27 400 XIV
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (XIV) voor het jaar 2001

nr. 59
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 januari 2001

De afgelopen jaren zijn er regelmatig door uw Kamer vragen gesteld over de drijfjacht op wilde zwijnen, met name op Het Loo. Dit heeft in de loop van de tijd geleid tot vele, soms zeer gedetailleerde, antwoorden. Ook heeft de pers veel aandacht besteed aan de drijfjacht.

Met het oog op een zorgvuldige besluitvorming over de onderscheiden algemene maatregelen van bestuur ingevolge de Flora- en faunawet, lijkt het mij goed het integrale beeld te schetsen. In dat kader heb ik mij door de Raad van Beheer voor het Kroondomein nader laten informeren.

Jachtmethoden

In de bestaande situatie is voor afschot van grof wild een vergunning van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij op grond van de Jachtwet noodzakelijk. Daarbij zijn drie jachtmethoden te onderscheiden, die ook in het buitenland gangbaar zijn.

Drijfjacht is een vorm van jacht waarbij het wild in één bepaalde richting wordt opgejaagd door een in linie geplaatste groep mensen en waarbij het wild vervolgens door de opwachtende jagers wordt geschoten.

Drijfjacht is een methode die veel gebruikt wordt voor de jacht op klein wild als fazant, haas en konijn. De drijfjacht op grofwild (edelherten, reeën en wilde zwijnen) wordt alleen toegestaan op wilde zwijnen.

Naast de drijfjacht zijn er voor afschot van wilde zwijnen twee andere jachtmethoden te onderscheiden: de drukjacht en de aanzitjacht.

Drukjacht is een vorm van jacht waarbij het wild in beweging wordt gebracht zonder dat het naar één bepaalde kant wordt gedwongen. Het wild wordt door een beperkt aantal jagers geschoten.

Aanzitjacht is een vorm van jacht waarbij het wild met behulp van lokvoer naar een bepaalde plaats wordt gelokt om vanaf de hoogzit te worden geschoten.

De drie jachtmethoden hebben eigen kenmerken.

Bij de drijfjacht kan in korte tijd een relatief groot aantal dieren worden geschoten. De rust in het gebied wordt slechts een korte periode verstoord. Deze methode bemoeilijkt echter de selectie van de te schieten dieren (zieke versus gezonde dieren, keuze tussen mannelijke of vrouwelijke dieren) en stelt zware eisen aan de schietvaardigdheid van de jagers.

De drukjacht zal in verhouding tot de drijfjacht een minder groot aantal geschoten dieren per jacht opleveren. De verstoring van het gebied is minder groot in verhouding tot de drijfjacht. Doordat de beweging van de dieren in verhouding tot de drijfjacht rustiger is, is er ook meer zekerheid een exemplaar te selecteren en dodelijk te treffen.

Bij de aanzitjacht brengt het gebruik van lokvoer met zich dat het dier stilstaat.

Daarmede wordt de selectiemogelijkheid beter en de trefkans vergroot. Aangezien echter het afschot veelal in de schemering plaatsvindt, is dit voordeel ten opzichte van de drukjacht beperkt. De verstoring is gering van omvang, maar treedt wel bij herhaling op. Het aantal dieren dat op deze wijze wordt geschoten is beperkt, tenzij er zeer veel uren aan worden besteed en het terrein veel aanzitplaatsen toelaat. In jaren van veel voedselaanbod zal het lokvoer minder effectief zijn.

Het beheer op Het Loo

Het Loo is een belangrijk gebied voor wilde zwijnen op de Veluwe. Het gebied omvat het kroondomein en het staatsdomein en is circa 10 000 ha groot. In vergelijking met andere delen van de Veluwe is het gebied voedselrijk. Het gebied bestaat grotendeels uit bos. Het beheer is de afgelopen decennia gericht op het versterken van natuur- en landschapswaarden.

De op Het Loo levende edelherten, reeën en wilde zwijnen maken een integraal onderdeel uit van de natuur. Door de aanleg van een tunnel onder de Amersfoortseweg en onder doorgangen in rasters is de laatste jaren het leefgebied voor wilde zwijnen uitgebreid tot de gehele Veluwe. Doordat wilde zwijnen minder schuw zijn dan bijvoorbeeld edelherten leveren met name zwijnen een grote bijdrage aan de belevingswaarde van Het Loo.

Het Loo is mede door deze aanwezigheid een uniek stuk Nederlandse natuur en biedt de recreant een redelijke kans het grofwild te kunnen aanschouwen.

