikel 8 Kapitaal- of lijfrenteverzekering en groepskapitaal- of groepslijfrenteverzekering

Ingevolge het eerste lid van artikel 8 mag een rapporterende financiële instelling met betrekking tot een kapitaalverzekering of lijfrenteverzekering de speciale procedure toepassen die is opgenomen in bijlage I, sectie VII, onderdeel B, eerste alinea, van Richtlijn 2011/16/EU om vast te stellen of sprake is van een te rapporteren rekening. De kapitaalverzekering en lijfrenteverzekering worden gedefinieerd in artikel 2a, eerste lid, onderdelen k en l, van de WIB door een verwijzing naar de definities van die begrippen in Richtlijn 2011/16/EU. Een lijfrenteverzekering is gedefinieerd in bijlage I, sectie VIII, onderdeel C, onder 6, van Richtlijn 2011/16/EU als:

 

«een overeenkomst uit hoofde waarvan de uitgevende instantie zich verplicht uitkeringen te verstrekken gedurende een tijdvak dat geheel of gedeeltelijk wordt vastgesteld op basis van de levensverwachting van een of meer natuurlijke personen. De term omvat voorts een overeenkomst die in overeenstemming met de wet- of regelgeving of in de praktijk in de lidstaat of ander rechtsgebied waar de overeenkomst werd gesloten wordt aangemerkt als lijfrenteverzekering en uit hoofde waarvan de uitgevende instantie zich verplicht gedurende een aantal jaren uitkeringen te verstrekken.»

Een kapitaalverzekering is gedefinieerd in bijlage I, sectie VIII, onderdeel C, onder 7, van Richtlijn 2011/16/EU als:

 

«een verzekeringsovereenkomst (anders dan een herverzekeringsovereenkomst gericht op schadeloosstelling tussen twee verzekeringsmaatschappijen) met een geldswaarde». Onder geldswaarde wordt ingevolge bijlage I, sectie VIII, onderdeel C, onder 8, van Richtlijn 2011/16/EU verstaan: «i) het bedrag waarop de houder van de polis aanspraak kan maken bij afkoop of beëindiging van de overeenkomst (vastgesteld zonder aftrek van een annuleringsvergoeding of polisbelening), of ii) het bedrag dat de polishouder kan lenen uit hoofde van of ter zake van de overeenkomst, indien dat groter is dan het eerste bedrag. Niettegenstaande het voorgaande is «geldswaarde» niet een bedrag dat verschuldigd is uit hoofde van een verzekeringspolis:

a) uitsluitend wegens het overlijden van een persoon, verzekerd in het kader van een levensverzekeringsovereenkomst;

b) als een invaliditeits-, ongevals- of ziekte-uitkering of een andere uitkering wegens economische verliezen door het optreden van de verzekerde gebeurtenis;

c) als een teruggave aan de polishouder van een eerder betaalde premie (minus de kosten van verzekeringsheffingen al dan niet daadwerkelijk opgelegd) uit hoofde van een verzekeringspolis (anders dan een aan beleggingen gekoppelde levensverzekering of lijfrenteverzekering) vanwege opzegging of beëindiging van de polis, afname van het risico gedurende de looptijd van de polis, of voortvloeiend uit de correctie na de publicatie van onjuiste premies of soortgelijke fouten;

d) als resultaatdeling voor polishouders (niet bij beëindiging) mits de resultaatdeling verband houdt met een verzekeringsovereenkomst volgens welke de enige betaalbare uitkeringen worden omschreven in onderdeel C, punt 8, onder b), of

e) als een teruggave van een voorschotpremie of een vooruitbetaalde premie voor een verzekeringsovereenkomst waarvoor de premie op zijn minst jaarlijks betaalbaar is als het bedrag van het voorschot of de vooruitbetaling niet hoger is dan de volgende jaarlijkse premie die volgens de overeenkomst betaalbaar wordt.»

