Besluit van 29 november 2013, houdende vaststelling van het tijdstip waarop artikel 1.2a van het Activiteitenbesluit milieubeheer en enkele artikelen van het Besluit omgevingsrecht (vvgb) vervallen

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 26 november 2013, nr. IenM/BSK-2013/271718, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Gelet op de artikelen 8.1, tweede lid, onderdelen b, c, d en e van het Besluit omgevingsrecht en 6.44a van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Enig artikel

De artikelen 1.2a van het Activiteitenbesluit milieubeheer en 3.3a, 6.3, eerste lid, onderdeel d, en 6.7 van het Besluit omgevingsrecht en in artikel 6.10 van het Besluit omgevingsrecht «6.7, eerste, tweede en vierde lid,» vervallen met ingang van 1 januari 2014.

Onze Minister van Infrastructuur en Milieubeheer is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Wassenaar, 29 november 2013

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld

Uitgegeven de twaalfde december 2013

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten

NOTA VAN TOELICHTING

Met dit besluit vervallen:

  • 1. artikel 1.2a van het Activiteitenbesluit milieubeheer waardoor burgemeester en wethouders in plaats van gedeputeerde statenvoor een aantal activiteiten met afvalstoffen bevoegd gezag worden:

    • aan wie meldingen moeten worden gedaan en

    • door wie beslissingen op verzoeken om maatwerk en op verzoeken om gelijkwaardige voorzieningen moeten worden genomen;

  • 2. artikel 3.3a Besluit omgevingsrecht waardoor de omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor activiteiten waarvoor op grond van artikel 2.2a van dat besluit een omgevingsvergunning is vereist als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, door burgemeester en wethouders moet worden afgegeven in plaats van door gedeputeerde staten;

  • 3. artikel 6.7 Besluit omgevingsrecht waardoor de verplichting van een verklaring van geen bedenkingen voor het milieudeel van de omgevingsvergunning vervalt en

  • 4. artikel 6.3, eerste lid, onder d, van het Besluit omgevingsrecht waardoor het advies van gedeputeerde staten voor inrichtingen als bedoeld in artikel 6.7, in gevallen als bedoeld in artikel 3.10, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (geen uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van toepassing) niet meer vereist is.

De bevoegdheid tot handhaven gaat tegelijkertijd over naar burgemeester en wethouders.

Omdat de decentrale overheden en het Rijk in de package deal (2009) hebben afgesproken dat de tijdelijke bevoegdheden voor gedeputeerde staten zouden vervallen op het moment waarop er een landsdekkend netwerk van omgevingsdiensten (regionale uitvoeringsdiensten) zou zijn, en deze afspraak nu is nagekomen en de financiële gevolgen ervan zijn besproken, kan volstaan worden met een korte tijdsspanne tussen het tijdstip van publicatie van dit besluit en de inwerkingtreding ervan.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld

Naar boven