Teneinde een balans tussen de functies flora, fauna, bosontwikkeling en recreatie op Het Loo te behouden, dienen de grofwildaantallen te worden gereguleerd. De schommelingen in het natuurlijk voedselaanbod veroorzaken, zeker bij wilde zwijnen, grote fluctuaties in de stand. De omvang van het leefgebied door de aanwezigheid van verkeerswegen en landbouw, alsmede het ontbreken van predatoren, brengt met zich dat aantalregulatie door menselijk ingrijpen noodzakelijk is. Concreet betekent dit dat afschot moet plaatsvinden. De regulatie vindt met betrekking tot wilde zwijnen op Het Loo plaats door middel van de drie voornoemde jachtmethoden. Het gebruik van de drijfjacht als methode is ingegeven door de mogelijkheid bij hoge wildstanden in een korte periode grote aantallen zwijnen te schieten.

Regelmatig wordt het beeld gecreëerd dat de drijfjacht op Het Loo onzorgvuldig, onwettig en omgeven door rituelen wordt uitgevoerd. Dit strookt niet met de feiten.

De vereiste afschotvergunning is verstrekt en de jagers voldoen aan de eisen van schietvaardigheid en ervaring die worden gesteld aan deelnemers aan drijfjachten op wilde zwijnen.

Het gebruik van het kogelgeweer in tegenstelling tot het hagelgeweer heeft als achtergrond dat grofwild zoals wilde zwijnen slechts met een kogelgeweer kunnen worden gedood. Het hanteren van een hagelgeweer zou slechts tot het aanschieten van het dier leiden. Ook in het kader van de Benelux-Overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming van 10 juni 1970 (Trb. 1970, 155) is het gebruik van kogelpatronen verplicht.

Er is geen sprake van rituelen waarop door bepaalde groeperingen regelmatig wordt gedoeld. Slechts het blazen van de jachthoorn bij aanvang van de jacht kan als ritueel worden aangemerkt.

Wettelijk regime

Drijfjacht is niet verboden op grond van de Jachtwet. Sinds 1977 wordt in vergunningen die verleend zijn op grond van artikelen 27 of 53 van de Jachtwet voor afschot van edelherten, damherten en reeën als nader voorschrift opgenomen dat geen drijfjacht is toegestaan. In vergunningen voor het afschot van wilde zwijnen wordt dit verbod niet opgenomen, maar geldt als voorwaarde voor de drijfjacht het bezit van een Zwartwildbrevet (bewijs van schietvaardigheid).

De Flora- en faunawet gaat uit van een andere systematiek. De Flora- en faunawet kent nog slechts 6 wildsoorten: haas, fazant, patrijs, wilde eend, konijn en houtduif. Voor de overige diersoorten geldt een regime van beheer en schadebestrijding. Bovendien zijn de bevoegdheden in de Flora- en faunawet (verlenen van ontheffingen) in beginsel gedecentraliseerd. De uitvoering komt daardoor grotendeels te liggen bij gedeputeerde staten.

Bij de parlementaire behandeling van de Flora- en faunawet is de drijfjacht veelvuldig aan de orde geweest. Door verscheidene partijen is bezwaar gemaakt tegen het niet-opnemen van een verbod op de drijfjacht. De leden Poppe (SP), Van den Bos (D66) en M. B. Vos (GL) hebben verschillende amendementen ingediend teneinde de drijfjacht te verbieden. De toenmalige minister heeft deze amendementen ontraden. Deze amendementen zijn alle ingetrokken dan wel verworpen. De Flora- en faunawet verbiedt de drijfjacht niet.

Drijfjacht in de systematiek van de Flora- en faunawet

Zoals hierboven is uiteengezet is een ontheffing voor het vangen en doden van grote hoefdieren slechts mogelijk in het kader van beheer en schadebestrijding.

In de Flora- en faunawet zijn gedeputeerde staten van de provincies bevoegd op grond van artikel 68 van de wet ontheffing te verlenen van het verbod tot het vangen en doden van onder meer grote hoefdieren. Artikel 70 van de Flora- en faunawet geeft de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij deze bevoegdheid, voorzover het terreinen betreft waar het genot van de jacht berust bij de Kroondrager.

Door de decentralisatie kunnen zonder nadere bepaling gedeputeerde staten van de onderscheidenlijke provincies niet verplicht worden om als nader voorschrift aan een ontheffing op te nemen dat de drijfjacht niet is toegestaan. Bestendiging van het huidige beleid kan dus niet zonder meer worden gegarandeerd.

Dit brengt met zich dat indien de drijfjacht op grote hoefdieren verboden dient te worden de door de wet verleende bevoegdheden nader gereguleerd moeten worden. Gelet op het samenstel van vrijstellingen en ontheffingen in de Flora- en faunawet en de daarmede gepaard gaande decentralisatie van bevoegdheden aan gedeputeerde staten kan een verbod op de drijfjacht op grote hoefdieren slechts ten volle worden geëffectueerd door wetswijziging.

De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

G. H. Faber

Naar boven