De identificatieprocedure in bijlage I, sectie VII, onderdeel B, eerste alinea, van Richtlijn 2011/16/EU versimpelt het identificatieproces voor de kapitaalverzekering en lijfrenteverzekering. Een rapporterende financiële instelling mag ten aanzien van een dergelijke financiële rekening namelijk veronderstellen dat een individuele begunstigde (niet zijnde de eigenaar) van een kapitaalverzekering of een lijfrenteverzekering die een uitkering bij overlijden ontvangt geen te rapporteren persoon is. Zij mag een dergelijke financiële rekening behandelen als een andere dan een te rapporteren rekening tenzij de financiële instelling daadwerkelijk weet of redenen heeft om te weten dat de begunstigde een te rapporteren persoon is. Een rapporterende financiële instelling heeft redenen om te weten dat een begunstigde van een kapitaalverzekering of een lijfrenteverzekering een te rapporteren persoon is als de door de rapporterende financiële instelling verzamelde informatie over de begunstigde indicatoren bevat zoals omschreven in bijlage I, sectie III, onderdeel B, onder 2, van Richtlijn 2011/16/EU (bijvoorbeeld een actueel post- of woonadres in een deelnemend rechtsgebied). Indien een rapporterende financiële instelling daadwerkelijk weet of redenen heeft om te weten dat de begunstigde een te rapporteren persoon is, moet de rapporterende financiële instelling de (ook in artikel 4 van het UB CRS opgenomen) procedures van bijlage I, sectie III, onderdeel B, van Richtlijn 2011/16/EU volgen.

In geval van een kapitaalverzekering of lijfrenteverzekering wordt ingevolge de definitie van rekeninghouder in bijlage I, sectie VIII, onderdeel E, onder 1, van Richtlijn 2011/16/EU als rekeninghouder aangemerkt de persoon die gerechtigd is tot de geldswaarde of tot wijziging van de begunstigde van de polis. Indien niemand gerechtigd is tot de geldswaarde of de begunstigde kan wijzigen, is de houder van de polis een ieder die in de polis genoemd wordt als eigenaar alsmede eenieder met een verworven recht op uitkering krachtens de polisvoorwaarden. Aan het eind van de looptijd van een kapitaalverzekering of lijfrenteverzekering wordt elke persoon die recht heeft op een uitkering volgens de polis, aangemerkt als rekeninghouder.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, mag een rapporterende financiële instelling met betrekking tot een groepskapitaalverzekering of groepslijfrenteverzekering de bijzondere procedures toepassen die zijn opgenomen in bijlage I, sectie VII, onderdeel B, tweede alinea, van Richtlijn 2011/16/EU om vast te stellen of sprake is van een te rapporteren rekening. De groepskapitaalverzekering en groepslijfrenteverzekering zijn gedefinieerd in artikel 2, eerste lid, onderdelen h en i, van het UB CRS door een verwijzing naar de definities van die begrippen in Richtlijn 2011/16/EU. Ingevolge de alternatieve procedure in de tweede alinea van bijlage I, sectie VII, onderdeel B, van Richtlijn 2011/16/EU kan een rapporterende financiële instelling een financiële rekening die een belang is van een lid in een groepskapitaalverzekering of een groepslijfrenteverzekering behandelen als een financiële rekening die geen te rapporteren rekening is, tot de datum waarop een bedrag betaalbaar wordt aan de werknemer/certificaathouder of begunstigde, als die financiële rekening die een belang is van een lid in een groepskapitaalverzekering of een groepslijfrenteverzekering voldoet aan de volgende eisen:

  • i) de groepskapitaalverzekering of de groepslijfrenteverzekering wordt afgegeven aan een werkgever en heeft betrekking op 25 of meer werknemers/certificaathouders;

  • ii) de werknemer/certificaathouders hebben recht op een contractwaarde gerelateerd aan hun belangen en mogen begunstigden noemen voor de uitkering die betaalbaar is bij overlijden van de werknemer, en

  • iii) het totale bedrag te betalen aan elke werknemer/certificaathouder of begunstigde bedraagt niet meer dan een in euro’s uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met 1.000.000 USD.

Deze alternatieve procedures voor groepskapitaalverzekeringen en groepslijfrenteverzekeringen worden alleen beschreven in het OESO-commentaar op sectie VII, onder nummer 13 en staan niet in de CRS zelf. Dit OESO-commentaar is overgenomen in bijlage I, sectie VII, onderdeel B, tweede alinea, van Richtlijn 2011/16/EU.

Artikel 9 Nadere identificatie- en rapportagevoorschriften

Het eerste lid van artikel 9 bepaalt dat een financiële rekening een te rapporteren rekening is met ingang van het tijdstip waarop deze als zodanig wordt aangemerkt krachtens de identificatievoorschriften in het UB CRS en tot het tijdstip waarop die rekening niet meer als een te rapporteren rekening kan worden aangemerkt. Deze bepaling betreft de implementatie van (een deel van) bijlage I, sectie II, onderdeel A, van Richtlijn 2011/16/EU en houdt in dat een rekening die eenmaal als te rapporteren rekening is aangemerkt ook daarna zo wordt behandeld en niet elk jaar opnieuw hoeft te worden geïdentificeerd aan de hand van de betreffende voorschriften. Uiteraard wordt een rekening niet meer als te rapporteren rekening aangemerkt als niet meer is voldaan aan alle voorwaarden voor die kwalificatie. Dat brengt mee dat een rapporterende financiële instelling relevante wijzigingen ten aanzien van te rapporteren rekeningen moet signaleren en verwerken. Als een rekeninghouder bijvoorbeeld verhuist naar een niet-CRS-land en als hij daarmee ophoudt een te rapporteren persoon te zijn, dan is de rekening niet langer een te rapporteren rekening en dient de financiële instelling niet langer te rapporteren over deze rekening.

Het tweede lid van artikel 9 schrijft voor dat een rapporterende financiële instelling niet mag vertrouwen op een eigen verklaring of bewijsstukken indien zij weet of redenen heeft om te weten dat de eigen verklaring of bewijsstukken onjuist of onbetrouwbaar zijn. Deze bepaling betreft de implementatie van bijlage I, sectie VII, onderdeel A, van Richtlijn 2011/16/EU. In het OESO-commentaar op sectie VII wordt onder de nummers 2 tot en met 10 hierop ingegaan.

Artikel 9, derde lid, houdt in dat in geval een rapporterende financiële instelling over een andere relevante periode dan een kalenderjaar rapporteert, voor bepalingen in het UB CRS waarin wordt uitgegaan van een saldo- of waardegrens per 31 december van een kalenderjaar, het betreffende saldo of de betreffende waarde moet worden bepaald per de laatste dag van de relevante periode waarover wordt gerapporteerd die eindigt in het kalenderjaar. Een voorbeeld betreft artikel 4, derde lid, van het UB CRS (welke bepaling de implementatie betreft van bijlage I, sectie III, onderdeel C, onder 6, van Richtlijn 2011/16/EU) waarin is bepaald dat de procedures met betrekking tot hogewaarderekeningen moeten worden gevolgd ten aanzien van een rekening die op 31 december 2015 niet een hogewaarderekening was maar wel op de laatste dag van een volgend kalenderjaar. Als een rapporterende financiële instelling over een andere periode rapporteert dan een kalenderjaar, moet per de laatste dag van die periode (die eindigt in een kalenderjaar) worden bepaald of sprake is van een lage- of hogewaarderekening. Als een financiële instelling ten aanzien van een bepaalde rekening uitgaat van bijvoorbeeld 1 oktober als peildatum (zijnde de «anniversary date» van de rekening) voor de te rapporteren periode, dan moet ook naar het saldo op die datum gekeken worden voor het antwoord op de vraag of het om een hoge- of lagewaarderekening gaat. Overigens wordt voor de termijn waarbinnen de uitgebreidere identificatieprocedures moeten zijn voltooid wel weer aangesloten bij de termijn in genoemd artikel 4, derde lid. Dat betekent dat een rekening die op 1 oktober 2016 een lagewaarderekening is maar op 1 oktober van 2017 een hogewaarderekening, uiterlijk op 31 december 2018 moet zijn beoordeeld aan de hand van de identificatieprocedures voor hogewaarderekeningen. Als de betreffende rekening een te rapporteren rekening blijkt, moet daarover vervolgens in 2019 worden gerapporteerd (en wel over de periode 2 oktober 2017 tot en met 1 oktober 2018). Het derde lid van artikel 9 sluit aan bij het bepaalde in bijlage I, sectie II, onderdeel C, van Richtlijn 2011/16/EU. In het OESO-commentaar op deze bepaling (sectie II, onder nummer 5) worden de bepalingen in bijlage I, sectie III, onderdeel C, onder 6 en sectie V, onderdelen A en B, van Richtlijn 2011/16/EU als voorbeelden genoemd. Voor zover in het UB CRS wordt verwezen naar bepalingen in Richtlijn 2011/16/EU en voor zover in die bepalingen wordt uitgegaan van een saldo- of waardegrens per 31 december van een kalenderjaar, dient ingevolge bijlage I, sectie II, onderdeel C, van Richtlijn 2011/16/EU ook voor die bepalingen te worden uitgegaan van het betreffende saldo of de betreffende waarde per de laatste dag van de periode waarover wordt gerapporteerd die eindigt in dat kalenderjaar.

Ingevolge het vierde lid van artikel 9 mag een rapporterende financiële instelling de identificatieprocedures voor nieuwe rekeningen op bestaande rekeningen en die voor hogewaarderekeningen op lagewaarderekeningen toepassen. Indien van de mogelijkheid om de identificatieprocedures voor nieuwe rekeningen op bestaande rekeningen toe te passen gebruik wordt gemaakt, blijven de anderszins voor bestaande rekeningen geldende regels van toepassing. Deze bepaling vloeit voort uit de keuze die in bijlage I, sectie II, onderdeel E, van Richtlijn 2011/16/EU aan lidstaten wordt geboden. In het OESO-commentaar op sectie II, onder nummer 8 wordt (ten aanzien van de met Richtlijn 2011/16/EU overeenkomende bepaling) aangegeven dat hierbij mag worden toegestaan dat de keuze wordt gemaakt hetzij voor alle relevante financiële rekeningen samen, hetzij voor elke duidelijk omschreven groep van dergelijke rekeningen afzonderlijk. Nederland staat dit toe. Met de tweede volzin van artikel 9, vierde lid, inhoudende dat de anderszins voor bestaande rekeningen geldende regels van toepassing blijven, wordt bijvoorbeeld gedoeld op de (ook in het OESO-commentaar als voorbeeld genoemde) bepalingen in sectie I, onderdeel C, en sectie V, onderdeel A, van bijlage I van Richtlijn 2011/16/EU, die een versoepeling van de verplichtingen inhouden. De bepaling in genoemd onderdeel C van sectie I betreft een uitzondering op de verplichting tot het verstrekken van het fiscale identificatienummer en de geboortedatum van een rekeninghouder, welke bepaling is geïmplementeerd in artikel 10d van de WIB. De bepaling in genoemd onderdeel A van sectie V ziet op het drempelbedrag van USD 250.000 waaronder bestaande entiteitsrekeningen niet hoeven te worden gecontroleerd.

Het vijfde lid van artikel 9 betreft (deels) de implementatie van bijlage I, sectie IX, onder 2, van Richtlijn 2011/16/EU. Volgens deze bepaling moeten rapporterende financiële instellingen vastleggen welke stappen zijn gezet en op welke bewijsmiddelen daarbij is vertrouwd bij de uitvoering van de identificatie- en rapportagevoorschriften die voortvloeien uit de WIB en het UB CRS. Wat betreft de bewijsmiddelen valt te denken aan eigen verklaringen en aanvullende bewijsstukken maar ook aan een redelijke uitleg die de juistheid van een eigen verklaring kan bevestigen. Ten aanzien van de bewijsmiddelen is in genoemd zesde lid ook bepaald dat een rapporterende financiële instelling deze bewijsmiddelen bewaart. Voor de termijn van het bewaren van de bewijsmiddelen gelden de bewaartermijnen op basis van de Wbp, hetgeen inhoudt dat de stukken niet langer worden bewaard dan noodzakelijk voor de verwerkelijking van de doeleinden waarvoor zij zijn verzameld en verwerkt. De termijn zal in het algemeen samenhangen met de duur van de klantrelatie. Ten aanzien van een rekeninghouder die zijn rekening een jaar na opening weer opzegt, zal een kortere bewaartermijn gelden dan ten aanzien van een rekeninghouder die een rekening voor bijvoorbeeld 30 jaar aanhoudt. Ook na afloop van de klantrelatie kunnen de gegevens nog relevant zijn, daarom wordt gedacht aan een bewaartermijn van in beginsel 5 jaar na afloop van de klantrelatie.

Artikel 10 Wijze en tijdstip van gegevensverstrekking

In artikel 10 wordt bepaald dat een rapporterende financiële instelling de gegevens en inlichtingen, bedoeld in de artikelen 10b tot en met 10f van de WIB, verstrekt op een door de Minister van Financiën voorgeschreven wijze. Voorts wordt in dit artikel bepaald dat deze gegevens en inlichtingen uiterlijk op 31 januari van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop de gegevens en inlichtingen betrekking hebben worden verstrekt. De verstrekking zal, net als die van reeds bestaande gegevensstromen, digitaal plaatsvinden. Voor het tijdstip van de verstrekking wordt met de datum 31 januari uit praktische overwegingen aansluiting gezocht bij de reeds bestaande gegevensstromen. Ingevolge artikel 6c, tweede lid, van de WIB worden de gegevens en inlichtingen aan de andere lidstaten verstrekt binnen negen maanden na het einde van het kalenderjaar waarop de gegevens en inlichtingen betrekking hebben. In de tweede volzin van artikel 10 wordt bepaald dat ingeval een rapporterende financiële instelling rapporteert over een andere relevante periode dan een kalenderjaar, de gegevens en inlichtingen worden verstrekt uiterlijk op 31 januari van het jaar volgend op het kalenderjaar waarin de laatste dag valt van de periode waarover wordt gerapporteerd. Concreet houdt dit in dat als een financiële instelling ten aanzien van een bepaalde rekening rapporteert over (bijvoorbeeld) de periode 1 juli 2018 tot en met 30 juni 2019, de gegevens en inlichtingen over die periode, in beginsel dienen te worden verstrekt uiterlijk op 31 januari 2020. In de laatste volzin van artikel 10 is bepaald dat de Minister van Financiën kan toestaan dat wordt afgeweken van de hiervoor bedoelde datum van 31 januari. Als bijvoorbeeld een rapporterende financiële instelling tijdelijk niet in staat is of niet in de gelegenheid is de gegevens en inlichtingen uiterlijk 31 januari te verstrekken, kan een andere rapportagedatum worden overeengekomen. Deze datum mag het nakomen van de verplichtingen tot uitwisseling van informatie die voortvloeien uit de wet of uit internationale regelingen uiteraard niet in gevaar brengen.

Artikel 11 Uitbreiding rechtsgebieden ten behoeve van eerste identificatie

Ingevolge artikel 11 kunnen bij ministeriële regeling rechtsgebieden worden aangewezen ten behoeve van de eerste identificatie na inwerkingtreding van dit besluit van bestaande rekeningen. Een rapporterende financiële instelling moet bij toepassing van de procedures die zijn opgenomen in de artikelen 4 en 6 van het UB CRS, eveneens vaststellen of bij haar (bestaande) rekeningen worden aangehouden door personen die fiscaal woonachtig zijn in een of meer van deze rechtsgebieden, of door passieve NFE’s met uiteindelijk belanghebbenden die fiscaal woonachtig zijn in een of meer van deze rechtsgebieden. Deze bepaling is nodig om rapporterende financiële instellingen voldoende tijd te geven om de identificatieprocedures te voltooien om vervolgens aan hun rapportageverplichting te kunnen voldoen en daarmee om veilig te stellen dat het land Nederland over de kalenderjaren 2016 en 2017 aan haar rapportageverplichtingen kan voldoen. Op basis van de artikelen 4 en 6 van het UB CRS moet een rapporterende financiële instelling vaststellen welke bestaande rekeningen te rapporteren rekeningen zijn. Het begrip te rapporteren rekening is gedefinieerd in artikel 2a, eerste lid, onderdeel o, van de WIB. Een van de eisen voor een te rapporteren rekening is dat die wordt gehouden door een of meer te rapporteren personen of door een passieve NFE met een of meer uiteindelijk belanghebbenden die een te rapporteren persoon zijn. Een te rapporteren persoon is ingevolge artikel 2a, eerste lid, onderdeel p, van de WIB een persoon uit een deelnemend rechtsgebied. Het begrip deelnemend rechtsgebied is gedefinieerd in artikel 2a, eerste lid, onderdeel f, van de WIB. Daaronder vallen in elk geval de andere EU-lidstaten en verder onder meer rechtsgebieden waarmee het land Nederland een overeenkomst heeft op grond waarvan dat rechtsgebied CRS-informatie zal verstrekken. Echter, op 1 januari 2016 zijn de hiervoor bedoelde CRS-overeenkomsten nog niet tot stand gekomen. Dit hangt onder meer samen met vertrouwelijkheids- en dataprotectietoetsen («preliminary assessments») die nog moeten worden uitgevoerd door de OESO in samenwerking met een zogenoemd «expert panel» bestaande uit vertegenwoordigers van verschillende landen (in wisselende samenstelling). Aan de hand van de uitslagen van deze toetsen kunnen landen bepalen met welke andere landen zij CRS-informatie kunnen en willen uitwisselen. Het voorgaande brengt mee dat rapporterende financiële instellingen met ingang van 1 januari 2016 alleen ten aanzien van de andere EU-lidstaten zouden moeten vaststellen of sprake is van te rapporteren rekeningen. In de loop van 2016 zullen echter CRS-overeenkomsten tot stand komen op grond waarvan het land Nederland in 2017 CRS-informatie over het kalenderjaar 2016 moet rapporteren aan de landen waarmee een dergelijke overeenkomst is gesloten. Rapporterende financiële instellingen zullen daartoe in het kalenderjaar 2017 informatie aan de Belastingdienst moeten verstrekken over rekeningen van rekeninghouders en uiteindelijk belanghebbenden die fiscaal inwoner zijn van die rechtsgebieden. Om aan de rapportage- en identificatieverplichtingen te kunnen voldoen, moeten rapporterende financiële instellingen voldoende tijd krijgen. Om ervoor te zorgen dat de rapporterende financiële instellingen tijdig de eerste identificatie hebben afgerond om in 2017 te kunnen rapporteren over rekeningen die op 31 december 2016 kwalificeren als te rapporteren rekening, wordt daarom geregeld dat de Minister van Financiën rechtsgebieden kan aanwijzen ten aanzien waarvan moet worden beoordeeld of een rekeninghouder van een bestaande rekening of een uiteindelijk belanghebbende van een passieve NFE met een bestaande rekening fiscaal inwoner daarvan is. De rechtsgebieden die zullen worden aangewezen zijn de landen die zich reeds hebben gecommitteerd aan de CRS en waarmee naar alle waarschijnlijkheid in de loop van het jaar 2016 of 2017 een CRS-overeenkomst tot stand zal komen. De uitbreiding is niet nodig voor nieuwe rekeningen van natuurlijke personen en entiteiten. De reden hiervoor ligt in het feit dat ter zake van nieuwe rekeningen van natuurlijke personen ingevolge artikel 5 van het UB CRS al het fiscale woonland van elke rekeninghouder moet worden vastgelegd, ongeacht of het om een deelnemend rechtsgebied gaat of niet. Hetzelfde geldt op grond van artikel 7 van het UB CRS ten aanzien van de entiteit-rekeninghouder van een nieuwe rekening of van de uiteindelijk belanghebbenden van een dergelijke entiteit.

Artikel 12 Tijdstip eerste identificatie

In artikel 12 worden overgangsbepalingen gegeven ten aanzien van de eerste identificatie van de bestaande rekeningen. Ingevolge het eerste lid moet met betrekking tot hogewaarderekeningen uiterlijk op 31 december 2016 voor het eerst (na die datum gaat de identificatie door, zoals na een wijziging van omstandigheden) zijn vastgesteld of sprake is van een te rapporteren rekening. Ingevolge het tweede lid moet met betrekking tot lagewaarderekeningen uiterlijk op 31 december 2017 voor het eerst zijn vastgesteld of sprake is van een te rapporteren rekening. Tot slot moet ingevolge het derde lid met betrekking tot bestaande entiteitsrekeningen met een totaal saldo of een totale waarde van op 31 december 2015 meer dan een in euro’s uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met USD 250.000, uiterlijk op 31 december 2017 voor het eerst zijn vastgesteld of sprake is van een te rapporteren rekening. De eerste twee leden betreffen de implementatie van bijlage I, sectie III, onderdeel D, van Richtlijn 2011/16/EU en het derde lid betreft de implementatie van bijlage I, sectie V, onderdeel E, onder 1, van Richtlijn 2011/16/EU. Deze termijnen zijn ook van toepassing op de identificatie van bestaande rekeningen op basis van het hiervoor besproken artikel 11. In artikel 11 is de identificatie ten aanzien van de op grond van dat artikel aan te wijzen rechtsgebieden immers gekoppeld aan de toepassing van de procedures voor bestaande rekeningen,voor welke procedures de in artikel 12 genoemde termijnen gelden.

Artikel 13 Wijziging Uitvoeringsbesluit Belastingwet BES

Artikel 13 bevat wijzigingen van het Uitvoeringsbesluit Belastingwet BES. Ingevolge artikel 8.133a van de Belastingwet BES zijn onder meer de bepalingen uit hoofdstuk 4A van de WIB van overeenkomstige toepassing verklaard. Artikel 10a van de WIB bevat een delegatiegrondslag om bij algemene maatregel van bestuur identificatie-en rapportagevoorschriften voor te schrijven die rapporterende financiële instellingen moeten volgen om aan hun rapportageverplichtingen te kunnen voldoen. In onderhavig besluit is daaraan invulling gegeven. Ingevolge artikel 13 van het UB CRS wordt in het Uitvoeringsbesluit Belastingwet BES een artikel 7b.3 ingevoegd waarin de artikelen 2 tot en met 12 van het UB CRS van overeenkomstige toepassing worden verklaard voor de BES eilanden.

Artikel 14 Inwerkingtreding

Artikel 14 regelt dat het UB CRS met ingang van 1 januari 2016 in werking treedt en dat dit voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot gegevens en inlichtingen over het kalenderjaar 2016.

Artikel 15 Citeertitel

Op grond van artikel 15 luidt de citeertitel van het UB CRS: Uitvoeringsbesluit identificatie- en rapportagevoorschriften Common Reporting Standard.

De Staatssecretaris van Financiën, E.D. Wiebes


X Noot
1

Multilateral Competent Authority Agreement on automatic exchange of financial account information.

X Noot
2

Richtlijn 2014/107/EU van de Raad van 9 december 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied (PbEU 2014, L 359).

X Noot
3

Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG (PbEU 2011, L 64).

X Noot
4

Het begrip passieve NFE wordt gedefinieerd in artikel 2a, eerste lid, onderdeel v, van de WIB. Een NFE is een entiteit die niet een financiële instelling is. Een passieve NFE is (i) een NFE die niet een actieve niet-financiële entiteit (actieve NFE) is, en (ii) een beleggingsentiteit die niet een financiële instelling in een zogenaamd «deelnemend rechtsgebied» is, zijnde een rechtsgebied waarmee het land Nederland een overeenkomst heeft op grond waarvan dat rechtsgebied CRS-informatie aan Nederland zal verstrekken. Afhankelijk van het type inkomen of de activiteiten kan een NFE passief of actief zijn.

X Noot
5

Het OESO-commentaar en de FAQ’s van de OESO zijn te raadplegen op: http://www.oecd.org/tax/exchange-of-tax-information/automaticexchange.htm.

X Noot
6

Kamerstukken II 2015/16, 34 276, nr. 3, blz. 20.

X Noot
7

Waar in dit besluit wordt verwezen naar bepalingen in Richtlijn 2011/16/EU wordt bedoeld de door Richtlijn 2014/107/EU gewijzigde Richtlijn 2011/16/EU.

X Noot
8

Dit geldt voor bijna alle bepalingen uit Richtlijn 2011/16/EU die zijn geïmplementeerd, maar in de toelichting wordt dit verder niet steeds als zodanig aangegeven.

X Noot
9

Deze aanbevelingen zijn gepubliceerd op de website van de FATF: http://www.fatf-gafi.org.

X Noot
10

Richtlijn 2015/849/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PbEU 2015, L 141).

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt met de daarbijbehorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.

Naar boven